Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 3]origineel

Grond-slag van geregelde afleiding.

+Eerste Verhandeling.

+HOe onzeker tot nog toe de Konst van Afleiding' genomen zij geweest, nogtans vond ze t'aller uere, zo lang de Letteroeffeningen in bloeij stonden, zo vele Liefhebbers, en daer onder van de schranderste Geesten, dat men niet behoeft te twijffelen, of die stoffe heeft iets in, 't gene de gedagten streelt en kittelt. En waerlijk geen wonder; want dewijl ze de Benamingen niet in haere uiterlijke schors beziet, maer de inwendige kragt en oorspronk zoekt te ontdekken, zo kan ze zelf vermaken, schoon ze slegts niet meerder mogte leeren, dan eenigsints aerdiglijk gissen: hoe veel te meer, zo ze wel gerigt is; aengezien ze dan niet alleen den waren grond en aerd der dingen, beneffens het sprekende merkteeken, dat de eene zaek van de andere onderscheid (waer op de eerste Naemgevers, om hare woorden verstaenbaer te maken en te doen gelden, naeukeurig hebben moeten agt geven) ons klaerlijk kan vertoonen; maer ook onder 't naesporen van de Wijsheid en Natuerkennis onzer Voorvaderen, ons met die, als of ze herleefden, doet verkeeren terwijl daerenboven de Afleiding zelf onzen Geest met verandering van stoffe vermaekt, en onderrigt van de Opkomst en Voortgang, en van 't Verlies en Verloop der Woorden; leerende ons

[p. 4]origineel

met een het vervallene te kunnen onderschragen, en de Rijkdom der Tale vermeerderen: kort om, 't is de Pop, en 't allerverhevenste deel van de Letterkunde.

Maer gelijk een Geregelde Behandeling deze Vrugt ons aenbrengt, zo kan men van de andere zijde niet ontkennen, dat het aenleggen van zijn vernuft, het spillen van zijn tijd, en 't befteden van zijn moeilijken arbeid op een lossen voet, hoe konstig, hoe geestig het zij, iets onsmaeklijks heeft, dat wanvoeglijk is voor menschen van oordeel.

 

+Onder de driederhande stoffen, die deze Kennis tot haer onderwerp heeft, zijn 'er twee, waer in men reeds niet ongelukkiglijk gevordert is; dus heeft men te prijzen den arbeid van die genen, die de beteekenis onzer Oud-Duitsche Eigen-namen tot de Gemoedsdriften t'huis brengen, als ook ten tweede van de zulken, die den Oorspronk van de Namen onzer Landen, Steden, Dorpen, en Wateren, niet uit Troyaensche verdigtselen, maar uit haer bijzonderen aert, Grond, en Gelegentheid, of uit bekende Geschiedenissen ten opzigte van hare eerste Bouwers of Bezitters, of anders uit een vergelijking van Ouder en Nieuwer benaming, zonder veel met in- en af-lating van Letters te spelen, zoeken nae te vorschen.

 

+Maer in de derde Stoffe, naemlijk in de Gemeene Zaek- en Beweegwoorden, die verre 't grootste Wezen van de Tael uit maken, is men vrij wat minder gevordert.

Ik zie in dezen vooreerst op de twee voorname misslagen van de voorgaende Eeuw, bij welken eerstelijk sommigen alles tot zig trokken, en anderen sedert alles op een ander wezen. Die van de eerste soort hebben zig bevlijtigt en aengematigt om den oorspronk van alle andere Talen, zelfs van die gantsch vreemd, of van de allerverste maegschap zijn, tot ons Duitsch te betrekken met allerhande wringen en draeijen; ontziende hier in niet, schoon tegen den aerd van alle Oud- en Nieuwer-Duitsch aen, naet allen veel, Onzakelijke Deelen van een woord voor Zakelijken op te disschen; zulks, dat al haer hoofdbreken, en ongelooflijke Werklijkheid meerder toegeleit schijnt te wezen, om lacchen te verwekken, of Geestigheid te vertoonen, dan om Waerheid te vinden: Maer die van de tweede en later soort, even of ze een wrok op hunne Moedertael hadden, of dat ze enkelijk schreven om hunne behendigheid en geleertheid in vreemde talen te toonen, riepen allerhande Metaplasmata of onwettige Verminkingen te hulp, om, teffens met de weinige Basterd-woorden, alle onze Eigen-oorspronklijke tot het Latijn of Grieksch of Hebreeusch, of eenige andere diergelijke Tael t'huis te wijzen, schoon ze uit die gevallen zelf, daer ze nog de minste kromme sprongen maken, en de overeenkomst op het allerbloodste ligt, niet verder konden besluiten, dan dat 'er een gemeenschap is; welke gemeenschap, voor zo veel de Geschiedenis - kunde ons berigten kan van de Verspreidinge der Volkeren, eerder bewijzen zoude, dat we, zo de een als de ander van zulke Gelijkvormige

[p. 5]origineel

Woorden, voor Verouderde en wel eer van eenen stronk afkomstige Maegschap, dan dat wij de haren of zij de onzen voor Moeder te erkennen hebben.

Maer ten anderen en wel voornaemlijk heb ik het oog op de nog later soort van Afleiders, die, hoewel ze de twee gemelde Hoofdklippen doorgaends vermijden, niettemin omtrent Woorden, die wat naedenken vereischen en van duisteren oorspronk zijn, gewoonlijk hunne toevlugt nemen tot Af- en Aen- In- en Uit- en Om-werping van Letters; zaken, die, hoe gemeen ze mogen wezen bij andere Volkeren, welke uit een mengelhoop van ongelijkaerdige Volk-plantingen bestaen, of welke zorgeloos en niet net van tongbeweging zijn, egter zoodanig strijden met onzen Duitschen Taelstam, dat men niet dan zelden die ontmoet, gelijk de Oude en Gelijkstammige Talen, vergeleken tegen onze Huidendaegsche, elk na den aert van ijders Dialect of Tongeslag, ons onwederspreeklijk daer van overtuigen konnen, behalven dat ook al dat Ledebreken der Woorden de Afleiding gantschelijk op losse schroeven zet; ik zwijge verder van de oude onzekere behandeling om te weten, of men een stam voor een tak, of een tak voor een stam te boek stelt.

In 't korte kan ik wegens de Zaek- en Beweeg-Woorden zeggen, dat 'er, mijnes agtens, tot eene Geregelde Afleiding, niet slegts eenige Verbetering, of Hervorming, maer een Nieuw en wel-beheit Gebouw vereischt word, indien m'er een wil hebben, dat op goede Gronden rust. Om nu van lid tot lid aen te toonen, hoe verre tot nog toe in dit stuk gemist zij, bij wien, of waer, is onnoodig, en zou mij ook geensints lusten; als die mijne zo wel als des Lezers tijd te waerdig ken, om zig op te houden met de Mistastingen van anderen, terwijl we altijd genoeg te verzorgen en op te passen hebben, om die te vermijden in ons zelven.

 

+Maer, op dat we niet, volgens het meer dan al te gemeene beloop der zaken, door het schouwen van Klippen, in geen-min-gevaerlijke draeistroomen vervallen, hebben we getragt na eenvoudiger, na voorzigtiger en zekerder gronden. Dog dewijl elk aepje zijn jongen lief heeft, en de gekheid van Eigen - welbehagen zo diep gewortelt is onder 't menschelijke geslagt, dat men reden heeft om allesints zig zelf te mistrouwen, zo zullen we onzen arbeid niet hooger opgeven dan voor eene Proeve en niet voor eene Voltrekking van Geregelde Afleiding. Of we nu mis of raek slaen, willen we liefst aen 't onzijdige oordeel van verstandigen, die ons nogte beminnen, nogte haten of benijden, overgeven: niettemin, om regt te krijgen op dit geding, is het billijk, dat we rekenschap geven van het Oogmerk en den Weg die wij ons voorgestelt hebben.

Het Oogmerk is, om niet het Onwis door het Onwisse te bewijzen, om zig niet te behelpen met waschen' neuzen, die allerhande Vorming aennemen, maer om de Afleiding natuerlijker of minder gewrongen en tevens voorzigtiger te behandelen; op hope, of we die Leiding mogten treffen, volgens welke wel eer waerlijk het eene woord uit het andere

[p. 6]origineel

gesproten zij geweest. Hier toe heb ik dien weg ingeslagen, die de opmerking van de Eigenschap onzer tegenwoordige Taele, en de Kennis van de Oude en gelijkstammige Spraken, beneffens den Aert der Zaken zelf mij hebben aengewezen.

 

+Om nu op het allervoorzigtigste te wandelen, heb ik mij voorgestelt van Geen eene Zakelijke Letter te veranderen, zonder daer toe een Overtuiglijke Regel, of ontwijffelbare blijk van den Zin en Kragt der Woorden te hebben. 't Is immers ons nu niet vrij met de Zakelijke Letters in de uitspraek te spelen, of deze voor gene in 't wilde heen te gebruiken? O neen! Elk zo we 't deden, zou ons, of bespotten, of niet verstaen; dezelfde rede was 'er voor onze Voorouders, zo drae en zo lang ze veel en verspreid zijn geweest.

Maer, O! al te voorzigtig! dunkt mij dat de Etymologisten mij toeroepen; wie is 'er die in eenige Tael aen zo streng een Wet van Afleiding zig immer gebonden heeft? Hoe zal men vorderen op dat spoor? Is 't niet beter, een sprong over een sloot of gruppel gedaen, om ruimte te winnen, dan zig zelfs op zo klein een Eilandtje gevangen te zetten?

Het schijnt in 't eerst wel zo, maer is nogtans heel anders gelegen. Hooge sprongen maken Breke-beenen. 't Is immers beter weinige zaken overtuiglijk nae te speuren, dan vele aen anderen op te dringen, die men zelf niet gelooven zou kunnen? Maer de zaken zullen niet schaers zijn: ik meene mij laeg te houden, of niet als bij trappen of geregelde opleiding te klimmen, en nogtans een Weg aen te toonen, die zo verre en wijd zig uitstrekt, dat ze nogte van mij, nogte van niemand mijner Tijdgenooten ten uiteinde zal bewandelt worden: en dat, niet tegenstaende ik mij nog enger zal bepalen, met Alle Accent-silben voor zakelijke Silben aen te zien, en den nadruk op die lettergreep in al de Afleiding en verbuiging te laten blijven; uitgezondert in Bastaerd-woorden of Basterdstaertigen, die den wispeltuerigen trant van hare Moedertael meest altijd daer in naevolgen. Tot dezen band heeft mij genootzaekt de Opmerking van die nooit genoeg te prijzene Eigenschap onzer Duitsche Taeltakken, dat ze altoos den Klemtoon op het Zakelijke deel der Woorden laten vallen. Door welke heerlijke, en, in 't stuk van Afleiding, zeer gewigtige Wet niet alleen de Welsprekentheid in top raekt, en de aerdigste zin-onderscheidingen kunnen uitgedrukt worden, maer 't is ook daer door, dat onze Voorvaderen op eene allerzekerste wijze verhoed hebben, dat onze Tael eeuw in eeuw uit van haren eersten en alleroudsten Grondslag niet ontaerd is geworden, nogte ook niet wel ontaerden kan, zo lang als die Wet onderhouden word. Want men spele vrij met de stille en zagte Voor- en Agtervoegsels, zo men will', zo lange het Zakelijke voogd blijft en boven klinkt, kan het wezendlijke van de Tael geene kreuk lijden.

Terwijl ik dus van deze Regel roem, zoek ik egter niet meer dan de regte waerde ten toon te stellen, waerom ik ook niet verzwijgen mag, aen welk woord deze Regel wankelt, naemlijk, dat juist ons woord Ordéntlijk thans onordentelijk op de Onzakelijke Silb den Accent neemt, en dat

[p. 7]origineel

insgelijks de Hoogduitscher zeid Lebendig voor ons Lèvendig. Men zou zeggen, hoe komen dog zulke misgrepen tegens den algemeenen Grond onzer Tale in gebruik? Mooglijk eveneens als die quade manieren, die men eerst spotsgewijze eenen ander naebootst, en die daer nae, door dikwijls naedoen, ons zelfs ongevoelig aenkleven. Dog zulke enkele Voorbeelden, die van vele duizenden naeulijks eens komen, geven hier niet: Eens is Geens in dit stuk: wat vermag een stofje in een groote Weegschael? In tegendeel, dat men zig te verwonderen heeft, hoe zulk enkeld hier onderkomt, bevestigt de kragt van onze Regel.

 

+Dat ik dus, om voorzigtig te gaen, elke Letter rekenschap schuldig agt, en op den Accent en 't Zakelijke deel der Woorden naeukeurig zoek te passen, zal mij ligtlijk ijmand kunnen toestaen, dog ook met eene mooglijk vragen, welke dan mijne Hulpmiddelen tot vordering zijn? Hier van heb ik te zeggen, dat ze voornaemlijk bestaen in 't naeloopen van den Aert, en Aenwasch, en Veranderingen der Woorden, als (1) eensdeels in de Dialect - kennis van het Oud en Nieuw; (2) anderdeels in de Woord-ontleding, waer in de Kennis van de geregelde Wortelverandering der Ongelijkvloeijende Verba ten uiterste te passe komt; ten derde (3) in de Overweging van de Overdragt van zin; en ten vierde (4) in de orde van de Euphonie, of Klankspeling om 't gemak of om 't welluiden; terwijl we onder dit alles, tot te meerder ligt en verzekering, met de Oudheid en vermaegtschapte Talen te rade zullen gaen, om de woorden te nader aen haren oorspronk, en in hare eenvoudiger, en door de tijd minst verloopene gedaente, te beschouwen.

