Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

S.

SA.

SAEG, in Versagen, metu frangi; zie daer van bij ZICH, in deze Pr.

 

SAEM, in Samen, conjunctim, una; zie daer van bij ZAEM, in de II. Pr.

 

SAI, in Saizoen, zie daer van bij ZAEY, in de II. Proeve.

 

SAM, in Sammelen, cunctari; zie daer van bij TEM, in de II. Pr.

 

SAR, in Sarren, irritare; zie daer van by TEER, in de II. Pr.

SCHA.

SCHAB, in Schabbe, Schabben, Schabaf, &c, zie bij SCHAEF, in deze Proeve.

 

SCHACH, in Schacheren, lucrum capere ultra decorum; en in Ge-schach, het oude Praet: van Geschieën, zie daer van bij SCHAEK, en bij SCHIE, in de II. Proeve.

 

SCHACHT, in Schacht, caulis, calamus, arundo; & tr: coles; &c, zie daer van bij SCHAEK, in de II. Pr.

 

SCHAED, in † Schaden, dividere; en † Schade, Schaduwe, umbra; Schaduwen, umbrare, &c; in Schade, damnum; Beschadigen, nocere; Schaedse of Schaetse, canthorum fulcrum; en Schaedsen, Schaetsen, Grallae, zie daer van bij 't volgende SCHEID, in deze Proeve.

 

SCHAEF, in Schaef, runca; Schaef-y-

[p. 344]origineel

zer, radula, Schaefling, ramenta; en Onbeschaeft, rudis, impolitus; zie daer van bij SCHAEP, in deze Pr.

 

SCHAEK, in Schaeke, Schaken, Ontschaken, en Schaek-spél, en in Schakèren, variegare; in Schakel, cetra, & annulus catenae; retis foramen; &c, en Schakelen, connectere, involvere, & gradatim attollere; bij SCHAEK, in de II. Proeve.

 

SCHAEL, in Schaele, putamen, cortex; & lanx; & patera; coleus; Verschalen, vappam fieri; Schaelbyter, scarabeus; Schalie, tegula, scandula; Schaeldsye, impluvium; zie daer van bij SCHEID, in deze Pr.

 

SCHAEM, in Schamel, Schamen, Schaemte, &c, zie daer van bij SCHEID, in deze Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

† SCHAEP, of SCHÉP, en SCHIEP, &c, in ons oude † SCHAPEN (en † SCHEPEN nu SCHéPPEN), SCHEIP (ook oul: † SCHOEP), GESCHAPEN, III. CL: 2 en 3, formare, creare; constitutionem & formam indere rei; en † Ontschéppen, III. CL: 2 en 3, auferre formam, deformare; en Verschéppen, en Herschéppen, III. CL: 2 en 3, transformare, reficere. M-G, skapan (gaskapan) / skop / skapans / III. CL: 4, facere, parare, formare, creare. F-TH, scafan / scuof / giscafan / III. CL: 3, facere, condere, creare; dog ook F-TH, schaphan en gischaphan / I. CL: formare, condere, creare, facere. A-S, sceapan (en scapan en sceppan / scippan / scyppan) / sceop en scop / gesceapen en scapen / &c. III, CL: 2 en 4, formare, fingere, creare; H-D, schaffen / schuf en schief / geschaffen / IV. CL: 1, creare; Ysl: skapa / skoop en skapte / III. CL: en ook I. CL: facere, formare.

De A van onzen ouden Infinit: vertoont zig onder alle de oude verwantten, dog het tegenwoordige Schéppen voor † Schapen, is bij verloop van A in de korte scherpe é, en daer door per Euphon: in de verdubbeling van de P vervallen; welk laetste mede gebeurt is bij 't A-S, sceppan en scippan. Ons Praeterit: met IE, word beantwoord met het A-S sceop; en ons oude Praet: met OE of O, met al de bijgebragte taelverwanten.

Nog een ander Schéppen, I. CL: haurire, is 'er bij ons in gebruik, dog dat zig onder de oudheid, eveneens als 't vorige, Ongelijkvloeijende vertoont, want dus vindmen F-TH, scephan / haurire, en scuofun / hauserunt; en 't H-D, schöpfen / I. CL: haurire, is mede uit zulk een oud Praeter: ontleent, weshalven ik niet anders daer uit weet te begissen, dan dat de zin van Schéppen, haurire, concavare, & concavum esse, dat is, een holle kromme beweging of gedaente maken of hebben, overdragtelijk uit het Schéppen, formare, ontleent zij geweest, hoewel die overdragt niet zonder duisterheid is: de eerste grondbeteekenis schijnt geweest te zijn, het Maken, Toebereiden of Formeren van iet, gelijk bij 't Ysl: M-G, en F-TH, A-S, H-D, en 't Onze; de tweede zin het uithollen van Holen in 't gebergte tot woning, of van Boomen tot schuitjes of scheepwerk, 't gene ook al van 't eerste werk der Ouden moet geweest zijn, waer op de beteekenis van Schéppen, haurire, concavare, & concavum esse, past; gelijk ook met dezelfde rede, en tot bevestiging van dit, het A-S, scafan (scaefan) / sceof of scof / gescafen / III. CL: 2, radere, condere, & polire, overdragtelijk voor het zelfde kan aengezien worden, als 't A-S, scapan / sceaphan / III. CL: 2 en 4, formare; vermits de nette gedaente aen het rouwe gevende: dog met eene andere Dialect van f voor p / die reets in 't F-TH en H-D, en by de Takken van 't M-G, zig mede vertoont. Dies zullenwe op dezen voet de spruiten tot een en ander behoorende, hier agter-één plaetsen, hoewel elken zin gescheiden houden.

 

Tot den zin van iets maken, toebereiden of formeren, ons † Schaep, † Schape, en † Schap, † Schappe, Angl: shape / forma, figura; en † Schape, † Scheppe, † Schepe, f: formatio, creatio; en ons Geschép, n: formatio, creatio & creatura; en Schépping, f: A-S, sceapennysse / creatio, en, met den uitgang Sel, ons Schépsel, n: oul: ook

[p. 345]origineel

Schaepsel, n: H-D, geschöpf / N. creatura; en A-S, sceap / Ysl: skop / N, verendarum partium nuditas; en H-D, geschäfte / N, genitale, pudenda; naemlijk zoodanig als men geschapen is, ongekleed; en A-S, sceppend / scippend / scyppende / F-TH, sceffanti / M, bij ons Schépper, m: H-D, schöpfer / conditor, creator. En van † Schap, forma, ons † Schappig, nu Schappelyk, benè formatus, decens, speciosus; AL: fkaffelofa Zimber / informis materia; gelijk ook in den zelfden zin uit het Praeter: Part: ons Geschapenheid, f: rerum constitutio, facies, & forma; en Wan-schápen, difformis; en Dus of zoo gèschapen staen, sic vel ita se habere. Voorts met den uitgang EL agter Schap, ons † Schappel, corona, laurea, strophium; om de cierlijke geschapenheid; en A-S, sceapere / speculum; als vertoonende by wederkaetzing der lichtstralen de form en geschapenheid der dingen in schijn. Mitsgaders ons † Geschaf, n: negotium, actio; en onze Terminatie Schap, f: & n: actio, munus, officium, factura; waer voor A-S, scpy / scype / munus, praefectura, negotium, occupatio, dignitas; als in ons Vriendschap, f: amicitia; & tr: amicus; en Gezèlschap, n: societas; en Ysl: klookskapur / M, calliditas; en Din-skapur / M, amicitia; en ons Héér-schap, n: olim Dominatus; nunc tr: Dominus; en Sax: en Fris: Hóófd-schappen, primates, & proceres; enz. van welks kragt en geslagt wy breeder gesproken hebben bij onze Grondsl: II. Verhand: § LXXIV. Voorts, ziende op de konst en 't verstand in 't schikken en toemaken, het Kimbr: skap / en skaplinde N, ingenium; en skap-stör / magnanimus; gelijk mede, beneffens eenige voorgemelden uit het Praeter: het A-S, scop / sceop / Poëta; als een uitvinder om aerdige gedaentens aen de zaken te geven, waer toe het A-S, scop-leoth / sceop-leoth / Poësis; zoo mede F-TH, psalm-scof psalmista; als een maker of toebereider van Psalmen: en voormaels bij ons ook † Schépper, m: sartor; en 't Vlaemsche Schéppen, kleermaken, sarcinare; en Schép-scheeren, Schaep-scheeren, strictim attondere pannum, ut probè attonsus vesti conficiendae sit aptus; en Schép-més, n: scalprum sutorium; en Schép-bérd, n: asser sutorius.

Voorder van 't gemelde † Schepe, formatio, creatio, mits omtrent in gelijke zinspelinge als het genoemde A-S, sceop / Poëta, voor een vinder of uitvinder van zaken, en even gelijk ons Vonnisse en Vinden kan gekomen zyn, zo is hier toe betrekkelijk ons † Schepene, nu Schepen, m: Judex; unde vulgò scabinus; & Gall: Echevin; als gestelde Regter, die, na onpartijdige overweging van de geschapenheid der Zaken in geschil, volgens wederzijdsche getuigenissen of bewijzen, het vonnis uitvind, hoe 't behoort geschikt te worden: hier toe wierden al van ouds in de groote steden een getal Schepenen door den Vorst met toestemminge van de Gemeente verkoren, waer van men ook vind in Chartul: St: Galli (zie Goldasti Rerum Alamannic: Tom: II. p: 81.) Interrogavit ipse Comes illos SCABINEOS, quid ille de hac causa judicare voluissent; at illi dixerunt; secundum istorum hominum Testimonium, & secundum vestram Inquisitionem, Judicamus, &c. Voorts † Onder-schepen, m: Judex pedaneus, judex imi subsellii. Op welk oordeel over geschilzaken mede toepasselijk is het Ysl: skipte / divisiones; en nog immers zo kragtig het A-S, scop / censebat, judicabat; uit welk Praeterit:blijkt, dat dit ongelijkvloeiende Verbum, al van ouds dien onverdragtelijken zin van oordeelen en schatten heeft aengenomen gehad.

 

Wederom onder den zin van Toebereiden of Voorbereiden ons oude † Schap, nu Schap-rade, Schap-raey, of Schrap-rae en Schap-reede, Schap-rey, f: Theca, promptuarium, repositorium, armarium, riscus; en het M-G, ga-skafts / F, constitutio, creatio; waer van het F-TH, scaphan / gi-skaphan / I. CL: creare, formare; en 't M-G, Sik skaftjan / ga-skaftjan / I. CL: se parare; gelijk 't H-D, schaffen / I. CL: negotium curare, parare; en, in gelijke Dialect van F voor P, ons † Schaffen, mede † Schappen, I. CL: Angl: Chaffer / agere, tractare, negotiari, navare, curare; en ons gemelde † Geschaf, n: en 't H-D, geschafte / N. Negotium, labor, administratio; en ons † Op-schaftig, † Régtschaftig, exactus, perfectus; beneffens ons zeer gemeenzame Iet be-schaffen, ver-

[p. 346]origineel

schaffen, I. CL: H-D, an-schaffen / I. CL: conficere, perficere, procurare aliquid; als mede ons Spyze op-schaffen, I. CL: voordisschen, Cibaria proponere; en overdragtelijk daer van ons Schaffen, I. CL: cibare.

