Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 319]origineel

R.

RA.

De Zaek- of Wortel-deelen.

 

RACH, in Rachelen, screare; zie daer bij WREEK, in deze Proeve.

 

RAD, in Rad, rota; & protinus; celer, citò; zie bij RYD, in deze Proeve.

 

RAE, in Rae, antenna; Rae-zeil, majus navis velum; en Rae-zéél, Rae-schip, phaselus, ratis; zie daer van bij RYG, indeze Proeve; en in Rae-braken, zie bij RYD, in deze Proeve.

De Wortel- en Zaek-deelen.

RAED en RIED, in ons RADEN, RIED (nu ook wel RAEDDE), GERADEN, III. CL: 2, of V. CL: suadere, consilium dare; & consilium petere; & divinare, conjecturare; Zig beraden, III. CL: 2, perpendere, computare animo, consulere; † Geraden, III. CL: 2, conjicere; en transl:Geraden, succedere, feliciter evenire, als met de gissing overeenkomende; en Aenraden, III. CL: 2, suadere, monere; en † Raden, † Opraden, Toe-raden, suasu incitare; en Verraden, III. CL: 2, prodere; prodere consilium; zo veel als ten verderve brengen, of den raed aen den Vijand overbrengen. Dus mede F-TH, Radan (ratan) / ried / giradan / III. CL: 2, suadere; en H-D, rahten / riet / gerahten / IV. CL: 2, consilium dare, & conjicere; en errahten / IV. CL: 2, divinare; en H-D, verrathen / IV. CL: 2, prodere; en F-TH, das er fer-ratun wart / quod traditus est; Catech: Theot: p: 91. en A-S, for-raedan / male consulere; seducere; wijders het M-G, ga-rathans / numeratus, schijnt mij een Praeterit: Partic: te zijn van een M-G, rathan / garathan / III. CL: 4, computare, numerare; want het Raden en Beraden is eijgentlijk een rekening over de hoedanigheid der dingen, gelijk ons tellen of rekenen op der dingen hoeveelheid ziet.

 

Uit het Wortel-deel van den Infin: of 't Praesens is voortgekomen ons Raed, m: F-TH, raad / rade M. Alam: ki-rati / ki-ratida / consilium; & mentis deliberatio; & senatus consultum; A-S, rad / rade / raed / red / consilium, & scientia; en Voor-raed, m: Consilium antea factum; met voor-beraed, consultò; en verraed, n: proditio; en ons Raed, m: Raeds-man, m: H-D, raht / M, A-S, raedere / consiliarius; A-S, geraedman / prudens, instructor; en ons Raed, m: Raedshéér, m: A-S, raedere, M. senator; en ons Raed, m: H-D, raht / M. senatus; en A-S, raed-bora / senator, consiliarius, & jurisperitus; en A-S, raed-theahtere / raed-gyfa; F-TH, rat-geva / bij ons Raed-gever, m: consiliarius; en A-S, roed-theahteras / patritii. Dus schijnt ook onder de Angel-Saxen, even gelijk in de oudste tijden der Romeinen, de raedpleging in de regtsgeleerdheid bij de Patritien gezocht geweest te zijn: voorts ons Raed-schryver, m: Amanuensis curiae, vulgo Secretarius; A-S, raeden / decreta, consilium, lex; raed-faest / constans, & suasibilis; en A-S, raed-leas / bij ons Radelóós, consilii expers; A-S, raed-secan / raed-axian / bij ons Raed-zoeken, V. CL: Raed-eischen, I. CL: Raed-vragen, III. CL: 3, F-TH, rat-fraganon / en rad-fragon / I. CL. en Alam: rat-fragon / en ki-rates-fragon / I. CL: consulere, consilium petere; en A-S, raedan / I. CL: conjicere, consulere, en geraedod / doctus; raedend / conjector; als mede ons Raedzel, n: A-S, raedels / aenigma; en ons Raed-slaen, Raed-plegen, deliberare; en Raedzaem, prudens, consultus; & frugi; waer van ons † Raedzamen, I. CL: procurare; en Alam: radalihcho / strenuè. Verder M-G, rathjo numerus, ratio; A-S, gerad / ratio, modus; prudentia; en Dan: rad / ordo, series, als 't gene in 't voorzigtig raedplegen overwogen word. Met den uitgang Raed hadden ook voormaels bij de Frank-Duitschen, zo Man-

[p. 320]origineel

nen als Vrouwen, zeer velen hunner eijgen-namen, als onder anderen voor de Mannen F-TH, Alderat / senile consilium, bij ons nu Aldert; F-TH, of AL: chunerat / chuonrat / audax consilium, bij ons nu Koenraed; F-TH, of AL: guoderat / cuoterat / benum consilium, bij ons nu Goedart; F-TH of AL: Folcrat / populi consilium, bij ons nu Volkert; en F-TH, sigirath / sigerat / victoriae consilium, bij ons nu Siewert, enz. En voor de Vrouwen F-TH, Engil-rat / angelicum consilium; Pilde-rat / en Freuui-rat / laetum consilium; liubi-rat / carum consilium; en Wiberat / bij ons nu Wybertje, mulierum consilium. Van een ander Raed, zie bij RYD en bij RYG in deze Proeve.

De Zaek- of Wortel-deelen.

RAEF, in Rafel, en Rafelen, zie daer van bij 't volgende RYV, in deze Pr.

 

RAEG, in Raeg, Raegból, en Uit-ragen, zie daer van bij RYG, in deze Proeve.

 

RAEK, in Rake, collectio, depositio &c.; en † Raken, condere sive occultare ignem cineribus; en Rake, rastrum; en Raken, colligere rastro; &c. zie daer van bij REEK in de II. Pr.; en in Raek, attactus, & olim eventus, casus; en Raken, Geraken, attingere, & attinere & olim Contingere; enz. mede aldaer: en in Rake, rumen, zie daer van bij WREEK, in deze Proeve.

 

† RAEL, in † Rael, macilentus, & rigosus; zie daer van bij RYV, in deze Proeve.

 

RAET, in Rate, Honigraet, favus; en † Rate, pensum; zie daer van bij RYG, in deze Proeve.

 

RAEV, in Rave, Raven, corvus; en † Ravelen, findere linteorum fimbria; zie daer van bij RYV, in deze Pr:, gelijk mede iets van Rave, corvus, bij KRAEY, in de II. Proeve.

 

RAEUW, crudus, & immaturus; zie daer van bij RAUW, in de II. Proeve,

 

RAEZ of RAES, in Raes, Raze, aestuarium; en Razen, furere; en Razelen, somniare furias; zie daer van bij RYZ, in deze Proeve.

 

RAG, in Rag, Spinrag, zie bij RYG, in deze Proeve.

 

RAK, in Rak, extensio, tractus, pertica &c. Gerak, en † Rakken, torquere; &c. en Rakker, tortor; enz. zie daer van bij TREK, en bij WREEK, beiden in deze Pr. en bij REEK, in de II. Pr.

 

RAM, in Rammeyen, truncis &c. viam vel januam obstruere; & arietare; en Ram, aries; en Rammelen, crepitare, tumultuare, & lascivire; en Aggeram, scarabeus cornutus; enz. zie daer van bij KRIMP, in deze Pr.

 

RAMP, in Ramp, Rampzalig, † Rampen, dira imprecari; en Ontramponeert, enz. zie bij KRIMP, in deze Proeve.

 

RAN, in 't Vlaemsche Rannen, manare, fluere, currere; en † Ran, gracilis, exilis, tenuis; zie daer van bij REN, in deze Proeve.

 

RAND, in ons Rand, margo; bij REN, in deze Pr:, en in ons † Rand uithébben, † Randen, supersedere opere; in 't Vlaemsche Randen, ineptire, nugari; & delirare; en † Randuinen, I. CL: currere cum impetu; en Aen-randen, impetere, invadere; zie daer van bij REN, in deze, en bij RIND, in de II. Proeve.

 

RANG, in ons Rang, ordo, series rerum; en † Rangen, en † Rang-braken, pandiculari, extendere brachia reliquaque membra ut palmites; zie daer van bij REN, in deze Pr.; en van een ander † Rang bij RING, in de II. Pr. en in † Rangen, movere, zie daer van bij VRING, in deze Pr.

[p. 321]origineel

RANK, in 't Adj: Rank, gracilis, exilis, tenuis, en Ranke, ramus; & flexus sinuosus; & fallacia; en † Ranken, flectere; & pandiculari; & extendere; † Rankét, reticulum; en † Rankune, † Rankure, odium, simultas; zie bij REN, in deze Proeve.

 

RAP, in Rappe, racemus; carptura, crusta vulneris, & scabies; bij RYV, in deze Pr.

 

RAS, in Ras, Rasch, celer, promptus; en Verraschen, anticipare; en Ras in de zee, charybdis; zie bij RYS, in deze Proeve.

 

RAT, in Rat, Ratte, mus major; zie daer van bij RYT, in deze Pr: en bij RIET, in de II, Proeve.

 

RAUW, in † Rauw, rudis, & asper; en Rauweler, olla fictilis; bij RAUW, in de II. Proeve.

RE.

RÉD, in † Rédde, febris; † Réd-zéllig, eloquens, en Redden, juvare, liberare; en Rédder, servator, vindex; zie daer van bij RYD, in deze Pr.

 

RÉÉ, in Réé, statio navium; en Réé-zand, fundum arenosum; en Réé, cerva; zie daer van bij RYD, in deze Pr:, en in Réé, antenna, bij RYG, in deze Pr.

 

REED, in Reed, het Praet: Imp:, en Gereden, 't Praet: Part:, en † Rede, febris, & cribrum; en † Reden, † Réderen, cribrare, decernere; en Rede, Reden, † Redene, ratio, oratio, sermo; en Rede-ziften, † Reden, † Redenen, ratiocinari; enz. meer anderen, zie daer van bij 't volgende RYD, in deze Proeve.

 

RÉÉD, in Reede, febris; Rééds, Alreede, in promptu; Rééd, Gerééd, celer, paratus; Geréédschap, praeparatoria instrumenta; † Berééden, parare, expedire, en Reeden, participare; en Reede, statio- navium; enz. zie daer van bij ons volgende RYD, in deze Pr.

 

REEF, in Reef, Reefje, attractio velarum; en Reef, rima, rasura; en 't Geld: Refe, aerumna; bij RYF, in deze Pr.

 

REEG, in Rege, Reeg, Regel, Régelen en Regeléren, als mede Regen, en Regenen, zie bij RYG, in deze Pr.

 

RÉÉG, zie bij RYG, in deze Proeve.

 

REEK, in Reke, collectio, instructio, dispositio, ordo, series &c.; en Gereke, ornatus, &c. en Reeks, ordo, series; en Rekenen, Inrekenen het vier, condere, sive occultare ignem cineribus; en † Reken, aptare, instruere; en Reke, rastrum; Reken, colligere rastro; en † Reken, ordo, series; Rekenen, computare; enz. zie daer van bij REEK, in de II. Pr.

 

† REEL, macilentus, rigosus; zie daer van bij RYV, in deze Pr.

 

† REEN, in † Rene, exilis, tenuis; zie daer van bij REN, in deze Pr.

 

† RÉÉN, in † Réén, limes confinium; & purus; † Réén-boom, arbor terminalis; Réén-genóót, conterminus, en Reenen, conterminum esse; enz. zie bij † RYN, in de II. Pr., en van Réén, rangifer; zie daer van bij RYD, in deze Proeve.

 

REES of REEZ, in Rees, Gerezen; en in † Reze, homo procerus, & gigas; & assurrectio subita; † Rezelyk, procerus; † Reziger, Eques; en Rezen, tremorem injicere; zie daer van bij RYS, in deze Proeve.

 

RÉÉS of RÉÉZ, in † Reezig, procerus; † Reeze, invasio cum impetu; en † Reezen, † Aenreezen, invadere cum impetu, zie daer van bij RYS, in de I. Pr.

 

REET, in Reet, Gereten; en Rete, rima, fissura; & olim Alveus; & instru-

[p. 322]origineel

mentum, quo stringitur linum; en † Reten, flumen à virgultis purgare; & linum stringere; zie bij RYT, in deze I. Proeve.

 

RÉÉT, in † Réét, rima; Reete, instrumentum dentatum, quo stringitur linum; Reeten, stringere linum; en † Op-reeten, instigare; zie bij RYT, in deze Proeve.

 

REEV, in Reve, attractio velarum; & rima, rasura; zie bij RYV, in deze Pr. en bij SCHRYV, in deze Proeve.

 

† RÉÉUW, in † Rééuw, † Rééuwsel, spuma lethalis, en † Rééuwen, cadavera curare; zie daer van bij RAUW, in de II. Proeve.

 

RÉF, in 't Geld: Réf, aerumna, zie bij RYV, in deze Proeve.

 

RÉG, in Régge, rastellum, & occa; en Réggen, occare; zie bij RYG, in deze Proeve.

 

REGT, in Régt, aequus, rectus, jus; & ferculum; Régtvaerdig, Oprégt, Régte-voort, Régtsgeléérde; en Régten, agere jure, judicare, mactare supplicio; struere, apparare; & erigere; Régt-bank, forum judiciale; & abacus, repositorium; en verder Aen-régten, Beregten, Onderrégten, Oprégten, enz. zie bij RYG, in deze Pr.

 

REI, in † Reye, tremulatio; en † Reyen, subsilire; en † Reyeren, tremere; zie bij RYD; en in Reye; ordo, series; & tr: Chorea, & aquaeductus; en Reyen, choreas ducere, & subsultare, zie bij RYG, in deze Proeve.

 

REID, in Bereids, jamjam; † Reid, † Gereid, paratus, en † Reiden, Bereiden, parare; zie daer van bij RYD, in deze Proeve.

 

† REIG, in † Reige, ordo, series; & chorea; zie daer van bij RYG, in deze I. Pr.

 

REIK, in † Reike, rastellum; en Reiken, attingere, porrigere, extendere; en † Verreiken, exponere, &c. enz. bij REEK in de II. Proeve.

