Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 598]origineel

Regelmaet en rangschikking
der Frank-Duitsche verba.

XVI. Hoofddeel.
Van den Eersten Rang der Frank-Duitsche Verba.

DEze, gelijk ook bij Ons en andere Gelijkstammige Talen, verwisselen niet van Merk-klinker. Hun Praeterit: Imperf: &c. word onderkent door de onderscheidene Uitgangen.

Deze Uitgangen houden in 't Frank-Thuitsch, dat ons nog overig is, op verre na zo gelijken rooij niet, als bij 't oude M-Gotthisch, en 't hedendaegsche Yslandsch, en Hoog- en Neder-Duitsch: want de Infinitivus eindigt nu eens met AN / dan eens met EN / IN / ON of UN / bij een- en dezelfde Woorden; en 't Imperfect: met IDA / ook EDA & ODA; en zoo voort.

't En is nogtans zodanig niet, dat het Letterkundige daer door verwart word, voornaemlijk, als men aenmerkt dat in 't Frank-Thuitsch, zo wel als bij 't M-Gottisch, en andere Oude of nog levende Spraken van Duitschen of Kimberschen Stamme, De Nadruk in de Uitspraek moet vallen op het Zakelijke Deel*; te weten op dat Deel, waer door 't eene Verbum van 't andere onderscheiden word; terwijl de onderscheidene Uitgangen, die de veranderingen der Tijden en Personen aenwijzen, slegts Toevallige Deelen zijn, die eene zagtvloeyende en snelder Uitspraek genieten, en ook na de Rede, vereischen.

Dit waergenomen zijnde, zal 'er weinig onderscheid vermerkt worden, of men a / of e / of i / of o / of u / in dezen Uitgang vind.

[p. 599]origineel

Meer verwarring zou dit toebrengen, bij aldien het in 't Zakelijke Worteldeel der Werkwoorden zo onzeker zig vertoonde; dog hier in houd het nette streek, alleenlijk dat wel E in steê van I / en te mets ook U voor O (die elkander zeer nae in geluid bestaen) gevonden word: het verschil tusschen U / en de zagte D is gants gering, wanneer men U op de Hoogduitsche wijze voortbrengt, namelijk trekkende na den ingekorten klank van onze OE.

Om dan niet telkens die velerhande zwervende Uitgangen der Frank-Duitsche Werkwoorden aen te wijzen, zal ik 'er maer een soort van die gebruiken, welke mij als de gewoonlijkste bij Tatiaen en Willeraem is voorgekomen; latende dit gezeide eens vooral tot berigt verstrekken.

I. De Regelmaet, of het Character van de Verba dezer I. CL: vermits ze GELYKVLOEYEND zijn, is te kennen aen de Terminatien in 't Praet: Indic: & Subj:, en in 't Praet: Particip:, als,

AN of ON in Infin: verandert bij 't Praet: Indic: & Subj: in IDA of ITA (of EDE/ ODA of OTA )/ of bij Inkrimping in DA of TA; en bij 't Praeter: Partic: in IT of OT; mits dat GE of GI (even als bij Ons) vooraen 't Worteldeel van 't Praet: Partic: gevoegt werde: dus dan,

Teilan / dividere; Teilida of Teilta gi-Teilit.
Salbon / ungere; Salboda; gi-Salbot.

Die op ON behouden juist niet altoos haer bezonderen loop; andersints zou men dezen van de I. CL: in tweederhande soort kunnen verdeelen, dat nu niet noodig is.

Wijders in steê van GI of GE voor aen 't Partic: Praet: vind men bij 't Alamannisch ('t gene van 't Frank-Duitsch alleenlijk in een meerder bezwaertheid van Tongeslag verschilt) dikwijls CHI of CHE; gelijk te zien is uit het Fragmentum Isidor: Hispalensis, dat Hr: Palthenius agter de Tatiani Harmonia Euangelica, Versio Theotisca, heeft gevoegt.

II. De gemeenste Regelmaet der Terminatien bevond ik aldus.

Infinit: {restus, AN / als Teilan of Deilan / dividere.
{obliquus, ANNE of ENNE / als zi Teilanne / &c.

NB. De T / in steê van onze D, vind men bij Tatiaen; dog Willeraem, die van zagter Dialect is, gebruikt de D / als bij Ons.

[p. 600]origineel

Praes: & Fut: Indicat:.

Sing: (1) U (of O / A / E); (2) IST (of EST / OST); (3) IT (of ET / OT).
Plur: EMES (of AN/EN); IT (of ET / of ED); ANT (of AN / ON / EN).
  als Ich Teilu / thu Teilist / her Teilit.
wir Teilemes & Teilan / ir Teilit / sie Teilant.

Praes: & Fut: Subjunct:.

Sing: (1) E (of A). (2) ES. (3) E (of A of O).
Plur: IMES (of OR). ET (of ED). IN.
  als Ich Teile / thu Teiles / her Teile.
wir Teilimes of Teilon / ir Teilet / sie Teilin.

Aemmerk: Bij de 1. Pers. Sing: Indic: heeft Willeraem veeltijds een N agter de Termin: E / bij aldien 't volgende woord met een Vocael begint; en bij de 2 Pers: Sing. Indic:, en bij de 3.Pers: Plur: Indic: word de T agterafgelaten, als 'er een T of TH vooraen 't volgende woord komt. Wijders bij de 3. Pers: Plur: Subj: vind men in 't Fragm: Isidori EEN in steê van IN; als Teileen voor Teilin / dividant: en de Terminatien EMES / IMES / &c:, doorgaends bij 't Alam:, en daerom bij de Glossae Keronis.

 

Prater: Simplex Indic:.