 

+Maer eer we van deze Hulpmiddelen in 't bezonder spreken, zo laet ons, tot voorbereiding en te netter onderscheid der Gedagten, vooraf wat stil staen op het Onderwerp der Stoffe, en de Zaek- en Beweeg-woorden in zesderhande soorten verdeelen, om 'er, na overleg van zaken, 't onderwerp van onze Verhandeling uit te kiezen.

I.Eenvoudig Afgeleiden, die van een of ander bekent woord, na de gemeene Letterkundige Regels, hare afkomst rekenen, en voor elk gemaklijk op te lossen zijn; als Belydenis van Belyden, Looper van Loopen, Strydig van Stryd, enz.
II.Overdragtigen, die geen oorspronkelijke maer ontleende beteekenis hebben; dus reken ik ons Vry (Liber) overdragtelijk ontleent te zijn van ons Oude Vryen, vree, gevreden (olim Amare, nunc Blandimentis deprecari) als zijnde de Vrijheid een staet bij uitstek van elk bemint en gelieft: van welk Vry weder ons Vryen, I. CL: (liberare) gekomen is.
III.Manier-woorden, die uit eenig Gebruik van doen of levenswijze, 't zij nieuw of oud, haren oorspronk nemen; als Vier-schaer (Tribunal, forum Judiciale) spruitende uit een Oud-Duitsche wet of gebruik, dat tot het Vonnis vereischt wierden, Schout en drie Schepenen; gelijk Kiliaen, in zijn Woordenboek van 1599, hier toe dit volgende bijbrengt,
[p. 8]origineel
Requiruntur enim (secundum leges Saxon: Magdeburg: parte I. cap. 2. Dist. I.) tres Scabini, quorum primus adinvenit sive concipit, reliqui duo assentiuntur, Judex sive Praetor sententiam pronunciat. Hoewel sommigen deze Schaer van Vieren opmaken, uit den Eischer, Gedaegden, Regters, en Schout; dog de Schout kan of moet onder een van de drie anderen behooren, zo zou het dan een Drie- en geen Vier-schaer zijn.
IV.Klank-nabootzenden, wanneer eenig ding of Schepsel den naem krijgt van 't geluid, dat het maekt; met welk soort onze Tale zeer rijkelijk is opgeschikt; als Kievit (Vanellus) Koekkoek (Cuculus) Bleeten (Balare) Piepen (Pipire) enz.
V.Basterd-woorden, ontleent van Tael, Zeden, of Wetenschappen van andere Volkeren; als Terminatie, Condemnèren, enz: waer in niet zakelijks met ons gemeen is.
VI.Half-bastaerden, of Verbasterden, die in 't Zakelijke Deel tot ons behooren, dog bij toeval (waerschijnlijk toen ons Graefschap onder den Huize van Bourgonje geraekte, en vrij wat basterd in onze Tael' insloop) een Walsche staert agter aen gekregen hebben, als Waerdèren, voor 't oude Waerden (aestimare), welks Stam-deel ons Waerd (Dignus) is; waer in de Walsche staert het Zakelijke Deel in nadruk overkraeit: dus ook Redenèren in steê van Rèdenen; en zoo nog eenige anderen.

+Als men bij de eerste en tweede soort de Oudheid te hulp' roept, kan men in de Afleiding' twee trappen beklimmen, die vrij hoog loopen en vermaeklijk zijn.

I. Eerstelijk, om den zin te vinden van een samengezet Woord, welks eene of andere Lid op zig zelf niet meer in gebruik nogte van bekende beteekenis is: gelijk ons Bak, in Bak-boord, A-S, Baec-bord (Navigii sinistra pars) en in Agter-baks (post tergum), bij ons reets versleten is, dog zig vertoont in 't A-S, Baec / Baecce (tergum); zo dat ons Bak-boord zo veel is als de Rug-boord, naemlijk die zijde van 't Schip, daer de Stuerman, terwijl hij het Roer in den regterarm houd, den rug na toe keert, voerende ondertussen de regter zijde van 't schip den naem van Stier-boord; en ons Agter-baks beteekent iets agter den rug verborgen. Dus is ook nu op zig zelf in onbruik ons Gom, Gome, dat bij ons Bruidegom, F-TH, Brutigomo / A-S, Brydaguma en Bredguman / H-D, Bräutigam / Briidgam / Ysl: Brudgume (Sponsus) komt; dog het M-G, en Kimbr: Guma / en het F-TH, Gomo / Gomman (Homo, vir, maritus) en 't A-S, Guma (homo, vir, & vigilans) en 't A-S, Gyman/ Geommian/ Begyman (Curare, observare, gubernare) en 't H-D, Gaumen / (Observare) leeren ons, dat de oorspronkelijke zin is, Bruids Oppasser, Man, en Bestierder. Het M-G, Brud-faths (Sponsus) heeft dezelfde kracht, want het M-G, Fads of Faths / beduid, in agterlassing, een Bezorger, Bestierder: dus M-G, Hunda-fads (Centurio, Overste over honderd) M-G, Thusundi-faths (tribunus, Overste over Duizend) M-G, Sunagoga-fads

[p. 9]origineel

(Archisynagogus), en Kimbr: ad Fada / I. CL: (ornare, ordinare), A-S, Fadan/ Fadian/ gefadian/ gefaedian / I. CL: (ordinare, moderare, aptare, dispensare, disponere), 't welk, in onze Dialect herstelt zijnde, maekt † Vaden, I. CL: waer van ons Vader, A-S, Faeder / F-TH, en Alam: Fater / Datter / Dader; H-D, Dater / Angl: Father / Ysl: Fader; Schotsch, Noorweegsch, Deensch, en Zweedsch, Faeder (Pater), beteekenende eigentlijk Opperste Bestierder van den Huize, als ziende op het Bewind, dat tot den Man, en niet op 't Voortbrengen, dat tot de Ouders te samen behoort. Hierom is 't ook dat de Bestiervoerenden mede dien naem ontfangen, als ons Gevader, A-S, Ge-faeder (Susceptor, cui cura, sive educationis, sive gubernationis addicatur) en Vaderse, f: (Mater Spiritualis), M-G, Fadrein (parentes), M-G, Fadreins (familia, genus ex patre), A-S, Faedera (Patruus, frater Patris), A-S, Faethra (Patruelis, patruorum filii), A-S, Fathe/ Fathu (amita, patris soror), Sax: Sicambr: en Fris: Védder (Patruus, avunculus, consanguineus à parte patris). In gelijken zin van Opperstierders noemt men ook de Regenten van Stad en Land Vaderen (Patres), en Vaderen des Vaderlands (Patres Patriae). Aen dit ons Duitsch-stammige Vader, Father / &c. gelijkt vrij nae het Grieksche Πατὴρ en 't Latijnsche Pater (waer van het Ital: Sp: en Portug: Padre), welke Worteltak in die Talen met groote moeite en omhalinge gezocht is, en nog t'zoek blijft, immers zo verre ik uit Vossii Etymologicum kan bespeuren. Onze Afleiding heb ik hier ongewrongen vertoont; en, zo deze Overeenkomst niet toevallig is, maer de oorspronk dezelfde, gelijk hij schijnt, zo heeft men die Gemeenschap al te rekenen van voor de Europische Volkverspreidinge af.

II. De tweede trap is, om uit twee of meer Woorden, die een gelijkvormig Worteldeel vertoonen, en in zin verschillig zijn, den oorspronkelijken of oudsten zin uit de Overdragt of uit de Oudheid nae te speuren, als bij voorbeeld; het A-S Haerfest / F-TH, Heribist / bij ons Herfst (autumnus), en ons Haring, A-S, Haering (Halex), en ons Haer, A-S, Haer (Crines), hebben elk omtrent eenerleijen Wortelklank, en kunnen gezamentlijk zo 't schijnt t'huis gebragt worden tot het A-S, Haeran (Congregare), vermits de zin van Vergaderen bij ijder doorspeelt; als Herfst, om 't vergaderen van den Oogst, en Haring om dat hij op de Vangtijd bij schoolen vergadert, of om dat hij als een voorname spijsvervulling tot voorraad verzamelt word; en ons Haer, vermits bij vlegting of lokken vergadert. Dus mede, het bovengemelde † Vaden, of Fadan Ec. (Ordinare, disponere &c.) ook voor Beschermen, Bevatten, Omvatten, en Bezitten genomen zijnde, (gelijk het Kimbr: Fadur /qui multa possidet, het Kimbr: Gulle Fader /auro ditatus, en 't M-G, Fatha of Fatho, Sepes, alzo de Heiningen de afgeperkte plaetsen omvatten en bewaren) zo vind men tevens hier in den oorspronk van ons Vadem, A-S, Faedem/ Faethme/ Faeth (utriusque manus extensae complexus) waer van ons Vademen, I. CL: A-S, Foedmian I. CL: (utraque manu extensa complecti). Behalven dit, steekt 'er ook vermaek

[p. 10]origineel

en nut in 't naespeuren van den Oorspronk der Woorden, die uit zekere oude of verloopene gebruiken zijn voortgekomen, als bij Voorbeeld, het H-D Mesz/ messe / F, F-TH, Missa, F, bij ons Mis, Misse f: (Caena Domini, Discus sacer secundum Ecclesiae Romanae ritus, unde vulgò Missa), zijnde van den Oud-Duitschen Tak in 't Middel-eeuwsche Monnike-Latijn ingeslopen, en ontleent van 't Oud-Duitsche Misse voor Tafel, als M-G Mesa / F (Discus, patina; & Mensa), A-S, Mese/ Myse / F (Mensa), en oud-Alam: Mias/ miasse / F (Mensa), gelijk ook Angl: Messe (Ferculum). Anderen, onkundig van dit oude Woord, of bij gebrek van opmerking, hebben dit Middel-eeuwsehe Missa, met den Monnik Kero, van het Latijnsche Missus afgeleid, quia mittitur populus; dog behalven dat dit een kinderlijke en tevens een belachlijke naemgeving van zulk een eerbiedige zaek zou geweest zijn, zo heeft dan dit Foeminin, dat bij elk gevonden word, alhier geen schik. Wijders komt ook dit Misse, f: in ons † Kerst-mis, nu Euphon: Kers-mis, f: (Natalis Christi solenne festum), en in 't Roomsche gebruik van Ziel-misse, f: H-D, Seel-messe / F (Mortuale sacrum), als ziende op de Priesterlijke Tafel-bediening. En is niet alleen, als bij uitstek, op de Roomsche Mis-dienst, maer ook op andere Burgelijke Zaken deze oude naem van Mis toegepast, en nog sedert in gebruik gebleven, naemelijk voor een toestel van Tafel, Disch, of Banken op de Jaermarkten (gelijk ook al in 't M-G, Mesa Skattjane / Mensas Nummulariorum, bij Marc: XI. 15. toen Christus de Wisselaers en Markthouders uit den Tempel dreef), en dus ook nog de vermaerde Frankforter en Leipsiger Mis, f: (Nundinae Francofurtienses & Lipsienses), en voorts alle de Hoofd-jaermarkten onzer Steden en Dorpen, nae de inwijding van ijder Parochie Kerk, wel eer † Kerk-mis genaemt, nu Euphon: Kermis, H-D, kirms F, (Nundinae Paganalia); en vermits de gemeene man gewoon is op dien tijd zig in drank en buitensporigheden te verloopen, zo komt hier van de spreekwijze van Kermis houden (Baccho justa persolvere, Encaenia celebrare). Verder, gelijk 't ook van ouds, voornamelijk onder de Roomschgezinden, een gebruik was, van zijne Vrienden en Magen of Naebekenden op dien tijd een klein geschenk aen te bieden, zo sproot hier uit bij overdragt het zeggen van eene Kermis geven (Xenium Apophoretum praebere).

 

+Maer aen dit alles schort nog ietwes van hooger uitkijk. Schoon we dus wel de Gelijkaerdigheid van oorspronk tussen een of ander Woord en eenig Gelykvloeyend VERBUM van de I. CL: ontdekken, 't is egter niet meer als een Comparative Afleiding, en, welk tog van die woorden is de stam, welk is de Tak? Komt bij dit A-S, Haer / en Haeran; en Guma / en Gyman / het Nomen uit het Verbum, of dit uit dat? Eene Vrage die gewigtiger is, als ze in 't eerst gelijkt. 't Is wel zeker genoeg, dat 'er uit de Ongelykvloeyende VERBA Naemwoorden gesproten zijn, als Voer (onus vehendum) afkomstig van 't praeterit: van Varen, voer, gevaren, III. CL: (Navigare, olim Ire, progredi, Vehi,

[p. 11]origineel

proficisci) enz. Gelijk 't wederom van de andere zijde niet minder zeker is, dat zulke Nomina Gelykvloeyende VERBA van de I. CL: hebben voortgebragt, als Voeren I. CL: (Vehere) zijnde zo veel als doen varen, van 't bovengemelde voer, enz: van welke beide soorten we in gevolge breeder zullen handelen: daerenboven hebben we ook stoffelijke Nomina, als Blaeuw (Caeruleus), waer van Blaeuwen, I. CL: (inficere caeruleo colore) enz: bij welken niet te twijffelen valt, of 't Nomen is de bron van 't Verbum, om dat de stoffe vooraf moet gaen voor de bewerkinge. Gelijk ook onze Dubbelstaertige Verba, die alle van de I. CL: zijn, tot Enkelstaertige Nomina, zijn t'huis te wijzen, als Steigeren van Steiger enz: Dus blijkt wel, dat velerhande Verba van de I. CL: uit Nomina spruiten; maer, dat eenig Nomen, 't welk, zonder een verder voor- of agter-voegsel, niet meer vervat dan het Onveranderlijke Deel van een Verbum van de I. CL: ooit van zulk een Werkwoord afkomt, is gantsch onzeker; immers 't is mij nergens gebleken, en onder de ontallijken die ik ontmoet heb, is mij 't waerschijnlijkste geweest, dat zulk Nomen den stam inhield.