 

REIN, in † Rein, pluvia, en † Reinen, pluere; bij RYG, in deze Pr: en Rein, purus; Reinigen, mundare; en Rein-varen, parthenium mas; en Reinsch, purus, absque dolo; en † Rein, limes, terminus; en † Reinbóóm, arbor terminalis; enz. zie daer van bij RYN, in de II. Proeve; en van Rein, purus; ook iets bij 't volgende RYG, in deze Pr:, en van Rein, rangifer; bij RYD, in deze Proeve.

 

REIS of REIZ, in Reis, Reize, iter, profectio; & tr: vice; Reizen, proficisci; Verreizen, insumere itineri; † Reizig, itineri accinctus; & peregrinationi commodus; † Reizig paerd, equus bellator; en † Reizig krygsvolk, equites & copiae equestres; en Reiziger, penegrinator; en Reister, rulla; enz. bij RYZ, in deze Proeve.

 

† REIT, in † Reiter, cribrum, en † Reiteren, cribrare; bij RYT, in deze Pr.

 

† REK, in † Gerék, ornatus; zie bij REEK, in de II. Pr:, en in Rék, extensio, expansio, pertica, &c; en Rékken, extendere; & torquere; zie daer van bij TREK, in deze Pr:, en † Réksenen, screare; bij WREEK, in deze Pr. en in † Gerék, viscera; zie daer van bij RUIK, en bij TREK, in deze Pr.

 

RÉM, in Rémmelen, tumultuare; zie daer van bij KRIMP, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

REN of RIN, &c, in ons RENNEN, (ook † RINNEN), † RON of † RAN, GERONNEN, II. CL: 5, en 6. Currere, concurrere, confluere; & coagulare; M-G, rinnan / ran (in Subj: runnau) / runnans / II. CL: 2, venire; en ga-rinnan / II. CL: 2,

[p. 323]origineel

convenire; bi-rinnan / II. CL: 2, circumdare; urrinnan / II. CL: 2, exire, prodire. F-TH, rinnan en bi-rinnan / ran (in Subj: runni) / gerunnan / II. CL: 3, currere, fluere, incursare. A-S, rinnan of rynnan / ran (in Subj: runne) / runnen en gerunnen / II. CL: 2, Concurrere, concrescere, coagulare. Angl: to Run / ran / run / currere. H-D, rinnen / ran / gerunnen / III. CL: 1, fluitare, destillare; Ysl: renna / rann / runnenn / II. CL: 3, lubricare. En L-Fries, Rinnen / ron en roan / ronne en roan / currere, concurrere, confluere. Ons Praet: Part: Geronnen, coagulatus, conglobatus, en Samen-Geronnen, confluxus, is nog zeer gemeenzaem in gebruik, schoon de rest van 't Verbum in dien zin nu genoegsaem versleten is; dog takken daer van zijn 'er nog in overvloed.

 

Dus tot REN of RIN ons Rén, m: A-S, rin / rine / ryn / ryne / cursus, cursus velox; en A-S, renas / cursus, recursus; en rinnicht / fluitans, en rinel / renel / cursor; en M-G, rinno / torrens; en H-D, rinne / F, canalis, en ons † Rén-schip, n: actuaria navis; en Rén-bane, f: hippodromus, en A-S, ren-hund / Canis levipes; en Rén-dier, n: Rangifer, animal septentrionale, cornibus ramosis: om 't zeer snel loopen; en van ons Rén komt Rénnen, I. CL: velociter currere, equitare; en Berénnen, I. CL: circumdare equitibus; en F-TH, rennan / I. CL: currere, en ze-rennan / I. CL: concurrere, liquescere; en vermengt uit het Praes: en Praet: te gelijk, het H-D, rennen / rennete en rannte / gerennet en gerannt / VI. CL: cursitare; en mooglijk ook het Ysl: hryn / Ruo, in Praeter: hrunde / IV. CL. Verder ons † Rén, Rin, † Rinde, en Run, f: Cortex coriaria; zijnde de afgeschilde omloopende bast van Eiken-Boomen, ten dienste der Lederbereiders; en A-S, rind / rinde / H-D, rinde / F, Angl: Rinde / cortex, crusta; en F-TH, rinde / cortex; & liber; vermits ook eertijds van bast-schillen de schrijfbladen gemaekt wierden. Op den zin van dit Run, † Rin, cortex coriaria, past ook zeer wel het Ysl: ruinn / evulsus, en runing / evulsio; waer van we straks bij 't Zakelijke Deel † Ruinen, en van de Runische Letters, bij dit zelfde stamwoord nog wat breeder staen te handelen. Behalven dit zou men ten opzigte van ons Run, cortex coriaria, nog eene twijffeling konnen inbrengen, of het niet ontleent zij van het Gall: Rhon,'t gene afkomt van 't Lat: Rhus coriarium, Graec: ῥους, Hisp: Sumaque van 't Arab: Sumach, bij ons nu Smak, overmits de bast en 't blad van dit gewas, dat men in Spanjen, gewinshalven, naerstig aenqueekt, aldaer tot de Lederbereiding, even als nu alhier onze Run van de eiken-boomen, gebezigt word; dog zo ons Run van dat Gallische genaemt ware, dan zou ons Ren, Rin, en Rinde, &c, die 't zelfde zeggen, hier niet bij passen, gelijkze nu bij onzen, stamboom doen. Insgelijks schijnt mij op 't loopen, samenloopen, en vergaderen te zien, ons † Rénne, Vogel-rén, f: Cavea; Rénne van hazen of konynen, leporarium, cunicularium; en Rénne, f: Promptuarium, cella penaria; wijders het Vlaemsche Réndsel, n:Rindsel, en Rinsel, Rénsel, en nu bij ons Runsel, n: A-S, ryning / coagulum; en met den uitgang TE, ons Rénte, f: reditus, proventus annuus; unde Gall: rente, Hisp: Renta, Angl: rent / als een oploop, vermeerdering en afkomst van geleend geld, waer van Rénte-brief, m: Literae constitutionis redituum; Rénte-mééster, m: Quaestor AErarii; Réntenier, m: Dominus redituum, qui non nisi de reditubus victum parat; waer van ons Rentenieren, I. CL: vivere de reditubus.

Maer met de verlangde Y, het A-S, ryn / ryne / cursus, ductus aquae; & rivus; en A-S, rynele / rivi; van gelijken zin omtrent als het M-G, rinno / torrens, en 't H-D, rinne / canalis, waer uit gevoeglijk kan gesproten zijn de benaminge der wijd-vermaerde Riviere De Ryn, m: H-D, rein / M, Rhenus, fluvius; als bij uitstek het groote en sterk loopende Water: de e / die hier slegts in Dialect van de i verschilt, vertoont zig nog in den Latijnschen naem, zo als de Romeinen hem van de Voorvaderen hebben aengenomen, en haren uitgang us daer agter bij geklampt, om aen 't mannelijke geslagt te voldoen. Hier toe wederom ons Rynsche Wyn, m: Vinum Rhenanum; en vermits die, in vergelijking van de anderen, zueragtig valt; zo komt hier van ons Rynsch, contr: Rinsch, acidulus, subacidus; en Ryn-

[p. 324]origineel

schen, Rinschen, I. CL: acidum saporem referre. Nog ook, gemerkt digte bij den Rijn een soort van Dak-schaliën word uitgegraven, zo is daer van ontleent ons Ryn-schalie, en mede met E, Rén-schalie, f: fragmentum laminae petreae, prope Rhenum excisum; en Ryns-dak, n: en † Rénschen en Réns-dak, Leijen-dak, tectum scandulare, ex lamellis aut fragmentis laminarum.

 

Met den uitgang c / misschien ook hier van het A-S, renc / raenc / superbia; en uit het Praet: het A-S, ranc / superbus; & acediosus, & foecundus; om 't oploopen en zwellen; Dog zie ook hier van bij ons Worteldeel VRING. En met den uitgang G, het L-Friesche, so ringen / tam cito; op de snelheid van voortgang ziende; van welken aert ook is ons † Ring, † Gering, AL: rinker / ringer / H-D, ring / Angl: rynghe celer, agilis velox, & levis; en overdragtelijk daer van ons Gering, H-D, ring / gering / levis, tenuis; & tr: parvus, minimi momenti; en ons † Ringeren, I. CL: attenuare; want dunheid en snelheid zijn welvoeglijke gezellinnen. Insgelijks, om den omtrek en omloop, past niet qualijk hier toe ons Ring, m: Rink, m: A-S, ring / hring / hringa / hrincg / H-D, ring / M, Angl: rynge / annulus, circulus; en met een Allemannische voorwerping van K, ons: Kring, m: A-S, hring / hringa / hrincg / circulus, ambitus, circuitus; & tr: Coetus hominum in orbem collectus; waer toe verder ons. Ring-kóller, m: Lorica squamis, annulis, sive catenulis composita; en Ring-krage, f: Lorica, colli tegmen annulis ferreis consertum; en Ring-of Ringel-duive, f: Columba torquata; en Ring-méérle, f: merula torquata; en Ring-worm, m: impetigo, lichen; een kringswijs loopende vierigheid in 't vel: en Ringel-mééster, m: Curator operis; als die in 't ronde op het werkvolk past, en 't zelve aendrijst; en waer van ons † Ringen, † Kringen, en † Ringelen, allen, I. CL: en H-D, ringen / I. CL: annulo circumdare; en Omringen, I. CL: circumdare, F-TH, umbi-hringan / I. CL: circumvallare; en met een Walschen staert ons Ringkétten, I. CL: annulo circumdare; & circumcludere. Alleenlijk twijffel ik of niet het H-D, ringen / III. CL: 1, luctare, of anders het A-S, ringan / hringan / II. CL: 2, tinnire, sonare, eenig regt tot ons Ring hebben, vermits het Worstelen weleer in Kringperken geschiedde, en de Ringen tot rammelgeluid gedient hebben. Ook durf ik niet vaststellen, of ons Rind en Rund, en 't Vla: Rénd, H-D, rind / Bos, waer van ons Rind-of Rund-, en 't Vlaemsche Rénd-vléésch, n: caro bubula, van dezen stam zij, vermits bij den Ouden, in stêe van de paerden, de voornaemste loop-en werk-beesten zijnde; dan of het tot de Wortel deelen van 't ongelijk-VI: Ysl: hrinda / II. CL: 3, pellere, behoore, vermits de geweldige kragt en aenhoudende voortzetting van dit beest, blijvende toedringen, hoe zwaren last het agter zig hebbe; terwijl een paerd, als het zig te overmatig van agteren beladen voelt, zijnen drift staekt.

 

Tot het Praeter: Ran, Ron of Run, behalven het voorgemelde Run, cortex, Rund Bos, en Runsel, coagulum, desgelijks het A-S, rununge / cursus; M-G, runs / fluxus, effluxus; H-D, runs / M, Alvus, rivus, rivulus; waer van ons Ronnen, Runnen, I. CL: en 't oude Vlaemsche † Rannen, I. CL: manare, fluere, confluere, concurrere, & coagulare; en H-D, rünselen / I. CL: minutim fluere; als ook M-G, garuni / coetus congregatorum, en runa / consilium, en ga-runsa / forum, vicus; om het bijeenloopen; en M-G, urruns / oriens; vermits den opgang der Zonne; dog van 't M-G, Praeter: Indic: urran / het M-G, urranjan / I. CL: oriri facere.

Uit dit M-G, runa / consilium, schijnt wel het M-G, runa / F-TH, runa / mysterium, te kunnen worden afgeleid, alzoo de Raedslagen, voornaemlijk die van Lands-vergaderingen, geheim moeten gehouden worden; behalven dat ook de Oude Voorvaderen in hare Heidensche tijd, wegens gewigtige zaken met hunne Priesters raedpleegden, die, tot vermeerdering van 't Bijgeloof en gevolglijk hun gezag, zig wel van heimelijken omslag wisten te bedienen, naer uitwijs van de verdere gelijkstammige naemen, als F-TH, en AL: ge-runi / ca-runi / en A-S, ge-ryne / mysteria; en A-S, run / rune / mysterium, & incantatio; en A-S, runlic / mysticus;