Sing: IDA. IDES / IDA.
Plur: IDAMES (of IDAN)/ IDET / IOUN.
  als, Ich Teilida / thu Teilides / her Teilida.
wir {Teilidames Teilidan} / ir Teilidet / sie Teilidun.

Praeter: Simplex Subj:

Sing: EDI. EDIS. EDI.
Plur: EDAMES (of EDAN). EDIT. EDIN.
  als, Ich Teiledi. thu Teiledis. her Teiledi.
wir {Teiledames Teiledan} / ir Teilidit / sie Teiledin.

Imperat: 2. Pers: {Sing: E / als, Teile thu.
{Plur: ET / als, Teilet ir.

Partic: {Praes: ANTI of ANTE bij Tat: dog ANDE / bij Will: als Teilanti / T. & Deilande. W.
{Praet: IT / of OT / als Giteilit of Giteilot. T: of Gedeilit. W.

[p. 601]origineel

Aenmerk: Het Praeter: Imperf: Perfect: & Plusquamperf:, als mede het Futurum, word ook wel bij Willeraem, dog zelden bij Tatiaen of anderen die Ouder zijn, met Omschrijving door Hulpwoorden uitgedrukt, in gelijker voege als bij ons Nederlanders, te weten in

Praet: Imperf: {Indic: Ich Was}
{Subj: Ich Ware}
Deilande of Teilanti {Dividebam}
{Dividerem}
&c:
Praet: Perfect: {Indic. ich Havo}
{Subj: ich Have}
Gideilit of Giteilit {Divisi}
{Diviserim}
&c.

Praet: Plusq: Perf: Ind: & Subj: ich Hafda (of Habda of Hadde) Gideilit / &c. Diviseram, &c.

 

Futurum, ich Scal Deilan of Teilan / Dividam. En zoo voort.

Dit gebruik der Hulpwoorden geschied ook bij die van de volgende Classes; 't welk daerom ook eens voor al gezeit zij.
Dus verre van het Activum.

Van het Passivum in 't Algemeen.

Op gelijke wijze als in 't Hoog- en Neder-Duitsch hedendaegs het Passivum door middel onzer Hulpwoorden WORDEN en ZYN bij 't Praeter: Partic: der Verba word uitgebeeld, zoo waren ook Werthan of Sijn (of Sin of Wesan) tot gelijken dienst bij den Frankduitschen in gebruik; bij 't Alam: vind men veel al Sin in Passivo; zo dat 'er geene Voorbeeldelijke Vertooning in dezen van nooden is. En, dewijl de behandeling dezer Hulpwoorden geen onderscheid van Classes erkent, zullen we dit ook voor eensvooral gezeit agten.

Tot deze I. CL: vond ik de volgenden.

 

De Schikking van 't A-Bee te nemen na 't begin der Wortelletters, tot gerief van de Afleiding.

De agterzetting van T, beteekent Tatiaen, van W, Willeraem, van Is: Isidorus; en 't getal wijst de pag: bij die Autheuren.

A.

Abandan / Vesperascere; van Aband / Vesper, T. p: 222.
Adhumon / Adhmon / flare, Is: p: 248. 249.
Ahton / conferre, conservare; & persequi, T. p: 19, 57, 84, 160. &c.
for-Ahtan / timere, T. p: 218. 223.
Alten / veterascere, T. p: 70.
Ambahtan / T. 41, 94, 119. & Ambehtan / W. p: 15, & 67. ministrare.
[p. 602]origineel
Antwurdan / & Antwurtan / respondere, T. p: 44, 83, 194. & Is: p: 241. en gi-Antwurtan / parare, & respondere, T. p: 22 & 36.
Arbeydan / W. p: 50. en Arbeitan / T. p: 72. 126. laborare.
Ardon / Is: p: 246. en Arton / T. p: 28, 32, 42, & 53. habitare.
ge-Argeran / corrumpere, W. p: 37.
Arnon / labore mereri, W. p: 51. en in-Arnon / metere, T. p: 72.
ge-Arzatan / curare, mederi, W. p: 143.
Avalon / satagere, T. p: 118.

B.

Bagen / contendere, T. p: 64.
Bathon / lavare, W. p: 100.
Bazan / meliorescere, T. p: 104.
Beydan / morari, W. p: 6. en Beitan / Beiton / expectare, & cogere ad remorandum T: p: 5, 21, 23, 119, 208 & 222, en Is: p: 256. dog in 't A-S. Biidan / morari, is van de III. CL: 1. en in 't F-TH, Biidan / II. CL: 1.
Berthan / gi-Berehton / clarificare; T. p: 147, 158, 163, 168, en 232.
Beton / orare, adorare, T. p: 24, 25, 91, 99, 110, &c.
Bevan / er-Bevan / tremere, W. p: 90. en Biban / tremere, T. p: 112.
Bichnan / testari, cognoscere, Is: p: 243, 252 & 254.
Bilethan / imitari, Voorbeeld volgen, en ge-Bilethan / imitari; W. p: 68, 85, 115. 129, 132, 147 & 158. de Accent moet op Bi / vallen; vermits afkomstig van Bileth / typus, Exemplum, bij ons Beeld. in 't Alam: ke-pilidan / (conformare) Kero.
Blach-Malan / obducere bracteâ, W. p: 15.
Blihezan / fulgurare, T. p: 125.
Blidan / exultare, T. p: 57.
Bliwan / concutere, T p: 35. & 332.
Blooman / ga-Blooman / floribus conspergere, W. p: 19.
Bluhizon / dubitare, Is: p: 244.
Bluoijan / florescere, W. p: 21, 118, 141.
fora-Bodon / praenunciare, T. p: 242. Is: p: 264.
Borgan / Al: Poragan / pi-Poragan / cavere, Gloss: Keronis.
Bouhnan & Bauhnan / significare, innuere, T. p: 5, 11, 49, 146. & Is: 249. Al: zua-Pauhnan / adnuere, Kero.
Bouwan / Bowan / habitare, W. p: 55, 165.
fur-Branton / aestuare, comburi, T. p: 133.
Breydan / contexere, & ze-Breidan / extendere, W. p: 15 & 73.
Brebon / abbreviare, Isid: p: 256.
Bruchan / ga-Bruchan / frui, uti, W. p: 150. 162.
Bruogan / terrere, ar- & er-Bruogan / exterrere, T. p: 212, 220 & 223.
Buozzan / emendare, T. p: 192. bij ons Boeten, Al: Puazzan / bij Kero.
Buren / elevare, W. p: 37, 65 & 80.
ge-Buran / contingere, W. p: 10.