Maer, al is het dat we, om te vorderen, dit waerschijnlijke voor waer veronderstellen, niettemin, zo lang we voor zulk Naemwoord geen Ongelykvloeyend Verbum tot wortelstam weten, blijft 'er nog al wettige rede om te vragen, van waer het komt. Hoe, dunkt mij, hoor ik ik hier op inbrengen, waer toe dit nieuws? Zou dan alle Nomen haren allereersten oorspronk van eenig Verbum hebben? en zouden dan de Ongelykvloeyende Verba, die bij de vorige Grammatici als buitensporige Verschovelingen gehandelt zijn, den egtsten en alleroudsten Wortelstam vervatten?

 

+Wat het eerste belangt, 't is op geen lossen voet, dat we den Oorsprong der Nomina, indien niet van allen, ten minste van verre de meesten aen een of ander Verbum, 't zij jong of oud, 't zij bekent, of versleten, of gantschelijk verloren, willen toeschrijven: want, hoewel 't waer is, dat de weinige Overblijfsels van de Oudheid, en het nog gebruiklijke onder onze Taelverwanten beiden te kort schieten, om al 't verlorene en bedolvene, wat moeite men doen moge, te herstellen, en al onze Woorden tot zulk een toppunt van Afleiding te brengen; niettemin, het beloop van het reets bekende en door opmerking gevondene, dat niet gering is, schijnt genoeg voor ons, om geen ander soort van Oorspronk aen de Onbekenden te begissen. Maer, om verder te gaen, daer is nog een' andere gewigtige rede, die mij den Wortel in de Verba's doet zoeken. Immers konden de eerste Naemgevers hunne bewoordingen niet anders ontleenen, dan uit het bekendste onderscheid der zaken? En, waer uit anders konnen wij mensche-kinderen de Lichaemlijke, Zienlijke, en Tastelijke dingen van elkander onderscheiden, dan, of uit de Gestalte of Gedaente, die wij, in 't naeloopen en ommewandelen van haren omtrek en verandering van die, beschouwen; of uit haren Aert of Mate of Veelheid van beweging' of bestaenlijkheid; of uit de Innerlijke kragt, die in de uitwer-

[p. 12]origineel

king bespeurt word; of uit haren dienst; of iet diergelijks? Dog bij alle dezen bestaet het merkteeken van onderscheid in de eene of andere Beweging of Soorte van Zijn, welker eigenschap door Verba's uitgebeeld word. En tot uitdrukking van de Gemoeds-bewegingen en Ontastelijke dingen heeft men zig niet beter konnen behelpen, dan, met de namen van Tastelijke of Zienlijke zaken, na 't vereisch van Gelijkredigheid, op dezen over te brengen; gelijk ook elke Tale van zulke Overdragten overvloedige Voorbeelden uitlevert: zo dat, tot een natuerlijke Grondlegginge eener Tale, mijnes achtens, vereischt word, dat 'er eerstelijk eenige weinige Klanken gevonden moeten worden, om de Algemeene onderscheidene Bewegingen en de bijzondere wijzen van Zijn te kunnen uitdrukken, dat niet anders is als Verba's uitvinden, en dat daer uit verder de Namen ontleent moeten worden voor de Zaken, voor zo verre derzelver Aert door deze of gene Beweging' of manier van Zijn onderkent word; om alzoo op een' gemaklijke en redelijke wijze zig verstaenbaer te maken: gelijk ook wijders, mijnes oordeels, vereischt word, dat zulk een eerste Grondlegging geschiede in een enkel Huishouden, of ten minste onder zeer weinig volk, en dat ten eenemael eenvoudig van Levenswijze zonder veel omslag zij; vermits het van ouds zo min mooglijk was als 't nu is, om vele Hoofden en zinnen tot zulk een overeenkomst en zulk een nieuws te brengen. In dusdanig een enkel Huishouden is nu de eerste en opperste Huisvader vrije Keurmeester en Voogd van 't eerste naemgeven, mits dat het, om wel te gelukken, door weinige en duidelijk onderscheidene klanken, zo eenvoudig als hij bedenken kan, geschiede, en dat voor eerst slegts op de allergemeenzaemste en meest te pas komende zaken. Daer nae, bij vermeerdering van 't Geslagt, en gevolglijken aenwasch van bijzondere bedrijven en behoefte van Woorden, zal die Huisvader ook gehouden zijn zig te schikken na de gemeenste bevattingen van die reets groot gewordene en eigen' keur en oordeel hebbende onderhoorige Leden. Voorts het Huishouden door lankheid van tijd in een groote Gemeente of Landvolk verandert zijnde, zal de ingeplante tael geen ander beloop krijgen, dan zoo als 't mengsel van 't onderlinge nut dit ongevoelig zal komen te schikken. Daerenboven, indien 'er door Volkplanting of Overwinning van geweldiger hand eenig Volk van verscheidene Tael onder een vermengt raekt, zo zal 't Vermengsel van Woorden en Tael-aerd zoodanig veranderen, als de sterkste stroom van 't vermengde belang voor die tijd dan mede brengt. Of, blijft 'er eenig Volk zonder overstrooming of vermenging, die Tael zal dan ook niet ligtelijk haer vorigen aerd en Grondslag konnen verliezen. Zulk een natuerlijk beloop vermoede ik dat alle Talen gevolgt hebben, en dat ze voor zo verre alle natuerlijk en redelijk mogen genaemt worden, hoe zeer ze thans van elkander in de uitkomst mogen verschillen: Immers, dat alle onze Duitschen talen op die leest geschoeit zijn, heb ik al te klaer door opmerking bevonden, om 'er aen te konnen twijfelen, en zal zeker genoeg blijken uit onze volgende Proeven.

 

+Wat het tweede belangt; de Rede waerom ik de Ongelykvloeyen-

[p. 13]origineel

de Werkwoorden voor mijn oppersten top van Afleiding rekene, is om dat ik bij die alleen voldoende blijk van Over-oudheid en van een aller-egtsten Wortelstam vond, terwijl geen Gelykvloeyend VERBUM mij immer daer van eenig teeken gaf. Deze blijk van Oudheid rust op meer als eene zeer gewigtige beweegrede:

I. Eerstelijk, om dat de Ongelykvloeyenden onder alle onze Taelverwanten als 't Yslandsch, Moeso-Gottisch, Frank-Theuts, Angel-Saxisch, Hoog-Duitsch, en 't Onze, volgens inhoud mijner Regelmaet en Rangschikking zig eenstemmig en geregeld vertoonen; uit welke Overeenkomste blijkt, dat hare Grondlegging overoud en ouder is dan de Verspreiding dier Takken; terwijl deze Verwantten in de Gelykvloeyenden menigmael verschillen, ter zake dat de eene Tak sedert de Verspreiding van dit, en de andere van dat woord de Afleiding en Overdragt genomen heeft.

II. Ten andere blijkt ook uit die gemelde eenstemmige Geregeltheid dat die Ongelykvloeyendheid met voordagt zoo ingestelt is geweest, en niet slegts uit een toevallig verloop gesproten is: maer wanneer tog? Na de Vér-verspreiding der Takken vastelijk niet, als gezegt, vermits de verandering dan onmooglijk eenparig en eveneens (te rekenen na ijders Dialect) kon gevallen zijn. Het was derhalven voor die Verspreiding: maer toen 't Lichaem al groot was geworden, schoon voor de Verspreiding, kan 't even min geweest zijn, vermits onder vele Hoofden en Huishoudens en verspreide Buerten of Steden zulk nieuws cenparig in te voeren ondoenlijk was, toen zo wel als nu. Men denke vrij eens op Lezen, las, gelezen (legere) en Breken, brak, gebroken (frangere), wie zou nu die Praeterita's verstaen, indien zulks gantschelijk nieuw was? immers zo min als of ijmand nu voor 't Praeter: van Leven (Vivere) Laf / en in Praeter: Partic: Geleben of Geloben / zeide? daerenboven, hoe zou men de verwarring verhoeden, om niet in Praet: Part: Gelozen voor Gelezen, en Gebreken voor Gebroken te zeggen? Dit invoeren der Ongelykvloeyenden is derhalven al lang voor de Verspreiding geschied, toen 't Lichaem nog zeer klein was, en buiten twijffel, onder dat allereerste Voorvaderlijke Huishouden, waer uit de gantsche Duitsche en Kimbrische stam gesproten is geweest. Maer, zal men ligtelijk vragen, dewijl die Vocael-verandering zo ongemaklijk komt, waerom tog de eerste Huisvader dit zodanig mag ingestelt hebben? Ik antwoorde, dat daer toe zeer gewigtige rede was; want vermits in 't eerste maken van nieuwe Woord-klanken de tong onbedreven is, zo bleef door dit groote verschil de uitting der klanken te beter onderscheiden; waer uit verder een ander en groot nut ontspruiten kon, namentlijk, dat van deze Verbogene Praeterita's wederom Substantiva's, en van die wederom andere Gelykvloeyende Verba's gevormt zijnde, aldus in gevolg van tijd de Tael op eene duidelijke, redelijke, en gemaklijke wijze, tot in 't ontallijke, om zo te spreken, kon verrijkt worden, gelijk ze ook op die wijze zo uitnemende rijk geworden is,

[p. 14]origineel

waer van de volgende Proeven onzer Afleiding klaer bewijs zullen geven. Dit redelijke Gebruik van Alle nieuw Verbum, 't gene men van eenig Substantivum of Adjectivum of eenig ander woord ontleenen wil, Gelijkvloeijend te nemen, even als de onzen van de I. CL: is sedert de Verspreiding zo bestendig en onwrikbaer onder alle de Nazaeten, en dat zonder zulks te merken (want nooit las ik eenig Schryver en nooit hoorde ik ijmand die daer van sprak) zo ongevoelig ingeplant, dat elk van de reets verstorvene of nog in leven zijnde Duitsche Taelstronken zulks in alle nieuw ontleende Verba standvastiglijk opvolgt. Hierom is het dat Alle onze Dubbelstaertige, als mede alle Bastaerd-Werkwoorden, bij ons en andre van Duitschen stamme, niet anders als Gelijkvloeijend en van de I. CL: zijn. En hier uit vloeijen ook deze twee allergewigtigste Opmerkingen, bij de Geleerden tot nog toe geheel en al overgeslagen; als (1) eerstelijk, dat geen Ongelijkvloeijend Verbum onder onze Duitsche Taelstronken voor een Basterd-woord moet aengezien worden. En (2) ten tweeden, Dat elk Ongelijkvloeijend Verbum, dat zig bij den eenen Taelstronk vertoont en bij den andren verstorven schijnt, zo het ordentlijk na ieders Dialect vervormt word, voor een wettige herstelling van Oudheid, en geregelden Grondslag van Afleiding te rekenen is.

III. Ten Derde, tot bewijs van de Oudheid voege men hier bij dit aenmerkelijke, te weten, dat de Ongelykvloeyende VERBA genoegsaem alle bedrijf uitbeelden, dat tot het Oud-vaderlijke Leven en Beschouwing vereischt wierd, en dat ze nog huiden in ons spreken en schrijven meerder te passe komen, als alle de andere Verba te zamen, schoon tienvoudigmael hooger in getal. En, om dit nader aen te toonen, zullen we onze Ongelykvloeyenden na den rang van haren dienst hier eens bij-een-schikken.

Om de Bestaenlijkheid en Natuer der dingen uit te drukken, hebben we, Worden, zyn (of wezen), bestaen, blyven, spruiten, wassen (Crescere), quynen, zwymen, bezwyken, verdwynen, sterven; en verder Dyen, zwellen, ryzen, zieden, stuiven, zweeren (ulcerare), bersten, splyten, beklinken (Solidescere), slyten, slinken, krimpen, schrinken, smelten; vlieten, druipen, zygen, zinken, waeyen, vriezen, stinken (putere, olim Olere), klinken (sonare); blyken, schynen, lyken of gelyken, blinken, en glimmen.

Tot Gemoedsbewegingen en Uitdruk van die, eerstelijk die op een Mensch in zig zelf zien, als Denken (cogitare), dunken (putare) zoeken, vinden, bezinnen, kiezen, belyden (Confiteri), weten, kunnen of konnen (posse & olim Noscere), vergeten, willen, mogen (Liceri, & olim Posse), moeten, deugen, durven, zig quyten, vermeten, spyten; en ten andere die in de Gemoedsgestalte betreklijk zijn tot ijmand anders of iet anders, als Pryzen, vryen (olim Amare, nunc Blandiri), wyten, 't verouderde belgen † (irasci, waer van nog ons Verbolgen, iratus), beny-

[p. 15]origineel

den, bedriegen, liegen, verdrieten, wreken, en zweeren (jurare).

Om de Bezitting en verandering van die uit te drukken; Hebben, houden, bezitten, genieten, verliezen, geven, aenbieden, schenken, brengen, zenden, ontfangen, en aennemen.

