Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 256]origineel

L.

LA.

Het Zaek-of Wortel-deel.

LAB, in Labben, en Labbaeyen, zie bij LEP, in de II. Proeve.

De Wortel-deelen.

LACH en † LOECH, in ons LACHEN (of LACHCHEN), LACHTE (oul: LOECH), GELACHEN, VI. CL: ridere; en Toe-lachen, VI. CL:, arridere. M-G, hlahjan / hloh / hlahjans / III. CL: 1, ridere; en bi - hlahjan III. CL: 1, bij ons mede Belacchen VI. CL: irridere. Wijders F-TH, en Alam: Lahhan / ridere; zijnde mij nog onbekent tot welke Classis dit behoort, zie VI. CL: 1. Voorts A-S, hlahan (hlaehan / hlehan) / hloh / gehlahen / III. CL: 2, Angl: Laughe / ridere; Ysl: hlaeia / hloo / hleigenn / III. CL: 2, ridere; dog H-D, Lachen / I. CL: ridere; en onze spreekwijze van Lacchen in de vuist, in sinu gaudere; L-F, Laeitsen / ridere.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens ons LACH, m: H-D, Lach / M, gelachter / M, Alam: Lachter en hlahtar / A-S, hlaehter / hleahtor / Ysl: hlaatur / M, risus; en ons Gelach, n: Risus fraequens; en A-S, hlagol / ad risum facilis, ridiculus; en ons Lachachen, I. CL: cachinnari, dat mede zo wel als ons Lacchen voor een oud Klank-naebootzend woord kan gehouden worden.

Maer ook A-S, leahter / flagitium; en lehter / probrum; als mede bij ons † Lachter, m: Vituperium; waer van het A-S, leahtrian I. CL: accusare, en ons † Lachteren, I. CL: vituperare, als belacchende en veragtende eenes anders doen: hier voor gebruikt men nu gemeenlijk Laster en lasteren, dog dit ziet meer op quaed spreken, als op belacchen, en schijnt ook nog ruim zo wel tot een zelfden tak als 't M-G, Laian / IV. CL: 1, maledicere, te behooren; waer van we bij 't volgende LAED zullen handelen.

 

Tot het Praet: betrek ik het A-S, hleohter / en gehlid / gehlith / risus, en hlehan / hlihan / hlyhan / hlihian / I. CL: ridere; uit welke voorbeelden te gissen is, dat dit A-S, Praeter: ook eo / of y of i of e / gevoert hebbe, zo wel als o; gelijk dat meer bij de A-S, Praeter: van de III. CL: 2, gevonden word; en gelijk ook onze III. CL:, die eigentlijk die Class: beantwoord, en OE en IE in Praeter: uitlevert.

De Zaek-of Wortel-deelen.

† LAD, in † Lad, † gelad, lubricus, zie bij GLYD, hier voor in deze Proeve.

 

LAD, in Ladder, scala; zie bij 't volgende LYD, in deze Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

LAED en † LOED, in ons LAEDEN, LAEDDE (eertijds LOED), GELADEN, VI. CL: Onerare, congregatum onus imponere, gravare, aggravare: Euphon: en in spreek-tael zeid men ook wel Laeyen. Verder bij ons een busse laden, VI. CL: pulverem & plumbum bombardae ad ictum indere; en ons Overladen, VI. CL: supra vires onerare, met een Praepos: insepar:, en derhalven in Praet: Part: Overladen; dog òver-laden, VI. CL: onerare pondere majore quam pactum continet, met een Praepos: separab: en dies ook in Praeter: Part: òvergeladen. F-TH, Biladan / oneratus, onder de Onreg: No. II. A-S, hladan (en ladan) / hlod / gehladen en gehlaeden / III. CL: 2, onerare, & congerere; Engl: to Load of Lade / in Praet: Part: Loaden of laden / en loaded of laded / onerare; en H-D, Laden / lud (in Subj: Lude) / geladen en geladt / IV. CL: 1,

[p. 257]origineel

onerare, & onus imponere; quin etiam Invitare, & citare, in jus vocare. Onder een Ongelijkvloeijende gedaente vertoont zig deze zin van Noodigen (zo wel bij heusheid, en verzoek, als regtsdwang) thans alleenlijk bij 't Hoog-duitsch, en deze schijnt overdragtelijk te komen van bij een vergaderen, dat voor de lading gaet; of van Beladen, belasten, en met verzoek of Bevel iemand bezwaren of aendringen; dog Gelijkvloeijend, en in den zelfden overdragtelijken zin; vind ik ook het M-G, lathon / galathon / I. CL: 3, en F-TH, lathon / gelathon / en giladon / I. CL: vocare, convocare, & invitare, voormaels bij ons ook Laden te geréchte, in jus vocare; en A-S, gelathian / I. CL: invitare, congregare; en hladian / I. CL: onerare; en mede A-S, ladian / geladian / I. CL: purgare & excusare, als den last of laster ontheffen; hoewel ook dit laetste omtrent even goed bij ons volgende Wortel - deel LYD zal passen. Maer als ik in tegendeel op onzen zin van Bezwaren denk, en tevens op de gereede wegsmelting van onze D, en wederinvlijing van onze Y, zo dunkt mij, dat ook alhier zijn plaets zoekt het M-G, Laian / lailo / laians / IV. CL: 1, maledicere, als lasterlijke scheldwoorden iemand toewerpende; zijnde dit M-G, van die Classis, die in Praet: vermits het verloop na den Griekschen plooi, van alle de andere Duitsche of Kimbrische Tael verwanten afwijkt.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens het A-S, lade / hlade / hlad / onus, sarcina; ons Lade, 't huisje van de Weegschale, ansa in qua versatur examen, als des lastes evenwigt aenwijzende; en Lade, f: weverslade, pecten, als dragende den last van 't werk; en Lade, laeye f: H-D, lade F, capsa, cista, theca, loculamentum, als welke men met iet belaed, ter berging of bewaring, of in welke men iets vergaert, volgens den A-S: zin van congerere, congregare; gelijk ook ons Lade, f: kramerslade, winkelkraem, en 't H-D, laden / M, taberna institoris; voorts ons Ladinge, f: Oneratio, mercium onus congruum Navi; & Pulveris tormentarii farcimentum bombardae conveniens. En in den zin van bijeennoodiging of Roeping, het gemelde A-S, lathan / gelathian I. CL: M-G, lathon / galathon / I. CL: 3, F-TH, lathon / gelathon en giladon / I. CL: invitare, congregare, convocare; waer van ook 't Alam: ladungu / evocatio; en 't A-S, lathung / Alam: ladhunge / Ecclesia, als zinspelende of op de vergadering of op de heilige bediening en bijeenroeping der Gemeente. Voorts ons Lade van een paerd, Equi labiorum anguli, 't zij men dit aenmerkt als de Lade daer in 't gebit gelegen is, 't zij als eene plaets, door welker teêrgevoeligheid, bij 't minste aentrekken van 't gebit, het paerd bestiert, en zo veel als tot zijn plicht geroepen word: nog ook in den zin van roepen ons Gelaed, n: geraes, clamor, fremitus. En in den zin van ontlasten en verschoonen het A-S, lade / ladung / defensio, excusatio, purgatio; waer van of waer toe het gemelde A-S, ladian / geladian / I. CL: excusare, purgare.

 

Maer, bij uitlatinge van de ligtelijkwegsmeltende D, en agtervoeging' van den uitgang ST, zo komt ook hier uit ons Last, m: Onus, oneratio, vebes; & Mercium onus navi congruum; Ysl: hlafz / M, onus; en A-S, hlaest / merces; en H-D, last, F, oneratio, onus, sarcina; en bij ons Last, m: bevel, munus; en Last, n: Mensura oneris varia apud varios; apud nos Amstelvdamenses continens fluidorum 12 dolia; frumenti, 36 saccos, sive 27 Modios; trutinandorum 3600 pondera. Dat ons Last, onus, & munus, volgens het thans doorgaende gebruik, van 't Mannelijke Geslagt bij ons is, niettegenstaende de uitgang ST het Vroulijke verkiest, is aen eenig verloop toe te schrijven; gelijk ook in 't H-D, het Foemin: gebleven is: dog 't gebruik als 't meester is, moet gelden. En welk een fraei en teder onderscheid van zin 'er zij, in 't gebruik tusschen 100 Last, en 100 Lasten, is te vinden bij onze XII. Redewiss: § XLI & XLII. Verder van dit Last komt ons † lasten, † belasten, I. CL: beladen, H-D, lasten / belasten / I. CL: onus imponere; en A-S, hlaestan / I. CL: navigium onerare; en A-S, hlaest-scip / bij ons Last-schip, navis oneraria, corbita; en ons Belasten, I. CL: Last geven, H-D, belasten / I. CL: munus imponere, mandare; en † verlasten, I. CL: aggravare, opprime-

[p. 258]origineel

re; en Over-last m: Oppressio; en daer van † Over-lasten I. CL: opprimere, & invehi in aliquem; en Toe-last m: Additamentum oneris; & transl: Dolium, tina, cupa, thans een mate van drie tot zes amen; als mede ons Lastig, onerosus, molestus, difficilis arduus; en 't basterdstaertige Lastagie, Ballast, f: Angl: lastage / saburra, unde Gall: Lestagie, en Hisp: Lastre, zijnde zand of steen &c, zo veel als elk schip inneemt, om, indien het geene vragtgoederen, of niet genoeg daer van in heeft, op zijn behoorlijke Last te konnen zeilen: en dewijle wel eer de inlading of ontlasting van de ballast, en 't vermaken der schepen op of omtrent dezelfde plaetsen of werven geschiedden; zo noemde men ook overdragtelijk ons Lastagie, f: (Navale) de plaets al waer de ontladene schepen vermaekt en herstelt wierden. Voorts met den uitgang ER, ons Laster, n: Ysl: Last / N, vituperium, maledictio, & Blasphemia, als iemands eere en goeden naem bezwarende, omtrent in gelijken zin als 't voorgemelde, M-G, Laian / IV. CL: 2, maledicere: hier van nu ons Lasteren, I. CL: criminari, convitiari; en H-D, laster / N, vitium, delictum, & offensio; waer van het H-D, lastern / I. CL: delinquere, peccare, laedere, enz. Doch zie ook bij LACH, in deze Pr.

 

Vorder, hoe van dezen Stam uit het Praeter: Partic: onder den zin van Genoodigde of Geroepene de oude GALATEN hunnen naem zouden kunnen gekregen hebben, zulks heb ik in onze IV. Redewiss: bij den Op- en Uit-tocht eeniger Gallen, ruim 270 jaren voor Christi geboorte, ter overweging ingebracht.

 

Dog van het oude Praeter: met OE, of de gelijkwaerdige U of O, en mede onder den zin van tot zig roepen, vertoonen zig ons † Loeyer, † loeder, † luder, nu contr: Loere, loer, en † lore, H-D, luder / N, revocatorium, illecebra, esca; unde Gall: Leure, loire, Ital: Ludro; en ons Lódder, m: Homo luxuriosus, scortator, oculis illecebrosis; en † Lóddege, † lóddeke, mulier venerea, luxuriosa; meretrix, & lena; en Lódderig, lódderlyk, blandus, venustus, ludibundis oculis; en daer van ons † Lódderen, † loeyeren, contr:Leuren, † loren, en loeren, I. CL: H-D, ludern / I. CL: trahere, attrahere, escam ponere, inescare, als door aentreklijkheid iet tot zig roepende; waer op ook past ons Loeren, beloeren I. CL: insidiosè speculari, als door iets aengenaems iemand zoekende in 't net te trekken; en verder overdragtelijk ons Loeren, I. CL: en met G voor-op, ons Gloeren, gluren, gluyeren, I. CL: insidiose retortis oculis intueri; & frontem contrahere, als zijnde dit den Loerenden gemeen; gelijk ook ons Gloerende, gluyerachtig lonkende, paetus; en ons † Lore, loervogel, m: Accipiter, falco, als passende op het wederom lokken; en ons Loren, leuren, I. CL: adsuefacere accipitrem revocatorio sive escae illecebrâ, enz.; en mooglijk ook tot dezen Tak het M-G, Ludja / facies, als het kragtigste werktuig van aentreklijkheid. Dog van dit Loeren, leuren, loren, zie ook iet in gevolg bij ons Liez of lier, in deze Proeve.

Wijders schijnt met agterlatinge van de ligtelijkwegsmeltende D bij 't zakelijke Loed, en met wederaenneming van den uitgang P, mede alhier uit ontleent te konnen zijn ons † Gloepe, gluipe, f: Decipulum, machina irretiendis avibus apta; waer van ons † Gloepen, gluipen, en luipen I. CL: insidiari, en Gluiperd, luiperd, m: Insidiator, pileo in palpebras contracto, oculisque insidiose retortis intuens; hoewel ook dit niet minder wel voegt bij ons LIEV, in de II. Proeve.

De Zaek-of Wortel-deelen.

LAEF, in Laefnisse, zie bij BLYV, in deze I. Proeve.

 

LAEG, in Laeg, Lage, positio, situs, series; spira, fulcrum, insidiae; & Tormentorum navalium alterius lateris exoneratio; Belagen, insidiari; Laeg, humilis, Laegte, declivitas &c; † Gelage, symposium, convivium; en † Lagen, ponere; en 't Vlaemsche Gelaegsaem, commodè situs, enz.; zie bij 't volgende LIG, in deze Proeve.

[p. 259]origineel

LAEY, in Laeye, capsa, theca; en Laeyen voor Laden, zie bij LAED, hier voor in deze Proeve.

 

LAEK, in † Laek, lacus; † Lake, muria, salsugo; en 't Vlaemsche Lake, sanguisuga; ons † Lake, defectus, & vituperium; Laken, minuere, decrescere; & vituperare; Lakaedsie, diminutio; Laken, pannus &c; zie daer van bij LEEK, in de II. Proeve.

 

† LAEM, in † Laem, mancus, mutilus, & olim claudus; en † Lame, Laemte, defectus, mutilatio, distortio, debilitas; zie daer van bij LEM, in de II. Proeve.

 

LAET of LAAT, in Galaten, populi Galatiae; zie bij 't vorige LAED, in deze Proeve, en in Laet, serò, tardus; Laetst, ultimus, novissimus; Laetstend, nuper; en Verlaten, I. CL: prolongare, differre; zie bij LAET, in de II. Proeve. Dog van ons Laten, III. CL: 2, omittere &c; zie bij 't volgende LAET, in deze Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

LAET, en LIET, in ons LATEN, LIET, GELATEN, III. CL: 2, omittere, linquere, sinere, & permittere. Laten, op prys laten, III. CL: 2, aestimare; Laten, ader-laten, III. CL: 2, secare venam, phlebotomare, als latende het bloed een weinig uitloopen: Af-laten, III. CL: 2, omittere, desistere; Zig gelaten, III. CL: 2, se gerere; voor, zijn gedrag dus- of zoodanig te laten zien. † Onderlaten III. CL: 2, intermittere; en Ontlaten, III. CL: 2, regelare, resolvere; naemlijk als de Vorst zig weder ontbind en los laet; en Over-laten, III. CL: 2, transferre, tradere, & reliquum facere; en Toe-laten, III. CL: 2, permittere, concedere; en Verlaten, III. CL: 2, relinqaere; Zich verlaten op iemand, fidere alicui, spem omnem suam in aliquem figere; en Verlaten den wyn, elutriare vinum; hier komt VER voor OVER, als latende den wijn overgaen van 't eene vat in 't ander, en zoo voort. Voeg hier bij het Vlaemsche Laten, examinare, vernare more apum, alzoo de nieuwe bije-zwermen de moeders-korven verlaten: en ons Uit-laten, III. CL: 2, emittere, mittere, solvere; & praetermittere: en, zig gesloten houden, Zig niet uit-laten, III. CL: 2, non revelare mentem. Onder deze bovengemelden zijn 'er al eenigen van zeldsame overdragt. Van ons tweederhande gebruik van Laten toelaten, en Laten als hulpwoord, heb ik in onze XIV. Redewiss: gehandelt. De algemeene Grondbeteekenis van al dit Laten blijft spelen in ons Toe- of Vrij-laten.

M-G, letan / lailot / letans / IV. CL: 1, linquere, dimittere; afletan / IV. CL: 1, relinquere, dimittere; en fra-letan / IV. CL: 1, omittere, relinquere; zijnde dit van die bijzondere M-G: Cl: op den Griekschen trant; dog F-TH, Lazan (lazzan / en latan) / liez of liaz / gilazan / Ic / III. CL: 2, omittere; en furlazan / furlazzan / en verlazan / en belazan / III. CL: 2, remittere, & dimittere; en farlazzan / dere-linquere, relaxare; & permittere; en intlazzan / gilazan / III. CL: 2, laxare. A-S, laetan / let / laeten of gelaeten / III. CL: 2, omittere, laxare; & phlebotomare; & aestimare. H-D, Lassen / liesz / gelassen / IV. CL: 2, sinere; anlassen / IV. CL: 2, ordiri, aggredi, spem prae se ferre; en veranlassen / IV. CL: 2, autorem fieri, alicui adducere aliquem; en zerlassen / resolvere, liquefacere, &c. Ysl: lata / liet / III. CL: 3, ponere, simulare, se gerere; in 't Praes: eg laet / en volgens de anderen van die Class: in Praeter: Partic: latenn. Dog van het M-G, Latjan / I. CL: F-TH, Lazzan / I. CL: A-S, laetan / I. CL: en bij ons † Laten, verlaten, I. CL: tardare, morari, impedire, prolongare, differre, handelen we bijzonder bij 't volgende LAET, in de II. Proeve.

