Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

H.

HA.

De Zaek-of Wortel-deelen.

HAB, in Habben en snabben, en Habsakkek, captitare verbis &c, zie bij HOUW, in deze Proeve.

 

† HACHT, in † Hacht, nodus, vinculum; en † Hachten, apprehendere, figere, nectere; zie bij EIG, in de II. Pr., en bij 't volgende HEB, in deze Pr., en in † Hachten, conscindere &c; en Hacht, pars abscissa; en Hachtje, puer audax; zie daer van bij HOUW, in deze Pr.

 

HAD, in 't Praet: Had, gehad, bij HEB, in deze Proeve.

 

HAEL, in † Hael, perlucidus &c; en Hael, attractio, & climacter; Halen, accersere; en † Halink, haeres, enz.; zie daer van bij HEEL, in deze Pr.

 

HAEM, in lichaem, zie daer van bij HEM, in de II. Proeve.

 

HAEV of HAEF, in † Haven, habere; in Have, Havelóós, wanhavig, Havenen, en onderhave, haedera terrestris; onderhavig, obnoxius, Handhave, Handhaven, en † oor-have,

[p. 203]origineel

principium, origo; reede-have, supellex, mobilia; Haven, portus; Haverye, en Havik, &c, zie bij 't volgende HEB, in deze Pr.; en, in † onhaeflyk, immobilis; en † op-havig, elatus, stomachosus; en Haver, avena; zie bij HEEV, in deze Pr.

 

HAEUW, in Haeuwen en snaeuwen, intonare verbis; zie daer van bij HOUW, in deze Proeve.

 

HAFT, in † Haft, nodus, vinculum; en † Haften, tenere, enz.; en de terminatie Haftig, in deugd-haftig, virtuosus, enz.; zie bij HEB, in deze I. Proeve, en in † Haften, conscindere; en Haftéél, bipalium; zie daer van bij HOUW, in deze Proeve.

 

HAL, in Hal, en Hallebaerd, zie daer van bij HEEL, in deze Proeve, en in Halter, capistrum; zie bij HOUD, in deze Proeve.

 

† HALD, in † Halden, tenere, servare &c; en † Halde, compes, zie bij HOUD, in deze I. Proeve.

 

HALFT, in Halfter, &c, zie daer van bij HOUD, in deze I. Proeve.

 

HALM, in Halm, en † Halm-goedinge, zie bij HEEL, in deze Pr.

 

HALT, in Halte, Halter, &c, zie daer van bij HOUD, in deze Proeve.

 

HAM, in Ham, pratum, pascuum, & salicetum; in-ham, littus incurvum; † Hamme, koehamme, numella; Hammeye, repagulum, & viculus; zie daer van bij HEM, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

HANG, in HANGEN (oulinks ook † HENGEN), HING en HONG, GEHANGEN, III. CL: 5, pendère, haerere, dependere, suspendere, suffigere, affigere; Hisp: Hincar; zyn géld hangen aen &c, impendere, insumere pecunias; en af-hangen, dependere, & propendere; en zig verhangen, III. CL: 5, dare se in laqueum; en verhangen III. CL: 5, malè suspendere; & in altero loco suspendere, enz. M-G, Hahan / haihah / hahans / IV. CL: 2, suspendere; als mede M-G, us-hahan / IV. CL: 2, suspendere; dog ook M-G, gahahan / I. CL: in Praet: gahahaida / Luc: XIX. 48, suspensum teneri; F-TH, hangan (en hahan) / hieng / gehangan / III. CL: 2, pendere, & crucifigere; en Er-hangan / er-hahan / III. CL: 2, suspendere, & crucifigere; dog ook F-TH Hangan / I. CL: pendere; A-S, hangan (ook Hengan contr: Hon) / heng en hoh / hangen en gehangen / III. CL: 5, pendere; dog ook A-S, hangian / I. CL: pendere; en A-S, of dune hangian / I. CL: dependere; Angl: to hang / hung / hung / pendere; H-D, hangen / hieng / gehangen / IV. CL: 2, pendere, suspendere; dog ook H-D, hengen / hangen / I. CL: suspendere; en Hencken / I. CL: suspendere, affigere; Ysl: Haanga / in Praet: haangde / en hieck / en derhalven, I. CL: en III. CL: 3, pendere.

 

Uit het Praes: of den Infinit: met A, of ook met de oude E, ons Hang m: & n: Fumarium, carnarium; als mede met een Hoogduitsche Euphonie van G in K verwisselt, ons Hank, m: Angl: Shancke / fumarium, carnarium; als waer in men vleesch of visch te rooken hangt: en 't H-D, Hang / M, propensio, declivitas; bij ons het hangen van een berg, proclivitas, & latus montis; A-S, hange / mons; en H-D, Hang / M, bij ons aen-hang, m: Adhaesio, societas, factio, sequela, & appendix; en 't M-G, faurahah, bij ons voor-hang, voorhangsel, n: velum sacrarii; F-TH, hengi-lachan / cortinae; en M-G, ga-hahjo / deinceps; als bij aenhang. Wijders ons † Hange, † Hénge, † gehénge, † Héngene, en † Hangsel, nu Héngsel, n: Cardo, ansa; en † Hangel, † Héngel, Flandr: Angel, m: Climacter; nu doorgaends bij ons Heugel, Hogel, climacter; uit het Praet:, mits op den M-G, A-S, en F-TH, trant, met uitlatinge van de N: en H-D, hängel / en hánc-

[p. 204]origineel

kel / M, uncus, ansa, climacter. Tot dit † Héngel is betrekkelijk ons Héngelen, rondom héngelen, I. CL: ambire, cursitando vel volando; als zwervende zo digt rondtom, als of men ergens aen vast was blijven hangen: hoewel ook 't beloeren der hengelaers, om een vischje met den hoek te betrappen, geen quaden gemeenschap hier mede heeft. Voorts ons † Hangende oore auricula inauri ornata; waer uit de oude spreekwijze van de hangende oore, nobili prosapia ortus; om dat, goud of gesteente aen de oorlellen te dragen, een teeken was, zegt Kiliaen, van Adeldom. Verder het H-D, hencker / M, suspensor, lictor, carnifex, tortor; en A-S, haengene / catasta, machina & pegma in quo reus supplicium pendebat; en A-S, hengen / hencgen / ergastulum; en A-S, rod-hengen / crux. Eindeling uit dit Wortel-deel van 't Praes: niet alleen de voorgemelde M-G, gahahan /I. CL: F-TH, hangan / I. CL: A-S, hangian / I. CL: Ysl: haanga / I. CL: en H-D, hengen / hängen / en hencken / I. CL: pendere, suspendere, affigere; maer ook met een overdragt van duistere zinspeling het F-TH, hengon / gehengan /I. CL: H-D, verhängen / I. CL: en ons Héngen, gehéngen, en † verhéngen, I. CL: permittere, consentire, sinere, concedere, connivere; juist niet zijnde, maer eenigsints schijnende van een zelfden aanhang, ter zake van de toelating bij oogluikinge, die men dikwijls verkeerdelijk uitlegt, als of de opziender de uitvoeringe toestemde; even gelijk een ramspoedige in zijne vertwijffeling het gehengen van God zeer dwaeslijk aenmerkt, als of die de wille van zijne beleedigers aanhing: welke uitlegging bevestigt word met het F-TH, of Alam: Kihenkida / consensus; en F-TH, gihengig / consentiens.

Niet qualijk schijnt ook hier op te passen ons Hangel, héngel, en met de Vlaemsche en Zeeuwsche aflatinge van H, ook angel, m: H-D, angel / M, A-S, angel / angle / hamus, uncus, harpago; zo wel om het afhangen van den haek aen het snoer, als om het vasthegten en doen hangen van het op te halene: dus ook H-D, himmel-angel / polus, vertex, cardo coeli; Tür-angel / cardines & plagulae; schiff-angel / anchora. Van ons Hangel, héngel, komt hangelen, héngelen, I. CL: ook † angelen, I. CL: H-D, angeln / I. CL: Angl: Angle / hamo piscari; en overdragtelijk ook van angel, ons angel, m: aculeus, spiculum; en H-D, bienen-angel / M, bij ons byën-angel, m: Aculeus, spiculum apis; om de puntigheid, gelijk bij de dingen waer mede men iets op- en vast-hangt; en ook angel van de aere, arista, om gelijke puntigheid; waer van ons † angelen, I. CL: pungere; en angelier, caryophyllaea, om de Angel-baertjes midden in dien bloem. En, de G in K verwisselt zijnde, volgens de H-D Dialect, komt ook hier mede overeen ons oude † anken, I. CL: figere, de gevoeglijke Moeder van ons anker, n: H-D, anker / M, A-S, ancer / ancre / Angl: anker / uncus, anchora, Hisp: Ancla, Ital: Ancora, Gall: Ancre; als eeniglijk dienende om het vast hegten: hoewel ik het ook niet buiten twijffel reken, of 't Latijnsche Angulus niet den oorspronk vervatte van ons angel, en of 't Latijnsche Anchora niet de Moeder van ons anker, of ook dat wel-eer een en ander met het onze van een zelfden stam oorspronkelijk zij.

Dezelfde rekening is 'er ook te maken van ons énkel, inkel, in-klaeuw, en an-klaeuw, en en-klaeuw m: Sax: Enckel / Ysl: økle / M, A-S, ancleow / F-TH, Ancle / Ang: Ankle (Talus) vermits ingehegt tusschen de Beens-pijpen en den Voet; maer ons énklaeuw, inklaeuw &c., schijnt ook van gelijke afkomst als ons klaeuwen, inuncare, te mogen geschat worden, te meer om dat het Fransche Enclaver hier mede groote gemeenschap vertoont. Wijders zoude ook het Sax: en Geld: énkel (Nepos) op de naeuw-ingehegte maegschap, en het Geld: en Kleefsche énkel, énkle, juvenis arator, op het inhegten van den ploeg betreklijk schijnen.

 

Met het Praeter: komt over een het Vlaemsche Hinge, gehinge, hingen, Angl: hinge / hamus, & cardo; als mede 't Vlaemsche Hingen, gehingen, I. CL: bij ons gehéngen, I. CL. sinere, permittere; en hingenis, bij ons gehéngenisse, permissio, conniventia; van welke overdragt van zin hier voor bij ons gemeld is.

[p. 205]origineel

Gelijk ook past op het Praeter: A-S, hoh / ons voorgemelde Heugel, hogel, m: Climacter; als zijnde een ketting of touw om iet aen te hangen, hoewel met eenen de dienst is, om iets hooger en lager te kunnen hangen na geliefte en vereisch. Hier uit zou men gereedelijk mogen gissen, dat mede hier uit gesproten ware ons Hóóg, A-S, heah / heag / hig en hieh / M-G, hauh / Alam: en F-TH, houg / houh / H-D, hoch / Ysl: haar / Kimb: hau / en ha / Dan: høi / en Angl: high / altus; waer van ons Hóógté, f: F-TH, hohi / F, M-G, hauhitha / F, en A-S / hannesse / altitudo; en A-S, hihtho / F, culmen; en hygde / superbia; en M-G, hauheins / F, gloria; en Kimbr: Haugur / sepulchrum sive bustum multa mole congestum & exstructum; en Hauga Eldur / ignis fatuus, qui apparere solebat noctu, supratumulos, ubi aurum aut argentum abscondebatur, ut habet Ol: Wormii Lex: Runicum; om dat alle hangen op eenige hoogte betreklijk is; te meer, om dat het A-S, hieh / hihtho / en hygde /en 't F-TH, hohi / zo wel op de I, en O, van 't Praeter: en 't A-S, hannesse in 't geheel op 't ingekorte Han voor Hangan of Hahan / passen; maer, hoe men dus uit deze III. CL: 5, rekenschap zou konnen geven van de harde lange óó, die niet alleen nu nog, volgens onze gemeen-landsche Dialect, hier plaets heeft, maer die ook, volgens de geregelde Dialect-verandering, eigentlijk met de M-G, au / A-S, ea / Kimbr: au / en Alam: ou / beantwoord word, kan ik nog niet zien: zonder welk bewijs dit egter nog geene volle toestemming verdient. Dat men al in 't F-TH, hohi de enkele o vind, die op onze zagte O past, geeft in deze niets van belang, dewijl het F-TH, in dit stuk meermaels misloopt, en onzeker gaet, en strijdig met zig zelf, gelijk ook hier bij 't F-TH, houg; hoewel men niet ligt vind, dat 'er ou / tegen onze zagte O komt. Niettegenstaende dit alles zou 'er wel van ouds al een verloop bij dit Praeter: konnen plaets gehad hebben, even gelijk zulks te vermoeden is bij ons volgende Wortel-deel HEEV, omtrent het woord HóóFD.

