Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Van de Voor- en Agter-Leden der Woorden.

+De Onzakelijke of Toegevoegde Deelen onzer Woorden bestaen in Voor- en Agter-voegsels; ten opzigte van de Agter-voegsels hebben wij 't oog hier niet op de Verbuig- of Vervoeg-staerten in 't Declineren & Conjugeren, alzoo wij ter behoorlijker plaetse van die gehandelt hebben, maer in 't algemeen op zulke Voor-- en Agter-voegsels, die tot de Afleiding behooren, die doorgaends verandering van Zin aen 't Zakelijke Deel toebrengen, zonder dat men om hare Agterlasching het Woord voor een Koppel-woord of Compositum hebbe te schatten.

In 't beschouwen van de Voor- en Agter-voegsels zullen we eensdeels en wel voornaemlijk agt geven op haer' Beteekenis en Dienst, als in dezen van 't grootste belang zijnde, terwijl we ook anderdeels, uit een vergelijking van de Oudheid, hare eerste Gedaente, Ouderdom, en Geboorte,

[p. 52]origineel

na onze naeste kennis en gissing hier zullen bijvoegen; welk laetste, schoon niet onnut, nog ongevallig voor 't Verstand, egter van minder gewigt is, dewijl we 'er niet op te bouwen hebben; waerom ook het gissen hier in volstaen kan.

 

+Van de Voorvoegsels zullen we eerstelijk handelen. Onder deze zijn de voornaemsten onze Klemlooze Voorzetsels BE, GE, VER, ER, en ONT, als mede 't eenigsints naedruk ontfangende ON, gelijk ook HER, dat min of meer accent krijgt na mate van de tegenoverstelling: alle welken doorgaends elk op zig zelf een Silb uitmaken: Maer nog een ander soort van Voorzetsels hebben onze Voorouders gebruikt, die nu slegts uit Consonanten bestaende, aen het Zakelijke Deel geene Silb bijzetten; als B, G, H, J, K, N, P, QU (of KW), S, SCH, T, V (of W): welker velen uit een Dialect verschil, of toevallige Euphonie behandeling gesproten schijnen, dewijl ze, elk aen zijn woord, weinig of geen verandering van zin toebrengen.

 

+Ons Voorvoegsel BE, waer voor in 't M-G Bi / (als M-G, Bi-niman / bij ons Be-nemen), in 't A-S, en F-TH, doorgaends Be / te mets ook Bi (als A-S, Be-leoran / Migrare, & Bi-leoran / transire; F-TH, Be-kennan / Cognoscere; en Bi-jihan / Be-jan / Confiteri), in 't Alam: somtijds ook Pi / (als Pi-luchan / Claudere); in 't H-D, Be / (als Be-dencken, perpendere), houde ik, bij verzagting van uitspraek, voor 't zelfde als ons oude Bi / nu BY apud, circum, circa, gelijk ook Bi / die zelfde beteekenis heeft in 't M-G, F-TH, en A-S.

De Zin, dien het aen de Verba toebrengt, is in 't algemeen een kragtige stijving van de Werking, en zo veel als ten volle, of als van alle zijden rondom; gelijk Loopen, Currere, dog Be-loopen, Concurrere, circumcurrere, incursare, & conferre; dus ook Dénken Cogitare, en Be-dénken Perpendere, zijnde zo veel als van alle zijden eene zaek met gedagten naegaen en overwegen; enz:

Ons BE vereent wel, schoon niet dikwijls, met het Zakelijke deel tot eene Silb; als Barmhertig voor Be-armhertig misericors, M-G, Armahairtitha Misericordia; en ons Blyven, II. CL: voor ons oude Be-lyven II. CL:, manere, A-S, Lifan / Be-Lifan / III. CL: 1. manere, superesse; zo mede F-TH, Bi-linnan / dog A-S, Blinnan / cessare; en ons Biechte Confessio, voor Be-jiechte, van 't verouderde Jiechen, F-TH, Jechan / jihan / bi-jihan / contr: Be-jan Confiteri; dus ook in steê van ons Ranke ramus tenuis, het Vlaemsche Branke voor Be-ranke / zijnde op gelijke wijze het Fransche Branche, uit het oude Frank-duitsch gesproten.

 

+In steê van ons Voorvoegsel GE, word in 't M-G, Ga / in 't F-TH, Ge of Gi / te mets ook Je / in 't Alam: Gi / of ook wel ke / ki en Chi / en ka, in 't H-D, Ge / gevonden.

[p. 53]origineel

Dit Voorvoegsel dat onder de Oud-vermaegschapte Spraken zeer gemeen is, voornaemlijk in 't M-G, doet weinig tot de verandering van Zin, dan dat het hem eenigsints stijst, dog merkelijk minder als ons BE.

Ook werpt het wel de E af, om in zijn volgende Silb te smelten, hoewel niet dikwijls; als Gluk voor Geluk felicitas, Gunnen, favere, voor 't verouderde Ge-unnen, (gelijk A-S, Unnan Concedere, Ysl: Unna favere): Gloedte, loedte, Rutabulum; Gloeme, loeme, Apertura glaciei; Gluipen, luipen insidiari; Grimpel, ge-rimpel, scruta, orum; en ons Glyden, II. CL: labi, prolabi, A-S, Ge-lidan, & Glidan / III. CL: labi, tabescere; en ons In-glyden introire, M-G, inga-leithan / II. CL: 1. introire; komende alzoo ons Glyden gelijkaerdig met Ge-lyden, van 't verouderde Lyden, II. CL: ire.

 

+In plaetse van ons Voorzetsel VER, dat zeer veel te pas komt, vind men in 't M-G, Fra / (als M-G, Fra-bairan / portare; Fra-giban / tradere, desponsare; Fra-kunnan / contemnere; Fra-letan / dimittere; Fra-liusan / perdere; Fra-niman / accipere; enz:) ook wel Fair / (als M-G, Fair-greipan / apprehendere, prehendere), en Far (als M-G, Far-swaran / perjurare); in 't A-S, For (als For-gifan / dare, condonare, enz:) in 't F-TH, Fer en Ver / (als F-TH, Fer-triban & Ver-drivan / proruere, expellere; Ver-suulan / sordescere, putrescere, corrumpi; Vernimen / percipere; Ver-thriuzan / taedere); en Fir / For / Fur (als F-TH, Fir-chnussan / conterere, bij ons Ver-kneuzen; F-TH, For-nitheran / For-nidiran / Fur-nidaron / damnare, condamnare; Fur-werdan / periri; Fur-themfan / suffocare; For-kiusan & Ver-kiusen / spernere; enz:). In 't H-D, heeft men Ver / gelijk bij ons, dus H-D, Ver-geben / IV. CL: 4. Condonare; & veneno interficere; Ver-lassen / IV. CL: 2. relinquere; Ver-greiffen / II. CL: 1. abuti, unum pro altero arripere; Ver-lieren perdere, enz.

Uit het voorverhaelde zou men met geen quaden schijn mogen gissen, of niet ons VER, bij verzagting, vermits zonder naedruk komende, de plaets bekleedde van ons VEUR of VOOR; te meer om dat het A-S, Fora / For pro, propter, per, prae, & ante, en 't F-TH, Fora / Furi / Fuori / apud, coram, ante, propter, zo nae overeenkomen met hare Voorzetsels For & Fur. Maer, niet tegenstaende deze Gelijkvormigheid, ben ik van andere gedagten; want niet alleen, dat men in 't F-TH, en A-S, als de Silb zonder klemtoon is, op den aert der Vocalen gantsch niet naew en ziet, maer men vind ook meest altoos in 't F-TH, en A-S, Fora / of Fore / wanneer ze ons VOOR of VEUR zullen aenduiden: behalven dat ook ons VER, schoon in zijn eigen gebruik zeer ongelijk van zin, nog doorgaends vrij veel van de beteekenis van ons VOOR of VEUR verschilt; gelijk mede het H-D, Ver / van zijn Fur of Vor / pro, prae, ante; zo wel als het M-G, Fra / Far / of Fair / van zijn Faur of Faura / ante, prae; zo dat ons VER en VOOR zig in Zin en gedaente nog kenlijk onderscheiden houden.

Het zou wel nader met de Zin-kragt overeenkomen, indien men stellen wilde, dat ons OVER de moeder waer', vermits velen onzer Woorden met

[p. 54]origineel

VER niet onaerdig op dien zin kunnen geschoeit worden: dog dit ook kan mij op verre nae nog niet voldoen; eensdeels, ter zake dat het oneigen aen onzen Duitschen Tael-tak is, de sprekende Silb of accent-vocael (als O, in, OVER) te verwerpen, veel min het stille te behouden; en anderdeels, aengezien dit ons VER, in vergelijking van ons OVER, ongelijk meer verandering van Zin aen de Woorden toebrengt: zijnde de kragt daer van zo velerhande en verscheiden, dat het wel degelijk opmerking verdient: dus ons

Ver-deelen, dividere, voor Deelen.
Ver-breiden, extendere, voor Uitbreiden.
Ver-héffen, sublevare; voor Hoog op-héffen.
Ver-goden, referre inter Deos, voor tot eenen God Maken.
Ver-hooren, Exaudire; voor Gunstig hooren.
Ver-bidden, precibus flectere; voor Overhalen door bidden.
Ver-eenen, Conciliare; voor Eenig maken of worden.
Ver-anderen, mutare; voor Anders worden of maken.
Ver-bieden, inhibere; voor Anders of het tegendeel gebieden.
Ver-aerden, degenerare; voor Ont-aerden, of tot een andren aert overgaen.
Ver-agten, vituperare; voor Ten quade doen agten.
Ver-dénken, suspicione infaustâ affici; voor Ten argste of ten quade dénken.
Ver-leeren, dedocere, dediscere; voor Af- of agteruit-leeren.
Ver-breken, Confringere; voor Te niete breken.
Ver-bouwen zijn geld, aedificando consumere pecuniam, voor Door Bouwen verspillen.
Ver-bouwen zijn Huis, reficere AEdes; voor Her-bouwen, of anders bouwen.
Ver-doen zijn geld of goed, Consumere nummos &c., voor Te niete doen, verspillen.
Ver-doen een zaek, iterum facere, voor Her-doen of anders doen tot verbetering.
Schuld Ver-geven, Condonare, voor den schuld of misdaed quyt schelden, of toegeven.
en Ver-geven mensch of beest, veneno interficere, voor ter dood of ten quade iets ingeven.

En zoo verder meer anderen.

 

Zie daer velerhande kragt van dit VER, en daer onder ook tegenstrijdige, waer van de minste hoop overeenkomst heeft met de gemeene kragt-beschrijving van ons VER, dat men gewoonlijk een Privativum noemt; want wat berooving vertoont zig tog in ons Ver-deelen meer als in ons Deelen? in ons Ver-doen, reficere, meer als in ons Doen of her-doen? in ons Ver-geven, Condonare, meer als in ons Geven? in ons Ver-anderen meer als in ons Anderen? wat berooving is 'er tog in ons Verbreiden, verhéffen, vergoden, verbidden, verhooren, vereenen? enz.

[p. 55]origineel

Niettemin is 't ook waer, dat men thans niet gewoon is dit Voorvoegsel VER voor eenig Verbum, waer bij 't nog in geen vast gebruik is, anders te plaetsen dan in deze 2 volgende Zin-beteekenissen, naemlijk (1) of tot Vernietiging of berooving (Privativum), (2) of tot Hervatting (Iterativum).

Maer, om alle deze oude en voorlang geveste beteekenissen tot een gemeenen Welbron te brengen, zo weet ik 'er als nog niet nader op te begissen, dan dat ons Vér, in steê van Veur, veer, vérder, te vér, of een vérdermael, den oorspronk vervat, dog niet Emphaticè, waerom ook nu ons Voorzetsel VER de korte zagte e, voert. Dus dan, wanneer ons VER den Zin stijft, als in Ver-deelen, ver-breiden, ver-héffen, ver-geven, condonare, ver-hooren, ver-kiezen, eligere, Ver-bidden, ver-eenen, ver-goden, ver-anderen, enz., zo vind ik zulks door VER in steê van Vérder, veer, longè, remotius, aengewezen; en zo de Vernietiging of Verergering in de beteekenis doorschijnt, als bij 't genoemde Ver-doen, consumere, Ver-dénken, ver-aerden, ver-leeren, ver-geven, veneno interficere, en 't F-TH, Ver-kiusen / spernere, enz: zo wijst mij ons VER voor te vérre of vérre wég, nimis longè, ultra modum remotus, die overmatigheid aen; en de Hervatting van doen, als bij Ver-doen, reficere, enz: vind men in ons VER voor Verdermael iterum, aengeduid; dog alles, als gezeit, zonder nadruk op de Ver-heid. Ons VEUR en VER nu behooren tot een zelfden Stamboom, gelijk we reeds in deze Verhand. §. XII. hebben vermeld; hier door vind men ook etlijke Verouderde Woorden met Veur, waer voor wij nu VER gebruiken, als † Veur-beelden, nu Verbeelden, imaginare, † Vuer-bidden nu verbidden, deprecari, † Veur-by, nu nog voor-by, en verby, Trans, Praeter, ultra, † Veur-jagen, nu ver-jagen, fugare, † Veur-leden, nu verleden, Praeteritus, † Veurloopen nu verloopen, terga dare, fugere, Geld veurschieten †, nu geld verschieten, Erogare pecuniam, † Veurzorgen nu verzorgen, procurare, en † Veur wéren nu verweren, propugnare; en als men aenmerkt dat dit Veur, bij deze Verba als een Praepos: insepar: komt, zonder Accent en zonder GE tusschen in bij 't Praeter: Part:, zo verandert bij een vaerdige uitspraek dit Veur van zelf in Ver.

Door uitwerping van de e, word ook wel, schoon zelden, ons VER tot zijn volgende Silb ingetrokken; als ons Vreten, vorare, voor Ver-eten, of Overmatig eten; gelijk ook M-G, Itan / Etan / Fretan / Edere, comedere, F-TH, Frezan / Frezzan / edere, & immodicè comedere, A-S, Fretan Vorare, H-D, Frezzen Vorare.

 

+Ons Voorzetsel ONT word beantwoord door het M-G, And / anda / in, contra, per, dat mede in Samenzetting gebruikt word, als M-G, And-bindan solvere, And-huljan / I. CL. detegere, And-standan resistere, & And-niman / assumere, recipere, enz: of door 't M-G, Und / usque, usque ad, pro, als M-G, Und-greipan / Capere, praehendere: en door het F-TH, & AL: Int of ant of unt / als F-TH, Int-thekan revelare, ook AL: Ant-

[p. 56]origineel

dhechan; en F-TH, Unt-duon aperire; en Int-fangan / Int- & Unt-fahan accipere, enz: als ook door het A-S, And / of ook wel Ond of on of un / als A-S, And-fon accipere, And-standan / pati, resistere, Ond-waerdan respondere, & And-wyrd responsum, en And- & ond-wyrd Praesens, en On- & un-don aperire, On- & un-bunden solutus, Ond-fenga / & on-feng acceptor, On-gynnan incipere, enz:, hoewel dit A-S, On / ook voor ons Aen of in gebruikt word, als A-S, On-blawan / bij ons Aen of in-blazen, inflare, inspirare, A-S, On-clyfian / bij ons Aen-kleven inhaerere, en A-S, On-bitan / delibare, mordendo gustare, bij ons oul: ook Aen-byt en in-byt, esca, jentaculum (zie Kil:), nu Ont-byt jentaculum, enz: Wijders in 't H-D, heeft men Ent / als H-D, Ent-binden / III. CL: 1. dissolvere, bij ons Ont-binden; H-D, Ent-decken / bij ons Ont-dékken detegere; H-D, Ent-pfahen / bij ons Ont-fangen accipere; H-D, Ent-gelden / bij ons Ont-gélden persolvere; H-D, Ent-ledigen / bij ons Ont-ledigen evacuare; H-D, Ent-lehren / bij ons Ont-leeren dediscere; H-D, Ent-schlaffen / bij ons Ont-slapen obdormire; Ent-schlagen / bij ons Ont-slaen, relaxare, extricare; H-D, Ent-wachen / bij ons Ont-waken expergisci; H-D, Ent-stechen / Initium sumere, exoriri, bij ons Ont-steken; H-D, Ent-behren / bij ons Ont-beeren Carere; H-D, Ent-halten / bij ons Ont-houden abstinere & continere, enz.

De Beteekenis van ons ONT is meestentijds een Berooving, en omtrent even zo veel als ons Wég, of uit, de, di-, dis-, ex, contrariè; dog te mets ook den Zin stijvende, als Ont-branden exardere, Gemoeten en ont-moeten obviare, Ontblooten denudare, Gebreken en ontbreken deficere, Dooyen en ontdooyen regelare, Sparen en ontsparen parcere, Ontfangen accipere; zo mede ons Ontginnen incipere, Ont-steken exoriri, inflammare, Ont-waken, exsurgere, expergisci, enz. De Berooving gelijkt naest aen het M-G, And / en de Zin-stijving aen het M-G, Und. In 't Deensch en Zweedsch beteekent Ont &c. het kwaade, of dat tegen ons is, als in 't Deensch Men frelk ok fra ont; d: i: Maer verlos ons van 't quade: waer voor in 't Zweedsch Utan frals oss fra ondo; en in 't Noorweegs; Man frals os fra onet.

Van ons Oude AND is nog een overblijfsel in ons And-woord, ant-woord, M-G, Anda-waurd / F-TH, Antwurt / A-S, Andwyrd / & ondweard / H-D, Antwort responsum, zijnde zo veel als een Weder- of tegenwoord.

Dit oude AND is Euphonicè bij ons en anderen mede verloopen in AM of Em / als ons Am-bacht, bij Inkorting Ambt, ampt of amt, A-S, Embiht / Officium, munus, ministerium; M-G, And-bahts Minister; & M-G, And-bahtjan / F-TH, Ambahtan / ambehtan / A-S, Embihtan ministrare; en Ysl: Ambaat ancilla. Van dit And-bahts of Ambaht / is in de Middel-eeuwen gesproten AMBASCIARE, AMBASSIARE, legationi fungere, als zijnes Vorsten bediening waernemen; en daer van wederom in een bastertkleed AMBASCIATOR, AMBASSIATOR, bij ons en in 't Fransch Ambassadeur, Legatus.

Onze Voorzetsels BE, GE, VER, en ONT, elk voor het onverander-

[p. 57]origineel

de of veranderde Zaeklijke deel van een Verbum gestelt zijnde, zonder verder staert daer agter, maken dat Worteldeel tot een Substantivum Neutrum, van gelijke waerde als de Infinitivus, wanneer die tot een Subst: Neutr: genomen word. Dus van Loopen, Currere, Het loopen Cursus generalis, en Het ge-loop Cursus iterativus, Het be-loop Rerum conditio, status, Het verloop defluxus, defectus rerum, decursus; en van Zig ge-dragen Se gerere, Het ge-drag gestus; en van Ontzien, oul: Ont-zichen Revereri; Het ont-zien, het ont-zich, het ont-zach Reverentia, enz. Zie verder onze Aenmerkingen op de Regels der Geslagten bij de XII. Redewiss. §. XLVI. en XLVII.