Tot de Dierlijke Bewegingen en onderhoud van dezelven; Eten, drinken, slapen, zien, kyken; ruiken, zuigen, spygen, spuigen, grynen, kryten, hygen, blazen, snuiven, snuiten; en Zwelgen, zuipen, vreten, vysten, mygen, dryten, en schyten.

Tot den Menschelijken ommegang is 'er nog grooter getal; als Eerstelijk in 't Algemeen; Bewegen, werken, bedryven, doen, laten, beginnen, ondernemen, onderwinden, plegen (assuescere), onderhouden, en scheppen (formare). Ten tweeden, in 't Bijzonder, en dat eensdeels Middelmatigen, tot Plaets-gebruik of tot Standwisseling, als Gaen, komen, treden, liggen, staen, zitten, hangen, varen (olim Ire, nunc Navigare), † lyden (olim Ire, quin etiam Narrare; waer van ons Overlyden, Transire, Mori): voorts Ryden, en tygen, tiegen of tuigen (trahere, tendere, vergere), zwenken, werven (olim Vertere, convertere), zwemmen, klimmen, stygen, glyden, kruipen, schuiven, sluipen, schuilen, sluiken, duiken: en tot Hof- Huis- en Landbouw, Lezen (olim Colligere, nunc legere), Meten, wegen, weven, spinnen, scheeren, wasschen (lavare), bergen, helen (occultare), sluiten, luiken (claudere), ontluiken (aperire), slypen, stryken, trekken, pluizen, vryven, ryven, schryven (olim variatim Radere, nunc Scribere), nygen, buigen, binden, winden, vlegten, rygen; malen, bakken, braden, melken; wyders spreken, zwygen, vragen, bidden, bevelen, bieden, gebieden, koopen, gelden, vergelden. Anderdeels, Behulplijke, Minlijke, en Vrolijke, als Helpen, genezen, raden, treffen, wyzen, onderwyzen, lacchen, zingen, en springen. En ten derde Onrustige of Geweldige, als Schryden (Varicari), loopen, rennen, jagen, vliegen, vallen, vlieden, wyken, zwerven; dingen, dringen, dwingen, breken, styven; nemen, vangen, grypen, krygen, stelen; roepen, kyven, schenden, schelden, bederven, verslinden; als mede stryden, vegten, schieten, stooten, werpen, smyten, steken, houwen, snyden, kerven, ryten, klieven, kluiven, byten, nypen, knypen, wringen, slaen; en eindeling, Gieten, heffen, hyschen, graven, delven, dragen, laden, lyden (pati), en winnen (olim Laborare, nunc Vincere).

Zie daer eene reeks van omtrent 200 Ongelykvloeyende VERBA, rijk van zin, en wijd van uitstrekking, welker getal nogtans bijna verdubbelen zou, indien ik 'er alle onze Versletene, die ik uit

[p. 16]origineel

de Oudheid na de Dialectregel herstellen kan, en elk in zijn soort bij onze Regelmaet en Rangschikking te vinden zijn, hier bij voegde; aengezien 'er, gelijk bij Ons, alzo mede bij elk der Gelijkstammige Talen, etlijken in 't bijzonder in gebruik gebleven zijn, van welken meest al nog eenige Afspruitelingen bij Ons zig zien laten. Maer, nog ongelijk grooter wierd het getal, zo we alle dezen met hare Composita verzelden; want voor geen ander soort als deze gebruikt men zo vele en menigvuldige Voorzetsels. Voornaemlijk bij deze meest te pas komende Verba, als Brengen, breken, doen, dragen, gaen, grypen, houden, komen, laten, loopen, nemen, schieten, stooten, steken, slaen, staen, vallen, vangen, werpen, en zien; waer van ijder met alle of meest alle deze volgende Voorzetsels in gebruik zijn; als met Achter-, achteraen-, achteraf-, achterom-, achterop-, achterover-, met aen- of an-, met af-, be-, by-, binnen-, te binnen-, binnenom-, boven-, te boven-, bovenop-, buiten-, buiten uit-, door- of deur-, ge-, her-, in-, mede- of met-, mis-, nae-, om-, onder-, van onderen-, op-, ont-, over-, toe-, ver-, voor-, voorop-, voorover-, voort-, vooruit-, weder- of wederom-, en uit-; waer door 't getal der Ongelykvloeyenden bijzonderlijk vergroot word, en zoo velerhande aerdige onderscheidingen van zin daer uit ontstaen, dat zulks wel degelijk opmerking verdient. 't Is ook in 't Latyn dat de Verba van deze beteekenis de allermeeste Praepositiones voorop aennemen. Eindelijk, neme de Lezer al eens, dat die Oudheid der Ongelykvloeyende VERBA slegts een Onderstelling ware, of dat alle deze redenen niet verder bewezen dan de Mooglijkheid en Waerschijnlijkheid, en stelle alzoo zijne volle verzekering of toestemming nog wat uit, tot dat de Proeven zulks doen blijken, eensdeels om dat al wat mooglijk en waerschijnlijk is, daerom juist niet waer is, en anderdeels, om dat de kragt van een redenering, zonder ervarentheid van de zaken, ons zelden ten volle treffen kan, zulk een opschorting van besluit kan ik ligtelijk toestaen, vermits ik gerust ben, dat de Proeven van Afleiding zelf, hem zo wel als de Bevinding het mij gedaenheeft, van agteren overtuiglijk zullen leeren, dat alle Onze Ongelykvloeyende VERBA gantsch egte primitive Wortelstammen zijn, en verder dan wel overtuigen van de waerheid dezer Redenering, bij aldien hij, na 't onderzoek der Proeven, dit Vertoog wederom naeziet. Ondertusschen zullen we onze verdere Beschouwingen over deze Ongelykvloeyenden vervolgen, dewijl ze 't onderwerp onzer Verhandeling staen te worden.

 

+Nog kragtiger zal de Waerde en Dienst dezer Ongelykvloeyenden in 't verrijken der Tael' uitligten, als men zig erinnert; hoe niet alleen uit het Praeteritum ter zake van hare Wortel-verandering, maer ook uit het Praesens onderscheidene Nomina's kunnen ontleent worden, en van

[p. 17]origineel

die dikwils wederom Gelykvloeyende VERBA; welke dan, gelijk alle andere Afgeleiden, ('t gene reeds gezegt en niet te vergeten is) altoos van onze I. Classis zijn. Dus van Krygen, II. CL: (Capere, accipere), uit het Praesens, ons Kryg (Raptus, Bellum), en daer van Krygen, I. CL: (Bellum gerere); dus van ons Drinken, oulinks ook Drenken, II. CL: (Bibere, Potare, gelijk ook A-S, Drincan en Drencan II. CL: Potare), uit het oude Praes: ons Drenke * (Aquarium), en daer van Drenken, I. CL: (Aquare, Bestiis potum dare); dus van Druipen, II. CL: uit het Praeter: Indic: het verouderde Dróóp** nu Dróp (Stilla), en daer van ons Droopen, I. CL: (Conspergere pingui ac stillante liquore); dus van Geven, III. CL: (Dare), uit het Praeterit: Subj: Gave (Donum), en daer van ons Begaven, I. CL: (donare); dus van Meten III. CL: (Metire), uit het Praet: Subj: Mate,(Mensura, modus, moderatio), waer van Matig (temperatus, modestus), en daer van Matigen, I. CL: (témperare); enz:

Een even diergelijk Gebruik heb ik ook opgemerkt in 't Latijn; als, van Fugere (3. Conj:) komt Fuga, en daer van Fugare (1. Conjug:). Van Fulgere (2. Conj:) Fulgur, en daer van Fulgurare (1. Conj:). Van Macere (2. C:) Macer, en daer van Macerare (1. C:). Van Acuere (3. C:) Acumen, en daer van Acuminare (1. C:). Van Afficere (3. C.) Affectus, en daer van Affectare (1. C:). Van Affligere (3. C:) Afflictus, en daer van Affictare (1. C:). Van Allicere (2. C:) Allectus, en daer van Alectare (1. C:). Van Facere (3. C:) Factum, en daer van Factitare (1. C:) en zoo velen meer. Wat dienst nu deze mijne Opmerking in de Latijnsche Afleiding zou kunnen toebrengen, laet ik over voor anderen, die werk maken van hare kragten op die Tael' in te spannen.

 

+'t Is nu lang genoeg, agt ik, op deze Stoffe stil gestaen, en daer uit blijkbaer genoeg, dat we, dewijle een Volledige Lexicon Etymologicum te verre buiten 't bestek van een Proeve loopt, en ons geen Onbepaelt werk gelust te ondernemen, dat we, zeg ik, geen waerdiger Onderwerp konnen verkiezen, dan de Ongelykvloeyende VERBA, overmits bij die alleenlijk het groote Vermogen, de Rijk- en Geregeld-heid van Afleiding, en de Oud-egte Wortelstam op het allervolledigst kan aengetoont worden: zo dat, onder de Zesderhande deeling der Zaek- en Beweeg-Woorden, op de Twee eerste soorten bijzonderlijk onze Verhandeling zien zal, en de Derde en Zesde soort geen verder deel daer aen hebben zullen, dan voor zo veel ze daer onder te pas mogten komen; terwijl de Vierde soort genoegsaem gantschelijk niet, en de Vijfde niet ligtelijk hier beurt konnen krijgen.

 

+Het Onderwerp dus uitgekozen zijnde, laet ons nu wederom keeren tot het beschouwen van den Aert, Opwasch, en Verandering der Woorden, waer in onze Middelen van vordering' bestaen, als (1.) Dialect-Kennis, (2) Woord-ontleding, (3) Overdragt, en (4) Euphonie, met vergelijk en toetsing van de Oudheid en het Verwantte; om alzoo onder 't vorderen tevens onzen Grondslag meer en meer sterk te maken. Van elk middel zullen we in 't bijzonder spreken; eerst van de Dialect-kennis, dan van de Overdragt, en daer nae van de Euphonie; dog van de Woord-ontledinge, vermits deswe-

[p. 18]origineel

gen meer van belang te zeggen valt, dan van al het andere te zamen, zullen we agter dit vertoog een Berigt en Verhandeling op zig zelf maken, om door de Veelheid en verandering van die stoffe den draed van dit werk niet te doen verliezen.

 

+De Dialect-kennis overweegt het verschil van Tongeslag en van Schrijstant, om het regte gebruik van de Oudheid te kunnen maken; op dat men niet in 't wilde scherme, 't eene woord voor 't andre neem', en misslag op misslag begae: immers zonder de Oudheid en derzelver Schrijf-dialect te kennen, kan men in de Afleiding niet ten volle voorzigtig zijn.

Schoon in de eerste Grondlegging van ijder Taele slegts eenerleije Dialect (of Wijze van Uitspraek) geweest zij, niet te min, bij 't verre verspreiden der Volkeren, 't bewoonen van andere Lugtstreken, 't gebruiken van andere Kruiden en Voedsel, en 't aennemen van andere Zeden, moest niet alleen een verandering van Aert, van Gemoedsdriften, van Gestalte en van Wezen ontstaen, zulks dat men veeltijds of gemeenlijk uit het aengezicht eenigsints den Landaerd vernemen kan, maer ook gevolglijk een andere Evenredigheid van de Werktuigen der Sprake, en daer door een Verschil van Tongeslag; in dier voege dat het eene Volk zig meest kennelijk laet hooren in de Keelklanken, het andere in de Verhemelte Letters, en het derde in de Tong-Tand- en Lip-Letters; 't eene zal de Hardigheid van Uitspraek, en 't andere de Zoetvloeyendheid beminnen en betragten; en elk zijn eigenschap overbrengen op een en 't zelfde Woord: waer door dan verscheidene Dialecten van een' zelfde Tael ontspruiten moeten; gelijk men ook vind dat 'er geene Tael daer van vrij is: in zoo verre zelf dat onder eenerleij Volk niet alleen de eene nabuerige Stad van de andere daer in verschilt, maer ook in groote Steden, vind men eenig onderscheid in dat stuk tusschen Hooge, Middelbare, en Lage Gemeente. Hoe vrijer nu van Aert de Volkeren zijn, of hoe minder overheert, hoe ze eertijds meerder elk op zig zelven stonden, zulks dat ieder Dorp zijn' eigene Oppermagt genoegsaem onder de zijnen hebbende, ook gevolglijk te meerder op zig zelven leefde. Hier door is 't geen wonder dat men op ons kleine stukje Gronds, naemlijk in deze Zeventien Nederlandse Provincien, zo velerhande, en daer onder eenige merkelijk verschillige Dialecten ontmoet; hoewel ze elk malkander verstaen kunnen, uitgenomen het Land-friesch, welks draeying van Tongeslag zig onkenbaer maekt voor al de anderen: Dus vind men in het Landfriesch Tjerk voor ons Kerk, Thinssen voor ons Denken, Lidsen voor ons Liggen, Huwn voor ons Hond, en op die wijze vele anderen: gelijk 't omtrent even mislijk is, dat de Spanjaerden bij zeer vele Woorden, welke in 't Latijn met F, beginnen voor een Vocael, daer voor een H in de plaets zetten, hoewel in de uitspraek de H. zig niet duidelijk laet hooren, als Lat: Fava, Hisp: Haua; L: Facere, H: Hazer; L: Factum, H: el Hecho; L: Factura, H: Hechura; L: Farina; H: Harina; L: Fames, H: Hambre; L: Foemina, H: Hembra; L: Filius, H: Hijo, enz: van welke soort ik een geheele lijst zou kunnen opmaken: verdraeyingen zeker die te vreemd klinken om 'er eenigsints met voorzigtigheid op te kunnen bouwen, zo 'er geen Dialect-regel op was. Dog onder 't M-Gottisch, Frank-Duitsch, Angel-Saxisch, Hoog-Duitsch, Ys-

[p. 19]origineel

landsch, en ons Eigen, heb ik zulke verdraeide Tongesprongen niet ontmoet.