 

Tot ons Praes: ons Af-laet, m: Ysl: aflaat / F-TH, ablazz / ablaz / en oflat / H-D, ablasz / indulgentiae, remissio peccatorum; Al: antlaz / venia, & induciae; en unterlaz / bij ons ook † Onderlaet, m: Intermissio; en H-D, anlasz / causa, occasio, principium,

[p. 260]origineel

opportunitas, bij ons mede oulinks † aen-laet, item, als, na 't zig laet aenzien, of als eerste aenleider van toelating. Verder ons Wyn-verlater, m: Vinarius, qui vina elutriat, in den zelfden zin als 't voorgemelde Verslaten den wyn, elutriare vinum, voor overtappen, affteken: nog ook ons Verlaet, n: Sluize, emissarium; Verlaet, afleiding van een Vliet, fluminis diverticulum; Verlaet van een Vogelkooi, aviarium minus; elk, als overlatende van't een in 't ander; en ons Toe-verlaet, m: Refugium, van Zich verlaten, fidere; en ons † Wederlatig, remissus; en † uit-laet, m: Projectura, appendix aedificii. In de Middeleeuwen wierden de Duitsche Volkeren onderscheiden in (1) Edellingen / (2) Drijlingen / en (3) Lazzen / laeten / laten / liten of licten: die van deze derde soort, waren in een zeker verband van Slaverny, vermits in den krijg gevangen, of door armoede of misdaed in iemands eigendom vervallen, en die egter tot den Landbouw op de Akkers gelaten wierden; waer uit deze naem gesproten schijnt, (zie Siccama in Leg: Fris: p: 72, & Eccard: in Catech. Theotisc: p: 143 en 144); de benamingen met a passen op het Praes: en met i of ie op het Praeteritum. Gelijk ook daer toe ons † Laet, colonus, villicus; en 't Vlaemsche Laet, incola, jurisdictioni subditus; en verder † Laet, judex pedaneus, qui minora judicia ruri decernit, judex vicanus; die van 's Hofswegen op een Dorp of kleine Landstreek gelaten wierd, om de geringe geschillen op staende voet te vereffenen, terwijle die, van meerder belang, tegen de Landdagen, en voor hooger Regtbank, moesten verschoven worden; en hier van † Laetbank, f: Tribunal colonorum. Maer in den zin van zig gelaten, gedragen, ons † Laet, gelaet, n; Ysl: laat / en laete / N, gestus, en ons Gelaet, n: H-D, gelasz / N, facies vultus; ziende eigentlijk niet zo zeer op de gestalte of besnedentheid van 't aengezicht, als wel op deszelfs Manieren of trekkingen, die iets van de innerlijke gemoeds-gestalte te kennen geven: waerom men ook nimmer zeid een groot of klein gelaet, maer wel een goed, fraei, vrolijk of droevig gelaet, enz. Verder het Ysl: latungur / homo superbiens, en bij ons Laet-dunkende, anrogans, als zig veel latende voorstaen.

 

Tot het Praeter: hebben we het voorgemelde Lieten / liten / Coloni, Mancipii, beneffens het Middeleeuwsche Latijn Heris-litium, eene verlating van 't leger zonder verlof.

 

En tot het Praet: Part: ons Adjectiv: Gelaten, H-D, gelassen / modesto gestu & animo adversam perferens fortunam, quietus in voluntate Domini; zo fraei als dit zedige gedrag en deze rust in de Goddelijke schikking of toelating is, zo slegt en strijdig is wederom de eigenschap die verbeeld word in ons Uitgelaten, wild en woest, H-D, gelassen / ausgelassen / effrenus, laxatus, licentiosus; en Ongelaten, immodestus; enz.

De Zaek-of Wortel-deelen.

LAEV, in ons † Lave, refocillatio; en Laven, refocillare; en † Lave, ambubaia; Laveyen, vagari otiosè; Lavuiten, nugari; Lavèren, huc & illuc navigando vagari; zie daer van bij 't vorige BLYV, in deze Proeve.

 

LAEZ, in Laze, Praet: Subj: van Lezen, zie bij 't volgende LEEZ, in deze Proeve.

 

LAF, in † Laf, recreatio; Ambubaia, insipidus; en Laffen, ineptè garrire; zie daer van bij ons BLYV, in deze Proeve.

 

LAG, in Lag, 't Praeter: van Liggen, en Gelag, symposium, convivium, enz.; zie bij 't volgende LIG, in deze Pr.

 

LAK, in 't Vlaemsche Lakken, lambere, lingere; en Belakken, illectare; en Lak, manans, stillans; Lak, † Lakke, defectus, detractia, & vituperium; † Lak, lacus; Lak, rubrum fluidum; Electuarium, delinctorium, illinctus, & cera hispanica; en Lakken, verlakken, electuario illinere; zie daer van bij † LEEK, in de II. Proeve.

[p. 261]origineel

LAM, in Lam, mancus, mutilus, elumbis, claudus; paralyticus; lentè, tardè, tractè; inconditus, insulsus; Lam-óór, flaccus; Verlammen, mutilare; † Lammer, impedimentum, molestia; † Belammeren, impedire, interturbare; en Lam, agnus; zie daer van bij † LEM, in de II. Proeve.

 

† LAMB, agnus; zie daer van bij LEM, in de II. Proeve.

 

† LAMP, zie daer van bij † LIMP, in de II. Proeve.

 

† LAN, zie bij † LINN, in de II. Proeve.

 

LAND, in Land, en Belanden, zie daer van bij † LINN, in de II. Pr.

 

LANG, in Belang, Gelang, en † Verlang, momentum optati finis; & quantum alicui quid refert; Verlangen, desiderare, & prolongare; Langen, olim attingere; & assequi; nunc, porrigere, & prolongare; Belangen, attingere, pertinere; Erlangen, consequi, adipisci, enz:, zie bij LING, in de II. Proeve.

 

LANK, in Lank, en Lankmoedig; en Lank-euvel, zie bij LING, in de II. Proeve.

 

LANT, in † Lantsaem, Lanteren, en Lanterfanten, zie daer van bij LINN, in de II. Proeve.

 

LAP, in Lap, assumentum, pars; en Lappen, lambere, & consuere, &c; Lap-sakken, delibare summis labris; óórlap, Lap om de oore, alapa; zie daer van bij LEP, in de II. Proeve.

 

LAS, 't Praet: van Lezen, zie bij 't volgende LEEZ, in deze Proeve, en in † Gelas, vitrum; bij GLYD, in deze Proeve.

 

LAST, in Laster, en Lasteren, zie daer van bij LACH, hier voor, dog voornaemlijk bij LAED hier voor in deze Proeve, en aldaer mede van ons Last, onus, & munus; en daer toe ons Lasten, Belasten, Last-schip, Lastig, Lastagie, enz.

 

LAV, in Laveyen, vagari otiosè, Lavuiten, nugari; Lavèren, huc & illuc vagari, obliquè navigare, enz.; zie daer van bij BLYV, in deze Pr.

LE.

LÉD, in † Geléd, membrum &c; bij LYD, in deze Pr.

 

† LEE, zie bij † LY, in de II. Proeve, en in Leelik, Verleeliken, zie daer van bij LYD, in deze Pr.

 

LEED, in Leed, 't Praeter: van Lyden; Geleden, Verleden, Laetst-leden, en in Leder, pellis, corium; Lederen, coriaceus; en in † Lede, grudus, gressus, ductus, & membrum; en Leden, membra; Gelederen, militum linearis ordo; † Lede, cardo; Ledemaet, statura, figura membrorum; & membrum societatis; † Ledig, † Ledenig, ad commotum facilis; Ledig, otiosus, vacuus, & olim caelebs; Ledigen, evacuare; † Ledige vrouwe, vidua; Ledigganger, otiator; Verledigen, olim expedire, solvere; nunc vacare; † Onlede, occupatio; Onledig, occupatus, enz.; zie daer van bij 't volgende LYD, in deze Proeve.

 

LÉÉD, in Lééd, dolor; Lééd zyn, Léédwezen, Lééd doen, Leeden, † Verleeden, taedere, fastidio esse; † Leedig, † Leedelik, fastidiosus, & miser; beleedigen, nocere; en Leedelik, deformis; † Lééd, ductus, gressus; † Leeden, ducere; † Léed-toge, dux; en Leeder, scala; zie bij 't volgende LYD, in deze Proeve.

[p. 262]origineel

LEEF, in Leef-tócht, Beleeft, enz., zie bij BLYV, in deze I. Pr.

 

LEEG, in † Legen, † Gelegen, jacere; † Lege, Gelege, positura, situs, villa, habitatio; en Leger, Bed-legerig, Heirleger, Legeren, Belegeren, Verlegeren; Gelegen, Gelegentheid, Verlegen, Aengelegen, enz:, zie bij 't volgende LIG, in deze Proeve.

 

LÉÉG, in Léég, humilis; bij LIG, in deze Proeve.

 

LEÊG, in Leêg, otiosus, vacuus; Leêg-ganger, otiator; en Leegen, evacuare, &c; zie bij 't volgende LYD, in deze Proeve.

 

LEEK, in † Leke, rima navis; en Leken, stillare, manare; bij LEEK, in de II. Proeve.

 

LEEK, in Leek, Geleek, en Geleken, bij 't volgende LYK, in deze Proeve.

 

LEEM, in 't Leuvensche Leme, spina, arista piscis; 't Vlaemsche Leme, purgamentum lini, acus, palea; en ons † Leme, defectus, mutilatio, distortio, debilitas; zie daer van bij LEM, in de II. Proeve.

 

LÉÉM, in Léém, lutum, argilla, limus; en Leemen, incrustare parietes; zie daer van bij LYD, in deze Pr.

 

LEEN, in Leen, Lene, sustentaculum, Lening, reclinatorium; en Lenen, inniti, incumbere; zie daer van bij LYD, in deze Proeve, en bij † LY, in de II. Proeve.

 

LÉÉN, in Léén, mutuum, feudum, en Leenen, mutuum dare; zie bij † LY, in de II. Proeve.

 

LEEP, in Lepel, Lepelbladeren, Lepelaer, Pellicanus; & Ciconia; en Lepel-gans, Pellicanus, zie bij LEP, in de II. Proeve.

 

LEÊR, in Leêr, pellis, corium; Lêren, coriaceus; Leer-touwen, Leer-gérwen, perficere corium; van leer trékken, ensem stringere; zie daer van bij LYD, in deze Proeve.

 

LÉÉR, in Léér, m: Scala; Léér, Leere, doctrina; Leeren, discere, & docere; Leeraer, magister, minister Verbi Divini; en Leeraeren, docere, Verbi Div: ministerio fungi; zie daer van bij LYD, in deze Proeve.

 

LEES, in Lees-bank, zie bij LEEZ, in deze Proeve.

 

LÉÉS, in Leese, sulcus, orbita; zie daer van bij LYD, in deze Pr.

 

LÉÉST, in Léést, mustricula, calopodium; en † Léésten, volléésten, praestare, assequi, & ad perfectionem perseverare; zie daer van bij 't volgende LYD, in deze Proeve.

 

LEEV, in ons † Leve, reliquum, vivus; Leven, vita; en 't Verbum Leven, vivere; verder ons Beleven, Overleven, Levendig, enz., gelijk ook ons Lever, jecur, enz.; en leveren, tradere; zie bij BLYV, hier voor in deze I. Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

LEEZ of LEES, en LAS of LAEZ, in ons LEZEN, LAS (in Subj: LAZE), GELEZEN, III. CL: 1, legere, colligere, carpere, demetere; & tr: Legere, literas vel verba colligere & recitare; zo wel als in 't Latijn Legere voor Verzamelen, bijeengaren, vrugten plukken en inzamelen, en tevens voor Geschrevene of gedrukte letters of woorden vaerdig agtereen opzeggen, in gebruik is, zo mede bij ons dit Lezen; en de laetste zin is thans de allergemeenzaemste: hoewel op den eersten zin ziet ons Vrugten in-

[p. 263]origineel

-lezen, III. CL: 1, colligere fructus; en Verlezen, uit-lezen, III. CL: 1, relegere, seligere, secernere rejicula, discernere; dog weder op den laetsten zin ons Lezen, III. CL: 1, docere publicè, profiteri, als openbare lezinge doende of lessen gevende, zinspelende op 't gebruik dat de Hoog-leeraer zijn onderwijs voorleest, en niet van buiten opzegt; nog ook ons Lezen, III. CL: 1, praeces ante prandium vel coenam recitare; en Op-lezen, III. CL: 1, recitare; en Uit-lezen, III. CL: 1, ad finem usque legere, perlegere; en † Uit-lezen een gebód, promulgare edictum; en Iemand belezen, III. CL: 1, olim Lectione adjurare, exorcizare, incantare, nunc Persuadere aliquem, enz. Dus mede M-G, Lisan / las (in Subj: Lasau) / lisans / III. CL: 3, colligere, congregare; en ga-lisan III. CL: 3, colligere, congregare. F-TH, lesan / las (in Subj: lasi) / gilesan / III. CL: 1, legere, colligere; & recitare. H-D, lesen / las / gelesen / IV. CL: 4, legere. Ysl: lesa / las (in Subj: laese) / lesenn / III. CL: 1, legere.

 

Tot het Wortel-deel van den Infinit: het A-S, gelese / gells / studium; en ons Leesbank pulpitum, als een schuinstaende plank of lessenaer, waer op men boeken om te lezen legt; en ons Lezer, m: Lector; & tr: Professor; en Lezer, Kruid- of Fruit-lezer, legulus; en bij inkortinge van de E, ons Lésse, f: Lectio, & tr: instructio, admonitio: dit Latijnsche, dat bij den School-jongeren gemeen was, heeft, zo ik gisse, vrij wat aenleiding gegeven tot deze inkortinge, die dit onze en 't Latijnsche zo nae overeenbracht; gelijk ook 't Alam: Leczun / capitula, en Lecza / Lectio, dat men bij Kero vind, daer nog meer na zweemt; hoewel ook in 't Ysl: Lestur / M, Lectio, lectura, als bij ons met s / zonder c of k. En van Lésse ons Léssenaer m: Pulpitum, pluteus, als waer van en waer op gemeenlijk de lessen gegeven wierden. Ook zou hier zeer wel passen het M-G, laisjan / at-laisjan / I. CL: docere; en in-uslaisiths / indoctus; zo hier slegts a / in steê van ai / quam; dog dewijl de M-G, ai / die eigentlijk tegen onze EI of éé, komt, aen de Verba van deze Classis, nogte bij Ons, nogte bij andere Taelverwanten, hier niet eigen is, zo wil ik dit M-G, liever bij ons Leiden voegen in het volgende Wortel-deel LYD.

 

Onder de voornaemste Takken van ons Praeter: Part: zijn, ons Uitgelezen, perlectus, van Lezen, letters lezen; en Uitgelezen, selectus, exquisitus, van Lezen, vergaderen, bijeenzoeken; als mede ons Verlezen goed, olim Res viliores selectae; nunc è contrariò, Res electae, vilioribus rejectis, enz.

De Zaek-of Wortel-deelen.

LÉF, in Léf, insipidus, & ambubaia; en Léffen, ineptè garrire: zie daer van bij BLYV, in deze Proeve.

 

LÉG, in Lég, Gelég, Léggen en Légger, enz.; zie bij 't volgende LIG, in deze Proeve.

 

LEI of LEY, in † Leye, meatus, transitus, ductus aquae; Ley, Leye, lamina, scandula; en † Leye, ursa minor, stella polaris; en Leyendak, tectum scandulare; en Lei-dékker, scandularius; en 't postposit: Lei, in Menigerley, en † Ley, piger, otiosus, enz.; zie bij 't volgende LYD, in deze Pr.

 

LEID, in † Leid, dolor; Leider! proh dolor! en † Leid, † Leide, ductus, gradus, gressus; Leiden, ducere; en verder Beleiden, overleiden, verleiden, &c, Leider, Ductor; & scala; en Leide, aquae ductus, lamina, scandula; & stella polaris; zie bij 't volgende LYD, in deze Pr.

 

LEIK, in Leikbladeren, lapathum, rumex; zie daer van bij LYK, in deze Pr. en nog een ander Wortel-deel † LEIK, zie in de II. Proeve.

 

† LEIN, in † Leinen, inniti, incumbere; zie daer van bij LYD, in deze, en bij † LY, in de II. Proeve.

[p. 264]origineel

† LEIST, in † Leisten, † Geleisten, praestare, ad perfectionem perseverare; & carere; en Leister, obses; zie bij 't volgende LYD, in deze Pr.

 

LEIT, in Leit voor Légt, Geleit voor Gelégt, en Onderleit zyn, instructum esse; zie bij 't volgende LIG, in deze Proeve.

 

LEIZ, in † Geleizig, assuetus; en † Geleizer, † Kaleizer, concubinus; zie daer van bij LYD, in deze Pr.

 

LÉK, in Lék, rimosus, emanans; Lékken, stillare, emanare; & lambere; Lékkebaerden, os, labia, barbamve lingere; Lékker, lautus, delicatus, enz.; zie bij Leek, in de II. Pr.: en verder in Lékken, polire, planum facere; en Lék-stéén, lapis politorius; en 't Fl: Lék-bladeren, lapathum; zie daer van bij 't volgende LYK, in deze Pr.

 

LÉM, in Lémmer, Lémmet, verutum, lamina gladii vel cultri; en Lémmer, pars carnis delicatioris in bove; Lémte, defectus, mutilatio, debilitas; Lémmer, impedimentum, molestia; en Belémmeren, interturbare; zie bij LEM, in de II. Proeve: en † Lèmde, fama; zie bij LIMP, in de II. Pr.

 

LÉMP, in Lémpe, depravatio oris; Lémpte, defectus, mutilatio; zie bij LEM, in de II. Pr., en in † Lémpde, fama; bij LIMP, in de II. Proeve.

 

LÉND, in Lénde, Léndene, Lumbi; zie bij LINN, in de II. Proeve.

 

LÉNG, in † Léng, longus &c; en Léngen, Verléngen, Léngte, Alléngskens, en Lénge, piscis ex asellorum genere oblongus; zie bij LING, in de II. Proeve.

 

LÉNS, in Léns, Lénze, paxillus axis; daer van bij LINN, in de II. Pr.

 

LÉNT, in ons Lénte, ver; en Léntevél, anguina vernatio; zie daer van bij LING, en ook iets bij LINN, in de II. Proeve.: dog Lénteren en Lénteraer, en Gelénte, zie bij LINN, in de II. Proeve.

 

LÉP, in 't Vlaemsche Lép, Léppe, labium, labrum; en Lépperen, † Lépsen, delibare summis labris; zie bij LEP, in de II. Proeve.

 

LÉS, in Lésse, en Léssenaer, zie bij 't vorige LEEZ, in deze Proeve; en in Lésse, nexus, ligamentum; en Lésje, vinum profectitium; zie daer van bij LAET, in de II. Proeve.

 

LÉSCH, in Lésschen, Lésch-tróg, en Lésch-water, zie bij LESCH, in de II. Proeve.

 

LÉST, in Lést, en Léstend, zie bij LAET, in de II. Proeve.