[p. 325]origineel

welke naem zelf ook bij eenige Oude Britten gold, als Cambrobritt: Rhin / arcanum, mysterium, en Rhiniau / incantationes; uit welken tak wederom gesproten is het A-S, runian / I. CL: AL: Runen / I. CL: incantare, & susurrare; bij ons en 't Geldersch oulinks † Reunen, Ruenen, † Roenen, † Ruinen, I. CL: obscuro murmure aliquid loqui, en ons † Ruiner, AL: runazzari / susurro, en A-S, rune-craeftige men / Magi, Chaldaei, zulken naemlijk, die voor Wijzen onder de Voorvaderen verstrekten, die in de Letteren en Wetenschappen zig oeffenden, en, even ofze met de Goden verkeerden, zig van heimelijke prevelingen en tooverzangen bedienden; waer van ook Kimbr: Runa / arcaniora incantatorum carmina, ac notae secretiores; en Ysl: run / F-TH, run-staba / A-S, run-stafas / occulti characteres, Euglogiae, incantationes; en Kimbr: Runar / vetus literatura; item Magia; waerom ook de Kimbrische Letters, bij die Priesters en oude Noordelingen voormaels gebruikt, nog Runische letters genoemt worden, overmits met die de gedigten, en Heidensche verborgentheden der Noordsche Wijsheid beneffens de verbeelde Tooverkragten beschreven waren. Zoo bij ons ook Al-ruine, Al-rune, H-D, Alraun / Mandragora; een kruid wiens wortel eenigsints na de gedaente van 't onderdeel eenes menschen gelijkt, aen 't welke door de Ouden eene Tooverkragt om liefde te verwekken wierd toegeschreven, waerom het ook bij guichelaers en handhavers van Tooverijen gemeensaem in gebruik was, en den naem voerde van Circaea van wegen Circe die besaemde Tooverkol. Aen deszelfs Appelen, die tusschen de bladen voortkomen, schrijft men eene slaepmakende kragt toe; en de Wortel, zes uren lang te samen met Ivoir opgezoden, zou dat, volgens schrijven van Dioscorides, week konnen maken: het uittrekken van dien Wortel uit de aerde zou zo gevaerlijk zijn, dat 'er een tooveragtige omzigtigheid toe vereischt wierd, volgens breeder beschrijving in de Friesche Lustgaerde te vinden. De voornaemsten der Oude Noormannen oeffenden zig sterk in deze Tooverdweperijen, gelijk men zien kan in Olai Wormii Lexicon Runicum bij 't woord Runar / alwaer hij met eenen uit de Historie van Sigurd Jofnisbana (Vader van Asloga, de tweede vrouw van Regner Lodbrok dien vermaerden Deenschen Koning in de negende eeuw) eenige opmerkelijke Tooverlessen aenteekent, en van verscheidene soort van Letters of Runen spreekt; als; ‘Zegen-Runen moet gij kennen, zo gij 'er listelijk wilt afkomen; schrijf of rijf die in het hecht van uw zwaerd, op uwe handschoenen, en Krijgs-staf, en zet 'er den naem van TYR (den Krijgs-God) dubbeld op. Bron-of Vloed-Runen moet gij maken, zo gij wilt uwe Koopmanschappen behouden over hebben; sny die in de agtersteve en op 't Roer, gy zult 'er gezond afkomen. Aelof Drank-Runen moet gij kennen, zo gij wilt dat eenes anders Wijf u niet bedriege; snij die op den Drinkhoren, rijf die op den rug van uwe handpalm, en merk uwen Nagel met de Letter N, die Nood beteekent: het Bier zult gij zegenen, en Look in 't vogt werpen, dan weet ik zal de drank u nooit beschadigen. Boom-Runen moet gij kennen, zo gij een Wond- en Genees-heer wilt heeten, rijf die op den bast, en op de bladen der Boomen, die zig meest ten Oosten strekken’; en zoo meer andere Lessen; waer uit klaer genoeg te beseffen is, op hoe grillige gronden, die Noordsche Tooverzangen, zo befaemt al van ouds, gebouwt zijn. Dog, belangende het Etymon van dit Kimbr: Run / Runa / litera antiqua Cymbrica, litera magica, per stylum vel cultellum exarata; zo schijnt wel dat dit, beneffens zijne andere Takken, van dezen stamboom gevoeglijk kon genomen zijn geweest; maer, dewijl ik in de voorreden van de Edda /slandorum ook ontmoet heb het Kimbr: en Ysl: Rya / eruere, evellere, in Praeter: Partic: ruinn / evulsus, en Runing / evulsio, zo vermoede ik, dat het eigentlijk daer van afkomstig is, vermits bij elk de schrijf-namen, volgens 't gebruik der Ouden, van de In-rijving en 't Ingriffiën ontleent zijn, waer van verder te zien is bij ons volgende RYT en RYV in deze Pr:, als mede bij RUY, in de II. Proeve.

 

Met den uitgang D, agter de Wortel-of Zakelijke Deelen RAN en RON, vind men ons Rand, m: H-D, rand / M, margo, ambitus, circulus; A-S rand-beag / clypeus, testudo; en ons Adject: Rond, H-D, rund /

[p. 326]origineel

Angl:. rond / round / rotundus, orbicularis; unde Gall: Rond; uit welks Neutrum het Subst: Rond, n: H-D, rund / N, circulus, orbis; en Ronde dag, dies civilis, horarum viginti quatuor; Rond jaer, annus solaris, dierum 365. & fere quadrantis; Rond zaed, n: Legumen minus, semen Brassicarum, raporum &c. q: d: semen rotundum; verder de Ronde, f: H-D, runde / ronde / F. Circuitio militaris, vigiliarum recognitores, unde vulgò Ronda; Hisp: en Ital: Ronda, en Gall: Ronde; alles om het omloopen: mitsgaders Rond-om, Ronds-om, circumcirca, ab undiquaque parte; Rond-uit, planè, prorsum, omninò, Gall: rondement; en met Walsche Terminatien Ons Rondas, n: Rondélle, f: Clypeus, rotundus, scutum, parma, Gall: Rondache, Ital: Rondello; en ons Rondéel, n: H-D, rondell / rundell / N, Propugnaculum rotundum; & olim circulus; & magis, magidis, vulgò Rondellum, Gall: Rondeau, quin etiam orbis Rythmicus, Gall: Rondeau. Van ons Rond, rotundus, komt Ronden, I. CL: rotundare; en † Rondse, rota preli, funis torculus; Ronde, Rondte, f: rotunditas; en Ronde, f: Circulus, orbis, globus, sphaera; en van Ronde, circuitio militaris, ons † Ronden I. CL: De ronde doen, vigilias circumire; & tr: Coërrare, vicatim oberrare cum comitatu; lustrare urbem, Hisp: ronder: en † Ronde-huis, wachthuis, statio. Dog van Rand, margo, komt vooreerst het H-D, randen / I. CL: marginare; ad ripam fluminis habitare; en Rands-uil, kerk-uil, Noctua aurita, Asio; als vliegende om de randen van de Kerken; en ten andere schijnt hier van gekomen te zijn de oude spreekwijze van † Rand uit hébben, en † Randen, I, CL: immittere institutum opus, supersedere opere; als of het zeggen wilde, uitloopen, op den loop gaen, en 't werk, daer men over zat, laten varen; waer mede geene quade gemeenschap heeft het Vlaemsche Randen, I. CL: nugari, ineptire; & insanire, delirare; en † Randuinen, I. CL: Currere cum impetu, effuse currere, Gall: Randonner; en ons Ymand aen-randen, I. CL: aggredi, invadere, impetere aliquem; 't zij zinspelende op de Nacht-loopers, die rinkelroijende, uit dertelheid ymand op straet in 't duister overvallen en angst aenjagen, of, die, uit boozen aerd, met geweld hem goed of geld asprangen: hoewel ook deze vierderhanden met RAND, tot het volgende RIND &c, in de II. Pr. betrekkelijk zijn.

 

Wederom, met G of ook wel met K agter aen, even als bij 't voorgemelde Ring, Rink, ons Rang, m: ook oulinks † Ranke, f: H-D, rang / M, Angl: ranck / ordo, series rerum, unde Gall: rang; als 't welgeschikte beloop, de onderscheidene staet der dingen, en de behoorlijke plaetsing na ijders waerdigheid; en Rank, ook oulinks zonder agtervoegsel † Ran, † Rén, † Rene, gracilis, exilis, tenuis; omtrent met gelijke overdragt van zin als bij 't voorgenoemde † Ring, Gering, tenuis, levis; zeggende dus zo veel als smal afloopende, of door loopen schrael wordende, of, zo men op den groeij der dingen ziet, snel opschietende; op welk Rank wederom past ons Subst: Ranke, f: en Rank, m: H-D, rank en ronk / M, ramus tenuis, & longě se extendens; & Palmes; waer van, met het ingesmoltene voorvoegsel, B voor BE, het Vlaemsche Branke, en het Fransche Branche en Engl: Braunche / Ramus. Maer, ook om 't heen en weêr-of 't krom-loopen, of om 't buigen gelijk de dunne Takken, of om 't slingerig wenden gelijk de loopende beken, voegt hier bij ons † Ranken, † Rénken, I. CL: flectere, deflectere, declinare, divertere; waer toe † Ranke, † Rénke, f: H-D, rank / renk flexus, sinuosus reflexus; viarum flexus & anfractus; & tr: fallacia, astutia; versutia, ars; atque hinc tr: Gestus, gesticulatio; en ons Ranksken, n: Ramulus, & tr: flagellum; vermits veeltijds van Boomrankjes gemaakt: gelijk ook zinspelende op de uitgespreidheid der takken ons † Ranken, I. CL: extendere; en † Ranken, † Rangen, † Rang-braken, I. CL: H-D, renken / I. CL: pandiculari, extendere brachia reliquaque membra ut palmites; en † Verrénken, H-D, verrenken / I. CL: nimio extensu luxare membra; en daer uit, zo 't schijnt, ons Rankét, reticulum, als bestaende uit gerekte snaren of draden; dog uit den zin van † Ranke. fallacia, astutia het Walsche Rankune, Rankure, odium, simultas; ut & Gall: rancune, Angl: rancour / ranceur.

[p. 327]origineel

Wijders bij Ron en Run, komt hier mede betrekkelijk, met den uitgang SE en SEL en EL, ons † Ronse, † Runse, f: en Ronsel, n: en met K voorop (even als hier voor bij Kring) ons Kronkel, en Krinkel, m: ruga, Gall: fronsure; hebbende mede op den Walschen trant het voorzetsel F, ons Fronse, f: Fronsel, n: Lovan: Fronkele, f: Ruga; als zijnde eene samenlooping of ineenplooijing van Vel of Lijnwaed &c: waer van ons † Runsen, † Ronselen, Runselen, Fronsen, en Fronselen, I. CL: Lovan: Fronkelen, I. CL: en bij ons ook Krinkelen, en Kronkelen, I. CL: irrugare; Gall: Fronser. Voeg hier bij het Vlaemsche Ronselen, I. CL: mangelen, permutare; 't welk schijnt te zinspelen, of op de oude Marktloopers, die tot wisseling hunner waeren het Land omzwurven, of op 't plaets wisselen der koopmanschappen, overloopende van hand tot hand, of op 't rond rollen van 't Lynwaed onder 't mangelen.

De Zaek- of Wortel-deelen.

RÉND, in 't Vlaemsche Rénd-vléésch, caro bubula; en Réndsel, coagulum; zie daer van bij 't vorige REN, in deze Proeve.

† RÉNK, in † Rénken, flectere, & divertere; en † Verrénken, luxare; † Renke, flexus; fallacia; ars; & gesticulatio; zie daer van bij 't vorige REN, in deze Proeve.

 

RÉNT, in Rénte, Réntenier, &c, bij REN, in deze Pr.

 

REU, in Reu, Reude, canis mas; en † Reuden, catulire, & pervagare terras, zie daer van bij ROEY, in de II. Proeve.

 

REUK, in Reuk, en Reukwérk, zie bij RUIK, in deze Proeve.

 

† REUN, in † Reunen, susurrare, &c. zie daer van bij REN, in deze Pr. en bij RUY, inde II. Proeve.

 

REUS, gigas; zie daer van bij RIES, in de II. Proeve.

 

REUT, in Reutelen, garrire; quin etiam grunnire ut moribundi; zie daer van bij RIET, in de II. Proeve.

RI.

RICH, in Richel, regula, repagulum; bij RYG, in deze Proeve.

 

RID, in Ridder, Eques; Ridderschap, Rid-mééster, Ridderslaen; Ridder-spore, cuminum silvestre; Gerid, equitatus frequens; Rid, † Ridte, turma equitum; Ridsen, instigare; en † Ridder, cribrum; † Ridde, † Ridse, febris; en Ridsig, Rids, catuliens; zie daer van bij 't volgende RYD, in deze Proeve.

 

RIED, het Praeter:, zie bij RAED, in deze Proeve.

 

RIEF, in Gerief, commodum; zie daer van bij 't volgende RYV, in deze Pr.

 

RIEK, in Rieken, II. CL: olfacere, & odorare; en Riekertje, sertum florum; bij 't volgende RUIK, in deze Pr.

 

RIEP, het Praeter:, zie bij 't volgende ROEP, in deze Proeve.

 

RIER, zie bij RIES, in de II. Proeve.

 

† RIES of † RIEZ, in † Ries, inconstderatus, & gigas; † Riesheid, temeritas; en † Riezen, temere agere; en Riester, rulla; zie daer van bij 't volgende RYZ, in deze Proeve, en bij RIES, in de II. Proeve.

 

RIET, in Riet, arundo; &c. zie bij RIET, dog voornamentlijk bij ROEY, in de II. Proeve.

 

RIEV, in † Rieve, rastrum; en Gerieven, commoditati alicujus inservire, zie daer van bij RYV, in deze Proeve.

[p. 328]origineel

RIF, in Rif, Rift, attractio velarum; vadum; & Diaphragma; bij RYV, in deze Proeve.

 

RIGT, in † Rigt, rectus, aequus; Rigtsnoer, rigten, aen-rigten, afgerigt zyn op iet, Rigterstoel, † rigt-knégt, toe-rigten, uit-rigten, onderrigten, en verrigten, zie daer van bij RYG, in deze Proeve.

 

RY, in Ryën, vehi equo vel curru, & olim motitare, &c.; Ryër, sufflamen, † Ryë, tremulus; en Ryëren, tremere, & sufflaminare; zie bij 't volgende RYD, in deze Proeve.

 

† RYCH, in † Rychel, regula, repagulum; bij RYG, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

RYD, in ons RYDEN (ook Euphon: RYëN) in Praeter: REED, oulinks ook in Sing:RééD en REID, in Praet: Part: GEREDEN, II. CL: 1, equitare, vehi equo vel curru, & olim agitari, motitare; Beryden, II. CL: 1, inequitare; Op schaetsen ryden, II. CL: 1, per glaciem celeres divaricare pedes; en de spreekwijze, Op de tong ryden, II. CL: 1, sinistra fama divulgari, en † Ryden, agitari ira, in fermento jacere, commoveri acri bile; en Ryden, beryden, II. CL: 1, salire, inire femellam; òver-ryden, II. CL: 1, curru aut equo transire; met den accent op over, als een Praep: separ: en in Praet: Part: met GE, als over gereden; dog Overryden, II. CL: 1, citato cursu proterere, met den accent op Ryden, en als met een Praepos: insepar: en in Praeter: Part: zonder GE, als Overreden: en, van schepen, die, ten anker leggende, door 't dobberen der baren op en nêer gaen, zegtmen ook Ryden, Ryën, II. CL: 1, motitare, succussare fluctubus; zo mede, wanneer bij een inbraek van dijken, het water nog blijft in-en uit-spoelen, zeitmen Het water blyft Ryën.