De Zaek-of Wortel-deelen.

HANK, in Hank, fumarium, carnarium; zie bij 't vorige HANG, in deze Proeve.

 

† HANK, zie daer van bij HINK, in de II. Proeve.

 

HANS, in groote hansen, Domini praepotentes; en Hanse, societas &c; zie daer van bij GUNN, in de II. Pr.

 

HAP, in Happen, arripere dentibus; zie daer van bij HÓUW, in deze Pr.

 

HAUW, in Hauwe, siliqua; zie bij HÓUD, in deze Pr., en in † Hauw, foenum, zie bij HÓUW, in deze Pr.

HE.

De Wortel-of Zaek-deelen.

HÉB, HEEB, HEEV en HEEF, contr: HEF, en HAEV, HAF, en HAD, in ons thans onregelmatige HEBBEN, HAD, (of HADDE), GEHAD, habere, tenere; oulinks ook in Infin:Heven, † heben, † habeh, allen I. CL:

Van het oude † Heven (eertijds in de 3. Pers: Sing: Praes: Indic: Hevet, contr: Heeft) is nog overig ons Heeft, habet; en ons onderhevig, obnoxius.

Van † Heben, is, bij inkrimping van de Accent-Vocael, ons Héb, hébt, en hébben, als mede het oude Praeter: Part: behébt, obnoxius, assuetus, solitus.

Van † Haven, in 't oude Praet:Havede, contr:Hafde, is nog, per Euphon:, het hedendaegsche Praet: Hadde of Had; als mede 't Praet: Part: gehad, voor † gehaved, contr:gehafd: behalven dat van † Haven nog vele takken in zwang zijn, als Have, onderhavig, handhaven, enz., hier nae te noemen.

Als afscheidelijke voorzettelingen worden ook gebruikt onze spreekwijzen van iet òp-hébben, voor, iets opgegeten of doorgebragt te hebben, en iet òp-hébben, voor,

[p. 206]origineel

wat te veel sterken drank ingenomen te hebben; en iet voòr-hébben, voor, iet voornemens te zijn, en iet érgens mede òp-of vòor-hébben, voor, iet ergens mede te bedoelen; en uit-en af-hébben, voor, gedaen te hebben, en by ymand uit-hébben, voor, niet meer in zijn gunst te staen; en iet aèn-hébben, voor, ergens mede gekleed of verciert te zijn, dog iet 'er aen hébben, voor, eenig nut voordeel of vermaek ergens van te konnen trekken.

Dus ook verder M-G, haban / habaida / habiths / I. CL:, habere, tenere, servare; ana-haban / I. CL: habere, continere; ga-haban / I. CL: detinere; en At-haban / I. CL: accedere; Alam: of F-TH, haban (heban / havan) / habeta (habda of hafda en hadde) / gihabet Ec / I. CL: habere, tenere; F-TH, behavon / behaban / bihaban I. CL: Alam: pe-haben / conservare, detinere, capere, tenere, continere; dus F-TH, iro ougun warun bihabitiu / eorum oculi tenebantur; Tat: Harm: p. 219; en Alam: ke-haban / ki-haban / I. CL: tenere, abstinere, continere; en Er-hapen / I. CL: retinere; en F-TH, ar-haban / I. CL: assumere; en int-haban / I. CL: assumere, & sustinere; A-S, hafan (haban / haebban) / haefde / haefed of haefod / habere, tenere; genoegsaem als I. CL: dog ook onder de A-S, V. CL, geplaetst, om den kleinen Euphonie-sprong; H-D, haben / hatte / gehabt. Onreg:, habere, tenere; Ysl: hafa / habere, sed plerumque verbum auxiliare pro Praeter:; in het Praes: Ind: eg heffe / Subj: eg hafe / in Praeter: Indic: haffde / Subj: hefde; in Praet: Part: haffdur / mede omtrent als I. CL.

Hoe 't omtrent 7 of 8 eeuwen geleden is, dat in de A-S, en F-TH, schriften, dit Hébben als hulpwoord voor de Praeter: Perf: & Plusquamperfecta, eerst in gebruik geraekte, schoon van onze Duitsche Volkeren dit hulpmiddel tot de Italianen, Spanjaerden en Franschen overgegaen is, heb ik omtrent op 't einde van onze X. Redewiss: vermeld.

't Is al opmerkelijk dat het Latijnsche Habere, waer van het Fransche Avoir, Ital: Havere, Hisp: Aver komt, zo gelijkvormig is aen die van Duitschen Stamme: hoewel niet wonderlijk, als men de Europische Talen uit eene moeder gesproten agt.

Aengezien dit Verbum eigentlijk als I. CL: is aen te merken, en niet, dan bij verloop, onder de Onger: Ongelykvl: geraekt is, zo zullen we de Takken niet na de bezondere Tijden, maer na de Zakelijke Deelen van elke Dialect rekenen.

 

Tot het Zakelijke Deel van het thans gewoonlijke Praesens van Hébben behoort ons † Hébbig, tenax, avidus, parcus; en hébbelyk, habilis, decens, scitus, compositus, aptus; Ysl: haefur / aptus; als die de dingen hebben en daer meê weten om te gaen; met gelijke overdragt als 't Latijnsche Habilis van Habere: en hébbelyk in gewaed, comptus, quodammodo congruens; als volgens de gewoonte van die wat hebben; en † hébbing; res, facultates, & qualitas ac forma corporis & cujuscunque rei; en † Hébbing, nu hébbelykheid, habitudo, habitus, convenientia, & congruentia; en verder ons behébt zyn met eenige quale, obnoxium esse aliquo morbo; zijnde dit het nog overige Praet: Part: van ons Hébben, oul: I. CL:, gelijk ook Alam: pe-hafter / occupatus.

 

Tot † Heven, tenere; ons onderhevig ook onderhavig, subjectus, obnoxius, & tr: assuetus; even als ons behébt hier boven: en, bij inkortinge en gevolglijke verscherpinge van V in F, ons Héft, n: Manubrium, capulus, fibula; als waer aen men iets vast houd, en in de hand heeft; A-S, haeft / manubrium, vinculum. Euphonicè of liever na den H-D: trant van CHT in FT, of dit in dat, komt ook bij dit woord CH, in steê van F, even als bij ons Gracht voor Graft, van Graven; dus mede Hécht, n: in de Vlaemsche Dialect Hicht, manubrium; en daer van ons Héften, héchten, I. CL: Flandr: Hichten, I. CL: F-TH, heftan / I. CL: alligare, adjicere, figere, annectere; M-G, ga-haftjan / I. CL: adhaerere; en ons gehécht, fixus, firmus, devinctus, alligatus; en oul: † gehécht, n: Ager, lignetum sepibus circumscriptum, ab usu publico separatum, & custoditum. Dog ook † Héchten, en mede met A, † Hachten, en † Haften I. CL: apprehendere, tenere; A-S, haeftan / I. CL: capere; en ge-haeftan / I. CL: captivare; en haeftling / en heaft-

[p. 207]origineel

ling / captivus; en Ysl: haft / N, compes; en ons Héchtenisse, f: Carcer, captivitas; en † lyf-hacht, nexus; en † ongehacht, liber, non obnoxius. Dog van ons Héft, dat uit Héffen, sublevare, komt, zie bij 't volgende Wortel-deel HEEV.

 

Tot † Haven, habere; ons Have, have en goed, H-D, hab und gud / A-S, haefene / res facultates, supellex, substantia; en A-S, haefen-leas / hafen-leas / inops; bij ons Have-loos, wan-havig, olim, nibil habens, pauper, nunc tr: more pauperum incomptus, negligens, sordidus; en in tegendeel ons Havenen, I. CL: instruere, ornare, mundare; gelijk gewoonlijk en ook welvoeglijk geschied bij den gegoeden en welgemanierden: maer ook, iemand leelik havenen, aliquem verberare, lacerare, deformare vel diffamare; en ongehavent, incultus, & inornatus. Voorts ons onderhavig ook onderhevig, obnoxius, subjectus, assuetus, als veeltijds met iets behebt; en onder-have, f: Haedera, terrestris; als zig onder en laeg bij den grond houdende: en F-TH, arhabani / int-habani / assumtio; ons † oor-have, principium, origo; ons † reede-have, f: Supellex, mobilia; en † Hand-have, ansa, capulus, manubrium; waer van ons Hand-haven, I. CL: asserere manu, vindicare, conservare, defendere, liberare. Wijders ons Haven, f: A-S, haefen / Angl: haven / Ysl: høffn / F, portus, unde & Gall: Havre; als waer in de schepen en goederen onder de magt van den Eigenaer geraken; even als bij ons Behouden, in behouden have, van Behouden afkomstig.

Maer, gelijk de Havens aen grooter wateren grenzen, zo schijnt ook die zin op het diepe der Zee overgedragen te zijn in 't Ysl: Haff / N, pelagus; waer op wel past ons Haverye, in 't Zeeuwsch en Vlaemsch avary, f: Factura sive damnum in mari, unde Gall: Avaris. Verder ons Havik, m: A-S, hafoc / Ysl: Haukur / M, F-TH, havek / M, accipiter; om zijne Roof-lust bij uitstek alzoo genoemt, even gelijk Accipiter van 't Latijnsche Accipere; waer toe verder ons Haviks-kruid, n: Hieracium, accipitrina lactuca silvatica; als 't welke zo men zeid, de Havikken schrabben, en het sap aen hare oogen strijken, tot opheldering van 't gezigt: en ons Haviks-stéén, m: Hiracites gemma; om de koleur aen de Havikken gelijk.

Wijders, met de inkrimpinge van de A, en gevolglijke verscherpinge van V in F, ons † Haft, Euphon:Hacht, nodus vinculum; waer toe ons gemelde † Haften, † Hachten, I. CL: tenere; 't Ysl: Haft / N, compes; ons † lyf-hacht, nexus; en † ongehacht, liber, non obnoxius; het Al: pe-hafter / obnoxius; benevens het F-TH, namahafti / appellatio; en ons postpositivum Haftig, in deugd-haftig, virtuosus; als Deugdbezittende, en zig daer aen vasthoudende; en het Geld: Haft-géld, haft- pénning, arrha; een Goodspenning die men heeft tot vastigheid van eenigen koop of onderhandeling, enz.; zie ook hier van bij onze Grondsl: II. Verhand: § LXXV. Evenwel kunnen ons Hacht en Hécht voornoemt, zo men de H als een voorwerpsel aenmerkt met gelijk regt tot ons † acht, en † écht, nodus, vinculum, betrokken worden, zie bij ons EIG, in de II. Proeve.