C & CH / zie bij k.

D of TH / bij Willeraem; waer voor T of TH / bij Tatiaen; die met onze D, beantwoord worden.
Deilan / chi-Deilan / Is: p: 247, 261. & zi-Teilan / T. p: 86, 116, 200. dividere; en ar-Deilan / judicare, Is: p: 268.
[p. 603]origineel
Decchan / Dhehhan / velare Isid: p: 252. ant-Dhechan / revelare, Is: p: 240, 264. bi-Thekan / coöperire, T. p: 72. 97. 199. en int-Thekan / revelare, T. p: 85. Al: pi-Decchan (operire) V. CL: bij Kero.
gi-Theisman / fermentare, T. p: 136.
Thenan / ar-Thenan / extendere, T. p: 91, 130, 231. & 369: Al: Denan / bij Kero, en fora-Denan / (protendere).
Deran / ge-Deran / nocere, W. p: 81. 152. en Is: p: 269. en Teran / nocere, T. p: 125. 197.
Thikan / incrassare, T. p: 137.
Dheonon / Is: p: 245, 255. en Thionon / Thienon / T. p: 12, 23, 41, 71. servire.
bi-Therbison / bonum ac utile esse, T. p: 162.
unthar-Thiutan / subdere, subjicere servituti, T. p: 30, 124, 125. M-G. Thiudanon / I. CL: 3. regnare.
Diurisan / glorificare, T. p: 59, 103, 153. Alam: Tiuran / bij Kero.
Tholan / pati, perpeti, W. p: 70, 75, 80, 147. en T. p: 57, 111, 121.
Thorran / fur-Thorran / arescere, T. p: 131, 158.
Doufen / Toufan / Taufan / baptizare, T. p: 34, 35, 38, 39, 121. &c. en Junii Observ: in Willer: p: 9.
Thraian / tornare; in Praet: Part: ge-Thrat / Gethrad / & kithrait / tortus; W. p: 102. en Junii Observ: in Will: p: 156.
Thrangan / comprimere, conglobare, W. p: 112, 113, 115.
Drencan / potum dare, W. p: 128, 133, 136.
Threwan / comminari; T. p: 115.
Druscan / Thruscan / triturare, quatere, excutere, zie Junii Observ: in Will: p: 66. bij ons Dórschen, I. CL:.
Thruvan / Thruven / Treuwen / Troen / pati, T. p: 145, 195, 221, 225. maer ook Truoban / I. CL: contristari, turbare, T. p: 69, 119. A-S. Throwian / pati.
Drophan / Drofezan / stillare, activum, W. p: 91, 102.
Thruckan / Thruchan / comprimere, T. p: 111. en W. p: 137, 147.
Duhtan / videri, mente perpendere. Kero.
Thuncon / tingere (indoopen) T. p: 145, 146.
Thurstan / W. p: 103. Thrusten / T. p: 56 & 204. sitire.
Tuomon / judicare, T. p: 73, 74. en er-Duoman / dijudicare, T. p: 163.
be-Thuwan / reprimere, W. p: 50.
Duruftigon / indigere, Kero.

E.

sich ge-Einnon / recordari, W. p: 91. 135.
Eischan / Eisgon / Eiscon / & ge-eischan / postulare, sciscitari, W. p: 101. en T. p: 24, 64, 104.
gi-Endon / gi-Enton / consummare, T. p: 80, 84, 127. &c. en Is: p: 256.
Eran / honorare, T. p: 67. en Is: p: 259.

F / en V;

Die meest altijd door onze V, beantwoord word.
Fastan / Fasten / jejunare, T. p: 40, 69, 106.
bi-Fangolon / concludere, Is: p: 256.
gi-Fehtan / bellum committerre, T. p: 127.
[p. 604]origineel
Feran / transfretare, T. p: 101.
Fergon / proponere, T. p: 161.
Festinon / fundare, munire, gi-Festinon / confirmare, T. p: 80, 149, 211. en Is: p: 239 & 248. en Vestenan / ge-Vestenan / confirmare, W. p: 20, 73.
reht-Festigon / justificare, T p: 118, 121 & 122.
Fillan / bi-Fillan / flagellare, T. p: 83, 197.
Viron / otiari, vacare laboribus, T. p: 129.
Flehan / adulari, Kero.
Fleuuan / lavare, T. p: 48.
er-Floigan / perterrere, W. p: 119. en ar-Fleugan / effugare, Is: p: 261.
Flozan / abluere, W. p: 90.
Fluhtan / fugere, T. p: 84.
Fluobiran / consolari, T. p: 27, 56, 153.
Fluohhan / maledicere, T. p: 57.
Fluoian / fluere; over-Fluoian / abundare, W. p: 150.
Folgan / sequi, T. p: 42, 43, 50, 91, &c. en Volgan / sequi, W. p: 146.
Forhtan/ gi-Forhtan / timere; en ar-Forhtan / consternare, T. p: 3, 6, 15, 28, 85, 100, 206, 212, &c. en W. p: 113. Alam: Furihtan / Forahtan (timere) bij Kero.
Vougan / Vogan / jungere; ze-samene-Vogan / conjungere, W. p: 67, 157.
Vortheron / petere, postulare, instanter quaerere, W. p: 42, 128.
Fragan, T. p: 35, 36, 82, 99, 176, &c. en Fragon / W. p: 99, 104, 109. rogare, interrogare; en rat-Fragon / en rat-Fraganon / consulere; W. p: 92, en Junii Obs: in Will: p: 151. Al: Frahan / I. CL: interrogare, bij Kero.
Freman / gi-Freman / exequi, agere, perficere; W. p: 72, en T. p: 9, 23, 127, en thuruh-Freman / consummare, en Frumman / componere, T. p: 171, 204, 229. en chi-Frumman / creare, Is: p: 243, 244.
sich Freuwan / gi-Freuwan / laetari, oblectari, W. p: 17, 55. en Is: p: 246. en Al: ke-un-Freuwan (contristari) Kero.
ge-ant-Friston / interpretari; W. p: 17.
Fuhtan / humectare, W. p: 72.
Fullan / ver-Fullan / implere, W. p: 104. en T. p: 4, 10, 11, 16, 17, 90, &c.
Fuoran / pascere, T. p: 72.
Fuotran / Fuotiran / pascere, T. p: 100, 231.
ar-Furan / er-Furan / & ar-Firran / auferre, T. p: 6, 106, 119, 173.
Furban / mundare, T. p: 108.
ver-Fuulen / sordescere, putrescere, W. p: 51.