 

+Belangende ons Voorzetsel ER; men vind wel onder de oude gelijkstammige Talen AR of UR of ER of IR of OR / als M-G, Ur-reisan Resurgere; in 't A-S, Or-doel / genus examinis, sive purgationis, Or-geworden increatus, Or-maete immensus, Or-mod desperatus, Or-sorhte incuriosus, immunis, Or-eald valdè senex; in 't F-TH, & Alam: Er-koren electus, Ar- & Er-augan ostendere, Er-leschan restinguere, Er- & Ar-losan liberare, Er- & Ir-welan eligere, Ar-deilan arbitrari, Judicare, Ur-idalan / Ar-italan exanire, Ar-stumman obmutescere, Ur-lustan taedere, Ur-driuzzigiu molesta, enz; Dog dit UR of OR / schijnt somtijds van een andren zin te zijn als ons ER, voornaemlijk in 't A-S, alwaer OR eensdeels voor een Privativum komt, anderdeels voor iet overmatigs als ons OVER, en ten derde voor een Koppel-lid, beteekenende het A-S, OR / initium, principium, even als ons oude OOR, waer voor mede in 't H-D, UR / als 't bovengemelde A-S, Or-dael / in 't H-D, Ur-theil / bij ons Oordeel Judicium. Maer het F-TH, AR / ER / of IR / gelijkt beter aen ons ER, en aen 't H-D, ER / dat nog zeer gemeen is, en vrij gemeender als het onze.

Van ons ER vind men nu niet dan weinige Overblijfzels; als ons Er-barmen, H-D, Er-barmen Misereri; ons Er-varen, H-D, Er-fahren Comperire, Experiri; ons Er-vinden, H-D, Er-finden Comperire; ons Er-langen, H-D, Er-langen / assequi, impetrare; dog bij ons Ver-langen, H-D, Ver-langen Exoptare; wijders ons Er-dichten en Ver-dichten, H-D, Erdichten & Her-dichten / fingere, excogitare; en ons Er-kaeuwen, her-kaeuwen, en ver-kaeuwen ruminare; en Er-kénnen agnoscere; en Er-inneren, Commonefacere, & reminisci: zo dat ons ER doorgaends den zin van VER vervat, 't zij als den zin stijvende of als hervattende; en ten opzigte van de andere Woorden bij welken het in 't Hoogduitsch nog in gebruik is, zo worden bij ons velen met VER in de plaets gevonden; als H-D, Er-armen labi facultatibus, bij ons Ver-armen; in 't H-D, Er-folgen subsequi, bij ons Ver-volgen; in 't H-D, Er-grimmen irritari, bij ons Ver-grimmen; enz.

Kiliaen zet in zijn Woordenboek dat de Brabanders HER zeggen, bij woorden daer de Vlamingen en wij ons van ER bedienen.

[p. 58]origineel

+Ons Voorvoegsel HER, dat al-aen zo veel als Wederom te kennen geeft, als Her-maken Reficere, enz: even gelijk het Latijnsche Re, schijnt van jonge geboorte, en laet zig onder de Oud-vermaegschapte Talen, als in 't M-G, F-TH, A-S, &c; niet vinden. Het heeft egter gene gedaente om zijn oorspronk bij eenigen Bastaerd of vremden stronk te zoeken: want te willen dat het Latijnsche Re, bij omkeering in er, en bij voorwerping van een H, in Her verwisselt zij geweest, is onderstellen, 't gene niet alleen gants onzeker is, maer ook oneigen aen ons Taelwerk, en voornaemlijk hier, om dat in onze Oudheid geene Voorbeelden van het onverdraeide Re, dat voor af moest gegaen zijn, zig opdoet. Het M-G, id / het A-S, ed / en 't AL: it of itu / bekleedden van ouds dezelfde plaets als ons HER, dus M-G, Idweitjan / A-S, ed-witan / AL: it-wizon / reprobare, exprobrare; en AL: it-lonesdag retributionis dies; en AL: It-poran wirdit renascitur; en A-S, Ed-gyldan / Ed-leanan remunerari; als mede AL: Itu-ruchint ruminant; waer toe ons oude Ede-rikken, e-rikken Ruminare, dat bij Kiliaen gevonden word: maer dit Ed / id / of it / of itu / scheelen te veel van gedaente om met ons HER van eene afkomst te zijn. In 't Hoogduitsch vertoont zig Her gelijkvormig aen 't onze, maer steeds in een andren zin, naemlijk als ons ER voornoemt, als H-D, Her-dichten / bij ons Er-dichten, en zoo meer anderen: Evenwel schijnen mij die van gelijke geboorte, te meer om dat ons ER ook wel het zelfde wil als ons HER, gelijk in Her-kaeuwen en Er-kaeuwen.

Dit ons Voorvoegsel HER kan en moet ook onderscheiden worden van ons HER, dat in steê van Heyr, A-S, Here (exercitus) komt, als in ons Hértóg, A-S, Here-toga / H-D, Herszog dux; en ons Hér-bérg, H-D, Her-berg / bospitium, diversorium, A-S, here-berga statio; als mede van ons Hér, dat voor ons Hier, A-S, Here / H-D, Her hic, of voor ons Hiervoor, hier-uit dient, als Her-waerts huc, Hér-komste, origo, progenies, of Hér-komen, H-D, Her-kommen / Consuetudo, genus; want bij de zulken verstrekt Hér tot koppeling, genietende ook sterker nadruk als 't aengevoegde woord zelf, 't gene bij ons Voorzetsel HER geene plaets heeft.

 

+Ons Voorvoegsel ON laet zig niet voor de Verba vinden, maer word voor de Nomina, of voor de Praeterita Participii, bij nae in den zelfden Zin als ons beroovende Ont voor de Verba gebruikt; gelijk ons On-dank, H-D, Un-danck Mala gratia, dog zig Ont-danken indolescere, poenitere; en On-gewyd, H-D, Un-geweihet nondum initiatus, profanus, dog Ont-wyden, H-D, Ent-weihen / profanare, polluere, en Ont-wydt, H-D, Ent-weihet / profanus, pollutus; terwijl ons ONT, niet alleen bij de Verba, en Praet: Part: maer ook wel bij de Nomina blijft, als ons Ont-zach reverentia, Ont-hiet promissum, enz. In 't A-S, word On meê voor de Verba gebruikt, omtrent op gelijke wijze als haer Ond of and / als A-S, Onfengan suscipere, Ongebringan / IV. CL: ingerere; On-doen ingerere,

[p. 59]origineel

On-don / aperire, & facere; enz. Men zou ligtelijk hier uit denken dat ons ON, in stêe van ONT quam; dog hier valt op te zeggen, Ik: Dat ons ONT niet altijd een berooving beteekent, dog ons eigentlijke ON nooit anders dan een ontbreking of gebrek; en ten opzigte van de Berooving is 'er nog dit onderscheid, dat ons ONT voornaemelijk ziet op een Verbreking van iet dat 'er is, als Ont-wydt, dat is, Ontheiligt het gene gewijdt was, dog On-gewydt verbeeld iet, dat nog niet geheiligt geweest is, of daer de heiliging nog aen ontbreekt. Ten tweede, het A-S, On / beantwoord het A-S, Ond doorgaends dan alleen, wanneer 't geen Privativum is, en beteekent zo veel als ons In, aen, of op. Maer 't gene eigentlijk op ons ON slaet, is (1) het A-S, Un / als A-S, Un-blithe / tristis, Un-gebunden solutus, Un-faest infirmus, Un-frith / discordia, bellum, Un-gebrocen / infractus, enz. (2) het M-G, Un / als M-G, Un-mahteigs / impossibilis, Un-hails infirmus, Un-hrains impurus, en Un-werjan indignari, enz: (3) Het F-TH, Un / als F-TH, Un-kraft / un-maht infirmitas, Und-huldi infidelitas, Un-dhancpar ingratus, Un-thankes invitus, enz: (4) Het Ysl: ø / als Ysl: ø-bedenn / bij ons On-gebeden non rogatus, ø-mak / bij ons On-gemak molestia, enz: En (5) het H-D, Un / of ohn / als H-D, Un-bedacht inconsideratus, Un-bill nefas, Un-billich iniquus, Un-eben inaequalis, Un-gelegen incommodus, & Ohn-macht deliquium animi, enz. Welk H-D, Un / of ohn / zeer kenlijk in gedaente onderscheiden is van 't H-D, Ent / dat eigentlijk ons ONT beantwoord: zo dat waerschijnlijk ons ON, en ONT, in geboorte verschillen, vertoonende zig de beteekenis en oorspronk van ON niet duister in een ouden Wortel, die in 't H-D, ohn / sine, te vinden is.

Wanneer onze Voorvoegsels HER en ON in tegenstelling komen, dat te mets, dog meest bij ON gebeurt, verkrijgen ze ruim zo veel nadruk als het Zakelijke deel zelf, dus Hér-tréd, in tegenstelling van Tred, of Voortgang; en On-deugd in tegenstelling van Deugd, anders hebben ze weinig meerder accent, dan BE, GE, VER, of ER. Zelf GE en VER, schoon anders zagt, ontfangen wel, als ze tegen elkander over gezet Worden, een klemtoon, als Ge-bieden en Ver-bieden.

Dus verre van de Oudheid en Kragt onzer Silbmakende Voorvoegsels BE, GE, VER, ER, HER, ONT, en ON. De vijf eersten van dezen behooren niet tot den Kimbrischen Tak. Laet ons nu eens de Silbe-looze Voorvoegsels beschouwen.

 

+De Silbelooze Voorzetsels geven genoegsaem geene verandering van Zin. Die ik door opmerking gevonden en aengeteekent heb, zijn B, F, P, G, K, J, Q voor U (of K voor W); wijders S, SCH, T, ST, Z, H, V (of W), en N.

 

+Hoe onze Voorvoegsels BE en GE, in B en G, veranderen, en dat de Alam: Dialect de B wel in P, en de G wel in K of CH doet overgaen, heb ik hier voor al vermeld en met Voorbeelden aengetoont, waer uit het niet

[p. 60]origineel

onwaerschijnlijk is, dat onze voorgeworpene P (of in een andre Allem: Dialect ook wel F) als mede K, welke zig vertoonen bij eenige woorden van oud gebruik, in Kiliaens Woordenboek of bij onze Taelverwanten nog te vinden, de plaets bekleeden van onze Voorwerpsels BE, en GE; als ons oude Ont-pluiken, II. CL: aperire, en ons Ont-luiken, II. CL: aperire; en ons Lap, klap, en flabbe, H-D, Schlappe / Alapa, colaphus; en Plomp en lomp Stupidus, Plompaerd, lompaerd, Homo rudis, stupidus; als ook A-S, Pleggan incumbere, en A-S, Lergan jacere. Wijders ons Knypen en Nypen, H-D, Kneipen / premere, comprimere, A-S, Hnipan Concidere; ons Kleem, en leem Limus; ons Krimpen, A-S, Hrimpan & Rimpan Rugare, gelijk ook bij ons Rimpel Ruga; ons Lék, H-D, Kleck Rimosus; ons Klompe, Massa, gleba, en Lompe, (frustrum, massa, Angl: Lompe / Lumpe): ons Knikken, H-D, Nicken nuere; en ons Nék, nékke, A-S, Hnecca & Necca / Cervix, collum; ons Knagen, H-D, Gnagen & Nagen / A-S, Gnaegan / Gnafan Rodere; ons Kneden depsere, A-S, Gnidan Confricare. Voorts ons Kring en ring, A-S, Hring & Ring / Circulus, annulus; ons Knorren, gnorren Grunnire, &c. en oulinks ook † Norren, waer van ons Norsch Morosus, en A-S, Gnornian / Murmurare, gemere; ons Krappe, Gall: Grappe, H-D, Rapff / A-S, Cropp / Uva, racemus; ons Raven, A-S, Hraefen / Raefen corvus; ons Krollen, krullen, Crispare, flectere, en Róllen, Volvere rotare, enz:. Of, zo we die Frankduitsche of A-Saxische Dialect volgen, welke de J, in steê van G gebruikt, gelijk de uitspraek der Pomerschen en Pruissischen daer heen trekt, zo vinden we ook onze zeldsame voorwerping van J; als bij ons oude † Jenigen voor Enigen, † Jimmer voor immer, † Jergens voor Ergens, en † Jiet voor iet. Of, zo men onze gewoone spelling van QU, in zijn waere klankverbeeldende KW herstelt, zo heeft men ook 't Onze & 't H-D, Quéndel of Kwéndel Serpillum, en Wéndel, involucrum, cochlea; en ons Wélle, wél, A-S, Welle / Will / Wyll / Weal & H-D, Quelle / Scatebra, fons; als mede ons Walm en kwalm of qualm Vapor. Onze F vertoont zig in de gedaente van een Voorwerpsel bij 't gemelde Flabbe en lappe, Alapa, colaphus; Flaeuw, debilis, remissus & languidus, en Laeuw tepidus, languidus; Flikken, sarcire, consuere, en Likken, oplikken, opflikken, Polire, resarcire; Flokke, vlokke, en lokke Villus; Flore homo vilis, en Lore Res & homo vilis; Fluite en luite, Talea, surculus; Fronselen en ronselen, Rugare. Of nu Dialects-gewijze de F, in steê van de V, of van de B of P komt, dunkt mij twijffelagtig te zijn: mooglijk te mets van de eene, te mets van de andere.

 

+Daerenboven vind men S voor aen voor de CH in plaets van K gestelt; als ons Krabben, Scalpere, lacerare unguibus, en Schrabben, Scalpere, incidere unguibus; ons oude Krappen en rappen, decerpere, abscindere, nu Schrappen, schrapen, Scarificare, abradere; ons Kratsen, H-D, Kratzen / Angl: Crathe & Scrathe Scabere; ons Klappe, H-D, Schlappe / Alapa, colaphus; ons Krimpen, oul: ook Rimpen, II. CL: Rugare, contrahi, als mede † Rompen en † Rompelen, I. CL: nu Rimpelen, schrim-

[p. 61]origineel

pelen, schrompelen, I. CL: Rugare, contrahi; ons Schrael, en 't oude Rael, tenuis, exilis; ons Schroopen dirumpere, en Roopen, Vellere, Vellicare: Waer toe ook te betrekken is ons Ryven, II. CL: Radere, oul: ook † Ge-ryven, † Gryven, waer van ons Griffie, grift en Gréft', Graphium, stilus; en wijders, met voorzetting van S of SCH, ons Schryven, II. CL: olim Radere, nunc Scribere, gelijk ook A-S, Scrifan / resecare, & tr: Delictorum confessiones exigere, & A-S, For-scrifan Corradere; Want van ouds schreef men met Griffiën in Wasch of Steen; waer van nog bij ons 's Lands-Schrijver den naem van Griffier draegt, van welk Schryven wij nog meerder zullen zeggen in onze Proeve zelf.

De Voorwerping van S, laet zig ook zien bij andere Letters; als ons Links, slinks, Laevus, sinister, Linkerhand, slinkerhand Manus laeva; ons Slabben, ook oul: Labben, A-S, Lappian / Lambere, lingere; ons Slym, lym Limus; ons Sluimen, tectè prorepere, & limis intueri oculis, en Luimen Retortis & insidiantibus oculis intueri; ons Sluimeren, oul: ook Luimeren dormitare; ons Luiken, II. CL: Claudere, en Sluiken, II. CL: Clandestinè aliquid inducere vel adducere, censubus non solutis; ons Loof, loove, umbraculum, frondes, en Sloof, sloove, Velum, tegmen exuviae, en Slooven, Velare, tegere; Luyer, en sluyer, lorum, fascia; ons Smilten, smélten, II. CL: A-S, Miltan / Meltan liquefacere, en ons Maltsch, en oul: Smaltsch, liquidus, fluidus; ons Mérlin, smérlin aesalo; Muil, smuil en smoel Bucca; Nébbe, snébbe Rostrum; Nokken, snokken singultire; gelijk mede het L-F, Nolcke / bellè, venustè, en 't L-F, op-snolcke exornatus; en ons Stronk, tronk Truncus; en ons Strót Jugulus, Ital: Strozza, & A-S, throt / throtu / Angl: Throate / Throte Guttur; en uit zulk eene voorwerping van S, schijnt mede de gemeenschap van Zin gesproten te zijn, die 'er is tusschen ons Tygen, II. CL:, tendere, Vergere, &c., en Stygen, II. CL: scandere; want het op- en af-klimmen gaet met een kragtige toestrekking verzelt.

 

+Wijders om den dienst van dit Voorwerpsel S nog verder te kennen, word vereischt, dat we de Voorvoeging van T vooraf aenwijzen, om de verdere van ST daer uit te vinden; als ons Ruk, rok, Flandr: Trok Tractus, gelijk ook ons, Rékken, tendere, extendere, en Trékken, trahere, tendere, &c.; ons Rommelen strepere, insonare, en Trommelen tympanizare. En wederom de S, voor aen geschikt zijnde, zou ook hier uit konnen gesproten zijn onze ST voor op, bij Rékken, strékken, extendere, tendere; en bij Roopen, Vellere, vellicare, en Stroopen, Stringere, deglubere.

 

+Eindeling, onze S gaet over tot hare zagte Z, wanneer ze voor de W komt, als ons Wak, ook Angl: Weak, en ons Zwak, debilis, imbecillis, & lentus; ons Wikken, zwikken en zwakken, librare, vacillare; ons Wadden, waden Vadare, en Zwadden, zwadderen turbare aquas; ons Waedsem, waesem, en † Zwadem Vapor, zijnde onze Uitgangen SEM en EM van eenerleije kragt; ons Wanken, wankelen, zwanken,

[p. 62]origineel

zwankelen, vacillare; ons Wénken, nutare, nuere, en Zwénken, nutare, vacillare; ons Wénk en zwénk oul: ook Wank en zwank, libratio, nutus, & tr: momentum temporis; ons Zwétschen, Saxon: Wesschen / nugari, garrire, proflare fastum; gelijk 'er ook gemeenschap is tusschen ons Wyken, II. CL: Cedere, en ons oude Zwyken, nu Be-zwyken, II. CL: deficere, decidere. Uit al dit bovenstaende blijkt dat de Voorwerping van S, al zeer dikmaels zig vertoont.

 

+Ligtelijk, en met geen quaden schijn, zou men geen der Voorvoegsels gemeenzamer schatten als onze H, vermits die bij na alleenig onder de Liefhebbers van onze Tael voor een Silbeloos Voorzetsel bekent gaet: te meer om dat de Zeelanders en ook Vlamingen in dit stuk van Ons en andre Nederlandsche Provincien gantschelijk in de uitspraek verschillen, als zeggende voor ons Héér (Dominus) Eer / en voor ons Eér (honor) wederom Heer / voor ons Ontfanger, Hondfanger / en zoo verder. Maer, dit haer Dialect-verschil bestaet alleenlijk op de Tong, en niet in de Schrijftael, als waer in ze 't gebruik van ons en andren opvolgen: en, dat te verwonderen is, niet tegenstaende bij na in alle Talen, zo verstorvene als levendige, zulk een tweederhande Dialect, na de verscheidene Landstreken, ten minste in 't praten, zig opdoet, egter laet deze Voorlassing van H voor een Vocael, zig niet alleen bij ons, maer ook zelf bij de Duitsche en Noordsche Oudvermaegschapte Talen, in schrift zo schaerselijk vinden, dat ze voor een van de zeldsaemste Voorwerpsels te houden is: Kiliaen, die niet ligtelijk zulke Woorden van tweederlei gebruik, wanneer ze voor Schrijftael gangbaer zijn, overslaet, levert in zijn keurlijke Woordenboek ons slegts eenige weinige Voorbeelden, als Hachte en achte proscriptio; Hadik, adik, H-D, Attich ebulus; Hangel en Angel hamus; Haverye, aver ye jactura sive damnum in mari, Saxon: Haferye, Gall: Avaris; ons Hegdisse en Egdisse Lacerta; Heinze, einze ansa; Heischen en Eischen postulare; Heyselik en eyselik horridus; Hermyne, ermyne Mus Armenius; Heremyt, eremyt Eremita; Heester en eester, frûtex, & Flandr: hortus, pomarium; Hieken, hyken Flandr:, bij ons Ieken, yken mensuram in vase de signare; Hyzel, yzel gelicidium; Hoks-hóót en oks-hóót Dolium; 't oude Hoeker en oeker nu woeker foenus; Fland: Hoor bij ons oor Haeres; & Fland: Hóóre bij ons óór auris; ons Hoozen oul: ook oozen haurire; het oude Vlaemsche Hórs en órs equus; ons Ure, Fland: Hure hora; ons Erikken, Fl: Huerikken Ruminare; ons Huider en uider, Uber, mamma bestiarum; Uil en huil Ulula; zijnde dit al de genen die ik onder zijn letter H vond; waer onder sommigen zijn van de Vlaemsche Spreek-Dialect in de Schrijftael ingeslopen; andren zijn Bastaertstruiken, als Heinze en einze ansa; Hermyne en ermyne Mus Armenius, enz: en anderen van tweederhande af komst, die toevallig de gedaente hebben als of de H ware toegeworpen, als ons Hangel en héngel hamus, dat ik van ons Hangen, pendere, af komstig zou rekenen, en Angel hamus, van 't Latijnsche Angulus, om den hoekigen weerhaek alzoo genaemt: zo dat een onbetwistbare Voorwerping van H voor een Vocael onder Ons schier met Lantaerens te

[p. 63]origineel

zoeken is. Dog, hoe de H wel eer in 't M-G, F-TH (of AL:) en A-S, voor de Consonanten, L/ N/ R / en W / geplaetst zij geweest (als wanneer ze te mets onze Voorwerping van G of K, beantwoord) heb ik al, agter onze Uitlandsche Dialect-regel in de voorige Verhandeling van onzen Grondslag, vermeld gehad.