A-S, ridan / rad / riden en geriden / III. CL: 1, equitare; Angl; to Rid / in Praet: Rod / in Praet: Part: Rid en ridden / equitare; H-D reiten / ritt / geritten / II. CL: 1, equitare; Ysl: ryda / II. CL: 1, equitare; in Praet: reid / en volgens de anderen van die Classis in Praet: Part: Ridenn. In 't L-Fries, ryen / rit / rynne / equitare.

 

RYD, contr: RID vertoont zig in ons Ryder m: equitans, en † Ryder, nu † Ridder, m: A-S, ridda / riddend / ridend / AL: ritant / Ysl: ridarre / M. H-D, ritter / M. Eques nobilis, Eques ordinis. Onder 't gebied der Frankische Koningen trokken Edelen en Vrijlingen te velde, en, die iet dappers bedreven, wierden verhoogt, de Edelen tot Ridders, de Vrijlingen tot Edelen, elk met nieuwe Wapenschilden vereert, tot onderscheid van 't gemeen (zie Siccama in Leg: Frisionum, p: 67) en hier toe Ridder-schap, f: dignitas Equestris, Nobilitas; Rid-mééster, ook † Ryd-mééster, m: Magister Equitum; Ridder slaen, Equitem creare, en translat: Ridder-spoor, f: Cuminum Silvestre, flos calcaris; wegens het staertje aen den Bloem, na eenes Ridders spore gelijkende. Verder AL: Heri-ki-rit / Equites; en ka-ritte / equitatus; bij ons Gerid, n: Equitatus fraequens; en Rid, † Ridte, turmae equitum; & tr: Turma; en als ruiters-krijgs-tuig ons Ryd-hamer, cestra; en Ryd-zwaerd, Ry-zwaerd, verutum; verder ons Ryd-schót, slingerschop, oscillum; waer op men als op-en neer-rijdende geslingert en voortgeschoten word; als mede ons Ryder, m: Nummus aureus, Equitis effigie; allen uit den zin van het te paerd rijden: dog uit den zin van Ryden, agitari; ons Ridsen, Euphon: Ritsen, op-ritsen, I. CL: H-D, reitzen / I. CL: Sax: en Geld: Rytsen, I. CL: instigare; waer bij niet kwalijk past ons Ritselen, of ook met V en W voorop ons Vritselen, Writselen, I. CL: motitare, subsilire; hoewel deze met T, ook uit het Wortel-deel RYT konnen gesproten zijn; en in de beteekenis van het voorgemelde Ryden, salire, ons Ryder, Ryër, m: Cuniculus mas, admissarius; en Rids, Ridsig, Euphon: Ritsig, catuliens; en Rydig of Rids zyn, equire, coitum appetere; en om de trilbeweging en schudding, Ryder, Ryër,

[p. 329]origineel

m: radsperre, sufflamen; en † Ryder, † Ridder, m: A-S, hridr / hriddel / hridder / cribrum, capisterium; waer van A-S, hridrian / I. CL: Cribrare; en † Rye, † Ryde, f: tremulus; en transl:Ryde, † Ridde, † Ridse, f: A-S, ride-rohte / en hrith-adl / febris; van welken ons Ryderen, Ryeren, I. CL: tremere; & sufflaminare; en A-S, hrithian / I. CL: febricitare.

 

Tot het oude Praeter: met EI of éé, of op den A-S, trant met A, vind ik, onder den zin van Ryden, equitare, het F-TH, gereide / N. equitatus; Ysl: Reyd / equitandi actus; Ysl: reidungur / Ephippium, F-TH, reidwagen / AL: radi-wagon / by ons uit het Praesens, Ry-wagen, m: Currus, reda; en AL: Reit-weko / auriga. Verder A-S, rad / rade / equitatio, invasio; en ons Rad, n: oul: † Rade, en † Rader, in Plur: als nog Raden en Raderen, H-D, rad / rota; en Rade-braken, Raebraken, I. CL: Comminuere membra in rota, rotae tormento excruciare. Nog ook tot de gemoeds-ontsteking het Ysl: reide / ira, en A-S, rethe / rethig / en rethlice / saevus, atrox; en tot de schudbeweging ons † Reede, febris; en † Reye, tremulatio; waer van ons † Reyen, I. CL: subsilire; en † Reyeren, I. CL: tremere; als mede om de schielijkheid en vaerdigheid der beweginge het Kimbr: Mäl-reid F. prima fama; subita disparsio famae; ons Al-reede, Rééds, Bereids, in promptu, jamjam, modò; als of men zeide, op een sprong, op een wip, zo snel of men te paerd quam; zoo insgelijks A-S, roed / roethe / rath / rathe / hroed / en hrade / by ons mede Rad, † Rade, † Geraed, protinus, celer, citò, expeditus; waer van A-S, hradian / I. CL: properare; en A-S, for-radian / I. CL: praevenire; en M-G, rathizo / facilior, promptior; en ons Rééd, † Reid, Gerééd. † Gereid, expeditus, celer, citò, & tr: paratus, M-G, garaids / constitutus; waer van ons † Reiden, † Reeden, nu Bereiden, ook oul: † Bereeden, en † Gereeden, † Gereiden, I. CL: parare; expedire; en † Ontreeden, † Ontreiden, I. CL: ornatu exuere; & inparatum reddere; en † Veur-reiden, I. CL: praeparare; en Bereidsel, n: apparatus; en Réédschap, Geréédschap, n: Praeparatio, instrumenta praeparatoria', armamenta en A-S, roedan / I. CL: regere; AL: Antreiti / en Antreitida / ordo; waer van 't AL: ant-reitidon / I. CL: ordinare; mitsgaders ons † Reeden, I. CL: Navigia parare aut instruere; maer gelijk deze bezorgers gewoonlijk aendeel hadden in de toerusting en kosten der schepen, zo vloeide hier uit ons Reeden, I. CL: participare, & ex re nautica quaestum quaerere; en Reedery, f: Participatio. Voorts Reede, Réé, f: statio navium; zijnde voor de schepen een bequame plaets om gereed te liggen; waer toe ons Réé-zand, fundum arenosum; enz. Dog ons Réé, f: H-D, rehe / F. Cerva, caprea; A-S, raa / F. Caprea, (of ook met N agterop, ons Réén, Rein, Reiner, rangifer, cervi genus; animal septentrionale, cornibus ramosis; en A-S, ran / capra, hroen / capreolus; en hranas / rangiferi; en 't kruid Reinétte, geitebaerd, barbicapra, Gall: roynette; om dat de takjes en bloemtjes een gedaente uitmaken van een langen geitenbaerd), zo 't hier toe behoort, zal het mooglijk van de snelle sprong-beweging der ree-en geit-diertjes ontleent zijn; maer, 't A-S, raha / hrege / caprea, en roege / capreolus, geeft schijn als of de h en g / hier Euphonicè de plaets van de D hebben ingekregen; en van ons andre Réé, Rae, antenna, zie bij 't volgende RYG. Maer ook, op de toe-en voor-bereiding is betrekkelijk, met A op den A-S, trant, het Geld: Geraed, par, rectus, directus; en Ongeraed, impar, inaequalis; en † Onraed, sordes, immunditia; ons † Raed, Voorraed, m: en f: H-D, vor-rath, M. provisio, penus, conditio rei familiaris; & adjumentum; en Onraed, incommodum, detrimentum, damnum improvisum, periculum; en A-S, roede / commodum, en Ysl: forraad N, Res, quae in promptu est; en ons Te rade houden, conservare in usum; en † Raed, † Geraed, † Gerééd, nu Huis-raed, Huis-geraed, n: en Reede-have, f: supellex, utensilia; als in een voorraed toebereid om in tyd en wijle dienst te doen; en zoo mede het oude † Raed, thesaurus, facultates, divitiae repositae; als tot voorraed op-en weg-geleit; en Ysl: raa F. Locus vel angulus hypocausti telae textoriae destinatus; hoewel ook deze voorbezorging, vermits passende by een goed

[p. 330]origineel

beraed, tot het Wortel-deel van ons Raden, consulere, mede niet ongevoeglijk komt: en gelijk het gansche huisbestier onder de magt en 't gezag van den huisvader behoort, zo heeft ook hier uit konnen spruiten het A-S, roeddene / Domus, familia; waer op wederom past het Sax: en Geld: Uit-raden, I. CL: emancipare, exstirpare; waer van 't Geld: en Sax: Uit-gerade dóchter, filia emancipata; als die wettiglijk door den Vader des huizes ontslagen word van zijn oppermagt eigendom en familie, 't zy dezelve haer eigene voogd hier mede gemaekt werde, 't zy ze overgae in de magt van een ander, door huwelijk of andersints.

 

Het Praeterit: met de zagte E heeft geen minder Takken, en velen daer onder vanden zelfden zin als by die van 't Praesens; gelijk † Ryder, zoo ook 't Geldersche Rede, f: sufflamen; en gelijk † Ryde, † Ridde, zo mede het oude † Rede, contr: Rédde, f: febris; en A-S, reda / paralyticus, om 't schudden der beroerden. Voorts gelijk † Ryder, † Ridder, zo insgelijks † Rede, † Reder, cribrum; waer van het oude † Reden, en † Rederen, I. CL: F-TH, ritron / I. CL: cribrare, incernere, decernere; maer, gelijk het redensgebruik eene waerlijke zifting van 't goede en 't quade is, zo konden onze Voorouders niet wel beter dan hier uit ontleenen ons Rede, Reden, en † Redene, f: F-TH, reda / rithe / redia / redina / F. H-D, rede / F. ratio, oratio, sermo; en uit het andre Praeter: het Ysl: roeda / roena / F. oratio, en ons † Af-rede, Epilogus; waer van ons Rede-ziften, I. CL: en † Reden, † Redenen, I. CL: mente decernere, ratiocinari; & sermocinari; F-TH, redinon / I. CL: ratiocinari, & testificari; en ons † Aen-reden, † Toe-reden, I. CL: alloqui, affari; † Af-reden, I. CL: perorare; † Bereden, I. CL: persuadere; en † Op-reden, I. CL: incitare verbis; waer toe ons † Reder, Redenaer, orator; A-S, redere / Lector; en AL: redinon / I. CL: recitare; waer van ons † Redenaeren, I. CL: nu meest: met een Walschen staert Redenèren, I. CL: sermocinari, orationem dicere; en met een verloop van Vocalen 't M-G, rodjan / I. CL: 1, loqui; en bi-rodjan I. CL: 1, obloqui; & murmurare; en met een inkrimping ons † Réd-zéllig, eloquens; Maer dewijl in 't redezisten de oozaek en 't onderlinge opzigt der dingen beschouwt word, zo sproot mede overdragtelijk hier uit ons Rede, f: F-TH, redia / redina / F. ratio, causa, rerum proportio. Waer toe ons Redelyk, AL: redi-hafter / rationi consentaneus; tr; aequus, modicus, justus; Redelóos, rationis expers; A-S, rede-leas / praeceps, contumax; en Redigheid, f: Proportionalitas, rerum mutua ratio; enz.

 

Het ingekorte Réd voor Réed, hebben we hier voor al gehad, by † Rédde, febris; en Réd-zéllig, eloquens; en dat zelfde Zakelijke deel vertoont zig in ons oude † Rédde, nu Réddinge, f: H-D, rette / F, Angl: rodde / liberatio, vindicta, assertio; waer van ons Rédden, I. CL: juvare, liberare, servare, redimere, vindicare, asserere; en † Ontrédden, I. CL: liberare; als zig zelf of eenen ander vry makende van 't gene hem prangde, en een dreigend gevaer doende ontspringen, 't zy door rede en rekenschap, 't zy door voorzigtige en spoedige toebereiding en voorzorg, of gereede hulp en afweering; gelijk ook A-S, riddan / I. CL. repellere; waer toe verder ons Rédder, m: servator, Vindex, & tr: Canis custos sive vindex leporis capti, ne ab aliis canibus discerpatur.

Het Zakelijke-deel.

RYF, in Ryf, rastrum, radula; Ryffel, rasura, & tr: sortitus; Ryffelen, fricare, radere; & tr: rapere, ludere fritillo; Ryffel-tréchter, pyrgus; bij 't volgende RYV, in deze Pr: en ook aldaer ons Geryf, Commodum; en † Ryf, Ryfelik, largus, plena manu.

Het Wortel-deel.

RYG, &c, in ons RYGEN, REEG (oul: ook in Sing: RééG en REIG), GEREGEN, II, CL: 1, serie connectere, ordine ligare & nectere; loro ligare & fasciare; waer toe mij gehoorig schijnt het F-TH, int-rigan of int-

[p. 331]origineel

rihan / int-reig of int-reih (in Subj: int-rihi of int-rigi) / int-rihan of int-rihan / II. CL: 1, revelare; als of 't zeggen wilde, ontbinden, ontnestelen, dat bedekt of verborgen was.

 

Tot RYG contr: RIG, of ook Euphon: RY voor Ryg (zie onze Grondsl: I. Verhand: §, XX, en XXIII.) ons Ryge, Rye, f: ordo, feries; & tr: Norma, regula; unde vulgò Riga Ital: riga; zinspelende op de gelijkstreeksche schikking en orde; en met een Allemannische verscharping van G in CH, met den uitgang EL, daer agter óns † Rygel, † Rychel, nu meest Richel, m: H-D, riegel / M, regula, repagulum; en met den uitgang T, ons † Rigt, A-S, riht / ryht / rectus, justus; waer toe ons Rigtsnoer, n: & m: Norma, canon, regula; en Rigt-pad, † Régt-pad, n: Compendium; als een korte inhoud, waer nae men zig te rigten heeft; en waer van ons Rigten, I. CL: F-TH, rihtan / gerichtan / I. CL: regere, gubernare; dat is, ymand of iet na 't regte, na 't behoorlyke, en de welgeschiktheid stieren; en F-TH, riht-duom / imperium; gelijk ook uit het Praeter: 't M-G, ga-raihtjan / I. CL: 1, dirigere; en daer van ons Rigter, m: Judex regnans; F-TH, rehtar / regulus; A-S, rihtere / praeses; en H-D, richter / Judex.