 

Deze Allemann: of F-TH, of H-D, Dialect van F, of bij verzagtinge V, voor P of B, blijft zig verder vertoonen in 't gemelde A-S, scafan / scaefan / III. CL: 2, radere, tondere; en in het F-TH, scaf / N, en 't H-D, schaaf / schaf / N, ovis; dog wederom met de natuerlijke P, het A-S, scaep / sceap / scepe / N, en ons Schaep, n: ovis; als byzonderlijk zijnde een Beest, wiens Wolle word afgeschoren, en tot kleedinge toebereid, zo dat de zin van toebereiding, zo wel als die van scheeren, beiden daer in doorspelen; zynde met-één opmerkelijk, dat van ouds by 't F-TH, en A-S, en nu nog bij Ons en 't H-D, schoon het Beest zelf een Wijfje is, de naem egter standvastig als een Neutrum in zwang gaet; ik gisse om dat het Collectivum Beest wel eer daer onder verstaen weird, even of met de eerste benaming van Schaep, zo veel als het scheer-beest gemeent ware geweest. Verder wederom met F of V, of b. ons Schaef, Schaeve, f: en A-S, sceafa / sceaba / Runca, runcina, dolabra; als een werktuig tot netter opmaking en toebereiding; waer van ons Schaven, I. CL: Angl: shave / ascia polire, laevigare; en Beschaven, I. CL: Polire, laevigare; uit welks Praet: Part: ons Adj: Onbeschaeft, rudis, impolitus; voorts hier toe ons Schaef-yzer, n: A-S, scafa / radula; en A-S, scaeftha / sceafotha / sceafte / sceaftha / rasura, ramentum; en A-S, scyfla / ramenta, radulae; en Schaverdynen, schaetsen, calepodiae ferratae; 't zy ziende op het insnijden en afschaven in 't Ys, door de scherpe kanten der yzers, 't zij op het glad voortschieten op het ys; en ons Schaveling, Schaefling, en wederom met P, ons Schapperling, ramenta, scobs; en uit het Praet: het A-S, scof / scobs; dog weder uit het Praes: het A-S, sceaftha / assula, en sceaft / lignum; als een onderwerp van 't beschaven. En met de Allemann: B, ons † Schabben, I. CL: en uit het Praet: met O, † Schobben, I. CL: scabere, scalpere, rapere; & tr: Convitiari, unde vulgò Scobare; en daer toe Schabbe, Schobbe, scomma; en Schabbe, mulier maledica; en Schabbe, A-S. scaeb / sceabbe / Ital: scabbia, Angl: scabbe / scabies, om de afschilfering; en Schabbe f: H-D, schab / F. tinea, teredo; om 't afknagen; en † Schabaf, n: H-D, schabab / ramenta, quisquiliae.

 

Edog tot den voorgemelden zin van Scheppen, of een holle beweging of gedaente hebben of maken, ons Schép, m: motus concavus, vel concava figura; waer van ons Schéppen, I. CL: en uit het Praeter: het H-D, schöpfen / I. CL: haurire; Op-schéppen, I. CL: affatim haurire; en Adem of lucht schéppen, I. CL: patulis captare naribus aures; en overdragtelijk Genoegte schéppen, I. CL: capere voluptatem; Moed schéppen, I. CL: animum instaurare; waer toe ons Schépper, m: Cochlea, capula, haustrum; en A-S, sciop / vas; en ons Schepel, n: H-D, scheffel / Angl: sheppe / modius, modiolus; en 't Geldersche Schépper, m: H-D, schöpper / vellus; als in stêe van een schepvat gebruikt; nog ook uit het oude Praeter: met O, of U, of OE, ons † Schoepen, I. CL: en 't gemelde H-D, schöpfen / I. CL: haurire; en mooglijk ook ons Schop, Schup, † Schoepe, f: H-D, schüppe / schippe / F. pala, rutrum, batillum; & tr: Ejectio, emotio; als een werktuig om 'er iet mêe op te scheppen, en voort- of weg- te werpen; en overdragtelijk Schop, Schob, scomma; van welke twee, ons Schoppen, Schuppen, I. CL: H-D, schüppen / schippen / I. CL: palâ levare, rutro tollere, & asportare; & protrudere, excutere; foras ejicere; en Schoppen, Schobben, I. CL: convitiari; en ziende op het toeschoppen van openekuilen, ons Schoppen, toe-schoppen, I. CL: replere; en op de schepbeweging ons Schoppen, I. CL: vibrare, motitare, & oscillare; dog zie van dezen mede bij ons Wortel-deel SCHUIV, waer uit ze ook konden gesproten, of ontleent geweest zijn: en het Vlaemsche Geschop, portael, vestibulum, atrium, weet ik nog niet nader uit te leggen, als met de beteekenis van een plaets om lucht te scheppen.

 

Mer wederom met E, of ingekort met I,

[p. 347]origineel

voor de IE, uit het Praeter:, ons oude † Schepe, † Schép, nu Schip, n: in Plur: als nog Schepen, navis; M-G, skip / N, F-TH, skef / N, Ysl: skip / N, Kimbr: skip / A-S, scyp / scip / scype / N, Angl: ship / H-D, schiff / N. Navis, cymba, Graec: σκάφη, scapha; 't zy als een vervangvat, gelijk het gemelde A-S, sciop / vas; 't zy om de bijzondere scheppende gedaente, 't zy om den aerdigen toestel en toebereiding; waer van ons oude † Schepen, en † Schippen, I. CL: 1, navigare, velificare; en nu Schepen, inschepen, I. CL: ook Scheep doen, in navem immittere; en † Scheper, nu Schipper, m: Nauta; waer van ons Verbum Ontschipperen, I: CL: repudiare nautam; en Scheeps-vlote, f: A-S, schip-flote / scip-here / classis; en Scheep-vaert, en Schipvaert, f: A-S, scip-gefere / navigatio; ons Schip-breuke, f: A-S, scip-gebroce / naufragium; Scheeps-vólk, n: A-S, scip-men / nautae; en † Schip-man, m: nauta A-S, scip-man / navarchus; en A-S, scip-tare / scip-tere / bitumen; en ons Schip-pond, enus 300 Libr: als kunnende een kleen schip, van ruim 22 last goot, yder last van 4000 ℔, zo gemakkelijk 300 ponden vervoeren, als een mensch een ekeld pond; dat is zulk een schip well 90000 ℔ tegen een man 300 ℔.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SCHAER, in † Scharen, II. CL: 4, tondere &c; en Bescharen, I. CL: comparare &c.; en † Schare, collectio, grex, turba, cohors; Heir-schare, exercitus, legio; Schaer-wachte, excubiae; en Scharen, I. CL: collectim disponere; † Schaerjant, satelles; Jaer-schare, annorum multitudo; tempus pubertatis; &c, Vier-schaer, forum Judiciale; en in Schare, Schaer, forfex; Scharen, Krab-scharen, acetabula; Schaerbosch, silva rasilis; en in † Schare, scopulus, rupes; en Schare, crena; en Scharen, I. CL: serrae modo denticulari; en in † Schaerjant, scurra, nebulo; zie daer van bij 't volgende SCHEER, in deze Pr.

 

SCHAERD, in Schaerde. crena, & frustum testulae; bij SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHAERM, in † Schaerm, desensio, &c; † Schaermen, digladiari; en Schaermutsen, Schaermutselen, velitari; zie daer van bij SCHEER, in deze Pr.

 

† SCHAERP, in † Schaerp; asper; bij SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHAERS, in Schaerse, vomer, novacula; en Schaers, parcus, strictus; & olim asper; zie daer van bij SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHAET, in Schateren, effundere vocem; zie daer van bij SCHYT, in deze Proeve.

 

SCHAEUW, in 't Vlaemsche Schaeuwe, umbra; en Schawuit, noctua; & scurra; zie bij SCHEID, in deze Pr.

 

SCHAEV, in Schave, dolabra; en Schaven, beschaven, polire, laevigare; en Schaveling, ramenta, scobs; en Schaverdynen, calepodiae ferratae; zie daer van bij SCHAEP, hier voor in deze Pr., en in Schavuit, noctua, & scurra, zie bij SCHEID, in deze Pr.

 

SCHAF, in † Schaffen, agere, tractare, &c; Beschaffen, verschaffen, procurare; Op-schaffen, proponere; en Schaffen, cibare; &c: bij SCHAEP, hier voor in deze Pr.

 

SCHAFT, in † Opschaftig, † Régtschaftig, exactus, perfectus; zie daer van by SCHAEP, in deze Pr.; en in Schaft, caulis, calamus; zie daer van bij SCHAEK, in de II. Proeve.

 

SCHAID, in 't Noordhollandsche Schaiden, dividere; bij SCHEID, in deze Proeve.

 

SCHAL, in † Schal, coleus, testis; en Schalbyter, scarabeus; zie daer van

[p. 348]origineel

bij SCHEID, in deze Pr:, en in Schal, sonorus; Geschal, clangor; † Schalle, tintinnabulum; en 't Geldersche Schalbaer, famosus; bij SCHEL, in de II. Pr: en in † Schal voor Zal, zie bij ZUL, in deze I. Proeve.

 

† SCHALD, in † Schald-jaer, annus intercalaris; zie daer van bij SCHEID, in deze Proeve.

 

SCHALK, in Schalk, famulus; en Schalk, astutus; &c, zie daer van bij ZUL, in deze Proeve.

 

SCHALM, in † Schalmen, decorticare; en Schalmeye, tibia simplex; bij SCHEID, in deze Proeve.

 

SCHAND, in Schande, Schandelyk, † Schandéél, mulier maledica; en Schandael, offendiculum; bij SCHEND, in deze Proeve.

 

† SCHANK, in 't oude Praet: van Schénken, bij SCHENK, in deze Pr.

 

SCHANTS, in Schantse, fascis lignorum; vallum, propugnaculum; en Beschantsen, obvallare; enz., zie daer van bij SCHEND, in deze Pr.

 

SCHAP, in † Schappen, agere, tractare, &c; en † Schap, forma, figura, † Schappig, nu Schappelyk, decens, &c; † Schappel, corona; en den uitgang- Schap, in Vriend-schap, Gezél-schap, enz. En in † Schap, Schapraey, promptuarium, repositorium; en Schapperling, ramenta, scobs; zie bij 't vorige SCHAEP, in deze Pr.

 

SCHAR, in Scharren, scabere, radere; en in Scharluin, scurra; zie daer van bij SCHEER, in de Pr.

 

SCHARF, in Scharf, testulae fragmentum; bij SCHEER, in deze Pr.

 

† SCHARM, in † Scharm, defensio, scutum; zie daer van bij SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHARP, in Scharp, asper, acerbus, acutus; sagax; & acies; Scharpen, acuere; en Scharp, restrictus; praeparcus; enz. zie daer van bij SCHEER, in deze Proeve.

SCHE.

SCHÉÉD, in † Scheeden, dividere, separare; en † Bescheeden, distinguere, definire; † Beschééd, † Onderschééd, discrimen, differentia; † In 't beschééd gaen, conciliandi gratia intervenire; en † Beschééd, decretum, ratio, argumentum; en † Bescheeden, respondere; en 't Adj: † Bescheeden, discretus; en † Verscheeden, disgregare; & decedere, mori; en 't Geldersche Schééd, terminus: en ons Scheede, vagina; en Scheedel, discrimen capillorum; en † Scheedelen, discernere crines; & discriminare; zie bij 't volgende SCHEID, in deze Pr.