 

+Men vind ook, schoon zelden, onze V of W voor de R geworpen, als bij ons Vreken, of wreken, wrook, gewroken, enz: vindicare, dog in 't H-D, Rechen / Rach (of Roch) gerochen / Vindictam sumere; ons Ryven, II. CL., fricare, radere; en Vryven, wryven, II. CL: fricare; zo mede ons oude Ringen, annulo circumdare; & olim Domare, Luctari, hedendaegs ons Vringen, wringen torquere & luctari; en onze tweeder-hande Dialect van V en W voor de R hebben we verder in Vrééd en wrééd torvus; Vryten, wryten, torquere tornare; Vrong, wrong Spira; Vrak, wrak improbus; Vraken, wraken, I. CL: rejicere; en Vratte, wratte Verruca. Mooglijk komt deze Voorwerping van V, in plaets van VER, als den zin stijvende, even gelijk ook ons Vreten voor Ver-eten, daer ons VER voor overmatig komt, dog in 't M-G, Etan / fretan Comedere verstrekt het M-G, Fra / dat ons VER beantwoord, slegts tot Zinstijving.

 

+Eindelijk heb ik nog een Voorwerping, naemlijk die van N, onder ons ontmoet; dog van tweederhande kragt: eerstelijk als een Negativum in steê van 't oude Ne / als eertijds Ik ne wil dat / voor Ik wil dat niet; waer van ons Niet komt voor Ne iet / Niemand voor Ne iemand / Nergens voor Ne ergens / Nimmer voor Ne immer / Negéén voor het Oud-Duitsche Nichein / en, bij vooraflating, ons Egéén en géén, H-D, Kein nullus. Maer ten tweede, zonder Zin-verandering, als ons Aers, naers podex; Adder, nadder, hydrus, vipera, natrix, H-D, Natter / & Atter: ons Ake, nake, Cymba, scapha; Ast, eest, nast, neest ustrina; Aveger, eveger, naveger, neveger terebra; Ere, nere Area; érve, nérve, Cicatrix, stigma, grana in coriis; Eglantier, neglantier Cynosbaton; Oest en Noest Nodus in arbore; Ochtend en Nochtend tempus matutinum, Ork en nork, Contumax, praefractus; Yver en nyver Zelus, enz: Deze voorgeworpene N mag men gissen ontleent te zijn uit den Articulus Een of Den; zo dat Naers zou komen voor Een aers; en zoo mede De Naers voor Den aers, enz.

Dus verre van de Voorvoegsels; laet ons nu de Agtervoegsels overwegen.

 

+Hoe oud het gebruik zij der Uitgangen zoo van Vervoeging als van Afleiding, of ze te gelijk met de Worteldeelen of later geboren zijn, schijnt onzeker; niettemin, aengezien de Woorden altoos te kort schieten bij de zaken

[p. 64]origineel

en gedagten, zo volgt dat de Tael in hare eerste Grondlegging, toen ons Voorvaderlijke Geslagt in een enkele huishouding of kleine Gemeente bestond, naer eisch van de geringe behoefte en eenvoudigen levenstrant, ook schaers van Woorden en van opschik moet geweest zijn: waer uit niet ongerijmt te gissen is, dat in 't allereerst ijder Woord slegts uit zijn Zakelijk Worteldeel bestaen hebbe, en enkel-silbig zij geweest; dog dat sedert, om de Vloeijendheid en tot beter onderscheid, de Zagte uitgangen daer bij geraekt zijn: het gene te waerschijnlijker is, niet alleen, om dat alle onze Woorden, die niet te zaem gezet zijn, nog heden niet meer als eene enkele Accentsilb of Zakelijk deel hebben, maer ook om dat bij na elke Natie, sedert de verspreiding der Volkeren, bijzondere Uiteindens in 't Verbuigen, Vervoegen, en Afleiden der Woorden genomen heeft, schoon 'er velen van die bij 't Zakelijke deel in zin en gedaente nog zeer nae overeenkomen; zelf onze oude en nog levende Gelijkstammige Takken, zo Kimbrische als Duitsche, verschillen eenigsints in de Uitgangen. Voeg hier bij dat ook de Kinderen, wanneer ze eerst aen 't spreken komen, in welken staet ze ons den eersten aengroei eener Tale natuerlijkst afbeelden, hare opmerking nemen op de Accentsilb, en daerom die alleen gebruiken in alle Verbuiging en Vervoeging zonder Uitgangen, zeggende Loop in steê van Loopen, enz. Maer, dewijl we op deze bedenking hier niet bouwen zullen, behoeven we ook de nette waerde van zekerheid hier in niet uit te pluizen.

 

+Tweederleije Uitgangen zijn 'er aen de Woorden, als (1) Verbuig-Staerten, waer van we in ons vorige werk gehandelt hebben, en (2) ten andere Uitgangen of Staerten van Afleiding, die we ook Agtervoegsels en Toevoegsels noemen, waer van we nu ingevolge staen te spreken: en dezen vereischen nog meerder werk en opmerking dan de afgehandelde Voorvoegsels, vermits ze grooter in getal en kragt zijn.

 

+Onder de Afgeleide naemen zijn 'er ook wel Staerteloozen, bestaende alleenlijk uit het Worteldeel van Ongelykvloeyende VERBA, 't zij verandert of onverandert, als Band van binden, en Blyk van blyken, enz: of uit het Worteldeel met een Voorwerpsel, als Be-loop, en ver-loop, van Loopen, enz: welke soorten onder onze verhandelde Worteldeelen behooren; Maer, zo 'er eenige Consonant agter 't Zakelijke deel de plaets van een Uitgang bekleed, zo krijgen we dikwijls daer door zulk een Silbelooze Uitgang, die meest uit een Inkrimping of Agterafwerping van de zagte Vocael ontstaet, als Hulp' voor Hulpe, liefd' voor liefde, winst' voor winste, vreugd' voor vreugde, vérf voor vérve of vérwe, gelijk ook Ménsch, voor 't oude Mennisch: dog bij dezen verliest zig de zagte Silb in de harde: maer een eigentlijke Silbelooze Uitgang is onze S, als die agter eenig naemwoord geschikt word, om het tot een Adverbium te maken, als Régts van Régt, ééns van één, enz.

[p. 65]origineel

+Onze Volledige Uitgangen zullen we in driederhande verdeelen, als (1) in Zagt-Staertigen, als DE, en EL enz: gelijk Liefde, bundel, enz. (2) in Onzagt-Staertigen, of Zagt-Klemmenden die weinig minder nadruk ontfangen dan het Zakelijke deel, gelijk AER BAER, DOM, enz., als Leeraer, drinkbaer, heiligdom, enz. En (3) in Vol-op- of Ten-Volle-Klemstaertigen, als YE, ESSE, TEIT, in ons Abdye, zondarésse, quantiteit, enz.

Onder de Schriften van de Oude Taelverwanten vertoonen zig niet alle onze hedendaegse Uitgangen, zo dat men die ook in Ouder en Jonger zou kunnen verdeelen; maer het onderscheid van Zagt- en Klem-staertigen brengt meer toe tot het nette denkbeeld van ieders eigenschap, waerom we ons aen de bovengenoemde verdeeling zullen houden.

 

+Onze Zagt-Staertigen zijn, E, ER, STER, en ERSCHE; DE (of D) en TE (of T); EL, EM (of M); SEL, SEM, STE (of ST), SE (of S); UWE (of UW, of WE, of VE, of F); TJE, en KEN; ISCH, en IG: EN (of N, of NE); ENDE (oul: AND, OND of END), en ENDS (of ENS); TIEN en TIG; LF (oul: LIF of LEF). En de verdere Dubbelstaertigen ENEN, EREN, ELEN, EMEN, & IGEN, zijnde de Uitgangen van Infinitivi, die uit woorden gesproten zijn, welke EN, ER, EL, EM, of IG, reets agterop hadden, en welke Infinitivi mede voor Substant: Neutra gebruikt worden. Sommigen van deze uitgangen dienen bij Substant:, sommigen bij Adject:, sommigen bij Adverb:, en wederom sommigen bij een en ander te gelijk.

 

+Onze Uitgang E, welke plaets heeft bij onze Substant: Foeminina, die een zaek en geen Persoon beteekenen, en geboren worden uit het Praes: of Praeter: Subj: van eenig Verbum; als Grepe, prensatio, & manipulus, en Gave, Donatio, donum, waer voor ook onder de Oud-vermaegschapten de A of O gevonden word, is oud van gebruik, zo wel onder den Kimbrischen Tak, als onder den Oud-Duitschen; dog is eigentlijk geen Toevoegsel, vermits alreede onder de Vervoeging van 't Verbum begrepen zijnde.

Eertijds hadden we ook een E, als Toevoegsel, om een werkende Persoon aen te duiden, in dezelfde plaets als tegenwoordig ons ER; waer voor in 't M-G, JA / in 't F-TH, A / of O / in 't A-S, A / of E / gevonden word, als M-G, Fiskja / Visscher; M-G, Weindrunkja / F-TH, Windrunko / (Tat: p: 122.) Wyndrinker; M-G, Af-etja / Vrate; F-TH, Hirta / Herders, (Tat: p: 18). A-S, Lead-gota / Loot-gieter; A-S, Gyfa / Gever; A-S, And-fenga / Ontfanger; A-S, Byrga / Bórger, Creditor; A-S, Brica / Breker; enz:. Van deze Oudheid zijn onder ons nog in wezen ons Bode, A-S, Bode / Boda / Ysl: Bod / Nuncius; ons Voor-sprake, A-S, Fore-spreca / Causidicus; ons Bórge fidejussor; Hertoge, Dux; Vrate Helluo; Wachte, wacht vigil; Erve Haeres;

[p. 66]origineel

Vliege Musca; en oulinks ook Aen-sprake actor, (zie Kiliaen), enz.

Deze bovengemelde E, in beide gevallen, word thans gemeenlijk onder ons van zijne woorden agteraf gelaten, uitgenomen bij ons Bode en Erve.

 

+Dat wel eer deze Terminatie E ontleent zij geweest, van het Adjectivum als Substant: te gebruiken, is bij mij zeer bedenkelijk, dewijl bij ijder van de bovengemelde Taelverwanten ook Adjectiva in gelijke form zig vertoonen. Dog van deze E, als Adjectivum, vermits een Verbuig-teeken zijnde, hebben we hier niet te spreken.

 

+Van ons thans gewoonlijke ER, ook in 't H-D, er / dat, agter 't Zakelijke deel gevoegt zijnde, een Werker maekt (als Gever, H-D, Geber / van Geven, H-D, Geben) en, zo 't agter aen N, L, of R moet sluiten, welluidens-halven gemeenlijk in DER verwisselt (als Speelder van spelen; Kénder van kénnen; Verweerder van verweeren) vind men al gelijkaerdige Voorbeelden onder 't Frank-Duitsch en Angel-Saxisch, als F-TH, Doperi / AL: Toufar Baptista; en F-TH, Suoner pacificus; A-S, Treopere Serpens; Bidder Procus, Saedere Seminator; en zoo meer anderen. Dog in 't M-G, is zulk een uitgang in die kragt niet gebruiklijk, ten ware men het M-G, Brothar frater, Swistar soror; & Dauhtar filia, daer toe betrekken wilde; maer dit heeft geen goeden schijn, dewijl 'er twee van deze drie Foemin: zijn, komende in geslagt en oorspronk overeen met ons ER, dat men heeft bij ons Veder, f: A-S, Fethere / F, H-D, Feder / F, Ysl: Fiodur F, Calamus; en ons Baker Puerperae & infantis fomentatrix, voor Baekster of Bakere / te meer om dat 'er eigentlijk andre M-G Terminatien zijn van dezen dienst, als M-G, Hairdeis (bij ons Herder), van Hairdjon (bij ons Weiden); en M-G, Daura-wards (bij ons Deur-waerder), van 't M-G, Daur / (Deur), & Wardjan / (Bewaren).

+Toen ik in een Ordinantie van 't Jaer 1475. meer als eenmael gestelt vond Schip-heer voor Schipper, viel mij een bedenking in, of ons ER niet wel bij insmelting voor HER of HEER quam; dog hier tegen overwoog ik, dat dit zeldsame Voorbeeld, toevallig mooglijk, zulk een verdraeying gekregen had, door toedoen van den Schrijver of uitschrijver, uit verbeelding dat hij de ware Afleiding hier door trof, om dat de zin van Heer of Meester hier zo wel ter sneê schijnt: ten andere vond ik dat de eenvoudige Oudheid in 't F-TH, en A-S, die verandering van Heer gantschelijk niet begunstigde; en verder schoot mij te binnen, dat bij de meesten Woorden met ER, de zin van Heer, of niet toepasselijk, of gantschelijk strijdig komt. Oneigentlijk komt hij bij ons Looper Cursor, Drinker potor, enz: bij ons Hamer Malleus, Ligter, Navicula, qui navibus onerariis subservit, easque exonerat, Boender, scopuli genus, abstergendis maculis, Aveger terebra, Aker, Glans, & Ahena, Blaker, Candelabrum, candore nitens, als mede A-S, Sceawere & Sceapere speculum, 't eerste van 't A-S, Sceawan videre, en 't laetste van 't A-S, Sceapan / formare, enz: welker meesten over-

[p. 67]origineel

dragtelijk genomen schijnen, naemlijk een Werktuig of Onderwerp van beweging in plaets van een Persoon. Maer, gantsch strijdig van Zin vertoont zig ons Bidder, Graver, Kruyer, enz: want zekerlijk is het te belachelijk, dat men dit voor Bid-heer zou willen nemen. Door deze overweging verviel dan mijne invallende bedenking. Maer, of niet (1) de Latijnsche Terminatie OR (in 't Grieksch ηρ), waer van het hedendaegse Fransche eur ontleent is, voor den bron van ons ER te houden zij, dewijl de kragt daer van dezelfde is, en 't gebruik van dit ER onder de Duitsche Taeltakken niet ouder zig vertoont, als 't invoeren van 't Kriftendom; dan (2) of ons ER gesproten zij uit het oude en meermaels aengeroerde WER, waer voor in 't M-G, Wair / in 't A-S, en F-TH, Wer / Vir; of (3) andersints ontleent uit de oude Adjectivale terminatie er / komt mij twijffelachtig te voren: tot versterking van het laetste kan men bijbrengen dat de Ysl: terminatie ur / die bij 't Adject: Masc: plaets heeft; ook dikwijls bij de Substant: zig vertoont: en, wat behoeven we 't Kimbrisch hier toe? want niet alleen in 't A-S, als Snoter Sapiens, Slapor somnolentus, maer ook bij ons zelf hebben we nog Adjectiva's +op ER, als Lékker, lautus, delicatus, van Lékken, likken, lambere, lingere; en Zwanger Gravidus, van 't versletene Zwingen, zwang, gezwongen, Vibrare, nutare, Vacillare, laborare; als waggelende van wegen de Vrugt; en ons Ander alius, van 't verouderde AND, iterum, contra, dat nog in ons And-woord Responsum, gevonden word; gelijk ook Andermael en wederom het zelfde beteekenen. Dit soort op ER, zou ijmand ook wel konnen aenzien als van Comparativa ontleent; dog schoon dit toegestaen wierd, de overdragt van de eene soort tot de andere word dan mede onderstelt, terwijl de Zin ook wat gewrongen komt.

 

+We hebben ook eenige zeer weinige Subst: op ER, welke Neutra zijn, als Leger n: Cubile, Castra, in 't H-D, Läger / N; ons Leder, n: H-D, Leder / N. Ysl: Ledur / N, Corium; ons Voeder n: H-D, Futter / N. pabulum. Dat hier een verloop van geslagt plaets had, zou men ligtlijk denken, zo niet het H-D, en Ysl: dit eveneens hadden: uit de oude Adjectiva's kan dit ER niet wel ontleent zijn, dewijle de Adject: op er in 't H-D, en die op ur in 't Ysl: Mascul: zijn. Dog de Comparativa zo in 't H-D, als bij ons, behouden ER agteraen door al de Geslagten, zo dat 'er die wel 't naest toe zouden schijnen; maer 't Ysl: spreekt hier wederom tegen, dewijl die Comparativus, schoon hij mede in alle de Geslagten de r behoud, niet en is ur / na vereisch van het gemelde Yslandsche Voorbeeld Ledur / maer are / of ara: als Ysl: Blydur / blyd / Blydt Laetus, a, um, Blydare Laetior, & Blydara Laetius: Zo dat ik den oorspronk van dit Neutrum op ER, nog niet vinden, nogte begissen kan.

 

+Deze zelfde uitgang ER laet zig ook zien onder de Praepositiones & Adverbia, als Achter of after, over (oul: aver) onder, vérder, éérder, enz:, welker kragt en zin in dezen niet qualijk overeenstemt met die van de Comparativa, zo men den oorspronk en zin van de zakelijke deelen naegaet.

[p. 68]origineel

+Indien men S, agter dit Vérder, en Ander enz: voegt, maekt men het tot een Adverbium, dat uit een Genitivus ontleent word, als Vérders, plus, ad haec, praeterea, Anders aliter; enz.

 

+Onze Gentilia in ER neemt men Substantivè of Adjectivè, al na 't de zaek vereischt, als een Amsterdammer Persona Amstelaedamensis, en een Amsterdammer schuit Navicula Amstelaedamensis. Het gebruik van dit ER tot zulk een dienst weet ik niet onder de Oudheid ontmoet te hebben, hoewel in het tegenwoordige Ysl: heeft men het al, als Ysl: Thisker (bij ons Duitscher), enz. niettemin bevestigt het den overgang van een Adjectivum tot een Substantivum.

 

+Tot ons Foemininum van ons bovengenoemde ER, als Substant: Personale Mascul: hebben we eigentlijk STER in steê van ER, agter het Worteldeel; als Wérk-ster, lóóp-ster, naei-ster, enz: of ook wel agter de harde Terminatie IER, als Tuinierster. Dit ons STER word in 't A-S, beantwoord met Estre of Istre of Ster / als A-S, Syngestre (Zangster), Baecestre (Bakster), Foster (Voedster), enz.

Dat men ook te mets SCHE of SE agter de Terminatie ER zet, in plaetse van ons STER, als Méésterse Magistra, enz. klinkt meer na de Hoogduitsche Dialect, die de SCHE bemint, als na de onze, hoewel de oorspronk ligtelijk en zonder wringing uit het Foeminin van ons Adjectivale SCHE (Euphon: SE) te halen is.