 

LÉT, in Lét, Létte, Belét, Verlét, Létten, Belétten, Verlétten, impedire, tardare; Létten, Oplétten, intentum esse; en Létten, nocere, obesse; Létsel, impedimentum, damnum, vitium; † Létsoen, merx corrupta, Létste, Létse, profectitium; Létse, nexus ligamentum, enz.; zie daer van bij LAET, in de II. Proeve; en in † Léttel; parum; zie daer van bij LUIT, in de II. Pr.

 

LEUG, in Leugen, en Leugenaer, zie bij 't volgende LIEG, in deze Pr.

 

LEUK, in † Leuke, sepimentum, & pergula; en 't Adj: Leuk, suffocatus; zie daer van bij 't volgende LUIK, in deze Proeve.

 

LEUR, in Leuren, trahere, inescare,&c; zie daer van bij 't vorige LAED, in deze Proeve: dog Leure, res futilis &c; en Te leur stéllen; Leur en zeur; en † Leuren, carptim aliquid facere; & venales ferre merces frivolas; en Leurdrank, lorea; zie

[p. 265]origineel

daer van bij 't volgende LIEZ, in deze Proeve.

 

LEUS, in Leus, symbolum agendi; Leus-gever, tesserarius; zie daer van bij LIEZ, in deze Proeve.

 

LEUT, in † Leuteren, fallere, decipere; & provocare ad judicem, appellare; en Leuteren, labefactare; & cunctari, enz.; zie daer van bij LIET, in de II. Proeve.

 

LEUZ, in Leuze, symbolum, signum agendi; Om de leuze, per jocum; en † Leuzig, piger, remissus; zie daer van bij LIEZ, in deze Pr.

 

LEV, in Levrey, vestis discolor &c; zie daer van bij BLYV, in deze Pr.

LI.

LICH, in Lichaem, zie daer van bij LYK, in deze, en bij HEM, in de II. Pr.

 

LID, in Lid, Lidmate, Lidwater, Lidzeever, Lidteeken, en Gelid, zie bij 't volgende LYD, in deze Pr.

 

LIEF, in Lief, Liefhebben, Liefde, Geliefte, Beliefte, Lief-oogen, Lief-laffen, Lief-koozen, zie bij LIEV, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

LIEG, &c, in ons LIEGEN, LOOG, GELOGEN, II. CL: 3, mentiri, & olim differre, discrepare, diffidere. Tot dien ouden zin behooren de oude spreekwijzen Het liegt of verschilt veel, multum differt; en 't Liegt of scheelt aen u, in te est mora. Uit den ouden zin schijnt het dat de eerste Grondbeteekenis van ons Liegen was verschillen, en gevolglijk verschelen van de waerheid. Maer de tegenwoordige kragt, van dit woord, zo als 't nu geld, en waer over elk, die van Leugen betigt word, zig geraekt vind, bestaet niet zo zeer in iet te zeggen, 't gene van de nette waerheid der dingen verschilt, want dit kan zijn, gelijk 't ook veelmael geschied, door onkunde, zelf met een goede meening; van welke mis-tastingen niemand zig volkomen vrij kan pleiten, schoon ons de voorzigtigheid daer in veel kan te bate komen, met onzeker van onzekere dingen te spreken; maer 't gene men eigentlijk Liegen noemt, en met geene degelijkheid bestaen kan, is, te spreken tegen zijn Geweten of zijn gemoedelijk begrip, tot misleidinge van een ander; 't zij dit gedaen werde om te behouden het gene men bezit, of om te verkrijgen, 't gene men bedoelt, of 't zij zulks geschiede uit een losse onbedachtsaemheid, of een wulpsch vermaek, dat verfoeilijk is. Ook vind men menschen, die, uit zwetserij of grootsheid, zeer gereed zijn met de prijs, van 't gene zij gekocht hebben of maken lieten, onder 't vertellen merkelijk hooger op te geven, dat een Liegen uit grootsheid is, zijnde een gebrek, 't gene minder verfoeilijk als wel beklaeglijk of belachlijk schijnt; want, alhoewel men dus eigentlijk geen ander verkort nogte zoekt te verkorten, men werpt nogtans zijn trouwheid in woorden te grabbel, en geeft blijk genoeg van zo dwaes te zijn, dat men de kinderlijke eer van Rijklijkheid en Pracht hooger schat dan de ware eer van Opregtheid en Orberlijk bestier. Anderen zijn 'er, die regt het tegendeel gewoon zijn te doen, verminderende de prijs der kosten, 't gene men Liegen in of tegen zyn beurs noemt; maer ook dit, schoon minder dwaes dan 't vorige, en schoon ongelijk minder quaed dan 't Liegen om zyn beurs, waer bij men de kosten verhoogt om te meerder te bedingen, is egter mede gantsch niet prijslijk; want, zo 't uit schaemte geschied van te veel besteed te hebben, is 't een bewijs dat men zig minder schaemt over het doen als over 't bekennen, of zo 't uit pronk van zuinigen oorbaer geschied, zo schuilt 'er mede al een ydele eerzucht onder. Dit ten opzigte van de kragt van 't Woord: dog belangende de Oudheid, dus mede F-TH, liugan (en liogan) / louh (of luog / of loug) / gilogan / II. CL: 2, mentiri. A-S, leogan / leag / gelogen / II. CL: 1, mentiri; en a-leogan / II. CL: 1,

[p. 266]origineel

mentiri, retractare; H-D, liegen (en lügen) log (in. Subj: löge) / gelogen / II. CL: 2, mentiri; Schottel heeft liegen / en Bodiker lügen / in Infin: Verder Ysl: Liuga / laug / II. CL: 2, mentiri; en volgens de anderen van die Class: in Praet: Partic: logenn.

 

Hier van nu het A-S, lige / lig / Kimbr: en Ysl lygd / ligd / H-D, lüge / lügen / M-G, liugn / Dan: logn / Alam: Lugin / en bij ons Logen, leugen, f: Mendacium; en A-S, leogere / Alam: luginare / H-D, lügner / Dan: lognare / mendax; bij Ons Leugenaer, lieger, m: Mendax; en A-S, logan / mendaces; en A-S, lyce / Alam: lucke / falsus. Ons en, en 't H-D, en / agt ik hier niet te zijn als een terminatie, die uit den Infin: komt, want dan moest, ons Leugen een Neutrum zijn, 't gene het niet en is, behalven dit past geen uitgang van den Infin: bij de Takken uit het Praet: met O of EU; maer de zin komt netst uit als men dit aenziet op den Kimbrischen trant, daer de n agter 't Wortel-deel het Passivum maekt, gelijk ook hier bij 't M-G, liugn / zeggende zo veel als 't gene gelogen word; als of het onze quame voor Leugn, leugne, Euphon: leugen. Dit zelfde zij ook toegepast op het volgende Loochenen. Verder M-G, liugn-praufetes / Alam: luggen-wisago / Pseudopropheta; en M-G, ga-liuga-weitwods / falsus testis; waer van 't M-G, ga-liuga-weitwodjan / I. CL: falsa testimonia dicere: en Alam: liukanter / fallitor; en A-S, lygnisse / fallacia. Nog ook is hier toe te betrekken, in den ouden zin van Verschelen, ons † Loge, † lóg, differentia, dissidium; waer van ons Óór-lóg, † Óór-loge, n: m: & f: Bellum, dissidium supremum; waer van ons Óór-logen, I. CL: bellum gerere. Voeg hier bij ons † Lóch, lóg, n: Discrimen; & transl: Caverna, foramen; F-TH, loh / fovea; waer toe ons Lóch-duif, f: Columba cavernalis, als nestelende in de scheuren en holle reten of gaten der rotsen of vervallene gebouwen; hoewel dezen ook bij 't Wortel-deel Luik kunnen te pas komen. En mooglijk ook hier toe ons † Logen-wérk, schetse, scenographia; niet vermits een verschillig of valsch-werk, want het strekt tot een vertoog en afbeeldsel van iets dat te maken is; maer als een voorstel van het nieuws verzonnene, en zijnde het verzierde hersenwerk, en daer in aen de Logens gelijk. Ons Verzinnen heeft dezelfde tweederhande beteekenis, naemlijk, van verkeerdelijk iets doen of zeggen, en ook van iets uitvinden met de gedagten. Deze gemelde spruiten met eo / ui of ie of y of i / behooren tot het Wortel-deel van 't Praesens, en de anderen tot het Praeteritum. Dog het M-G, liugan / galiugan / I. CL: 2, uxorem ducere, connubio jungi; 't gene een zelfde Wortel-deel heeft als dezen met iu / kan ik niet zien, dat tot dezen Stam te betrekken is, agtende, dat dit eerder van gelijken oorspronk is te houden als 't Latijnsche Ligare, en 't Gr: λυγειν; gelijk ook ons Logen, Hooy-logen, I. CL: componere foenum in metam; en 't A-S, logian / gelogian, I CL: reponere, collocare, met het Latijnsche Locare eenstammig kunnen gerekent worden.

 

Maer tot Lóóg het oude Praet: in Sing: en met de Kimbrische agterlafsing van n / als boven, heeft men het M-G, laugn / analaugn / occultum; waer van het M-G, laugnjan / galaugnjan / I. CL: negare, latere, & occultare; ut etiam Graec: λοχᾶν, insidiari, latere ad instruendas insidias; F-TH, en Alam: Lougnan / for-louhnan / I. CL: bij ons Euphon: Loochenen, I. CL: H-D, leugnen / I. CL: Negare, als eenigsints heetende Liegen, of zinspelende op den zin van 't Verbergen der Waerheid, dat niet alleen bij 't Liegen, maer ook bij 't Loochenen veeltijds verzelt gaet, gelijk de M-G, zin van verschuilen daer best op past; of, ziende op onzen ouden zin van verschillen; alzoo een heusche Loochening of ontkenning een betuigen is van verschil in de gedagten; voorts Verloochenen, I. C.L: abnegare. Onze oorspronkelijke G is hier in een CH verwandelt, om dat de gemelde Kimbr: toelasch N, als in Lóóchn, Euphonicè die verscharping vereischte, welke dan sedert gebleven is bij de betervloeijende uit-rekking in ons Loochenen. Eindeling hier van ons Loochenaer m: H-D, leugner / M, negator, enz.

[p. 267]origineel

De Zaek-of Wortel-deelen.

LIEP, zie bij 't volgende LÓÓP, in deze Proeve.

 

LIER, in † Lieren, † Verlieren, amittere, perdere; en Liere-pype, Epomis; en Liere-laeuw, subtepidus; zie daer van bij 't volgende LIEZ, in deze Proeve.

 

LIES, in Verlies, zie bij 't volgende LIEZ, in deze Proeve.

 

LIET, in Liet het Praet: Van Laten, en in 't Middel-eeusche Lieten, Liten, mancipia; en Herislitium, crimen exercitus relicti; zie daer van bij 't vorige LAET, in deze Proeve: Dog van een ander Wortel-deel † Liet, in † Lieten, sortiri; zie bij de II. Proeve.

 

LIEV, in Lieve, Lieven, Eylieve, Liever, Believen, Gelieven, Verlieven, en den eigennaem Lieve, zie bij LIEV, in de II. Proeve.

De Wortel-deelen.

LIEZ of LIER, enz., in ons verouderde † LIEZEN, en † LIEREN, II. CL: 3, privari aliquâre, amittere, perdere; ut etiam Graec: ὀλέσαι, απολέσαι, perdere; dog zijnde nu nog met het Voorvoegsel VER in vollen gebruike ons Verliezen (ook † Verlieren), verloor (ook † verloos), en verloren (ook † verlozen) II. CL: 3, perdere, damnum accipere; alleenlijk de Praeterita met Z of S, en de Infin: en 't Praes: met R, zijn ook reets bij ons versleten. Dit oude dubbelde gebruik van S en R, bij ons en anderen van Duitschen Stamme, vind men bij allen die van deze Classis zijn, on S of R ten einde der Accentsilbe hebben; als bij ons Kiezen en † Kieren, nu nog van beids Kooz en Koor, Gekozen en Gekoren, enz. Dog belangende dezen Stamboom, dus ook M-G, liusan / laus (in Subj: lusau) / lusans / II. CL: 4, perdere, amittere; en M-G, fra-liusan / II. CL: 4, perdere, amittere; F-TH, for-liosan of for-liusan / en for-liuran / in Praet: for-lous (of for-luos / for-los) / en for-lour (of for-lor / Ic) / in Praet: Part: for-losan en forloran / II. CL: 2, perdere, & perire. A-S, leosan / en leoran (of lioran) / leas en lear (in Subj: luse en lure) / gelosen en geloren / II. CL: 1, perdere; & transire, transmigrare; en A-S, for-leoran / II. CL: 1, admittere; praevaricari; en for-lioran / II. CL: 1, praecedere, & perdere. H-D, ver-lieren / verlohr / verlohren / II. CL: 2, perdere. Indien men voor de eerste Grondbeteekenis neemt het Weg-raken, of Weg-gaen, Door-raken, Door-gaen, en Weg-belpen, zo krijgt men gemakkelijke oplossing, niet alleen van de gemelde F-TH, en A-S: zin, perdere, perire, transire, admittere, praecedere, maer ook van den zin der volgende menigvuldige Takken.

 

Tot het Praesens het A-S, lyre / lyswoes (ook uit het Praet: lore) H-D, verlierung / bij ons Verlies, n: Damnum; en uit diergelijk een Wortel-deel het A-S, ge-leoran / I. CL: transire, & obire; en geliornesse / geleornosse / transitus, obitus, omtrent onder den ouden zin van Weg-gaen, Weg-raken; gelijk ook met de Kimbr: n / als bij de Passiva, het A-S, ge-leornian I. CL: discedere; for-liornian I. CL: perdere. Verder als ziende op het Verlies ons † Liere-pype, Epomis vulgò Liripipium, zijnde een Rouwhulsel wegens verlorene Maegschap, 't gene boven op het hoofd pijpvormig schijnt geweest te zijn, om den toenaem; en Liere-lauw, subtepidus, ziende op de kost of drank, daer van de beste smaek verloren is, door't laeuw-worden. Wederom in den zin van Weg- of over-gaen, het A-S, for-leornes / praevaricatio, transitus, als overtredende recht en rede, en verradende zijn medepartij door looze geveinstheid, en werkende tot deszelfs verlies of verderf: waer mede veel gemeenschap van zin heeft ons Wortel-deel met S, mits met T tot een uitgang daer agter, als List, f: H-D, list / astutia, dolus, & fraus; en A-S, listrencas / doli, of met wegsmeltinge van de s / het M-G, liutei / F, dolus; en 't A-S, litig / liteg / lytig / bij ons Listig, astutus; maer, gelijk ons List niet altoos eene be-

[p. 268]origineel

driegelijke, maer ook wel een' voorzigtige schranderheid beteekent, zo mede al van ouds Alam: of F-TH, list / ars, & fraus; en listare / artifex; en list-meyster / artis magister, vel magister artificiosus. Voorts onder den zin van Weg- en vry-helpen het A-S, lisse / lysse / remissio; waer van A-S, lysan / alysan / I. CL: redimere; waer van de Praet: Part: alysed / en gelysed / redemptus, en 't Praes: Part: lysend / redemptor, als mede lysing / liberatio, als makende dat iemand weg, of vrij van den band raekt; en ook in eene verloopene Dialect met e / die in 't A-S, veelmalen onze OE beantwoord, en alsoo mede tegen 't Praeter: kan verrekent worden, het A-S, lesing / lesnesse / redemptio; en lesan I. CL: redimere. Eindeling op het vermaek van de Vrijheid en uitspanning ziende, het Ysl: Listugur / hilaris, facetus; en Ysl: mier lister / delectat me; en A-S, lystan / I. CL: cupere; en listelic / lissum / sat, als volgens iemands lust en begeerte: welke zelfde velerhande zin zig ook rijkelijk onder de andere Takken van 't Praeter: zal vertoonen.

 

Tot het oude Praeter: in Sing: met óó, ons Lóós, M-G, Kimbr: en Ysl: laus / A-S, leas / expers, vacuus inanis, solutus; dog in den zelfden zin is uit het Praet: met de zagte O, of uit den Subj: ontleent het F-TH, of Alam: los of loes: dus ons Haven-lóós, A-S, hoefen-leas / inops, pauper, incomptus; M-G. akrana-laus / fructuum expers; ons Hulpelóós, absque auxilio; Alam: hulpilos / inops; A-S, leas-modnesse / en leasnesse / animi inconstantia, levitas; A-S, god-leas / infaustus; als niet goed-gunstig, bij ons God-lóós, impius, atheus; en ons Tyde-lóós, ty-lóós, narcissus, hermodactylus, niet om 't kort van duer zijn, want de gemeene Tij-loozen of hermodactylen staen zeer lang, en vertoonen zig bij nae den gantschen Zomer door, komende de een op, terwijle de andere afgaet; waerom ik dezen naem toeschrijve aen het lang staen, vermits zonder bepaelde saisoentijd in vergelijk van andere Bloemen: of indien men Tyd of ty, in den ouden zin van † Tyden, II. CL: 1, tendere, vergere, neemt, zo zou de zin zijn, als duerende den gantschen Zomer zonder weg te gaen. Ondertusschen is van ons Lóós gesproten ons † Loozen, I. CL: perdere, amittere; en ons Ver-waer-loozen, I. CL: H-D, verwahrlosen / I. CL: negligere. Nog ook in dien schadelijken zin het H-D, lose / malus, perversus, vitiosus; en ons Looze terwe, triticum inane; en Looze Bloeme, flos sterilis; Looze neute, nux vitiosa; De looze van 't zitkusse, pulvini pars adversa, sive rudis, omni ornatu vacua. Wijders ons † Lóós, falsus sub specie pulchra, als hebbende niet, het gene 't schijnt; dus ook A-S, leas / lease / geleas / falsus; waer van 't A-S, leasian / I. CL: mentiri, en leas-sagol / leasung-ful / mendax, leasunge / mendacium, leas-wena / figmentum; en A-S, leaso-lecan / I. CL: simulare, adulari, en leas-spel / fabulae; en Leases spelles talu / constellatio, als uit grollen en bedrieglijke hersenschimmen bestaende; en ons Looze glimp, adumbratio rei concinna, quanquam falsa; en overdragtelijk ook Lóós, astutus, Loozerik, loozaerd, m: Homo callidus, even als ons vorige Listig uit het Praes:, schrander naemlijk om een loozen glimp te verzinnen, of dien te betrappen en den slag af te schutten. Voorts van ons Lóós, solutus, onder den zin van Weg- of vrij-maken of vrij-laten, ons † Loozen, I. CL: solvere, & laxare; & olim perdere, amittere; waer toe ons Looze, pulmo; als den adem inhalende en uit- lozende, waerom ook Lichte genaemt: gelijk ook M-G, lausjan / galausjan / I. CL: liberare, solvere, exigere, repetere; en F-TH, loosan / verloosan / I. CL: liberare; en Ysl: lausn / F, redemptio; en lausnare / redemptor; welke zin van Verlossing zig mede niet alleenlijk in eenige A-S, takken uit het Praesens heeft vertoont, maer ook verder zig zal laten zien bij de volgende spruiten uit het hedendaegsche Praeteritum.