 

SCHÉÉL, in Schéél, differentia; discrimen capillorum; Hóófd-schéél, cranium: Scheele der oogen, palpebra; Schéél, Scheeluw, obliquus; en Schéél-aerd, strabo; Scheelen, discernere crines; & discrepare; en † Scheele, operculum; zie daer van by SCHEID, in deze Proeve.

 

SCHEEM, in † Schemel, Schemer, umbra; &c, en Schemelen, Schemeren, caligare; enz, en † Schemel, pudicus; zie daer van bij SCHEID, in deze Pr.

 

SCHEEN, en † SCHÉÉN, in ons † Schéén, en Schene, umbraculum; & tegmen umbraculi; en Scheene, Schene, forma, schema rerum; & forma casearia; & tibia; & Cantbus, absis; & regula, fascia, lamina, & bractea, lamella; & membrana, cortex, pellis; en Schéén-platen, ocreae, tibialia; Scheen-yzer, tibiale ferreum; en Scheen-zadel, cella dossuaria; zie daer van bij SCHYN, in deze Proeve.

[p. 349]origineel

SCHEEP, in † Schepe, formatio, creatio; Schepen, Judex; Schepel, modius, modiolus; en † Schepe, navis; Schepen, in navem immittere; & olim navigare; en † Scheper, nauta; enz. zie daer van bij 't vorige † SCHAEP, in ze Proeve.

De Wortel-en Zaek-deelen.

SCHEER of SCHÉÉR &c, in ons, en 't Vlaten Brab: SCHEEREN (bij den Mazenaer SCHEREN, en oul: ook bij ons SCHAREN) in Praet: SCHOOR en SCHOER, in Praet: Part: GESCHOREN, IV. CL: 4, of ooks als II. CL: 4, tondere, attondere, radere, abradere, secare, (Graec: σχερἰκ, tonsura;) & trasl: tondere aliquem auro, pecuniis; detondere, & ludere, illudere, nugari; Den gék scheeren, IV. CL: 4, of II. CL: 4, ludere, agere morionem; en in Infinit: alleen gebruikt men ook wel het Composit: Gék-scheeren, jocari, nugari, ludere; met welke zinspelin ge overeenkomt de Latijnsche spreekwijze van circumtondere comam, pro illudere. Maer nog ouder grondbeteekenis, dunkt my, ligt 'er opgesloten in ons † Scheeren, † Scheren, IV. CL: 4, parare, praeparare, ordinare, agere; en nu Scheeren, Scheren, IV. CL: 4, arctè extendere; als toepasselijk op dat overoude handwerk der Weverij, welks eerste toebereiding bestaet in de draden in 't lang (diemen hierom 't scheergaren noemt) strak uit te spannen, om 'er den inslag tusschen door te schieten; gelijk ook verder overdragtelijk, 't zij om de nette toebereiding, 't zy om de strakke opspanning by de Wol-scheering, hier uit ons bovengemelde Scheeren, IV. CL: 4, tondere, & secare. Uit deze driederhande beteekenissen spruiten onze spreekwijze † Den edelman scheeren agere nobilem, gerere se instar nobilis; De webbe scheeren, extendere stamina, praeparare telam; Een tóuw scheeren; funem arctè extendere; Den raed scheeren, agere consilia; en daer van overdragtelijk het oude † Scheeren, IV. CL: 4, deputare, existimare; als ziende op het raeds-besluit. Voorts onder de Composita zyn ons † Bescheeren, † Bescheren, detondere, attondere; praefinire, & ordinare; en Ymand eenig quaed bescheeren, coquere malum alicui.

Onder de oudheid en verwanten vind men hier toe het F-TH, sceran / scuor / giscoran / by de II. CL: 5, tondere; en A-S, sceran / scearan / sciran / en besceran / zie II. CL: 5, in Praet: Part: gescoren / tondere, scindere; Engl: to shear / shore of share / shorn en sheared / tondere; H-D, scheren of schären / schor en schür (in Subj: schöre) / geschoren / II. CL: 3, tondere; en met een weinig verloop het H-D, scharren / schorr / geschorren / II. CL: 3, radere, scalpere; en Ysl: skera / skar / en volgens de anderen van die Classis, in Praet: Part: skorenn / II. CL: 3, tondere, secare; verkiest men egter de scheering en de schrabbing, elk als een byzonderen Tak aan te merken, vermits die zig in 't H-D, alzoo thans vertoonen, 't zal in onze Afleidinge geen verschil geven.

 

Op den eersten ouden zin van toebereiding en schikking past het Geld: Geschier, n: apparatus, armamenta, vas, vasculum; en † Schieren, I. CL: ornare, parare; en ons † Schere, f:Bescheer, n: Ordinatio, dispositio; & tr: Fatum, & fatalis necessitas; A-S, scyrpte / apparatus; waer van Zig wég-scheeren, I. CL: abire, aufugere, decedere; dat genoegsaem alleenlijk in Imperativo gebruikt word, en ons † Bescheeren, † Bescheren, I. CL: of nu nog met A, volgens de oude Dialect, ons Bescharen, I. CL: comparare; & olim destinare, disponere, proponere; & concedere; H-D, beschehren / I. CL: largiri; en mooglijk mede het M-G, ga-skeirjan / I. CL: 1, elucidare, interpretari; als de schikking en ordre booot leggende. Verder met A, ons † Schare, f: collectio, acervus, congeries; en Schare, f: A-S, scaru / H-D, schar / F, grex, turba, cohors, unde vulgò Scara, Ital: schiera; als een byeengeschikte hoop; H-D, geschäre / tumultuatio; ons Heir-schare, f: Ecercitus, legio; en Schaer-wachte, H-D, schar-wache / excubiae, statio, circuitores; waer van ons Scharen, I. CL: congregare, in ordinem collectim disponere; en † Verscharen, I. CL: segregare; en † Verscharen, I. CL: alternare vices; en † Verscharens,

[p. 350]origineel

alternatim; en daer toe, met de oude terminatie van 't Particip:, ons Schaerjant, m: op zijn Walsch Schérjeant of op zyn Fransch Sérgeant, satelles; unde Gall: sergeant, als wiens ampt is om 't geschikte volk wel geschaert te houden; en A-S, scyr-man / centuriae praepositus, villicus. Voorts ons Jaer-schare, f: annorum multitudo, anni praefiniti; & tempus pubertatis, aetas quatuordecim annorum; & Annus integer completus; & proventus anni; in alles ziende op de vergaring; en Vierschaer, f: Forum judiciale; als bestaende uit vier leden tot de gerechtzaken noodig, naemlijk Schout en drie Schepenen, volgens de Maegdenburgsche Wetten; of, volgens de verdeeling van anderen, uit Regter, Eischer, Verweerder, en Schryver, of dat mij nog best gevalt, uit Schout, Regters, Eischer en Verweerder (zie Kiliaens Diction: Ao. 1599). Wijders is uit het Praeter: tot dezen zin van by een-schikking betrekkelijk, ons Schoore, Schore, Schorre, f: alluvies; acta, ripa; & planities herbida alluvione adjecta, parcius gramine virescens; A-S, score / littus, ripa; om 't byeengaren van den slijm of zandgrond, hoewel dit ook uit den zin van spanning en onderschraging kon ontleent geweest zijn, overmits men gewoon is de aenspoelingen, om die te behouden, met eene hording of schoeijing te beschooren; wordende 't eene en 't andere bevestigt met ons Schorre, gleba, cespes, waer mede de slijm word uitgebeeld, en ons Schorre, rudus, caementum, waer mede de rouwe puim word aengewezen, die tot Kaeijen en schooringe van dijken en land of strand dient.

 

Tot den tweeden voornamen zin van spannen of strak uitstrekken en schikken, ons Scheering, arcta extensio alicujus rei; en Schéérdraed, m: staemen; Scheer-garen, n: Schéérlink, m: stamina; als regt uit tusschen de Weef-kammen doorgespannen, om 'er de schietspoelen met den inslag tusschen door te werpen: als mede ons Scheer-zolder, m: Tabulatum supremum domus, contignatio culminis aedium; als door onderschraging gespannen.

Wijders in den zelfden zin, en met den uitgang N of NE, agter 't Zakelijke deel het H-D, brotscherne / scharne / en schranne / fulcrum panarium; als ook met gelijk regt met M agterop, ons Scherm, † Schaerm, en † Scharm, m: H-D, schirm / en F-TH, skirm / M. Defensio, praesidium, auxilium, profectio, obstaculum, pluteus; scutum, clypeus; als moetende strak gespannen gemaekt zijn, en gehouden worden; en overdragtelijk † Schérm, ars gladiatoria, unde vulgò Scherma; waer van ons Schérmen, Beschérmen, I. CL: H-D, schirmen / beschirmen / I. CL: F-TH, beschirman / AL: skirman / beskirman / I. CL: tueri, defendere; en Schérmen, † Schaermen, I. CL: digladiari, unde Gall: Escrimer, Ital: scermire; gelijk ook van ons Schare, turba, cohors, en † Moetsen, † Mutsen, I. CL: mutilare, truncare, amputare, abscindere, unde Ital: Mozzare, Hisp: Mochar, ons Schérmutsen, Schaermutsen, en Schaermutselen, I. CL: H-D, scharmutziren / I. CL: en scharmützein / I. CL: velitari; leviter pugnare, unde vulgò Scarmucciare, Gall: escermoucher, Ital: scarmucciare, Hisp: Escaramuchar, en Angl: shirmish. Met den uitgang P, hebben we † Schérp, constrictus, passende hier, en bij de 3e. Beteekenis, hier naemlijk vermits in een strakken stand staende: en met de terminatie G, ons † Schérg, m: H-D, scherg / M. Tortor, lictur; als door rekken en spanning pynigende; waer van het H-D, schergen en schürgen / I. CL: trahere, trudere, urgere, & tr: prodere, clam deferre; op welk overdragtelijk, of anders tot de volgende derde voorname beteekenis, mits met K voor G, toepasselijk is, het H-D, schork en schurk, by ons mede Schurk, m: homo infamis, proditor, nebulo; welke O en U tot het Praeter: behooren.