Met dezen zin van Bestieren vlijt bezonder wél het F-TH, rihhison / riihhison / I. CL: M-G, reikinon / I. CL: 3, A-S, ricfian / rixian / I. CL: Ysl: Ryka / I. CL: regnare, gubernare, principari; en uit het Praeter: 't A-S, recan / reccan / reccean / I. CL: regnare; waer toe ons Ryk, n: F-TH, rihhi / AL: riche / N. A-S, rice / N, en ricedom / reccendome / Regnum, imperium, principatum; & regio; ons Aerd-ryk, n: Orbis terrarum regio; en M-G, Reiks / reikista / Princeps, primus, en AL: Rihchida / en unrehtrichso / Tyrannus; en A-S, rica / princeps; Landes-rica / fundi dominus; en rica / homo prae caeteris potens, ac dives; gelijk mede alzoo bij ons Ryk, AL: reche / Angl: riche / Ysl: rykur / dives, potens, unde Gall: riche, Hisp: rico, Ital: ricco; om dat de Rijkdom in de magt der Bestierenden, of 't Gebied in handen van de Rijken, zo van ouds, als tot nu toe, vervallen is; waer toe ons Rykdom, m: F-TH, rihduom / M, H-D, reichthun / M, divitiae; en waer van ons † Ryken, nu Verryken, I. CL: ditare, ditescere; en Rykelyk, opulenter, amplè; en Ryks-daelder m: Nummus Joachimus; argenteus uncialis; bij ons alzoo genoemt, in tegenstelling van onze Daelder die maer 1½ gl. doet, terwijl de Rijksdaelder 2½ gl. waerd is: en Ryksdag m: Comitia, conventus imperialis; en Ryks-stad, f: Civitas imperialis. In ons Ryk of Rik, postpositivum Masculinum, heerscht ook de zin van bestier, als Bot-ryk, Botterik, m: homo stupidus; als Bot van bestier; dus mede † Blind-rik, homo caecus; Doof-rik, homo surdus, surdaster; Dul-rik, insanus homo; Zatterik, zatryk, saturio, satur; en Zotterik, fatuus, stultus. Dog eene zwarigheid hindert mij nog, naemlijk dat bij ons, bij 't M-G; en Ysl: de K, en in 't A-S, de c komt in plaets van G; en schoon men denken mogt, dat door de Allemannische Dialect zulks bij ons ware ingeslopen, gelijk meer gebeurt is, egter schieten mij geene voorbeelden te binnen; dat zulk een overloop mede op het M-G, mag toegepast worden.

 

Het oude Praeter: bij ons en andren met éé of EI, in 't M-G, met ai / en in 't A-S, met ae of a / gaf vooreerst het reetsgemelde M-G, ga-raihtjan / I. CL: 1, dirigere; dog ten andere, in den zelfden in als ons Ryge, Rye uit het Praesens, ons † Reige, Reye, f: en Rey, m: Ordo, series; & tr: Chorea in longam seriem; waer van ons † Reyen, I. CL: choreas ducere; & tripudiare, & subsultare; ook Angl: reye / raye / en rowe / A-S, raewa / ordo, alwaer op den A-S, trant per Euphon: w / in stêe van de weggesmoltene g / is ingeslopen; en ons Reye, f: Aquaeductus, fossa publica; als langstrekig. Verder A-S, hroegel / vestimentum, ligamentis scilicet connexum; gelijk ook uit het andere Praeter: A-S, regl / hregle / vestis, amictorium, ligulis scilicet adstrictum; en op den A-S, trant ons Rae, Réé, f: Ysl: Raa / F. Antenna, lignum transversum in malo; als waer aen het zeil word vastgeregen eu bestiert, waer van ons Rae-zeil, n: Majus navis velum; en Rae-zéél, n: Raezéél-schip,

[p. 332]origineel

en Rae-schip, n: phaselus, ratis; een barkje tot zeilen en roeijen even bequaem, en Rae-nókken, cornua antennarum; en Rae-touwe, anquina, funis, quo ad malum antenna adstringitur; en Rae-band m: funis, quo remus ad scalmum alligatur; allen om 't aen-tijgen. En mooglijk ook met den uitgang D of T, ons Raed, Raet, Rate, Honigraet, m: en f: Flandr: Ratel, favus, H-D, Honigraffe; als in rijgen te samen geschikt, om welk streek wijzige weefsel het eertijds ook heette Waveraet, F-TH, wabo / wavo / en H-D, honigwabe / favus; gelijk ook in 't Fransch Rayon de miel, en in 't Eng: hony combe / q: d: Pecten mellis; als mede ons † Rate, † Rade, taek, pensum; een gezette streek van werk voor dat men rusten mag. Mitsgaders, zo ik gissen zou, tot dezen Tak ons Reiger, m: A-S, hragra / ardea; als levende van Visch en Kikvorschen, die hij met zijn langen spitsen bek opvat, vertoonende zig even of hy die met eene naelde doorregen had: en met A, mooglijk mede ons † Rage, s: Rag, n: Spinrag, n: rete aranei; als in reijen, en linie-wijzig geschikt; waer toe ons Raeg-ból, scopula sphaeriforma; om 't rag uit te vegen; en waer van ons Ragen, uit-ragen, I. CL: everrere araneorum fila; en met SCH voorop, mooglijk ons Schrage, f: fulcrum, tripes, subex mensarius; & Cantherius; capreolus; om de streekwijzige uitspanning van de poten, even als de hippelende geitjes, waeromze ook in 't Latijn capreoli heeten, gelijk ook A-S raege / hraege / caprea; en daer van ons Schragen, onderschragen, I. CL: fulcire.

 

Dog tot het Praeter: met de zagte E, ons Rege, Reeg, f: ordo, series, linea; en met den uitgang EL, het reetsgenoemde A-S, regl / amictorium; en ons Regel, m: en f: ook uit het Praes: Rygel, H-D, regel / F, canon, norma, linea, & regula; waer van ons Regelen, I. CL: H-D, regen / I. CL: ordinare, ad normam dirigere; waer toe ons Gerégelt, ordinc decenti directus, normalis; en met een Walschen staert ons Regelèren, I. CL: gubernare, dirigere; moderare; & olim lineas ad reulam ducere. Voorts, by inkortinge van de E, 't Vlaemsche Régge, f: rastellum, pecten; om de streek-trekken; en Régge, f: Occa, crates occatoria; en Réggen, I. CL: occare; mede om de streek-makingen: en met den uitgang T, ons Adject: Régt, † Gerégt, ook † Rigt, F-TH, Reht / H-D, recht / Angl: Right / Ysl: riettur / rettur / justus, aequus, rectus, erectus; verus; ons Régtschapen, exactus, probus, accuratus; en 't Vlaemsche Régt-zwéér, patruelis, & amitinus; sobrinus, consanguineus, germanus; als van regten bloede, in tegenstelling van 't enkele Zwéër-zwager, socer, gener; als aengehuwt: ons Régt-vaerdig, justus, aequus, integer; Régt-uit, op-regt, simplex, justus, sincerus, & rectus; Régter-hand, dextra manus; als de bequaemste om te bestieren; Régts en slinks, ambidexter; en Régte-voort, nunc, nunc temporis; & olim, confestim, & è vestigio; A-S, thaer rihte-ferde / confestim; zeggende in de oude beteekenis zo veel als nu, zo voort, zo terstond aen te regten; dog dewijle nu ook voor nu ter tijd genomen word, zo is mede dit woord in dien zin overgeloopen. Verder, van 't Neutr: van ons Adj: Régt, is gesproten ons Subst: Régt, n: F-TH, reht / N, H-D, recht / N jus, justitia, & executio judicialis; en uit het Praes: het A-S, ryht / riht / jus, aequum, justitia, judicium, & veritas; en AL: richti / ki-rihche / ke-rehti / vindicta; en ons Régts-geléérde, m: Jurisperitus; A-S, riht-scrifend / juris consultus; waer van ons Régten, I. CL: litigare; agere jure, in foro judiciali disceptare controversias; en Régten, I. CL: nu Régt doen, judicare, ferre judicium, jus administrare; aequum facere, en † Verrégten, I. C.L: componere, decidere lites, rixas; en Régten, I. CL: mactare supplicio; waer toe het Geld: Régt-huis, Praetorium, en ons Régt-bank, m: Rigt - Régt-en Régter-stoel, m: forum judiciale; en Régter, m: F-TH, rehtar / judex; en Gerigt, gerégt, n: tribunal; judicium, sententia; Administratio juris; supplicium, crux; & Carnificina; en Neder-gericht, judicium causarum civilium. En, in den zin van verrigten, beschikken, verzorgen, ons † Régt, gerégt, n: ferculum; en Nae-gerechten, epidipnides; en † Régt-of † Rigt-knégt, apparitor, viator: en Régt-bank, m: Régt-

[p. 333]origineel

tafel, f: abacus, repositorium; als waer op men iets toeregt; en Bericht, n: instructio; en daer van ons † Régten, aen-régten, toe-régten, I. CL: (ook met I, uit het Praes:) struere, apparare; en † Régten, uit-régten, verrégten, I. CL: (ook met I, uit het Praes:) dirigere, administrare, conficere; en † Uit-régten, I. CL: erigere; praestare, efficere, exequi; & fallere, decipere; en A-S, rihta / author; ons Berégten, I. CL: A-S, rihtan / I. CL: AL: ke- of ka-rihtan / I. CL: corrigere, en A-S, rightan / I. CL: resipiscere; en Berégten, † Berigten, I. CL: instruere; regere, gubernare, administrare, en Op-régten, I. CL: erigere, attollere; extruere; & restituere; en † Schade op-regten, I. CL: reparare damnum; en † Verrégten, I. CL: instaurare; en ons Berigten, onderrégten, onderrigten, I. CL: instruere, en Afgerégt of afgerigt zyn op iet, perquam expertum esse in aliqua re; en van Régt, erectus, ons Régten, op-régten, I. CL: F-TH, er-rihtan / I. CL: erigere. Dat de Latijnsche woorden Regere, rectus, Regula, &c. zo nae overeenkomen met de Takken van dezen stam, zou ik aen de oude gemeenschap van voor de Verspreiding toeschrijven.

Met den Plur: van ons Rege, linea, regula, komt zeer wel in gedaente, en mede niet qualijk in zin overeen ons Regen, m: in 't Vlaemsch, Geldersch, en Friesch ook Reyn, M-G, rign / N, F-TH, regan / regen / M, A-S, regn / roegn / reng / en ren / H-D, regen M, Angl: Rain Dan: en Ysl: regn / N, Kimbr: Regg / en hregg / Pluvia; vermits straelsgewijze bij regen nedervallende; en Ysl: hregg / N, A-S, ren / imber; en A-S, hreg / inundatio. Hier van nu ons Règenen, I. CL: ook oul: † Reinen, M-G, rignjan / I. CL: F-TH, reganon / regonon / I. CL: Ysl: rigna / I. CL: A-S, regnan / renian / rinan / hregnan / I. CL: H-D, regnen / I. CL: Angl: Rayne / / pluere.

Maer, dewijle eensdeels de Regen water stort tot afspoeling en reiniging, en anderdeels ons EG, voor D of L of N komende ligtelijk in EY verwandelt (volgens onze Grondsl: I. Verhand: §. XXIII. en onze V. Dialectegel wegens de Y) gelijk ook reets by het bovengemelde Vlaemsche, Geldersche, en Land-Friesch Rein, en 't Eng: Rain / pluvia, zo schijnt zig hier wel een gevoeglijke afleiding te vertoonen voor ons ReinRéén, en † Reinig, M-G, hrains / Kimbr: en Ysl: hreinn / F-TH, en AL: rein / H-D, rein / Purus, mundus. Dog egter vermoede ik dat dit een anderen oorspronk zal gehad hebben, om dat die versmelting, nogte in 't Gottisch, nogte in 't Kimbr: nog te in 't F-TH, zo veel ik wete, plaets had; behalven dat ook het M-G, rign / schoon 'er die versmelting geweest ware, nogtans in geen rains of hrains / zou behooren verandert te zijn; zo dat ik beter Afleiding meene te vinden by het volgende † RYN, in de II. Pr.

De Zaek- of Wortel-deelen.

RYK, in Ryk, Rykdom, Verryken, Bot-ryk, enz. zie daer van bij 't vorige RYG, in deze Proeve.

 

† RYN, in de II. Proeve.

 

RYN, in Ryn, rhenus; Rynsch, acidulus en Rynschen, acidulum referre saporem; zie bij REN, in deze Proeve.

 

RYS, in Rys, virgulta; virga; & tr: virga virilis; en † Ryssel, fasciculus surculorum; Rysselen, strepitu levi moveri surculorum instar, en Rysseler, cubile pecorum; en Ryster, rulla; en ook iets van Rys, oryza; zie bij RYZ, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

RYT, &c, in ons RYTEN, REET (oul: mede RééT, en REIT in Sing:), GERETEN, II. CL: I, findere, scindere, rumpere, divellere, avellere, lacerare; Graec ῥησσειν; 't M-G, dis-kreitan / diskrait (in Subj: diskritau) / diskritans / II. CL: 1, scindere, past hier ten eenemael op, mits met eene voorwerping van de K voor het Wortel-deel, gelijk veeltijds in 't Allemannische. Dog wederom zonder Voorwerpsel het H-D, reissen / risz / gerissen / II. CL: 1, scindere, rapere, rumpere; lacerare; en ons

[p. 334]origineel

Van één ryten, II. CL: 1, Activè, Findere, dilacerare; & Neutrum, rimas agere, findi & hiare. Mooglijk verschilt dezen stamboom van dien van KRYT slegts in de voorwerpinge van de K.

