Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XXX. Hoofddeel.
Van den Vierden Rang der Hoogduitsche Werkwoorden.

DEze ONGELYKVLOEYENDEN houden in 't Praeterit: Partic: den zelfden Klinker als in Infinit:, dog bij 't Praeter: Imperf: geschied de volgende verwandeling.

I. De Regelmaet van de Vocaelwisseling is,

No: 1.De A (voor B / D / FF / G / HL / HR / CHS / & SCH) in Inf: & Praet: Part:, verandert in U in Imperf: Ind:, en in ü in Imperf: Subj:.
No: 2.De A (voor F / LL / LT / HT / NG / S / SS / T / & UFF) in Inf: & Praet: Part:, verwisselt in IE in Imperf: Ind: en in IE in Imperf: Subj:.
als, No: 1. Graben / fodere; Grub (in Subj: Grübe) / gegraben.
2. Blasen / flare; Blies (in Subj: Bliese) / geblasen.
Daerenboven hebben deze beide soorten nog een tweede Vocael-wisseling in de 2. en 3. Pers: Sing: van 't Praes: Indicat: naemlijk ä in steê van a; als,
Ich Grabe / du Gräbest / er Gräbet; wir Graben / &c.
Ich Blase / du Bläsest / er Bläset / wir Blasen / &c.
No: 3.De EI / U /& O / in Infin: & Praet: Part:, verwandelt bij 't Imperf: in IE / zo in Ind: als in Subj:.
als, Heischen / petere; Heisch (in Subj: Hiesche) / geheischen).
[p. 667]origineel
Ruffen / vociferari; Rieff (in Subj: Rieffe) / geruffen.
Stossen / trudere; Stiesz (in Subj: Stiesse) / gestossen).
No: 4.De E in Inf: & Praet: Part: verandert bij 't Imperf: Ind: in A / en Subj: in ã. als, Geben / dare; Gab (in Subj: Gãbe) / gegeben.
En daerenboven bij de 2. en 3. Pers: Sing: van 't Praes: Indic: in I (of IE) / en in Imperat: in I / als du Gibest (das), er Gibt (dat), & Gib du (da).

II. De Regelmaet van de Verandering der Uitgangen, als bij de II. CL:.

Tot No: 1. behooren.

Bakken / coquere panem, pinsere; Buch / Gebakken.
Fahren / Fuhr / Gefahren / vehi, aliquò tendere. Dog Führen / ducere, vehere, I. CL:.
Graben / Grub / Gegraben / fodere, caelare. Dog Gräbeln / I. CL:.
Laden / Lud / Geladen / onerare, & invitare.
Mahlen / Muhl / Gemahlen / pingere, bij Schottel; en Mahlen / Muhl / Gemahlen / molere, bij Bödiker, die Mahlen / pingere, Gelijkvloeijend stelt, d: i: als van de I CL: gelijk ook Galat: III. 1. Welchen Christus Jesus vor die augen gemahlt war.
Schaffen / Schuff / Geschaffen / creare; dog Schaffen / parare, negotium curare, & Schöpfen / haurire, zijn van de I. CL:.
Schlagen / Schlug / Geschlagen / percutere; dog Schägeln / damnum accipere; I. CL:.
Tragen / Trug / Getragen / portare.
Wachsen / Wuchs / Gewachsen / crescere.
Waschen / Wusch / gewaschen / lavare.

Wijders voeg hier bij.

Jagen / venari; Jug (in Subj: Jüge) / dog in Praet: Part: ge-Jaget in steê van Gejagen / gelijk ook bij Ons Jagen, Joeg, Gejaegt (oul: Gejagen).

Dus ook de Composita.

 

Tot No: 2.

Blasen / Blies / Geblasen / flare.
Braten / Briet / gebraten / assare.
Fallen / Fiell / gefallen / cadere: dus ook Be-fallen / Befiell / Befallen / obruere, occupare; dog ook wel in Praet: Part: Befallet. Wijders 't Activ: Fällen / diruere, dejicere, I. CL:.
Fangen en Fahen / Fieng / gefangen / capere, prehendere.
Halten / Hielt / gehalten / tenere.
Hauen / Hieb (in Subj: Hiebe) / ge-
[p. 668]origineel
hauen; secare: dus verandert hier per Euphon: de U in B.
Hangen / Hieng / gehangen / (pendere, Neutr:).
Dog Hengen / (suspendere, Act:) in Imperf: Hengete (of Hieng) / en in Praet: Part: Gehänget (of Gehangen) / volgens Bödiker.
Lassen / Liesz / gelassen / sinere.
Lauffen / Lieff / gelaussen / currere.
Rahten / Riet / gerahten / consilium dare; dus ook er-Rahten / divinare.
Salken (sale condire, gesalken (salsus).
Schlafen / Schlief / geschlafen / dormire: dog Schläfern / I. CL:.

Dus ook de verdere Composita.

 

Tot No: 3.

Heischen / Hiesch / geheischen / petere. Dog ook in Praet: Part: ge-Heischet / volgens Bödiker.
Heissen / Hiesz / geheissen / mandare.
ver-Heissen / ver-Hiesz / ver-Heissen / promittere.
Ruffen / Rieff / geruffen (dog ook geruffet / volgens Bödiker), vociferari.
Stossen / Stiesz / gestossen / trudere.

Dus ook de verdere Composita.

 

Tot No: 4.

Essen / asz / ge-gessen / edere; dus is 'er de G ook tusschen in geraekt, als bij ons Eten, at, Ge-geten. Dog Etzen / ätzen / escam praebere; & Etzen / rodere, zijn van de I. CL:.
Fressen / Frasz / ge-Fressen / vorare. Dog Fretzen / ab-Fretzen / depascere, carpere, I. CL:.
Geben / Gab / ge-Geben / dare.
Ge-nesen / Ge-nas / Ge-nesen / revalescere.
Ge-schehen / Geschah / ge-schehen; accidere, fieri.
Gessen / zie in ver-Gessen.
Lesen / Las / ge-Lesen / legere.
Messen / Masz / ge-Messen / mensurare.
Nesen / zie in ge-Nesen.
Schehen / zie in ge-Schehen.
Sehen / Sah / ge-Sehen / videre.
Treten of Tretten / Trat (of Tratt) / getreten (of getretten) / incedere.
Ver-gessen / Ver-gasz / Ver-gessen / oblivisci.

Dus ook de verdere Composita.