 

Tot het Praeter: Indic: of Subj: met de zagte O, of de gelijkwaerdige OE of U of EU, vooreerst tot de Zakelijke deelen met S, in den zin van vrij-geraekt of vrijgemaekt, ons † Loze, nu contr: Lós, H-D, lose / los / solutus, liber, vacuus: in Tastelijke zaken kan Lós goed of quaed zijn na de omstandigheden, dog als het op eene vrije behandeling van konst of hand-bestier ziet, is 't een groote deugd, maer, in 't bestier van de Gedagten

[p. 269]origineel

en 't Gemoed, een groot gebrek: en tot het laetste behoort ons Lós, inconstans, moribus vagis; en Lós-hóófd, Lós-ból, m: Homo inconstans; en van † Loze, Lós, liber, solutus, komt ons Lozen, I. CL: dimittere, laxare; en Lóssen, I. CL: H-D, losen / I. CL: solvere, redimere, laxare, vacuare, & exonerare; en Lós-géld, n: Redemptio; en A-S, leosan / I. CL: solvere; en de A-S, e / hier tegen onze OE gerekent zijnde, waer van ik hier voor bij de takken uit het Praes: heb gewag gemaekt, ook A-S, lesan / I. CL: redimere, en Kimbr: leisa / solvere; dog wederom F-TH, of Alam: losan / 2i- ar- er- ir- en be-losan / I. CL: solvere, liberare; en bij ons Verlóssen, I. CL: redimere, salvare, eripere periculo, damno, molestia; en F-TH, losunga / redemptio; en Alam: arlosan / I. CL: eruere, Graec: λύειν, λῦσαν, solvere; gelijk ook A-S, losian / I. CL: aufugere, voor weg- of vry-raken, 't gene digt aen den zin komt van ons Verliezen. En ons Loze, leuze, loos, leus, bij den Mazenaer ook Looze, tessera militaris, symbolum, signum agendi; als waer op en waer meê iemand vrij en los mag toegaen; en Loze- of leus-gever, tesserarius; hoewel men dit ook nemen kan in den zin van Lóós & Listig, als een bedekt en looslijk gegeven woord. Verder † Loze, leuze, jocus, als ligt en los heen, uit boerterij; dus de spreekwijze, 't is om de leuze, uit joks, per jocum est. Verder ons † Lozig, † leuzig, remissus, piger, ignavus, als ledig en zonder uitvoer, of, niets als verloren werk doende, omtrent in gelijke zinspelinge als Lóós, vacuus, inanis. Voorts, in den zin van schade of verlies, het Geldersche Verlos, damnum; en 't H-D, lose / malus, perversus, vitiosus; waer toe het A-S, losian / I. CL: perire, en for-losan / I. CL: perdere; en losod / amissus; en los-wist / damnum, & fraus; en met t / agter het Zakelijke deel het H-D, verlust / M, damnum, & perditio, en verlustig / amissus, perditus, perniciosus; waer van het H-D, verlustigen / I. CL: incommodum accipere, in fraudem incidere. Maer, even gelijk hier voor uit een zelfden Stam de strijdige beteekenissen van Verliezen, en Verlossen gesproten zijn, zo mede ook hier dit zelfde Zakelijke deel Lust / volgens den zin van Vrijmaking, uitspanning en 't gevolglijke vermaek, genomen zijnde, levert ons ook 't H-D, lust / F, M-G, lustus / M, Alam: lustida / gelusto / F, bij ons Lust, ook † lost, m: & f: Recreatio, delectatio, cupiditas; en A-S, lust / desiderium, venus; waer van ons Lusten, Belusten, Gelusten, ook † Losten, I. CL: M-G, luston / I. CL: 3, F-TH, luston/ geluston / I. CL: A-S, lustan / I CL: H-D, lüsten / gelüsten / I. CL: cupere, lubere, concupere, delectari, desiderare; en A-S, lostnian / I. CL: expectare; en van 't Alam: lustida het Alam: ki-lustidon / I. CL: delectari; en Ysl: lostaseme / F, libido: verder ons Lustig, H-D, lustig / F-TH, lussam / lustlich / laetus, voluptuarius, amoenus, delectabilis, jucundus; waer van ons Verlustigen, I. CL: H-D, er-lustigen / I. CL: creare voluptatem; regt anders van zin als 't gelijkvormige H-D, verlustigen / I. CL: incommodum accipere; en 't F-TH ur-lustan / I. CL: taedere. Hoe bij het Praesens dezelfde verscheidentheid van zin zig vertoont, hebben we hier voor verhandelt.

 

Dog tot het Zakelijke Deel van 't Praeter: Subj: met R, hebben we, in den zin van Verlies of beschadigt, & als van geene waerde of voor verloren gehouden, ons Lore, leure, f: A-S, lore / damnum, amissio; en A-S, for-lore / perditio; en F-TH, zi furlore / ad perditionem; waer toe ons Te loor of te leur raken, disperdi, perire; en Te lore of te leur stéllen, frustrare, als door ydele en valsche hope iemand ophouden tot deszelfs schade. Voorts Lore, leure, lorre, f: Res futilis, inanis, merx frivola, als beschadigt, of beuzelig, en zonder deugd of waerde, hebbende hare beste kragt verloren; waer toe ook ons Om een leur en een zeur, pro re futili & inani; en ons Loer, loerd, m: Homo murcidus, stupidus, non rectè fungens officio; Gall: Lourd, Angl. Lourden. Waer van transl: ons Loere-man, Tyrotarichus, caseus salsus & inveteratus, vilis & rusticanus; en Lore, lorre, of ook met F voorop ons † Flore, en † floore, homo futilis, vilis, Graec: φλαῦρος, gelijk ook Alam: florini / perditio, als mede A-S, fleard / nugae; en fleardan /

[p. 270]origineel

I. CL: errare; en waerschijnlijk ook † Loren, † leuren, I. CL: carptim, ignavè, & negligenter aliquid facere; en 't H-D, lortschen / I. CL: tractim incedere: maer ruim zo zeker ons † Loren, † leuren, I. CL: venales ferre merces frivolas; en † Lorer, † leurer, frivolarius: waer toe ook met de D, en den uitgang SE daer agter, betreklijk schijnt, ons Lórdse, m: Cerdo, bajulus, als een die gering werk doet, of met een marsje omloopt, om wat Leuren te verkoopen; waer van ons † Lórdsen, I. CL: venale aliquid circumferre; en † Lórdster, uitdraegster, circuitrix, institrix, mercesfrivolas circumferens. Maer gelijk die beuzel-handeling vol van bedriegerij stak, zo sproot ligtelijk hier uit ons † Loren en zoren, I. CL: ook wel bij ons Loeren, I. CL: imponere alicui, fraudare aliquem, als prullen voor goed verkoopende: de zin van ons vorige listig en loos komt ook hier bij te pas; gelijk ook 't H-D, lurd / F, fraus, deceptio, machina; en H-D, lurd / M, homo subdolus, impostor; en ons † Lórdsen, † lórsen, I. CL: trahere, allicere, omtrent in gelijken zin en overdragt als ons betrekken: nog mede ons Loren-lórren- en lórden-drayen, I. CL: cauponari, & lucri causa, illicitis mediis, merces clam aliò transferre & distrahere, mentiri nomen, patriam, & merces, lucri causa; ziende dit alles op bedektelijk een verboden handel te drijven, of ter sluik iet in- of uit te brengen; en wel allermeest, zo 't mij toeschijnt, zinspelende op het menigvuldige en onbetamelijke gebruik der sluik-handelaers van hare goede Waren voor Lorren te vertollen, of anders de goede bedektelijk in te voeren, en de Lorren, die men heimlijk en met een slinksen draai daer toe onderstoken heeft, in derzelver plaets aen tegeven. Maer, tot ons Lore, leure, damnum, amissio, & res futilis, schijnt ook te behooren ons Lore, f: Dilutum vinaceorum, lora, en Lorendrank, Leurdrank, m: Lora, lorea, posca, als spoelwijn zijnde, naeulijks eene Leur en zeur waerdig. Dat dit Latijnsche hier mede overeenkomt, kan toevallig of een overblijssel van de oude Stammoeder zijn: immers dat in 't Latijn de Oorspronk niet gemaklijk is uit te rekenen, blijkt uit Vossii Etymolog:, dog hier bij ons vloeit hij van zelf. Eindeling ons † Loren, † loeren, † leuren, I. CL: attrahere, & inescare, 't geneik aenmerkte als een intreksel van † Lodderen, † loeyeren, I. CL: H-D, ludern / I. CL: attrahere, inescare, als mede ons Loeren, Beloeren, I. CL: insidiosè speculari; & tr: Retortis oculis intueri; & frontem contrahere, heb ik, om den zin bij ons Wortel-deel Laed, in Praet: Loed, geplaest, hoewel die, mits wat minder ongewrongen, ook tot dezen tak konnen betrokken worden, dog dan moeten Loeyeren, en Lodderen egter van hier blijven, dewijle nogte Lod, nogte Loey, volgens eenige Dialect, uit dezen stam kunnen spruiten.

 

Tot het Praet: Part: het A-S, forloren /bij Ons Verloren, perditus; en A-S, forlorennysse / perditio; en ons Verloren Schildwacht, m: Excubitor exstans primus, die, vermits verst van 't Leger, en naest bij den Vijand zijnde, voor een verloren man gehouden word: en Verloren Maendag, m: Hilaria, dies lunae primus post Regalia, om dat de Ambachtsman niet te werk komt, en gewoon is dan Vreugdtijd te houden, waerom hy ook bij de Gelderschen Raes-maendag heet, en bij ons Kóppertjesmaendag, van 't zamen koppelen.

Het Zaek-of Wortel-deel.

† LIF, in 't oude † éénlif, en † twaelif, nu élf en twaelf, zie daer van bij BLYV, in deze Proeve: en ook aldaer ons Lif-laf, insipidus.

De Wortel-of Zaek-deelen.

LIG, LAG en LEEG, in ons LIGGEN, LAG (in Subj: LAGE), GELEGEN, IV. CL; 2, jacere, positum esse; cubare, decumbere, & remanere; Graec: λεγω, cubo: ons By-liggen, IV. CL: 2, adjacere, accubare, concumbere, & concubare; In 't kraem geliggen, IV. CL: 2, decumbere ex puerperio; en de spreekwijze Daer ligt

[p. 271]origineel

veel aen, of daer is veel aen gelegen, multum interest; en † Verliggen, IV. CL: 2, stationem mutare, & delitescere, fracere, situm contrahere; & deficere; en † Verliggen een kind, infantem opprimere in lecto. Van ouds had men ook in Infin:Legen, † Gelegen, wanneer het onder die van onze III. CL: 1, behoorde. Dus ook M-G, Ligan / lag / ligans / III. CL: 3, jacere; en uf-ligan / III. CL: 3, deficere. F-TH, legan (ligan en geligon / Al: Lickan) / lag / 2ilegan / III. CL: 1, jacere, en ana-ligan / III. CL: 1, jacere, & urgere, en fur-ligan / III. CL: 1, moechari, uit welks Praet: Partic: het Middel-eeuwsche forlegani / adulterium, komt. A-S, liggan (licgan) / loeg / gelegen / agter de II. CL: jacere, cubare; Engl: to ly/ lay / layn (of ly'n). H-D, ligen (of liegen)/ lag (in Subj: Lage) / gelegen / Onreg: No. 11, jacere; zo mede H-D, beyliegen / concumbere, en verliegen / situ corrumpi. Ysl: Leggia/ laa / (Euph: voor lag / in Subj: loege) / leggen / cubare, agter de II. CL:

 

Tot het Wortel-deel met I, het H-D, lieger / M, cubitor, cubans, bij ons Ligger, m: propriè, qui jacet, situs est, vel moratur; nunc, & Hospes assiduus; & liber qui in usum conservatur; en ons Lig-stede, f; Cubile stratum; M-G, ligr / N, Lectus, cubile; en ons † Ligger, nu Leger, n: het Nest der Dieren, lustrum, ferarum cubile, en M-G, fi-ligr/ fi-legr / spelunca; en uit het Praes: Partic: ons Liggend goed, res soli stabiles & immobiles, praedium, en Liggend géld, otiosa pecunia, quae usuras non parit; en Ysl: Ligna / F, stagnans aqua, als stil-liggend in tegenstelling van een loopend Water.

 

En, met E uit het oude Praes: of den Infin: die, ingekort, ook in é verandert is, het A-S, Lega / locus; lege / campus; en ons † Ge-lége, situs, habitatio, villa, domus rustica; en Ysl: Leg / N, cubatio; en bij ons † Lege, Gelege, contr: Lég, m: Gelég, n: H-D, lege / F, positura, situs, & cubatio; waer van ons Léggen, I. CL: ponere. Dit Verbum is wel eigentlijk van de I. CL:, dog volgens de Euphonie word gemeenlijk de G, voor de D of T komende, in Y of I, verwisselt, waer uit dan spruit ons Leyt voor Legt, ponit; Leyde, voor † Légde, ponebat; en Geleyt, voor Gelégt, positus; die zelfde Euphonie-sprong geschied 'er bij ons Zéggen, dicere. Maer, voor ons Ongelijkvl: Liggen, IV. CL: 2, jacere, word in de daeglijksche spreektael, en daer door, bij gebrek van toeverzicht, ook in 't schrijven, zelf bij Geleerden, in Praes: en in Infin: gemeenlijk Léggen genomen, en, in gevolge van dat, ook Hy leyt vopr Hy ligt, jacet; gelijk mede Légger, voor Ligger, meta, inferior molae Lapis, als zijnde de liggende Steen, daer de andere Breker over heen loopt. Deze verwarring is wel van 't beste niet; dog 't gebruik is ook Meester van gebreken. Egter houd men in Praeter: nog meestentijd onderscheid tusschen Liggen en Léggen, want geen Schrijver van naem zal in steê van Hy leyde daer, neder, ponebat illic, zetten Hy lag daer neder / 't gene eigentlijk zeid jacebat illic; nogte ook niet, dat Land is gelegt Ic / voor dat land is gelegen, &c, regio ista jacet. Van dit ons Léggen, ponere, zijn 'er vele Composita, daer in we ons niet zullen ophouden, dan met de voornaemsten, waer onder ook is onze spreekwijze van Wél in eenige konst onderleyt zyn, instructum esse fundamentis artis cujusdam laude dignis, als zinspelende op het vereisch van een goeden grondslag tot een goed gebouw &c. Bij onze Taelverwanten is mede uit dezen Tak het F-TH, Legan / gelegan / I. CL: ponere, & reclinare; Alam: Leccan / leggan / I. CL: ponere; Al: ana-leckan / I. CL: imponere; F-TH, undar-legan / I. CL: Al: untar-leccan / I. CL: submittere; en F-TH, umde- legan / I. CL: circumdare; bij ons Omléggen, I. CL: circumdare, met een Praep; Insepar: in Praet: Part: Omleit, dog òm-léggen, I. CL: in orbem distribuere; en òm-léggen I. CL; omkeeren, vertere, beiden met een Praep: Separ: en den acsent op òm, en derhalven in Praet: Part: omgeleit; zoo mede ons Onderléggen, I. CL: aggredi, moliri, instruere aliquid, se interponere alicui rei, in Praeter: Partic: onderleit; en ònde-léggen, I. CL: submittere, substruere; in Praet: Part: Ondergeleit, voorts ons Op-léggen, imponere, superponere, injice-

[p. 272]origineel

re; constituere, injungere, incusare, & accumulare; en òver-léggen, superponere, transponere; en Overléggen, revolvere animo; en Toe-léggen, I. CL: apponere, tribuere; en Ergends op toe-léggen I. CL: conari, moliri aliquid; en Wèder-léggen, I. CL: reponere; Wederlèggen I. CL: refellere; en Uit-léggen, I. CL: dilatare, egerere, exponere, explicare, interpretari, & olim exscreare. F-TH, nidar-legan / I. CL: ponere, & reclinare; A-S, lecgean/ lecgan / I. CL: ponere, sternere; en A-S, alegan / en a-loecgan / I. CL: ponere, deponere; waer van contr: aled / positus, voor alegd of aleged of alecged, positus. H-D, legen / I. CL: ponere; en H-D, ver-legen / I. CL: bij ons Verléggen, movere loco vel ordine; en Zyn géld verléggen, I. CL: erogare pecunias; en 't H-D, ver-leggen I. CL: bij ons † Verléggen, nu wederléggen, refutare & reprobare; en 't H-D, ver-legen / I. CL: sumptus suggerere; quin etiam Obstare, impedimento esse. Ysl: leggia / lagde / lagdur / IV. CL: 1, ponere; en leggur / aquae constringuntur; in Praet: Lagde / IV. CL: 1, zijnde van die verloopene Classis, die uit Gelijk- en Ongelijk-vloeijend te samen bestaet: dog 'uit het Praet: het M-G, Lagjan / gelagjan / I. CL: ponere. Tot ons Lég, légge behoort ons † Aen-légge f: Actio, accusatio, naemlijk een aenlegging van klachte; en Aen-lég, m: Operis aggressio; en Overlég, n: Ratiocinatio, en Toe-lég, m: Machinatio, conamen, scopus; H-D, an-lege / F, pensum, en anleger / M, auctor, fax, tuba; en ons † Gelégge fascis spicarum, merges; en Lég-tyd, m: Ovatio, tempus quo gallinae ova pariunt, Lég-wérk, n: Aulaea, textura, tapetum; waer van Lég-wérken, I. CL: texere tapetes; en Légsel, n: Positura: en Lég-pénnink, m: Calculus, abaculus; door middel van welke penningen men voor een Eeuw, toen 't rekenen met de penn' zo schaers was, als 't nu gemeen is, zijne cyffering opmaekte, leggende en verleggende dezelven op zes bijzondere linien, waer van de eerste of onderste voor de penningen, de 2. voor de stuivers, de 3. voor de enkele guldens, de 4. voor de tienen, de 5. voor de honderden, en de 6. voor de duizenden diende; en Légger, m: Positor; en ons Uit-légger, m: Explicator, interpres; & Navis stationaria; dog ons Légger in de Molen komt voor Ligger als reets gezegt is. Maer, verder tot het Wortel-deel Leeg, het A-S, Legere / aegrotatio, & sepultura, bij ons ook Leger, n: en uit het Praet: het H-D, Lager / N, cubatio, aegrotatio; dus, Hy heeft een lang leger gehad, diu aegrotavit; en A-S, Legerbedd / cubile; en A-S, Legerfoest / bij ons Béd-legerig, aegrotans, cubans, clinicus; ook Ysl: Leggur / Angl: Legge, crus; als waer op voornaemlijk de Dieren veeltijds liggen: verder 't H-D, Leger / M, positor; en ons Leger, n: H-D, Lager / N, lustrum, cubile ferarum stratum; als daer de Dieren rusten en liggen: en ons Leger, heirleger, n: Ysl: Legur / N, castra; waer van Zig legeren, I. CL: het Leger nederslaen, H-D, Lagern / I. CL: castra metari, ponere, &c; en Be-legeren, I. CL: H-D, be-lägern / I. CL: obsidere arcem, urbem &c; en ons Verlegeren, I. CL: castra movere; en Belég, n: belegering, f: Obsidio. Nog ook, dog in den zin van Bij-liggen het A-S, Legnysse / en Legenscipe / fornicatio.