 

+Onze Uitgang DE (bij inkrimping D), of ook (Welluidenshalven agter Medeklinkers die de D in T verwisselen) ons TE (bij imkrimping T) is oud van geboorte, makende, indien hij agter een Worteldeel van een Verbum komt, de beteekenis van een Beweging2, even gelijk ons Inge, als Liefde Amor, van Lieven amare, & Gifte donum, donatio, van 't oude † Given nu geven dare; of, indien hij agter een Adjectivum komt, heeft hij dezelfde kragt als ons Toevoegsel HEID, als, Grootte en grootheid magnitudo, van Groot Magnus; en overdragtelijk voor een Persoon komt hij bij ons Gezandte Nuncius.

In steê van dit vind men in 't M-G, Itha / tha / of da / als M-G, Diupitha (Diepte), Hauhitha (Hoogte), Gabaurcha (Geboorte); in 't A-S, meest al. T / of to / tu / ta / of th / the / tho / als A-S, Gyfta / gifta / giftu / gift (Donum, & tr: Nuptiae), Waegth (Potestas, Magt), Thiefthe furtum, Geslight interfectio, Heahtho (Culmen, altitudo, Hoogte), Gesynto / (Salubritas, Gezondheid), Heafenleaste inopia, van Heafen-leas (inops, pauper, bij ons Haven-lóós), enz. Gelijk mede de terminatien, Uth / of oth / of ed / als AS-, Duguth (Deugde), Jeoguth / Jogoth (Jeugd); & Haeled / (Dux, vir excellens, bij ons Héld), van gelijke waerde zijn, en tot den zelfden oorspronk konnen thuis gewezen

[p. 69]origineel

worden; want bij een en ander is de th of d / alhier de sprekende Consonant welker voor- of agter-gevoegde Vocael zagt heen vloeit, zonder accent. Met deze bovengemelden komt overeen het F-TH, Brothe (Brosheid); Dugeth (Deugd); Bilethe / Bilidi / AL: Piladi (Beeld, voorbeeld); Erlosida / (liberatio, redemptio, bij ons Verlossing); Fride (Vrede); Suhti (Zuchte); Hitze (Hitte); Salida (beatitudo, Zaligheid); Gaverda (Gevaerte, Moles); als mede ons oude Wayride, Veritas, testimonium veritatis, (dat eenige malen in een Privilegie van onzen Graef Willem IV. van Ao. 1340 gevonden word, in het Dienstboek der Stad Leiden, uitgegeven Ao. 1602 door Jan van Hout, Secretaris); gelijk ook het Ysl: Frygd / (Vreugde, libido); Dygd / (Deugd, Virtus); en Digurd / (Dikte, Crassities), van 't Ysl: Digur, (Dik, Crassus); als mede het Alam: Ant-fangida / Ant-fenkidu (acceptio); enz.

Ten opzigte van den oorspronk van dit ons DE of TE, schijnt het met den eersten opslag, van wegen de gelijkheid der gedaente, als of die uit het Praeteritum der Gelykvloeyende VERBA ontleent zij geweest, even gelijk de Praeterita der Ongelykvloeyenden meest al in Substantiva verwandelt zijn: dog, nader ingezien zijnde, vervalt zulks, dewijl deze toegevoegde Uitgang zig ook laet zien bij de Spruitelingen van Ongelykvloeyende VERBA, als in 't M-G, Gabaurtha (bij ons Geboorte), van 't M-G, Gabairan / Gabar / Gabaurans / II. CL: 5, parere; en verder bij ons Stérfte van Stérven; Gifte van geven (oul: ook Given); dragt van dragen, en zoo meer anderen. 't Is derhalven waerschijnlijker dat het een oude terminatie zij, die op zig zelf geene andere beteekenis gehad hebbende, alleenlijk ingevoert is geweest, om zulke Substantiva toe te stellen, gelijk ze ook, vermits geen Koppelwoord makende, gantschelijk zagt en zonder accent over de tong loopt.

 

+Gemeenlijk verstrekt onze Uitgang EL, agter 't veranderde of onveranderde Worteldeel van een Verbum komende, tot aenwijzing van een Substantivum, en dat tweezints, als eerstelijk (1) in de beteekenis van een Middel of Werktuig van beweging; als Vleugel, H-D, Flügel / Ala, zijnde een Werktuig om te vliegen; Gordel, H-D, Gurtel Cungulum, van Gorden Cingere; Stegel, Fulcrum, Stapia, van Stygen Scandere; Sleutel Clavis, van Sluiten Claudere; Schoffel, H-D, Schauffel Pala, van Schuiven protrudere; Ketel Cacabus, H-D, Kessel / A-S, Cetil / Cetl / van 't verouderde Keten en Keeten, focillare, purgare, waer van nog overig is ons Zout-kete, zout-keete, Salina, ae, een plaets daer 't Zout gezuivert en opgekookt word; enz: of (2) ten andere in de beteekenis van een Onderwerp van beweging, of iet door beweging voortgebragt; als Zetel Sedile, van Zitten; Bundel, A-S, Bindel / Byndel, Fascis, sarcina, van Binden Ligare; Drémpel Limen, van 't verouderde Drémpen Calcare; Gruwel, Horror, Monstrum, van Gruwen horrere; enz.

[p. 70]origineel

+Dat deze Uitgang EL wel eer ook als Adjectivum gebruikt wierd, toonen eenige weinigen onzer Overblijfselen, onder welken zijn ons Kreupel, † Kropel Claudus; Schamel (Pudicus, & tr: Pauper, Verecundus); Kriegel, Krygel, Pertinax, Obstinatus, Iracundus, & Zelotypia motus; Euvel, evel, H-D, übel Malus; Enkel Solus; Luttel, Paululum, parvus; Adel, edel Nobilis; enz. Hoewel ons Kriegel, Kregel, M. Zelotypia, Euvel, N, Malum, en Adel, M, Nobilitas, elk ook als Substantivum in gebruik zijn.

Onder 't M-Gottisch is 'er deze Terminatie wel, dog zeer schaers; maer al zeer menigvuldig vind men haer onder 't A-Saxisch, en dat zo wel Adjectivè als Substantivè; als M-G, Gibla (Fastigium, bij ons Gevel); M-G, Katils (AEramentum, bij ons Ketel); M-G, Swibla / (Sulphur, bij ons Zwevel, zwavel); en M-G, Nethla / (Acus, bij ons Netel, urtica, en Naelde, H-D, Nadel / Acus); en in 't A-S, Bytle (Malleus, bij ons Beitel, Cuneus); A-S, Gafle / (Furca, Vectis, bij ons Gaffel); en A-S, Gafel tributum; Gaefol Hostia; Gyrdl / Girdl / Gerdele / (Cingulum; Zona, bij ons Gordel); Stigele Scala; Therscel flagellum; aethel Patria; enz: en Adjectivè A-S, aethel / (Nobilis, bij ons Edel), Gefol Gratiosus; Gifule Liberalis; Etol Edax; Hatol Odiosus; Lytel / (Parvus, modicus, bij ons Luttel ook F-TH & Alam: Luzzil / Luzilo / & Ysl: Littel); en A-S, Slapol Somnolentus, Spraecol Loquax; Thiccol Corpulentus; en zoo meer anderen.

Dewijl men nu dezen Uitgang al in 't M-G, vind, zo schijnt het dat hij voor een oud-eigen behoort gerekent te worden; dog evenwel, aengezien dit EL bij onze Bastaertwoorden, die uit een diergelijke Latijnsche terminatie, Elus, ulus, ula, ulum, of Olus & ilis, gesproten zijn, even eens komt, (als Engel Angelus; Duivel Diabolus; Nevel Nebula; Tafel Tabula; Témpel templum; Spiegel Speculum; Nobel Nobilis, enz:) zo komt van de andere zijde bedenkelijk voor, of het niet door de Monniken, met het uitbreiden van het Christendom, verder doorgedrongen en gemeenzamer gemaekt zij geweest, te meer om dat de Zin van ieder soort volkomentlijk op ons EL toepaslijk is, en in zagtheid van accent overeenkomt.

 

+Onze Masculine Uitgang op EM, (waer voor wel bij imkrimping agter L en R slegts M, in steê van EM, gebruikt word) is omtrent van dezelfde kragt als onze gemelde Uitgang op EL. Dus hebben we Adem, Spiritus, anhelitus, M-G, Ahma Spiritus; A-S, aethm Vapor, H-D, Athem Spiritus; waer van het A-S, aethmian / I. CL: exaestuare, en het H-D, Athemen / en ons Ademen, I. CL: Spirare: Dus ons Bezem, H-D, Besem / A-S, Bisme / Besem / Scopae; ons Bodem, H-D, Bodem / A-S, Botm Fundum; ons Boezem, A-S, Bosme / Bosm / Besma / Besm Sinus; gelijk ook F-TH, Buosum / H-D; Busen Sinus; ons Galm, H-D, Gell / Gellen Sonus resultans, van 't verouderde Gal; gelijk als nog Ysl: Giell Vocifero, in Praeter: Gall; 't welk, overgebragt zijnde in onze Dialect, was † Gil-

[p. 71]origineel

len, † gal (of † gol) † gegollen, II. CL: sonum edere vehementem, waer van het Ysl: Gala / I. CL: Vociferari, in Praet: Galade; en waer toe ook het A-S, Galan / Galian / I. CL: incantare, en A-S, Gale / Naectegale / & Nehtaegale / nichtgale Lucinia, bij ons Nachte-gael, als vroeg in de Morgenstond, en laet op den avond zingende; en van ouds wierd de Avond onder den Nagt betrokken, dat ook nog bij anderen Duitschen plaets heeft: en dus mede van 't Praeter: † Gal ons Galm; waer van ons Galmen, I. CL: Resonare, gelijk van 't oude Praes: komt ons Gillen, I. CL: H-D, Gellen / I. CL: Clamare, ut aures tinniant; even gelijk als van 't A-S, Cwellan / cwal / cwollen / II. CL: 3. Mori, komt het A-S, Cwealm / Cwaelm / ook Cwaele / Cwale / Mors. Dus vind wijders ons Stórm, A-S, Storm / Ysl: Stormur / H-D, Sturm / Rumor, Strepitus, tempestas, impetus, turba, nimbus, zijn oorspronk in Stor, het Zakelijke deel van ons Storen, I. CL: turbare; en van ons Stórm komt wederom Stórmen, I. CL: tumultuare, strepere, impressionem facere. Gelijk ook ons Walm, Wallem Vapor, van 't verouderde † Wéllen, † wal of † wol, † gewollen, II. CL: Ebullire, als ook A-S, Weallan / Weol of Woll / Weallen ebullire, III. CL: 4; en Ysl: Vell ebullio, in Praet: Vall; en van ons Walm komt ons Verbum Walmen, I. CL: Evaporare. Dus ook ons Bloem, bloeme flos, van Bloe, het Worteldeel van Bloeyen, oul: ook Bloeden florere, bij insmelting Bloen.

Tot deze Terminatie EM of M, is ook te betrekken het F-TH, Wahsmo incrementum, van 't F-TH, Wahsan / III. CL: 4. Crescere; waer mede zeer nae overeenkomt het M-G, Wahstm Statura, en A-S, Waestm / Westm / fructus, incrementum, Statura, waer van het A-S, Waestmian / I. CL: fructificare. Hoewel deze Uitgang EM of M, weinig gebruikt word, nogtans vertoont hij zig eenpariglijk onder al de oude Stammen, zo dat ik hem voor eene eigene en geen ontleende Terminatie schatte.

 

+Onze zagte Uitgang SEL, die bij ons Neutr: Gen: is, maekt de beteekenis, of van een Zaek door de beweging, die het Verbum uitdrukt, voortgebragt, als Baksel Coctura, Bereidsel apparatus; of van een Onderwerp of Werktuig van beweging, als Bindsel Ligamentum, en Deksel Operculum. Men vind hem, hoewel schaers, ook onder de Oudheid, als bij het M-G, Swumsl Natatorium, (dat zijn oorspronk heeft uit een veranderd Worteldeel van een Verbum, dat gelijkstammig is met ons Zwémmen, zwom, gezwommen, II. CL: natare,) en bij het F-TH, Dopisli Baptismum, bij ons Doopsel. En, dewijl ik geene Vreemdigheid of Bastaerdij in de gedaente van dezen onzen Uitgang bespeure, zo houde ik hem voor ons eigen; en mooglijk wel, gesproten uit onzen Uitgang EL, als Adjectivum Neutrum, dog Substantivè genomen zijnde, mits dat de S, die voor Genitivus dient, eerst agter 't woord gevoegt zij, en dus met den Uitgang EL tot eene Silbe smelte.

[p. 72]origineel

+Met den voorgaenden Uitgang SEL, komt genoegsaem in kragt overeen ons SEM; dog deze is altoos van 't Manlijke geslagt. Dus ons Bliksem fulmen, van 't oude Blikken fulgurare; ons Bloeisem, blóssem, bloesem flos, van Bloeyen florere; en Deégsem, dééssem fermentum, van ons Déég het oude Praet: van Dygen, II. CL intumescere; enz:. Dus mede het F-TH, Theismen / A-S, Thaesma fermentum; en 't A-S, Blosm / Blosma flos, afkomstig van 't A-S, Blowan / en F-TH, Bluoyan / florere.

Ten opzigte van den oorspronk zou ik het zelfde gissen, als wegens ons SEL, namelijk eene koppeling van den Uitgang EM, agter de S in Genitivo.

 

+Eene evendiergelijke geboorte kan men aen onzen Uitgang STE (bij inkrimping ST) toeschrijven, als bestaende uit S vooraen voor onze voorbeschrevene terminatie TE verbonden zijnde; gelijk ook de Zin en 't Geslagt overeenkomt, beiden naemlijk Foeminin. Dus ons Konste, Ars, potentia, van Konnen, kunnen Posse; Komste van komen; Gunste van gunnen; Dienste van Dienen; enz. In 't Hoogduitsch heeft men dezelfde ST / als H-D, Kunst Ars, Gunst favor, Dienst officium, Winst Lucrum, enz:, dog ook wel daer voor hunne FT / als H-D, Zukunft / bij ons Toekomste; dus mede verder met ST / het F-TH, Cuomst Adventus; en 't H-D, Brunst Ardor, gelijk mede M-G, Allbrunst holocauma, van 't M-G, Brinnan / Brann (in Subj: Brunnau)/ Brunnans / II. CL: Urere, exaestuare: Zoo dat ook deze Uitgang, hoewel schaers, al in 't Oude gevonden word, Dog ten opzigte van 't geslagte van ons woord Dienst valt te berigten, dat het gewoonlijk Masculin gebruik word, 't gene aen een Verloop toe te schrijven is.

 

+Ons SE (bij inkorting S) dat een Foeminine Terminatie is, en een Onderwerp of Werktuig van beweging, en overdragtelijk ook een Werkster aenduid, word in 't Hoogduitsch beantwoord met sz. Dus bij ons Slondse, slonds, en slétse, sléts, Linteum tritum, & tr: Ambubaia, Mulier inculta vestibus tritis), afkomstig van ons Slond, en sleet, slete (bij inkrimpinge Slét) zijnde de Praeterita van ons Slinden, II. CL: en Slyten, II. CL: beteekenende beiden, Terere, scindere, &c. Dus ook in 't H-D, Schlisz / fissura, rima, van 't H-D, Schleissen / II. deterere: Dus mede ons Splitse, van Splyten, II. CL: gelijk ook ons Méésterse magistra, van Mééster Magister, en zoo voort.

 

+Wel eer heeft men ook onder ons tot een zagten Uitgang gebruikt, zo wel voor Adjectivum als Substantivum, ons UWE (bij inkrimping UW of WE of VE of bij verscherping F);. waer van nog eenige Woorden onder ons overig zijn: als, ons Geluwe, geeluwe morbus icte-

[p. 73]origineel

rus, ook eertijds Geluwe luteus, en A-S, Geolewe / Geluwe / Geolu flavus; als mede A-S, Meolowe / Melew / Meluwe / (farina, bij ons Meel), en bij ons ook Meluwe, Milwe Acarus, zijnde een Wormtje dat het hout vermolsemt en als tot Meel maekt: Dus ook ons Murw, morw Morbidus, mitis, mollis, gelijkstammig met het verouderde Murren, mirren Mordere, gelijk ook in 't Ysl: Mir Mordeo, in Praeter: Murde. Tot het Worteldeel van 't zelfde Verbum behoort ons Murve, murf, morf, Os cum maxillis, gelijk daer van weder ons oude Morfen, I. CL: en Morfelen, I. CL: remandere, ruminare instar caprae. Wijders ons Scheluw, Obliquus, perversus, à recto differens, en Scheluwe, schelwe Strabo, van ons Verbum Schelen differre; als mede Schélve, schélf, Cortex, putamen, van 't zelfde Verbum, of anders van 't Worteldeel van Schellen, schillen, I. CL: decorticare, deglubere, stringere, radere. Dus mede ons Schaduwe, oulinks ook †' Schade (zie Kiliaen) gelijk mede F-TH, Scada / Umbra, (Willer: p: 24, 68), en A-S, Scade / Scadu / & Scaduwe Umbra, afkomstig van het oude Schaden, nu Scheiden; gelijk ook A-S, Scadan distinguere: Want door de Schaduwe worden de Dingen voor 't Gezicht onderscheiden. En zoo meer anderen.

De Zin van dezen Uitgang is dezelfde als onze terminatie E; dus zeit het Adjectivum Geele, geel en 't oude Geluwe, geeluwe het zelfde; zoo mede Schele en scheluwe; en voor 't Substant: Murf, morf, morve Os cum maxillis, wierd ook eertijds Morre, mor (zie Kiliaen) in den zelfden zin gebruikt: gelijk ook het A-S, Meluwe & Mele farina, het zelfde als ons Meel, en 't A-S, Smerwe / Smere / Adeps, pinguedo, het zelfde als ons Smeer beteekent.

De gedaente van dezen Uitgang WE behoort bijzonderlijk tot onzen Duitschen Stam, vermits de W hem bijzonderlijk eigen is, zo dat men geen onegten oorspronk daer van behoeft te verdenken.

 

+Onze algemeene Verklein- of Vlei-terminatie is in 't Hollands TJE, als Stééntje, of, agter Medeklinkers daer de T ons te zwaermoedig zou klinken, slegts JE, als Schaepje, enz: dog bij den Brabander, en meer andere Provincien, KEN, als Stéénken, Schaepken, of, zo de voorgaende Consonant een K of G ware, word tot duidelijkheid en om 't welklinken de S tusschen beiden gevoegt, als Doeksken, jongsken, in steê van ons Doekje, jongetje, enz. Met dit KEN, komt het H-D, Chen / overeen; als H-D, Hundchen Caniculus.

Maer ook nog een ander vrindelijk Diminutivum is bij de Hoogduitsers gemeen, namelijk Lein / dus 't H-D, Mundlein / van Mund / Os, oris, waer voor wij ook eertijds LYN gebruikten als bij ons Maegdelyn van Maegd, virgo, puella. Van dit soort heeft men in 't Frankduitsch al Voorbeelden, als F-TH, Zwei Tubielin duos pullos columbarum, twee jonge of kleene Duiven, (Tat: p: 21.), Gerbilinon fasciculis, (Tat: p: 135.), Kindilin Filioli, (Tat: p: 149), en Boumelin / Arbusculus, (Willer: p: 74).

Ten opzigte van den oorspronk van ons KEN, zo vind men in 't Voca-

[p. 74]origineel

bular: Anglo-Saxonicum Thom: Bensonis, Kon Diminutivorum terminatio. Maer men heeft ook in 't A-S, Cyn / Cin / Genus, propago, en de C is de eigentlijk gewoone Letter in 't Angel-Saxisch dog niet de K; zo dat dit Kyn of Cyn in de A-S, en KEN in onze, en Chen in de Hoogd: Dialect, zo veel als iet van zulk geslagt zou beteekenen konnen.