G.

Garon / parare, W. p: 91.
Garwan / parare, vore-Garwan / praeparare, W. p: 50. & Garowan / parare; & gi-Garowan / praebere, T. p: 4, 13, 31, 63, 108, 144, &c. Alam: ke-Caruwen / exhibere, bij Kero.
Geran / Geron / cupere; T. p: 61, 148. Is: p: 269. W. p. 24, 82, 84, 113. Alam: keron / desiderare, cupere, bij Kero.
Gesan / excoquere, W. p: 147.
Girdinon / cupere, exoptare, T. p: 137.
Gradan / modo plano gradatim exaltare, W. p: 50.
[p. 605]origineel
bi-Gonnan / in-Gonnan / incipere, T. p: 38, 102, 120; dog bi-Ginnan / II. CL: 3. T. p: 103, 127, &c.
gi-Gortan / Gurtan / bi-Gurtan succingere, T. p: 229.
Greifan / palpare, T. p: 224.
Gruoien / crescere, W. p: 72.
Gruonan / virescere, W. p: 100.
Gruozen / W. p: 157. en Gruazan / T. p: 44. salutare.
Guotlichan / Al: Cuatlihan / gloriari, Glossae Keronis.

H.

Haban / habere, tenere; W. p: 9. en be-Habon / conservare, W. p: 10. en Haban / habere; in Praet: Habeta / T. p: 33, 34, 35, 52, 54, 98, 111, 124, &c. en Heban / habere, Is: p: 240. Voorts be-Haban / detinere; en bi-Haban / capere, continere, T. p: 55, 89, 219, 226. en Al: ke-Haban / abstinere; en int-Haban (assumere) Kero.
Halon / ga-Halon / vocare, appellere; T. p: 26, 47, 55, 89, 90, &c. en Halan / ducere, introducere uxorem T. p: 63.
ga-Halsan / Alam: ki-Halsan / amplecti, Kero.
Harmen / calumniare, T. p: 65.
Hazzon / Hazen / T. p: 12, 57, 65, 71, 126, 161, &c. en Hazssan / Is: p: 241. odio habere.
Heftan / alligare, adjicere, connectere, W. p: 66. en Is: p: 247.
Heilan / sanare, conservare, salvare, W. p: 75, 103. en T. p: 54, 81, 82, 88, 91, 93, 97, &c. en ge-Heiltan / curare, T. p: 54. en Heilizan / Heilazan / salutare, T. p: 8, 66, 82.
Heiligan / gi-Heiligan / & chi-Heiligon / sanctificare, T. p: 68, 170. en Is: p: 261.
Heldan / declinare, int-Heldan / & nidar-gi-Heldan / inclinare, reclinare, T. p: 96, 205, 213, 222.
Hengon / W. p: 80, gi-Hengan / T. p: 208. permittere, consentire.
ge-Herdan / perseverare; W. p: 24.
ar-Heban / uf-Heban / extollere, T. p: 109, 123, 130. en ubar-Hepfan / sustollere, levare, Is: p: 240, 245.
Horan / Horen / Hoorran / Hoorren / gi-Horan / audire, T. p: 3, 6, 8, 10, 11, 19, 20, 108, &c. en chi-Horan / audire, Is: p: 253. en Horechan / auscultare, W. p: 165. en Al: un-Horsamon I. CL: inobedire, bij Kero.
Horan / pertinere, W. p: 45.
Hugan / ge-Hugan / recordari, W. p: 17, 55, 154. en T. p: 12, 60, 183, 210, &c. en ubar-Hugan / contemnere; T. p: 71.
ver-Hundan / capere, vinculis mandare, W. p: 120 & 126.
Hungran / Hungeran / Hungiran / esurire, W. p: 103. T. p: 10, 40, 56, 58, 128.
Huodan / Hudan / Hodan / be-Huodan / be-Hoodan / & be-Hudan conservare, impedire tegendo, protegere; W. p: 9, 21, 92, 162.
Huolan / frustrari aliquem, Is: p: 265.
Huoran / adulterare, T. p: 63. en Al: Huaran / adulterare, Kero

I.

ur-Idalan / exinanire, Is: p: 246, 254. en ar-Italen / evanescere, T. p: 58,
Ilan / Iilan / festinare, W. p: 46, en 69.
[p. 606]origineel
Irran / ge-Irran / deperdere, deflectere à viâ, Doen dwalen, W. p: 21, 27, 28, 32, 55, 149.