 

Voorts het zelfde Zakelijke deel Leeg, dog uit het Praet: Part:, hebben we in ons Gelegen, positus; Wel gelegen, of ook enkelijk Gelegen, H-D, gelegen / opportunus; en Gelegentheid, f: Situs, status, occasio; & opportunitas; en ons † Overlegen, oneratus, aggravatus; Verlegen, importunus, incommodus difficultate laborans; Verlegen zyn om iet, premi inopia alicujus rei; en Verlegen zyn met iet, incommodari aliquâ re; Verlegen zyn in iet, curâ & sollicitudine aliquâ premi; en Verlegene waere, en † verlegene of † overlegene meerse, merx exoleta, vetustate & situ corrupta. Verder ons Aen-gelegen vicinus, adjunctus, attinens; en Aen-gelegentheid, f: Propinquitas; & necessitas, res momentosa; en Veel aengelegen zyn, multum interesse; en Zig veel aen iemand laten gelegen zyn, veel werks van iemand maken, magnipendere alicujus favorem vel gratiam vel fortunam, enz.

[p. 273]origineel

Tot het Praeter: Lag, of uit den Subject:Laeg, het gemelde M-G, Lagjan / galagjan / I. CL: ponere, collocare; en uslagjan / I. CL: imponere. Bij ons gold ook oulinks † Lagen, I. CL: ponere, collocare; waer van † Gelaegt, positus; en Gelaegde lagen, insidiae instructae; en 't Vlaemsche Gelaegsaem, commodè situs; en ons † Uitlage, f: Exilium, relegatio; & tr: Exul; waer van † Uit-lagen, I. CL:, relegare; unde vulgò uutlagare. Verder het A-S, laegan / I. CL: jacere; en 't reetsgenoemde H-D, lager / läger / N, lustrum, & castra, en lägern / I. CL: considere, castra ponere, en be-lägern / I. CL: obsidione premere. Daerenboven ons Lage, laeg, f: H-D, lage / F, positio, situs, series, ordo; Ysl: Lag / modus, tonus, en lagnadur / fatum; en A-S, Leah / laag / lea / campus, & locus; en ons Schips-lage, f: H-D, Schiff lage / F, series tormentorum navalium; waer van onze spreekwijze van, De volle laeg geven, navem hostilem omnibus tormentis alterius lateris simul petere. Lage, laeg van het touwerk, spira, Lage, laeg, onderlage van 't bed, fulcrum; voorts Lage, laeg, hinderlage, insidiae, als zinspelende op die genen, die, agter iets heimelijk nedergedoken, ter bespringinge zig gereed houden; even gelijk ook 't Latijnsche insidiae van sedere: en daer van ons Lage léggen, belagen, en † verlagen I. CL: insidiari; en Nederlage, f: Clades, strages. Wijders ons Adject: Laeg, léég; Ysl: Lagur / H-D, läg / läge / humilis, depressus, & infra positus; en ons Laegte, léégte, f: H-D, läge / F, demissio, declivitas, humilitas; & vallis; Ysl: laag / F, vallis; en van ons Laeg, Léég, humilis, ons † Leegen I. CL: submittere, demittere, deprimere; en Verlagen I. CL: inferius ponere, demittere. Dog wederom met de korte A, als bij het Praet: Ind: in Sing: ons Gelag, n: ook † Gelage, † toe-lage, H-D, gelag / N, symposium, convivium, als op gemeene kosten aengelegt, gelijk ook H-D, verlach / M, sumtus, impensae; waer van onze spreekwijze Het gelag betalen, non solum solvere symposium, sed & tr: dare poenas; dit overdragtelijke zinspeelt op yemand, dien men tot betalinge van 't Gelag, bij verrassinge heeft laten zitten.

De Zaek-of Wortel-deelen.

† LY, in † Lyën, II. CL: 1, commodare, zie daervan bij † LY, in de II. Pr.

 

LY of Lye, in † Ly, † Lye, transitus, meatus, via, actus; Lye, Ly-boord, latus navis depressum; Lye, Ly, dolor, angustia; zie bij 't volgende LYD, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

LYD, &c, in ons LYDEN Euphons LYEN, LEED (oul: in Sing: ook LééD of LEID), GELEDEN, II. CL: 1, pati, perpeti, sufferre; en Belyden, II. CL: 1, confiteri; en Zich belyden, II. CL: 1, parcè se sustinere aliquâre, tenuiter se continere; en Overlyden, II. CL: 1, obire, mori, vita decedere, transire; en † Verlyden, II. CL: 1, transigere, praeterire, transire; & tr: obire mortem; quin etiam, Confiteri; en ons verouderde † Lyden, II. CL: 1, gaen, ire, transire, procedere, praeterire, & Navigare, en † Lyden, II. CL: 1, verhalen, narrare, rerum exponere cursus; waer bij men voegen kan ons Glyden, II. CL: 1, voor † Gelyden, II. CL: 1, labi, per lubricum ferri, procedere. Hoe vreemd en verschillig van zin deze mogen schijnen, egter zie ik dezelven aen, als eenstammig, en houde ons † Lyden, II. CL: 1, ire, transire & navigare, voor de oudste en eerste Grondbeteekenis: van dit is bij ons nog in gebruik Het lyd zo lang! quam multum temporis labitur dum exspecto! en Het leed, en 't is geleden of Verleden perfluxit, praeteriit tempus; en Laest-leden, nuper, behalven nog eenige andere takken. Uit dezen zin van Gaen, overgaen, voortgaen, volgt niet alleen het oude † Deur-lyden, II. CL: 1, transire; en 't gemelde † Verlyden, II. CL: 1, transigere, transire, & tr: obire mortem; en Een acte verlyden, II. CL: 1, actionem transigere; en ons Overlyden, II. CL: 1,

[p. 274]origineel

obire mortem, & olim transgredi, & praeterire, maer ook gemakkelijk de Overdragt van Glyden II. CL: 1, per lubricum procedere, beneffens nog twee andere Overdragten, als ten eerste die van ons Lyden, II. CL: 1, verdragen, pati, perferre; en † Deur-lyden, II. CL: 1, perpeti, als iet latende gaen, of over zig gaen, zonder wederstand; of ook, als geduldig den schouder voegende onder den apgelegden last of 't aengedane Leed, en verder zijn gang en pligt vervolgende, en alle steenen des aenstoots, zo veel mooglijk, uit den weg ruimende, omtrent in gelijken zin als ons verdragen van dragen. En van dit Lyden wederom Zig Belyden, II. CL: 1, parcè se sustinere, als verdragende de geringheid der onderstand-middelen, of ook, als voortgaende in zijne bezigheid met kleene en sobere voorraed of hulp. De tweede andere Overdragt is bij ons † Lyden, II. CL: 1, verhalen, narrare, als verslag doende van den gang of 't beloop der dingen; en hier van ons Belyden, II. CL: 1, ook oul: Verlyden, II. CL: 1, confiteri, als een verhael en rekenschap gevende van zijne gedagten. Van dit oude † Lyden, narrare, & Ire, & Navigare, vind men ook bij Melis Stoke in zijn Rijmkronijk, den druk van 1699, op pag: 85, Als ik hoor lijen (dat is, als ik hoor verhalen); en p: 106, Hoerd' ick lijen (dat is, hoorde ik verhalen); en wederom pag: 39, Dideric...... lede (d: i: ging of bragt over) vijftien jaer in Drede; en p: 112, Zo dat'er scip ne ghene mochte liden (d: i: varen) / 't en was bi hem (d: i: 't en ware bij hen); en pag: 122, ende hi leet die strate met den twee kinden (d: i: hij ging over de straet met de twee kinderen) enz.

En, ten opzigte der oude Taelverwanten, dus ook M-G, Leithan / laith (in Subj: lithan) / lithans / II. CL: 1, ire, procedere, en ga-leithan / II. CL: 1, ire, procedere, en inn-ga-leithan / II. CL: 1, introire, en bi-leithan / II. CL: 1, relinquere; af-leithan / II. CL: 1, decedere; hindar-leithan / II. CL: 1, praeterire; ufar-leithan / II. CL: 1, transfretare; en us-leithan / II. CL: 1, transire. F-TH, of Alam: Lithan (lidan) / leith (in Subj: Lithe) / gelithan / II. CL: 1, ire; & Pati; en Alam: Ka-lidan / II. CL; 1, decedere, recedere; en uz-ke-lidan / II. CL: 1, excedere. A-S, Lithan (lythan) / lath of laeth (in Subj: Lithe) / lithen / III. CL: 1, proficisci, navigare; en Ofer-lithan / III. CL: 1, transire, & obire; en to-lithan / III. CL: 1, fluctuare, navigare. H-D, Leiden / litte / gelitten / II. CL: 1, tolerare, ferre, permittere; Ysl: Lyda / leid (in Subj: lide) / lidenn / II. CL: 1, pati; en 't Imperson: thad Lydur / labitur tempus; in Praeter: Leyd. L-Fries Lyen / lit lynne / pati; en Kimbr: ad Litha / praeterire. En alle deze verscheidene beteekenissen vinden meê gemakkelijk hare oplossing in onze voorgemelde ontwarring van de Grondbeteekenis.

 

Takken tot het Wortel-deel van den Infin:, in den ouden zin van gaen of overgaen, zijn ons † Lyde, † lyd, † lye, f: Transitus, meatus, gradus, gressus; & via, actus; en het oude † Lyde, † lyd, † lyd-wég, via 16 pedes lata; en † Lyde, lye, ly-boord, latus navis depressum; vermits het schip op die zijde overhelt, terwijl de andere zijde dan Hoog-boord genaemt word: en † Deur-lyd, transitus; en † Overlyd, n: Transitus; & obitus; en Lydig gróót, permagnè, als de maet te boven gaende of overtredende; en Lyd-den-tyd, of † Tyd-lyd, m: Homo ignavus, als die onnut den tijd laet doorgaen. Voeg hier bij het A-S, lithe- of lid-monath / Martius mensis, als de overgang in een nieuw Saisoen, of anders om dat het varen in 't Noorden dan begint. En, met de ingekorte I, ons Lid, n: Gelid, † geléd, en † glid, n: Ysl: Lidur / M, membrum, articulus; F-TH, Lid / A-S, lith / M-G, lithus / membrum, artus, nervus, als waer aen eenig ding zijn' beweging of gang maekt; zoo mede † Lid-mate, f: Membrorum figura, statura, van Mate, mensura; en Lid-maet, m: & f: Membrum consocium, van Maet, socius; en Lid-water, n: Lid-zeever, A-S, lith-seaw / ichor, humor ex nervosis articulorum partibus laesis emanans; en Lid-teeken, n: Cicatrix; en A-S, litha-sare / morbus nervorum; en ons Gelid, en † Geléd van de slag-órde, acies exercitus, militum linearis ordo; en † Overlid, n: Agnatum membrum. En, in den zin van Overlijden of Vergaen, ons † Ver-lyd, n: Tran-

[p. 275]origineel

situs, mors; en A-S, lida / lues; en A-S, lidan / naufragium. En, in den zin van Verdragen, ons † Lyde, lye, ly, f: Dolor, angustia; en de spreekwijze In de ly zyn, premi, comprimi, urgeri; en Lydig, lydelik, tolerabilis; en H-D, leidig / patiens; bij ons Lyd-saem, tolerans, patiens; en Mede-lyden, n: Misericordia; hoewel dit lyden ook voor gaen kan komen, vermits men in den zelfden zin ook Meê-gaende, voor Medelydend, misericors, gebruikt. En, in den zin van Belijden, ons † Belyd, † Verlyd, n: nu Belydenisse, f: Confessio. En, van 't A-S, lithan / III. CL: navigare, fluctuare, het A-S, lithe / classis; waer op ook het vorige A-S, lithe-monath / martius mensis, en lidan / naufragium, zien kan. De takken van Glyd hebben we bij dat Wortel-deel in deze Proeve verhandelt.

Maer, even gelijk uit Glyden of † ge-lyden, ire, procedere &c, ons Glad, † gelad, laevis, glaber; & tr: laetus, blandus, gesproten is, zo kan ook uit dit † Lyden, ire, procedere, &c, met het voorwerpsel BE contr: B, ons Blyd, blyde, Ysl: Blydur / A-S, Blithe / Angl: Blithe / laetus, jucundus, blandus, ontleent zijn; en daer van het F-TH, Blidan / I. CL: exultare; en ons Bly-heid, blydschap, f: Laetitia; Ysl: Blida / F, blandities; A-S, Blydnys / blithnysse / exultatio; en ons Verblyden, I. CL: laetari, & laetificare, als zinspelende, zo 't mij toeschijnt, op den lugthartigen voortgang, levendige beweging, en gereede inschikkelijkheid der Blij-moedigen; en insgelijks ziende op de vrolijke en blank-glinsterige gladheid, uit het Praeter:, ons Bleye, f: Angl: Bleye / alburnus, pisciculus. Gelijk ook in het over- op- en neêr-gaen zijne uitlegging kan vinden ons † Blye, weegschale, trutina, statera; en Blye, f: bly, ballista, machina bellica instar trutinae, qua saxa maximi ponderis olim projici solebant, om gelijke rede; en Bly, n: Loot, plumbum; Al. Pliw / Ysl: Bly / N.H. D, Bley / N, plumbum, als tot de weging wordende gebruikt: en Blywage, f: richt-loot, amussis, en Bly-wit, n: lootwit, cerussa, als zijnde loot, door azijn tot een witte verwstoffe verbeten. Dog 't M-G, Ga-bleithjan / I. CL: 1, misereri, als medelijden hebbende, past tot den zin van Lijden, pijn hebben, pati.

 

Uit het Zakelijke Deel van 't verouderde Praet: in Sing: met éé of EI, vertoonen zig insgelijks vele Takken; als eerstelijk onder den zin van 't lijden, & pijn ontfangen of toebrengen, ons Lééd, ook † leid, n: F-TH, Leid / leyth / N, A-S, Lath / dolor, injuria, molestia, offensio; en A-S, laeththe / livor, odium; H-D, leid / N, tristitia, luctus, dolor, angor; en H-D, leide / F, vestis lugubris; en A-S, lath / odiosus; waer toe ons Lééd-doen, nocere, aegrè alicui facere; & dolere; Léed zyn, dolere; en Lééd-wezen, n: Poenitentia, enz.; waer van ons † Leeden, verleeden, I. CL: H-D, er-leiden I. CL: taedere, fastidio esse; waer van wederom † Leedig, leidig, † leedelyk, fastidiosus, & miserè; en daer van ons Beleedigen, I. CL: H-D, beleidigen / I. CL: nocere, laedere; en H-D, ver-leiden / I. CL: invidiam parare; en A-S, be-laethan / I. CL: F-TH, leidezan / I. CL: detestari, als leed toewenschende: nog ook overdragtelijk ons † Leedelyk, nu contr: leelyk, miserè, deformis, fastiditus; Alam: leidsame / abominabiles; en H-D, leidig / horridus, tristis, abominandus, want het leelijke smert ons; en smert en leed mismaekt en krenkt de gantsche Natuer; waer van nu ons Leelyken, verleeliken, I. CL: deformare, & deformari. Verder ons Leider! H-D, leider / proh dolor! en, gelijk in deze Takken het ontfangen & het toebrengen van smert beide zinnespelen, zo vind men ook bij 't A-S, den zin van 't afkeeren der smerte, of leiding & handreiking doen tot te regthelping, in het A-S, lade / purgatio, excusatio; en 't A-S, ladian / beladian / en belathan / I. CL: purgare, excusare, hoewel ook deze onder ons stamwoord LAED konnen betrokken worden.

Maer tot den zin van gaen, voortgaen, bewegen, en doen vorderen, ons † Leid, † lééd, m: en † Leide, f: Ductus, gradus, gressus; A-S, Lad / lade / migratio, peregrinatio; Ysl: Leyd / F, via. Hier van nu ons Leiden, I. CL: ook oul: † Leeden, I. CL: F-TH, Leidan / leitan, / I. CL: A-S, Laedan / gelaedan / I. CL: H-D, Leiten / leyten / I. CL: ducere; en ons Geleiden, I. CL: F-TH,

[p. 276]origineel

geleidon / geleitan / I. CL: conducere, In-leiden, I. CL: F-TH, inleitan / en ingileitan / I. CL: inducere; en F-TH, arleitan / I. CL: reducere; en uz-gileitan / I. CL: ejicere; en ons Beleyden, I. CL: ducere, conducere, dirigere; waer van ons Beleid, n: Administratio, deductio, directio, en Beleid doen op eenigen grond, postulare addici sibi fundum, met beleid op de goeden volgen, curare fundum sibi addici & necti, en Beleiden in 't goed, mittere in possessionem fundi; en ons Deur-leiden, I. CL: perducere, Over-leiden, I. CL: traducere; en Verleiden, I. CL: A-S, for-laedan / I. CL: ook A-S, for-laeran / I. CL: seducere, & decipere; en ons Verleider, m: F-TH, forleitero / seductor; en zoo meer andere Composita. Voorts het oude Vlaemsche Lééd-toge, dux; en ons Leider, ductor. Ook is het, nogte onmooglijk, nogte onwaerschijnlijk, dat wel eer met de Allemann: Voorwerpinge van K in steê van GE, uit dezen Tak ontleent zij geweest, ons Klééd, n: in Plurali kleederen, contr: kleeren, H-D, kleid / N, A-S, clath / clathe / vestis, indumentum, vermits over het Lichaem of iet anders omgetogen; en hier van ons Kleeden, I. CL: H-D, kleiden / I. CL: vestire; en A-S, claded / vestitus; en ons Kléér-kas, Kléér-rénne, Kléér-schappraey, vestiarium, en Kléére-lappen, I. CL: confarcinare vestes.