Maer met ons TJE staen we alleenig in het veld, zonder makkers: ik zou gissen dat het uit een Vlei-klank en een vriendelijke Nabootsing van een geluid, dat bij jonge kindertjes en praet-kleutertjes gemeen is, gesproten zij: en 't zelfde zou men ook wel konnen gissen van ons KEN, dat aen dien Vlei-klank even nae komt.

 

+De S, agter deze Uitgangen maekt hen tot Adverbia; als Zoetjes, kleintjes, zagtkens, enz. Mits dat TJE en KEN agter Adjectiva geschikt staen.

 

+Onder de Zagtstaertigen hebben wij nog tweederhande Uitgangen, om een Bijnaemlijken of Adjectivalen Zin aen een Woord te geven; naemlijk, (1) ISCH of ISCHE (bij inkrimping SCHE of SCH, en, na 't gemak van de uitspraek, in Spreek- en Lees-tael slegts SE of S), als Gróótsch of gróóts, Magnificus, superbus, van Gróót Magnus; Aerdsch terrenus, van Aerd terra. Bij oude Landvolksche Namen is dit ISCH nog gemeen, als Gallisch, Wallisch, Brittannisch, Keltisch, enz: voornamelijk om dat de Landnaem op IE uitgaet, als Gallië, enz. In 't Moeso-Gottisch heeft men ook Haithja Ager, en Haithiwisk Agrestis; en in 't A-S, Waeterisc aqueus: van welken aerd ook is ons Verouderde, en van Adject: in Subst: veranderde Ménnische, ménnisch, nu Ménsche of Ménsch of Méns, olim Humanus, nunc transl: Homo; gelijk mede in 't A-S, Mennisc / Homo, & Humanus, en F-TH, ther Mennisko Homo, (Willer: p: 141. 144, & 155), zijnde ontleent van het oude Mann / Menn / Homo, Homines: en dat Man of Mén, zo wel voor Vrouw, als Mans-persoon eertijds gold, leert ons het A-S, Wif-man & Wif-manna / foemina, Uxor, als of het ware Wyf-ménsch; en 't A-S, Maeden-man Virgo, als of 't ware Maegde-ménsch, als mede 't A-S, Wif-hades-man foemina; enz. (2) De tweede terminatie, daer we op zien, is IG of IGE, als bij Menig, ménnig Multi, van het bovengenoemde Mén; en bij Doornig Spinosus, van Doorn Spina: dus mede ons Genadig benignus, F-TH, Ginathig Gratiosus, van Genade, F-TH, Ginatha gratia; ons Waerdig, F-TH, Wurdig dignus, van Waerd dignus; en wijders ons Schuldig, A-S, Scyldig Reus; ons Eenig, A-S, aenig ullus; ons Zalig, A-S, Gesaelig felix; enz. Beiden zijn ze ook in 't Hoogduitsch; als 't H-D, Wurdig Dignus, van Würde dignitas; en H-D, Herrisch / Superbus, elatus, van Herr Dominus; enz. Beiden hebben ze ook eenerleije kragt, als beschrijvende 't Hebben van de eigenschap der dingen.

Tot den Oorspronk van ISCH heb ik tot nog toe geen Wortelwoord na mijn Zin konnen begissen, en IG zou ik voor 't naeste vermoeden, dat uit

[p. 75]origineel

het oude M-G, Aigan / F-TH, eigan / Ki: & Ysl: eiga / A-S, aegan / agan / Habere, zal ontleent geweest zijn, 't zij bij verloop van EIG in IG, 't zij uit een verloren tak, daer de I in steê van EI plaets had, vermits deze Verba onder de Verloopene Classes behooren; even gelijk ook de H-D, en A-S, terminatie Icht / voor 't A-S, echt en ons ACHT (in de termin: ACHTIG), die mede tot den Stam van Eigan toepaslijk zijn, reeds de I voor EI voeren; als 't H-D, Adericht & Aderig Venosus, van 't H-D, Ader Vena; en Bergicht Montosus, van Berg Mons; waer voor ook in 't A-Saxisch komt Eht & Iht; als A-S, Flesceht / Carneus, carnosus, van 't A-S, Flesc Caro; en 't A-S, Haeriht Crinosus, van 't A-S, Haer Crines. Dog van deze Icht & Eht / vermits, mijns agtens, allernetst onze ACHT of ACHTIG beantwoordende, zullen we hier nae onder de Onzagt-staertigen breeder spreken.

 

+Maer onder alle de zagte Uitgangen is 'er geen ons gemeenzamer dan EN. Men heeft hem bij ons als Substantivum, als Adjectivum, en als Adverbium, Praepos: & Conjunctio: behalven dat hij in 't Declineren & Conjugeren veel te pas komt, daer we hier nu niet op zien.

I.Als Substant:, vermits alle onze Infinitivi tot Subst: Neutra kunnen overgaen, en zoodanig in gebruik zijn: dus van Loopen Currere, maekt men Het loopen; hebbende omtrent dezelfde beteekenis als onze Substant: met INGE agter, of met GE voor het Worteldeel van het Verbum, als Loopinge, en Gelóóp; alleenlijk met dat onderscheid, dat die met INGE meerder een tegenwoordige dadelijkheid, die met GE een onbepaelder tijd en menigvuldiger werking, en die met EN een geduerzamer werking verbeelden; als Loopinge, Cursus, cursitatio, Het loopen Cursitatio quodammodo continuans, en Het gelóóp Cursitatio aliquatenus frequens, enz, Wijders als dit EN gelascht word agter Nomina die reets een zagten staert (als EL, EM, EN, ER of IG) agter zig hebben, zo spruiten daer uit de zagte dubbelstaertigen, ELEN, EMEN, ENEN, EREN, en IGEN; in welken gevalle dit zagte EREN, (als bij Hinderen) wel moet onderscheiden worden van onze Klem-Staertige Bastaerd-terminatie èren, als bij Bravèren, enz.
II.Als Substant:, ons EN, (bij inkortinge N, of bij omkeeringe NE) agter eenigen onzer Nomina; als Veulen Pullus equinus, M-G, Fula pullus asinae, A-S, Fola / Fole Pullus equinus; ons Meulen, molen Mola, A-S, Mylen Molendinum, & A-S, Myll Mola; ons Varken Porcus; ons Wagen Currus, A-S, Waegen / Currus, plaustrum; ons Koorn, koren Frumentum, A-S, Corn Granum; ons Kérne, kérn, korne, korn, A-S, Cyrnl / Consl Nucleus; ons Karne, AS, Cyrn Sinum; ons Hoorne, horen, M-G, Haurn / A-S, Horn / Hyrn / AL: Dan: Angl: & H-D, Horn / Ysl: Hosn Cornu; ons Doren, doorne, M-G, Thaurnus / A-S, Thorn / Thyrn / H-D, Dorn / Ysl: Thorn / Spina, fibula dumis; ons Torne, tarne, térne Scissura, van 't onde Teren, tar, getoren, gelijk ook A-S, Tae-
[p. 76]origineel
ran of teran / Tar of Taer / Toren of getoren / II. CL: 5. lacerare, rumpere, als mede M-G, Tairan / II. CL: 6. rumpere; en van 't onze komt wederom ons Verbum Tarnen, Tornen, I. CL: disrumpere; zoo vind men ook verder in 't A-S, Carcern Carcer, Ge-staenc-ne odoratus, enz. Dat nu deze soort, hoewel oud van geboorte, wel eer ontleent zij geweest van de volgende Adject: Terminatie EN, is bij mij zeer bedenkelijk; gelijk ook ons Molen een werktuig beteekent, dat tot Malen (oul: III. CL. in Praet: Mool of Moel of Meul, en nu nog in Partic: Gemalen) behoort, en ons Wagen, een werktuig, dat tot Wegen, bewegen, (II. CL: oul: in Praeter: Wag) behoort.
III.Als Adjectivum; om den Aerd en de stoflijkheid aen te wijzen, in gelijke beteekenis als ons VAN; dus wil ons Aerden, aerdene, Terreus, het zelfde als ons Van Aerde. Met dezen Uitgang komt gelijkvormig het M-G, Thaurneins Spineus, F-TH, Thornine (Willer: p: 55) A-S, Thyrnen / bij ons Doornen; en 't A-S, Glaesen Vitreus, H-D, Gläsern / bij ons Glazen, glazene; en 't A-S, Golden / gylden aureus, F-TH, Guldine / (Will: p: 50, 102, 103) bij ons Guldene, goudene, H-D, Guldne; en 't M-G, Eisarneins ferreus, bij ons Yzeren, H-D, Eisern / afkomstig van ons Yzer, H-D, Eiser / A-S, Isern / Isen / M-G, Eisarn ferrum; en 't F-TH, Beinine Osseus, (Willer: p: 103), H-D, Beinern / bij ons Beenene; en 't F-TH, Marmorine (Will: p: 103, Marmoreus), bij ons Marmeren', en 't F-TH, Silberine argenteus, (Will: p: 51 en 157), A-S, Seolfren / bij ons Zilveren', van ons Zilver argentum, M-G, Silubr / F-TH, Silbar / Silber / A-S, Seolfer; en zoo meer anderen. Deze onze Terminatie EN of NE word thans veeltijds agterwege gelaten, voornaemlijk bij Woorden, die reets een zagten staert hadden, als Yzére voor Yzeren', en Zilvere voor Zilveren', enz.
Wijders als Adjectivum zou men ook hier onder wel kunnen betrekken onze Praeter: Partic: op EN, dewijle die mede voor Adjectiva's dienen.
IV.Als Adverbium, Praepositio, & Conjunctio komt dit ons EN bij niet weinige woorden; dus ons Te zamen unò, F-TH, Zi samane / (Tat: p: 15); ons Van boven, van bovene de sursum, F-TH, Fon Obana / (Tat: p: 52); ons Tegen en jegen contra, F-TH, In jegin / (Tat: p: 98 en 99); ons Ondertusschen interim, F-TH, Untar-zuisgen ad invicem, (Tat: p: 97); ons Binnen intus, F-TH, Innan; ons Van Verren' de longè, F-TH, Ferranu / A-S, Feorrene: Voeg hier bij ons Gaeren, gaerne, géérne Libenter, van Geeren Cupere; enz. Agter dit ons EN word dikwijls de algemeene S gevoegt, zonder Zinverandering; als Tegen en tegens contra; Van wegen, en wegens, propter, in nomine; Beneven en benevens, benéffens, Cum, juxta; enz.
Eertijds diende deze Uitgang EN ook bij ons om de Adjectiv:, met LYK agter zig, tot Adverb: te maken, dat nu, buiten gebruik is; dus
[p. 77]origineel
eertijds Deugdelyken, daer na Deugdelyke, nu Deugdelyk virtuosè, enz. In 't A-Saxisch had men hier voor Lice / in 't F-TH, Licho / Liche; als A-S, Rihtlice Rectè, Gesaeliglice feliciter; F-TH, Gerlicho / erlicho / erliche honestè; enz. Dog zulke Adverbia zijn niet anders als Adjectiva, die men in steê van Adverbia's gebruikt.

In alle deze voorgemelde gevallen komt de kragt en dienst van de Terminatie EN omtrent over een met den Zin van ons VAN bij de Genitivi 't Is geen wonder dan dat onze Oude Voorouderen dezen Uitgang EN, mede voor een gemeene verbuiging van den Genitivus gebruikt gehad hebben, zo wel bij 't Mascul: als Foeminin; waer van nog overblijfsels zijn, Des Heeren, (S.S. Domini), en Onzer L. Vrouwen, B. Virginis Mariae. En, zoo men de reden zoekt van ons EN, om den Nomin: Plur: aen te wijzen, men zal mooglijk geene nader oorzaek als dit EN, in de beteekenis van VAN, daer voor konnen opspeuren; zulks dat door dit EN zo veel zou aengeduid worden als Velen of meer dan een van dat soort; gelijk met het zelfde regt ook de Latijnen doorgaends haren Nomin: Plur: gelijkvormig hebben aen hun-Genitiv: Sing:. En, immers vind men mede bij de Franschen in gelijke beteekenis haer en (dat ze van de Oude-Franken behouden hebben); waer voor wij Daer van of 'er van gebruiken, als je n'en ai rien, Ik heb daer van niets, enz.

 

+De Terminatie van ons Participium Praesens in ENDE, zou onder deze soorten van Uitgang niet behooren, was het niet, dat deze Participia's mede voor Adjectiva gebruikt wierden; en bij overdragt, ook wel eer als Subst: met agterlating van E.

Als Adjectiva zijn ze al te bekent, om voorbeelden van nooden te hebben; dog als Subst: en dat somtijds in de beteekenis van ons ER, hebben we daer van nog eenige overblijfsels; hoewel die doorgaends deze terminatie op den M-Gottischen en ouden F-T huitschen trant voeren, naemlijk AND en OND voor END; 't welk, vermits de Zagtheid van dezen uitgang, niet dan een zeer klein Dialect-verschil maekt, dog met eenen ook aenwijst, dat onzer Voorvaderen Dialect eertijds nader aen de Oud-vermaegschapte Talen quam dan nu. Deze overblijfselen zijn, ons Vyand, M-G, Fiand / Fijands / AL: & F-TH, Fiant / Viende / A-S, Fond / Fynd / H-D, Feind / Kimbr: Fiand / Ysl: Fiande / Dan: Fiende / Hostis, inimicus; zijnde allen uit het Part: Praes: van het M-G, Fijan / F-TH, & AL: Fien / A-S, Feogan / Fean / Fian / en ons Oude Vyen, vyden, odio habere. Ten andere ons Heiland, F-TH, Heilant / A-S, Hoelend / H-D, Heiland Salvator, van ons Heelen, heilen, F-TH, & AL: & H-D, Heilen / A-S, Haelan / M-G, Hailjan / gahailjan / Curare, ad sanitatem redigere: Als mede ons Avond, Avend, F-TH, Abant / H-D, Abend Vesper; van ons verouderde Aven, desicere, abire, als 't vertrek en afwezen van den dag willende aenduiden; gelijk ook het A-S, aesen / aeven / en 't Ysl: Afstan Vesper, uit een zelfde Worteldeel gesproten zijn, met gelijke beteekenis zulks dat de terminatie en of an / aldaer 't zelfde doet en doen kan als ons ENDE. Wijders ons Uchtend, ochtend

[p. 78]origineel

tempus matutinum, dog in 't M-G, Uhtwo / & A-S, Uhtu tid & Uht. In 't M-G, Ogan / in Praet: Ohta & Uhta metuere, ligt een gelijkheid van gedaente, dog met eenen ook een Zin, die leerzaem is; want, zo dit Verbum den oorspronk vervat, dan zou ons Ochtend, den tijd van de Morgensche Bede-ure, en betamelijke Oeffening van Godsdienst en Godvreezendheid verbeelden. Onder de Oudheid, als in t A-S, kan men meer voorbeelden van deze terminatie END bijbrengen, als, A-S, Riddend & Ridda Eques, Weldonde benefactor, Sceppend Conditor, Demende Judex, Daelend & Daelere divisor, enz.

 

+Als men deze Terminatie END met eene agtervoeging van S, in de gedaente van een Genitivus maekt, spruit ook daer uit een Adverbium of Praepos:, als Al willends, A-S, Willes Volens; Volgends secundùm; 's Ochtends Manè; enz. Gemeenlijk word in de uitspraek, en zelf ook wel in 't schrijven, de D hier overgeslagen; als Willens, Volgens, enz.

 

+Ons TIEN (voor Tigen, Tiën) als mede ons TIG, dienen agter de Telwoorden, om een voltrokkene Telbeurt of Verhael aen te wijzen: want de eerste TIEN is een Telrye daer men weder op begint, ende telling hervat; en zo mede de tweede TIEN, waer voor we Twintig zeggen, en voor de derde TIEN, Dértig; blijvende de terminatie van TIEN tusschen de 12 en 20 in, en die van TIG van de 20 tot 100 toe. Den oorspronk van TIEN en TIG reken ik beiden van ons TYGEN, TYEN, II. CL: (tendere, trahere, & olim narrare); gelijk ook in 't M-G, Teihan / Gateihan / II. CL: I. Narrare, H-D, Zeihen / II. CL: 1. F-TH, Zihan / Zichan / II. CL: 1. Trahere; waer toe dan ook het M-G, Taihun / Ysl: Tyu / F-TH, en H-D, Zehen / A-S, Tyn / Kimbr: Ti of Tiu / Decem; als mede het M-G, Thrinstig / Trijatig / A-S, Thrittig / F-TH, Trizug, H-D, Dreissig / bij ons Dertig, oul: Drytig Triginta, enz.

Ondertussen schijnt het mij opmerking waerdig te zijn, dat we, terwijl we in alle onze tellingen zo dra we de TIG agter aen krijgen, namelijk van 20 af, die blijven behouden tot aen 100 toe, nogtans de 11 en 12 met de terminatie LF, als (Elf voor één-en-tien, twaelf voor twee-en-tien) nemen, niettegenstaende wij de agterzetting van den Uitgang TIEN, van Dér tien enz: tot Negentien daer onder, vervolgen. Dog tot oplossinge hier van, zullen we eerstelijk den Uitgang LF, overwegen; en dan de Gevoeglijkheid van deszelfs dienst. Dit LF, bij Elf Undecim, en Twaelf duodecim, komt voor LIF, of LEF, als één-lif, en Twée- of twae-lif, gelijk ook Alam: Ein-lif / A-S, End-leof / Ysl: Ellefu, undecim, en M-G, Twalib / Twa-lif, A-S, Twelf / F-TH, & Alam: Zue-lif duodecim, bij ons ook wel eer Twéélf en twélf (zie Kiliaen). Dit LIF of LEF nu is af komstig van ons oude Lyven, Be-lyven, nu Blyven II. CL:, restare, manere, superesse, gelijk ook A-S, Lifan / Be-lifan / III. CL: 1. manere. Dus beteekent dan ons EEN-LIF of ELF, eigentlijk één overig naemlijk één boven het elk bekende Tiental, en ons Twéé-lif, twae-lif of twaelf, twee boven het

[p. 79]origineel

Tiental, zo dat ook hier in de Rye van Telling daer we hier boven van zeiden, ten eenemael bevestigt word; blijkende met eenen, dat eertijds ook Twae voor Twéé bij ons in gebruik is geweest, gelijk mede in 't M-G, Twa / en A-S, Twa & Twegen duo. Dog, ten opzigte van de Gevoeglijkheid van dienst, kan ik twee redenen uitdenken. Ik: Om dat de Tellingen met TIEN agter aen niet gewoon zijn het Koppelwoordtje EN tusschen in te laten, gelijk die met TIG; dus zeit men Dértien of oul: Drytien, en Véértien of ook oul: Viertien, dog niet Dry-en-tien / Dier-en-tien / terwijlmen nogtans zeit Dry-en-twintig, Vier-en-twintig, enz: maer nooit Dry-twintig / enz. En op dien voet zou men dan, voor ons één en twéé boven de tien, moeten gezeid hebben Een-tien / en Twee-tien / dat ligtelijk voor Eenmael- en tweemael-tien zou genomen, en daer uit verwarring gesproten geweest zijn: welke zwarigheid door de terminatie LIF, LEF, of LF verhoed is. (2). Ten tweede, om dat geen een onder alle de Telryen gemaklijker deeling en vermenig-vuldiging heeft dan het Tien- en Twaelf-tal: van ouds gebruikte men zeer veel dat van 12, om 't gerief van gemeenschap, als zijnde 't eerste getal, dat zig op zo verscheidene wijzen laet deelen; (want in de 12 mag de 2, de 3, de 4, en de 6; en geen van de lager getallen heeft meer dan tweederleije deelers), waer van nu nog overig is de Dozyn-telling van zo velerhande kleene Koopmanschappen: en aldus wierd dan met dit éen-lif (nu bij insmelting élf), en met dit Tweelif of Twalif (nu Twaelf), deze Dozijntelling voltrokken, en onderscheiden gehouden van de verdere Telling, die met agtervoeging van Tien vervolgde, als Dértien, véértien enz. Dat wijders, op het voltrekken van ons tweede Tiental, in steê van TIEN, eene andere gelijkwaerdige agtervoeging' TIG, bij onze Voorouderen genomen is geweest, had ook zijne nuttigheid; want hadden ze Twee-tien voor Twintig en Drie-tien voor Dertig enz: gezeit, men zou ligtelijk in 't onderscheid van 12 en 20, van 13 en 30 enz: zig verzonnen, en stoffe van verschil gekregen hebben; 't gene nu door dit TIG is voorgekomen. Zie verder ook wegens den naem van Honderd onze volgende bedenking bij de terminatie Hande.