 

Tot RYT, contr: RIT, ons † Ryte, f:Geryt, n: Geldersch Ritse, f: H-D, risz / ritz / M, en ritze / F. rima, canalis, & rasura; waer van ons Ritsen, I. CL: H-D, ritzen / I. CL: findere, scalpere, notare fundum & mensuram vasis, naemelijk met ingekrabte reten: en ons Op-ritsen, aen-ritsen, I. CL: instigare, stimulare, pungendo; hoewel dezen ook van RYD konnen ontleent geweest zijn; en ons Ryter, m: Cribrum, als met reetagtige openingen; en A-S, rit / ryt / spicae, als door de stekel-haken iets doende oprijten; en gelijkvormig aen dit Worteldeel, hoewel eigentlijker uit het M-G, Praet: Subj: ontleent, het M-G, diskritnon / I. CL: 3, scindere.

 

Het oude Praeter: Réet of Reit vertoont zig in ons Réét, m: rima, scissio; en Reete, f: instrumentum dentatum, quo stringitur linum; waer van het Vlas Reeten, I. CL: stringere linum; Ysl: reyta / I. CL: deglubere; en transl: mede hier toe ons † Opreeten, I. CL: en 't gemelde Op-ritsen, instigare; gelijk men de beesten met schrappennen aenstuwt en voortprikkelt: nog ook † Reiter, m: cribrum, als boven by Ryter; waer van ons † Reiteren, I. CL: cribrare. En mooglijk tot het oude Praeter: met A, op den A-S, trant, ons Ratte, Rotte, f: mus major, H-D, ratz / Sax: rotte / Gall: rat, Hisp: raton, Angl: ratte / vermits alle kisten en kassen &c. van een rijtende; hoewel deze met O, wel zo wel bij ons RIET, in de II. Proeve past: en verder hier toe ons Rattestéértkens, Nucamenta; zijnde bloei-ruigte aen de noteboomen, gelijkende na rotte- of katte-steertjes.

Tot het Praeter: met de zagte lange E, ons Rete, Reet, f: rima, fissura; en transl: Rete, alveus navigabilis; als eene rete van de aerde, waer in en waer langs de beken, rivieren, en wateren haren loop nemen; en hier van ons † Réten, I. CL: stumen à virgultis purgare. Vorder † Rete, f: instrumentum, quo stringitur linum; waer van † Reten, I. CL: linum stringere.

 

Met eene voorwerping van de Allemann: K past ook tot dezen stam ons Kritse, f: festuca, palea; & tr: minutissima pars abscissa; atomus; als een gering afgereten vezeltje; en Kritzeltje, Euphon: Kriezeltje f: minutissima pars abscissa, atomus; en Krétse, † Kritse, f: Echinus ex filis cupreis; als om daer mede het Koper af te schrabben; waer van ons Krétsen, † Kritsen, I. CL: purgare & scabere metalla echino ex filis cupreis; en Krétser, m: H-D, krätzer / M, Ruimstok, Baculus rasorius bombardae, sive tormenti aerei; en Krétse, kaerde, carduus fullonum; om de wol-vezeltjes van 't Laken door de hakige distelpunten der kaerden op te schrabben; waer van Krétsen, I. CL: carpere, purgare lanam carduis fullonum; en wijders met A, uit het Praeter: op den A-S, trant ons Kratsen, Euphon: Krassen, I. CL: Angl: Crathe / scrathe / scabere; unde Gall: grater; als iets in- of af-schrabbende: en H-D, krätzen / I. CL: scabere, scalpere, radere; & tr: divitias corradere; waer toe het H-D, krätze / F. scabies; & ramentum lotione collectum. Die met I, passen bij het Praes:, die met E, tot het hedendaegsche Praeter:, en die met A, tot het oude Praeter: Andersints zie ook van dezen by KRIT, in de II. Proeve. Op den zelfden voet, met G voorop, ons Gritsel, Grietsel, n: rastellum, pecten; waer van ons Gritselen, I. CL: Rastello acervare: en past ook niet qualijk hier toe ons † Graet, m: piscis spina, arista, aculeus; om 't scherp steken en oprijten van 't gene waer hy in haekt; en verder Graet, m. Omne os piscis; en over-dragtelijk ons Rugge-graet, spina dorsi; en verder Graten den visch, exoscare piscem; dog het Vlaemsche Graten, Greten, irritare, heb ik bij ons KRYT, in deze Proeve gebragt, hoewel het even als het voorgemelde Op-reeten, instigare, ook van dezen stam kan afgedaelt geweest zijn; behalven dat beiden dit Ryt en dat Kryt, als van ouds eenstammig kunnen gerekent worden, gelijkwe reeds gemeld hebben: alleenlijk zou men mogen twijffelen of ons Graet, niet van 't Latijnsche gradus ontleent ware.

[p. 335]origineel

Maer alzoo van ouds het schrijven by wijze van inritsing met griffiën in bewaschte tafeltjes of op basten van Boomen geschiedde, waer van 's Landschrijvers nog de naem van Griffieren behouden hebben, zo behoort hier mede toe het Ysl: ritt / N, scriptio, & pictura; en Ysl: rita / pingere; van wegen het inritsen; gelijk ook Kimbr: rita / clypeus, als welke beschildert wierd. Dit toont ons ook aen, dat, mits onder eene voorwerping van W (zie daer van bij onze Grondsl: II. Verhand: § XXIII.) het A-S, writan (gewritan)) / wrat / gewriten / III. CL: 1, Angl: write / scribere, & pingere, 't gene de A-Saksen in stêe van schrijven doorgaends gebruikt hebben, met dit ons Ryten, II. CL: 1, findere, radere, gelijkstammig is, en eigentlijk Letters inrijven of inkerven beteekent; met gelijk regt als wel eer ons Schryven, II. CL: 1, met een voorlasch van SCH, ontleent is van ons Ryven, II CL: 1, findere, radere. Dus ook hier toe het A-S, gewrit / en writing / scriptio, scriptura; even als het voorgemelde Ysl: rit / scriptio, pictura; en A-S, writ-sear / scalpellum, & stylus; als het Werktuig van inrijving; en A-S, writ-bec / pugillares, als 't boek waer in men teekende. Zie meerder van deze stoffe by ons volgende RYV, en SCHRYV, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

RYV of RYF, &c; in ons RYVEN, REEF (in Subj: REVE), GEREVEN, II. CL: 1, radere, scalpere, fricare, terere; & rastello radere; H-D, reiben / rieb / gerieben / II. CL: 1, terere; Ysl: Ryfa / reif / en volgens de anderen van die Classis in Praet: Part: rifenn / II. CL: 1. Lacerare. Met de voorwerping van G, in stêe van ons voorvoegsel GE, vindmen ook 't gelijkstammige A-S, grifan en a-grifan / graf en graef / grifen / III. CL: 1, sculpere: en met sc / in plaets van onze SCH, (zie onze Grondsl: II. Verhandel: §. XXIX.) het A-S, scrifan / scraf of scraef / gescrifen / III. CL: 1, Radere, resecare; en A-S, for-scrifan / III. CL: 1, corradere; gelijk ook onze Takken Schreve en Reve, rima, fissura, tot heden toe nog 't zelfde beteekenen. En, aengezien men van van ouds het eerste schrijven bij inkrassing of inrijving in Wasch, hout, steen, of boom-basten deed, zo is bij ons en andren de zin verwandelt in ons Schryven, II. CL: 1, F-TH, scriban / scriban / II. CL: 1, H-D, schreiben / II. CL: 1, scribere, olim radere. In dien zin vind men ook nog wel het A-S, scrifan / dog zeer zelden, naemlijk A-S, riht-scrifend / jurisconsultus; als een die 't Regt voorschreef, en A-S, scrifan / III. CL: 1, delictorum confessiones exigere; dat schriftelijk geschiedde, en een bediening der Klerken, Secretarissen, of Griffiers was; dog doorgaends gebruikte men, in plaets van dit, het A-S, writan / III. CL: 1, scribere; gelijkstammig zijnde met ons voorverhandelde Ryten, II. CL: 1, findere; en Luc. II. 1, vind men in 't M-G, ga-grefts / edictum, mandatum Caesaris. Byna elk der Europische volkeren ontleende de benaming van 't schryven, uit het ingriffiën, inrijven: dus het Grieksche γράΦειν, scribere; id est, insculpere, literas vel notas in Lapidem aut lignum &c. (vide Scap: Lexicon) waer van Vossius het Latijnsche scribere afleid; waer uit wederom gesproten zijn het Ital: scrivere, het Spaensche Escreuir, en 't Fransche Escrire, écrire. Dus ook Ysl: Run / Runa / litera antiqua cymbrica; van 't Ysl: Rya / in Praet: Part: Ruinn / eruere; zie verder van deze stoffe bij ons GRAEV, REN, RYT, en SCHRYV, in deze Proeve, en bij ons † GRYV, in de II. Proeve.

 

Tot het Wortel-deel RYV of RYF, ons Geryf, n: rasio frequens; en Ryve, Ryf, f: ook † Rieve, H-D, reibe / F. Kimbr: hryfa / F, rastrum, rastellum, radula; als waer mede men in- of af-rijft: en 't A-S, ryfa / I. CL: lacerare, scindere; en uit het Praeter: Part: 't A-S, rift / laceratus, scissus; en A-S, rifter / riftere / falx, messor: dog als een scheure of reet, het Ysl: rifa / rima; en A-S, rif / alvus; en L-Fries, rif / rivus; en als een streekwijzig afgescheurt deel ons Rif, n: Vadum, pulvinus, lingula; en, als een afscheiding, ons Middelrif, n: en middelrift, n: Diaphragma; en A-S, rift / velamen; en Ysl: rifur / liciatorium; als behoorende tot het scheergaren; en Ysl: riffur / lignum transversum, cui telam textores ap-

[p. 336]origineel

pendunt. Verder ons Ryffel, m: rasura; & tr: sortitus; gelijk ook ons schrapen en schrabben overdragtelijk voor eene onmatige inhaligheid en onbetamelijke gewinzoeking komt, waer onder ook het dobbelspel met Rijffelborden behoort; zo dat niet t'onregt deze overdragt bij dit Ryffel heeft stand gegrepen; en daer van ons Ryffelen, I. CL: fricare, radere, scalpere; & tr: rapere, ludere tesseris & fritillo, Gall: rifter; en Ryffel-tréchter, m: Pyrgus, orca, turricula; voeg hier bij het Brab: Ryve, f: hierotheca, feretrum; een kasje van valsche reliquiën, 't gene sommigen om gewin langs de dorpen omvoeren, en als door reven en schreven laten zien, om de verwondering te vermeerderen; waer van het Brab: Ryve-drager, kasse-boeve, Mythragyrtes qui obambulat cum simulatis mysteriis, ac rudibus imponit. Dog, op de reten en strepen der Rimpelingen ziende, het A-S, riflan / I. CL: rugare; en op den zin van afdeelinge bij reefjes, of van 't na zig halen, of van 't byeen krimpen, schijnt betrekkelijk ons Rif of Rift, en Reve of Reef, f: Contractio, attractio velorum; waer van de spreekwijze Een rif of reefje inbinden, contractiores facere velorum sinus. Gelijk ook op den zin van fricare, mits met K voorop, toepasselijk is ons Krivel, Kriewel, en Krevel, f: Levis fricatio, motitatio, pruritus; waer van ons Krevelen, Krievelen, en Kriewelen, I. CL: leviter fricare, aut mobilitare, prurire; & motitare; en Krevel-of Kriewel-kruid, n: Alumen de pluma; pruritum excitans. En, onder eene Allemannische Dialect-verandering van F of V in hare verwante B, past mede hier toe † Kribbe, Rasura; en † Krib-més, schrabber, Rasor; en daer van † Kribben, † Kribbelen, scalpere, radere; & unguibus scabere; en Kribbig, lacerans unguibus; malignus, litigiosus: van gelijken aerd zullen 'er zig ook vertoonen met A, behoorende tot het oude Praeter: voeg hier bij met P, in stêe van B of F, ons Krippe, Krippeltje, offula, quasi parvula pars rasa vel abscissa.

 

Uit het Praeter: ons Reve, Reef, en Schreve, Schreef, f: rima, rasura, en 't Geld: en Sax: Refe, Ref, bij ons Kretse, AErumna, als om 'er mede in te rijven; beneffens het reetsgenoemde Refe, Reef, Reefje, Rif, contractio velorum; en Krevelen, prurire; motitare &c.

Desgelijks kan, met het voorzetsel B voorop, in den zin van schryven, 't gene oulinks by inrijving geschiedde, mede hier uit ontleent zijn het Saxon: Breve / bij ons en in 't H-D, nu Brief, m: Literae, tabellae, scheda, epistola, epistolium, unde vulgo Breve, brevis, en Ital: breve Gall: brevet; Ysl: Bref / N, literae; hoewel 't ook niet onmooglijk schijnt, dat het Latijnsche Brevis, om de kortheid der brieven, in vergelijking van andere boeken, schoon ze te mets lang genoeg vallen, hier van de oorspronk ware, gelijk van 't F-TH, Brevon / I. CL: abbreviare.

 

Het Wortel-deel RYV of RYF vertoontzig mede in ons Geryf, Geryve, Gerief, n: Commodum, alicujus rei desiderata portio: zo dit van dezen Tak gesproten is, schijnt het zo veel te willen zeggen, als, iets afgescheurt van 't geheel ten genoege van iemand die minder verlangde; en daer van ons Geryven, Gerieven, I: CL: commoditati alicujus inservire; en Ontrieven, I. CL: commoditatem tollere; welke zin van gemakkelijke inschikking te vloeijen schijnt uit een milden en rekkelijken aerd des gemoeds, waer toe dan past ons † Ryve, † Ryf, largus, copiosus, en A-S, ryfe / fraequens; Ysl: ryfur / liberalis, ryfd / liberalitas; en ons † Ryfelyk, plena manu, ampliter.

 

Behalven de gemelde voorwerpingen van G en SCH, vertoont zig ook met W of V voorop, gelijkstammig met dit Wortel-Verbum, ons Wryven, Vryven, II. CL: 1, fricare, friare, terere, atterere; van welke voorwerping wy gesproken hebben by onze Grondsl: II: Verhand: §. XXXIII., en van welke Takken wij op het Wortel-deel Wryv of Vryv, zullen handelen.