Gelijk ook tot het Praeter: betrekkelijk zijn, ons Scheur-buik, en † Schoer- of Schor-buik, m: en n: H-D, schar-bok / stomacace, cum totus venter & Hypochondria patiuntur, vulgò scorbutus; om de opspanninge der ingewanden van wegen de winden en verdikte slymerigheden en de vergoorde vogten; en Scheur-béén, n: scelotyrbe; als de verschijnselen van deze verdikte opgespannen slijmstoffe zig aen de Dyen blaeuwplekkig vertoonen, wanneer het ook blaeuwscheut genoemt word; en Scheur-mond, oscedo; als het tandvleesch wegens de schuer-

[p. 351]origineel

buikziekte zijne goede speekselvogten ontbeert, en vervalt. Voorts ons Schuere, f: F-TH, schiura / F, H-D, scheure / F, horreum, granarium; als een ligt opgeslagen verdek, geraemtewijzig opgespannen, om 't koren &c, voor regen en onweer te beschutten; gelijk ook om dezelfde reden van spanning ons † Schuere, ofte geraemte van den haes, sceleton; als het spanzel van den romp zijnde; Maer gelijk de graen-schueren tot een bergplaets verstrekten, waer van het H-D, schurren / schorren / I. CL: colligere frumenta, zo dienden ze mede om 'er een drooge dorsch-vloer in te hebben, waer van ons Schuer-aere, area; waer op toepasselijk is het M-G, winti-skaura / ventilabrum; en 't M-G, skauron / I. CL: 3, mundare; en mooglijk mede ons Schueren, I. CL: H-D, scheuren / I. CL: fricare, defricare; vermits ook door vrijving het graen uit de stroo-halmen te zuiveren is, hoewel ik ons Schueren liever van de volgende 3e: beteekenis afleide. Wederom met O, ons Schore, f: Schoor, m: Angl: shore / shoore / fulcimen; als met strakke spanning of slutting onderschragende; waer van ons Schoren, Schooren, I. CL: suffulcire; waer toe mede ons Schoor- of Schóór-hout, n: stutten, anterides, labans aedificium sustinentes; en Schoor- of Schóór-stéén, m: H-D, schorstein / caminus; vermits door yzers of stijlen onderschoort: en Schoor- of Schoor-léér, m: Boomladder, scalae erismate fultae; hebbende een anden ladder of stut tot onderschooring aen zig vast, om te zamen op zig zelf onder de boomen te kunnen staen; en Schoor- of Schóór-zólder, m: ook volgens 't voorgemelde Scheer-zólder, m: Tabulatum supremum domus; contignatio culminis aedium; als mede het voorgenoemde Schoore, Schore, Schorre, A-S, score / alluvius, acta, ripa, &c; om redenen daer bij verhaelt: dog bij den geleerden S. Stevin, (in zijne wiskonstige Werken I. Deel, en aldaer in zijn Eertkloot-schrifts 2. Deel, p. 64, het elfde Voorstel) vind ik ook Schoor of Schoorkant, voor de stijl afgespoelde en verliezende boort van de rivier, noemende daerentegen Strand de andere zijde, daer de grond gestadig aenwint; zo dat hier de zin spelende is of op 't afschueren, of op 't schooren bij zulke kanten vereischt. Wijders, met den uitgang SE of TE, ons † Schorse, en † Schorte, f: succinctio, adstrictio, contractio; als eene om- of in- of op-spanning, waer van ons † Schorsen, † Schorten, nu Op-schorsen, en Op-schorten, I. CL: H-D, schurtzen / I. CL: suspendere, subducere, attollere; & succingere, accingere, adstringere, contrahere; & fibulare, figere; & intermittere opus; en overdragtelijk Schorten, I. CL: A-S, scortan / I. CL: deësse, deficere; zo veel als geprangt of benepen zijn door eenige quael of ramp, en daer door gebrek aen iets hebben: hoewel ook dit Schorten, deësse, tot de volgende derde beteekenis kan gewezen worden; dog tot † Schorsen, is mede betrekkelijk ons Schorse, Schors, f: cortex, cutex arboris, & crusta Gall: Escorse, Ital: scorza; als omkleedende en omspannende al de Takken en den stam van den Boom; waer van weder ons † Schorsen, nu Ontschorsen, I. CL: deglubere, corticem aedimere; Gall: escorser, escosser; welke beteekenis van dit Verbum te kennen geeft, dat de benaming van Schors ook kon ontleent geweest zijn van 't afscheuren der basten, 't zij tot run of verwstoffe, of tot Lamp- en brand-stoffen, of tot schrijfbladen als van ouds, in welken gevalle dit tot den derden voornamen zin van Scheeren, abradere; zou behooren. Daer en boven om 't opschorten het Ysl: skirta / Angl: shirt / interula; en ons Schorte, f: Flandr: Schorse, f: Supparus, succinctorium, Saxon: schorte / Angl: short / Gall: escourchoir; H-D, schurtz / F. succinctorium, supparum; een vrouwen-boven-rok, de anderen dekkende; en als eene schorse overspannende; of anders, vermits die om- of op-geschort word; waer toe mede ons † Schorte, f: nu Schorte-klééd, n: en Flandr: Schors-klééd, n: als mede by ons Schortel-doek, n: H-D, schürtze F, en schurtz-tuch / N, ventrale, semicinctium, praecinctorium, castula, sinus; als tot bewaringe van de schort voorgespannen, en aen een lint of veter om den middel vastgeregen; en overdragtelijk ons Schorteklééd, n: Diaphragma; 't zy om de vliezige gelijkheid van gedaente, 't zy om de uitspanning: verder ons Schort- of Schors-haek, m: Uncus, quo vestis adstringitur &

[p. 352]origineel

succingitur, fibula; Schors-vél, n: H-D, schurtzfell / N. succinctorium pelliceum; Schors- of Schort-poort, en Schors-deure, f: Cataracta; om 't spannen of opschorten; en Schors- of Schort-neuzig, simus, vulgò Camusus; om 't krom-neuzige, gelijk by die genen, die spotwijzig of uit viezigheid de neus-blazen opschorten; en Schorsel-woensdag of Schorte-klóks-woensdag, m: feria quarta, sive dies Mercurii hebdomadae majoris aut sanctae; qua Campanae succinguntur, & tribus diebus silent; om 't opschorten van 't klokkegeluy.

 

Onder de voorname overdragtelijke beteekenisse van afsnyden, scheeren, schrabben, of door strakke spanning afbreken, voor eerst uit het Praes: met A, of E, ons Scheering, f: A-S, sceare / scare / scaro / H-D, schärung / F, tonsio, tonsura; en ons Schaer-bosch, n: sylva rasilis, & quae prorsus succiditur; en ons † Schere, nu Schéér, en Schaer, f: H-D, schär / schere / F. A-S, sceare / forfex; en ons Scheere, † Schaerse, f: H-D, yflug-schar / A-S, scaer / scear / scer / Angl: share / vomer; en ons † Schéérse, † Schaerse, f: nu Schéér-més, n: F-TH, scharsahs / A-S, scer-saer / scier-sear / novacula; en ons Scheer-békken, n: pelvis tonsoria; en Schaeren, Scheeren, Krab-schaeren, acetabulae, concrorum forcipata brachia; als schaerwijzig toeknijpende; en 't Geldersche Paerd-scheere, Saxon: Scharne-wever, A-S, scaern- en scearn-wibba / scarabeus; en Scheere, ael-scheere, fuscina; als eene veeltandige scheere om 'er Ael mede te vangen: en Schéér-link, Scheer-ling, m: en Schérling, m: H-D, schierling / M. cicuta; om de scherpe vergiftige insnijding in de ingewanden; en Schéér-link, m: Scheer-wolle, f: tomentum, lana brevis, forfitibus desecta; en Scheersel, n: rasura, tonsura; en met S of P agterop, ons † Schaers, en † Schaerp, nu Scharp of Schérp, asper; gelijk ook, zo 't my toeschijnt ons Schaers, contractus, restrictus, parcus, avarus, unde vulgò Scarsus, Gall: escars, Ital: scarso, Hisp: escasso, Angl: scarce / 't zy als te zeer ingetrokken of gespannen, en niet ruim-scheutig, als wanneer het tot de tweede voorname zin-beteekenis zoude behooren; 't zij opzigt hebbende op de geringheid der kleine afsnippelingen en scheervezels; of anders, vermits scharp by den grond of 't vel afgeschoren, en bijna niets overlatende; op welke eerste en laetste rede past onze oude spreekwijze, van Schaers Af-scheeren, olim, ad vivam usque cutem abradere novaculâ, strictum attondere; sed nunc, parcè, paulisper abradere. Voorts ons † Schare, ook uit het Praet: Schorre, Angl: skarre / H-D, schroff / scopulus, rupes, saxum abruptum; Ysl: sker en skier / saxum, scopulus; om de scherp-kantige en insnijdende brokkeligheid: nog ook ons † Schérre, † Scharre, f: rasio; rasura; en H-D, scharre / F. radula; als by kleine fijne deelen, gelijk bij 't scheeren, afschrabbende; waer van ons Schérren, Scharren, I. CL: H-D, scharren / I. CL: scahere, radere; & ruspari, terram scalpere; & manibus pedibusve fodere sive corradere; unde Hisp: escarvar. A-S, scyrian / I. CL: resecare, scindere; en ons Uit-scharren de aerde, I. CL: prosubigere terram; waer toe mede ons Schér-muis, f: H-D, uit het Praet: schormausz / F. talpa, & mus subterraneus, terram scalpens, fodiens. Daerenboven het Ysl: skarde / ruptura, hiatus; en ons Schare, † Schaerde, f: H-D, scharte / F. Crena, ruptura, scissura denticulata; als eene ingekorvene en scherpe afbreuk in een mes of snytuig, ontstaende uit de al te groote wreedheid van het stael, zulks dat het, benevens zijne vereischte hardigheid, niet genoeg na behooren kan buigen; want buigsaem en hard te gelijk is het Temperament dat 'er by te zoeken is; hier van nu ons Schaeren, I. CL: serrae modo denticulari; als mede ons Schaerde, f: frustum testulae; A-S, sceard / fragmentum; als een scherpkantig afgebroken stuk van een steen of aerdene pot, dat ook veeltijds tot schrabbinge gebruikt word.

 

Maer in plaets van den uitgang DE of D, hebben onze Voorvaderen agter dit Worteldeel ook verscheidene andere Terminatien aengenomen, als met V of F ons Schérf, Schérve, en † Scharf, f: H-D, scherbe / F, testulae fragmentum; † Schérf, n: segmen; H-D, scharbe / F. radula, Schérf-

[p. 353]origineel

bórd, n: Magis concisoria; Schérf-més, n: Culter concisorius; waer van ons † Schérven, † Scharven, I. CL: concidere minutatim; A-S, scyrfan / I. CL: rodere; en H-D, scharben / I. CL: fricare, scabere, minutare; en ons Schérven, I. CL: in frustula, in fragmenta corripi; dit zeit men van aerdene vatwerk of steenen, als 'er scherven afspringen. Wijders met de P, ons Schérp, Scharp, en † Schaerp, A-S, scarp / scearp / H-D, scharpf / scharf / Angl: sharpe / asper, acerbus; acutus, acer; & sagax; en Subst: Het scharp, n: acies; & omne acutum; en Schérpte, f: F-TH, scarphe / F, H-D, schärffe / f: acies, acumen, acritas; H-D, scharpe / scherpe / F. Cingulum ensis, balteus; waer van ons Scharpen, Schérpen, I. CL: A-S, scearpan / scerpan / scyrpan / I. CL: H-D, schärpfen / I. CL: acuere, asperare; waer toe mede ons Schérp-zinnig, acutus ingenio; beneffens ons reedsgenoemde overdragtelijke Adject: Schérp, Scharp, en † Schaerp, restrictus, contractus, praeparcus; dat zo wel tot de tweede voorname beteekenis van inspanning, als tot deze derde betrekkelijk is; waer toe insgelijks ons † Schérpelyk leven, strictè, severiter, & praeparcè vivere; en Schérp-régt, n: strictum jus; en Schérp-régter, m: Lictor, tortor, carnifex; als spannende en wringende de leden der misdadigen; hoewel ook met de scherpte des zwaerds het vonnis der Regteren volbrengende; en behoorende dus tot de tweede en derde voorname beteekenis te gelijk; dog 't A-S, scyrpte / apparatus, komt in den eersten zin van toebereiding.