Dus verre van de Zagtvloeijende Terminatien van Afleiding.

 

+Onze Onzagt-Staertige of Zagt-klemmende Aflei-terminatien zijn, ons AER, ons AERD (of AERT of ERD of ERT) ons DOM; HEID, INGE (of ING), NISSE (of NIS), LING en LINGS, SCHAP, ACHTIG en HAFTIG, BAER, LYK (of LIK), en ZAEM (of SAEM), HANDE en LEY, LOOS, HALVEN, WEGEN, WILLE, VOL, ZAL (of ZAEL), FEST (of VEST), en TIER. Dit soort, dat eenigen nadruk, hoewel iets minder dan 't Zakelijke lasch-woord ontfangt (als bij Drinkbaer, enz:), staet eenigermate met de Koppelwoorden gelijk, aengezien ook dezen uit een Worteldeel van eenige beteekenis op zig zelf ontleent zijn, schoon van sommigen van die de ware Wortel onbekent, of verloren zij, of onder 't Stof van de Oudheid begraven ligge; dog ze verschillen daer in van de Koppelwoorden, dat de Toelassing bij die gewoonlijk vooraen geschied, en meerder klem dan 't Zakelijke Deel zelf geniet, om dat aldaer de Kragt van Zin-onderscheiding op het voorgevoegde Deel nederkomt, als bij Régtbank, enz.

[p. 80]origineel

+Onzen Uitgang AER, (als bij Leeraer, en Makelaer van Makelen, F-TH, Mahelan / Mahalan / I. CL:, Conciliare, conjungere, Lessenaer, schuldenaer, enz:), die een Bedrijver, of overdragtelijk een Werktuig van Dienst beduid, mag men wel, dunkt mij, voor het zelfde aenzien, als onze zagte Terminatie ER, vermits de gelijkheid van zin, hoewel ze in nadruk verschillen: te meer, om dat men in 't F-T Huytsch zo wel Ari & Ar / als eri / ere en er / in steê van ons ER vind, als F-TH, Lerari / bij ons Leeraer; en F-TH, Doperi & Tousar / bij ons Dooper; enz: gelijk mede in 't Ysl: Bakare / bij ons Bakker; Skrifare / bij ons Schryver; en Ysl: Bruggare / bij ons Brouwer, enz. Want zoo het F-TH, Ari of Ar / en 't Ysl: Are / tegen ons ER, en niet tevens tegen ons AER te stellen was, zo stonden we met dit laetste zonder Makkers, en zonder voorbeelden van Oudheid; zulks dat het jong van geboorte zou zijn, 't gene niet te denken is, vermits onder ons van dit jong geen' bijzondere Wortel berust, om zulk een Uitspruitsel op te leveren. 't Is wel waer dat de accent tusschen AER en ER eenigsints verschilt, dog het schijnt mij toe, dat AER, de oudste geweest zijnde, door verloop van tijd en algemeene bekentheid van zin, wat korter over de tong heeft gerolt, en in de zagte ER verwisselt is geweest; even als ons LYK in LIK, en ons AERD of AERT in ERT.

 

+Ons AERD of AERT, als bij Dronk-aert (of bij inkrimping' en verzagting' ERD of ERT als Dronkert, in welken gevalle het zonder klem komt en zagtstaertig word) verstrekt, om den Land-aert, of gewoonte, of heerschende eigenschap van ijmand te verbeelden; en vind zijnen oorspronk, kragt en gedaente ten volle in ons AERD of AERT, Genus, natura, indoles. Dus Lui-aerd, Gryz-aerd (of Gryzerd), Bast-aerd (of Basterd), Spanjaerd (of Spanjerd), enz.

Bij onze Taelverwanten is het geene gewoonte dit woord tot een Terminatie te gebruiken, maer in steê van dat den Uitgang ER, als H-D, Trincker / Sauffer Potator, in plaetse van ons Dronkaerd; terwijle ons Drinker potor, zeer fraei van dat in Zin onderscheiden word; als beteekenende dit laetste slegts, ijmand die dadelijk drinkt, en dat eerste, ijmand die zijn gewoonte maekt van zig dronken te drinken zulks dat zelf op dien tijd, wanneer hij niet metter daed en drinkt, die naem egter op hem toepasselijk is, uit hoofde van zijn' Aert en gewoonte.

 

+Onze Uitgang in DOM vind men dat plaets heeft gehad sedert het invoeren van het Kristendom, niet alleen bij Ons, maer ook in 't F-THuitsch, A-Saxisch, en H-Duitsch, als F-TH, Wisduom & Wistuom Sapientia, Jungarduom Status discipuli ad Magistrum, & juventus, Herduom Principes, Rihtduom Imperium; Gewasduom Statura, bij ons Wasdom, enz: A-S, Bisceopdome Munus Episcopale, bij ons Bischopdom; Cyndome of Cyningdom re-

[p. 81]origineel

gnum; Wisdom prudentia; aegenedom liberum arbitrium, Freodom / Libertas, bij ons Vrydom, Haligdom Sanctimonia, bij ons Heiligdom; enz. en H-D, Eigenthumb Proprium Dominium, bij ons Eigendom; Magdthum virginitas, bij ons Maegdom; Reichtum Divitiae, bij ons Rykdom; Bischthum / bij ons Bis-dom Episcopatus; enz.

Tweederhande soort is 'er van dezen; de zulken naemlijk die den Staet, Magt, of Gesteltheid verbeelden, welken bij ons van 't Manlijke Geslagt zijn, als De eigendom, vrydom, ouderdom, wasdom, weedom, maegdom, rykdom, enz. en ten tweede zulken die een Ampt of Gemeenschap of Staet van bestiering beteekenen, als Het Christendom, Jodendom, Heidendom, Ménschdom, Heiligdom, Pausdom, Bischopdom, Priesterdom, Vórstendom, Hertógdom, enz: welken bij ons Neutra zijn, als afkomstig van 't Latijnsche Dominium; terwijle ik de eerste soort van ons oude DOM, DOEM af komstig reken, dat Masc: Gen: is, en een Magt van Oordeel beteekent, waer van ons Doemen, I. CL: olim Judicare, nunc Damnare; gelijk ook A-S, Dom / Dome / M. Judicium, sententia, finis, examen.

 

+Ons HEID of HEYD (eertijds ook HEDE, waer van in Plur: en in Casu Obliquo nog HEDEN en HEDE) dat agter de Adjectiva's en Praeter: Partic: gevoegt word, om den Zin van haer Lasch-woord tot een denkbeeldelijke of figuerlijke Persoon, en om alzoo het Hoedanige tot een Hoedanigheid over te brengen, heb ik niet ouder in gebruik gevonden als onder het F-THuitsch en A-Saksisch: want onder 't M-Gottisch, nogte onder 't oude Kimbrisch of hedendaegsche Yslandsch vertoonde het zig niet. Dus A-S, Wis-had Sexus Muliebris; Knigthade Pueritia; en A-S, Maegt-haden / Maeden-had / F-TH, Magath-heiti Virginitas; F-TH, Scon-heit / Pulcritudo, bij ons Schóónheid; F-TH, Iugut-hedi Juventus; en H-D, Argheit / Nequitia, bij ons Argheid; H-D, Arglistigkeit / Astutia, bij ons Arglistigheid; en H-D, Hoghheit / Celsitudo, bij ons Hóógheid, enz. Zo dat in 't A-S, komt Had, Hade / in 't F-TH, Heiti / Heit / & Hedi; en in 't H-D, Heit & Keit.

Dit ons HEID of HEDE heeft wel eer op zig zelf een beteekenis gehad, gelijk ons leeren kan het A-S, Had / Hade / Sexus, persona, qualitas, en 't A-S, Hadian ordinare & consecrare; als mede het F-TH, Heid / Heit Persona; dus heeft men in 't Fragm: Isid: Hispal: agter Tat: p: 251. Zwene dhero Heido (Twee der Personen), en Dher Dhritto Heit (De derde Persoon), in welke soort van beteekenis de figuerlijke kragt van ons HEID begrepen ligt. Het A-S, Had / wierd zelf ook in vooraenzetting gebruikt, als A-S, Had-brera, Sacrorum ordinum, sc: Personalitatum, Violator.

Deze Uitgang is altoos bij Ons en de andere Vermaegschapten van 't Vrouwelijke Geslagt; en als hij agter de Praeter: Part: van de Ongelykvl: VERBA komt, begeert hij Euphonicè de T tusschen beiden, als Gelegentheid, genegentheid, enz.

 

+Onder de allergemeenzaemsten onzer Uitgangen behoort ons INGE (bij in-

[p. 82]origineel

kort: ING) dat, agter het Worteldeel der Verba gevoegt zijnde, een Substant: Foemininum uitmaekt, om de dadelijke Werking te verbeelden; als Doeninge, doening Actio, van Doen agere. Zoo mede in 't F-TH, Ilung / bij ons Ylinge, festinatio, van 't F-TH, Ilan festinare; en F-TH, Heilizung salutatio, van 't F-TH, Heilizan Salutare; enz: en in 't A-Saxisch heeft men Unge & Ung & Ing als A-S, Wilnunge desiderium, van 't A-S, Wilnian desiderare; A-S, Ceaping & Ceapung Emptio, van 't A-S, Ceapan emere; A-S, For-gaeging transgressio, van 't A-S, For-gaegean praeterire; A-S, Inwununge inhabitatio, van 't A-S, Inwunian inhabitare; enz. En, in 't Hoogd: komt de Ung zoo gemeen als bij ons de ING; dus in 't H-D, Belohnung Merces, bij ons Belooning; enz.

Van ouder tijd dan 't A-Saksisch en F-THuitsch ken ik geene voorbeelden of medegetuigen van dezen uitgang. Bij 't M-Gottisch, en 't Oude Kimbrisch, nogte ook in de Grammatica van het tegenwoordige Yslandsch laet hij zig niet zien. In het Engelsch gaet het Participium Praesens Adjectiv: op Ing in steê van ENDE, dat bij ons en anderen van Duitsch een Kimbrische afkomst zig vertoont; als Eng: Loving bij ons Lievende in 't H-D, Liebende. Dog voor 't Eng: Love amare, heeft men in 't Zweedsch, Deensch, en Ysl: Elska Amare, welks Partic: Praes: Activ: is in 't Zweedsch, Elskande / in 't Deensch Elskendis / en in 't Ysl: Elskende amans; enz. Uit welken hoek nu, of uit wat voor een eigen stam, ons INGE gesproten zij, heb ik nog niet tot mijn genoegen konnen opspeuren. Zo men 't van ons Innige intimum, zou willen afleiden, zo blijft de zin nog te gewrongen; behalven dit, zo ken ik geene Oudheid daer dit Innig in steê van ons ING zig vertoont, niet tegenstaende de Volledigheid onder 't Oude minst gekreukt is. De M-Gottische terminatie AINS of EINS of ONS, als M-G, Libains (Leving), fodeins (Voeding), en Salbons (Zalving), enz: zijnde van gelijk geslagt gebruik en zin, zou wel met IN, of un / of on / of an / beantwoord schijnen, dog de agterste G ontbreekt 'er dan nog; en zou 'er sedert in steê van IG moeten bij gekomen zijn; maer met deze onderstelling' zag ik dit op ons voorgemelde Innig wederom uitdraeijen; 't gene om de bij gebragte rede niet aennemelijk is. Ik staek dan liever het verder gissen, zo lang ik nog niets bedenken kan, dat op een' goeden schijn rust, ofte proeve van overweging' mag uitstaen.

 

+De Wortel van ons NISSE (bij inkort: NIS) dat ook Foemin: en omtrent van gelijke kragt en gebruik is als ons INGE, is niet minder duister en verborgen. 't Is wel waer dat men al in 't M-Gottisch, Nassus of Assus vind, als M-G, Horinassus meretricium, van 't M-G, Horinon Moechari; en M-G, Ufarassus abundantia, van 't M-G, Ufar / Super, bij ons over; enz. Maer, zo dit al 't zelfde ware als ons NISSE (waer aen mij de onzekerheid wegens de N, en 't beantwoorden van a tegens onze I, doen twijffelen) zo was 'er slegts een blijk van hooger Oudheid, maer nog niet van Wortel. Onder al de nalatenschap van de verstorvene Taelgenooten, nogte ook onder de Levende ken ik dit NIS of NISSE niet voor een woord op zig zelven; en nogtans

[p. 83]origineel

geeft ons de accent van deze terminatie schijnbaer genoeg aen de hand, dat het 'er eertijds een was.

Bij 't A-Saksisch vind men dezen Uitgang Nesse / of Nisse / of Nusse zeer menigvuldig, en zelf gemeenzamer dan Ing of Ung of Unge; en in 't F-TH, heeft men Nesse / Nessi. Dus A-S, Alysnes & Alyseduesse / F-TH, Arlosnesse Liberatio (bij ons Ver-lóssing of † Verlósnisse, of, na 't gemak der Uitsprake † Verlóssenis); en A-S, Borennysse Nativita, Gemaennysse Communio, For-demednysse Condemnatio, Bieternesse Amaritudo, Afgod-nesse idololatria, Agennysse proprietas, An-nesse Unitas, en A-S, Gelicnys / F-TH, Gelicnesse Similitudo, bij ons Gely knisse; en F-TH, Folnessi Plenitudo, & F-TH, Forlaz-nessi remissio; enz: In 't H-Duitsch gebruikt men Nik & Nuk / als H-D, Geheimnisz / & Geheimnusz Arcanum, Gedächtnisz & Gedächtnusz recordatio; enz. Eigentlijk behoort deze Uitgang tot den Duitschen Taelstronk.

Uit het bijgebragte blijkt, dat hij in 't A-Saxisch agter Subst: & Adject: en agter Praeter: Partic: Pass: gezet word; dog bij ons is hij mede agter Subst: & Adject: als Geboorte-nis & Geheim-nis; maer ten opzigte van onze Verba is de eigentlijke gewoonte driederhande. I. Eerstelijk, dat hij, agter het Worteldeel geplaetst word; als Ken-nisse, Geheug-nisse, en Getuig-nisse (ook Euphon: Getuigenis); dus mede ons Laefnisse, van Laeven, welks Worteldeel is Laev, zo 'er geen Medeklinker agter op volgt, of Laef, zo 'er al een komt; gelijk mede Begraefnisse van Begraven, en Bevindnisse (of Euphon: Bevintnis) van Bevinden, voor welken wederom, tot meerder vloeying', sedert in gebruik zijn geraekt ons Begraeffenis (bij inkort: Begraffenis), als mede ons Bevintenis, enz. Indien nu onze Voorvaderen, bij het eerste invoeren van dezen Uitgang NISSE, de E in deze gevallen voor de N hadden willen voegen, ze zouden ongetwijffelt dan 't Worteldeel met de zagte agter-letter genomen, en Lavenisse, Begravenisse, enz:, ingevoert hebben; aengezien ze de zagtigheid beminden, en als dan, de verscherping van D in T, en V in F, niet noodig, ja zelf buiten rede, was geweest, maer nu, door dien ze hier alleenlijk op het Worteldeel doelden zonder tusschenlassing, vervielen ze nootzaeklijk tot deze verharding, welke van hand tot hand zoodanig bestendig ons is overgelevert, dat de verzagting (als bij Begravenisse, enz:) thans op geene tong komt, dan die zig tot een' eigen gemaektheid, en niet tot een gebruiklijke uitspraek overgeeft. Ik heb te breeder hier in uitgeweid, om dat ik rede wilde geven van deze niet ongewigtige verscherping van letter, die zelf een schrander mensch (gelijk 't ook geschied is) zou kunnen doen struikelen en meenen, als of ons Bevinden, II. CL: & Begraven, III. CL: wel eer in Praeter: Partic: Bevindet / & Begravet (Contr: Bevint & Begraeft) mogten gehad hebben, en aldus dit NISSE daer agter gezet geweest zijn: dog dit is gantschelijk mis, en tegen de natuer van onze Ongelykvloeyende VERBA, onder welken dezen behooren; gelijk ook alle de verwante talen, en alle proeven van Oudheid daer tegen strijden, en ons verzekeren konnen, dat die Praeterita altoos geweest zijn Begraven en Bevonden. II. De Tweede soort van onze agtervoeging van NISSE is agter 't Praeteritum Participii, als Beként-nisse, erként-nisse (Euphon: Bekén-

[p. 84]origineel

tenis, etkéntenis). En III. de derde soort schijnt agter de eerste persoon van 't Praesens Indic: of Subj: te komen, als Verryze-nisse, zonder verscharping van Z in S.

Dat de beteekenis dezer Terminatie NISSE eene lijdende beweging zou aenduiden, terwijl ons INGE de dadelijke aenwees, als Begraefnis, voor het Begraven worden, en Begraving voor het dadelijke Begraven, is wel geen onaerdig onderscheid, 't gene te wenschen was dat doorging', dog dat meer op een eigen goeddunken, dan op een waerlijk vasten grondslag rust; want, alhoewel dit woord die Zinverdeeling' lijden kan, de kragt niettemin van de meeste anderen in 't Verstorvene en nog Levende is 'er gantschelijk tegen, alzoo ze doorgaends eene dadelijke Werking verbeelden, even als met INGE; gelijk ook in 't A-Saxisch dezelfde Woorden, die INGE bij ons hebben, zig meesten tijd met Nysse of Nisse vertoonen; en zoo vind men mede het F-TH, Nidarung / Tat: p: 203, Damnatio, en 't F-TH, Nidarnessi / Tat: p: 220 Damnatio; in gelijker voege als ons Bekéntenis, en Bekénning, en ons Erkéntenis en erkénning in kragt overeenkomen, en volstrektelijk Werkende en niet Lijdende zijn.

 

+'t Is meê al van geen ouder tijd als van de VIII. en IX. Eeuw, dat we 't gebruik van onzen Manl: Uitgang LING of LINK, kunnen aentoonen: hij wijst ons zo veel aen als den oorspronkelijken Aert of Afkomst van iet, en ziet meest op Persoonen, minst op Zaken. Dus Vondeling of Vondling voor Een Persoon die gevonden is; Léérling, een Persoon die leert of onderwezen word; en Jongeling, een Persoon die in zijne bloeijende jonge Jeugd is; en Gunsteling voor een Persoon die begunstigt word; enz. Gelijk mede in 't A-S, Earth-ling / of Eorthling / Colonus, Agricola, en A-S, Fosterling / Alumnus, bij ons Voesterling; A-S, In-byrdling Civis; A-S, aethelling / Clito, juvenis regius; A-S, Cnoepling Adolescens, Feorthling Quadrans, Litling / Lytling Parvulus; in 't H-D, Seugling infans lactens, bij ons Zuigling, Zuigeling, of liever Zoogeling, enz. In 't A-Saxisch nu beteekent Lyng imago. En dit zo wel als 't onze kan men t'huis wijzen tot ons versletene † LINGEN, † LANG (of † LONG) † GELONGEN, voor zig mede schikken, nevens voegen, of zig gelijkaerdig toonen; waer voor in 't H-Duitsch nog gebruiklijk is, Gelingen / Gelang / Gelungen bene succedere; gelijk ook van ons Praeter: nog overig is ons Belang, gelang, quod alicui quid refert, successus, en daer van ons Be-langen, I. CL: Spectare ad aliquid, enz: Zulks dat ons LING ('t gene tot het onveranderde Worteldeel behoort) zo veel zou zeggen, als, Ymand of iet van dat soort, of daer toe betrekking hebbende.