 

Dog, uit den oorspronkelijken zin van inrijven, inscheuren, schijnt ook uit het oude Praeter: met A, op den A-S, trant, ontleent te zijn, ons Rafel, f:Ravel, linteorum fimbria dilacerata, waer van ons Rafelen, † Ravelen, I. CL: detricare, findere linteorum fimbria, & findi; en † Ontravelen,

[p. 337]origineel

I. CL: extricare; gelijk ook ons Rave, Raven, m: en f: A-S, taefen / hroefen en hrafen / Ysl: hrafn / M, H-D, rab en rabe / M, corvus, ruim zo eigen bij dezen stam komt, als bij 't volgende KRAEY, in de II. Pr:, als zinspelende op 't krabben en verscheuren met zijne klaeuwen, vermits een roofvogel zijnde; even gelijk in 't H-D, raffen / I. CL: rapere; en Ysl: raf / erratio; en rafftur / lupus furiosus, en refur / reffur / vulpes; en van Raven ons Rave-kóst, patibulatus; alzoo de ravens daer op azen; en Rave-kók, m: Carnifex; als behandelaer van 't galgen-aes voor de ravens: en ons kruid Rave-voet, coronopus; wiens bladen eenigsints gelijken na de ravens-klaeuwen; zoo mede A-S, raefnes-fot / coronopus.

 

Nog ook met A, en met eene Voorwerping van K, of SCH, of ST (zie daer van onze Grondsl: II. Verhand: §. XXVIII, XXIX, en XXX.) mitsgaders onder eene Allemannische verwisseling van V in hare naever-wantte B of F of P; in 't oude Vlaemsche † Schraf, † Schrave, nu bij ons Schrab, Schrap en Schraep, als mede Krab, en Krap, f: rasura, carptus, vibex, cicatrix, litura; en A-S, cropp / H-D, rapff / Angl: grape / en ons Rappe, Krappe, Krapdruive, f: Uva, racemus, botrus; unde Gall: grappe Ital: grappolo; ziende op het afplukken en afscheuren van het druivebosch; en Krap, mee-krap, f: Rubia; om het afrijven dezer roode Wortel tot een verf-sloffe: gelijk ook Rappe, Krappe, carptura, res decerpta; en Rappe, Sax: rave / crustra vulneris & scabies; en Rappig, scabiosus; waer van verder het oude Vlaemsche † Schraven, † Schrafen, en † Schrafelen, bij ons nu Schrabben, Schrappen, Schrapen, en Krabben, † Krappen, allen I. CL: H-D, schrapfen / I. CL: scarificare, radere, scalpere, fodere, & lacerare unguibus, & tr: divitias corradere; en Krabbelen, I. CL: unguibus rapere; & tr: ineptè scribere vel pingere; en Krabbe, f: Angl: krabbe / H-D, krebs / carcinus; carabus; en Kreeft, † Kreft, † Krevitse, f: H-D, krabs / krebs / Sax: krevet / cancer, cammarus; Gall: escrivisse, Angl: crevis / crevyshe / om 't schrabben met de scharen en klaeuwen; hoewel ons Krabbe, carabus, ook basterd zou konnen zijn: Voorts transl:Kreeft, een geribt borst-harnas, thorax; beschuttende het lijf, gelijk de schalen bij den Kreeft doen; en Kreeft-kruid, n: zonnebloem, heliotropium; als beginnende te bloeijen wanneer de zon het teeken van den Kreeft doorwandelt: en mede met E, het Vlaemsche Schrepen, Schréppen, I. CL: A-S, screopan / I. CL: radere, scalpere, scabere; en Schrape, A-S, screope / strigil, radula; als mede om de rimpelstrepen, het A-S, screpan / arescere; en scripen / austerus; en ons † Schrepel, † Schrapel, contr: Schraêl, † Raêl en Reêl, macilentus, rigosus; by welke laetsten de voorgelaschte SCH al is afgelaten; gelijk wederom in stêe van SCH, de ST zig bevind bij ons Strepe, f: en ook oul: uit het Praes:Strype, nu Strip, stria, striga, linea, tractus; & litura; waer van ons Strepen, I. CL: striare; & variegare.

Eindelijk in de zelfde zins overdragt, als by ons Geryf, Gerief hier voor, zoo mede mooglijk het A-S, scraepe / screope / accommodus; en ons Schrap, accommodus; & paratus; waer toe ons Schrap staen, paratum se praebere; en érgens schrap raken, opportunè aliquo loco venire & expediri.

Het Wortel-deel.

RYZ of RYS &c, in ons RYZEN, REES (oul: in Sing:RééS, en † REIS), GEREZEN, II. CL: 1, surgere, assurgere, scandere, oriri; unde vulgò Risare, & Ital: Rizzare; en † Ryzen, † Af-ryzen, II. CL: 1, labi, delabi, & descenderc; en Verryzen, II. CL: 1, resurgere, assurgere; enz. M-G, reisan / rais (in Subj: risau) / risans / II. CL: 1, surgere, exoriri. A-S, risan (arisan) / ras of raes / gerisen / III. CL: 1, surgere; Angl: to rise / rose / risen surgere; Kimbr: en Ysl: rysa / reis / risenn / II. CL: 1, surgere.

 

Tot RYS, ons Ryzig, procerus, longus; als hoog opgetezen; en Rys-koorde, slinger-schop, oscillum; om 't op-en neer-rijzen: en Rys, f: H-D, reisz / surculus, virga; als schielijk en meest in een jaer tijds opgescho-

[p. 338]origineel

ten; en Rys, n: Ryzeren, H-D, reisz / N. sarmenta, virgulta; en Rys-wérk, n: moles ex ramorum & virgultorum fascibus fluctibus opposita; en † Ryzend haer, deftuus capillus; als rijstakjes neerhangende; en AL: Ris / A-S, risc / hris / juncus, frondes; en ons † Ryssel, † Rissel, m: fascis surculorum; welker roering een zagt gerissel maekt, waer van ons † Rysselen, Risselen, I. CL: A-S, hristlan / en hriscan / I. CL: strepere, stridere strepitu levi, surculorum instar moveri; en daer van weder, als ziende op 't rissel-geluid in 't schueren van den ploeg, mogelijk hier toe het Vlaemsche Ryster, Riester, en ook uit het Praet: Reister, m: rulla; en zonder op het geluid, dog alleen op het Rys of stroo te zien, ons Rysseler, m: Cubile pecorum, lectus è stramento; en A-S, hraesto / accubitus. Maer van ons Rys, virga, met dezelfde zinspeling als in 't Latijn, ons Rys, virga virilis, waer van ons Ryzen, I. CL: mejere; en † Ryzende stéén, calculus, lithiasis; als hinderende in 't watermaken. Dog ons Rys, f: H-D, reisz / oryza, vulgo Risum, Gall: Ris, Ital: Riso, Angl: rise / schijnt my, gelijk het gewasch zelf, een uitlandige te zijn.

 

Uit het Zakelijke Deel van het oude Praeter: met éé of EI, ons † Reezig, † Reizig, procerus, longus; en het M-G, ur-en uz-raisjan / I. CL: 1, excitare, suscitare; als doende oprijzen of ontstaen; beneffens ons Reis, Reize, f: Ysl: reysa / F, H-D, reise / F. iter, profectio, & transl: vice; om 't op-en af-rijzen te water en te land; waer van ons Reizen, I. CL: H-D, reisen I. CL: proficisci; en ons Verreizen, I. CL: insumere itineri, in alterum migrare locum, regionem; & absumere peregrinando; waer toe ons † Reizig, nu Reisvaerdig, itineri accinctus, expeditus; en † Reizig, nu Reisbaer, pervius, peregrinationi commodus; waer van ons † Reizigen, I. CL: peregrinari; en daer van wederom Reiziger, m: peregrinator; & olim Eques, & Desultor; en een † Reizig paerd, Equus Bellator; en † Reizig krygsvólk, equites, copiae equestres: en gelijk dus voormaels de Ruiters en Krijgslieden onder den naem van Reizigers betrokken wierden, die gewoonlijk met overlast en geweld den Landman snellijk overvielen, zo schijnt hier mêe overeen te komen, het A-S, raese / raes / cursus, & impetus, & violentia; en ons, † Reeze, invasio cum impetu; waer van ons † Reezen, † Aen-reezen, I. CL: invadere cum impetu, en Bloed-reizen, I. CL: ook † Bloed-ryzen, infligere cruentum vulnus, effundere sanguinem; welke zin zig ook zal vertoonen in Takken die bij 'r andere Praeter: met de zagte E, passen.

 

Tot het Praeter: met de zagte E, Ons oude, en 't oude Friesche † Reze, † Rieze, H-D, riese / Ysl: rise / homo procerus, longus; & tr: Gigas; dus vindmen bij Melis Stoke in zijn Rymkronijk (den druk van 1699.) p: 5.

Die onbekende wilde Driesen /
Die gheliken verwoede RIESEN
Hem versloegen met sinen gesellen.

Sprekende hier van St. Willebrord, toen hy in 't jaer 736, met de zijnen, om 't prediken van de Christelijke Leere, gedood wierd: hier van nu † Rezig, † Rezelyk, procerus; en † Reziger, Eques; en verder † Reze, assurrectio subita, assultus, invasio cum impetu; even als bij eenen opstand of krygsovervalling; en A-S, rese / raes / violentia, impetus; waer van ons † Rezen, I. CL: tremorem injicere, trepidare; waer toe het Oud-Friesche, Bloed-resene / sanguinis emissio; in den zelfden zin als ons voorgemelde † Bloedreizen, I. CL: effundere sanguinem; en 't Oud-Friesche Rees-raeff / effosio mortui, sepulchri violati crimen; als een Roof-bedrijf van † Rezen of Struikroovers; waer toe mede in de Land-Friesche Dialect past het oude † Ries, temerarius, inconsideratus, effraenus; † Riesheid, temeritas; en daer van † Riesen, I. CL: temerè agere; ook A-S, hries / impetus; en A-S, risend / rapax, rabula; en M-G, hrisjan / af-hrisjan / en us-hrisjan / I. CL: excutere: hoewel deze allen met Ries tot het A-S, hreosan / II. CL: 1, ruere, mede betrekkelijk zijn; zie daer van bij 't volgende RIES, in de II. Pr:

 

Maer gelijk dus al in de Takken van de beiderleije Praeterita de zin van schielykheid van beweging en snellen overval word uitgebeeld, zo vinden we met A, gelijk by 't

[p. 339]origineel

A-S, Praeter:, hier toepasselijk ons Rasch, en † Gerasch, Ras, H-D, rasch / celer, promptus, citus, velox, rapidus; Angl: Rashe / praeceps, als snel en schielijk opryzende, of als ymand overvallende; waer van ons † Raschen, I. CL: festinare, properare; en nu nog Verraschen, Verrassen, I. CL: H-D, uberraschen / I. CL: anticipare, praevertere, celeritate aliquem vel inopinantem opprimere, imparatum corripere, obruere, irruere; en in den zin van 't Woedend op- en om-loopen, gelijk by 't bovengemelde Reezen en Rezen, vertoont zig mede het Ysl:.raas / F, discursitatio; en ons Raes, 'Raze, AEstuarium; en een Ras in de zee, charybdis; waer van ons Razen, I. CL: Angl: Rase / magno rumore & furore agitari, saevire; & Lascivire; unde Gall: Rager, enrager; en ons fraequentativum Razelen, I. CL: somniare ineptias, furias; en A-S, raescettan / I. CL: stridere, crepere; en A-S, rascal / fera strigosa; vermits het woedend en geil omloopen de beesten mager maekt.

De Zaek- of Wortel-deelen.

RIK, in Botte-rik, † Blind rik, Dóóf-rik, Dul-rik, Zatterik, en Zotterik, zie daer van bij RYG, in deze Pr. en in † Gerik, viscera; zie daer van bij RUIK en by TREK, in deze Pr.

 

RIM, in † Rimmelen, tumultuare &c, zie daer van bij KRIMP, in deze Pr.

 

RIMP, in Rimpe, Rimpel, en Rimpelen, bij KRIMP, in deze Pr.

 

RIN, in † Rinnen, currere &c; Rin, Rinde, cortex; en Rinsch, subacidus; zie daer van bij 't vorige REN, in deze Pr.

 

RIND, in Rinde, cortex; en Rind, bos, en Rindvléésch, Caro bubula; zie daer van bij REN, in deze Pr: en van de twee laetsten ook bij RIND, in de II. Pr.

 

RING, in † Ring, levis, celer; Gering, levis, tenuis; † Ringeren, attenuare; en Ring, annulus, & circuitus; en Ringen, † Ringelen, en Ringkétten, annulo circumdare; en Omringen, circumdare; zie daer van bij REN, in deze Proeve; en Ringkel, bracteae ramentum; & Nota, tintinnabulum; en † Ringen, Ringelen, sonare, pulsare, tinnire; beneffens nog iets van Ring, annulus; zie daer van bij RING, in de II. Pr: en in † Ringer, luctator; en Ringplaets, palaestra; bij VRING, in deze I. Proeve.

 

RINK, in Rinkel, bracteae ramentum; & nola, tintinnabulum; en Rinkel-royen, discurrere cum crotalis, nolis &c; en in Rink, annulus, circulus; zie daer van bij RING, in de II. Pr. en van 't laetste ook bij REN, in deze Pr.

 

RIS, in Risselen, bij RYZ, in deze Pr.

 

RISP, in Rispe, eruca; zie daer van bij KRUIP, in deze Proeve.

 

RIT, in Ritsig, catuliens; Ritsen, Opritsen, instigare; en Ritselen, motitare; zie daer van bij RYD, en RYT, in deze Proeve, en in † Ritse, rima, canalis, & rasura; en Ritsen, scindere, scalpere, notare fundum vasis &c; bij RYT, in deze Pr:

RO.

ROCH, in Rochelen, Rhonchissare; zie daer van bij WREEK, in deze Pr.