 

+Deze Dialect-Kennis ziet dan eensdeels op het Uitlandsch, hoedanig de Letters van de Oude en verstorvene of van de nog levende Gelijkstammige Talen, in de Uitspraek of in 't Schrijven, de Onzen beantwoorden; en anderdeels op het Inlandsch, voor zo veel in de eene of andere Oort of Stad deze of gene Dialect bijzonderlijk heerscht, en tot oplossing van eenige Duisterheid in Schrijf- of Spreek-gebruik voor ligt verstrekken kan. De Kennis van 't Oude en Uitlandsch vond ik wel verre gewigtigst om 't verlorene wêer in te boeten, en de wettigheid der Afleidinge te bekragtigen, dog die van 't Inlandsch heeft ook zijne nuttigheid, als bevestigende doorgaends, en vervullende somtijds 't gene aen de Oudheid ontbrak.

 

+In onze Negende Redewisseling §. XI. even voor mijn Lijstje van Vergelijking, tusschen Onze en de Oude met ons Vermaagtschape Talen, heb ik van mijne Streekhoudende Dialect-regel wegens de Accent-Vocalen eenig berigt gegeven, hoewel niet meer dan daer vereischt wierd: dog om onzen meergemelden Grondslag van Voorzigtigheid te voldoen, zullen we dat Berigt bij dezen vergrooten, en uitbreiden zo wel over de Consonanten, als over de Vocalen; alles te rekenen na ijders Letterspelling, zonder dat men daer uit ten opzigte van het Uitlandsch de ware volstrekte Gelijkheid der Klanken in allen deele kan of moet besluiten; maer alleen den doorgaenden Schrijf-trant. Hier toe heb ik, om de grootheid der regels, dit bijzondere Blad laten invoegen, hebbende aen weerzijde eene Dialect-Regel, de Eerste naemlijk aen de eene zijde, sprekende van de Vocalen, en de Tweede aen de andere zijde, handelende van de Consonanten, elk met hare bijzondere Aenteekeningen; waer bij men nog voegen kan deze Vier volgende Opmerkingen.

I. Dat de M-G. H. ten einde eener lettergreep staende, te lezen is als onze G. of CH, heb ik in mijn brief wegens de Gottische Sprake pag: 5. reets vermeld gehad; als M-G, Ahtau (Acht), M-G, Garaihtitha (Gerechtigheid) enz: Onder 't A-Saxisch & Alam: vind men 't zelfde, als A-S, Eahta / & AL: Aht / (by ons Acht). Dog dit zou men eerder voor een verschil van Spelling als van Uitspraek mogen aenzien.

II. Maer ten opzigte van Spelling en Uitspraek is als iet bijzonders te rekenen, dat men in 't M-G, A-S, en Ysl: de H. voor aen voor een Consonant gebruikt; als M-G. Hlahjan / Ysl: Hlaeja / A-S, Hlaehan/ Hlahan (bij ons Lacchen); M-G, Hlaupan / Ysl: Hlaupa / A-S, Hleapan (bij ons Loopen); M-G, Hneiwan / Ysl: Hnyga / A-S, Hnigan (bij ons Nygen). Van de Hn / vind men ook voetstappen in 't Alam: als M-G, Hnaigjan / Alam: Hneigan (bij ons Neigen). Wijders M-G, Hrains / Ysl: Hreinn (bij ons Rein); M-G, Hropjan (bij ons Roepen); Ysl: Hroop (bij ons Geroep); A-S, Hrafen en Raefen / Ysl: Hrafn (bij ons Raven); M-G, ☉a / A-S, Hwaet (bij ons Wat), en M-G, ☉ar / A-S, Hwaer / Ysl: Hvar (bij ons Waer), en zoo voort etlijke anderen. Dit M-G, / 't gene Junius in zijn Glossarium Gothicum agter de P in rang stelt, in de plaets van de Q, schijnt mij eigentlijk de HW te willen verbeelden.

[p. t.o. 19a]origineel

Eerste dialect-regel van de vocalen.

Neder-Duitsch, tegens 't M-G: Ki: en Ysl: F-TH: en AL: A-S. Hoog-Duitsch.
Onze ei, of ey....}
En harde lange éé.}.
ai1 ei / of ae. ei. ae / of a. ei / of eh.
Zagte lange ee, of e,. i / of e. i. i / of e. y / of i / of e / of eo. e.
Onze y. ei / of i. i / of ii / of y. i / of ii / of h. i / of eo / of y. ei.
Harde lange óó2,. au / au. AL: au / F-TH, ou. ea. oh / of o5.
Onze zagte lange oo, of o2. o / of u /. o / of u. o / of u. o / of u / of y. o.
Zagte korte o2. u. u. u / of o u / of o. u / of ü.
Onze oe (oul: in spelling ou). o. oo. AL: ua / F-TH, uo o / of e / of oe. u / of ü3.
Onze ui, (of uy). u / of iu. iu / of yu / of uu. u / of iu. u / of io / of y. au / of eu4 / of ie.
Onze ie. iu. io / of iu / of y. iu. eo / of io. ie.

[p. t.o. 19b]origineel

Tweede dialect-regel, van de consonanten.

Neder-Duitsch. M-G. Ki: & Ysl: F-TH: en AL: A-S. H-D.
Onze d.. d / of th1. d / of th. {d / of th / of dikwijls}
{t / in 't Alam:}
d / of th. d / of th / en somtijds t.
Onze{Scharpe F.}
{Zagte V.2}.
f. f. meest f / zelden v / of u. f. meest f / minst v.
Onze k{eertijds C,}
{voor a, o, u.}
k. k. 3c / of k / (of ch / in 't Al:). c (zo wel voor e / i / als a / o / u.) k.
Onze p. p. p. p4. p. p / en dikwijls pf.
pl. pl. pl. pl. pl. pl / of pfl7.
pr. pr. pr. pr. pr. pr / of pfr7.
Onze scharpe s.}
Onze zagte z5.}
s / te mets z. s. s. s. s.
Onze sch.. sk. sk. sc / of sk. sc. sch6.
Onze sl. sl. sl. sl. sl. schl7.
sm. sm. sm. sm. sm. schm7.
sn. sn. sn. sn. sn. schn7.
zw, of oulinks8, sw. sw. sv. sw / of suu / of su. sw. schw7.
Onze t, voor een Vocael. t. t. z9. t. z9.
Onze tw. tw. tv. zuu / of zu. tw. zw.
Onze dw. dw / of thw. dv / of thv. {duu / of thuu.}
{of AL: tu of tuu.}
dw / of thw. zw1.
Onze w (oul: vv.). w. v10. w10/ of meest nu. w. w.

[p. 20]origineel

III. In 't gebruik van de Oudheid moet de Dialect-kennis ons bewaren, om niet dit voor dat, of Goed voor Quaed op te nemen: zie daer een staeltje ter sneê; het AL: Cuat / (bonum) gelijkt, als of het uit eene moeder quame, na ons Quaed; en nogtans beteekent het Goed. Dus, gelijk we vermaent hebben, vind men veeltijds in 't Alam: C of K / voor onze G, haer T voor onze D, en haer ua / voor onze oe.

IV. Voorts, dat onder onze Gelijkstammige Talen de Volkeren van scherpen en zwaren Tongeslag, als de Ooitenrijkers, eenige Zwitsers, Zwaben enz:, onze zagte Medeklinkers B, D, V, en Z, in hare naest bestaende harde, als P, T, F, en S, verwisselen; en dat ook, het gene aenmerkelijk is, de Harden bij na nimmer, nogte bij Haer, nogte bij Ons in Zagten veranderen, kan ons leeren, dat onze Zagten uit geene Harden gesproten zijn, maer dat die Zagtheid en dit Onderscheid in de Uitspraek van Ouds her, bij de eerste geboorte onzer algemeene Oud-Duitsche Moedertael reets gegrondvest, en sedert, zulk een reeks van eeuwen lang, op de tong onzer tusschen-komende Voorzaten tot verwondering toe naeukeurig, zonder verwarring, moet onderhouden geweest zijn; schoon in 't schrijven de bijzondere Letterteekenen voor 't zagt en scherp, van langsamer hand eerst stand gegrepen hebben. En, dewijl in de Afleiding 't meeste licht moet gehaelt worden uit die Dialecten, welke de tederste Klankonderscheidingen hebben, zo volgt hier uit, dat het Hoogduitsch in dit stuk verre voor 't Onze moet wijken.

Dit is van 't Voornaemste, dat ik in de Dialecten van het Oude en Uitlandsche waer te nemen vond; zijnde zulks door mij opgemerkt en opgemaekt, niet uit eenige weinige woorden van hier en van daer, maer uit een doorgaende rooi en streek, die ik onder dezelven bespeurde.

Voorbeelden tot bewijs van ijder lid heb ik onnoodig geagt hier bij te voegen, om dat eenige weinigen tog geen verzekering konden geven aen een Dialect die vaste streek houd, en velen van elk geval op te halen, mij te lastig en te wijdluchtig zijn zou; behalven dat ook de Waerheid, van 't gene ik hier ter nederstel, genoeg te zien is uit mijn meergemelde Lijstje van Vergelijking agter onze 9: Redewiss:, en uit mijne vorige Regelmaten en Rangschikkingen der VERBA, zo drae men de Gelijk-soortigen tegen elkander beproeft; of anders, uit al 't gene nog volgen zal.

 

+Dat nu deze onze Dialect-regel nergens netter dan aen de Ongelykvloeyende VERBA, vermits hare verwisseling van Wortelvocael, te beproeven is, leert de Rede en ondervinding teffens. Dog in dit beproeven moet men eensdeels bedagt zijn op een eenigsints waerlijk Verloop van Dialect, uit lankheid van tijd ontstaen, en anderdeels op een Schijn-Verloop, dat uit gebrek van goede opmerking spruit, en wel ingezien zijnde van onze Regel niet afwijkt.

 

+Dusdanig een eenigsints waer Verloop, hoewel andersints zelden, vertoont zig voornaemlijk bij eenige Verba van de II. CL: in den Sing: van 't Preter:

[p. 21]origineel

Imperf: Indicat:, waer in wij thans geene andere Wisseling van Wortelvocael nemen, dan bij haren Plur: of bij 't Imperf: Subj:, 't gene eertijds, even als bij de Oude Gelijkstammige Talen, anders was, gelijk onze Spruitelingen van die Praeterita nog aenwijzen: dus eertijds bij ons Lééd of leid in steê van ons tegenwoordige Imperf: Leed; dus ook eertijds Dróóp, nu Droop; en dus ook oulinks Band, in plaetse van 't hedendaegsche Praet: Imperf: Bond, en zoo verder; van welk soort wij in ons Berigt van de Woord-ontleding, wanneer we van de Verandering der Zakelijke Worteldeelen handelen, elk op zijn plaets zullen spreken; terwijl ik mij, ten opzigte van 't vereischte en oud-egte Klanks-Onderscheid tusschen éé & ee, en tusschen óó en oo, gedrage aen Onze derde Verhandeling van de Nederduitsche Letterklanken.

Dog, behalven dit eenigsints Waerlijke, doet 'er zig te mets een Schijn van Verloop op, die eenen ongeoeffenden, en een schielijk besluiter, in bedraeitheid zou helpen; voornaemlijk in deze drie volgende Gevallen.

I. Als 'er tweederhande Dialect bij een of ander plaets heeft of oulinks had; als bij voorbeeld, ons Smilten en Smélten, ons Slinken en slénken, ons Rinnen en Rénnen, ons Binden, oul: ook Bénden (gelijk ook A-S, Bindan en Bendan) / enz. Zo mede ons Ruiken en Rieken, ons Buigen oul: ook Biegen; gelijk ook Dyden, Dyen en oul: ook Dygen, en zo verder eenig ander van diergelijken trant.

II. Ten tweeden als bij den eenen Taelverwant de Benaming van dezen, en bij den ander van dien Tak van een Ongelykvloeyend VERBUM de Afleidig genomen is, gelijk sedert de Volkverspreiding menigmalen geschied moet zijn, en ook geschied is, naer uitwijs van de stukken; en hierom doet ook allermeest dit verschil zig op bij de Afgeleide Naemwoorden en bij de Verba van de I. CL: Dus heeft men uit het M-G, Drangk zijnde het Praeterit: van 't M-G, Dringkan II. CL: (bibere), gemaekt het M-G, Drangk (potus), en daer van het M-G, Drankjan I. CL: (potum dare), terwijle bij ons uit het Praesens, of uit den Infinit: (dat in dezen evenveel is, vermits derzelver Worteldeel overeenkomt) ons Drinken oul: ook Drénken, II. CL: (bibere) ontleent is ons Drénke, (aquarium), en daer van ons Drénken, I. CL: (aquare, potum dare), even gelijk ook in 't A-S, Dryncan / Drincan / Drencan / II. CL: Bibere, potare, (hebbende in Praet: Dranc) / uit het Praes: gesproten is het A-S, Drenc (potus), en daer van 't A-S, Drencean / I. CL: (aquare, mergere); dus ook van 't M-G, Sat / zijnde het Praeter: van 't M-G, Sitan / III. CL: (sedere), komt het M-G, Satjan / I. CL: (posituram facere, ponere), dog bij ons, van Zitten oul: ook Zeten, uit welks Praesens komt ons Zeet, Zete, Zét (positura, positio), is ontleent ons Zétten, I. CL: (ponere): en zoo meer anderen, die in 't vervolg zig vertoonen zullen.