De Zaek-of Wortel-deelen.

HÉCHT, in Hécht, en Héchten, en Héchtenis, zie daer van bij 't vorige HEB, in deze Pr.; en bij EIG, in de II. Proeve.

 

† HEEB, in † Heben, habere; zie bij 't vorige HEB, in deze Pr.

 

HEEF of HEEFT, zie bij 't vorige HEB, in deze Pr.

 

HEEF, uit † Heven, sustollere, elevare; zie bij 't volgende HEEV, in deze Proeve.

 

HEEG, zie bij 't volgende HYG, in deze Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

HEEL, HOOL en HAL, in HELEN, † HOOL, † GEHOLEN, II. CL: 4. cela-

[p. 208]origineel

re, abscondere; zijnde het Praet: Imperf: Ind: & Subj: benevens het Praeter: Part: thans reeds versleten; dog volledig is bij ons nog in gebruik het Compositum verhelen, verhool, verholen, II. CL: 4, celare, abscondere; en oulinks mede † onthelen, II. CL: 4, prodere, revelare arcanum. Maer, dezen van de II. CL: 4, hadden ook eertijds in Imperf: de A, in steê van O, en in Praes: of Infin: ook I of IE; zie daer van in onze Grondsl: II. Verh: § VIII.

F-TH, helan (en verhelan / Al: far-helan) / hal / geholen / III. CL: 5, abscondere, celare; A-S, helan / hal of hael / geholen / II. CL: 5, celare, tegere; H-D, ver-hehlen / ver-hohl / 2er-hohlen /II. CL: 3, dog ook I. CL: celare; Ysl: hil / tego; in Praet: hulde / in Praet: Part: hullen / en huldur / IV. CL: 2, naemlijk van de verloopene soort; nog ook, om 't bedekken, het Ysl: thad Hielar / I. CL: pruinâ tegitur terra; in Praet: thad Hielade.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens ons Heler m: H-D, häler / M, occultator, celator, receptator; waer van onze spreekwijze, de heler is niet beter als de steler, fur atque celator poenâ pari digni; en van zulk een Wortel-deel ook 't A-S, helian / I. CL: celare; be-helian / I. CL: coöperire; en un-helian / I. CL: prodere; en 't H-D, verhehlen / verhälen / I. CL: celare, abscondere.

Maer, met de ingekorte é, ons † Hél, † Hélle, f: A-S, helle / sepulcrum; als waer in de lijken geborgen worden; Kimbr: en Ysl: Hel / N, Lethum; en Kimbr: Helverkur / morbus lethifer; en Ysl: Helia / interitus, als de middel oorzaek, waer door de Menschen ten grave of ter helle raken. Dog ook Ysl: Hella / F, petra; en ons oude † Hél, † Hélle, altus; en † Hil, † Hille, Angl: hill / collis, tumulus, monticulus: dus zegt ook Gabbema in zijne Nederlandsche Watervloeden, p. 242, om het lijf te bergen liepen ze na een hoogen Hil of werf: en A-S, hil / mons; en uit het Praet: met O, ons † Holm, m: A-S, holm / collis, mons, clivus, insula amnica, quin etiam abyssus; Kimbr: Hol / M, collis; en Holme / M, insula mari aut stagno circumflua, item, quivis locus circummensus; unde & A-S, stylo poëtico Holm / mare, aqua; en A-S, healme / culmen; en Holmege / clivosus; om datze van ouds, of in de Bergen of Steenrotsen begroeven, of de graven op heuvels stelden, of die, om kenbaer te zijn, met heuvels bedekten. Dus komt Hél en Hil van Helen, gelijk ons Berg van Bergen. Wijders het Geld: Hilde, hooischelf, pabulatorium promptuarium, foenile; als een berg-stapeling van hooi. Maar overdragtelijk is van Hél, sepulchrum, ook ontleent ons Hél, hélle, f: F-TH, hella / hella-wizi / M-G, halja / F, Dan: Helffuede / A-S /hel / helle / 2ellewite / en hylle / H-D, helle F, en ook uit het Praet: H-D, hölle / infernus, inferorum sedes, gehenna, tartarus, telluris operta; als het diep verborgene onder de Aerde, het rijk van Pluto volgens de meeninge der Ouden, en volgens 't Christendom de rampzalige staet en verblijsplaets der onvroome zielen: waer van de akeligheid van 't Graf een zinnebeeld verstrekt. Hier van ons Hél-hond, m: A-S, helle-hund / cerberus; en Hélle-vege, f: Virago; en Hélsch, Ysl: Hel-viskur / infernalis. Maer, gelijk de Bergen en Heuvels voor duistere verberg- en begraef-plaetsen verstrekten, en daerenboven, om hare verheventheid, zig kenbaer en klaer zelfs van verre vertoonden, schoon andersints het klaere en duistere tegenstrijdigheden zijn, zo is ook die tweederhande zinspelinge te vinden in ons Hél-donker, perobscurus, naemlijk zo donker als 't Graf, en Hél-licht, perlucidus, zo licht en klaer als een berg in de lucht; en Hél, hélder, H-D, hell / lucidus, clarus, dilucidus, excellens; Hélle zonne, sol clarus; en Hél, † héllig, H-D, hael en helle / sonorus, tinnulus; † on-één-héllig, dissonus; en Hélle stém, vox clara; en 't oude Vlaemsche † Hélm, echo; waer van 't Vlaemsche † Hélmen, I. CL: resonare, retonare; en 't H-D, hallen / I. CL:, resonare; van 't H-D, hal / M, sonus, clangor; en van ons Hélder, ook oul: uit het Praet:Hael, perlucidus, clarus, & tr: tenuis, subtilis, transpirabilis, ons op-hélderen, I. CL: H-D, hellen / I. CL: albescere, clarescere, illucescere, lucidum fieri vel facere. En, tot de beteekenis van Hél, Hélder, perlucidus, excellens, is ook betrekkelijk

[p. 209]origineel

ons Héld, m: Vir excellens, Heros; A-S, haeleth / Dux, vir excellens, & juvenis; even gelijk men thans een Vorst zyn Door-luchtigheid noemt, hoewel ook de zin goed komt, als men die afleid van het A-S, heldan / healdan III. CL: 4, servare; om dat hij geen Held mag heeten, die geen behouder is; of anders van 't A-S, haelan / sanare, servare; of 't A-S, haldan / domare; want dit alles past op die benaming. Men vind ook in 't A-S, haele / Dux, zonder th of d / 't gene aenwijst dat de D hier een terminatie is. Voorts, gelijk de bergen en hoogtens eene afgaende schuinte hebben, zo behoort ook hier toe ons Héllen, † hélden I. CL: F-TH, heldan / I. CL: declinare, en F-TH, int-heldan / 2idergeheldan /I. CL: inclinare, reclinare; A-S, hald / 2alde /cernuus; Alam: fram-halde / pronus; als na de aerde hellende; en ons Héllinge, f:Hélde, f: Inclinatio; en Hélling, f: Navale, locus quo naves aedificantur, & reficiuntur; om dat de grond helt of schuin is voor 't afloopen der schepen, behalven dat men ook aldaer de vaertuigen omhaelt om te kalefateren. Dog de schuintens doen ook glibberen, waer toe dan ons † Hél, Ysl: Haal / lubricus.

Maer, wederom met den oorspronkelijken zin van Dekken of iets onder zig verbergen, en met den uitgang M agter aen, die ook al plaets heeft gehad bij het reedsgenoemde Holm &c, ons Hélm, m: H-D, Helm / M, Ysl: Hialmur / M, Angl: Helmette / Galea, cassis, unde vulgò Helmus, Gall: Heaulme, Hisp: Yelme; waer van ons Hélmen, I. CL: H-D, Helmen / I. CL: galeam induere; gelijk ook A-S, Haelme / tectum; Helm / corona, galea; gehelmed / coronatus; en Helmicht, frondosus; en ons Hélm, m: Pileus naturalis, membrana quam infantes nonnulli in ipso ortu capiti obvolutam praeferunt, vulgò Galea; en overdragtelijk ons Hélm, m: Hélm-stok, ansa, gubernaculi, pars summa clavi; A-S, Helma / Healma / clavus; uit een oud en nog niet verstorven gebruik van een Helmdragend hoofd aen den Stuer-stok te hebben. Wijders Hélm, duin-hélm, m: Carex, juncus acutus; een soort van Lisch of Biezen, die geplant word op de Duinen, om de afstuiving van de kruinen en hellende schuinte te verhoeden, en te dekken: en Hélm-ruite, f: Ruta canina, galeopsis; om de Leeuwe-bek- of Katskoppige-bloem, gelijkende na de gewoone figuer-verbeelding van de Helmen: en Hélm-kruid, n: Chelidonia minor; een laegkruipend soort van Renonkels, welker bloemtjes na kranshoedtjes gelijken, A-S, helmiht / frondosus; ook A-S, Halm / stipula; en Healme / spica; en Helm / Haelme / culmus; Ysl: Halmur / M, paleae; bij ons mede met A uit het Praeter:, Halm, m: H-D, Halm / M, culmus, stipula, calamus; 't zij als 't dekkroontje, 't zij om de gelijkheid aen den Duinhelm, of om de holpijpigheid der stoppels; want dat de zin van Hol ook tot de Takken van dezen Stamboom behoort, zullen we straks aenwijzen.

Ons Héél, † Heil, M-G, Hails / A-S, Hal / sanus, integer, sanatus, salvus, waer van ons Heelen, † heilen, I. CL: sanare, en waer toe ons Heil, M-G, Hails / A-S, Hael / Haelo / F-TH, Heil / salus, en ons Heilig, Ysl: Heilagur /A-S, Halig /F-TH, Heilig / Sanctus, enz., zouden wegens den zin ook wel hier toe kunnen betrokken worden, als men aenmerkt, dat, in de genezinge en heelinge der wonden, de bedekking of overdekking van de nieuwe vel-korst nootzaeklijk is; maer vermits de éé, nogte EI, tot deze Classis behooren, zo agt ik dat ons Helen, celare, en Heelen, sanare, gantsch onderscheiden zijn aen te merken, gelijk ook bij alle de Oudheid geschied is.