K / of C / of CH.

be-Kennan / be-CHennan / cognoscere, agnoscere; W. p: 2, 14, 43, 65, 99, 100. en ar-Chennan / cognoscere; T. p: 240. dog kunnan / zie VI. CL: 2.
Keran / vertere, be-Keran / be-Kieran / convertere; W. p: 35, 39, 70, 120, 130, 132, 141. en wither-Keran / revertere; W. p: 39, 90, 120.
Clagen / Clâgon / CHlagon / conqueri; W. p: 9, 126. en Kero.
Clophen / pulsare; T: p: 76.
Knusan / Knisan / quassare, contundere; T. p: 131. en W. p: 75. en fir-Chnussan / conterere, Is: p: 242. en Chnussan / adlidere, Kero.
be-Cnuodelan / vocare, W. p: 89. A-S. Cneodan / nominare.
Coron / gi-Coron / gi-Choren / gustare, & tentare, T. p: 90, 200. en Catech: Theot: p: 84.
Coston / tentare, T. p: 40, 41.
Cousan / emere; T. p: 147, 156, 187.
Craian / cantare instar galli; T. p: 183.
in-Cribon / increpare; T. p: 202.
Krucigan / crucifigere; W. p: 103.
Kundan / Cundan / Cundegan / bore-Cundan / indicare, nunciare, denunciare, testari, W. p: 12, 34, 66, 67, 93, 102, 120, 141, 142, 166, 167. en T. p: 25, 52, 112. en chi-Chundan / testari, Is: p: 239, 242. en dhurah-Chundan / declarare, Is: p: 251. en fora-Cundan / Prophetizare, T. p: 145.
Cussan / osculari, T. p: 145, 175, 176.

L.

Labon / reficere, T. p: 126.
Lathon / ge-Lathon / gi Ladon / vocare, convocare, invitare, W. p: 64, 69, T. p: 105.
Lazzan / tardare, morari, T. p. 5.
Leban / Liban / Levan / vivere, T. p. 23, 104. &c. en W. p: 9, 74.
Legan / ponere; under-Legan / submittere, en umbe-Legan / cingere, circumdare, W. p: 24, 132. en Legan / gi-Legan / ponere, reclinare; en nidar-Legan / item, T. p: 17, 18, 127, 172.
Leijdan / Leitan / ducere; ge-Leidon / gi-Leitan / en in-gi-Leitan / inducere; in-Leitan / introducere, ar-Leitan / reducere, us-gi-Leitan / ejicere, W p: 6, 147. en T. 21, 39, 43, 48, 77, 83, 69, 131, 180.
Leidezan / detestari, T. p: 182. Lééd toewenschen.
Leijstan / Leistan / praestare, servare; ge-Leijstan / item, W. p: 70, 91, 108, 109, 135. en Al: keleisinan & Leisanon (imitari).
Leran / Leeran / docere, T. p: 1, 45, 48, 54, 56, 59, 68, &c. W. p: 65, 127. Lernan / ge-Lernan / discere, T: p: 24, 105, 126. en W. p: 14, 101. dog ook Lernan / docere, W. p: 33, 130 & 133. Deze inzetting van N, om een Activ: tot een Passiv: te maken, is nog een overblijfsel van dat gebruik, 't welk in 't M-Gottisch te vinden is. Wijders ook Al: Lirnen / I. CL: (discere).
[p. 607]origineel
Leskan / Leiskan / er-Lescan / er-Leschan / extinguere, W. p: 74, 155. T. p: 131.
ge-Lieuan / complacere, W. p: 109.
Liihhan / Lihhan / gi-Lichan / gi-Lihhan / & chi-Lihhan / placere, complacere, T. p: 39, 67, 70, 125, 131. en Is: p: 251, 261. en int-Lihan / mutuo complacere, accommodare, T. p: 66, 75. en Lihhizan / complacere, assimilare, fingere, T. p: 67, 221.
Linan / ga-Linan (incumbere, inniti) T. p: 142, 146.
ant-Lingan / respondere, T. p: 4, 10, 35, 36, &c.
Liuhtan / in-Liuhtan / in-Liuhtigen lucere, illuminare, W. p: 155. en T. p: 5, 9, 13, 32.
Locchan / ge-Locchan / allicere, W. p: 71, 101, 137.
Losan / solvere, ar-Losan / liberare, eruere, en zi- & er-Losan / solvere; T. p: 59, 12, 62, 69, 202, 205. en ber-Loosan / liberare, W. p: 14, 55, 66.
Losan / Dlosan (audire) Kero, en Catech: Theotisca vetus, p: 97, 98.
Louan / laudare; W. p: 115. en Lobon / laudare, magnificare, T. p: 19, 21, 23, 45 en Is: p: 246.
ar-Louban / permittere; en gi-Louban /chi-Lauban / credere, T. p: 93, 128, 130, 166, 187. en Is: p: 243. &c.
fur-Lougnan / negare; T. p: 86, 150, 182.
Luston / sich Beluston / desiderare, delectari, en ur-Lustan / taedere, W. p: 24, 25, 92, 93. T. p: Is: p: 269.
Lutteran / purificare, W. p: 24.