 

+En hier mede stemt zeer wel overeen, dat men dit LING ook bij onze Adject: & Adverb: gebruikt, als Zonder-ling, peculiaris, & peculiariter, en Mondeling Viva voce; gelijk ook A-S, Grundlunga / Grundlung funditus: welke onze Uitgang in 't bijzonder tot een Adverb: gemaekt word, met het agtervoegen van S, als Schrydelings en Schrydeling divarica-

[p. 85]origineel

tis & distentis pedibus, en Ruggelings retrorsum, die ook wederom als Adjectiva gebruikt konnen worden; als een Schrydelingse gang; een Ruggelinkse sprong, enz.

 

+Dat het gebruik van ons SCHAP van den zelfden ouderdom is als de voorgaende Uitgang, kunnen ons de volgende Getuigen leeren. Dus vind men in 't A-S, Weorth-scype Dignitas; A-S, Bod-scip / Jussio, legatio; F-TH, Gibod-scip / & Gibod-skepi / Mandatum, bij ons Bood-schap, H-D, Botschaft; A-S, Thegn-seipe / Thani dignitas, bij ons Deken-schap; A-S, Ge-bed-scipe Concubitus; A-S, Dol-scipe / Error, stultitia; en F-TH, Landskepi / Lant-scheffi / Land-scaf / regio, bij ons Land-schap; F-TH, Giwizscaf & Giwit-schaf Testimonium.

De kragt en beteekenis van dezen Uitgang strekt om den Aert en geschapenheid der dingen als in een vergadert Lichaem te vertoonen, en is mede vervat in het A-S, Scyp / Scype / Praefectura, munus, negotium, occupatio, & dignitas, dat zijn wortel vind in 't A-S, Sceapan / Sceop / Sceapen / 't F-TH, Scafan / Scuof / Gescafen / 't H-D, Schaffen / Schuff / Geschaffen / 't Ysl: Skapa / Skoop / Skapenn; bij ons oul: † Schapen of † Schepen (nu Scheppen) Schiep, Geschapen, formare, condere.

De Woorden met dezen Uitgang zijn bij ons of Foemin: of Neutr:, als, Het gezélschap Sodalitium, en de Vroedschap Senatus, enz. Zelf twee-slagtig is ons Burgerschap, naemlijk Foem: als het eene Vergadering van Burgers; en Neutr: als 't Het Voorregt van Burger te zijn beteekent. Dog welke Regel dit Vrouwlijke van 't Onzijdige onderscheid is duister om uit te vinden; schoon 't klaer genoeg is dat de zulken, daer SCHAP agter een Adject: komt, als bij Blyd-schap, Gram-schap, Vroed-schap, enz: zig Foemin: vertoonen, gelijk Moonen ook heeft aengeteekent: Maer 't gebrek van Regel ziet op die genen, welke SCHAP agter een Substant: hebben. De naeste Regel die ik 'er op weet uit te vinden, is 't Foeminin voor de zulken, alwaer SCHAP de beteekenis van een vergadert gezelschap van Personen bebleed, als de Man-schap, Ridderschap, Burgerschap (Cives,) allen Foemin:, dog Neutrum daer SCHAP den Zin van een Staet, Waerdigheid of bediening toebrengt, als het Graefschap, Martelaerschap, Burgerméésterschap, Méésterschap, Apostelschap, Bondgenóótschap, Maegschap (affinitas,) Verwantschap, Landschap, Héérschap (Persona Dominium repraesentans,) & Gezélschap Sodalitium, welk laetste wel een vergadering beteekent, dog uit hoofde van 't woord Gezél en niet van wegen de termin: SCHAP, die anders Foemin: zou moeten geweeft zijn, gelijk ook ons Maegschap, f. Affines, voor vergaderde bloedvrinden en niet voor het Bloedverwantschap komende, ingelijks het Foemin: inneemt. Ons Boodschap Mandatum, is Foemin: dog Bodeschap Tabellarii munus, is Neutr: gen:

Ons woord Heerschap, n: Dominus, alwaer overdragtelijk de Persoon in steê van de bediening komt, neemt ook het Klem-Staertige YE agter zig, om de Persoon weder tot een bestier te doen overgaen, als Heerschap-

[p. 86]origineel

pye, Dominatio, imperium; en dus ook van Maetschap, ons Maetschappy; enz.

 

+Onze Bijvoeglijke Uitgangen ACHTIG, en HAFTIG, welke eerste bij ons zeer gemeen, en laetste zeer zeldsaem komt, bestaen ijder uit twee aenééngevoegde Uitgangen.

Ons ACHT vind zijn oorspronk in 't Verouderde † Agen, † Eigen, in Praeter:Achte; gelijk 't M-G, Aigan / aihta / aihtans habere; en 't F-TH, Eigan / Ki: & Ysl: Eiga / A-S, aegan / agan habere; en ons Haft in 't verouderde † Haven, † Haben (nu Hébben), in Praet: † Habede, † Havede, Euph: † Hafte (nu Had), gelijk ook M-G, Haban / habida / habiths / in t F-TH, haban / havan / in Praet: Hafde & Hadde; en A-S, Haefan / in Praet: Hoefde habere, enz. Dewijle nu elks wortel, schoon verschillig van gedaente, in beteekenis overeenkomt, zo is 't geen wonder dat ons Achtig en Haftig van eenerhande kragt zijn, willende elk zo veel zeggen, als iets van dat hebbende; alleenlijk brengt het gebruik meê, dat het eerste de Schaersheid, en het laatste, bij woorden van roem komende, de Rijkelijkheid aenduid. Dus Sterk-achtig is zo veel, als iet van 't sterke hebbende; dog Man-haftig, Deugd-haftig en érnst-haftig is zo veel als Rijk van Man-moedigheid, Deugd, en Ernst.

Ons ACHTIG en HAFTIG vind men veeltijds onder de Verwante Talen zonder IG daer agter, als A-S, Floesc-eht / H-D, Fleisch-icht / Carneus, bij ons Vléésch-achtig; A-S, Haer-icht / Crinosus, bij ons Haer-achtig; H-D, Flamm-icht / Flammeus, bij ons Vlam-achtig; H-D, Berg-icht / Montosus, bij ons Bérg-achtig; en F-TH, Freuhaft / fidelis; Eerhaft / inclytus; Sloz-haft / conclusus; dog ook wel met IG daer agter, als F-TH, Lium-haftig / Celebris, famosus; H-D, Fleck-icht / Fleck-hafft / en Flek-echtig / Maculosus, bij ons Vlak-achtig; en H-D, Mangel-haftig / vitiosus; van 't H-D, Mangel / vitium; enz.

 

+Ons BAER (waer voor in 't A-S, Baere / of Ber / H-D, Bar / als A-S, Lust-baere / H-D, Lust-bar / bij ons Lustbaer, delectans; en A-S, Slaepber / Somnifer; en in 't Alam: Pare / als Al: Unthanc-pare / ingratus, dat in 't F-TH, Bar of Ber word) is afkomstig van het oude † Beren, † Bar (of † Bor) Geboren, A-S, Beran / II. CL: 5. F-TH, Beran / II. CL: 5. ferre, proferre, gignere; en beteekent bij ons zo veel als iet dragende of voortbrengende, als het agter Substantiva komt; dus Vrugt-baer fertilis, Wonder-baer, Admirabilis, en Dienst-baer, officiosus, & servituti obnoxius; dog 't beteekent een mooglijkheid en gevoeglijke verdraeglijkheid, als het agter eenig zaeklijk deel van een bedrijvend Verbum komt, als Eet-baer, dat gevoeglijk gegeten mag of kan worden; Lever-baer, dat goed is om te leveren; en Zigt-baer, dat gezien kan worden; enz. Maer ons Open-baer Publicus, kan men aenmerken als tot de eerste soort behoorende, even of het ware vooral de wereld in 't opene gebragt; of ook, als afkomstig van het oude

[p. 87]origineel

BAER nudus, als of het ware naektelijk open, onbedekt: welk BAER nudus, vermits de onbezwalkte naektheid bijzonderlijk eigen is aen de eerste geboorte der dingen, bij zinspeling, mede geenen anderen oorspronk te erkennen heeft als 't bovengemelde Baren of † Beren.

Agter dezen Uitgang voegt men dikwijls onze terminatie Heid, als Dienst-baer-heid famulitium; en ons LYK of LIK, als Wonder-baerlyk mirificè; enz.

 

+Ons LYK (bij verzagtinge LIK), en ons ZAEM (of agter scherpe Consonanten SAEM) zijn nu nog, en waren van oude tijden van eenerleije kragt. Dus M-G, Samaleiks Similis; F-TH, Eges-lih / A-S, Eges-lic / bij ons Eys-lyk horribilis; F-TH, Gotelich / Divinus, bij ons Goddelyk; A-S, ae-lic / Legitimus, bij ons Echtelyk; A-S, Theoster-lic / bij ons Duisterlyk, tenebrosus, enz. Agter welke soort, om die tot Adverbia 's te maken, men zet in 't M-G, o. in 't A-S, e / en bij ons eertijds EN of E, als M-G, Samaleiko similiter; A-S, Gemanlice Communiter, bij ons oulinks Geméénlyken of Geméénlyke, nu Geméénlyk; enz. Wyders F-TH, Geniht-sam / Copiosus, bij ons Genoeg-saem; A-S, Frith-sum, Pacificus, bij ons Vreedzaem; en A-S, Gemaensum; bij ons Geméénzaem; enz.

De Grondbeteekenis van ons ZAEM of SAEM (zo wel als LYK, dat van ons Lyken, II. CL: similem esse, komt) wil een Gelijkheid en Overeenkomst zeggen; dus M-G, Samo idem ipsum, en M-G, Sums / unus, alius similis, quidam, en F-TH, Samo Sicut, en A-S, Samo / Samod / Somed simul, en A-S, Som / Some Concordia, en bij ons Saemen voor Te zamen/ Simul, unà. Dat nu de A-Saxische Terminatie Sum en niet Sam is, terwijle het A-S, Sum / Sume / Aliqui beteekent, even gelijk ons SOM (waer van ons Sommigen Aliqui) geeft in dezen geen zwarigheid, dewijle dit slegts aenwijst, niet, dat men u voor a / of dit voor dat, zo los heen maer nemen mag, maer dat Sum en Sam / beiden uit zulk een oud Ongelykvl: Verbum gesproten zijn geweest, dat in Infin: de A, en in Praeter: de O of U voerde, en Overeenkomen beteekende; 't gene ook bevestigt word van 't Ysl: Samenn / zijnde het Part: Praet: van het thans ongeregelde Sem / (lites dirimo, als doende partijen overeenkomen), in Praeter: Samde / zijnde de Ysl: terminatie enn / even gelijk ons EN bij de Praet: Part:, alleenlijk eigen aen de Ongelykvloeyende VERBA; zo dat uit dit Ysl: en uit onze Overblijfsels klaer genoeg blijkt, dat eertijds Zamen (of Samen) in Praet: Zom of Som in Praet: Part: Gezamen Convenire, voor Overeenkomen, te zamen gaen, in gebruik is geweest.

In 't A-Saxisch ontmoet men mede Werkwoorden die van zulke Adject:, met Sum agter aen, ontleent zijn, als A-S, Gehyrsumian / I. CL: obedire, Gemaensumian / I. CL: Communicare, enz: gelijk ook bij ons, Gehoorsamen, I. CL: Obedire.

[p. 88]origineel

Agter ons ZAEM of SAEM, voegt men te mets, voornaemlijk om een Adverbium te maken, ons LYK, als Vreedzaemlyk, enz.

 

+Om de Hoeveelheid als in soorten verdeelt aen te wijzen, hebben wij tweederhande Uitgangen, die in 't gebruik volkomentlijk dezelfde kragt hebben, en voornaementlijk onder ons Nederlanders plaets vinden: dus Allerhande en Allerleye Omnigenus, Eenerhande, eenerleye uniusmodi, Tweederhande, tweederleye bifariam, en zoo verder door al de getallen: in welke samenlassing altoos ER of DER (om zo veel als den Genitivus van 't voorgaende Woord aen te wijzen) daer tusschen komt.

Dat nu ons Agterzetsel LEY (evengelijk in 't Ysl: Leyd Via, bij ons oul: Leyde, ductus), wel eer zo veel als de gang, 't beloop, en geleij der dingen beteekende, en den zelfden wortel heeft als ons Leyden, leyen, I. CL: ducere, is niet van 't moeilijkste om te begrijpen. Maer uit welken bron dit ons HANDE gesproten zij, is vrij wat duisterder om op te lossen; te meer om dat de gebruiklijke kragt van ons HAND Manus, hier in geen genoegsame handreiking schijnt te kunnen doen. Dog indien men den oorspronkelijken en allereersten zin stelt ontleent geweest te zijn van een Ongelykvloeyend VERBUM, als † Hinden, † Hand (of † Hond) † Gehonden, II. CL:, dat Begrijpen, bevatten, en houden beteekende, zo zoude dit Toevoegsel HANDE de soortdeeling der dingen niet onbequaemlijk in Grepen aenwijzen, even als in ons Woord Letter-grepe Syllabus, het onderscheid der Letter-Leden bij Grepen vergeleken word, Maer, dit Ongelijkvloeijende Wortel-woord, kan men zeggen, is maer onderstelling; dat ontken ik niet, dewijl ik onder de Oudheid zulk een Verbum niet weet aen te toonen; dog, dewijl de Vermaegschapte Woorden en de Onzen, die HIND of HAND of HOND voor haer Worteldeel hebben, tot zulk eene gemeene grond-beteekenis, gelijk ik aentoonen zal, schijnen samen te vloeijen, zo kan men dit nog voor geene gantsch losse en ongegronde onderstellinge of gissing rekenen. Ons Worteldeel HIND vertoont zig in 't M-G, Hindar & Hindana / A-S, Hindan & Hinda / H-D, Hindan & Hinden / trans, seorsim, à tergo, retro, post, pone, waer toe 't H-D, Hinter / bij ons Hinderste, pars adversa, anus; en 't A-S, Hint / Hinth impedimentum, bij ons Hinder, als zinspelende op iets dat gegrepen of te rug gehouden word; en wederom A-S, Hyndene Societas, als een Samengaring en begrijp van een vereend lichaem. Het Zakelijke deel HAND vind men in ons HAND, M-G, Handus / A-S, Hand & Hond / H-D, Hand Manus, als om te vatten, grijpen, houden; in 't M-G, Handugeins Sapientia, als het begrip en de bevatting van 't Verstand: in ons gemelde agtervoegsel HANDE, om 't bevatten der soortdeelingen, en in ons Handel, beteekenende het gantsche begrip van ons bedrijf. Het Zakelijke deel HOND heeft men in ons Hond, A-S, Hunde / H-D, Hund Canis, als om te Grijpen, vangen, en bewaren; waer toe het A-S, Hunta Venator, waer van 't A-S, Huntian /

[p. 89]origineel

I. CL: Venari, en ons † Hond, thesaurus reconditus, aut in terra defossus, 't gene bij Kiliaen gevonden word; gelijk ook F-TH, Derhundeta Captiva: wijders vind men 't in ons Honderd, A-S, Hund / H-D, Hundert Centum, voor een bevatting van een groot voltrokken Tel-getal, even gelijk ons voorgemelde TIEN en TIG zulks zijn van de kleenen: en dat het eertijds slegts een Zameling van eenige getallen beteekende, zonder zelf door zijne voorvoeging het getal te vergrooten, kan men leeren uit het A-Saxische gebruik; want in 't A-S, heeft men van No. 70 tot 120, Hund voor aen, als overtollig zonder Zinverandering, niettegenstaende het op zig zelf, of alleen, of ook agtergevoegt zijnde, even gelijk ons Honderd Centum beteekende, dus A-S, Sirtig / Sexaginta, bij ons Sestig; A-S, Hund-seofontig, Septuaginta, bij ons Seventig; A-S, Hund-eahtatig / Octoginta, bij ons Tachtig; A-S, Hund-nigontig / Nonaginta, bij ons Negentig; A-S, Hund-teontig / en ook Hund / Centum, bij ons Honderd; en A-S, Hund-twelstig / Centum & viginti, bij ons Honderd-en-twintig: dog wanneer het agter staet, zo vermeerdert het getal, als bij ons en anderen, dus A-S, Fif-hund / gelijk ook M-G. Fimf-hund / Quingentum, bij ons Vyfhonderd; en A-S, Seofon-hund / Septingentum, bij ons Zeven-honderd; enz.

 

+Ons beroovend Toevoegsel Lóós is een van de alleroudsten, voor 't welke zig in 't M-G, Laus / F-TH, of AL: Los / A-S, Leas / en H-D, Losz vertoont; als M-G, Akrana-laus fructuum expers, van 't M-G, Akran fructus; Alam: Hulpilos / Inops auxilii, bij ons Hulpelóós; A-S, Haefen-leas / Inops, incultus, bij ons Havelóós; H-D, Gott-losz bij ons Goddelóós, impius.

Het vind zijn' oorspronk in ons oude Lóós, expers, vacuus, inanis, solutus, M-G, Kimbr: & Ysl: Laus / A-S, Leas / Alam: Los / Loes / H-D, Losz; zijnde allen afkomstig van 't Praeter: van het M-G, Liusan / fraliusan / in Praet: Laus / fralaus / II. CL: 4. perdere; F-TH, & AL: Liusan en Luiran / forluisan en forliosan / in Praet: Los / forlos / II. CL: 2; A-S, Leosan en leoran / forlysan en forlyran / in Praet: Leas & forleas / &c., II. CL: 1, H-D, Verlieren / in Praet: Verlohr / II. CL: 2. en bij ons eertijds Liezen en Lieren en nu Verliezen, oul: ook Verlieren; in Praet: eertijds ook Lóós, Lóór en Verlóós, nu alleenlijk Verloor, II. CL: 3, Perdere.

 

+Bij de voorgemelde Uitgangen kan men nog voegen ons WEGEN, HALVEN, en WILLE, die, bij wijze van Adverbia's, agter de Pronom: Possessiva met T tusschen in, of ook wel agter de Subst: met S tusschen in, geschikt worden. Dus Mynent-wegen, mynent-halven propter me, en Mynent-wille mei causa, zijnde allen van eenerhande Grond-beteekenis; en Deugds-halven Virtutis gratia, enz.

Dat nu dit ons WEGEN van Wegen, Bewegen movere, en dit

[p. 90]origineel

ons WILLE van Willen velle, komt, behoeft geene beduiding'; maer ten opzigte van ons Half, halve, halven heb ik te zeggen, dat het voormaels een deel, een zijde beteekende; gelijk ook A-S, Healf / pars, latus, & dimidium; zo dat ons Mynenthalven eigentlijk, en ook volgens 't gebruik, zo veel zeit als Voor mijn deel, voor mijne zijde; en ons Half semi, zo veel als in gelijken gedeelt; waer van dan verder ons De hélft', oul: halfte dimidium, als mede ons Halvèren, I. CL: aequalibus partibus dividere, hebbende dit laetste een' Walschen Klem-staert agterop gekregen.