 

Tot het Praeter: met A, behalven het reets-genoemde † Hael, perlucidus &c; en Halm culmus, stipula, calamus, ook ons Halm-goedinge doen, Halm schieten, Flandr: strooiken worpen, infestucare, stabilire alienationem, sive venditionem, traditione fustis, calami, virgae, sive stipulae, veteri more, vide Kiliani Dict: Ao. 1599. Verder het A-S, Healle / Ysl: Høl / Angl: Hal / H-D, hall / F, aula, domus publica; en A-S, hael / atrium; en A-S, mycele healle / een groote Opperzale, Marc: XIV. 15, & Luc: XXII. 12: dit waren oulinks voorname groote verhevene huizen, en Vorsten-hoven of Voor-hoven of verwulfde Zalen, waer in, bij tijden van Oorlog, de Landslieden hare Koopmanschappen bergden, en bij Vrede te veil bragten: en als Koopplaets komt hier

[p. 210]origineel

van, ons Hal, f: H-D, hall / halle / F, taberna, domus mercium; vléésch-hal, f: Macellaria taberna; laken-hal, f: Pannorum taberna nundinalis; en zout-halle, salina, locus in quo sal excoquitur; waer van verscheidene plaetsen bij zout-bronnen of zoutbergen gelegen, in Duitschland haren naem voeren. Voeg hier bij het A-S, heallic / palatinus; en ons Halle-bard, héllebard, f: H-D, hallebarte / F, Angl: Halbard / bipennis, quiris, securis Romana, securis aulica, praetoriana; unde vulgò Halebarda, Albarda, & Gall: Halebarde, Ital: & Hisp: Alabarda; want eertijds Barde, een Bijl-spietse, gelijk ook nog H-D, barte / F, ascia, securis. Op het Bergen en Inhalen of ook op de Holte is mede betrekkelijk het A-S, hale / caverna; en A-S, heal /angulus; naemlijk een verborgene hoek; en ons † Hael, † hale, f: H-D, helle / F, furnus, clibanus; en Hael-zwértsel, n: Fuligo; als 't gene boven aen den oven vergadert word: waer van ook † Halter, † Haelter, infurnibulum; als waer mede men 't brood in den Oven inschuift, en daer weder uithaelt: en mooglijk ook, ons Hael, attractio, adferendi sive adducendi actus; als zinspelende op de berging en inhaling in de oude Hoven wel-eer Hal of hael genaemt; waer van ons Halen, I. CL: F-TH, Halon / Halan I. CL: accersere, attrahere, petere; en Halende ziekte f: Morbus contagiosus; als die men door 't bij zijn, of door de inademing op zijn lijf schijnt te halen; en behalen, I. CL: acquirere, obtinere, & contrahere; onthalen, I. CL: tractare, & eripere; en op-halen I. CL: exaltare, & tr: interpolare; en verhalen, I. CL: verschuiven, removere; en verhalen zyne schade, recuperare damnum; en zyn verhael hebben op ymand, authorem habere damni; en verhalen een rede, narrare, recitare; en verhael, n: Narratio, relatio; en den aessem verhalen, I. CL: halitum recipere; waer toe ook ons † Hael, hangel, climacter; en † Halink, haeres; en Hael-bierken, tenuis cerevisia; als gewoonlijk slegt bier, 't gene met de kan gehaelt word in het klein, door 't geringe volk, dat geen geld in voorraed heeft, om 't bij 't vat in te leggen: en † Hale-keel f: Guttur aridum; als van droogte dorstig om 't bier in te zwelgen; en daer uit transl; Hael, exsuccus, siccus, aridus; als zo droog en dor, dat het het vogt inzwelgt, inhaelt, en als verbergt.

 

Tot het Praeter: met O, of haere gelijk-waerdige U of EU, ons Subst: Hól n: F-TH, hola / Ysl: hola / F, A-S; hol / holh en hale / H-D, höle / höhle / F, caverna, antrum; als bequaem om iets in of onder te verbergen, gelijk ook A-S, hol / bij ons verholen, abditus; verder M-G, hulundi / spelunca; en H-D, hölle / infernus; voormaels ook bij ons † Hole in steê van Hól, gelijk als nog in Plur: bij ons Holen en hóllen, cavernae; zo mede ons Adject: Hól, A-S, hol / holh / Ysl: holur / H-D, hol / hohl / cavus, concavus; waer van ons Holen, hóllen, uit-holen, en uit-hóllen, I. CL: ook † Heulen, I. CL: A-S, holian / I. CL: en M-G, us-hulon / I. CL: H-D, hölen / I. CL: excavare, perforare, excidere; en 't Vlaemsche of Walsche Holétte, Hoelétte, pedum; om 't uitgeholde schepeinde van den herdersstaf; en 't Luiksche en Vlaemsche Hoelie, steenkolen, carbones fossitii. Wijders het hólle des voets, vola pedïs; 't hól der hand, hir, concavitas manus; hól bróód, spongiosus panis; hólle stém, vox fusca, non clara, non canora; even gelijk 't geluid bij holle vaten, gantsch anders van zin als 't voorgemelde hélle stém uit een tak van 't Praes: / ontleent: hólle zee, mare aestuans; als hol-golvende, waer op ook past ons hól-bóllig, mente vaga & inquieta; en Hóllen, I. CL: Woeden, aestuare; hoewel ook hóllen, I. CL: raptare currum infuso impetu; gelijk als 't gene van de hoogtens afrolt; dus ook A-S, holan / I. CL: irruere. Nog ook ons Hóller, hólder-bóóm, † Holen-tere, H-D, holder / holler / sambucus; om de holligheid der vliertakken: en hól-blók, n: hólster, m: Calopodium, ex ligno cavato confectum; vermits uitgeholt; en Hólster, knapzak, m: Mantica; als waer in de spijs en reis-behoefte geburgen word: en 't A-S, hol-stan / fornix; om de holte van 't Wulfsel: en met den uitgang M, niet alleen het reetsgemelde † Hólm, clivus, monticulus, & insula amnica, p. 208; maer ook

[p. 211]origineel

ons Hólm, hommel, bombylius, fucus; om 't holle geluid en gesnor in 't vliegen, gelijk ook 't Grieksch βομβύλιος van βόμβος, vox & murmur apium vesparumve; of om 't nestelen in de holle boomen, of ook, met geen minder regt, om de groote holligheid hunner nesten, die ze op een wonderlijke wijze aen de takken der boomen weten te maken. Wijders met EU, ons Heul, f:heulte, alveus, fossa, incile; een holle buis of verlaet onder de aerde, om 't water door eenen dam te laten: Heul f:, † héul-zaed, heul-kóp; en onder een Vlaemsche Dialect ook eul, en oelzaed, en ool, en ool-zaed, papaver; om de bijzonder groote holligheid van 't zaed-huis; en overdragtelijk Heul, n: toeverlaet, toevlucht, profugium, solatium; Ysl: Hool / N, commendatio; om onder de gunst of het vermogen van iemand gedekt te zijn; ontleent, zo 't mij toeschijnt, van de gewoonlijke holen der Oud-Duitschen onder de aerde, waer in de verlegene te samen liepen en zig lot-gemeen maekten; waer toe dan ook te zamen heulen, I. CL: en uit het Praet: met a / het H-D, gehälen / gehällen / I. CL: coire in unum, concordare, conspirare; en Ysl: Haela /I. CL: commendare. Voorts ook † Heul, lot, sors, sortitio; zinspelende zo 't schijnt, of op de gemelde lotgemeenschap, of op de gewoonte, van de lot-steenen, na 't omhutselen derzelven in de holte der beide handen, of in iet ander hols, uit te werpen: waer van ons † Heulen, I. CL: sortiri; en † heule-kote, talus sortilegus. Maer bij dit lotspel der Ouden met Koten of Bikkels, waer van Erasmus in zijn Astragalismus handelt, hutselde men dezelven eerst ter deeg om in iet hols, en wierp haer dan op een Tafel, hebbende de lot-rekening hare betrekking op de holle zijden der koten; gelijk ook uit ons oude † kót, † kote, cavum, latibulum, om de holligheid, ontleent is onze naem van kote, talus, astragalus; zo dat met regt dit Heulen, sortiri, uit eene zinspelinge op de holligheid en heul-kote gevormt is. Voorts ook met U, onder den zin van 't dekken of in zijne holligheid verbergen, ons Hul, f: Fris: Hólle, caput; om de holte van 't bekkeneel; waer van iets in de hul hebben, temulentum esse, vini vapore affectum; en ons Hulle, f: H-D, hulle / tegumentum, capitium, velamen mulicbre capitis; als een deksel van 't hoofd; waer van ons Hullen, I. CL: H-D, hüllen / I. CL: caput tegmine ornare; en ons ont-hullen, I. CL: adimere redimiculum, crines resolvere; M-G, and huljan / I. CL: detegere, & revelare; waer toe men betrekken kan, mits met den uitgang DE, ons Hulde, f: Coronatio Principis, & tr: coronarium, munus quod Principi ad inaugurationem aut novum honorem datur; waer van Hulde doen, en hulden, I. CL: inaugurare Principem, & transl: Obsequium & fidem praestare; hoewel ook dezen met gelijk regt zijn thuis te wijzen tot het oude † Hólden, nu hóuden, III. CL: 6, servare, tenere; als zinspelende op de verbintenis van trouw. Wijders ons Hulsel, n: Capitium; als dekkende het hoofd; en Hulze, f: H-D, hulse / F, folliculus, siliqua, seminum in frugibus involucrum; als de Erten of Wikken in hare holligheid verbergende, zoo, dat ze droog zijnde daer in hol-rammelen; waer toe ons Hulzen-vrugt, f: Legumen; nog ook hulzen, I. CL: H-D, hulsen / I. CL: tussire vehementer; zulks dat men door lankwijlige hoest in een hol- of rammel-hoesten vervalt. Voeg hier bij ons Hulke, f:Holke, H-D, hulcke / F, capitium, pallium muliebre caput tegens; en A-S, hulcle / cubile, tugurium, om het overdekken: en A-S, holc / holoc / vena; om de holbuizigheid der aderen; en ons Hulke, f: ook † Holke, Sax: holck / Angl: Hulcke / navis oneraria, frumentaria, lata, vastaque, unde Ital: Hulca; als groot van holte; en ons Hulke, f: Kinkhoorn, piscis turbinatus; als hare hulk met zig omvoerende.

Eindeling, heeft men ook nog in 't M-G, holon / af-holon / I. CL: 3, defraudare; F-TH, huolan / I. CL: frustrari aliquem; en H-D, uber-holen / I. CL: circumvenire aliquem; en uit het Praet: met a / het H-D, ver-hälen / I. CL: fraudare, decipere; naemlijk door bedekten en verborgen handel iemand misleiden, verstrikken, en als in zijn hol trekken.

[p. 212]origineel

De Zaek-of Wortel-deelen.

HÉÉL, in Héél, en Heelen, sanare; zie deswegen iets bij 't vorige Heel, in deze Proeve.

 

HEEM, in Hemel, ophemelen, gehemelte, hemelen, verhemelen, enz. zie bij HEM, in de II. Proeve.

 

HEESCH, het Praet: van Hyschen, sustollere trochlea; zie bij 't volgende HYSCH, in deze Proeve.

 

HÉÉSCH, raucus; zie daer van bij 't volgende YSCH, in deze Pr., en in 't Vlaemsche Hééschen, I. CL: petere; mede aldaer.

De Wortel-deelen.

HÉÉT of HEIT en HIET, in ons HEETEN († HEITEN), † HIET nu HÉÉTTE, GEHEETEN († GEHEITEN), VI. CL: jubere, & nominare, vocari, & olim promittere; en † ontheiten, en † verheeten, VI. CL: promittere; M-G, haitan / haihait / haitans /IV. CL: 2, jubere, vocare ad se; at-haitan / IV. CL: 2, advocare; and-haitan / IV. CL: 2, confiteri; en ga-haitan / IV. CL: 2, promittere; F-TH, heizzan (heizan en hiezan) / hiez en hiaz / geheizzan / Onreg: of VI. CL: 3 en 4, nominare, promittere; dog ook bij Isid: p. 240, bi-heizssit / confessus; 't gene de I. CL: aenwijst; A-S, hatan (haeten en hetan) / het / gehaten of haten / III. CL: 2, jubere, promittere; dog ook A-S, hatte / nominatus eram, 't gene met ons tegenwoordige Héétte overeenkomt; en A S, hatian / I. CL: jubere; H-D, heissen / hiesz / geheizzen / IV. CL: 3, mandare; en ver-heissen / IV. CL: 3, promittere; Ysl: heita / in Praeter: hiet / III. CL: 3, vocare, vovere, & promittere; Graec: ἀιτεῖν, petere, postulare.