M.

ge-Maazon / adaequare, W. p: 14.
Machon / facere, conficere; W. p: 2, 50, 67, 72, 113, 161, &c. Al: ki-Mahchon / conjungere, Kero.
gi-Magan / invalescere, T. p: 190.
Mahelan / conjungere, conciliare, connabere; W. p: 55. en gi-Mahalan / despondere; T. p: 15.
Manan / Manon / admonere; W. p: 45, 158. en T. p: 28. en Al: far-Manon / contemnere, Glossae Keronis.
Manig-saldan / chi-Managsaldan / multiplicare, W. p: 92. en Is: p: 254.
Maran / ar-Maran / divulgare; gi-Maran / diffamare; chi-Maran / declarare, T. p: 11, 91, 115, 217, 239 & 241.
Marteron / excruciare, Is: p: 257, 260.
Meijnan / Meinon / putare, W. p: 35, 40, 65, 135, 137. en chi-Meinan / putare, computare, sub-intelligere, Is: p: 241, 248.
Meldan / traducere, T. p: 15, 56.
Mendan / Mendian / gaudere, exultare, W. p: 115. T. p: 4. Is: p: 252. zie ook Animadv: in T. p: 284.
Merkan / observare, notare, W. p: 45. gi-Marcon / adsignare, constituere, T. p: 233.
Mihhilosan / & Mihhilon / magnificare; T. p: 9, 10, 45. en Kero.
Miltan / misereri, T. p: 80, 101.
Minnan / Minnon / diligere, amare, W. p: 7. T. p: 65, 66, 67, 71, 146, 149, 154, 241, &c.
gi-Minnan / comminuere; T. p: 98. en Minneron / minui, T. p: 52. en chi-Minnoran / minuere, Is: p: 254.
gi-Mirron / myrrha miscere, T. p: 200.
Misgan / miscere, T. p: 200.
[p. 608]origineel
Mornan / moestum esse, T. p: 172.
ge-Muntigon / memorare, T. p: 10.
Mouthan / fatigari, W. p: 103, 132.
sich Mouzegan / ge-Mouzegan / vacare, se expedire; W. p: 90, 166.
Al: Muasan (cibare) bij Kero, aband-Mousan (coenare).

N.

Nachan / Nahan / Naachan / appropinquare; W. p: 69, 91. en T. p: 31, 46, 81 & 94. en Nahlihhon / appropinquare; T. p: 175, 219, 221.
Naian / Nawan / assuere, T. p: 106, 200.
Neijgan / proclinare, procumbere; W. p: 29, 150. en Nneigan / subjugare, subjicere; Is: p: 242.
ke-Deizzan (affligere) Kero. A-S, Noetan / (premere).
Nerran / servare, liberare, T. p: 245, 246 & 404.
Nezzan / humectare, W. p: 132. bij ons Natten, Nat maken.
Niedan / placere, Imperson: W. p: 24.
Nitheran / submittere; W. p: 132, 152. for-Nitheran / for-Nidiran / fur-Nidaron / damnare, condamnare; T. p: 73, 108, 118, 186.
Distelon / nidulari, W. p: 35.
gi-Duhtsamon / sufficere: T. p: 84.

O.

Ophenen / Opphenen / aperire, patefacere; W. p: 15, 67, 157. en Offanon / gi-Offonon / ar- Offenan; aperire, manifestari; en sich Offonan / apparare; T. p: 11, 69, 76, 90, 136, 154. en dhurch-Offonon / apparere, Is: p: 249.
Odmuodan / Odmuotigon / humiliare, T. p: 31. Is: p: 268.
fyr-Odhanan / vastare, dissipare, Is: p: 258.
Ordinan / Ordinon / ordinare, W. p: 101. en T. p: 1, 3.
Ougan / gi-Ougan / er-Ougan / Al: Augan / & ar-Augan / ostendere, W. p: 92. T. p: 3, 15, 19, 26, 27, 91, 144. Is: 253. en Ougozoshton / manifestare, T. p: 154, 168, 228 & 230.
Zuo-gi-Ouhhon / adjicere, T. p: 72, 73. Al: Auchon / augere, Keron: Glossae.

P.

Pimentan / Pigmento condire, W. p: 147.
Planzon / Phlanzen / plantare, W. p; 10, 75, 165.
Predigon / Praedicare, T. p: 31, 46, 88, 120, &c.
Prangon / Al: Pranhon / redigere, arctare, Kero.

Q.

Quekkan / vivere er-Quekkan / er-Quikkan / reviviscere, W. p: 72, 103, 151. en chi-Quihhan / vivificare; Is: p: 246.
Quelan / molestare, vexare, W. p: 9. bij ons Quellen.

R.

chi-Rahhon / ar-Rahhon / enarrare; Is: p: 240. en Al: ent-Rahhon / excusare, bijde Glossae Keronis, F-TH. en Al: Rahha (causa).
Rechan / of Rachan / extendere, porri-
[p. 609]origineel
gere; in Praet: Rahta / W. p: 90. zo de Infin: Rechan ware, zo zou het tot de V. CL: behooren; bij ons Rékken, extendere, I. CL: & Alam: zua-ke-Reihhan (attingere) Kero, bij ons Reiken, Toe-Reiken, I. CL: (porrigere, &c:)
ar-Rekan / ar-Reckan / exponere, interpretari, T. p: 16, 41, 43, 114, 204, 221, &c. Deze drie vorenstaende schijnen vrij wat gemeenschap met elkander te hebben.
Redinon / ratiocinari, testificari, T. p: 184.
Reganon / Regonon / pluere; T. p: 65, 244.
Reijnon / ge-Reijnan / mundare, purificare; & un-Dreinan / violare; W. p: 17, 40, 130. Is: p: 259. en Dreinnan / castigare; Gloss; Keronis.
Rennan / currere; ze-Rennan / concurrere, liquescere, W. p: 92.
Restan / chi-Restan / requiescere; T. p: 96, 174. en Is: p: 267. bij ons Rusten.
Richtan / Rihtan / ge-Richtan / bernare; W. p: 25, 131, 148. en T. p: 24, 13. en ar-Rihtan / uph-Richtan / erigere; T. p: 12. W. p: 91, 133.
Rihhison / Riihhison / regnare; T. p: 7, 28. en Is: p: 267.
gi-Riman / numerare, T. p: 85.
umbi-Dringan / circumvallare; Is: p: 239.
Riohhan / sumigare; T. p: 131.
Ritron / cribrare, T. p: 148, 386.
ar-Rofozan / eructare, detegere (Ont-dekken, ont-korsten) T. p: 136. bij ons Rove, crusta vulneris; en Roeve, distincta pars navis, quae tecta. Al: Ropphen / vellicare, vellere.
Roubon / bi-Raubon / spoliare, Is: p: 245.
gi-Rostan / assare, T. p: 224.
Rouchan / procurare, satagere, W. p: 18, 40. Alam: Ruahhaloson / I. CL: negligere, bij Kero.
Ruogan / accusare, T. p: 129, 191, 192, 194. bij ons eertijds Wroegen.
Ruoran / movere; bi-Ruoran / tangere, attingere, movere; & chi-Druoran / commovere, T. p: 91, 93, 94, 201, 205, 216, &c., en Is: p: 250.
Rouwan / quiescere, quiete frui, W. p: 11, 19, en 35 hier toe ons Ruwaerd, als Rustbewaerder van den Lande.