 

+Onder de Oudheid en Verwante Talen waren 'er nog drie Klem-Terminatien, van welken ook eenige weinige overblijfsels onder Ons berusten; als VOL, ZAL (of ZAEL), en FEST (of VEST of VAST). Dus A-S, Lar-full docilis; A-S, Lust-full Cupidus; F-TH, Ungiloub-full / A-S, Ungaleaf-ful / incredulus; enz. De beteekenis is een Vol- en Rijklijk-heid: deze zijn allen Adjectiva: Dog wij hebben 'er nog een als Substant: namelijk Een hand-vol Manipulus. Voorts A-S, Loeger-foest / aegrotans, cubans; A-S, Moegen-foest potens; A-S, Lif-foest vivificus; F-TH, War-fast Verax; en bij ons Eerendvést, bij inkrimp: Ernfést, Honorificus, Amplissimus, Honestus, A-S, Ar-foest honestus, en A-S, aer-festnys pietas, H-D, Ehren-vest Amplissimus; gelijk ook als Substant: het A-S, Gif-foest / Acceptor, & Raptor; en ons Hand-vésten, dat eertijds Handschriften beteekende (zie Kil:), en nu in 't bijzonder Zulken, die de Voorregten en Algemeene bevelen van een Stad of Land behelzen; welke Zin ook al in 't A-Saxisch te vinden is, als A-S, Hand-foestnung / Mandatum, en A-S, Hand-foestan fidem dare. De Wortel vertoont zig in ons Vast ook oul: Vést firmus, waer van ons Vasten, vésten firmare. De Hoogduitsers gebruiken dit woord in een' anderen zin als wij, hoewel met gelijk regt ten opzigte van de Afleiding; als H-D, Hand-fest / strenuus, fortis, bij ons Hand-vast of vast in de hand; en H-D, Hand-fest / of Hantvest / Captus, vinctus, detentus; in welken zin het oude HAND voor Houden, bevatten (waer van we in ons voorgaende Artikel wegens de termin: HANDE gesproken hebben) schijnt door te spelen; even gelijk ook eenigsints in ons Handvésten; niet alleenlijk om dat ze door Handteekening gevestigt worden, maer ook om dat elk daer aen verbonden is om die te onderhouden; als mede in het Sax: & Fris: Hand-vrede pax per Magistratum indicta, zijnde zo veel als eene Vrede, welks Voorwaerde wereldkundig gemaekt word, op dat wederzijds elks Onderzaten weten, waer aen zij zig te houden hebben. Wijders vind men in 't H-D, Trub, turbidus; en daer van 't H-D, Trub-sal Calamitas; waer van wederom 't H-D, Trub-selig Calamitosus; even gelijk ook in 't H-D, Arm-selig / Miser, inops, en bij ons Rampzalig Miser: 't welk ik aenhael om aen te toonen, dat ons Zalig, gelijk mede het H-D, Selich / felix, beatus, dat op zig zelf staende, nu niet anders als een overmatig geluk te kennen geeft, eertijds zo wel op quaed als goed is toegepast geweest; zijnde afkomstig van ZAL of SAL,

[p. 91]origineel

ZEL of SEL; welks eerste Grondbeteekenis mij toeschijnt zijne Naemrede te kunnen vinden in het Worteldeel van 't F-TH, Selan / in Praet: Salta / V. CL: dare, tradere; zo dat dit ons ZAL dan oulinks zo veel zou beteekent hebben, als hier of daer toe overgegeven; 't gene daerom ook zo wel op quaed als goed betreklijk is; dog dat sedert dit, alleenlijk in een gunstigen Zin genomen zijnde, nu niet anders dan den Gelukkigen staet aenwijst: en dat het dien goeden Zin al vroeg gekregen heeft, kan men besluiten uit het M-G, Sel / Selja bonus, A-S, Sel bonus, en A-S, Sael opportunitas, waer toe het A-S, Saelan / gesaelan / accidere, plerumque in bonam partem, en A-S, Saeltha / gesaeltha res prosperae; waer van dan 't A-S, Saelig / gesaelig / Alam: & Dan: Salig / H-D, Selich / bij ons Zalig, beatus, felix: Dog van dit Zaelig heb ik ook nog eene andere bedenking, te lang om hier te plaetsen, welke ik bij ons Worteldeel ZICH, in de volgende I. Proeve meene in te brengen.

 

+Dat ons zeldsame TIER (als bij 't woord Egelen-tier, Rosa silvestris odorata) schoon nu alleenlijk voor een Terminatie dienende, wel eer een Lid van Samenzetting en een Woord op zig zelf was, leert ons de Oudheid duidelijk; want dit TIER is, onder een Letterverzet, van den zelfden oorspronk als het Alam: Dera & Dre / Kimbr: Trie / Ysl. Trie / Angl: Tree; Dan: Trae / & M-G, Triu Arbor: gelijk ook Alam: & F-TH, Aphel-dera & Aphel-dre / A-S, aepel-tre Malus arbor; zo dat ons Egelen-tier eigentlijk een Egel-bóóm beteekent, dat is een Roozen-boom, vol Egel- of Doorn-stekels, en 't oud-vlaemsche Aller-tier omnigenus, dat bij Kiliaen gevonden word, zo veel wil zeggen, als Allerstammig, Allerleije, en ons Goeder-tieren Benignus, zo veel als van goeden Aert.

Hier mede zullen we van de Zagt-Klemmende Uitgangen afscheiden, en tot de Vol- op- Klem-Staertigen overgaen.

 

+Onze Vol-op-Klem-Staertigen, die 't Zakelijke deel zelf in nadruk overschreeuwen, zijn YE (of Y, of ERY), TEIT, EREN, EEL, ESSE, IER, ET & INNE, waer bij men voegen kan ons AEN, en EYN IST, IET, AGIE, en OEN; welken ik gezamentlijk voor Basterdkinderen aenzie, niet alleen ter zake van hare gedaente, maer ook om dat ze zelf kragtiger nadruk ontfangen dan de Zakelijke deelen agter welken zij gevoegt worden; terwijl het in tegendeel aen ons en andren van Duitschen Stamme evendragtelijk eigen is bij hare egte spruiten den Hoofdklem op het Zakelijke of Zakelijkste lid te geven, en niet op den Uitgang.

 

+Ons YE, bij inkort: Y, als Abdye, Abdy, Abbatia, en Hoovaerdye, hoovaerdy, Superbia, 't gene agter Nomina komende, die de zagte terminatie ER reets agteraen hebben, ERY maekt als Wevery, H-D,

[p. 92]origineel

Weberey / Textura, Textrina, Ars textrina, strekt om een algemeene bediening, staet, of werking aen te duiden: het komt in stêe van 't Fransche le, 't gene wederom van de Latijnsche terminatie IA ontleent schijnt te zijn; gelijk ik bij mijne IV. Dialect regel wegens onze Y heb aengemerkt.

 

+Dat ook onze Terminatie TEIT als bij Majesteit, Majestas, Gall: Majestè, in plaets van 't Fransche komt, dat van 't Latijnsche Tas gesproten is, behoeft geene beduiding: 't vertoont zig alleenlijk bij Bastaerd-woorden. Ons EYE of EY of EI, beantwoord het Fransche of Walsche èe als ons Livreye, Gall: Livrèe: van gelijken aert is ons Rammeye, Vectis, Aries nuncupatus. In onze VI. Regel wegens de EI (of EY) heb ik hier van ook vermeld.

 

+Zoo sprak ik ook in onze V. Regel wegens de E, van onzen Uitgang EREN (als bij Failjèren, H-D, Falliren / Cedere foro), bestaende uit EN, onze eigene en gewoone terminatie der Werkwoorden, agter het Klemstaertige Walsche of Fransche èr gevoegt.

 

+En van onzen Uitgang EEL (als ons Rondéél, Magis, vulgo Rondellum, Gall: Rondeau), dat in steê van 't Latijnsche ellum of illum of Fransche eau komt, sprak ik in onze IX. Regel wegens de éé: zijnde dit YE, TEIT, EREN, en EEL, allen bij ons klem-tonig, om dat zulks plaets heeft bij den bron waer van ze ontleent zijn. In 't M-Gottisch, nogte in 't A-Saxisch en F-T Huitsch, nogte in 't Kimbr: en Hedendaegsche Yslandsch vertoonen zig deze terminatien niet; zo dat ik haren Ouderdom onder ons niet hooger stel dan sedert het jaer Duizend, toen de Monniken alhier meester waren van de Pen. Onze Geslagten zijn ook even als de oorspronkelijke, namelijk YE en TEIT Vroulijk, en EEL onzijdig.

 

+Zoo is het ook gelegen met ons ESSE, 't gene agter Namen van Manlijk bedrijf gevoegt word, om die tot Vrouwelijke te doen overgaen, als Zondarésse van Zondaer, Méésterésse van Mééster, Prophetésse van Propheet. De ontleening van deszelfs oorspronk is klaer genoeg in 't Latijnsche Propheta, M. & Prophetissa, F; alwaer issa met ons ESSE in nadruk net overeenkomt:

 

+Dat we ons IER, 't gene, gelijk het Fransche ier, een Masculine Bedrijver beteekent (als Tuinier, Hovenier, enz.) door het Fransche Canael gekregen hebben, schijnt de gedaente, benevens de gelijkheid van Zin en van Accent aen te wijzen. Maer of niet wel eer de Franschen dit van

[p. 93]origineel

het oude Frankisch ontleent hebben (gelijk in 't M-G, Wair / in 't A-S, Wer / in 't Kimbr: Virdar Vir, het zelfde als ons Man beteekenen) is zeer bedenkelijk: niettemin vertoont zig zulk een Uitgang IER niet onder 't M-G, Kimbr:, F-THuitsch nogte A-Saksisch; maer wel in 't H-Duitsch Ir of Ier / als H-D, Gartenier Hortulanus, & Hellebardir / Bipennifer, bij ons Hellebardier; enz. Agter ons IER voegt men wel onze zagte foemin: Termin: STER, als Tuinierster Hortulana.

 

+Ons ET (als Bankét, H-D, Bancket / Gall: Banquet), dat thans bij weinige Woorden, en dat in Neutr: gcn: bij ons gebruikt word, wil zo veel aenwijzen, als een middel of onderwerp van beweging, of ook wel een Verkleining of een frequentativum. Het schijnt ons uit den Franschen hoek aengewaeit te zijn; hoewel het ook door de Monniken kon ingevoert geweest, en uit het Latijnsche Frequentativum ontleent zijn, gelijk in 't Lat: itare van ire, Factitare van Facere &c. Onder de Oudheid vind men in 't A-Saxische Vocabularium, Bernette Ustio, van Bernan Urere; als mede Stommettan / balbutire, mutire, van 't A-S, Stomm balbus; en A-S, Bliccettan / I. CL: Stupefacere, van 't A-S, Blic attonitus, enz. Maer mij is nog niet gebleken of deze soort wel den accent op et ontfangen hebben; zo dat nog iets onzeker is, of dit wel 't zelfde zij als ons ET.

 

+En aengaende onzen Uitgang INNE of IN, (als Vriendinne. Amica, enz.), men vind hem niet alleen in 't H-Duitsch, als H-D, Mohrinn bij ons Moorinne; H-D, Burgerinn / bij ons Burgerinne, of Burgerésse; enz: maer ook in 't F-TH, Meysterinne Magistra, Friundinna Amica, Coninginne Regina, enz: als mede in 't A-Sax: Vocabul: Mennine Famula, Goden Dea, Freundyne Amica. De kragt en beteekenis is de zelfde als van ons ESSE. Uit de Oudheid schijnt hij wel een eigen kind, dog hij heeft een zo starken Klemtoon als de Bastaerdwoorden; en dat zelf eveneens als de Latijnsche terminatie Inus, & ina; zo die 'er de Moeder van is, houde ik de Monniken voor de Vaders.

 

+Onzen Uitgang AEN hebben we uit het Latijn, als een Afrikaen homo Africanus. De Franschen veranderen dit Latijnsche in Ain, als Chattelain (Castellanus); voor 't welke wij wederom, als we 't door dien weg krijgen, ons EIN of EYN gebruiken, als bij ons Kastelein Castellanus. Zoo hebben we mede door 't Munnike-Latijn gekregen onze Terminatie IST, als S. Joh. Baptist (S: Joh: Baptista, Gr: Ιωάννης ὁ Βαπτιςὴς); Organist, Orgelist Organicus vulgò Organista; Harpenist ook H-D, Harpffenist Citharoedus; ingelijkervoege als ons IET (of YT) bij Sodomiet of Sodomyt, Poederastes, Sodomita; enz. Ons AGIE, ontleent van het Fransche age, spreken we ook op de Fransche wijze uit, even of het ware bij ons Azie / als Heritagie Gall: Heritage, enz. Onder de Voogdij-

[p. 94]origineel

tijd van 't Bourgondische huis schijnt het ook agter onze eigene woorden geraekt te zijn, als ons Lastagie Saburra, afkomstig van ons LAST onus. Het Fransche age kan men afleiden van 't Latijnsche Werkwoord Agere. De beteekenis en dienst van dit age is omtrent dezelfde als ons INGE en NISSE. Onzen Uitgang OEN vind men in ons Latoen, n: (Aurichalcum, vulgo Latonium, Gall: Leton, Ital: Latone, en Ysl: Laatun N aes); Venizoen, (Garo ferina, Gall: Venaison, ontleent van 't Latijnsche Venari); en Blazoen, (Praeconium, buccina, tuba; Symbolum heroicum, Emblema, Pictura scuti, vulgò Blasonium, Gall: Blason), ontleent van ons Blazen, als den lof van ijmand uittrompettende. Dat deze terminatie door den Franschen weg tot ons gekomen is, leeren mij de accent en de bijgebragte getuigen: en die hebben 't mooglijk van de Italianen, want deze bedienen zig van One om iets, dat zeer groot is, uit te beelden, als Ital: Casa bij ons Huis, Casina bij ons Huisje, & Casone bij ons een Groot huis. Dog dewijl de Latijnen dit gebruik niet hadden, zo schijnt het met de komste der Gotthen en Lombarden ingekropen geweest te zijn; evenwel volgens 't M-Gottische Evangelium was dit bij de Gotthen geen gewoone terminatie; alleenlijk in Tacitus, schrijvende van de Duitsche Volkeren, vind ik vermeld van Gothinen, en Gothonen; de eersten als geringer soort, die ook schattingen gaven aen de Sarmaten en Quaden; en de laetsten als magtiger, die van Koningen beheerscht wierden: zo dat mooglijk deze terminatie ONE wel eer in den Duitschen of Noordschen hoek, hoewel schaerselijk, bekent is geweest, voor dat ze in Italien doordrong.

Men zou bij dezen nog wel meer Bastaerd-terminatien konnen voegen, als MENT, bij Documént, Documentum, ATIE, bij Denunciàtie, Denunciatio, ENT, bij Studént, Studens, enz. Dog in dezen en de zulken, vermits alleen bij Bastaerd-woorden gebruiklijk, en daer voor al te wel bekent, verdienen niet, dat we ons daer in verder zouden ophouden.

 

+Dus verre van de voornaemsten onzer Uitgangen, welker minste gedeelte vroeger of ouder gevonden word, dan bij 't F-THuitsch of A-Saksisch; 't gene men tot bevestiging moet nemen van mijne vorige bedenking omtrent de Oudheid van 't gebruik der Terminatien, naemlijk dat ze jonger zouden zijn dan de Worteldeelen; vermits dezen in de verspreide Takken minder verschillen dan die. Om nu het nut van dit in 't lang verhandelde kortelijk bij een te hebben, zullen we den dienst onzer voornaemste Uitgangen hier beknoptelijk herhalen.

Onder de Substantiva hebben we ons AER, ER (of DER), IER, en oul: ook AND (of END), en E, om een' Werker uit te beelden; STER, ESSE, SE, en INNE, om een Werkster; AERD (of ERD of ERT) voor de natuer van een Werker; LING, tot den oorspronkelijken aerd; en AEN en EYN, tot de Afkomst of bedieninge van ijmand.

[p. 95]origineel

Ons EL, EM, EYE en ET, voor een Werktuig of middel van Beweging'.

Ons INGE en NISSE, en 't gebruik van 't Verbum in Infin: als Subst:, voor de Werking of Beweginge zelf; en oulinks ook E, in den zelfden dienst.

Ons SEL, SEM, EEL, en NE (of EN) voor een Onderwerp of Vrugt van Beweging, of iets door Beweginge voortgebragt.

Ons TE (of D), DE (of D), UWE (of WE of VE, of F), HEID, TEIT, DOM, SCHAP, YE (of ERY) om tastelijke Zaken of ook Deugden en Ondeugden onder een Denkbeeldelijke Persoon of gedaente te betrekken.

Ons TJE, JE, KEN of SKEN, tot een Verkleining' of tot Vleying'.

 

Onder de Adjectiva's hebben we ons ISCH (of SCH, of S), IG, ACHTIG, HAFTIG, ZAEM (of SAEM), LYK (of LIK), en BAER, en oul: ook EL, en E, om de gelijkaerdigheid aen te wijzen.

Ons ENDE, voor de Werking.
Ons EN, voor den Aert en Stoflijkheid.
Ons FEST of VEST, voor de Zekerheid.
Ons HANDE, en LEY voor de Veel-soortigheid.
Ons LOOS, voor de berooving' of 't Gebrek.

Onder de Adverb: Praepos: & Conjunct: ons ER, EN, LYK (oul Lyken, lyke), END, LINGS, en voornaemlijk ons S agter velerhande soort van Woorden, als mede agter velen van de voornoemde Uitgangen; waer uit spruiten ERS, ENS, LINGS, TJES, JES en KENS, ens.

 

In dit ons Berigt van de Voor- en Agter-leden hebben we de thans gebruikelijke kragt en dienst voornaemlijk gezogt aen te toonen; en ondertusschen onze gedagten omtrent de Afleidinge en Oudheid tot opheldering' van ons Denkbeeld daer bij gevoegt: schoon nu in dit laetste ware misgetast, de ramp is van geen gevolg, dewijl 'er niets op gebouwt staet te worden.

 

+Zie daer dan rekenschap gegeven van het oogmerk en den weg die wij ons voorgestelt hebben; waer in ik alleenlijk bouwe op zulke gronden, en met zulke hulpmiddelen, die allen genoegsaem van anderen verzuimt zijn, en waer op ze ook niet konden bouwen bij gebrek (1) van de Oudheid-kunde, (2) van de Regelmaet en Rangschikking der Verba, en (3) van de Regelen van Voorzigtigheid daer uit vloeijende. En als we nu, gelijk regt is, onze Ongelykvloeyende VERBA voor de Wortels of Stammen aenmerken; de daer van Afgeleide Nomina voor Stamdeelen of Hoofdtakken; de Verba daer uit voortgeschoten voor Kloeke Armspruiten en de Nomina van dezen weder afkomstig voor Minder telgen of Loten, zo

[p. 96]origineel

zullen we in de Afleidinge een overgroot Veld bewandelen, begroeit met Verwonderlijke Boomen; een Veld, dat van wegen 't verloop zo veler Eeuwen verwildert ligt, en overal bezet en bestrooit met oude dorre of afgescheurde Takken, onder welken zig wederom nieuwe Uitscheuten uit verborgene Wortels vertoonen. Hier hebben we gezocht een weg te banen, om onbelemmert daer deur te mogen gaen, om 't Gebrokene hier en daer te herstellen; om Verstrooide Takken en Telgen ijder tot zijn eigen Boom of Plant te mogen brengen; om de Gapingen te heelen; om ruimte van Doorzigt, om toegang tot de Vrugten te maken; en eindeling om eene Beplanting', die ons eerst als een' over hoop liggende Woestenye te voren quam, in een Lusthof verandert te zien. Die geduld heeft, en smaek in zulke stoffe, keere zig tot onze Proeven zelf.

 

1715 8/m.



illustratie