Velerhande beteekenis, duister van overdragt, vertoont zig hier, en ongetwijffelt bij een zelfden stam. Om dit te redden, zie ik die aen als ontleent van 't gedrag der Heeren omtrent hunne slaven of bedienden, of van de Menschen ten opzichte van hunnen God: en dus neem ik voor den oudsten zin, tot zig roepen, en daer toe verder, iemand noemen, en vervolgens, iet afeischen of bevelen. Dog in den Mensch, ten opzigte zijner Godsdienst, eerst aenroepen , & iet afbidden, met bijvoeginge van de belijdenis zijner misslagen, en belofte van beterschap. Dus kan door overdragt de zin zo verschillig geworden zijn.

 

Takken van dezen Stamboom zijn ons † behéét, n: Imperium, ditio, jussum; en † gehéét, n: Mandatum, jussum; en † onthiet, n: Promissum, votum; A-S, gehat / F-TH, geheizze / fur-heizo / votum, promissum; en F-TH, furheizo / sponsor.

Dog ons Heeten, † heiten, I. CL: A-S, hettan / hatian / I. CL: en Ysl: heytta / I. CL: calefacere, & fervefacere, schoon gelijkvormig van gedaente, schijnt mij teverschillig van zin te zijn, om 't hier meê gelijkstammig te rekenen: 't en ware ons Héét, † heit, fervens, accensus, van de vierigheid in 't bevel, of gebéd, of belofte, mogte ontleent zijn.

Het Wortel-deel.

HEEV, in † Heven, tenere; en onderhevig, obnoxius; zie bij 't vorige HEB, in deze Proeve. En Heev, in † Heve, crena, incisura; zie daer van bij 't volgende HÓUW, in deze Pr.: en Heev, in † Heven, elevare &c; zie bij 't volg: HEEV, in deze Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

HEEV of HEEF contr: HÉF, en HIEF of HIEV, en HOF of HOOV, in ons HEFFEN (oul: † HEVEN), HIEF (in Subj: HIEVE), GEHEVEN, eertijds als III. CL: nu Onreg: No: 4, elevare, sustollere; dus ook † onthéffen, elevare; en verhéffen, verhief, verheven, sustollere, elevare; & tr: multum laudare; M-G, hafjan / hof / hafans / III. CL: 1, elevare, sustollere; zoo

[p. 213]origineel

mede M-G, at-hafjan / uf-hafjan / en us-hafjan / III. CL: 1, elevare, sustollere; dog M-G, and-hafjan / III. CL: 1, respondere; als of 't ware, de ingebragte zwarigheid door antwoord ontheffen; F-TH, haban / hafan / (ook Alam: Hefan / Hevan)/huob / gihaban Ec / III. CL: 3, levare; en F-TH, ar-haban / III. CL: 3, exaltare; en ufer-haban / III. CL: 3, sublevare. dog ook F-TH, er- en ar-hevan / ufhevan / I. CL: extollere, en ubar-hepfan / I. CL: sustollere, levare; en Alam: Heffan / imponere. A-S, hafan (en haebban / hebban) / hof en hef / gehafen en heofen / III. CL: 2, levare, & fermentum ejicere; dog ook A-S, hefan / I. CL: en heafian / I. CL: / levare. H-D, hehen / hub (in Subj: hübe) / gehoben en gehaben en gehebet / attollere; Onreg: No: 7, zweemende na die van de III. CL: welk gehaben heeft van 't oude F-TH: en gehebet van Heben / I. CL:; voorts Ysl: Hefia / in Praet: Hoof / III. CL: 2, elevare.

Onder de Oudheid vertoont zig hier in Infinit: behalven de e ook a / en in Praet: behalven onze IE, ook de o en uo / die met onze O en OE beantwoord worden.

 

Tot het Wortel-deel van den Infin: behooren niet alleen de bovengemelde Verba van de I. CL: maer ook ons Heve, f: héf, héffe, f: Elevatio; Hevel, m: Siphon; waer mede, na de eerste opzuiging de wijn of andere vogt blijft opwaerts trekken, om alzo in een ander vat over te loopen. Héf-bóóm, héffer, m: héf-yzer, n: Vectis; een werktuig om iet op te heffen; en Héf-schouder, armus; en Héf-moeder, f: Vulvae exanimatio, sublevatio; en † Heve- en † héf-moeder, † héf-amme, f: obstetrix, quae maturum utero molliter aufert onus; en † Heve, f: Nutrix; als opbrengende, grootmakende, of den zoog-last verligtende. Wijders Heve, héffe, f: & héf, n: héf-déég, n: hevel, m: en héfsel, n: Fermentum, & faex; A-S. haef / haeffe, fermentum; als zig opheffende, en doende oprijzen daer 't bijkomt; waer toe onze spreekwijze van op 't héf loopen, approximare finem; ontleent van 't aftappen der wijnen tot aen den droessem toe, als wanneer men op te houden heeft; en van Hevel, héfsel, ons hevelen, † héfselen, I. CL: fermentare; en ongehevelt, azymus. Voorts Hevel-garen, m: inslag, A-S, heveld / trama, licium, fila, quae stamini intertexuntur; als de verheventheid aen 't werk gevende; en Hevig, Héftig, fervens, & tr: vehemens, iracundus; F-TH, hevig / molestus; en ons Hevigheid, f: Vehementia; en † op-hevig, of ook met A, † op-havig, elatus, stomachosus; en † onhaeflyke goeden, bona immobilia; en mooglijk ook hier toe met A, ons Haver, f: H-D, haber / habern / of hafern / F, avena; om 't hoog opschieten der Halmen.

Van ons Zakelijke deel HEEF, afkomstig uit HEBBEN, oul: † HEVEN, zie hier voor bij HEB.

 

Tot het Praet: Part: het Alam: ke-hafaneer / adjutus; F-TH of Al: er-haban / erhapaner / exaltatus; het A-S, hefen / subgrundia, het onderste van 't Dak, de Nok, het verhevene van 't huis; en A-S, heofen / hafen / gehafen / elevatus, arcuatus; waer toe ook 't A-S, heofon / hefen / heven / en heven-ric / Angl: heaven / coelum; en ons Adj: verheven, elevatus, altus, convexus, & relevatus; en het Subst: 't verheven, n: Sublime; cogitatio vel idea sublimis, divina.

 

Tot het oude Praet: met O, of de gelijkwaerdige OE of EU, ons Heuvel, † hovel, m: Collis, monticulus; F-TH, huvel / M, collis, A-S, hou / mons; F-TH, hufelan / huffelan / genae; en ons † Hovel, † hoevel, en † hoever, m: A-S, hofer / gibbus, tumor; waer van ons † Hovelen, heuvelen, I. CL: assurgere in clivum, excrescere in collem, extuberare; wijders Hovel, hoevel Sicambr: H-D, hobel / M, bij ons Schave, Dolabra, om 't vereffenen der bobbels en heuvels. Maer, alzoo de Duitsche Voorouders, voornaemlijk in de moerassige Landen, gelijk die herwaerts aen en na den Rijnkant vele zijn, de hoogtens of verhevene gronden uitkozen voor hare huizinge, bouw- en teel-landen, zo paste ook hier op hare benaminge van Hoeve, f: hoef-stede en hof-stee f:, villa, fundus; in het middel-eeuwsche Latijn genoemt Huba, hoba; en een Hoeve lands, fundus, jugera aliquot agri, quae uni rustico sufficiant ad alendam fa-

[p. 214]origineel

miliam; en Hoevenaer, hoeve-pachter, colonus, villicus; en ons Hóf, m: oul: mede † Hove, H-D, hof / M, villa, fundus; area, solum, in Plur: als nog bij ons Hoven: sedert bij 't aenwasschen der goederen en bezittingen ook hier van, Hóf, m:hove, H-D, hof / M, hortus, viridarium; waer toe ons Hóf-kruid, n: Holus, herba hortensis, nasturtium, & salvia; en Hof-kunne f: Cunila, satureia, thymbria herba; en Hóf-stede, f:hóf-stad, f: Olim Fundus, nunc nostratibus Solum cui aedes imponuntur, viridarium campestre, laeta domus, hortusque amaenitatis gratia; en eindeling Hóf, n:hove, H-D, hof / M, aula cum atrio, palatium, & subdiale; mede in Plur: als nog Hoven; F-TH, hof / M, atrium; en Frit-hof / M, praetorium; A-S, hofe / domus; en ons voor-hóf, n: Atrium, propylaeum, cors, area villica, subdiale, & olim cavaedium, & colonia, & villa rustica praedio juncta; maer ook A-S, hofe / spelunca, waer op de getuigenis van Tacitus past, medebrengende, dat in zijne tijd de Oud-Duitschen veeltijds onderaerdsche holen voor zig maekten, boven met mest bedekt, tot berginge hunner vrugten, tot een toevlugt voor de koude, en een schuilplaets voor den Vyand; latende niets van belang boven den grond. Wijders van ons Hóf, hove, aula, domus, komt ons Hoven, I. CL:; als, hoven en huizen, I. CL: domo sive hospitio aliquem excipere; gehuist en gehovet zyn, domum & proprium fundum possidere; en † Hoven, I. CL: nu Hóf houden, III. CL: 6, en hovèren, I. CL: aulico more splendidè vivere; en Hoveling, aulicus; en † Hovesch, † heuvesch, nu contr: heusch, urbanus, civilis; en met een Alam: Dialect hupsch, speciosus, bellus; en Hóflyk, amplus, splendidus; en van ons Hóf, hove, hortus, ons † hoven, I. CL: colere hortum; waer van met een Walschen staert ons Hovenier, m: Hortulanus; en daer van Hovenieren, I. CL: colendo hortus quaestum quaerere. Wijders tot Hóf, hoven behooren alle de plaetsen en steden daer van benaemt, als schoonhoven, Schonhovia, opp: Hollandiae, enz.

Maer, gelijk ook voormaels de Hoeven enkelijk tot 's levens onderhoud verstrekten, zo schijnt welvoeglijk hier uit gesproten te zijn ons Hoeven, behoeven, I. CL: opus habere, ad necessitatem pertinere; waer van ons behoef, n: behoefte, f: Necessitas, usus, egestas.

 

Dog het gemelde A-S, heaftan / I. CL: levare, 't gene uit een Tak (waerschijnlijk uit het Praeter:) van dit A-S, hafan / III. CL: 2, levare, gesproten is, toont met zijn ea / die eigentlijk onze ÓÓ, en de M-G, Kimbr: Ysl: Al: en H-D, au / en F-TH, ou / beantwoord, dat 'er bij dit Verbum, zulk een verloop heeft plaets gehad; ter welker gelegentheid hier uit gesproten schijnt, het A-S, heafud / heafod / heafde / ook haefde en hevet / M-G, haubid / N, H-D, haubt / N, F-TH, houbit / hoyved / N, Alam: haubit en habit / Kimbr: hofud / Ysl: hoffud / N, Dan: hoffuit / Angl: head / bij ons Hóófd, n: Caput, suprema & primaria pars rei; als het verhevene, opgeregte, en voornaemste deel. De zagte o / bij 't Kimbr:, Ysl: en Deensch, en de e / bij 't A-S, hevet / passen nog op 't gewoone Praeter: van de Stamboomen van dit ons onderwerp: voorts transl: Hóófd, princeps, primarius vir, & promontorium, & moles fluctibus opposita.

De Zaek-of Wortel-deelen.