 

† ROCHT, in Rochten, curare, procurare; zie bij REEK, in de II. Pr.

 

ROE, in Roe, virga, radius, Sceptrum Imperii, Justitiae signum & flagellum; en Roe-drager, apparitor, zie daer van bij ROEY, in de II. Pr.

 

ROED, in Roede, virga, radius Sceptrum; & flagellum, & remus; De roode roede, quaestor; Roed mééster, adilis; Roeden, radio capacitatem dolii

[p. 340]origineel

tentare; † Roeden, uit-roeden, exstirpare; en † Roeden, remigare; en † Roeder, remex, remus; & gubernaculum; zie bij ROEY, in de II. Pr.

 

† ROEG, in † Roegen, accusare; zie daer van bij † REEK, en † WRIEG, in de II. Proeve.

 

ROEY, in Roeyen, capacitatem dolii tentare radio; † Roeyen, uit-roeyen, exstirpare; Roeyen, remigare; † Roey, remus; en Roeyer, remex; by ROEY, in de II. Proeve.

 

ROEK, in † Roek, fumus; zie bij RUIK, in deze Pr:, en † Roek, cura, attentio; & Delator, lictor; † Roeken, curare, attendere; Roekelóós, inconsiderans; en Roek-koeken, columbarum more vocem edere; zie daer van bij † REEK, in de II. Pr. en 't Geld: Roeken, ructare; bij WREEK, in deze Proeve.

 

ROEM, in Roem, gloria; Roemen, parasitari; Roemer; jactator; & vas potorium; zie daer van bij RUIM, in de II. Proeve.

 

† ROEN, in † Roenen, susurrare &c; zie daer van bij REN, in deze Proeve, en bij † RUY, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

ROEP, &c: in ons ROEPEN, RIEP, GEROEPEN, III. CL: 6, vocare, clamare; Aen-roepen, III. CL: 6, appellare, invocare, in vota vocare, implorare, adorare; Beroepen, III. CL: 6, clamore aliquem assequi; & olim provocare, citare, & in certamen vocare; en Zig beroepen, III. CL: 6, appellare, ab, alio Judice ad alium provocare; enz. F-TH, ruofan (hruofan / AL: ruafan) / rief en riof / giroufan / III. CL: 5, clamare; H-D, ruffen / rieff (en rufte) / geruffen en geruffet / IV. CL: 3, en I. CL: Vocifenare; enz.

 

Tot het Wortel-deel met OE ons Roep, m: Geroep, n: H-D, ruf / M, Ysl: hroop / N. Kimbr: hrop / clamor, rumor, fama; en ons Beroep, n: cujusvis functio, munus, officium; elks werk dat ymand te doen heeft, en daer hem zijn ampt of belang toe roept; en overdragtelijk het Vlaemsche Roep, tessera, symbolum bellicum; en ons Roeper, m: H-D, rufer / M, clamator, praeco; en 't Brab: Oproep by verdieren, auctio, venditio auctionaria; Roeper, m: strot, trachea; en Roeper, m: Tuba clamatoria; als werktuigen om mêe te roepen: en verder van dezen Tak het H-D, ruffen / I. CL: en 't M-G, hropjan / I. CL: clamare. Van een ander Roep, in Roepe, eruca, zie bij KRUIP, in deze Pr.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ROER, in Roer, olim Arundo, juncus, nunc Tubus, sclopus; Roerpyp, tubulus; Roerdomp, ardea stellaris; zie daer van bij RIES, in de II. Pr: dog † Roer, apoplexia; en Roer, gubernaculum; en Roeren, beroeren, aen-roeren &c, zie daer van bij 't zelfde RIES, en mede bij ROEY, in de II. Proeve.

 

ROES of ROEZ, in Roes, potio immodica; en Roezie, strepitus &c; en Roeze-boezen, exitare strepitum magnum, by RIES, in de II. Proeve.

 

ROEST, in † Roest, rudis; en Roest, rubigo; en Roesten, rubiginari; zie bij RAUW, in de II. Proeve.

 

ROET, in Roet, fuligo; en Roetaerd, graculus; en Roetaerden, obstrepere, &c; zie daer van bij RIET, in de II. Proeve.

 

RÓK, in Rókkenen, op-rókkenen, instigare; &c. zie bij RUK, in de II. Pr:, en in Rók, cumulus; pensum; & tunica; en Rókken, spinrókken, colus; en Rókken, pensum struere, enz. zie daer van bij REEK, in de II. Proeve.

 

ROM, in † Rommele, trochus; en Rommelen, strepitum edere gravem; en

[p. 341]origineel

Rombout, mordella; zie daer van bij RUIM, in de II. Pr.

 

ROMP, in Romp, truncum corpus; en † Rompe, † Rompel, ruga; en † Rompelen, rugare; bij KRIMP, in deze I. Proeve.

 

RON, in Geronnen, coagulatus; en † Ronnen, manare, fluere; & coagulare; bij REN, in deze Pr.

 

ROND, in Rond, De ronde, Rond-om, Rond-uit, Rondas, Rondéél, Ronden, enz., bij REN, in deze Pr., dog van nog een ander Zaekelijk deel † Rond, bij RIND, in de II. Proeve.

 

† RONG, in Ronge, trabale vehiculi; zie daer van bij † RING, in de II. Pr.

 

† RONS, in † Ronse, † Ronsel, ruga; en † Ronselen, rugare, & permutare; zie daer van bij REN, in deze Pr.

 

† ROOD, in † Roden, capacitatem dolii tentare radio; & exstirpare, & catulire; † Op-roden, instigare; en † Rode, virga, tr: penis; & canis mas, zie daer van bij ROEY, in de II. Proeve.

 

ROOY, in Royen, dolii capacitatem radio tentare; Mensurare; exstirpare; catulire; en Uit-royen, Royèren, Op-royen, en Rinkel-royen, zie daer van bij ROEY, in de II. Proeve.

 

ROOK, in Rook, Geroken, verbuigsels van Ruiken; en † Rook, fumus; en † Roke, odor, odoratus; en † Rook-wérk, suffimen; zie daer van bij RUIK; in deze Pr:, dog in † Roken, colligere rastro; Rokelen, sarculare; en Roken, metae foeni; zie daer van bij REEK, in de II. Proeve.

 

RÓÓK, in Róók, fumus, &c; en Rooken, fumare; en Wy-róók, thus; bij RUIK, in deze Proeve.

 

† ROOM, in † Romer, calix; zie daer van bij † RUIM, in de II. Proeve.

 

† RÓÓP, in † Roope, eruca; en Roopen, vellere; zie daer van bij KRUIP, in deze I. Proeve.

 

† ROOR, zie bij RIES, in de II. Pr.

 

† ROOS, zie bij RIES, in de II. Pr.

 

ROOT, in Rotel, crepitaculum; & sonitus moribundi; en Rotelen, garrire; crepitare; & murmillare; en Rootte, fossa in quâ linum maceratur; en Roten, macerare linum; en † Rote, grex hominum; en † Rootse, rupes; zie daer van bij RIET, in de II. Pr.

 

RÓT, in Rót, mus major; Rótse, rupes; † Rótsen, labi, prolabi; Rót, turma; Rótten, samenrótten, congregari; Rótteyen, concursare; enz. en ook iets van Rót, putredo, & putris; Rótte, fossa in qua linum maceratur; en Rótten, putrescere; & macerare linum; zie bij RIET, in de II. Pr.

 

RÓUW, in Róuw, rudis; crudelis; Róuwe, luctus, & pompa funebris; en Róuwen, poenitere; & lugere; Beróuwen, poenitere; zie daer van bij RAUW, in de II. Proeve.

RU.

RUCH, in Ruchelen, rhonchissare, & murmurare; zie daer van bij WREEK, in deze Proeve.

 

RUCHT, in † Ruchten, curare, & considerare; Gerucht, fama; Rucht-baer, famosus; zie daer van bij REEK, in de II. Proeve.

 

RUEK, in Ruekeloos; zie bij REEK, in de II. Proeve.

 

RUEN, in † Ruenen, susurrare; zie daer van bij REN, in deze Pr:, en bij RUY, in de II. Proeve.

[p. 342]origineel

† RUEP, in † Rupe, eruca; en † Ruepen, vellere; zie daer van bij KRUIP, in deze Proeve.

 

† RUER, in † Ruren, movere; zie daer van bij ROEY, in de II. Pr.

 

RUES en RUEZ, in Ruzie, strepitus &c, in Rusche, nassa viminibus contexta; en † Rueze, gigas; zie daer van by RIES, in de II. Pr.

 

† RUFT, zie bij REEK, in de II. Pr.

 

RUY, in Op-ruyen, instigare; zie daer van bij ROEY, in de II. Pr; en in † Ruyen, eruere, &c; zie bij RUY, in de II. Pr.

 

RUICH of RUIG, in Ruig en Ruichte, zie daer van bij RAUW, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

RUIK of RIEK, &c, in ons RUIKEN of RIEKEN, ROOK (oulings ook in Sing: RóóK), GEROKEN, II. CL: 2 en 3, odorare olfacere; & odorem emittere, exspirare, efflare. A-S, reocan en rucan / reac / gerocen / II. CL: 1. exhalare, suffire; en H-D, Riechen / roch / gerochen / II. CL: 2, olere, odorem efflare; & olfacere. Ysl: riuka / rauk / en volgens de anderen van die Classis, in Praet: Part: Rokenn. II. CL: 2, in 't Praes: eg Ryck / defumare. De uitdamping is de natuerlijke oorzaek van de reuk-en rook-verwekking, waerom ik bij 't A-S, en Ysl: de eerste grondbeteekenis reken, welke in vele Takken bij ons mede nog overig is.

 

Dus uit het Wortel-deel van den Infin: of 't Praes: ons Riekertje, Ruikertje, n: sertum florum; enz.; als mede 't F-TH, riohhan / I. CL: fumigare; en met een zeldsaem verloop van iu of y in ei / het Ysl: reikur / fumus; en reik-affur / fornax; om den damp en reuk. En mooglijk ook hier toe ons † Gerik, † Gerék, viscera, exta; om den stank der ingewanden; dog dan zou de E in stêe van I, bij een Vlaemsche Dialect-verandering hier moeten gekomen zijn, ander sints past dit alzo wel bij ons Rékken, dat bij 't Wortel-deel TREK verhandelt word.

 

Tot het oude Praeter: met óó, ons Róók, m: H-D, rauch / M. fumus; naemlijk de zigtbare waterige of smeerige damp van brandende stoffe; waer van ons Rooken, I. CL: H-D, rauchen / I. CL: fumare, fumum emittere; & ad fumum siccare; H-D, rauchern / I. CL: aliquid suffire; F-TH, thes rouhennes / incensi; en F-TH, wih-rauh / wih-rouh / wi-roche / N. thus, insensum; en Róók, Kéénróók, zwartsel, suligo è taedis; en ons † Róók, waessem, vapor.

 

Maer uit het Praeter: met de zagte lange O, of hare gelijkwaerdige EU of OE heeft men ook in den zelfden zin ons oude † Roek, † Rook, m: fumus, A-S, rec / fumus, waer van A-S, recan / I. CL: fumare, vaporare; en Roek-en Róók-vogel, cornix furva, van zijn rook-koleur zoo genaemt; en A-S, reced / Aula, locus scilicet fumosus; olim enim aulae focos habuerunt absque caminis; de A-S, e / beantwoord volgens de Dialectregel onze OE; gelijk mede in den zin van reukgeven ons † Roke, nu Reuk, f: en m: en † Gereuk, en, † Geroke, odor, & odoratus; wordende verwekt door een uitwaesseming der vlugge geesten of oliën, welke meesten tijd onzigtbaer is: en de zin van Róók en Reuk, is beiden begrepen in ons † Rook-en Reuk-wérk, n: suffimen, thumiama, en 't F-TH, wiroche Ic. / Thus.

De Zaek- of Wortel-deelen.

† RUIM, in de II. Proeve.

 

† RUIN, in † Ruinen, susurrare; &c, zie daer van bij REN, in deze Pr., en in Ruin, Equus castratus; en Ruinen castrare; zie bij RUY, in de II. Pr.

 

RUIP, in Ruipe, eruca, en † Ruipen, vellere, carpere, zie daer van bij KRUIP, in deze Proeve.

 

RUIS, in Geruisch, strepitus, Ruischen, fragorem edere; Ruischpyp, tibia utri-

[p. 343]origineel

tricularis; Ruisselen, † Ruis-muizen, strepere; Ruisse, alveus apum &c, en Ruissen, catulire; zie daer van by RIES, in de II. Pr.

 

RUIT, in Ruiter, Eques, miles &c, † Ruiten, destruere, vastare, praedari; Ruitink, machaera; lamina gladii, &c. zie daer van bij RIET, in de II. Proeve; en in Ruite, tessella, rhombus; zie daer van bij ROEY, in de II. Pr.

 

RUK, in ons Ruk, Rukken, Verrukken, † Op-rukken, bij RUK, in de II. Proeve, en bij TREK, in deze I. Pr.

 

RUM, bij RUIM, in de II. Pr.

 

RUN, in RUN, abrasa cortex; en Runnen, manare, concurrere; & coagulare, bij REN, indeze Proeve.

 

RUND, in Rund, Runderen en Rund-vléésch, zie daer van bij REN, in deze, en bij RIND, in de II. Pr.

 

† RUNS, in † Runselen, irrugare; zie daer van bij REN, in deze Proeve.

 

RUPS, in Rupse, eruca; zie daer van bij KRUIP, in deze Proeve.

 

RUSCH, in Rusch, juncus, & nassa, en Rusch-dyk, juncetum; en Rusch-klééd, incerniculum junceum; zie bij RIES, in de II. Pr.

 

RUSP, in Ruspe, eruca; zie daer van bij KRUIP, in deze Proeve.

 

† RUT, in † Rutse, rupes; zie daer van bij RIET, in de II. Pr.

 

RUW, in Ruw, rudis; bij RAUW, in de II. Proeve.

 

1717 10/m