 

En uit het Praeter: onder dezelfde derde beteekenis van afsnyden, scheeren, &c, het H-D, schür / F, AL: scurt / tonsura; en Ysl: skurdur / sectio; en ons Scheure, f: ruptura, scissura, rima; waer van ons Scheuren, † Schoren, † Schorren, I. CL: rumpere, agere rimas, separare; unde Gall: scirer; waer toe ons † Scheure, Scheur-regen, m: M-G, skura / A-S, scur / imber, nimbus, procella; een slagregen of Wolkbreuk; en Donder-scheure, f: fulgur, vis tonitrui; met gekraek, als de scheuren, uitbarstende: als mede ons Schorre, Schore, Schoore f: Angl: skarre / H-D, schroff / ruptura, scissura; pars rupta aut scissa; ons Schorre van 't ys, ruptura glaciei, pars abrupta; Ysl: skrof / glacies rara & tennis; en ons Schorre, Schore, Schoore f: H-D, schroff / Rupes, cautes, saxum abruptum; waer van het A-S, scoran / I. CL: radere; en A-S, scorian / I. CL: perire, namelijk met een schip of schuit op eene schorre of klip vervallen: en mooglijk met den uitgang TE, ons † Schorte, Schort, defectus; als eene scheure, afsnijdsel, ramp, of gebrek; waer van ons Schorten, I. CL: A-S, scortan / I. CL: deesse, deficere; 't gene insgelijks tot de tweede beteekenis, als hier voor, kan betrokken worden; nog ook ons Schor, rudis; gelijk als de afgebrokene of afgescheurde of rouwelijk afgeschraepte dingen; en, uit gelijkaerdigheid, overdragtelijk hier uit ons Schorre stém, vox rudis & intermittens. Voorts met UE by ons het Verbum Schueren, I. CL: H-D, scheuren / I. CL: terere, atterere; & terendo polire, nitidare; & olim transl: Fallere, decipere; unde Gall: escurer, Angl: scowre; waer toe ons Schuerstéén, m: tophus; Schuer-vodde, f: penicillus; en Schuer-zand, n: glarea; en met OE, ons Schoer-haye, squatina; als wier schobbige huid tot een schraper en schuertuig gebruikt word: en met inkortinge van UE in U, en agterlassing van den uitgang K, agter 't Zakelijke deel, past mede hier by, ons Schurken, I. CL: mendicorum vel scabie laborantium instar dorsum defricare vestibus; waer toe ook ons reetsgemelde Schurk, m: Nebulo, scurra; als in veragtinge gelijk gestelt met een schorfden of luizigen bèdelaer. Wederom by ons met O, ons Schorre, f: rudus, caementum; als afgebroken puim; Dog alzo deze met kruiwagens weggevoert word, zo schijnt hier op te zien het H-D, schüren / I. CL: trudere, stimulare; en verschüren / I. CL: dissipare; of nog ruim zo net met G, agter 't Zakelijke Deel, het Sax: en Geld: Schorg-karre; vehiculum trusatile; waer van het Sax: en Geld: Schorgen, I. CL: en H-D, schürgen / schergen / I. CL: protrudere curriculum.

En met P agterop, gelijk het voorgemelde Schérp, en ook in diergelijken zin, ons † Schorpen, I. CL: secare, prosecare; scindere, findere; stringere; en † Op-schorpen,

[p. 354]origineel

I. CL: prosecare, resecare; & exenterare. Maer ook met F, agter 't Zakelijke deel, even als bij eenige Takken van 't Praesens, ons † Schorf, Schorfd, en Schurfd, H-D, schorf / A-S, scurfed / scabiosus; en ons Subst: Schorft, n: en Schorfte, Schurfte, f: H-D, schorf / M, A-S, scurf / Angl: scurfe / scurfines / scabies; om 't schrabben en krabben daer de lyder, wegens de jeukerigheid van 't schilferige en geborstene vel, in vervalt; waer toe mede ons † Schorfte, Schorft-kruid, n: scabiosa, & cassuta; als dienstig geagt voor die quale. Hier toe mede het H-D, schorf / M, scrobs; waer van 't H-D, schürfen / I. CL: scrobem fodere, terram leviter exscalpere & circumfodere; En per Methathesin vertoont zig mede het H-D, schroff rudis, scaber, asper; waer van het H-D, schroffen / I. CL: asperare; en met gelijken omzet van de R, en verzagtinge van B in stêe van F, past hier eveneens toe ons Schrobben, I. CL: radere, scabere, runcinare, & rasitare; waer van ons Schrobber, m: scalptor; & scopae rasoriae; Van het merk-waerdige onderscheid tusschen een goed schrobber, en een goede schrobber, zie in onze XII. Redewiff: §. VIII. Wyders ook overdragtelijk ons Schrobben, I. CL. corradere, acervare; waer van ons Schrobber, m: Lucrio, homo vilis; & avarus, sordidus; als alles inen nae zig- schrapende; en verder als een gering en veracht werk waernemende, ons † Schrobber, m: Corrasor; & bajulus, cerdo; & lictor; en, als ziende op de steels wijze inhaligheid, ook overdragtelijk ons Schrobben, I. CL: peste infestos curare; waer van ook Schrobber, m: Pollinctor, vespillo; zijnde die genen, die zig van elk laten gebruiken tot het uitkleeden der dooden, en 't behandelen van besmettelijke zieken, doorgaens van slegten staet; en 't ware te wenschen, dat men niet te klagen had van hare inschrapigheid; dan zou hare trouw een heerlijken naem, en niet dien van een schrobber verdienen; zijnde zeker dit niet van 't minst beklaeglijke ten tijde van zwarigheid, als men, afgescheiden van vrienden en magen, in de handen van de zulken moet vervallen.

 

Eindeling, gelijk de zin van Scheeren, zondere, overdragtelijk komt voor Gek-scheeren en boerten, zoo vertoont zig mede met den uitgang S of TS, of ook NE, agter 't ingekorte Wortel-deel van 't Praes:, ons Schértse, Schérse en † Schérné, f: H-D, schertz / M. jocus, ludibrium; unde Ital: scherzo, Hisp: escarnio; waer van ons Schérsen, Schértsen, en † Schérnen, I. CL: H-D, schertzen / I. CL: ludere, illudere, jocari, nugari; unde Ital: scherzare, & scenire, Hisp: escarnecer, Angl: scorne: en A-S, scearicge / scericge / mima; als een spotteboef; waer uit ook schijnt ontleent te zijn, ons Schérn-luin, Schar-luin, en Schér-luin, en Schor-luin, en † Schaerjant. scurra, nebulo; homo incompositus, erro validus, mendicus; als die, overgeslagen tot ondeugd, uit alle eerlijk gezelschap zig weg scheeren moet, en met eene verdiende versmading en bespotting van elk-één word ontmoet, en als drek verschoven, gelijk ook Ysl: skarn / Angl: Boreal: cow-skarn / stercus.

Al dit scheerwerk, zo vol van Takken, gaf mij al vry wat moeite om het in ordre geschaert te krijgen, dat ook nog wel beter mogt zijn.

Het Zakelijke-deel.

SCHEET, zie bij SCHYT, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SCHEID, &c, in ons SCHEIDEN (ook oul: † SCHEEDEN), in Praeter: oul: † SCHIED, nu SCHEIDDE, in Praet: Part: GESCHEIDEN, en oul: † GESCHEEDEN, zie VI. CL: dividere, separare, decedere, Graec: σκεδαν, dispergere; dit oude Praeterit: vind men nog onder de stichtelijke Rymen van den vermaerden Kamphuisen in zijne uitbreiding over Psalm 114. beginnende aldus, Doe Israël / na veel slavens / uit Egypten schied / waer mede de volgende Tael ver want ten overeenstemmen: dus F-TH, skeidan / skeithan / dividere, discernere, & decedere; en in Praet: Part: giskeidan / divisus, separatus; en ook underskeithet / distinctus; by de onregelmatigen No. 5. A-S, sceadan of scoedan en scadan / sceod / gescaden / III. CL: 4, distin-

[p. 355]origineel

guere; H-D, scheiden / schied / geschieden / II. CL: 1, dividere, decedere, & valedicere; maer heeft ook met eenen, volgens Bödiker en Von den Spaten, in Praeter: scheidete / gelykerwijs by Ons. L-Fries, schieden / divindere; in Praet: Ind: en in Praet: Part: schaet. dog M-G, skaidan / I. CL: 2, dividere; en af-skaidan / I. CL: 2, discedere. In deze Vriesche Praeterita, als mede bij 't A-S, in Infin: en Praet: Part: vind men de lange A, in stêe van onze EI; en oulinks gold ook bij ons † Schaden, gelijk in 't A-S: en de Noordhollandsche Dialect zegt Schaeyden voor Scheiden, gelijk by 't M-G.

 

Met voorzetzels hebben we ons Af-scheiden, VI. CL: discernere, secernere, sejungere; & discedere, abscedere; waer van ons Af-scheid, n: decessus, dimissio, digressio; en Bescheiden, † Bescheeden, en Onderscheiden, VI. CL: discernere, distinguere; waer van ons Bescheid, † Beschééd, n: distinctio, discrimen; en Onder-scheid, en † Onder-schééd, n: F-TH, untar-skeit / differentia, distinctio, diversitas; en de oude spreekwijze van † In 't beschééd gaen, intercedere, conciliandi gratia intervenire; om 't onderscheid der zaken te overwegen, en 't verschil te beslissen: nog ook, als men spreekt van iets met de oogen of 't verstand te onderscheiden, of, als men een geschikte plaets aenwijst van elders te gaen, of by een te komen, zo gebruikt men ook dit Verbum Bescheiden, † Bescheeden, VI. CL: decernere; definire, praefinire, determinare, condicere; waer van wederom † Beschééd, n: decretum, conditio; ratio, argumentum; A-S, ge-sceade / scad / ratio, distinctio; en De Bescheiden, argumenta, documenta; als vertoogen van 't onderscheid en de billykheid van yders zaken; en Bescheid, n: responsum; zo veel als een tegenvertoog; waer toe ons Bescheid geven, † Bescheeden, VI. CL: respondere; certum facere, & notum facere; Bescheid hébben, certum habere, responsum habere; en Bescheid doen, aequum justumque praestare, waer op ziet, hoewel met slegte Zedekunde, ons Bescheid doen in 't drinken, aequali haustu respondere; alzoo de onbescheidene Drink-wetten dat voor redelijk en eerlyk schatten; dog beter oordeel steekt 'er in ons Adjectiv: uit het Praeter: Partic: ontleent, namelijk ons Bescheiden, † Bescheeden, A-S, gescadlice / scadlice / discretus, rationalis, maderatus, modestus; als bedaerdelijk na rede de zaken onderscheidende: en in tegendeel uit het oude Praeter:, met agterlatinge van de versmeltletter D, ons † Schie-lóós, en † Schier-lóós, indifcretus, inconsideratus, praeceps, temerarius, inconstans; als zonder beséf of onderscheid. Voorts wederom met EI het AL: traum-skeidar / conjector; als ziende op de by geloovige oudwijfsche uitleggingen van Droomen, of andersints, als droomendsgewijze de zaeken onderscheidende, welk laetste geen onaerdige affchildering van het giffen is. Nog ook † Verscheiden, † Verscheeden, VI. CL: disgregare, separare, dividere, discernere; & tr: decedere, fato cedere, emigrare è vita; waer van ons Adject: Verscheiden, divisus, separatus, varius, diversus; & tr: mortuus; en Uit-scheiden, VI. CL: discedere, excedere, missum facere; & olim segregare; en A-S, scadennysse / dispersio; en wederom uit het oude Praeter: het Vlaemsche Schieden, I. CL: findere, dividere, en 't Geldersche Schiêren, I. CL: dividere, partiri; en Schier, parpicula ligni abscissa.