S.

Sagan / ge-Sagan / dicere; & ver-Sagan / interdicere, W. p: 11, 42, 43, 52, 101, 104, 109. en Sagan / dicere, euangelizare, nunciare, en gi-Sagan / narrare, T. p: 5, 18, 32, 33, 131, 255, &c. Dog fur-Sagen / fur-Sahhan / renunciare, is van de III. CL: 3.
Salbon / T. p: 46, 70, 88. chi-Salbon / Is: p: 241. en Salban / W. p: 17 ungere.
Salzon / saltare, T. p: 122.
Samenan / gi-Samanon / in-Samanon / colligere, congregare, W. p: 115. en T. p: 24, 37, 72, 132, &c.
Saton / saturare, T. p: 56, 58.
Sich Scaman / pudere, confundi, W. p: 14, 66, en T. p: 86.
be-Scatuan, obumbare T. p: 7.
Scaphan / formare, condere, creare, en ge-Scaphan / condere, W. p:
[p. 610]origineel
35, 68, 70, 118, 163, &c. dog Isid: gebruikt het ook als III. CL: 3.
Scheijnan / Skeijnan / Skeinen / apparere, lucem emittere, ostendere; W. p: 29, 33, 39, 70, 80, 84, 147, 167. en chi-Scheinan / coruscare, Is: p: 270.
Schelan / confricare, deglubere, T. p: 128. bij ons Schillen.
gi-Schentan / vitiare, concidere, T. p: 99. en gi-Shentan / T. p: 86. confundere. bij Kero ke-Scanter (confusus).
Shimphan / Scimfan / deridere, T. p: 113 & 185.
be-Schirman / be-Skirman / defendere, protegere, W. p: 50, 158.
Scouwan / perspicere, W. p: 118. en ge-Scouwon / widar-Scowan / respicere; en Scouwan / intendere, adspicere; en ana-Scowon / adspicere; en umbi-Scowon / circumspicere, T. p: 6, 9, 43, 46, 72, 96, 112, 180, 183, 139.
Scundan / advocare, admonere, stimulare, W. p: 6, 103.
ar-Scutan / excutere, T. p: 83. bij Kero er-Scutten.
Scuwan / vitare; W. p: 44.
Segenon / gi-Segenon / gi-Seganon / benedicere, T. p: 6, 8, 148, 184.
bi-Senkan / praecipitare in aquam; T. p: 100.
Seran / dolere, T. p: 30. en Seran / Seeran / vulnerare; W. p: 70, 92.
Siechon / languere, W. p: 24, 93.
Sigilon / signare, T. p: 211. Sigelan / be-Sigelan / claudere, sigillo notare, W. p: 72.
Silzan / sallere, sale condire, T. p: 58.
Slaffon / pigrescere, W. p: 82.
gi-Slahtan / I. CL: (generi consentaneum esse) Junii Obs: p: 45.
Slehtan / Slightan / complanare, W. p: 52.
bi-Smaran / infamare, blasphemare T. p: 102, 117, 127, 185, 191.
Smekkan / Smecchan / gustare, W. p: 104 & 132.
Smithon / fabricare, W. p: 127.
Sorgan / bi-Sorgan / sollicitum esse, T. p: 72, 73.
Sougan / lactare; T. p: 199. en Alam: chi-Saughan / ablactare; Is: p: 269.
gi-Spenton / erogare (Verspillen) T. p: 111. Al: Spenton / ki-Spenton (expendere, dispendere, suspendere) Kero.
God-Spellan / Euangelizare; T. p: 37, 40 & 55.
Spotan / be-Spotan / illudere; sub-sannare, Catech: Th: p: 87, 91.
zi-Spreitan / dispergere; T. p: 9, 117, 150, 167.
Al: ke-Smengan / conspergere, Keron: Glossae.
bi-Spurnan / offendere pedem; T. p: 41.
an-Spuman / I. CL: inspuere.
ge-Starcon / corroborari: W. p: 34, 37, 141. Al: ke-Starachan / confortari, bij Kero.
Stecchan / stipare; umbe-Stecchan / circumdare stipitibus; W. p: 128.
Steigeran / ascendere, elevare, W. p: 65.
chi-Stiftan / stabilire; Is: p: 265.
Stiuron / adigere; W. p: 24.
Strangan / gi-Strengison / confortari, T. p: 13, 28, 173.
gi-Streuuan / sternere; T. p: 144. en zi-Strudan / distruere, dispergere, Isid: p: 258.
ar-Stumman / obmutescere; T. p: 97. Al: er-Cumban / bij Kero.
Suberan / gi-Subiran / mundare, per-
[p. 611]origineel
mundare; en bi un-Subiran / contaminare, T. p: 37, 81, 91, 120. & 186.
Suochan / quaerere; Al: Suahhan / T. p: 27, 29, 30. en Kero.
gi-Suonan / reconciliari, T. p: 61. en Al: Suanan / I. CL: (judicare) bij Kero.
be-Swaran / premere, degravare, W. p: 90. en gi-Suaran / gravare, T. p: 174.
Sweibon / fluitare, ferri, Is: p: 249.
Swigan / Svigan / Al: Swikan / tacere, T. p: 97, 130, 184.
a-Swiholan / scandalum pati; T. p: 149.