III. Ten Derden, wanneer de eene reeds een Afgeleid Gelykvloeyend VERBUM, en de andere nog het Ongelykvloeyende, waer uit het eerst-genoemde ontleent is, in gebruik heeft: als bij voorbeeld, ons Beiden

[p. 22]origineel

(morari, expectare), is Gelykvloeyend en van de I. CL:, als Beiden, beide, gebeidt: dog men heeft in het A-S, Bidan / Bad / Biden / (expectare), III. CL: en 't F-TH, Biidan of Biitan / in Praet: Beid of Beit / in Part: Pass: Gebiden (expectare), II. CL: 1. gelijk ook in 't M-G, Beidan / II. CL: 1. (morari), die allen volgens de Dialect-regel onze y en niet onze ei of ey beantwoorden, en Ongelykvloeyend zijn; zo dat hier wel een hapering in de regel schijnt; dog in der daed en is 'er geen: want, gelijk ook al voor vele eeuwen uit het Frankduitsche Praeter: Beit / ontleent is geweest het F-TH, Beiton / beitota / gebeitot / I. CL: (expectare), zo is mede uit het oude Praeterit: van ons verlorene Byden, II. CL: onstegenwoordige Beiden I. CL: gesproten, en in gebruik gebleven: op gelijke wijze als de Italianen eertijds uit het Gottische Praeter: haer Badare (morari) ontleent hebben.

Aldus kan de kennis van de Oudheid de gebrokene schakels dikwijls herstellen, en met één leeren, dat de Verandering van Dialect, en van de Classes der Verba, juist uit geen wispeltuerig of los verloop en spruit. Dog om niet te lang te worden, zullen we ons tot de Inlandsche Dialect-kennis keeren.

 

+Als men in de Dialect-kennis van het Uitlandsche wat bedreven is, kan men van het Inlandsche allerbest oordeelen. Ik zie in dezen op het Spraek-verschil tusschen de eene of de andere plaets van ons Nederduitschers, voor zo verre die letterverandering tot de Gemeene Schrijftael behoort, om daer uit verzekering of ligt te ontfangen.

Voornaemlijk kan in dit stuk te stade komen deze of gene Land-Dialect; aengezien op 't platte land de oude trant nog langer in wezen blijft dan in de Steden.

Dus vind men, dat 'er in sommige Dorpen van 't Stigt van Uitregt, als te Breukelen enz: gezegd word Beukske in steê van Boekje, Keukske in steê van Koekje, Breur voor Broer, Reuren voor Roeren, enz. Waer uit te leeren is, dat de eu en oe wel eer van eenen zelfden oorspronk waren; gelijk men ook hierom bij nog eenigen onzer woorden, zo wel de eu als oe, onverschillig spreekt en schrijft; als Beuken- en Boeken-hout, geneugte, genoegte, enz: met welke eu de Hoogd: Dialect in haere ö niet qualijk overeenkomt. Maer nog gemeenzamer is het, dat niet alleen op 't land, dog ook in de Steden, en zelf veel al in Schrijftael de eu en zagte lange oo, vermits mede van eenerleije afkomst, onverschillig gebruikt worden: dus Door en deur; voor en veur; bogel en beugel; dogen en deugen; knokel en kneukel; koze, keuze, en oul: ook kore, nu keure (Electio), kozelen en keuzelen, molen, meulen; mogen, meulen; logen, leugen; schoot, scheut; toge, toog en teug enz. Voorts overman, waer voor men ook zegt, dog niet en schrijft, Euverman; zo mede Zoon en Zeun / enz: zie verder onze I. en II. regel wegens onze o.

En dat insgelijks menigwerf onze Zagte lange ee in een korte scherpe é, en onze zagte lange oo in een korte o verwisselen, of deze in die, is te zien

[p. 23]origineel

uit de Lijst van onze III. Regel wegens de e, en van onze III. Regel wegens de o, als Benevens, beneffens; even, éffen; vreemd, vrémd, enz: als ook Belófte van beloven, boter en botter, gróf oul: grove, waer van Vergroven I. CL: enz:

In de plaets van onze eu of o vind men ook te mets bij inkorting de u, als Dróp, en drup van 't Praet: van Druipen, II. CL: Nut, en genót van 't Praet: van 't oude nieten nu genieten, II. CL: Schut en schót van 't Praet: van schieten; zoo mede Schotel, schottel en schuttel; voorts Snof en snuf van 't Praet: van snuiven, II. CL:, wijders Boter, botter, beuter en butter; preutelen, pruttelen, enz:

Onze korte a, en é, op een r stuitende, worden met allen veel onverschillig, zo in 't Schrijven als Spreken, gebruikt; als Barg en bérg (Majalis), Bark en bérk (navigium actuarium); Barm, ook baerm en bérm (agger), Barm- en bérm-hartig; barst, bérst, en ook borst; darde, dérde; darry, dérry; darf, dérf; dwarl- en dwérl-wind, dwars en dwérs; gard, gérd; garst, gérst; garve, gérve; hard, hérd (durè); Hark, hérk; harp, hérp; hardst, hérst, hars, hérs; hart en hért (Cor: & Cervus); Kars, kérs; marg, mérg (Medulla); Marge, mérge en ook mórge lands (Jugerum), Margen, mérgen, en ook mórgen (Cras), 's Margens, 's mérgens, en ook 's mórgens (tempore matutino); Markt, mérkt; park, pérk; pars, pérs; smart, smért; scharp, schérp; star, stér; start, stért (ook staert en stéért); stark, stérk; varken, vérken; vars, vérs; warm, wérm; warren, wérren; warsch en wérsch, enz: Op sommige plaetsen van Zuidholland neemt men dikwijls de harde ó, in steê van deze a of é; als Pórs voor pars of pérs, enz: dog dit is geen gemeene Schrijf-dialect, hoewel men ook schrijft en zegt Margen, mérgen en mórgen, als mede érten en órten.

't Was ook van gelijke natuer, dat men bij de Verba, die wij onder onze IV. CL: 3. geschikt hebben, en in Praet: op ie of o veranderen, eertijds mede de a in steê van de o vond: als sterven in Praet: stierf en storf, ook oul: starf; dus ook Bersten in Praet: borst, en oul: barst, II. CL: 6. enz: gelijk de Schriften, van ruim honderd jaren oud, ons daer van overvloedige voorbeelden uitleveren.

In dezer voege is 'er ook tweederhande Dialect omtrent onze lange a of aa (of ae) als ze tegen r stuit, in plaets van welke men dikwijls in 't spreken en ook wel in 't schrijven gebruikt de éé, onder zulk een geluid, dat overeenkomt met het gebléét der schapen, of, 't gene het zelfde is, met de Grieksche η, zoodanig als die in onze Scholen geleert word uit te spreken; welke klank sommigen door de Latijnsche ae verkiezen uit te beelden; zijnde een middel-geluid tusschen onze aa en zagte ee in. Dus schrijft en spreekt men Aerde, ook wel éérde; aers, en éérs; aerzelen, éérzelen; laerze, léérze; maert, méért; naerstig, néérstig; paersch en péérsch; paerl en péérl; schaer, schéér; staert, stéért; taerte, téérte; taerling, téérling; vaerdig, véérdig; vaers, véérs ook vérs; waereld of waerld, wéérld ook wérld; waerd

[p. 24]origineel

en wéérd (Dignus; & Hospes) en Zwaerd, zwéérd, enz: Dus ook schrijft men in 't algemeen Baerd, baers, daer, haer of hair (Crines), Karel, waer en zwaer, waer voor men met het zelfde geluid in Amsterdamsche Straet-dialect insgelijks zegt Baerd / Baers / Daer / Haer / Kaerl / Maer / en Zwaer: Ik gebruik hier de ae / vermits die even zo min in 't Nederduitsch schrijven gebruikt word, als deze Straet-Dialect.

Men kan 't ook tot tweederhande Dialect betrekken, dat de d tusschen y en e komende, meest al weg smelt, terwijle nogtans de y en e tweesilbig gescheiden blijven; van de insmelting van twee silben tot één en spreek ik hier niet, alzo die meer tot de Euphonie als tot de Dialect-kennis behoort, hoewel men ook dit tweesilbige zelf tot de Euphonie kan betrekken, om dat ze 'er waerschijnlijk de moeder van is. Dus Dyden, bedyden, bedyen; belyden, belyen; benyden, benyen; glyden, glyen, en zoo voort vele anderen; onder alle welken 'er twee zijn, die ook wel de g in steê van de d nemen, als Dygen, en tygen. Wijders, die de d, agter de lange o of oe of ae hebben, nemen 'er wel de y voor in de plaets, als Braeden, braeyen (assare), Roden, royen (extirpare; & olim jácere, impellere), Rode, roede, roeye (virga); en Roden, roeden, royen, roeyen (dolii capacitatem virgulâ tentare), enz.

Dit is van 't Voornaemste waer aen ik gevonden heb dat de Voorzigtigheid omtrent de Dialect-behandeling ons verbind; het overige van die natuer' zal de oeffening genoegsaem leeren.

 

+Men zou ook verder kunnen aentoonen het tedere onderscheid van Klank, dat 'er tusschen de Dialecten van ijder Stad of Provincie gemaekt word; naemlijk hoe de Haerlemmers, in vergelijking van Ons, en van ook meest alle de andere Nederlanders, aen de a een geluid geven, dat een geheele trap of kennis nader aen den Klank van de harde é komt; in dier voege, dat zo wanneer men het verschil of tusschen geluid tusschen de zagte e en a, en tusschen a en de zagte o, bij elk in vier graden verdeelt, zo zal onze harde é (als in Schél en déél) eenen graed nader komen aen de a; en dat geluid, het welk met den 2. graed overeenkomt, zal het midden beslaen, en gelijk zijn aen de voorgedagte ae, als bij Zwéérd; en de 3. graed zal nettelijk passen op het geluid van de Haerlemsche a: terwijl de vierde trap door onze a zelf beslagen word.

Wederom, indien men van de zagte o, opwaerts klimt na de a, zo komt voor den eersten trap onze harde ó (als in Hóp, en kóól (Caulis, brassica): in den 2. of middelgraed valt de Brabandsche a; en in den derden der Westphalingen of Plat-Duitschen a: terwijl de vierde de onze zelf is: en tusschen den derden en Onzen in, zou men de Rotterdamsche korte a, mogen rekenen.

't Is tusschen deze drie Vocalen e, a, en o, dat 'er groote tusschen graden van Klank kunnen vallen, en daerom verschilt het eene Volk van 't ander zo veel in de uitspraek van deze Letters, dat is, in den waeren trap van ijders Geluid: dog het verschil tusschen i en de zagte e; tusschen de zagte o en eu; en tusschen ue, en oe, en lijd zo geene tusschenverdeeling.

[p. 25]origineel

Deze vier-graedsche verdeeling zou men ook door stippen kunnen aenwijzen; als

e voor de zagte e.
{e} voor onze harde é. 1e: graed.
{e} (of ä) voor de ae, 2e: graed.
{a}, voor der Haerlemiten a, 3e: graed.
a, voor onze a, 4e: graed.
, voor de Westfaelsche a, 1e: graed.
{a} (of ö) voor de Brabandsche a, 2e: graed.
ö, voor onze harde ó, 3e: graed.
o, voor onze zagte o, 4e: graed.

Dog dit deel van de Dialect-kennis, beneffens de middelen om die uit te beelden, kan wel vermaken, en in andere gevallen ook zijne nuttigheid toebrengen, maer is ten opzigte van onze Afleiding van weinig of geen belang; alzo de gedaente van de Algemeene Schrijftael daer door geensints verandert, waerom we ons ook hier in niet langer zullen ophouden, maer overgaen tot de Zins-overdragt der Woorden.

 

+In alle Talen, hoe rijk ze van Wortelklanken zijn, schieten de Bewoordingen nog verre te kort bij de gedagten. Tot behulp in deze armoede zijn 'er voornaemlijk tweederhande middelen gebruikt, als de Zins-overdragt, en de Woord-koppeling. Het laetste, zijnde het edelste, kragtigste, cierlijkste, en wettigste middel tot verrijking, is minst gemeen. Men vind het wel bij uitstek overvloedig en gemaklijk in 't vermaerde Grieksch en onder alle onze takken van den Duitschen en Noordschen taelstam; maer schaers en als oneigen vertoont het zig in 't Latijn, en in alle zijne Bastaert-kinderen. Het eerste behulp, zijnde in alle talen gemeen, en onder de Oudheid allermeest gebruikt, en zonder 't welke de velerleije Afleiding niet is nae te gaen, reken ik voor 't alleroudste; zijnde een middel niet zo zeer tot verrijking eener Tael', als tot vervulling van 't gebrek; om alzoo, uit overweging van de Gelijkaerdigheid der dingen, met een enkel woord te mets velerleije zaken, en elk nogtans klaer genoeg aen te duiden, als men bij die Zinspeling en Naems-overdragt slegts bezorgde, dat de omstandigheden, en bijvoegingen de meening genoegsaem ophelderden: een werk dat veel al eigen was aen de geestige vindingen der Digters.