 

Verder, zonder Voorzetzel, hebben we de Takken Scheids-man, m: arbiter; en 't Geldersche Schééd, terminus; waer toe het gemelde M-G, skaidan / I. CL: 2, dividere; en af-skaidan / I. CL: 2, discedere; daer en boven ons † Scheide, nu Scheede, en in straettael Schie, f: H-D, scheide / F, A-S, scatha / Angl: sheate / vagina; en A-S, scoeth theca; als scheidende het ingeslotene af van andere zaken, om niet te beleedigen, nogte beschadigt te worden.

 

En, met den uitgang EL, ons Scheidel, Scheedel, f: dog gemeenlijk contr: Scheele, f: H-D, scheitel / F. Angl: sheade / discrimen capillorum; & vertex; en Scheil-of Scheidel-sméér, n: mesenterium; als het scheidsel der darmen; welke inkortinge by vele andere Takken mede plaets heeft, als Hóófd-schéél, f: Calva, cranium; en Scheele der oogen, palpebrae; en Schéél, n: of ook met I, als of 't ingekort ware uit

[p. 356]origineel

het Praeter: ons Schil, Verschil, n: en Geschil, n: Ysl: skil / N, A-S, scyle / differentia, discrimen; & lis; van welke Substantiva's onze VerbaScheidelen, † Scheedelen, nu gemeenlijk Scheelen, I. CL: H-D, scheiteln / I. CL: discernere crines; & discriminare; en Scheelen, Verscheelen, en † Verschellen, en Schillen, Verschillen, I. CL: H-D, schälen / verschälen / I. CL: differre, discrepare; A-S, scylan / I. CL: distinguere, dividere; en Ysl: skila / I. CL: distinguere, intelligere; en Ysl: skiallegur / disertus, distinctus; van 't Ysl: skil / disctinctio, cognitio. Voeg hier bij ons Schéél, Scheeluw, H-D, schäl / obliquus, Graec: σκολιος, als verscheelende van den gemeenen en behoorlijken stand; en Schéélziende, Scheele-wip, Schéél-aerd, H-D, schiel / A-S, sceol-eage / scel-ege / en scyl-eage / strabo, luscus. Nog ook † Scheele, operculum; en Schélle, Schille, Schil, f: cortex, putamen; en mede met A, ons Schale, f: A-S, sceala / H-D, schalen / Angl: shale / skale / putamen, & olim cortex; unde Gall: escaille; als eene opperste afscheiding, en daeren boven zig ligtelijk latende afscheiden; waer van ons Schillen, en † Schéllen, I. CL: F-TH, schelan / I. CL: decorticare, deglubere; en Schélkruid, chelidonia, hirundinaria; als de scheidinge van winter en zomer aenwyzende, vermits opkomende omtrent den tijd van 't verschijnen der Zwaluwen, en uitgaende, als die vertrekken, waer van het ook den Latijnschen naem Hirundinaria ontfangen heeft: en Schél-visch, m: asellus minor; zo 't my toeschijnt, om de digte en groote schélschobben; gelijk ook A-S, sciel / scil / squama.

 

Wederom met A, ons Schale f: F-TH, scale / Ysl: skaal / F, H-D, schale / F, patera, phiala; 't zy om de schelvormige gedaente, 't zij om dat wel eer de schillen of basten van harde groeistoffen tot drinkbekers gebruikt zijn geweest: en Ysl: skol / N, vapa; alzo de wijn, in deze platvormige schaeltjes open staende, in 't kort zijne fynste geesten verliest, waer van ons Verschalen, I. CL: vappam fieri; verder overdragtelijk, vermits schael-vormige weeg-bakjes hebbende, ons Schaal, weeg-schale, f: A-S, sceale / scealu / lanx, trutina; en, om de eyer-schalige form, ons † Schael, † Schal, coleus, testis; A-S, scallan / testiculi; waer toe ons Schal- of Schael-byter, m: scarabeus, equorum coleos mordens. Daerenboven M-G, skalja / F, tegula; en ons Schalie, leye, tegula, scandula, sectilis è saxo lamina; als schilfer-agtig, en bij dunne plaetjes zig latende afscheiden; en Schalie, Schryf-schalie, f: tabella deletilis; als bestaende uit zulke schilfersteen; en † Schaeldsye, watersteen, impluvium, aquarium; als van ouds van schilfersteen gemaekt; en † Schald-jaer, annus intercalaris; als een ingezet-of scheid-jaer, om door 't invoegen van eenen dag het scheel van de drie andere jaren te vergoeden, en met den Zonsloop nader overeen te brengen.

Nog ook agter 't ingekorte Schél of Schil, putamen, cortex, den uitgang F of V gestelt hebbende, spruit daer uit ons Schélve, Schélf, f: en Schélfer, Schilfer, m: squama, putamen; & segmen, frustula dissecta; A-S, sceala / sciel / scille / scyl / concha, squama; waer van ons Schélfen, Schélferen, Schilferen, I. CL: desquamare, stringere, & radere; en ons Schélve, Hooi-schélf, meta foeni; als een afgescheidene hoop, krijgende door 't leggen in de lucht eene korst of beslagen schilfer rondom; en Schélve, bieze, juncus; 't zy vermits tot scheiding gebruikt wordende, 't zy aengezien voornamentlijk uit een schil of schilfervliezen bestaende. Gelijk ook met P, in stêe van F of V, het Sax: en Geld: Schélp, f: Carex; ulra; & gladiolus, iridis genus; om gelijke redenen. Nog ook met eene Allemannische P in stée van F, ons Schélpe, ook Schulp, f: Angl: shelle / putamen, testa, concha. En met den uitgang M, schijnt hier toe mede betrekkelijk te zijn het oude † Schélm, cadaver, vel animal vivum quidem, sed prae macie cadaverosum; quin etiam lues pestilens quadrupedum; als of het zeide, een afschouwelijk mager schepsel, schilferig en verschrompelt, hebbende niet als vel en beenen aen 't lijf; voeg hier bij ons Schélm, m: homo scelestus, scelus, nequam; 't zy men 't neme als een scheldnaem, overdragtelijk uit het vorige verouderde † Schélm, ontleent, 't zij als een die uitgeschoten en af-

[p. 357]origineel

gescheiden word van alle eerlijk gezelschap, of als eene wiens bedrijf van al 't betamelyke verscheelt; even gelijk ook 't Latijnsche scelus zijne afleiding vind in 't Grieksche σκελλὸς; dog de eerste rede gevalt mij best.

Gelijk ook, met dezen uitgang M, en met A, volgens veel andere vorige staeltjes, hier toe in den zin van schillen past het oude † Schalmen, I. CL: decorticare; als mede ons Schalmeye, f: tibia rustica, vulgò Scalmeia, Sax: schalmey / Ital: sciarmela, Gall: chalumeau; vermits uit de riet-agtige schil bestaende; 't en ware dit laetste ontleent zy, of van ons Schal en meye, als schel van geluid, en van een uitgeholde Tak gemaekt; of van 't Fransche chalumeau, dat in plaets van 't Latijnsche calamellum & calamus komt.

 

Maer de weggesmoltene D, agter 't Zakelijke Deel herstelt zijnde, hebben we mede ons † Scheidse, Euphon: Scheisse, lapis vel lamina abscissa; waer van ons Scheissen, I. CL: excidere saxa, effodere lapides; gelijk ook H-D, scheit / N, secta ligna, lignorum fragmenta, & caudices ligni; waer van het H-D, scheitern / I. CL: in assulas findere.

En wederom met A ons oude † Schade, nu Schaduwe, f: M-G, skadus / F, F-TH, skada / A-S, scada / scadu / sceada / scaduwe / en sceaduwe / H-D, schatten / M: umbra; als het onderscheid der zigtbare dingen aenwijzende, door de bepalingen en 't verschil van licht en duister; waer van ons Schaduwen, I. CL: M-G, skadwjan / I. CL: A-S, scadewan / I. CL: en sceadewan / I. CL: umbrare; en Overschaduwen, Beschaduwen, I. CL: M-G, ufar-skadwjan / I. CL: 1, F-TH, bescatuan / I. CL: obumbrare. De Vlaming zeit, by inkortinge, in stêe van schaduwe, ook Schawe, umbra; waer uit ontleent schijnt ons Schawuit, Schavuit, noctua; & tr: scurra; en A-S, sceawere / scurra; als schuwende het licht, en afgescheiden van eerlijk gezelschap. Dog dit zelfde Wortel-deel Schaed vertoont zig mede in ons Schade, f: Ysl: skade / F, A-S, scoeththe / scathe / sceathenysse / H-D, schaden / M, Angl: scathe / damnum, laesio, nocumentum; als gewoone vrugten van afgescheidene verdeeltheden en geschillen in tegenstelling van de zoete gevolgen der Eendragt; en A-S, sceath / sceatha / adversarius; en daer van weder ons Schaden, en Beschadigen, I. CL: M-G, skathjan / gaskathjan / I. CL: A-S, scoethan / I. CL: en sceathan / sceththan / I. CL: H-D, schaden / en schädigen / I. CL: nocere, laedere; gelijk mede A-S, scoetha / scoeth-man / latro, pirata; en A-S, sceathan / I. CL: furari; welker schadelijkheid geenen uitleg behoeft. En moogljjk ook tot dezen stam, in den zin van scheiden en verspreiden, ons † Schaedse, Euphon: Schaetse, cantherii fulcrum; als sprei-beenige dak-schragen; benevens ons Schaedsen, Schaetsen, grallae; om 't uitspreiden van de beenen, gelijk ook daerom by de Noordelingen schrit-schoenen genaemt, van 't Verbum Schryden, varicari.