HÉF, in Héf, Héffe, Héf-bóóm, Héffer, Héf-yzer, † Héf-moeder, † Héf-amme, Héfsel, † Héfselen, en Héftig, zie bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

 

HÉFT, in Héft en Héften, zie bij 't vorige HEB, in deze Proeve, en HEFTIG, bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

 

HEY, in 't Vriesche Hey, foenum &c; zie bij HÓUW, in deze Proeve.

 

HEIL, in Heil, sanus, integer; † Heilen, sanare; en Heilig, sanctus; zie deswegen vermeld bij 't vorige HEEL, in deze Proeve.

[p. 215]origineel

HEIM, in † Heimelen, abscondere; Heimelyk, clam; Heim, sepes, septum, septimentum; Heimen, sepire, obvallare; Heimsel, sepes, septum; † Heimet, patria, locus natalis, Heimraed, communis terrae consiliarius; en verder Heim, geheim, en inheimsch, uitheimsch, als mede Heimel, Heimke, gryllus domesticus; zie daer van bij HEM, in de II. Proeve.

 

HEISCH, in 't Vlaemsche Heischen, petere; zie bij † YSCH, in deze Proeve.

 

† HEIT, in † Heiten VI. CL: jubere, nominare, vocari, & olim promittere; en † ontheiten, promittere; als mede iets van † Heiten I. CL: calefacere; zie bij 't vorige HÉÉT, in deze Proeve.

 

HÉL, in Hél, Hélle, olim sepulcrum, & nunc infernus; Hélhond, cerberus; Hélle-vege, virago; † Hél, † Hélle, altus; Hél, lucidus, clarus, dilucidus, excellens; Hél-licht, perlucidus; Hél-donker, perobscurus; Hél, Héllig, sonorus, tinnulus; en Héllen, declinare; en Hélling, & declinatio, & navale; en † Hél, lubricus; en Héllebard, securis Romana; zie bij 't vorige HEEL, in deze Pr.

 

HÉLD, in Hélder, lucidus; † Hélden, declinare; † Hélde, declinatio; en Héld, dux, heros, vir excellens; zie daer van bij 't vorige HEEL; en van † Hélde, compes, numella, pedica; als mede van Héld, heros; zie ook bij 't volgende HÓUD, in deze Proeve.

 

HÉLFT, in Hélfter, capistrum; zie daer van bij HÓUD, in deze Pr.

 

HÉLM, in † Hélm, Echo; † Hélmen, resonare; Hélm, galea, cassis, & pileus naturalis, & ansa gubernaculi, & carex, juncus acutus; en Hélmen, galeam induere &c; zie daer van bij 't vorige HEEL, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

HÉLP, &c, in ons HÉLPEN, HIELP (HOLP of HULP), GEHOLPEN of GEHULPEN, IV. CL: 3, juvare, prodesse; en zig behélpen, IV. CL: 3, se sustinere; iemand om- of van kant-hélpen, IV. CL: 3, interficere aliquem; M-G, hilpan / halp (in Subj: hulpau) / hulpans / II. CL: 2, juvare; F-TH, helfan (helphan / helpan) / halph (in Subj: hulphi / hulfi) / gihulphan en giholphan / II. CL: 4, juvare; A-S, helpan (hylpan) / halp (healp) / geholpen en holpen / II. CL: 3, juvare; H-D, helfen / half (in Subj:: hülfe) / geholfen / III. CL: 2, juvare; Kimbr: ad hielpa / Dan: hielpe / Angl: help / juvare.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praes: met E, en van 't Praet: Subj: met U, ons † hélpe, f: nu hulpe, f: F-TH of Alam: helfa / helpho / A-S, hylp / helpe / H-D, hulffe / F, adjutorium, auxilium; en 't oude † hélp-géld, n: Oblatio, subsidia; en ons behélp, behulp, n: Auxilium; waer van ons † behulpen, I. CL: auxiliari, uti, frui, & fovere, nutrire; en behélpsaem, behulpsaem, auxiliaris, enz.

De Zaek-of Wortel-deelen.

HÉLSCH, zie bij HEEL in deze Pr.

 

HÉM, in Hém! Heus! en Hémmen, abeuntem revocare &c; zie bij de II. Proeve.

 

HÉMD, interula; zie daer van bij HÉM, in de II. Proeve.

 

HÉNG, in † Hénge, † gehénge, † Héngene, cardo, ansa; † Héngee, climacter; en Héngel, hamus; en Héngelen, ambire cursitando vel volando, & hamo piscari; en Héngen, gehéngen, permittere, consentire, connivere; zie daer van bij 't vorige HANG, in deze Proeve.

[p. 216]origineel

HÉNK, in † Henke, coxa; zie bij HINK, in de II. Proeve.

 

† HÉNS, in † Hénsen, in numerum sociorum recipere; zie bij GUNN, in de II. Proeve.

 

HEUG, in Heugel, climacter; zie bij 't vorige HANG, in deze Pr.

 

HEUK, in uit-heukeren, zie daer van bij ÓÓK, in de II. Pr.

 

HEUL, in † Heulen, excavare; Heul, † Heulte, alveus, fossa, incile; Heul, Heulzaed, Heulkóp, papaver; Heul, profugium, solatium; te zamen heulen, coire in unum, conspirare; † Heul, sors, sortitio; en † Heulen, sortiri; en Heul-kote, talus sortilegus; zie bij 't vorige HEEL, in deze Proeve.

 

HEUSCH, urbanus, civilis; zie bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

 

HEUV, in Heuvel, collis, monticulus; Heuvelen, assurgere in clivum; en † Heuvesch, urbanus, civilis; zie bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

HI.

HICHT, in 't Vlaemsche Hichten, figere, & apprehendere; zie bij HEB, in deze Proeve, en bij EIG, in de II. Pr.

 

HIEF, zie bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

 

HIEL, in Hiel, Hiele, calx; Hielyk, matrimonium; † Hielte, capulus, manubrium, & talus ovillus; en † Hielten, ludere talis; zie daer van bij 't volgende HÓUD, in deze Proeve.

 

HIELD, zie bij HÓUD, in deze Proeve.

 

HIELP, zie bij HÉLP, hier voor in deze Proeve.

 

† HIELT:, in † Hielte, capulus, & talus ovillus; en † Hielten, ludere talis; zie bij 't volgende HÓUD, in deze Proeve.

 

† HIES, zie bij HOOZ, in de II. Proeve.

 

HIET, in † Hiet het oude Praet: van Heeten, en in onthiet, promissum, votum; zie bij 't vorige HÉÉT, in deze Proeve.

 

HIEV, zie bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

 

HIEUW, zie bij 't volgende HÓUW, en ook iets daer van bij HÓUD, in deze Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

HYG, HEEG, en GYG, in ons HYGEN, HEEG, GEHEGEN, II. CL: 1, dog ook I. CL: anhelare, animam celeriter ducere; & aspirare; voormaels ook GYGEN, anhelare; en H-D, Keichen / anhelare. Even gelijk het Latijnsche Anhelare niet alleen moeilijk en haestig adem halen, maer ook iets met drift betragten beduid, zoo mede ons Hygen. En, deze haestige drift, 't zij om Adem, 't zij om iet anders te bekomen, schijnt de oorspronkelijke kragt te behelzen; terwijle het moeilijk Adem-halen geen ongewoon gevolg is van al te groot een spoed. Dit bevestigt ook het A-S, higan / contendere, festinare; en Higian / I. CL: aspirare, attendere; en ook A-S, hagian / I. CL: aggredi. Of nu dit A-S, higan / Ongelijk-vloeijend en gevolglijk van de A-S, III. CL: 1, zij, of niet, dés ontbreekt mij blijk. Dog dat 'er wel eer zulk een A-S, higan / III. CL: 1, geweest zij, wijst dit A-S, hagian ons aen, welks zakelijke deel hag met zulk een Praeter: overeenkomt. Verder ken ik geene makkers tot ons Ongelijkvloeijende Verbum.

 

Tot het Praes: met g betrek ik het A-S, gihsa / gihsung / singultus; en met k / het H-D, Keicher / asthmaticus, anhelator.

[p. 217]origineel

En, tot het oude Praet: met A, ons Gagen, I. CL: Gagelen, I. CL: H-D, gagen / gagelen / gagsen / gächsen / en gäken / I. CL: gingrire, glocitare; om de schielijkheid van 't geluid, als bij iemand die na zijn Adem snikt; gelijk ook om gelijke rede het A-S, gagul-suillan / gargarizare; en 't Geld: gagel, palatum, caelum oris; als 't werktuig van 't Gagelen; 't en ware deze klankna-bootzers waren: maer het H-D, gähling / gäh / subito, repentinus, ziet alleen op den zin van 't snelle. Nog is 'er een Heesterkruid dat Gagel, A-S, gagel / en gagolle / pseudomyrtus, heet, en bij gebrek van hoppe in de bieren gedaen word, en, zo men zegt, haestig dronken maekt. Dog de rede van dien naem kan ik nog niet na genoegen uitvinden.

Het Zaek-of Wortel-deel.

HYL, in Hylyk, conjugium; en Hyliken, matrimonio jungere, & jungi; zie daer van bij 't volgende HÓUD, in deze Pr.

De Wortel-en Zaek-deelen.

HYSCH, en HEESCH, in ons HYSCHEN, HEESCH, GEHESCHEN, II. CL: 1, dog ook I. CL: sustollere trochleâ, waer op ik niets heb bij te brengen, dan, dat ik dit gantsch onderscheiden agte van 't H-D, heischen / IV. CL: 3, petere; 't gene eigentlijk ons oude † yschen, II. CL: 1, petere, in de Vlaemsche Dialect ook † Hyschen, petere, beantwoord, waer van we bij 't volgende Wortel-deel YSCH, in deze I. Proef zullen spreken; gelijk ook van ons HÉÉSCH raucus.

De Zaek-of Wortel-deelen.

HYZ, in † Hyzel, en † Hyzelen, zie daer van bij OCH, in de II. Pr.

 

† HIL, in † Hil, † Hille, collis, tumulus; en Hilde, foenile; zie bij HEEL, hier voor; en † Hille, capulus, manubrium; zie bij 't volgende HÓUD, in deze Proeve.

 

† HILT, in † Hilte, capulus, & talus ovillus; zie daer van bij 't volgende HÓUD, in deze Proeve.

 

HING, in Hing 't Praet: van Hangen, en in 't Vlaemsche Hinge, Hingene, hamus, & cardo; en Hingen, gehingen, sinere, permittere, connivere, enz., zie bij 't vorige HANG, in deze Proeve.

 

HINK, in Hinken, en Hinkelen, zie bij HINK, in de II.Proeve.

HO.

HOED, in Hoeden, protegere, pascere; en Hoede, custodia, protectio; en Hoed, pileus, zie bij 't volgende HÓUD, in deze Proeve.

 

HOEF, in Hoef-stede, villa, fundus; en behoef, behoefte, necessitas, usus, egestas, zie daer van bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

 

HOEK, in † Hoeker, foenus, & propola; zie bij ÓÓK, in de II. Proeve.

 

HOEL, in Hoelétte, pedum; en Hoelie, carbones fossitii; zie daer van bij HEEL, in deze Pr.

 

HOEV, in † Hoevel, gibbus, tumor; 't Geld: Hoevel, dolabra; Hoeve, villa, fundus; en Hoeven, behoeven, opus habere, ad necessitatem pertinere &c; zie daer van bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

 

HÓF, in Hóf-stee, Hóf, en Hóflyk; zie daer van bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

 

HOY, foenum; zie daer van bij 't volgende HÓUW, in deze Pr.