Dog ook overdragtelijk † Leider, nu leeder en contr: Léér, m: of ook als het A-S, Praet: met A, ons Ladder, m: A-S, Laedra / hlaedre / Angl: Ladder / Alam: hlaitar / H-D, leiter / M, scala, als waer langs men op- en af- gaet. En, gelijk het A-S, forlaedan en for-laeran / seducere, beide het zelfde beteekenen, zulks dat ook 't A-S, laeran / hier voor ducere, instruere komt, zoo mede verder overdragtelijk van dit Léér, ons leeren, I. CL: H-D, lehren / I. CL: discere, & docere; A-S, laeran / I. CL: discere; en A-S, ge-laeran / I. CL: docere; en Al: of F-TH, Leeran en leran / I. CL: docere, en Lernan / gelernan / I. CL: discere, & meditare; & docere, als leidende en wordende geleid langs de trappen der Konst of Wetenschap; en ons Verleeren, I. CL: dedocere, Volleeren, I. CL: perdiscere, perdocere: waer toe mede ons Leere, léér f: A-S, Laere / lar / F, F-TH, Lera / F, H-D, Lehre / F, doctrina, en Ysl: Laerdur / bij ons Geléérd, doctus; en ons Leeraer, m: A-S, Lareow / M, Magister; Minister Verbi Divini; waer van ons Leeraeren, I. CL: docere, instruere publicè, Ministri officium fungi, en zoo voort. Verder ons † Leide, en Euphon: zonder D, ons † Leye, f: Meatus, aquaeductus, transitus; & aquagium, als waer langs het water loopt ofte geleid word; en zoo mede ons Leide, leye, f: schalie, lamina, scandula, om gelijken dienst, of anders vermits trap-wijzig opgelegt: waer toe ons Leyen-dak, n: Tectum scandulare, vulgo Ardosium, en Ley-dékker, m: Scandularius, qui scandulis aut laminis petrarum domos tegit; en † Leyde, † leye, leid-stérre, f: Stella polaris, ursa minor, als een Leidsman of Bestiermeester voor den Schipper. Voeg hier bij ons Agterzetsel Ley, via, modus, species, qualitas; Ysl: Leyd / via, als bij ons Menigerley, velerley, multiplex, tweederley, duplex, bifariam, enz:, dienende alhier omtrent met gelijke overdragt, als ons Menigwerf, komende van Werven, keeren; als stierende de gedagten op het onderscheid van de leiding, gang, of soort der dingen.

Wijders, onder eene Euphonische uitlatinge van D, en wederaenneming van den uitgang S, in steê van ons ER, past ook niet qualijk hier toe het M-G, Laisjan / at-laisjan / I. CL: docere; waer van het M-G, laisiths / doctus, laisareis / magister, en laiseins / doctrina. En, gelijk de Meesters en derzelver lessen tot een voorbeeld en voetspoor zijn voor de leerlingen, zo schijnt ook hier toe te behooren met den uitgang T, het A-S, Laeste / laest / F-TH, of Alam: Leist / Angl: last / H-D, leist / F, en bij ons Léést, f: Calopodium, mustricula, formula lignea sutorea, als iets dat gevolgt moet worden; waer van het M-G, Laistjan / afar-laistjan / I. CL: F-TH, Leistan / leysten / I. CL: sequi; A-S, laestan / I. CL: H-D, leisten / I. CL: en bij ons † Leisten, † léésten, I. CL: en † Geleisten, en † verléésten, en volléésten, I. CL: praestare, assequi, & ad perfectionem perseverare; en A-S, ge-

[p. 277]origineel

laestan / I. CL: implere, persolvere; en Sax: en Geld: Leister, leister-bórg, m: Obses, als in gijzeling tot de voltrekking en naekominge van de belofte; en A-S, laestend / executor; en ook zonder T, het Alam: Leisanon / ke-leisinon / I. CL: imitari, alles ziende op het agtervolgen van een voorbeeld: dog ons † Geleisten I. CL: carere, past op den zin van Lijden, pati, om 't leed en de smerte van gebrek: gelijk wederom in den zin van geleide, ductus, en mede zonder T, bij ons Leeze, f: A-S, last / sulcus, orbita, als het spoor van een Wagen, of het Zog van een Schip, wijzende de streek en 't pad van den laesten wagen of van 't korts-voorbijgevarene Schip; en A-S, forlaest / vestigium; en ons Wagenleeze H-D, Wagenleysz / Saxon: Wagenleise / vestigium rotae; en, op 't menigvuldig omgaen met een zaek schijnt te zien ons † Geleyzig, assuetus, † Geleyzig zyn, assuetum esse, † Geleyzer, qui consuevit merces commutare cum aliquo; en † Geleyzer, concubinus, qui consuetudinem habet cum muliere; en in een Alam: Dialect Ka-leizer, concubinus. Ook vertoonen zig uit het Wortel-deel van den Infin: met Y, diergelijke Takken, als, ons † Lysten, I. CL: perficere, praestare, gelijk ook Lyst, f: Linea, meta, undè vulgò Lista, Ital: Lista, als welker maete, geleide, en streek men moet opvolgen; en Lyst, lyste, f: Catalogus, sceda, unde Gall: Liste, eene schikking volgens een gemeen bekende orde en gelei gemaekt, en verder overdragtelijk Lyst, f: H-D, leist / F, fimbria, limbus, lacinia, margo; unde Gall: Lisiere, Ital: Lista, Angl: liste / als de uiterste bepaling aenwijzende en vervolgende; en daer van ons Lysten, I. CL: circumducere orâ vel Lymbo, determinare; welke Takken uit den Infin: of 't Praes: ik nu eerst hier ter plaetse inbreng, om de leiding hunner oorspronk met te minder beduiding en tevenste klaerder te kunnen aenwijzen.

 

Uit ons Praeter: Indic: Leed, of uit het Praet: Subj: Lede, met de zagte E, waer voor de meeste verwanten volgens haren Subj: de zagte lange i voeren, ons † Lede, f: Gradus, gressus, ductus, & aquaeductus; en A-S, lithe / trabs, waer toe ons Ledekant, n: & f: Lectus castrensis, viatorius, als waer mede men overal gaen en reizen kan, vermits uit losse en ligtlijk te verbindene Leden bestaende, om welke laetste rede dit mede op het volgende † Lede, lid, betreklijk is, want ook oul: † Lede, nu lid, n: gelid, n: en † Glid, n: M-G, lithus / M, H-D, glied / N, membrum, A-S, lith / lieth / artus, nervus, hebbende 't onze in Plur: nog altoos de E, als Leden, membra, &c, als waer mede en waer bij eenig deel zig beweegt of voortgaet; en ons Leed-en Glid-kruid, n: Sideritis, herba, als dienstig tot genezinge der wonden, voornamelijk die door yzer zijn toegebragt, waerom het ook Ferruminatrix heet, als mede sideritis van 't Grieksche οίδκρος, Ferrum; en, Weder in 't lid of gelid zyn, zeid men van verwrikte Leden die wederom op hare plaets gestelt zijn; en ons Gelid, † geléd, militum linearis ordo, heeft mede in Plur: de E, als Ge-lederen: voorts ook om de plaets der beweging ons † Lede, harre van de deur, cardo; verder † Lede-mate, † lid-mate, f: Statura, figura membrorum; en Lede-maet, lid-maet, m: of f: Membrum societatis, consocius vel consocia; van welker eenigen wij bij 't Wortel-deel van den Infin: gesproken hebben; en van Lede komt wederom het Verbum Ontleden, I. CL: membra dissolvere, enodare. Maer ook, overdragtelijk opzigt hebbende op de vaerdige en gemaklijke beweging, ons † Ledig, † Ledenig, contr: Lenig, liber, solutus, flexibilis, lenis, facilis, A-S, lieth / lith / lithelige / F-TH, lisno / lenis, flexibilis; en A-S, lithlic / lithelice / leniter, mitis, blandus; waer van het A-S, lithegan / I. CL: mitigare, en lithian / I. CL: fovere. Verder als los en vrij, zonder gezette bezigheid zijnen tijd latende doorgaen, ons Ledig, contr: Leeg, H-D, ledig / leer / otiosus, vacuus, inanis; & olim tr: Caelebs, waer toe ons † Ledige vrouwe, vidua, en ons Ledig- en leeg-ganger, m: Otiator, desidiosus, even als 't voorgemelde Tyd-lyd: en Flandr: Leegaerd, en uit het Praet: ook † Ley, otiosus, piger; waer van 't Fl: Leegaerden, I. CL: dare se pigritiae; en van dit ons Ledig komt verder ons Ledigen, contr: Leegen, of Legen, I. CL: evacuare; en † Verledigen,

[p. 278]origineel

en † ontledigen, I. CL: H-D, erledigen / I. CL: solvere, expedire; en Zig ver-ledigen, I. CL: vacare alicui rei, en † Ontledigen, en † verontledigen, I. CL: occupare, en ons † Onlede, f: Occupatio, en Onledig, occupatus. Wijders, hoewel men gissen zou mogen, dat'er, even gelijk bij 't reetsgenoemde Lenig, flexibilis &c, dezelfde uitlating geschied ware bij ons Lene, ook † leine, f: Sustentaculum, als ziende op het geleide en den steun in het staen, gaen, of op- of neêr-klimmen, waer van ons Lenen, I. CL: ook † leinen, I. CL: A-S, hlinan / F-TH, linan / galinan / I. CL: Angl: leane / inniti, iucumbere; en F-TH, lineberga / F, bij ons Lening, reclinatorium, egter kan dit Lenen ook oul: † leinen, I. CL: met ruim zo goeden schijn afgeleid worden van ons Wortel-deel † Ly, 't gene we in de II. Proeve zullen verhandelen.

Maer dit zelfde Zakelijke Deel Leed vertoont zig ook in ons † Leder, contr: leer, n: Pellis, tergus, exuviae, met den uitgang ER agterop; mooglijk vermits een overtreksel over de Leden; voornamelijk bij de Lederen Kolders of Harnassen, die van ouds zoo om 't lichaem moesten sluiten, dat 'er de beweging en gedaente der leden klaerlijk doorspeelden; en daer van transl: Leder, leer, n: AS, lether / Ysl: ledur / N, H-D, leder / N, corium, als van vel gemaekt, en daerenboven meê betreklijk op den zin van Lênig: en ons Adject: Lederen, contr: leren, coriaceus; en Leer-touwen, leer-gérwen, I. CL: perficere corium: nog ook ons Leer, vagina, als van Leder gemaekt; waer toe onze spreekwijze Van leer trékken, ensem stringere, enz.

 

Dog eer ik hier van afscheide, kan ik niet wel voor bij te zeggen, dat, evengelijk bij ons het voorwerpsel GE in ons Glyden, II. CL: 1, labi, alzoo insgelijks het voorwerpsel S (waer van we in onze Grondsl: II. Verhand: § XXIX gesproken hebben) heeft plaets gekregen in 't A-S, slidan / slad of slaed / sliden / III. CL: 1, labi, en M-G, ga-sleithjan / I. CL: jacturam facere, als leed of schade lijdende, en M-G, sleidja / saevus, als leed of schade doende, welke voorwerping zig ook in ettelijken onzer Takken laet zien, als, Slede, † slédde, en † slidde, f: H-D, schlitten / Sax: siede / Angl: sledde / traha, trahea, om den schuivigen voortgang; en A-S, slide / Lapsus, en slith / laevis, even gelijk bij ons Glad, laevis; en A-S, sliddor / lubricitas; waer van A-S, sliderian / I. CL: labi, en ons Slédderen, † slidderen, I. CL: labi, prolabi, & celeriter tendere; en A-S, slaed / slede / vallis, om het afgaen van de hoogte; en Verslédderen, I. CL: flaccescere, als afgaende en verslijtende, evengelijk ook ons † Sladde, f: Mulier ignava, ambubaia, als eene sleep-lende, of, met gelijke overdragt als ons Lijd-den-tijd of Ledig-ganger. Maer, met uitlatinge van de ligtlijk-weg-smeltende D, schijnt ook hier toe te behooren ons Slye, en † sleye, f: Zeelt, A-S, sliw / tinca, om haere slijmerige glibberigheid; en mooglijk, met den uitgang M, ook hier toe ons Slym, n: en m: H-D, schlam en schleim /M, A-S, en Angl: Slime / limus, phlegma, mucus, om de glibberigheid. Gelijk ook wederom zonder S, ons † Lym, limus, & argilla; of desgelijks met EE, ons Léém, n: of met K voorop, ook Flandr: Kléém, n:, en zonder M agter-aen, ook Kley, f: en Angl: claye / limus, lutum, & argilla, terra figularis, tenax & glutinosa, mede om de gladglibber-, en kleverig-heid; en ons Leemen-wand of -wéég, paries cratitius, luteo aut argilla crustatus, welk soort van Wanden landwaert in 't Duitsche Rijk nog zeer gemeen is, en ook was bij ons, toen de mueren van steen nog zeldsaem waren; waer van verder ons Leemen, kleemen, en bekleemen, I. CL: incrustare parietes, illinere argilla aut luto; en dus mede A-S, laemene / fictilis, lemm-faet, vas fictile, laemen-faet, lagena; en A-S, lame / lim / limus, lutum, en lamene / luteus, en limung / litura, als mede A-S, clam / plasma, en claemian / I. CL: oblimare, en claeg / samia terra, terra fictilis, argilla; alle welke veranderingen van Y, éé, en EI bij ons, en a of ae / en i / bij 't A-S, bevestigen, datze te zamen tot een diergelijk Ongelijkvl: Stam- Verbum t'huis hooren: en van dit oude Lym schijnt mij toe, dat bij overdragt, om de plak-

[p. 279]origineel

dienst, kleving, en gladheid, ontleent zij geweest ons Lym, n: en m: Ysl: lym / N, H-D, leim / N, Angl: Lyme / viscus, gluten; waer van ons Lymen, I. CL: glutinare, en Joden-lym, m: en n: Bitumen ex mare Asphaltiti Jordanem excipienti. De Takken met Y of contr: I, zijn tot het Praes: die met éé, EY of A, tot het oude Praet:, en die met E tot het andere Praeter: te betrekken.

 

Tot het Praeter: Partic: behoort ons reetsgemelde 't Is geleden, verleden, als mede ons Adject: Voorleden praeteritus, en zoo voort.

 

Zie daer wederom een' Boom, die zeer rijkelijk met aenzienlijke Takken pronkt; en schoon we in een of ander van die te verre met onze gifsing mogten gegaen zijn, 't zal egter klaer genoeg blijven, dat dus, langs een geregelden weg, uit een zelfden Wortelstam, dog uit verschillige Hoofdtakken, zulke onderscheidene Telgen kunnen gesproten zijn, als, ons Be-lyden, confiteri, en Be-leiden, dirigere; Deur-lyden, perpeti, en Deur-leiden, perducere; Over-lyden, mori; en Over-leiden, traducere, &c; als mede ons Leeder, léér, scala, Léér, doctrina, Leeren, docere; & discere; en daerentegen ons Leder, leer, corium, & vagina, en Leren, coriaceus; gelijk ook ons Ledigen, evacuare, en Be-leedigen, nocere, enz.; welker Wortel-of Zakelijke-Deelen bij ons Amstellanders, bij verloop, alle verwardelijk worden uitgesproken, tegens het streekhoudende Onderscheid van de Gemeen-landsche Dialect, en tegens den Oorspronk en ouden Grondslag aen; dog zie daer van breeder in onze verhandeling van de Dialecten.

Het Zaek-of Wortel-deel.

LYF, in ons Lyf, Lyf-lóós, Lyf-eigen, † Lyf-hacht, Lyf-tógt, enz. veel anderen, zie bij BLYV, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

LYK &c, in ons LYKEN, LEEK, GELEKEN, II. CL: 1, en GELYKEN, II. CL: 1, assimilare, similem esse, convenire, congruere; & tr: beneplacito convenire, placere; zoo mede ons Vergelyken, II. CL: 1, assimilare, comparare, adaequare. H-D, gleichen / glich / geglichen / II. CL: 1, similem esse, referre, en H-D, vergleichen / II. CL: 1, adaequare, comparare; dog ook H-D, gleichen / I. CL: adaequare. Ons Lyken voor Welgevallen dient nog in onze spreekwijze Lykt u dat? num tibi placet? en zoo vervolgens in het Praeteritum.

 

Tot den Infin: of 't Praes: ons † Lyk, gelyk, similis, aequalis, M-G, leiks / galeiks / similis, M-G sama-leiks / conveniens, F-TH, gilih / Al: lih / ki-lih / similis, aequalis; A-S, lic / gelic / similis; waer van 't bovengenoemde H-D, gleichen / I. CL: adaequare, en 't M-G, ga-leikon / I. CL: 3, assimilare, en M-G, leikan / ga-leikan / I. CL: 2, placere, en M-G, weila-galeikan / I. CL: 2, complacere: F-TH, en Al: Liihhan / lihhan / gelichan / gelihhan / en chi-liihhan / I. CL: placere, complacere, int-lihan / I. CL: mutuo complacere, en pi-lihchan / I. CL: displicere, bij Kero, dog gisse dat het zi-lihchan of fur- of un-lihchan zal moeten zijn: en A-S, licean / gelicean / gelican / I. CL: placere, Kimbr: ad liika / placere; en F-TH, in-lichenes / quod pulchrius est & magis placens, en A-S, gelicung / complacentia, en F-TH, lihhizan / lichizan / I. CL: A-S, licetan / gelicetan / I. CL: complacere, assimilare, fingere, assentari, simulare, en Alam: liihhisare / palpator, assentator, sarabaita, en lihhisode / arrogantia, typhus. Verder ons Gelyk, te gelyk, simul, Gelyk-hébben, verum dixisse, justam defendere causam, Ongelyk, dissimilis, inaequalis; en ons Subst: Ongelyk, onrecht, injustum, iujuria, Ymand ongelyk, aendoen, verongelyken, I. CL: laedere, offendere aliquem, facere injuriam, iniquè tractare. Voeg hier bij onzen Uitgang Lyk, eene gelijkheid van aert of gedaente verbeelden-

[p. 280]origineel

de; en ons Gelykenis, f: A-S, gelicnys / similitudo, simulachrum, & character; en † Ontlyksaem, dissimilis, deformis; en † Ontlyksemen, I. CL: dissimilem facere, deformare, en † Gelyksenen, I. CL: fingere, simulare, en † Gelyksenaer, Euph: Glysener, hypocrita; beneffens ons oude † Lik, aequalis, planus; waer van ons Likken, † Gelikken, oplikken, en † glikken, I. CL: nitere, planum facere; hier voor neemt men nu al veeltijds de é in steê van de I, als Lékken, I. CL: polire, planum facere, en Lék-stéén, m: Lapis politorius, als wanneer die eigender bij 't Praeter: komen. Met F voor-op vertoonen zig ook ons Op-flikken, I. CL: polire, resarcire, en Flikken, I. CL: sarcire, consuere.