 

Maer, even gelijk hier voor, met agterlatinge van de ligtelijk wegsmeltende D, de toevoegsels EL, in ons Schel en Scheel, en WE, bij 't Geld: Schawe, umbra, zig vertoonen, alzoo schijnt ook, onder 't aennemen van het Toevoegsel EM, hier uit ontleent te zijn, eerstelijk in den zin van afscheiding, even als by het voorgemelde Schél, Schil en Schilferen, ons † Schim, furfures capitis, porrigo, furfuraceae squamulae capitis; namelijk een hoofdschilfering zijnde; en ten andere, in gelijken zin als ons voorgemelde Schaduwe, overmits het licht en de schaduwe het bescheid der dingen ontdekken, het A-S, scima / scyma / fulgor, splendor; waer van A-S, sciman / scimian / I. CL: splendere; & lippum esse; en M-G, skeims / M, laterna; en ons Schim, f: Umbra; & tr: phantasma; en † Schemel, Schemer, m: umbra; & vana apparitio; waer toe ons Schemer-tyd, crepusculum, dubia lux; en waer van ons Schemelen, Schemeren, I. CL. en Schemer-oogen, I. CL: caligare; en A-S, scymrian / I. CL: radiare inumbrare; en ons Schemering. f: umbra; caligo; & crepusculum; en Schemering in 't óog; suffusio; vulgò cataracta. Behoorende wijders tot het voornoemde Schim, umbra, ons † Schim-man, en Schie-man, m: Proreta, qui in prora tutelae navis praesidet; als een om uit te zien wat 'er van verre schemerig mogt opdagen: en verder ons Adjecti-

[p. 358]origineel

vum Schimmel, color cinercus, albus aliqua nigredine obscuratus; als schemer-ligt-koleurig; en, zo 't mij toeschijnt, ons Subst: Schimmel, n: en f: situs, mucor, rancor; als een schimmel-verw-gelijkende uitslag, hoewel het ook even als ons gemelde † Schim, furfures capitis, op de afscheiding kan zien, dewijl het schimmel altijd eenige ontbinding verwekt der stoffe waer op het groeit; en hier van weder Schimmelen, I. CL:, en Verschimmelen, I. CL: mucere, fracere; Dog ons bovengenoemde † Schemel, umbra, vind men ook bij ons als Adject:, te weten † Schemel, nu Schamel, pudens, pudicus, verecundus; & tr: pauper, verecundus, & miser; als niet onaerdig uitdrukkende de eigenschap der eerlijk beschaemden en schamelen, van niet dan in 't schemerligt of in 't beschaduwde zig te durven vertoonen, gelijk ook, bij elke schaemte-blos, die men ymand mogte aenjagen, yders hand gereed is, om zijne oogen of aengezicht te dekken: vertoonende zig bij ons en anderen ook nog vele takken in dezen zin, die meestendeel dezen bij-staert EL niet bezitten, als het A-S, scame / sceame / scom / AL: scamu / H-D,schame / F, Angl: shaame / verecundia, pudor; en A-S, scam-foest / verecundus; A-S, sceom / scome / sceamu / confusio, contumelia; Ysl: skomm / ignominia; waer van het A-S, sceomian / sceamian / scaman / en scamian / I. CL: F-TH, scaman / I. CL: M-G, skaman / I. CL: 2, H-D, schamen /I. CL: Angl: ashame / en ons Schamen, I. CL: pudere, erubescere; en ons Beschamen, I. CL: A-S, scamian / I. CL: Angl: shame / confundere, pudorem incutere, dehonorare; en ons Beschaemt, pudibundus; en Schaemte, f: en Beschaemtheid, f: Verecundia; & tr: Schaemte, Schamelheid, f: H-D; scham / F, A-S, scam-lim pudendum, & pudenda. Dat alhier A, en E en I, in 't Zakelijke deel, bij dezelfde soort zig laten zien, past zeer wel bij dezen stam, en bij de andere reedsgemelde voorbeelden.

 

Wijders, denkende op let voorgenoemde ingekorte Schil, Geschil, differentia, lis, en 't Ysl: skil / distinctio, cognitio, zo schijnt hier toe betrekkelijk, met agtervoeginge van den uitgang D, ons Schild, n: & m: A-S, / scyld / scild; F-TH, skilt / H-D, schild / M, Angl: shield / shelde / clypeus, scutum, parma; & tr: Protector, securitas; quin etiam Testudinis operimentum ac scutum; waer van 't A-S, scildan / skyldan / I. CL: defendere, protegere; en F-TH, en AL: scild-bora / scilt-pora / en scild-bor / bij ons Schild-knape, m: armiger; en Schild-wagte, m: Excubiae exstantes; waer van ons Schilderen, I. CL: H-D, schillern / I. CL: excubare, vigilias agere; als door goede wagthouding een scherm en schild verstrekkende: Edog, de Schilden dienden voormaels niet alleen tot bescherming, maer ook, volgens het Ysl: skil / distincio, cognitio, tot teeken van onderscheid in den kryg, ten welken einde zij beschildert wierden; waer uit gesproten is ons Schild, en Schild-wapen, insigne, insignia: gelijk ook Tacitus van de Oud-Duitsche Voorvaderen getuigt, (Annal: Lib: II.) non Loricam Germano, non Galeam ne scuta quidem ferro nervoque firmata, sed viminum textus, vel tenues & fucatas colore tabulas; en op eene andere plaets, (De Mor: German: Cap: VI.), nulla cultus jactatio, scuta tantum lectissimis coloribus distinguunt: dus wierden der ouden schilden, van gevlogten tienwerk of planken gemaekt, met verwen onderscheiden en zinnelijk opgesmukt; waer van weder ons Schilderen, I. CL: H-D, schildern / schillern / I. CL: pingere; enz:, even gelijk ook Kimbr: ritt / pictura, & tr: Clypeus; van 't Kimbr: ad Rita / pingere, scribere; hoewel alle deze Takken met Schild ook eenigsints betrekkelijk schijnen tot ons volgende Wortel-deel SCHUIL, in deze Pr.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SCHEIDS of SCHEIS, in † Scheidse, Scheisse, lapis vel lamina abscissa; en Scheissen, excidere saxa, effodere lapides; bij 't vorige SCHEID, in deze Pr.

 

SCHEIL, in Scheil-smeer, mesenterium; zie daer van bij SCHEID, in deze Pr.

 

† SCHEIN, 't oude Praet: van Schynen, bij SCHYN. in deze Pr.

[p. 359]origineel

SCHÉL, in Schélle, cortex, putamen; † Schéllen, decorticare; Schél-kruid, hirundinaria; en Schélvisch, asellus major; zie daer van bij SCHEID, in deze Pr. als mede, in Schél, sonorus; Schélle, tintinnabulum; en Schéllen, pulsare tintinnabulum; en 't Geld: Schéllig, clamosus; en † Inschéllig, furibundus; en iets van Schélling, solidus argenteus; zie bij SCHEL, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

SCHÉLD, &c, in ons SCHÉLDEN, SCHOLD (oul: mede † SCHALD), GESCHOLDEN, II. CL: 6, criminari, increpare convitiari; dat is, met hevige en lafterlijke woorden ymand aentasten en beschuldigen: Maer ook Geld: en Sax: Schélden het oordéél, contradicere sententiae, increpare sententiam; vulgo appellare; en bij ons mede Quyt schélden, II. CL: 6, gratiam facere debiti, remittere; zo dat de gemeene Grondbeteekenis eigentlijk op de schuld, en niet op 't luidrugtig of lasterlijk roepen ziet; hoewel deze laetste overdragtelijk zin ten deele al oud is, want F-TH, scheltan / schalt / gischoltan / II. CL: 4, objurgare; gelijk ook het H-D, schalt / gescholten III. CL: 2, reprehendere, reprobare, & convitia dicere. Deze overweging brengt mij in vermoeden of niet by een Euphonie-trek van LD in LL of enkelyk in L te verwisselen, hier uit wel eer ontleent zy geweest het onregelmat: M-G, skulda / F-TH, scolda / A-S, sceold / H-D, solte / debebam; en M-G, skal / F-TH, scal / A-S, sceal / H-D, sol / debeo; en F-TH, sculan / A-S, sceoldan / en sceolan / H-D, follen / debere; hebbende voormaels een moeten en schuld beteekent, dog sedert tot hulpwoorden vetstrekt bij 't F-TH, en A-S, even gelijk ook bij 't Ysl: en Ons, bij 't Ysl: naemlijk Eg skal en Eg skilde / dog bij ons onder een verloop van Z voor SCH, Ik zal, en ik zoude (oul: zólde), en in Infin: Zullen. Egter, dit onbeslist latende, zullen we dezen op haer plaets bezonder verhandelen; hoewel 'er Takken zijn die op beiden even goed paffen.

Spruiten uit het Praef: zijn, ons Schéld-woord n: F-TH, skeltwort / opprobrium; en F-TH, skelta / infamatio; en † Schéld-baer, vituperabilis, criminosus; & culpabilis; en † Schéldig, calumniosus, injuriosus, invectivus; en A-S, scelde / reatus; &c.

 

Tot het Zakelijke deel van 't Praeter: is betrekkelijk ons Schuld, ook † Schóld, en Euphon:Schóud, f: A-S, scylde / H-D, schuld / F, debitum, & culpa; en ons Inschuld, weder-schuld, f: debitum quod nobis debetur; waer van ons Schuldig, † Schoudig, M-G, skulds / F-TH, sculdig / debens, reus, culpabilis; waer van ons Beschuldigen, I. CL: criminari; en Ontschuldigen, Verontschuldigen, I. CL: excusare; en Verschulden, Verschuldigen, I. CL: commereri, & olim delinquere; en † Verschulden, vergelden, rependere; waer toe verder ons Schuldenaer, F-TH, sculdige en sculdenar / debitor; en Schuld-eischer, Schuld-héér, m: creditor; en † Schuld-heis, † Schóld-heischer, en † Schóud-héét, nu bij ons met een inkrimpinge Schóut, m: A-S, scult-heta / Praetor, noxiae debitive exactor, unde vulgò Scultetus; als van 's Vorsten wege een Aen-wijzer van schuld, en Eischer van straf of boete; hoewel met gelijk regt deze Takken uit het Praeter: van ons oude † Scchullen, debere, nu Zullen, verbum auxiliare futuri temporis, kunnen gesproten geweest zyn, gelijk we bij 't Wortel-deel ZUL ook gedenken te vermelden.

Eindeling kan ook ons † Scholderen, I. CL: ludum aleatorium exercere, aleatoribus & lusoribus ludendi copiam dare, hier uit ontleent geweest zijn, vermits het dobbelspel schulden na zig sleept, of anders mooglijk ziende op 't geld-leenen of schuld-verschot door den Dobbel-waerd; en † Scholderaer, m: carnifex; als een die de straffe van de schuld geregtelijk uitvoert: en mooglijk mede tot dezen Tak ons † Schólder, of † Schulder, nu Schouder, m: F-TH, sculder / AL: scultyr / A-S, scyldre / sculdre / en sculdor / Humerus; vermits men tot een teeken van een beschuldiging, dog voornamelijk bij een schuldbekentenis, gewoon is zijne schouders op te halen; waer bij ook

[p. 360]origineel

onze spreekwijze past van De Schuld te dragen, dat is, voor schuldige te gaen; en Iet op eenes anders schouder te schuiven, voor, eenen ander beschuldigen om zig zelf te ontlasten.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SCHÉLF of SCHÉLV, in Schélve, Schélf, en Hooischélf, en Schélfer, en Schélfen, en Schélferen, zie daer van bij SCHEID, in deze Pr.

 

SCHÉLM, in † Schélm, cadaver, vel animal prae macie cadaverosum &c, en Schélm, homo scelestus; zie daer van bij 't vorige SCHEID, in deze I. Pr.

 

SCHÉLP, concha, testa; zie daer van bij SCHEID, in deze Pr.

 

SCHÉLV, zie SCHÉLF, hier boven.

Het Wortel-deel.

SCHÉND, &c, in ons SCHÉNDEN, SCHOND (ook oul: † SCHAND), GESCHONDEN, II. CL: 6, vitiare, polluere, deformare, corrumpere; & tr: stuprare; dog word te mets ook als I. CL: gebruikt; gelijk zulks mede al plaets had bij 't F-TH, of AL: gi-schentan / I. CL: vitiare, confundere, & concidere. Dog wederom H-D, schinden / schand of schund / geschunden / III. CL: 1, en ook I. CL: abradere; cutem detrahere; & tr: turpe lucrum facere.