 

HÓL, in ons Subst: Hól, en Adj: Hól, en 't Verbum Hóllen, uithóllen, excavare; Hólbóllig, menta vaga & inquieta; en Hóllen, aestuare, raptare cur-

[p. 218]origineel

rum infuso impetu; en Hóller, sambucus; Hólblók, calopodium; Hólster, calopodium, & mantica; zie daer van bij 't vorige HEEL, in deze Pr.

 

† HÓLD, in † Hólderbóóm, sambucus; zie bij 't vorige HEEL; en in † Hólden, III. CL: 6, habere, tenere, servare, &c; † Hóld, fidus, affectus; amicus; † Hólde, † Hóldte, capulus, ansa; en in † Hólderbóóm, acer; zie daer van bij 't volgende HÓUD, in deze Proeve.

 

† HOLK, in † Holke, capitium, pallium muliebre caput tegens; & navis oneraria; zie daer van bij 't vorige HEEL, in deze Proeve.

 

† HÓLM, in † Hólm, clivus, monticulus; & insula amnica; en Hólm, bombylius; zie daer van bij 't vorige HEEL, in deze Proeve.

 

HOLP, zie bij HÉLP, hier voor in deze Proeve.

 

† HÓLT, in † Hólt, lignum; & sylva; en Hóltblókken, calones; zie daer van bij 't volgende HÓUD, in deze Pr.

 

HONK, zie bij HINK, in de II. Proeve.

 

HÓÓFD, caput &c; zie daer van bij HEEV, in deze Proeve.

 

HOOG, in Hogel, climacter; zie bij 't vorige HANG, bij deze Proeve; en ook iets aldaer van HÓÓG, en HÓÓGTE.

 

HOOY, foenum; zie daer van bij 't volgende HÓUW, in deze Proeve.

 

HOOL, in verholen, abditus; † Hole, caverna, cavum; & cavus; Holen, uitholen, excavare; † Holen-tere, sambucus; zie bij 't vorige HEEL, in deze Proeve.

 

HÓÓS of HÓÓZ, in Hóós, exhaustio aquae, turbine aerea excitata; Hóós-vat, Hooze, haustrum, capula; Hóós-drup, suggrundia; Hoozen, exhaurire, & capulâ dispergere; zie bij Hóóz, in de II. Proeve; en aldaer ook iets van Hoze, ocrea.

 

HOOV, in † Hovel, collis, gibbus, tumor; † Hovelen, excrescere in collem, extuberare; 't Geldersche Hovel, dolabra; en † Hove, villa, fundus, hortus, aula, palatium, subdiale; Hoven en huizen, hospitio aliquem excipere; gehuist en gehovet zyn, domum & proprium fundum possidere; † Hoven, aulico more splendidè vivere; Hoveling, aulicus; † Hovesch, urbanus; en † Hoven, colere hortum; en Hovenier, enz.; zie bij 't vorige HEEV, in deze Proeve.

 

HÓU, in Hóu, celeusma, eheus! Hóu-bootsman, celeustes; Hóulyk, Hóulyken, en Hóubaer, nubilis; zie daer van bij 't volgende HÓUD, in deze Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

HÓUD († HÓLD, † HALD) en HIELD, in ons HÓUDEN (oul: † HÓLDEN, en † HALDEN); HIELD, GEHÓUDEN (oul: † GEHÓLDEN, † GEHALDEN) III. CL: 6, habere, tenere, capere, servare, detinere, custodire, in potestate tenere; in schrijftael gebruikt men nu altijd Hóuden, dog in gemeene spreektael verloopt dit in Hóuwen (in 't Brabands hauwen en hauden); en 't Praet: Hield verloopt in hieuw, en hiel: dit heeft ook plaets bij de verdere beteekenissen, als bij Zig Hóuden, ont-hóuden, se continere in aliquo loco; zig hóuden, op-houden, morari, commorari, zig hóuden, gedragen, se gerere; het hóuden met iemand, stare ab aliquo, assentire, fovere alicujus partem; hóuden, agten, aestimare, ponere, ducere, sentire; staende hóuden, sustinere; érgens van hóuden, van iet veel werks maken, rem magni facere, existimare; † Hóuden, † op-hóuden een kind, alere, educare puerum; hóf hóuden, comessari, aulico more laute vivere;

[p. 219]origineel

hérbérge hóuden, exercere cauponam; bruiloft hóuden, celebrare nuptias; en wijders † Hóuden (nu Euphonicè Hóuwen, huwen, I. CL:) matrimonio jungere & jungi; als waer bij de vereenden wettig verbonden worden om zig bij één, en 't met elkander te houden, en zig onderling te agten, te te beminnen, te voeden en te onderhouden, ter welker bevestiging ook Feest-houdinge geschied; zo dat in dit † Hóuden of hóuwen alle de bijzondere beteekenissen te zamen vloeijen. Van de voornaemste Composita zijn ons behóuden, continere, conservare, & reservare; en in-hóuden, capere, continere; en onthóuden, abstinere, & olim retinere, unde nunc tr: Memoria tenere; en 't bovengenoemde zig onthóuden, subsistere in aliquo loco, quin etiam se abstinere; en onderhóuden, alere, sustentare, conservare; alwaer onder als een Praep: inseparab: komt, en gevolglijk 't Praet: Part: onderhóuden, sustentatus; dog met een Praepos: separ: ons ònder-houden, supprimere; in Praet: Part: onder-gehóuden, suppressus; en òp-hóuden, in altum tollere, sustollere, educare, sustinere, retinere, & desistere; en een school òp-hóuden, exercere ludum scholasticum; en voòr-hóuden, exhibere, proponere, & opponere. Voorts ons tegen- en wederhóuden, resistere; alwaer weder voor tegen komt.

Onder de Taelverwanten vond ik het M-G, haldan / III. CL: 1, in Praet: Part: haldans / pascere, & servare; en gevolglijk in Praet: hold: F-TH, haldan (haltan) / hield / gihaldan / III. CL: 2, servare; en bihaldan / bihaltan / en gihaltan / III. CL: 2, conservare, & observare; Alam: ke-haltan / custodire, servare; A-S, healdan (heldan) heold / gihalden / III. CL: 4, tenere, capere, frui, servare, cavere; Angl: to hide / hid / en hidden / servare; alwaer de l / bij verloop, al uitgelaten is; schoon de oude Ongelijkvloeijendheid nog blijkt bij de termin: en / in Praet: Partic:, en bij de staerte-loosheid in 't Praet: Indic: hid; H-D, halten / hielt / gehalten / IV. CL: 2, tenere; Ysl: halda in Praet: hielltt / in Praes: eg helld / III. CL: 3, tenere.

 

Tot het Wortel-deel uit het Praes: ons Adject:Hóld, † huld, nu hóud, hóude, A-S, hold en hild / F-TH, hold / fidus, affectus, amicus; M-G, hulths, propitius; ons Hóude en getróuw, A-S, hold and getrywe / fidus ac verus; en A-S, hawere / fautor; en ons † onhóud, en A-S, unhold inimicus, infidus; M-G, unhulth / demonium; Alam: allen them unholden / omnibus spiritibus malis, Catech: Theotisca, p. 78; en A-S, hold / hospitium; en ons Subst:Hóude, nu hulde, f: F-TH, hulde / A-S, hyld / hylde / helde / Ysl: hille / H-D, hulde / F, fidelitas, affectio, favor; waer van Hulden, I. CL: inaugurare; zijnde aldus betrekkelijk tot ons Hóuden, assentire, aestimare, & conservare; hoewel ook dezen hare afleiding' kunnen vinden bij ons vorige Wortel-deel HEEL. Verder van hóuden, in-hóuden, ons in-hóud, m: Contentum, contenta; & argumentum rei; en van Hóuden, opvoeden, ons Hóud-kind, alumnus; van onthóuden, afhouden, ons † onthóud, retentio, & abstinentia; en van † onthóuden, bewaren, ons onthóud, n: Olim custodia, nunc tr: Memoria; en van onderhòuden, ondersteunen, opvoeden, beschermen, ons onderhòud, n: Sustentaculum, nutrimentum, & conservatio; en van Hóuden, aen zig houden, ons † hóude, f: Jus retrahendae emptionis; en voorts van Hóuden, vasthouden en bewaren, ons † Hóude, † hólde, † hóldte, ook uit het Praet:Hielte, † hilte, en † hille, hegt, handvat, capulus, ansa; ook A-S, holt / holte / helt / hylt / en hielt / Ysl: Hald / N, Angl: Holde / capulus, manubrium; en † Hóude, nu hóuwe, Brab: Haude, hauwe, siliqua, folliculus, spica, tunica, concha, cortex, operculum; waer van † Hóuden, I. CL: folliculum, valvulum, spicam proferre; en van het oude † Hóuden, III. CL: 6, matrimonio jungere vel jungi; ons † Hóude, † hóue, nu hóulyk, huwlyk, en ook bij sommigen uit het Praet: Hielyk, hilyk, en, om de gelijkheid van klank tusschen IE, en Y, volgens de uitspraek van vele Nederlanders, ook Hylik, n: Matrimonium, conjugium; gelijk mede M-G, heiwa / A-S, hiw / hiwe / familia, domus; hiwung / matrimonium; hiwlice / matronalis; en hiwisce / clientela, familia; en, van ons

[p. 220]origineel

Hóue, hóulik, en huwlyk, † hielyk, hylik, komt ons Hóuwen, huwen, hóuliken, huwliken, † hielyken, hyliken, allen I. CL: matrimonio jungere, & jungi; Alam: Ungihiwit / bij ons ongehuwt, caelebs; en ons Hóubaer, huwbaer, nubilis, conjugio maturus vel matura; en behóuden, behóuwen, behuwen, I. CL: matrimonio nancisci. Voorts Hóu! celeusma, eheus! een geroep om iemand aen- of op- te houden; waer van Hóu-bóótsman, celeustes; als zijnde tot zulk Hou-roepen aengestelt; en † zo hóude, simulac. Voeg hier bij ons Hóuder, m: Tenens, qui tenet; en Hóuder ook Euph: houwer, m: Receptaculum, retinaculum; visch-hóuwer, m: Nassa, in qua pisces servantur; en oulinks † Hóuder, praefectus, nempe qui conservat; boek-hóuder m: Scriba, librarius; als schrijver en bestierder van de rekening-boeken: dus mede A-S, hold / summus praepositus, Imperator exercitus; waer toe ons Stadhóuder of Stedehóuder, legatus, vicarius, praefectus, gubernator, & prorex; en Stadhóuderschap, n: Praefectura vicaria. Met dit A-S, hold / imperator exercitus, gelijk ook met het A-S, haldan / domare, heeft veel gemeenschap ons Héld, heros; waer van we bij 't Wortel-deel HEEL gesproken hebben. Wijders Alam: Kihalte / en ki- en pi-haltida / observantia; en ons konstwoord Hóudinge, forma & ordo rerum mutua & concinna; eene betamelijke schikking, rakende 't geheel en den dienst der deelen tot elkander: een der opperste deugden in alle konsten, van weinig meer dan weinigen in naem gekent, van minder bevat, en van nog minder uitgevoert. Ze vereischt, dat het zaeklijkste, ofte de voornaemste boodschap, duidelijkst en kragtigst uitligte; dat de toevoegsels, elk na zijne min of meerder waerde en dienst in dezen, zig flaeuwer, en als ter loops, of in 't verschiet, of onder den lommer van iet anders zig vertoonen; dat 'er niets vergeefs zij; dat al de leden onderling aen elkander, en elk voornaemlijk aen zijne naeste gebueren, nuttelijk zij; dat het voorste helpe aen het agterste, en dit aen dat. Indien 'er zulk een schikking, 't zij in 't Beschrijven eener zake, 't zij in de Zangkonst of in Schilderij is, zo zeid men dat 'er Houding in is. Maer, om weder te keeren tot onze afleiding, behalven ons † Hóud-agtig, tenax, schijnt ook hier uit ontleent ons † Hólt nu Hóut, n: F-TH, holz / H-D, holtz / lignum, materia; als of het quame voor Hóudt, materia tenax; vermits tot verband, en te samenhouding strekkende, en zijnde ook de gemeenzaemste en eerst gebruikelijkste stoffe der getimmertens; en Hóut-draed, hóut-peze, hóut jaren, pecten ligni, linearum tractus, lignique nervi; als welke krings wijze het hart van 't hout omringen, en jaerlijks, één in getal, toenemen, waer uit den Ouderdom van den Stam is op te maken; dog als het hout tot planken gezaegt is, vertoonen zig deze pees-kringen als draden: en ons in-houten, navis stamina, costae; en overdragtelijk ook Hóut, m: Ysl: Holltt / N, A-S, holt / holte; sylva, sylvula, salebrae; als waer het Hout wascht in menigte, gelijk ook Angl: Wood / lignum, en Angl: Woode / bij ons Woud, sylva. Dat nu bij ons Hóut de T voor D komt, gelijk ook bij 't voorgemelde F-TH of Alam: Haltan / en H-D, Halten / hier voorgenoemt, schijnt eenigsints uit verloop ontstaen te zijn, vermits ook de D, nog onverandert zig vertoont in ons † Hólder-bóóm, Maes-hóuten-bóóm, H-D, masz-holder / M, acer.