Dog ons Lyk, n: A-S, lic / lice / M-G, leik / N, corpus, funus, & cadaver, H-D, leich, funus; waer van ons † Lyken I. CL: funerare, schoon gelijkvormig aen dezen Stam, is egter gantsch verschillig van zin; gelijk ook het M-G, leikeis / lekeis / A-S, laeca / leca / Alam: lachi / Ysl: laeknare / medicus; en M-G, leikinon / ga-leikinon / I. CL: curare, sanare; en A-S, laecnian / lacnian / laecnigan / lacnigean / I. CL: mederi, fomentare, en Alam: lachida / medicamina, waer toe ons Lyk-teeken, lik-teeken, n: H-D, leichmal / en Flandr: † Lyksene, f: Cicatrix, als een overblijfsel van eene genezene wonde; en Lyk-doorn, lik-doorn, m: H-D, leichdorn / clavus pedum, als hebbende de genezing van nooden; en Lyk-klaeuw, f: Unguium cicatricula; nog ook als het Praet: ons Leikbladeren, Flandr: Lék-bladeren, lapathum, rumex, vermits zeer in gebruik tot genezinge der Wonden. Hoe verschillig egter deze zin te voren komt, niettemin, dewijle dus bij de Taelverwanten, en ook bij dit laetste van Ons, dezelfde Vocaelverandering gevonden word, als 'er bij den Stamboom van dit Lyk, en bij de Takken van 't Praeter: past, zo heeft het goeden schijn, datze ook daer van gesproten zijn: op dien voet zou ons Lyk, olim corpus, & nunc cadaver, vermits de gedaente vertoonende waer uit de gelijkheid opgemaekt word, uit Lyken, Gelyk zyn, similem esse, kunnen ontleent weten; en dus mede ons Lichaem, n: voor † Lyk-haem, omne corpus; & olim cadaver, en F-TH, lichamo / M, en A-S, lichama / M, caro, corpus, & cadaver, en H-D, leichnam / M, cadaver; van welke terminatie we ook melden zullen bij HEM, in de II. Proeve; dog 't M-G, Leikeis / medicus, &c, kan men afleiden van Lyken, welgevallen, placere, vermits de genezinge der Qualen onder de aengenaemste diensten te rekenen is. Gelijk ook het A-S: laac / elogium, en lac / elogium, hostia, munus, met het Praeter: overeenkomt; strekkende de giften en Offerhande, of tot dankbaerheid van iet aengenaems, of, om door iet behaeglijks eenige gunst te verwerven; en de Lof-uitingen zijn omtrent van gelijke natuer: ter zake van welke A-S, a in Praet: men ook twijffelen mag, of niet ons Lak, Lakwérk, cera Hispanica, & Electuarium, om het glad zijn, en glinsteren, even gelijk het voorgemelde Lékken, likken, polire, &c, hier van ontleent zij; dog zie daer van nog breeder bij LEEK, in de II. Proeve.

 

Wijders, of niet ons Blyken, II. CL: 1, lucidum esse, liquido constare, eigentlijk in steê van † Be-lyken II. CL: 1, koom', vermits de overtuiging en rede meest altijd uit deze of gene vergelijking word opgemaekt, geef ik in bedenken. Zo de zin goed word geoordeelt, zo kan 't aen de gedaente hier niet schorten, dewijle meermalen B de plaets van BE bekleed. Dog van Blyk, en desselfs Takken hebben we in deze eerste Proeve op zijne beurt gehandelt.

De Zaek-of Wortel-deelen.

LYM, in Lym, limus, argilla, viscus, gluten; en Lymen, glutinare; en Jodenlym, bitumen asphaltitis; zie daer van bij LYD, in deze Proeve.

 

LYST, in Lyst, linea, meta, catalogus, sceda; fimbria, limbus, margo; en † Lysten, perficere, praestare; en Lysten, circumducere ora vel lymbo, zie daer van bij ons vorige LYD, in deze Pr.

 

LYV, in Lyve-lóós, Lyvig, Aflyvig,

[p. 281]origineel

Hart-lyvig, in-lyven, enz., zie bij BLYV, in deze Proeve.

 

LIK, in † Lik, planus, aequalis; en † Likken, † Gelikken, en Op-likken, I. CL: nitere, planum facere; zie daer van bij 't vorige LYK, in deze Proeve, en in Likken, lingere, lambere; en Likke-baerden, os, labia, barbamve lingere; zie bij LEEK, in de II. Pr.

 

† LIMP, zie bij de II. Proeve.

 

LING, in † Gelingen, contingere &c; en ons agterzetsel Ling, als Vondeling &c, zie daer van bij † LING, in de II. Proeve.

 

LINK, in Links, Linkerhand, en Linkert, zie daer van bij † LINN, in de II. Proeve, en bij SLINK, in deze Proeve; en in † Gelinken, splendere; zie daer van bij BLINK, in deze Proeve.

 

† LINN, zie bij de II. Proeve.

 

LINT, in † Gelinte, sepes &c; zie daer van bij LINN, in de II. Pr.

 

LIP, in Lip, Lippe, zie bij LÉP, in de II. Proeve.

 

LIS, in Lis, nexus; zie daer van bij LAET, in de II. Proeve.

 

LIST, in List, zie daer van bij LIEZ, in deze Proeve.

 

† LIT, in † Litsoen, merx corrupta, vitiosa; en Litse, nexus, ligamentum; zie daer van bij LAET, in de II. Pr., en in Littel, parum; zie daer van bij LUIT, in de II. Proeve.

 

LIV, in Livrey, vestis discolor; zie daer van bij BLYV, in deze Pr.

LO.

† LÓCH, in † Lóch, discrimen, caverna, foramen; en Lóch-duive, columba cavernalis, zie daer van bij 't vorige LIEG, in deze Proeve.

 

LÓD, in Lódder, homo luxuriosus, scortator; Lódderig, Lódderlyk, ludibundis oculis; † Lódderen, attrahere, inescare; zie daer van bij LAED, in deze Proeve.

 

† LOECH, 't oude Praeter: van Lacchen, zie bij LACH, in deze Proeve.

 

† LOED, het oude Praet: van Laden, zie bij LAED, in deze Pr.

 

LOEF, in Loef, latus navis depressum, &c, enz.; zie daer van bij LIEV, in de II. Proeve.

 

LOEY, in † Loeyer, illecebrae, revocatorium; en † Loeyeren, attrahere, inescare; zie daer van bij 't vorige LAED, in deze Proeve.

 

LOER, in Loer, illecebra; Loer-vogel, accipiter, falco; † Loeren, attrahere, inescare; Loeren, beloeren, insidiosè speculari; en Loeren, retortis oculis intueri, & frontem contrahere; zie daer van bij 't vorige LAED: en in ons Loeren, imponere alicui, fraudare aliquem; en Loer, en Loerd, homo futilis; en Loereman, caseus inveteratus; zie daer van bij 't vorige LIEZ, in deze Proeve.

 

LOEV, in Loeve, latus navis depressum; en Loeven, † Loevèren, zie daer van bij LIEV, in de II. Proeve.

 

LÓF, in Lóf, Verlóf, óórlóf, venia, permissio; † Lófte, Belófte, promissio; Brui-lóft, nuptiae; Te lóf en te bód zyn, depretio mercium tractare; en Lóf, laus; en Lóf, frons, folia; en Lófwérk, zie daer van bij LIEV, in de II. Proeve.

 

LÓG, in † Lóg, differentia, discrimen, caverna, foramen; en óór-lóg, bel-

[p. 282]origineel

lum; zie daer van bij LIEG, in deze Proeve.

 

LÓK, in Lók, foramen; Lók, Hair-lók, cirrus, floccus, villus; en Lókken, allicere; waer toe ons Verlókken, Lók-aes, Lók-azen, en Lók-duive; verder Lókken, labris elicere; en Lókke, sanguisuga; zie daer van bij 't volgende LUIK, in deze Proeve.

 

LOMP, in Lomp, rudis, impolitus, incongruus; Lompe, vestis lacera, & abscissa pars lini aut lanae, & fomes ignarius; en Lomp-halzen, colaphos infringere; en Lompert, homo rudis; zie daer van bij LIMP, in de II. Proeve.

 

LON, in Lonse, Londse, paxillus axis; zie daer van bij LINN, in de II. Pr.

 

LONG, in Longe, zie daer van bij LING, in de II. Proeve.

 

LÓÓCH, in Loochenen, en Loochenaer, zie hier voor bij LIEG, in deze Proeve.

 

LÓÓD, in Lóód, en Loodene buis, enz., zie daer van bij LUIT, in de II. Proeve.

 

LÓÓF, in Gelóóf, fides, Lóóf, umbraculum, frons, folia; bractea, instar folii tenuis; Lóóf-stroopen, defrondare; Lóóf-wurm, campe; Lóóf-stil, tranquillus omnino, Lóóf-wérk, opus frondarium; Lóóf-hutte, casa frondea; en Lóóf, defessus; zie daer van bij LIEV, in de II. Proeve.

 

LOOG, in Logen, mendacium; en in † Loge, differentia, dissidium; en oór-logen, bellum gerere; en † Logen-wérk, scenographia, enz.; zie daer van bij 't vorige LIEG, in deze Pr.

 

LOOK, in Look 't Praet: van † Luiken, claudere; en Geloken, Beloken, Ontloken, en † Verloken, de Praet: Part:, en in † Loke, sepimentum, & foramen; & floccus, villus; † Loken, videre, & observare; Loker, loculamentum, Neusloken, nares, Lokerig, foraminosus; zie daer van bij 't volgende LUIK, in deze Proeve.

 

LÓÓK, in Lóók, allium, porrum; zie daer van bij 't volgende LUIK, in deze Proeve.

 

LOOM, in Lome, Loom, tardus; zie daer van bij LEM, in de II. Proeve.

Het Wortel-deel.

LÓÓP &c, in ons LOOPEN, LIEP, GELOOPEN, III. CL: 6, currere, fluere, manare; en Af-loopen, III. CL: 6, decurrere, deorsum currere; Het platte land af-loopen, III. CL: 6, agros depopulari; Beloopen, III. CL: 6, concurrere, percurrere, & incursare, cursu assequi; Een stad beloopen †, lustrare equis muros, & oppugnare; Eene zaek beloopen of op-loopen, III. CL: 6, obire negotium; en Beloopen, III. CL: 6, bedragen, conferre, abire in summam; Om-loopen, III. CL: 6, circumcurrere, circumcursare & currendo subvertere; ònder-loopen, III. CL: 6, inundari; alwaer Onder als een Praep: separab: komt, hebbende den Hoofd-accent op 't Voorzetsel, waerom ook het Praet: Part: is ònder geloopen; dog bij ons Onderlòopen, III. CL: 6, currendo subterfugere, 't welk op de tijd word toegepast, komt Onder als een Praep: insepar:, hebbende den Hoofd-accent op 't Verbum, en derhalven in Praet: Part: geen GE tusschen in, als, De tyd is my onderloopen, tempus, inscio me, subterfugit. Voorts Op-loopen, III. CL: 6, hooger loopen, sursum currere, ascendere; Op-loopen, III. CL: 6, zwellen, tumescere; Op-loopen, openloopen een deur, fores effringere; òver-loopen, III. CL: 6, transfugere, abundare, ebullire; in Praeter: Part: Over-geloopen; dog ook Over-lòopen, III. CL: 6, cursim pertransire; summatim dicere, legere, scribere; & inopinatè opprimere, praevenire; Toe-loopen, III. CL: 6, accurrere, & conglutinare; &

[p. 283]origineel

concrescere; Voor-loopen, III. CL: 6, praecurrere, cursu antevertere; en † Veurloopen, III. CL: 6, fugere; en Voord-loopen, III. CL: 6, procursare; en Verloopen, III. CL: 6, fugere, aufugere, labi, praeterire, tempore vel usu mutari; en Uit-loopen, III. CL: 6, uitgaen, wegloopen, excurrere, evadere, effluere, effundi; en Uit-loopen, III. CL: 6, uitbotten, germinare, fruticare, pullulascere, enz.

M-G, hlaupan / saltare; en us-hlaupan / exilire; Kimbr: Hlaupa / in Praet: hliop / prosilire, zie agter de M-G, III. CL: 7. F-TH, loufan (Alam: louphen / en hlauffan) / liof en lief / geloufan / III. CL: 5, currere; en Alam: kakan-lauffen / III. CL: 5, occurrere; Alam: kakan / kagan / H-D, jegen / contra. A-S, hleapan / hleop / hleapen / III. CL: 4, salire; Angl: to leap / saltare. H-D, lauffen / lieff / gelauffen / IV. CL: 2, currere; Ysl: hlaupa / in Praet: hlioop / III. CL: 2, currere; in Praes: eg hleip; en volgens deanderen van die Class: in Praet: Part: hlaupenn. Bij eenigen dezer Stammen komt dit Loopen ook voor springen. Onze harde lange óó word, volgens de streekhoudende Dialect-regels, bij alle deze Taelverwanten bevestigt.

Het Wortel-deel van den Infin: of 't Praes: vertoont zig in ons Lóóp, m: & f: H-D, lauff / M, Cursus, cursura, meatus, concursus; & fluidarum fluxio; en ons Gelóóp, n: H-D, gelauff / N, cursus frequens; Ysl: hlaup / N, cursus, saltus, & coagulum, 't laetste als een samenloop; en Kimbr: here-hlaup / expeditio exercitus; en ons Lóóp, Toelóóp, m: & f: H-D, zulauff / M, Accursus, confluentia populi; Lóóp, Buiklóóp, m: & f: Diarrhaea; Roode Lóóp, dysenteria; vermits met eenig bloed vermengt; en Lóóp van 't roer, f: Fistula ignivoma; als waer in de koegel voortschiet, en 't bestier van zijnen loop ontfangt: en De lóóp of Het belóóp van de mérkt, usus fori, pretium mercaturae utut refert usus; Een loope korens, f: Modius; bij ons een Zak of 1/36 van een Last; waer mede een man bequaemlijk loopen kan; of anders zo veel men gevoeglijk in een zaeikorf dragen mag, want ook A-S, leap / seminatoris corbis; en daer van Een loope lands, quadrans jugeri, agri spatium quod modio uno conseri potest. Verder onze spreekwijze Ter lóóps, per transennam; ende Voorzettelingen, Belóóp, n: Concursus, collectio, summa; 't Belóóp der dingen, rerum meta, mensura, designatio, deformatio; Om-lóóp, m: Circuitus; & tr: Vertigo capitis, & herpes, ignis sacri species humanum corpus circumrepens; en A-S, hleapere / leprosus; Op-lóóp, m: Tumultus; Oploopig, tumultuosus, & cerebrosus; en òver-lóóp, m: Transcursus, aexcursus, transfugium, abundantia, alluvio, & operculum, fori, tabulata navium constrata, & epotides; en Veur-lóóp, m: Lekwijn, vinum lixivium, quod sponte profluit antequam uvae calcentur; en Voor-lóóp van Brandewijn &c, liquor stillatitius vini cautici primus; als mede de composita Lóóp-grave, f: Propugnaculum ex aggere & fossa, vulgò Trencaea; Lóóp-géld, n: Auctoramentum, enz.; beneffens de Afspruitelingen, als met den uitgang ER, ons Looper, n: Cursor, emissarius; A-S, hleapere / saltator; en Looper, m: gemeene sleutel, clavis omnes seras aperiens; en Looper, m: Opperste Molensteen, catillus; Looperken, n: Trochilus; een Vogeltje dat, al snel loopende, de wurmtjes op strand opzoekt: en Looper, Zandlooper, m: Clepsydra. En, met de Adjectiv: & Adverbi: terminatie S of SCH, ons Lóópsch, catuliens; waer van Lóópsch zyn, † loopen, catulire; en uit het Praes: Part: ons Loopend, currens; en loopend schrift, een loopende hand, literae Belgicae, quas vulgò cursivas nominant; niet alleen om 't welvloeijen en gemaklijk verbinden der Letters, maer ook, vermits van langen tijd de gemeenzaemste trant van schrijven, hoewel thans 't schuine Italiaens zeer in gebruik geraekt, zulks dat binnen een halve Eeuw tijds het Loopend wel in 't vergeet zou kunnen komen. Van 't A-S, hleap komt het A-S, hleapettan / I. CL: exilire; en uit het Praet: het A-S, hlip / hlyp / saltus; en 't Kimbr: ein-hleypegar / coelebs; uit het Kimbr: of Ysl: Praes: hleyp; bij ons Een één-loopend mensch, coelebs, enz.; gelijk ook eenigsints tot het Praet: past, met het voorwerpsel G, ons Glippen, I. CL: transfugere clanculum; als stilletjes gaen loopen; hoewel dit mede betrekkelijk is tot het Wortel-deel GLYD, in deze Proeve.

[p. 284]origineel

De Zaek-of Wortel-deelen.

LOOR, in † Lore, revocatorium, illecebra; † Loren, attrahere, inescare; Lore-vogel, accipiter, falco; zie daer van bij LAED; en in Verloor en Verloren van Verliezen &c, en Lore, damnum, amissio, res futilis; Loren, carptim & ignavè aliquid facere, & venales ferre merces frivolas; Lorer, frivolarius; Lorendraeyen, cauponari; Lore, Lorendrank, dilutum vinaceorum; zie daer van bij LIEZ; beiden in deze Proeve.