Die in de Overdragt op het voorzigtigst handelden, deden het volgens dezelfde wet die in 't eerste naemgeven der dingen vereischt wierd; latende de Overdragt rusten, niet alleenlijk op een kennelijke, maer ook op een zeer

[p. 26]origineel

aenmerkelijke Gelijkheid en Overeenkomst tusschen de Zaken; 't zij in Gelijkvormigheid van Gedaente, 't zij in Eenerleije Beweging, 't zij in Overeenkomst van Aert, of van Vrugt, of Uitkomst, of van Dienst; of ook in Gelijkredigheid der Dingen. Dit laetste quam voornaemlijk te pas in de Overdragt van Tastelijke, stoffelijke, of Lichaemlijke Zaken, tot Bezielde, Gemoedelijke of Onlichaemlijke, of van dezen tot genen; als bij voorbeeld het Pit der zaken, alwaer het woord Pit, dat een tastelijk ding beteekent, hier voor 't Innerlijke Wezen en de Kragt genomen word; gelijk ook de Hand des Heeren voor Zijne Kragt, en Mogendheid; enz.

Maer de Overdragt ging niet altijd zo voorzigtig; men bediende zig ook van schielijke en driftige, die de zaken vergrooten of verkleinen, of, om een voornaeme Gemeenschap, Dit voor Dat aenzien, nemende, Het Deel voor een Geheel; de Soort voor een Geslagt; het Omvattende voor den Inhoud; den Bezitter voor 't Bezetene; en dit ook omgekeert: Wijders bij het Onderwerp der Beweginge, het Werktuig, het Uitwerksel, den Werker, en de Werking, dikwijls het eene voor het andere. En, hoewel men mooglijk werk zou hebben, om talen te vinden, die daer minder of zo weinig meê behebt zijn, als onze Duitsche en Noordsche Taeltakken; niettemin ontmoet men 'er zulke Overdragten nog zo dikwijls, dat in de Afleiding naeukeurig daer op te paffen is. Van zulk soort is ons woord de Schrift, voor de Heilige Schrift, als bij uitstek het Voornaemste; zo mede Gote, geute voor eene Uitgietinge, en ook voor eene Buize, Pijp, of Waterleidinge; gelijk ook Knip, voor een' Knipping, voortgebragt door een schielijke afspringing van een Vinger, door den Duim beknepen of te rug gehouden; en overdragtelijk Knip, voor een Valknip (Decipulum), en ook Knip, voor een insnijding met een Knip-schaer gedaen; zoo mede Raed (Consilium; & translativè Senatus Consultus), enz. Dit heeft niet alleen bij de Naem-, maer ook bij de Werk-woorden plaets, als Dragen (ferre), dat, even als in 't Latijn, eigentlijk iets van de eene op de andere plaets brengen of iets onderschragen beteekent, en overdragtelijk mede voor Lijden, Verdragen, Overbrengen, en Voortbrengen genomen word: en zoo verder vele anderen, waer van ons volgende werk een toevloed van Proeven zal aen de hand geven.

Sommige Overdragten, waer uit overloop van Zin ontspruit, zijn ook toevallig, en daer onder zijn 'er, die, van wegen onze Onkunde in de waerlijk gebeurde schakeling, grillig schijnen; als Hoonen, eertijds voor Gunstig zijn, nu voor ont-eeren; en Stinken, nu voor hinderlijke reuk van zig geven, dog eertijds in 't Angelsaxisch en Frank-Duitsch Stincan / voor Lieffelijk ruiken: en in 't algemeen heb ik meer Overloop van Zin, dan Verloop van de Gedaente der Woorden ontmoet, hoewel het minst zo buitenspoorig geschied, als bij deze aengehaelde Voorbeelden.

Wonderlijk schijnt het ook, dat men een geringen bijlooper van een Metselaer, die niet anders als den slegten dienst van 't aenbrengen van Kalk en Steen moet waer nemen, en nergens over te zeggen heeft, den agtbaren naem van Opperman geeft, daer Opper (superior) even gelijk ons Opperste (Supremus) van Op (super, supra), komt. Dog als men overweegt

[p. 27]origineel

dat van Opper ook gekomen is Opperen, I. CL: voor na boven- op- en aen-brengen, en dat men zulk een Man van geringen dagloon, tot verligtinge van kosten, den Metselaer heeft toegevoegt, zo komt de Ontleeninge van Opperman wederom eigen: en van dezen onderdanigen Opper- of Aenbreng-dienst komt overdragtelijk wederom ons Opperen, I. CL:, voor ten dienste van een ander eene zaek in- of aen-brengen, of gaende maken.

Wijders is het niet te denken, dat, in den allereersten aenleg der Tale, aen een en 't zelfde Woord meer als eenerhande beteekenis toegepast zij geweest, aengezien zulks verwarring zou gegeven hebben; dog dat het sedert door Overdragt of Overloop van Zin, of Toevallige Overeenkomst van tweederhande spruiten ontstaen is. Uit deze velerhande of vreemde Beteekenissen van een woord moet de Eenvoudigste en eerst Oorspronkelijkste zin vooraf uitgezocht en naegevorscht worden, en dan de anderen, die na de Geregelde Overdragt daer uit gesproten zijn: in welk stuk de Vinding en 't Oordeel te pas komt. Dus komen toevallig in gedaente overéén, schoon in zin onderscheiden gebleven, ons Vergeten (oblitus), en ons Vergeten (Comestû consumptus), zijnde Participia van bijzondere stammen; 't eerste naemlijk van Ver-geten (oblivisci), en 't laetste van Ver-eten (Comestû consumere).

Voor zulk een toevallige Overeenkomst van Spruiten, of anders voor een voorbedagtelijk twee-stammig woord kan men ook rekenen ons Wet (Lex), 't gene volgens de Regelen bij inkorting en Overdragt gesproten kan zijn uit Wete (scientia, notificatio), dat van Weten (scire) komt; want de Landwetten moeten openbaerlijk afgekondigt zijn, eer ze Gemeene Wetten worden: maer ook, met gelijk Regt, van 't oude Weet, wete (incusatio adscriptio), af komstig van 't Praet: van Wyten, II. CL: (incusare, adscribere); want de Wet verstrekt voor een aengeschreven bevel, op welks Grondslag de overtreder betigt word: immers, 't was niet ongerijmt, dat de eerste Naemgevers zulk een Woord hier toe verkoren, 't gene de eigenschap van bekend gemaekte pligt en schuld te gelijkelijk aenwijst. Dog, wanneer nu eenig woord aldus of diergelijk, ter zake van de Overdragt, zo wel van dezen als van genen tak kan afgeleid worden, zo vereischt de Voorzigtigheid, dat men op de minst gewrongene beteekenis lette, en in duistere gevallen met de Oudheid te rade gae, om te zien, of die volgens de Dialect-regels met onze gissing overeenstemt. Bij aldien nu, na behoorlijke toeverzigt, geen overwigt zig opdoet, en elke Afleiding even egt schijnt, zo kunnen we niet misdoen met de keure onverschillig, of het woord als twee-stammig te rekenen.

Maer dewijl de Overdragten veelvuldig zijn, en dit dikwijls, door 't groote Verloop van tijd en het toevallige Woordverlies, eene gaping van schakels zeer moeilijk om te herstellen geeft, zo zal 'er altijd in de Afleiding' ten opzigte van de Overdragt hier en daer nog al iets op de gis moeten gehandelt worden: in welke gevallen we door 't eene of 't andere bijgevoegde woord onze gedagten van de min of meerder zekerheid zullen tragten aen te duiden.

In breede Getuigenissen wegens de velerhande wijzen van Overdragt ons

[p. 28]origineel

hier op te houden, agten we onnoodig; dewijl we in 't werk zelf de schikking, en plaetsing der Woorden in diervoege zullen pogen te stellen, dat meest overal de overdragtelijke zin, door den voorafgaenden als bij de hand geleid word, en gemaklijk te begrijpen is; alleenlijk zo 'er zeldsame sprongen zijn, waer in de overeenkomst wat moeilijker te ontdekken schijnt, zullen we de aenwijzing van de Gemeenschap na onze naeste gedagten of gissing daer bij voegen: Want, zo we al die soorten hier eerst afhandelden, en dan daer nae in 't werk zelf stil zwegen, of, in elk geval den lezer herwaerts wezen om de uitlegging te vinden, zo zouden we ons en hem te bijster moeilijk vallen; of zo we 't hier nogte daer oplosten, niet verstaen worden; of zo we 't hier en daer te gelijk deden, in dubbeld werk vervallen, dat alles tegen ons oogmerk is. Maer laet ons nu eens de Euphonie overwegen.

 

+Men kan niet ontkennen dat de Euphonie onder ons eenig vermogen heeft, dog dewijl ze niet gantsch in 't wilde gaet, nogte ook zonder regels is, zo past het ons, dat men in de Afleiding hare magt niet verder erkenne, dan voor zo veel ze de regels volgt, ten ware de Kragt, Zin, en Gedaente der Woorden het zo overtuiglijk aenwijzen, dat zulks de waerde van een Regel evennaren kan, of dat het Ligt van de Oudheid klaer genoeg uitstak, om ons vrij te pleiten van Onvoorzigtigheid.

De Euphonie heeft meest te zeggen bij de Uitgangen en Agtervoegsels, voornaemlijk bij onzaeklijke, en te mets ook bij de Voorvoegsels.

De gemeenste Regel en Grondslag van de Euphonie is, den moeilijken tongesprong te verbuigen na 't gemak van de Uitspraek, waer uit Welluidentheid en Rolling van Klank volgt.

+Hier door verkiezen Zagte Medeklinkers bij Zagte, Harde bij Harde te staen; en Gelijkaerdige willen gaerne bij elkander: dus worden veel al de zagte d, v, en z, elk in hare scherpe t, f, en s, ten einde van een Silb, of wanneer 'er onmiddelijk een harde of scharpe Consonant voor of agter komt, verandert, om dat zonder stramme tussenpoozing een Zagte niet op een Harde volgen kan: dog de scherpe verwandelen niet in zagte, om dat daer toe geen nootzaek is, als kunnende overal uitgesproken worden. Dus zwigt het zwakste voor het sterkste.

De Bevalligheid van Verandering en Trek tot helderder afstooting heeft bij ons in gebruik gebragt, dat bij de Verbalia en Comparativa op er agter l, n, en r, de d tusschen in komt, hoewel ze ook agter l en n, wel uitgelaten word; dus de Verbalia Deeler en deelder, van deelen; heler en heelder, van helen (occultare); Meener en meender, van meenen; kenner en kender, van kennen; en steurder van steuren, enz: en dus de Comparativa Koelder en koeler, van koel; kleinder en kleiner, van klein; en zuerder van zuer, enz.

Om dezelfde rede van Duidelijkheid komt ook de t, agter onze Praeter: Part: van de Ongelykvloeyende VERBA, als ze heid agter opnemen; dus Genegentheid, gelegentheid, ervarentheid, enz.

[p. 29]origineel

De Euphonie en Dialect-regels loopen te mets op een en 't zelfde onderwerp: of men 't nu onder deze of gene betrekken wil, dat Braden in brayen, dat dyden en dygen in dyen, en het Oude Ald, old of alt bij ons in Oud of out verwisselt, schijnt evenveel; dus Houden (oul: holden en halden) in Praet: hield, in Praet: Part: Gehouden (oul: geholden en gehalden): dus mede Zout voor 't oude Zalt; goud voor 't oude gold en guld, waer van ons † Golden, guldene, en vergulden de l nog behouden hebben, om dat de l, agter de u, minder gewoon is te veranderen.

In onze vijfde Dialect-regel wegens de ey of ei, hebben we ook aengetoont, hoe te mets onze g, agter e komende, en op een andre Consonant overrollende, om 't gemak van de Uitspraek in een y of i verwisselt, als † Dwegel, † dwegl, dweil (Peniculus), van 't verouderde Dwegen (lavare); het oude † Zegel, † zegl, nu zeil (Velum); Kegel, kegele, kegle, keile (silex); zegt, en zeit (dicit); legt, en leit (jacet); voorts ons Regen (pluvia), waer voor de Vlaming, Geldersman en Vriesch ook Rein zegt; gelijk ook in 't F-TH of oud-Duitsch Treit in steê van Tregit (portat) zie Winsbek: ad Filiam pag: 327. §. 9. Paraenet. Veter:.

Onze ng en nk worden somtijds hoewel zelden onverschillig gebruikt, als Oorspronk en oorsprong, bedwank en bedwang, en in steê van ons Klinken zeggen de Gelderschen, volgens Kiliaens Woordenboek, Klingen (sonare), enz: De Gemeenschap van Klank tusschen ng en nk is zo groot, dat men 'er niet dan weinig onderscheid in vermerken kan, als 'er agter elk een t, gezet word; dus Dringt (Premit), en Drinkt (bibit), klinken bij na even eens. Evenwel, om voorzigtig te gaen, moet men met dit zeldsame niet losselijk spelen, zonder dat 'er de zin ons toe aenvoert of toe dringt.

Laet ons ook bij de Euphonie voegen de toevallige Verandering, die 'er door Vocael-krimping of-rekking, en door Letter-verzet somtijds gebeurt; zijnde toevalligheden, welke al te gereed in 't Afleiden misbruikt worden, zonder rooij en zonder regels, die ze onderworpen zijn.

+De Inkrimping van Lange Vocalen ontmoet men al nu en dan, dog ten opzigte van de lange e en o meest bij de zagte, en niet ligtelijk bij de harde éé en óó, mooglijk om hare gelijke geboorte met ey en au.

De Inkrimping is vrij wat gemeenzamer dan de Rekking; zelden gaet men over van Korte tot Lange Vocalen.

