Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Eerste deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 669]origineel

XXXI. Hoofddeel.
Van den Vijfden Rang der Hoogduitsche Werkwoorden.

WEinig in getal zijn deze ONGELYKVLOEYENDEN. Zij verwisselen niet van Vocael in 't Praesens, maer wel in 't Imperf: en in 't Praet: Partic:, en dat zelf van Consonant; in gelijker voege als bij Ons die van de V. CL: bij 't M-Gottisch die van de V. CL:, bij 't Frank-Duitsch die van de IV. CL:, en bij 't A-Saksisch die van de IV. CL:, te weten,

in Infinit: in Imperf: Indic: Subj: in Praet: Part:
INGEN & ENKEN veranderen in ACHTE in äCHTE in ACHT.
AUGEN of üGEN OCHTE üCHTE OCHT.

als, Bringen / afferre, Brachte (in Subj: Brächte) / gebracht.

Denken / cogitare; Dachte (in Subj: Dächte) / gedacht: dog Dancken / gratias agere, I. CL: even gelijk ook bij Ons.

Taugen of Tügen / valere, vigere; Tochte (in Subj: Töchte) / getocht. Bödiker zet in Praet: Tochte & Tauchte van beids, zo dat Taugen ook van de I. CL: schijnt te wezen.

 

De verdere Regelmaet der Terminatien is gelijk aen de verkorte manier van die van de I. CL: met TE in Praet: Imperf:, en T in Praet: Partic:.