T.
Voor een Consonant, of Z.
Voor a / e / i / o / u / of w; die met onze T, beantwoord word.

Trisiwen / Thesaurizare, T. p: 70.
Truoban / turbare, tristari; T. p: 3, 6, 24, 150, 165, &c.
gi-Truwan / confidere, sperare, T. p: 66, 131, 202. bij ons Ver-trouwen.
Zeichnan / Zeichenan / signare; be-Zeijchnan / be-Zeijchenan / significare; W. p: 9, 68, 115, en gi-Zeichnon / gi-Zeichonon / & chi-Zeihuan / demonstrare, significare, signare, designare, T. p: 34, 52, 124, 188, 232. en Is: p: 242. bij ons Teikenen, enz:.
gi-Zeman / domare; T. p: 98. bij ons Témmen.
Zimbron / gi-Zimbron / aedificare, T. p: 79, 127, 202. bij ons Timmeren.
Zilon / conari; T. p: 1.
Ziran / Zieran / ornare, adornare, W. p: 15, 20, 55, 69, 72, 133. Tegen deze Z in dit woord gebruiken wij gewoonlijk de C, als Cieren.
Zohgan / indicare, monstrare; W. p: 35. oul: bij ons Toogen, nu Vertóóg doen.
Zuistan / W. p: 90, 91. en Zuehon / Zwehon / T. p: 146, 233. dubitare; bij ons Twyffelen.

W.

Wachan / Wachon / Wahhan / vigilare; W. p: 26, 86. en T. p: 18, 132.
Waldan / regnare, dominari; Is: p: 248, 264.
Wanan / putare, opinari; T. p: 11, 29, 135, 147, &c. W. p: 91. en zur-Wanan / sperare mercedem, T. p: 66.
be-Waran / custodire, servare, W. p: 49, 50, 72, 101, 131. en ge-Waran / pererrare, perambulare, W. p: 39.
Wardan / prospicere, intueri, observare, attendere, speculari, cavere instar vigili, W. p: 29, 92, 147. en Wartan / attendere, cavere, T. p: 65, 77. en ver-Wardan / in malam partem observare, corrumpere, illaqueare, W. p: 151.
Watan / gi-Watan / induere, T. p: 72, 73, 98, 100, 179.
Warman / er-Warman / incalescere, W. p: 92. Werman / calefacere, T. p: 180.
Wegan / agitare, movere; T. p: 120. en ar-Wegan / reconciliare; Is: p: 259.
[p. 612]origineel
Weigan / affligere, vexare, afficere, T. p: 80, 84, 112.
Wehslon / mutuari; T. p: 64. De beleeningen geschiedden eertijds door Wisselaers: dog de eigentlijke zin is mutare.
chi-Weihhan / liquefacere; Is: p: 248.
Weinon / ejulare; T. p: 113.
Weijthenan / Weithenan / pascere, capere herbam, W. p: 11, 39, 68, 108, 109.
er-Welan / eligere; W. p: 50, 99, 104.
Wendan / invertere; W. p: 113. Wentan / gi-Wentan / gi-Wantan / convertere, widar-Wentan / avertere; T. p: 4, 42, 126, 129, &c.
Weran / prohibere, T. p: 38, 188, en Weran / praestare; W. p: 146. en Weran / custodire, Is: p: 259.
Werban / gi-Werban / convertere, T. p: 4, 137. van deze I. CL: en II. CL: 4. en Alam: Dwerhan / bij Kero.
Werdan / appretiare, T. p: 187. en ge-Werthan / dignari, W. p: 100.
Widaran / avertere, resistere, recusare, T. p: 64. en bij Kero.
Wihan / ge-Wihen / benedicere, sacrare, T. p: 11, 12, 22, 147, 222. Is: p: 262.
Wilingan / tempore perire T. p: 138.
Wisan / ostendere, monstrare; in Praet: Wisda / W. p: 12, 14, 24.
Wisan / Wison / ge-Wisan / visitare, in Praet: Wiseda / Wisoda / W. p: 84, 90, 108, 141, en T. p: 12, 13, 95.
Wizagon / Wizzagon / prophetizare; T. p: 11, 79, 121, 186.
it-Wizzon / iti-Wizzon / ejicere, exprobrare; T. p: 57, 122, 234. en Wizinon / gi-Wizinon / torquere, cruciare; T. p: 92, 99. M-G. id-Deitjan I. CL: 1. exprobrare.
Wollan / velle; T. p: 121.
Wonan / gi-Wonan / manere; en thuruh-Wonen / permanere, perseverare; T. p: 5, 10, 29, 39, 84, 98, 123, en, Wunon / manere, habitare, W. p: 17.
Wontoron / Wuntaron / Wunderan Wunderon / mirari; T. p: 5, 11, 19, 22, 29, 80, 195, &c., W. p: 115, 118, 119, 120, 151.
Worpheran / ejicere; T. p: 81.
ar-Worzalan / eradicare; T. p: 134.
ar-Wostan / exterminare; Is: p: 257.
Ant-wurtan / Ant-wortan / respondere, en gi-Antwurtan / parare; respondere; T. p: 22, 36, 44, 83.

Zoo mede de verdere Composita.