 

LOOS of LOOZ, in † Verloos en † Verlozen van Verliezen &c; en in † Loze, solutus, liber, vacuus; en Loze, Loos, tessera militaris; en † Loze, jocus; en Lozen, dimittere, laxare; en † Lozig, remissus, piger, ignavus; zie bij 't vorige LIEZ, in deze Pr.

 

LÓÓS of LÓÓZ, in 't Postpositiv: Lóós, expers, inanis, solutus; en † Loozen, perdere, amittere; Verwaerloozen, negligere; Ty-lóós, narcissus; 't Adject: Lóós, Looze, inanis, sterilis, vitiosus; als Looze Térwe, Looze Bloeme, Looze neut; en 't Subst: De looze van 't kussen; en 't Adject: Lóós Looze, astutus en 't Verb:Loozen solvere, laxare; en Looze, pulmo; zie daer van bij 't vorige LIEZ, in deze Proeve.

 

LOOT, in † Lote, sors; Loten, sortiri, &c; † Loteren, fallere, morari, cunctari, labefactare: appellare, & provocare ad judicem, enz.; zie daer van bij † LIET; en Loten, surculi, taleae; zie daer van bij † LUIT, beiden in de II. Proeve.

 

LÓÓT, in † Lóót, surculus talea; Malloote, ambubaia; Lóót, plumbum, semiuncia, glans bolida; Lóóts, Lóótsman, Pilóót, expertus nauta, qui bolidè altitudinem maris explorat; † Looten, bolidè navigare; en Looten, Verlooten, plumbare; en Lóót-wit, cerussa, enz.; zie daer van bij † LUIT, in de II. Proeve.

 

LOOV, in † Love, venia, permissio; aestimatio, & laus; en Verloven, Veróórloven, permittere; Loven, Beloven, † Geloven, promittere; Verloven, promittere matrimonio, & devovere; Loven, taxare, liceri; Loven, en † Beloven, laudare; zie bij LIEV, in de II. Proeve.

 

LÓÓV, in Geloove, fides; en Looven, Gelooven, credere; en Loove, umbraculum, &c; Loover-wérk, opus frondarium; Looveren, frondes, folia, bracteae aeneae; Looverik, avis in frondibus habitans iisque vescens; Ontlooveren, frondes stringere; en † Loove, lassus, defessus; zie daer van bij LIEV, in de II. Proeve.

 

LOOZ, zie bij LOOS.

 

LÓÓZ, zie bij LÓÓS.

 

LOR, in Lorre, res futilis; Lorrendraeyen, cauponari; zie daer van bij LIEZ, in deze Pr.

 

LÓRD, in † Lórdse, cerdo, bajulus; † Lórdster, circuitrix; † Lórdsen, venale aliquid circumferre; & trahere, allicere; & Lórdendraeyen, cauponari; zie daer van bij LIEZ, in deze Proeve.

 

† LORS, in † Lorsen, trahere, allicere; zie daer van bij LIEZ, in deze Proeve.

 

LÓS, in Lós, liber, solutus; Lóshóófd, Lósból, homo inconstans; Lóssen, solvere, redimere, laxare, exonerare; en 't Geld: † Verlós, damnum; zie bij 't vorige LIEZ, in deze Proeve.

 

† LOST, in † Lost, delectatio; en † Losten, delectari; zie daer van bij 't vorige LIEZ, in deze Proeve.

[p. 285]origineel

LÓT, in Lót, sors, & census, tributum; zie bij † LIET; en Lót, surculus, talea; zie bij † LUIT, beiden in de II. Proeve.

 

LÓUW, in † Lóuwen, verberare, punire; zie daer van bij BLING, in de II. Proeve.

LU.

† LUED, in † Luder, revocatorium, illecebra, esca; zie daer van bij 't vorige LAED, in deze Proeve.

 

LUIF of LUIV, in Luif, Luive, Luiffel, umbraculum, &c; zie daer van bij LIEV, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

LUIK &c: in † LUIKEN, LOOK, (ook † LóóK), GELOKEN, II. CL: 2, claudere, occludere, operire, operculare, & sepire. Dit Verbum in Infin: geraekt schier in 't vergeet, uitgenomen in de spreekwijze Zyne oogen luiken, II. CL: 1, oculos occludere, & tr: mori; maer nog gemeenzamer is het Subst: Óógluiken, n: Óóg-luiking, f: Conniventia; en ten volle leeft nog onder ons, wanneer men van de Ontsluiting der Aerde in 't voorjaer, of van 't opengaen der Bloemen, of van vernieuwing der kragten spreekt, ons Ontluiken, ontlook, ontloken, II. CL: 2, aperire, expandere, & tr: resumere vires; zoo mede in gelijke overdragt van zin ons Op-luiken, II. CL: 2, resumere vires; en oulinks † Beluiken, II. CL: 2, claudere, occludere; waer van nog in gebruik is het Praet: Part: Beloken, clausus, occlusus; Beloken paeschen, pascha conclusum, octava paschae, ultimus dies clausi temporis, apud Eccles:; Beloken, betrokken van gezicht, contractis oculis; en † Om-luiken, II. CL: 2, circumsepire; oulinks met het voorzetsel VER, ons † Verloken bogt, f: Praesepe; en met de Allem: P, in steê van het Voorzetsel BE, vind men ook bij Kiliaen ons † Ontpluiken, II. CL: 2, explicare, aperire, expandere; en 't Praet: Part: Ontploken, van 't verouderde † Pluiken, II. CL: 2, claudere, plicare. En, door de voorwerping van S, (waer van zie onze Grondsl: II. Verhand: § XXIX) schijnt ook hier uit gevormt te zijn ons Sluiken, slook, gesloken, II. CL: 2, clandestinè, & latenter ingerere merces, ad censum defraudandum; vermits al die handel op een beslote en bedekte wijze word aengeleit.

Dog, belangende onze Taelverwanten, hier toe hebben we het M-G, lukan (galukan) / lauk (in Subj: lukau) / lukans / III. CL: 7, claudere; en us-lukan / III. CL: 7, aperire. F-TH en Alam: liuhhan / louh / gilochan / II. CL: 2, claudere; en bi-liuhhan / II. CL: 2, claudere; F-TH, bi-lochan / clausum; en ant-luhhan / en int-liuhhan / II. CL: 2, aperire; en Alam: int-lohhan / apertus; pi-lohhan / inclusus; en er-lohchan / avulsus. A-S, lucan / leac (in Subj: luce) / locen / II. CL: 1, claudere; quinetiam abstrahere; en A-S, be-lucan / II. CL: 1, claudere; un-lucan / II. CL: 1, aperire; a-luccan / evellere; en locen / a-locen / avulsus; en belocen / belogen / clausus, obserratus; en ut-alucan / II. CL: 1, excludere; L-F, op-luwckjen / revalescere, resumere vires. Dus ook in dien tegenoverstaenden zin het Ysl: liuka / lauk / II. CL: 2, aperire, absumere, absolvere; in Praes: eg lyk / en volgens de anderen van die Class: in Praet: Part: lokenn. En, dat mede deze zin wel eer onder ons gegolden heeft, schijnt wel uit de volgende Takken; waerom ik voor het naeste onze zin van Vouwen, die in 't oude † Pluiken zig laet vinden, voor de oudste Grondbeteekenis zou rekenen, vermits de Overdragt zo van Sluiten, als Ontsluiten, schoon andersints tegenstrijdig, op die van beids toepasselijk is; dewijl men in 't Vouwen open-en toe-werkt.

 

Takken uit het Praes: ofden Infin: zijn ons Luik, n: Claustrum, clausura, operculum; en ons Beluik, n: Clausum, septum; en Luik-wante, f: Chirotheca, quâ utuntur rustici senticetis aut sepibus praetendendis, enz.; allen onder den zin van afsluiting.

 

Tot het Praeter: het Ysl: lok / N, opercu-

[p. 286]origineel

lum; A-S, loc / claustrum, sera; en A-S, loce / Alam: pi-loh / pi-lohnisse / clausura, spelunca; en ons † Loke, † leuke, f: Sepimentum; waer van ons † Loken, I. CL: claudere; A-S, locan / locian / I. CL: Angl: loke / en ons † Loken, I. CL: L-Fries, loaitse / beloytse / beloaytse / videre, observare; toekijken naemlijk met omtrent-geslotene oogen, gelijk als die doen, die scherp willen toezien; verder ons † Loker, loculamentum, conservatorium, conceptaculum, theca, van † Loken, claudere. En, wederom met EU, voor de gelijkwaerdige zagte O, ons Leuk graen, suffocatum frumentum, leviter incensum, quippe nimis diu vel arctè occlusum; en 't Vlaemsche † Leuke, galderij-verdek, pergula. Dog het F-TH, loh / fovea, is eensdeels betreklijk op dezen zin, als waer in men iets bewaren kan of besloten houden, of anderdeels op den zin van 't open zijn of 't gatige, die in de volgende Takken doorspeelt; naemlijk in ons Lók, n: ook oul: † Loke, en † lóg, 't Al: loch / H-D, loch / N, foramen; ons † Neusloken, nares; F-TH, lukkon / luchon / foramina, aperturae loca pervia; en steinlochoran / foramina petrae; en H-D, lücke / F, rima, hiatus; waer van het H-D, lochen / I. CL: forare; en ons Lokerig, H-D, löckericht / foraminosus, perforatus. Dog dit Lóg met G, in steê van K, schoon men die al in 't A-S, be-logen / clausus, obserratus, vind, wil ik liever onder ons Wortel-deel Lieg geschikt laten. Verder, van ons Lók, foramen, caverna; en 't A-S, locce / illecebrae, schijnt mij ontleent te zijn ons Lokken, I. CL: F-TH, locchan / gelocchan / I. CL: H-D, locken / I. CL: allicere; en Verlókken, I. CL: pellicere, als of 't ware in zijn hol ymand introonen, of in een hol zig verschuilen, terwijl men 't gevogelte door het Aes in het net zoekt te betrekken; of anders om het toesluiten of klemmen met de lippen, even gelijk de Vogellokkers gewoon zijn een zuig-klank op de lippen te maken; waer mede overeenkomt het Vlaemsche Lókken, I. CL: zuigen, sugere, succum labris elicere; en 't Vlaemsche Lókke, en A-S, lyce / sanguisuga: dus word ook met gelijk regt ons Belakken, I. CL: allectare, fallere illecebris, dat ik afkomstig reken van ons Lékken likken, lakken, I. CL: lambere, lingere, mede in den zelfden zin als 't gemelde Verlókken gebruikt. Voorts ons Lók-aes, n: Esca; waer van ons Lók-azen, I. CL: inescare; en Lók-duive, f: Columba allecta-trix, enz. Maer op Lók, foramen, schijnt ook te zien ons Lók, lókke, hair-lók, vlókke en Flókke, f: ook Flandr: Loke, H-D, lock / M, en F, A-S, loca / locca / loc / en loec / M, Ysl: loo / F, Cirrus, floccus, villus; & tr: Crimes, Capilii; eigent-lijk eene hairk rul, die met haren omslag een holle kuil of gat vertoont, hoewel nu die naem ook dikmael toegepast word op elke bijeenklissing van etlijke hairen, die eens-streeks loopen, en van 't beloop der anderen zig eenigsints onderscheiden houden; zelfs ziet het op krulvederen, als Gevlókte Duive, plumipes columba: dog van dit Lók, villus, zie mede bij VLEEK, in de II. Proeve.

 

En, tot het oude Praet: in Sing: met óó, onder den zin van 't Sluiten schijnt ook betreklijk ons Lóók, m: & f:, A-S, leac / H-D, lauch / M, allium, porrum, als ziende op den overlastigen stank, die elk bij na zijn neus doet sluiten. En, zo dit de ware oorspronk getroffen is, gelijk nogte zin nogte gedaente daer tegen strijd, zo is 't een schilderagtige benaming, die de eerstvoorkomende kragt van 't kruid, en tevens het gereede toesluiten van de neus zeer aerdig uitbeeld; waer van verder Bies-lóók, m: & f: Scoeno-prassum, met bies-bladeren; Gras-lóók, porrum; Knof- knob- en knoop-lóók, allium, als zijnde de bol in verscheidene knobbels verdeelt; en Poer-lóók, porrum; dog dewijl ook A-S, leac-tune / leah-tune / hortus olitorius, en leac-weard / olitor, zo schijnt bij de Angel-Saxen de Look wel het voornaemste in hare Moestuinen geweest te zijn.

Wijders dunkt mij past ook niet qualijk hier bij dezen Stam, dog met het voorwerpsel B, ons Blók, n: Angl: Bloc / Ysl: bløk / F, en H-D, block / N, truncus, unde Gall: blocq, als afgehouwen om een afsluiting van een weg of stopping van water te maken; waer van ons Blók-beeld, n: Statua; en Blókken I. CL: truncare, mutilare; en Hól-blók.

[p. 287]origineel

Calceamentum ex trunculo cavato confectum: en Blók, of stok der gevangenen, numella, cippus; 't zij als met de voeten in of aen een Blok gesloten, 't zij alleen op 't sluiten ziende, gelijk ook die laetste zin alleenlijk heerscht in ons Blók lands, ager, fossa, aggere aut sepe clausus, septum, ager septus; en Blók-huis, n: Propugnaculum, arx, molet turrita, castellum; en Blók-wérk n: bolwerk, propugnaculum; als afgeslotene sterktens om den Vijand af te weren. Zoo mede Blók-wyk, Curia, als een afgeschotene plaets: en Blók-mééster, wijk-meester, Magister vici, & Curiae Magister. Gelijk ook Blókken, I. CL: assiduum esse in studiis, in ergastulo, in opere; als gestadiglijk in zijn kamer besloten bezig zijnde. Maer van Blók, truncus, is ook overdragtelijk ontleent ons Blók, homo stupidus, ignavus, een stompe plompert, als een rouw blok, regt anders als een naerstige Blókkér, immersus in studiis.

Maer met de Allem: P voor-op, als bij † Pluiken, uit het Praeter: met de zagte O ons † Ploke, f: Plicatura, clausura; waer van † Ploken, I. CL: Claudere, & plicare; en als men op ons bovengemelde Lókke, floccus, villus, denkt, zo schijnt ook uit zulk een zin gesproten te zijn het Vlaemsche Plókken, I. CL: bij ons Plukken, I. CL: A-S, pluccian / pluccigean / I. CL: Carpere, vellere; en ook zonder p / het A-S, locor / runca, als of 't ware een uitplukker; en ons Pluk- of Plók-hairen, I. CL: evellere capillos; & tr: manibus concertare: dog in een zagter zin ook Vrugten plukken, I. CL: legere legumina, poma, &c, waer bij men voegen kan ons Plók-pénning, m: als zijnde eenig geld, dat in openbare opveiling de Meestbiedende om zijn hoogste bod voor uit trekt; beneffens de spreekwijze In eenen plók, uno tractu, in eenen trek, of naehaling, of bijeenvergaring.

 

Wederom met S voor-op, gelijk bij ons Sluiken, niet alleen ons Ter sluik, Clandestinè; en Sluikery, f: Censuum defraudatio; en Sluik hair, Crines demissi, als dicht om 't hoofd gesloten, zonder wijde uitzetting of krulling: dog uit het Praeter:, en met den zin van op- en toe-sluiten, mooglijk ook hier toe ons Slok, m: mede oul: † Sloke, H-D, schluck / gula, fauces; ruma, gurges, haustus, insorbitio, om 't open- en toegaen van het strottendeksel onder 't inzwelgen; en † Slok, vorax, helluo; waer van ons Slokken, I. CL: H-D, schlukken / I. CL: en schlokken I. CL: glutire; ons op-slokken, I. CL: devorare; en ons Geslok, n: Ysl: slok / N, helluatio; en ons Slokker, m: Helluo; en overdragtelijk, een Goede slokker, homo sincerus, non fucatus, incautus, ac fuco facile decipiendus, als ziende op de eenvoudigheid der Visschen, die, op geen bedrog bedacht, zeer ligtelijk met het aes den hoek in de keel slikken: op dezelfde wijze van overdragt of zinspelinge behoort ook ons Gul, sincerus, non fucatus, tot † Gullen, ingurgitare; verder past ook bij dit Slokken, dog wederom zonder S, het A-S, loccettan / I. CL: eructare, alzo dat Rocchelen mede niet zonder op- en toe-gaen van mond- en keel-werk geschied. En, gelijk UI, en IE (volgens onze aenmerking, bij onze Grondsl: II. Verhand: § VII.) gelijkstammig zijn, zo kan door de inkortinge van IE, in I, met gelijk regt ons Slik, haustus, insorbitio & olim helluo, hier van gesproten zijn; en daer van ons Slikken, I. CL: insorbere, glutire, en Slikkeren, I. CL: sorbere, absorbere. 't Is ook alleen door zulk eene weg, dat O en I uit de Verba van deze Class: konnen voortkomen. Dog zie ook van dit Slikken bij het Wortel-deel LEEK, in de II. Proeve. Eindeling, het Ysl: sløcka / I. CL: extinguere, schijnt ook hier toe te behooren, vermits, door te naeuwe besluiting, alle vier word uitgedooft.

De Zaek-of Wortel-deelen.

LUIP, in Luipen, insidiari; en Luiperd, insidiator &c; zie daer van bij LAED, in deze Proeve, en bij LIEV, in de II. Proeve.

 

LUIS, of LUIZ, in Luis, en Luizen &c, zie daer van bij PLUIS, in deze Proeve.

 

LUIT in † Luite, pyrum liberale; † Lui-

[p. 288]origineel

te, † Luitenhóut, acer; Luite, lyra; en Luiten-krage, jugum cervix; zie daer van bij † LUIT, in de II. Proeve.

 

LUIV, in Luive, projecta, umbraculum; zie daer van bij LIEV, in de II. Proeve.

 

LUN, of LUND, in † Lunderen, cunctari, morari, &c; Lundse, paxillus axis; zie daer van bij LINN, in de II. Proeve.

LUS, nexus; zie daer van bij LAET, in de II. Proeve.

 

LUST, in Lust, Lustig, Lusten, † Gelusten, en Verlustigen, zie daer van bij LIEZ, in deze Proeve.

 

LUT, in Luttel, modicus, exiguus, parvus, & paullulum; zie daer van bij LUIT, in de II. Proeve; en in Lutse, nexus; zie daer van bij LAET, mede in de II. Proeve: en in 't Vla: LUTSEN, morari, zie daer van bij LIET, in de II. Proeve.

 

1717 2/m