 

Uit het Praeter: Hield, Euphon: Hiel, niet alleen de bovengemelden † Hielte, † hilte, † hille, capulus; en hielyk, matrimonium; maer ook, zo 't mij toeschijnt, ons Hiel, hiele, f: Angl: heele / hele / Kimbr: Hael / calx, als de vastigheid en steun van den voet; waer van † verhielen, I. CL: reficere caligarum talos; en ook † Hielte, † hilte, bikkel, talus ovillus; om dezelfde rede van vastigheid: waer van ons † Hielten, I. CL: ludere talis; dus heeft het Latijnsche Talus, van het Grieksche ταλάω, sustineo, afgeleid, gelijken oorspronk van benaminge.

 

Tot het Praeter: Partic: behoort ons behóuden, Al: ke-haltener / salvus; en gehóuden zyn, obligatum esse.

 

Maer, dewijle bij vele Nederlanders de OU even eens uitgesproken word als de

[p. 221]origineel

OE, gelijk ook voor omtrent eene Eeuw de klank van OE met OU wierd uitgebeeld, zo schijnt het tot zulk een Dialect te behooren, dat men van † Houde gevormt heeft Hoede, f: Custodia, protectio; waer van weder ons Hoeden, I. CL: pascere, protegere, conservare; F-TH, huodan / hudan / hodan / behuodan / behoodan / behudan / I. CL: ook bij ons behoeden, I. CL:, conservare tegendo, protegere; en M-G, haldan / pascere; en verhoeden, I. CL: praecavere; en onverhoeds improvisè: in 't M-G, is l en d / volledig; in 't Angl: Hide / servare, lóopt ook al de l mis, en bij dit onze schijnt mede de L verloren. Tot dit Hoeden, behoort ons Hoed, m: Ysl: hattur, M, H-D, hut / M, pileus, corona; Alam: huot / mitra; en Ysl: hetta / F, Angl: hatte / hoode / headde / capitis tegmen; als een hoofddeksel en bescherming tot behoedinge voor weêr en wind: gelijk ook bij die H-D Dialect past het oude Geld: Hutte, f: Custodia; en daer toe weder ons Hutte, f: Tugurium, casa, unde Gall: cahute.

Eindeling met A, gelijk bij de andere Tael-verwanten, of ook met E, gelijk mede bij 't A-S, ons † Halde, † hélde, boeijens, compes, numella, pedica; om de gevangenen en misdadigen vast en in toom te houden; en ons † Halter, m: nu, zo 't schijnt bij verloop halfter, en helfter, f: muilband, capistrum; van gelijken dienst omtrent het paerd; zo mede H-D, halfter / Angl: haltre / halter / capistrum; en A-S, haelftre / laqueus; en ons Halteren, en halfteren, I. CL: capistrum induere; en ons Halte hóuden, tenere, retìnere. Waer bij men voegen kan ons voorgemelde Héld, m: Dux, Heros; vermits mede betreklijk op het voornoemde A-S, heldan / servare; dog zie hier van meerder bij HEEL, in deze Proeve.

De Zaek-of Wortel-deelen.

HÓUT, in Hóut, lignum, & sylva; en in-hóuten, navis stamina; zie daer van bij 't vorige HÓUD, in deze Pr.

 

HÓUW, in 't Euphon: Hóuwen III. CL: 6, voor Hóuden, tenere; Hóuwen, I. CL: matrimonio jungere, & jungi; Hóuwe, siliqua, folliculus; visch-hóuwer, nassa; zie bij 't vorige HOUD, in deze Proeve. Dog van Hóuwen, caesim scindere,zie bij 't volgende Wortel-deel HOUW: als mede aldaer van † Hóuw, foenum.

De Wortel-en Zaek-deelen.

HÓUW en HIEUW, in ons HÓUWEN (in Brab: Dialect HAUWEN) HIEUW, GEHOUWEN, III. CL: 6, caesim scindere, secare, dissecare, amputare; en uit-hóuwen, III. CL: 6, exsecare, quin etiam olim dimicare, caesim pugnare. F-TH, fur-houwan / fur-hieuu (of fur-hiouu / en fur-hio) / fur-houwan / III. CL: 5, excidere. A-S, heawan / heow / giheawen / III. CL: 4, secare. Engl: to hewd / in Praet: Part: hewn en hewd / dolare. H-D, hauen / hieb / gehauen / IV. CL: 2, secare; en overmits zonder slaen geen Hóuwen kan plaets hebben, ook hier toe het Ysl: høggua / hioo / høgguenn / III. CL: 2, verberare, caedere; in welken gevalle, per Euphon: de gg / hier tusschen geloopen zou zijn in steê van onze W, die in de Ysl: Dialect niet vlijen wil: gelijk ook in 't Zw: hugga / caedere, secare, scindere.

 

Tot het Praes: ons Hóuwe, f: Caesura, incisura, vulnus; en Hóuw, m: een slag met iets scherps, caesio, incisio; Kimbr: hogg / verbera; en in 't Zweedsch hugg-orm / coluber, viper; als of men zeide een Houw-worm, als welken men met het zwaerd of den houwer tragt van een te klieven; en ons Hóuwe in 't óóg, unguis, membranula quaedam in oculo: en Hóuwe, f: hóuwéél, n: H-D, hauwen / N, en haue / F, Sax: howe / ligo, bipalium, pastinum, unde Gall: Houe, Hoyau; en Hóuwe, vinnigslaende draeiwind, turbo; Hóuw-baer, H-D, haubar / hauig / caeduus, amputari maturus; en Hóuwer, m: Acinacis, gladius persicus; en † Hóuwens, caesim: en van zulk een Wortel-deel mede 't A-S, heawian / hawian / I. CL: findere, asciare; waer van het

[p. 222]origineel

Adject: Praet: Part: A-S, hawade / fissus, exasciatus; en met zinspelinge op de Beeldhouwerij, ook A-S, heaw / forma, en heawgas / simulacra; welker gelijke soort zig mede uit het Praeter: zal vertoonen. Eindelijk ons oude Hóuw, † hauw, nu door een Euphon: verloop Hoy of Hooy, n: in de Vriesche Dialect ook hey, en M-G, hawi / N, A-S, heg / en hoeg Ysl: en Kimbr: hey / Angl: hey / H-D, hew / N, foenum; als zijnde afgeslagen of afgehouwen gras; en A-S: hig / N, gramen; behoorende dezen met e / mede tot het Praet:; en van hooy komt ons Hoyen, I. CL: foenum rastellis eradere, & colligere, ac in metas collocare.

In een Brabandsche Dialect met AU of AEU voor OU vertoont zig mede onze spreekwijze van Haeuwen en snaeuwen, I. CL: of in een andere Vlaemsche Dialect van BB voor UW, ook Habben en snabben, I. CL: en Hab-sakken, I. CL: ore aut rostro impetere aliquem, captitare verbis, & latratu impetere; ontleent van 't bijten, snaeuwen en graeuwen van een hond, die zijn nest of kluifjes bewaert, in een Allemannische Dialect met PP, in steê van BB, gebruikt men ook bij ons Happen, I. CL: rostro impetere, arripere dentibus, celeriter rapere. Wijders schijnt mij van hauwen, caesim scindere; ook † haute of Euphon:hafte gekomen te zijn, en (nade H-D verwisseling van FT, in CHT, of deze in die, gelijk ook dikwijls bij ons) mede Hachte, hacht, pars caesim abscissa, frustum; waer van ons † Hachten, † haften, I. CL: conscindere, abscindere, dissecare; en ons Hachtje, n: Puer audax, rudis, ferox; als gereed in 't slaen en smijten; en ons Haftéél, houweel, bipalium, ligo: van een ander hachten en haften hebben wij gesproken bij 't vorige HEB, in deze Proeve.

 

Verder tot het Praeter:, ons † héue, voor † hiewe, kerve, crena, incisura; H-D, hieb / caesura; en H-D, heve / F, en hevel / M, securis, en hiep / hiepe / F, bipalium; hiplein / falcula; en heppe / F, falx vineatica; en overdragtelijk op de Beeldhouwerij zinspelende het A-S, heow / species; hewgas / simulacra; hiw / hiwe / hywe / schema, typus, specimen, effigies, & tr: color; en hiwlice / tropicus; waer van het A-S, hiwan / hiwian / en hywan / I. CL: formare; en hiwung / transformatio, fictio, dolus.

 

Tot het Praeter: Partic: ons onbehóuwen, rudis, inconditus, enormis; ontleent van de rouwe steenklompen, die nog onbeschaeft of tot geen beeldwerk uitgehouwen zijn.

HU.

De Zaek-of Wortel-deelen.

HUK, in 't Geld: Hukker, propola, caupo; zie daer van bij ÓÓK, in de II. Pr.

 

HUL, in Hul, caput; Hulle, Hulsel, capitium; Hullen, caput tegmine ornare, Hulze, folliculus, siliqua; Hulzen, tussire vehementer; Hulke, capitium, navis oneraria, & piscis turbinatus, zie bij 't vorige HEEL, in deze Proeve.

 

HULD, in Hulde, en Hulde doen, Hulden, zie bij 't vorige HEEL, en bij HÓUD, beiden in deze Pr.

 

HULK, in Hulke, capitium, navis oneraria, & piscis turbinatus; zie daer van bij 't vorige HEEL, in deze Pr.

 

HULP, in Hulpe, behulp, en behulpen, zie bij 't vorige HÉLP, in deze Proeve.

 

HUM, in Hummen, emutire; zie daer van bij HÉM, in deze Pr.

 

HUPSCH, speciosus, bellus; zie daer van bij 't vorige HEEV, in deze Pr.

 

HUT, in Hutte, olim custodia, nunc casa; zie daer van bij HÓUD, in deze Pr.

 

HUW, in Huwen, Huwlyk, Huwliken, enz, zie bij 't vorige HÓUD, in deze Pr.