Bij de Inkrimping en Insmelting blijft de Accent op het Zakelijke Deel, dog hij springt niet over op het Onzakelijke. Als 'er tusschen 't lijf en de staert maer eene d is, zo smelt 'er de staert wel in, als Treen voor treden, bee voor bede, raen voor raden, boom voor bodem, doon voor dooden, enz: dog als 'er twee Consonanten tusschen zijn, versmelten ze niet; uitgenomen bij ons Gaen voor 't oude Gangen, en staen voor 't oude Standen.

Maer in 't algemeen moet men bedagt zijn, dat men in 't Afleiden zig van den naem van Insmelting niet ligtveerdig bediene; want hoewel nergens en nooit de Inkortingen en Insmeltingen eigender en gemeenzaemer

[p. 30]origineel

zijn, bij welke Taele men wil, dan omtrent de Eigen-namen; als Tys voor Matthys, Tryntje voor Cataryntje, Mia voor Maria, enz: ter zake dat dit soort zeer dikwijls over de tong komt, en te mets met een half woord verstaan kan worden, waer door de driftigheid van den Geest altoos haest maekt, om die voortgebragt te hebben; en hoewel ook om die zelfde Rede onze Ongelykvloeyende VERBA, die doorgaends nog al meer in 't spreken als onze Eigen-namen, en in vergelijking van andre Woorden, genoegsaem alle oogenblik over de tong rollen, alle Inkrimping en Versmelting moesten geleden hebben, die de eigenschap onzer Tale, na 't oordeel onzer Voorouderen, velen kon of mogt; niettemin houden zig bij ons alle die Verba, zo men ons allergemeenzaemste Gaen, staen, en doen uitzondert, gantschelijk volledig: waer uit blijkt dat de wettigste Rede zelf onze Voorouderen niet ligtelijk heeft kunnen bewegen tot dat babbelend inkorten en afbijten, dat bij alle Basterdtalen zo gemeen is.

 

+En, belangende de Letterverzetting of plaets-ruiling van Consonanten, 't is waer, men vind haer ook niet alleen onder 't oude Vermaegtschapte en de tegenwoordig gebruiklijke Talen, maer ook onder ons zelf, dus M-G Brusts / Kimbr: Briost / A-S, Breost / AL: Brust / Prust / & Burst / Dan: Bryst / Angl: Breast / H-D Brust / en bij ons Borst (pectus); H-D, Kruste, bij ons Korst (Crusta); A-S, Caerse / Cerse / & Cressen / H-D, Kresz / bij ons Kérs & kors (Nasturtium): A-S, Dirstig / bij ons Driestig (audacter); A-S, Graes / Gaers & Gers / bij ons Gras (Gramen); A-S, Frocca / Frogga / Frocx (Rana), bij ons Kik-vórsche en Kik-frósch; A-S, Frost & Forst (gelu), bij ons Vórst & vróst, af komstig van Vroos het Praet: van Vriezen II. CL: en M-G, Brunna (Fons), A-S, Born / Brunna & Burna / AL: Brunno / Prunno / Kimbr: Brunn / bij ons Borne, bronne; en nog eenige weinige anderen. Maer zeer zeldsaem en naeuwlijks van de 1000 woorden ontmoet men 'er een; en als 't geschied, zo is 't altijd of meest altijd de r, voor of agter een andere Consonant komende, die verwandelt; om dat die in zulk geval, door zijne kragtige trilling, volgens de Euphonie eene enkelde Silbe als in tweën verdeelt; want of men Borron, borren of born zeid, zulks zal weinig onderscheid maken. Om nu niet te zondigen tegen de Voorzigtigheid, zo moeten we ook ons nergens met dit Letterverzetten tot Oplossing behelpen, dan daer de Oudheid, of Verwantte talen, of de ontwijffelbare Zin der Woorden ons daer van overtuigen kunnen.

Dus verre onze voornaemste bedenkingen over drie onzer Middelen tot vordering, als de Dialect-kennis, Overdragt, en Euphonie, hebbende voorgestelt, staen we nu tot ons overige en allervoornaemste Middel, te weten, de Woord-ontleding, in een Berigt op zig zelf, over te gaen. Dog eer we deze onze Verhandeling besluiten, zullen we van twee Zaken nog een weinig voor af zeggen; eerstelijk wegens het Verlies eeniger Woorden; en ten andere, 't gene minder gewigtig is, wegens 't eerste Worteldeel van een Verbum.

[p. 31]origineel

+Ten opzigte van het Eerste; dewijle in de eene tijd dit, en in de andere dat woord, door de toevallige Wisseling der dingen, meerder in zwang gaet, zo is daer uit noodzaeklijk gevolgt, dat te mets eenig woord gantschelijk versleten of in onbruik geraekt is, terwijl een ander, dat sedert afgeleid is, wederom op het tooneel komt. Niet alleen dat de Oudheid ons velen van zulke Verouderden toont, maer in ons zelven hebben we nog sommigen, die bij nae op sterven liggen, als wordende niet dan zeer zelden gehoort, en schaerselijk in schrift gevonden. Sommige Verba zijn 'er, die niet meer enkeld maer wel met een Voorzetsel in gebruik zijn, als Be-talen, be-reiden, om-ringen, ont-leden, ver-langen, enz: vele anderen. Sommige zijn 'er die in hare verbuigingen voetstappen naegelaten hebben, waer van 't Praeterit: of Participium nog overig en gemeenzaem is, terwijl de Infinit: naaulijks meer gekent word, als Ge-boren, onver-togen, onbe-suist, onver-schrokken, enz. Sommige afgeleide Nomina leven nog, waer van het stamdeel bij ons al vergeten is, als Billyk (aequus) van 't verlorene Bil, dat in 't Hoogduitsch zig nog vertoont, als H-D, Bill (fas, aequum, jus). Van sommigen onzer Verba van de I. CL:, door middel van Nomina uit Ongelykvloeyende werkwoorden ontleent, missen we al dikwijls 't Nomen; gelijk Droopen van 't verouderde Dróóp, nu bij inkortinge Dróp, afkomstig van 't Praet: van Druipen, II. CL:. En sommigen onzer Nomina zijn nog in haer volle kragt, waer van de Verba bij ons verstorven, en dikwijls onder de Oudheid of Naebuer nog te vinden zijn; als ons Lot, lote (Surculus), van 't verstorvene Luiten, loot, geloten, II. CL: A-S, Lutan / Leat / Loten II. CL: (Procumbere), en Ysl: Liutan / Laut / Lotenn (deorsum curvare), II. CL: welke eigenschappen de kragt van ons woordtje Lote zeer kennelijk afbeelden; want men noemt bij ons alleenlijk zulke uitscheuten en takjes Loten, die door haer eigen gewigt, om hare jongte of dunte en buigsaemheid genoegsaem van zelf zig krommen. Maer gelijk ons in zulke Afleiding het Uitlandsch hier te regt helpt, zo leert ook de Rede, dat 'er nog vele Woorden zullen moeten zijn en blijven, welker stamwortel, beneffens vele andere Oudheid, gantschelijk vernietigt en nergens meer te vinden is. Dat nu ondertusschen om de gapende schakelbreuken, zo verre mooglijk is, weder in te boeten en te vervullen, de Kennis van de Oudheid, van de Vermaegschapte Talen, en van de Regelmaet en Rangschikking der Werkwoorden, na den eisch van ijders Dialect, beneffens de Kennis van de Overdragt ten uiterste dienstig zijn, spreekt van zelf. En, onder alle deze Vervullingen is 'er geene van meerder waerde, als die, daer het Uitlandsch de bij ons verstorvene Ongelykvloeyende VERBA, welker getal ik weinig minder bevonden heb, dan dat van de nog Levende, herstellen kan. Hierom zijn we voornemens onze Proeve van Afleidinge in tweën te verdeelen; zullende wy in de eerste Proeve handelen van de Wortels en Takken der nog levende Ongelykvloeyende Werkwoorden, en daer nae in de tweede Proeve spreken van de Wortels der bij ons Verstorvene, dog door 't Uitlansch wederherstelde Ongelyk-vloeyende VERBA; op dat ijder dien 't lust op onzen voet de Afleiding nog verder op te bouwen, een voorraed van egte Wortel-

[p. 32]origineel

deelen vinde; gelijk ook wij vele Takken en Telgen, die daer van onder ons nog in gebruik of bekent zijn, tot aenleiding van zulk voornemen, agter elk zullen bijvoegen.

 

+Dog ten aenzien van onze tweede zaek, naemlijk de Overweging welk lid van Verbuiging de eerste Wortel of Oorspronk van het Verbum zij, hoewel die wezendlijk ten opzigte van de Geregeldheid in 't Afleiden niet veel doet, niettemin kan ze, verkeert zijnde, valsche denkbeelden, en daer uit spruitende verwarring geven. Sommigen, en zelf de zulken die een aenzienlijke plaets onder de Letterkundigen verdienen, nemen den Imperativus voor den eersten Oorspronk, om dat die, zo ze zeggen, de kortste is en zonder terminatie. Is dan de kortheid het eenigste daer men in dezen op zien moet? Waerom zijn 't dan de Praeterita van de Ongelijkvloeijende Verba niet? die zijn even kort als de Imperat:. Zeid men, dat die Wortelvocael anders is, dat geeft in dezen niet; want bleek het uit de Natuer. der zaken, dat in 't Praeterit: de Wortel zat, men zou even ligt kunnen stellen, dat de Infinitiv: veranderde, als nu, dat zulks bij 't Praeterit: of Particip: gebeurt. Of, schoon ik hier van vrijwillig afstapte, waerom niet even lief, of liever de eerste Persoon van 't Praesens Indicat: voor den Wortel genomen? Deze is zonder Vocaelwisseling, en ook in 't gebruik even kort als de Imperativus; gelijk Déél, (divide), en, Ik Déél (divido); of stoot men zig aen 't voorwoordje Ik? bij den Imperativus word ook de Persoon of bijgedaen of onder verstaen: en, eertijds gebruikte men onze 1: Pers: van 't Praesens ook doorgaends zonder Ik, dat in 't M-Gottisch, en Frank-Duitsch, en ook nog onder ons bij den Koopman in 't schrijven gemeen is, als Bekénne voor Ik bekén, doe voor Ik doe, enz: Maer al het pleiten voor den Imperativus rust tog enkelijk op de Gedaente en op de Kortheid, en hier in word ook gedwaelt: want de Oudheid die 't minste verloop heeft, en de oorspronkelijke Gedaente volledigst vertoont, kan ons leeren dat de Imperativus ook wel een staert heeft, die niet korter is, als die van 't Praesens; dus bij de Gelykvloeyende VERBA in 't M-G, Fastai (Serva Bewaer) en Dailei (divide, deel) gelijk ook in 't F-TH, Teile / of Teile thu / in 't A-S, Daela / of Daela thu / en in 't H-D, Theile du (divide). En, 't zijn alleenlijk de Ongelykvloeyende Werkwoorden die van ouds bij elk der bovengenoemden, even als nu nog bij Ons, den Imperativus hebben zonder staert en ten vollen overeenkomende met het Zakelijke Worteldeel.

Dog om verder uit dien Maelstroom te geraken, laet ons de Natuer der Zaken overwegen. Hoe kan, 't gene laetst in de gedagten moet komen, als moeder gestelt worden van 't vroegere? Zal het toeval oorzaek zijn van een Zaek waer van het een toeval word? Zal men op het Bevelgeven van een Werking, en op den Persoon, die werken moet, konnen denken, en zulk een Werknaem allereerst zoeken te maken, zonder vooraf de Werking zelf in de gedagten te kennen, of eenigen naem daer voor te hebben? dat zou immers strijden tegen alle goede leiding der gedagten, en niet minder mislijk zijn, dan dat men stelde dat de Verbogene Casus van een Naemwoord (als Genitivus of Dativus enz:) eerder geboren waren dan de Nominativus, of de

[p. 33]origineel

Pluralis eerder als de Singularis: O! neen; Bij alle Verbuiglijk Woord is het minst bepaelde en ontoevallige voor het oudste van geboorte te schatten; en dit is bij de Verba's alleenlijk de Infinitivus, die op zig zelven bestaet, zonder opzigt van Personen, of getal, en 9zonder opzigt van tijd. Hierom houde ik alleenlijk den Infinitivus voor den natuerlijken oorspronk of eerstgeboornen van alle de andere Vervoegingen van Tijd, Wijzen, en Personen. En, zou men hier op vragen, hoe dan de Imperativus zo kort en zonder staert komt; die Rede is ligtelijk te vinden; want in 't gebieden is de drift gewoonlijk op haer sterkst en nadruklijkst; dies is 't eigen, dat ze alles zo kort en scherp neme als doenlijk is, en, zig alleenlijk met het Zakelijke bemoeijende, den staert van den Infinitivus agter afbijte; gelijk zulks van ouds al bij de Ongelykvloeyende VERBA, die de alleroud-egtste stamwoorden zijn, plaets heeft gehad. Of, indien ijmand (en dát niet zonder rede) zou mogen gissen, dat bij de eerste Grondlegging zo wel van onze als andere Talen, al de Staerten der Woorden, om de Vloeijendheid en tot meerder Onderscheiding, later als de Worteldeelen bedagt zijn geweest, zo zal men die verlanging om gelijke rede van drift, bij den Imperativus hebben agtergelaten gehad. Voor dien die oordeel heeft, agt ik genoeg gezeit te hebben; anderen zal 't even nut zijn, gis ik, wat zijde zij hier van kiezen: immers ik vind geene rede, om ons hierom van gewigtiger stoffe, ik meene ons Berigt wegens de Woord-ontleding, langer af te houden.