 

Tot SCHEND het Wortel-deel van Praes: ons Schéndig, turpis; en Schénden, I. CL: H-D, schinden / I. CL: vitiare; & tr: stuprare; en F-TH, gischenten / gishentan / I. CL: vitiare, concidere; & confundere; en A-S, scendan / scyndan / I. CL: vitiare, contumeliâ afficere; confundere, reprehendere; en met den H-Duitschen zin van affnyden en villen het Geld: Schinde, f: Angl: skinne / cutis, membrana, cortex; ons Schinden, I. CL: deglubere, excoriare; en 't H-D, schinder / M, excorians; & tr: carnifex, & nundinator sordidus; en H-D, schindel / F, assula, scandula; waer van het H-D, schindelen / I. CL: scandulas secare; en ons oude † Schinne, furfuraceae squamulae capitis.

 

Het oude Zakelyke deel van 't Praet: met A, hebben we in ons Schande, Schand, f: H-D, schand / schande / F, A-S, scande / ignominia, abominatio, infamia, probrum, confusio, nota, macula; waer toe ons Schandig, Schandelyk, A-S, scandlic / turpis, iniquus; en waer van het A-S, scaendan / I. CL: rejicere; en gescaendan / I. CL: confundere; en 't H-D, schänden / I. CL: bij ons Te schande maken, infamare; en Bloedschande, incestus, en, gelijkerwijs alle geweldige afknevelary van koop-prijs, wanneer ymand in nood is, of, gelijk het mededeel in diefstal door het voorbedagtelijk opkoopen van gestolen goederen zeer verre onder de waerde, bij alle degelijke menschen voor een schandelijk en vuil gewin gerekent word, zo is overdragtelijk hier uit een zegwijze in gebruik geraekt van Schande-kóop, vili pretio emptus; zonder dat 'er thans dien oneerlijken koop-dwang, maer slegts eenen zeer geringen prijs na de markt der dingen mede gemeent word. Wijders F-TH, of AL: gescanter / A-S, gescaend / confusus, contumelia affectus; benevens ons † Schandéél, f: mulier maledica; en Schandael, n: offendiculum, scandalum; welke terminatie AEL uit het Latijnsche ontleent is, en 't onze aen dat gelijkvormig maekt. Maer op den H-D, zin van afgesneden plankwerk, als bij 't voorgemelde H-D, schindel / assula, scandula, past niet qualijk ons Schantse, Schéntse, f: fascis lignorum, als een schotwerk van planken of palen tot afsnijding en bescherming tegen den vijand, maer sedert dat 'er ook tien- en aerd- en steen-werk toe gebruikt is, overdragtelijk hier van ons Schantse, f: bolwerk, H-D, Schantze, F. vallum & propugnaculum castrense; & sepimentum muri; praetextura; en Schants-kórven, crates implexae castris pro munimento, praesertim terra ingesta impleta; en waer van ons † Schantsen, Beschantsen, I. CL: H-D, schantzen / I. CL: munire aggere aut vallo, obvallare; even gelijk ook de Vlaming hier voor zegt Schrantsen, I. CL:

[p. 361]origineel

emunire; van † Schrantse, ruptura, fractio.

Tot het andere Praeter: het H-D, schund / M, actus excoriandi; & fordes, caenum, stercus, & turpe lucrum, & usura; A-S, scond / confusio, abominatio; en A-S, scondelic / turpis; waer bij te voegen is het F-TH, scundan / I. CL: admonere, stimulare; als door prikkeling van eer en tegenstelling van schande ymand aendrijven.

Het Wortel-deel.

SCHÉNK &c, in ons SCHÉNKEN (oul: mede † SCHINKEN), SCHONK (en oul: † SCHANK), GESCHONKEN, II. CL:6, infundere, potum fundere; quin etiam Dono dare, munerare; en Verschénken, II. CL: 6, transfundere; & altera vice infundere; H-D, schenken / schank (en schenkte / schankte) / geschunken en geschenket of geschanket / III. CL: 1, en I. CL: vinum infundere; & munerare. Uit de gastvrijheid der ouden, voornaemlijk omtrent den drank, schijnt my de overdragtelijke zin van Schénken voor begiftigen ontleent te zijn.

 

Hier toe vooreerst het A-S, scenc/ potus; en scaenc / cyatbus; en ons † Schénk, nu Schénker, m: H-D, schenke / M, suppromus, pocillator; en Geschénk, n: infusio fraequens; waer van het A-S, scaencan / scencan / I. CL: H-D, schenken / I. CL: potum dare; en A-S, scencean / I. CL: propinare; en waer toe ons Schénk-pót ,Schénk-kanne, f: cirnea; en H-D, schenken / F, taberna, caupona; en H-D, bier-schank / M. venditio cerevisiae. Dog op de begistiging ziende, ons † Schénk, Geschénk, n: H-D, geschenk / N, munus, donum; Schénker, m: H-D, schenker: / M, munificus, donator; dus zeit men te regt van onzer aller oppersten Vader, dat Hy is, een Schenker van alle goede giften en gaven; in andere gevallen word dit onze weinig gebruikt: voeg hier by het H-D, schenken / I. CL: munerare; en ons Schénk-wyn, m: vinum donativum, honorarium; en uit het Praeter: het H-D, schank / M, donatio; dog bij ons, uit het Praes: met een Walschen staert, Schénkagie, f: donum, munus.

 

Uit dezen stamboom schijnt insgelijks ontleent geweest te zijn, het A-S, sceanc / scanca / sconc / Angl: schanke / bij ons Schonk, f: H-D, schunke / F, perna, crus; en uit het Praes: ons Schénke, Schénkel, Schink, en Schinkel, m: & f: H-D, schink / schinke / en schenkel / M, crus, os ossis; perna, pars infra genua ad pedes usque; & armus porci vel vitulae; zijnde eigentlijk die beenderagtige partijen, daer weinig vleesch aen zit, en die men by 't slaen van een Rundbeest in de slachttijd veel al gewoon is aen behoeftigen weg te schenken. Hoewel men hier te lande van onze zuinige Voorouderen geleert heeft de gehakte kalf-schinkels, met bijvoeging van groente, tot zulk een aengename en tevens heilzame lepel-sop toe te bereiden, dat m'er lieden van rang op noodigen mag; 't en zij 't een H-Duitscher mogte zijn, aengezien die, van een andere opvoeding en gewoonte zijnde, zig niet wel vereert kan rekenen met schonken en bonken, die men, volgens 't zeggen, tot zynent den armen schenkt; gelijkmen ook, uit veragting, de voeten en beenen van menschen in 't H-D, schunken noemt, waer van het H-D, beschunken / I. CL: commaculare pedibus vel calceaminibus caenosis.

Tot het Praet: Partic: ons Beschonken, donatus, & tr: ebrius; en Overschonken, obrutus potu.

De Zaek- of Wortel-deelen.

† SCHÉNTS, in † Schéntse, fassis lignorum, zie daer van bij SCHEND, in deze I. Proeve.

 

SCHÉP, in Schéppen, III. CL: 2, 3. formare, creare; en Schéppen, I. CL: haurire; † Schéppe, formatio, creatio; Schépsel, creatura; Schépper, creator, conditor; † Schépper, sartor; en 't Vlaemsche Schéppen, sarcinare; Schép-mes, scalprum sutorium; Schépscheeren, strictim attondere pannum &c, Schép, concava figura, vel motus concavus; Adem schéppen, patulis au-

[p. 362]origineel

ras captare naribus; en Schépper, cochlea, capula, haustrum; en 't Geld: Schépper, vellus; enz. bij SCHAEP, hier voor in deze Pr:

 

SCHÉR, in Schérjeant, satelles; Schérling, cicuta; † Schérre, rasio, rasura; en Schérren, scabere, radere, ruspari; en Schér-muis, talpa; en Schérluin, scurra, nebulo; zie daer van bij 't vorige SCHEER, in deze Pr:.

 

SCHÉRD, in † Schérdelinks, grallatim; en Schérde-beenen, I. CL: en † Schérden, grallare; zie bij 't volgende SCHRYD, in deze Pr.

 

SCHÉRF of SCHÉRV, in Schérf, Schérve, testulae fragmentum; segmen; Shérven, concidere minutatim; & infrustula corripi; zie daer van bij SCHEER, in deze Proeve.

 

† SCHÉRG, tortor, lictor: zie daer van bij SCHEER, in deze Pr.

 

SCHÉRL, in Schérling, cicuta; enz: zie daer van bij SCHEER, in deze Pr.

 

SCHÉRM, in Schérm, protectio, scutum; quin etiam olim Ars gladiatoria; Schérmen, tueri, defendere, digladiari; en Schérmutsen, velitari; zie daer van bij SCHEER, in deze Pr.

 

† SCHÉRN, in † Schérnen, jocari, ludere; enz, zie daer van by SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHÉRP, in Schérp, constrictus; asper, acerbus, acutus; sagax; en Schérpen, acuere; enz. zie daer van bij SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHÉRS of SCHÉRTS, in Schértsen, ludere, jocari; enz. zie daer van by SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHÉRV, zie SCHÉRF.

 

SCHÉT, in † Schétte, foria; en Schétteren, cachinnari; zie daer van bij SCHYT, in deze Pr.

 

SCHEUR, in Scheur-buik, stomacace; Scheur-béén, scelotyrbe; Scheur-mond, oscedo; en in Scheuren, rumpere; enz:, zie daer van bij SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHEUT, in Scheut, jaculatio; projectio; scomma; surculus, &c; Scheutig, surculosus; procerus; & promptus; en 't Geld: Scheutel, infurnibulum; enz; bij SCHIET, in deze I. Pr.

SCHI.

SCHICHT, in Geschicht-schryver, historicus; en Schicht, † Geschicht, jaculum; en Schichtig, pavidus; zie daer van bij SCHIE, in de II. Pr.

 

SCHIE, in Schie, vagina; en † Schie-lóós, indiscretus, inconstans; en Schie-man, proreta; zie daer van bij SCHEID, in deze Pr:, als mede in Geschieën, fieri; en Schielyk, subitus; zie daer van bij SCHIE, in de II. Pr: en van 't laetste mede bij SCHUIL, in deze Pr.

 

† SCHIECH, in † Geschichen; fieri; bij SCHIE, in de II. Pr.

 

SCHIED, in † Schied, het oude Praet: van Scheiden, dividere; en het Vlaemsche Schienden, findere, dividere; bij SCHEID, in deze Pr., dog in Geschieden, fieri; enz; bij ons SCHIE, in de II. Pr.

 

SCHIEN, in Misschien, † Mag-schien, en † By-schien, fortè; bij SCHIE, in de II. Proeve.

 

SCHIEP, zie bij † SCHAEP, in deze Pr.

 

SCHIER, in † Schier-lóós, indiscretus; 't Vlaemsche Schier, particula ligni; en 't Geld: Schieren, dividere; bij SCHEID, in deze Pr:, en in Geschier, apparatus, &c, en Schieren, parare, ornare; bij SCHEER, in deze I. Pr., ge-

[p. 363]origineel

lijk ook in Schier, olim Citò, mox, statim; nunc Ferè, propè; &c, zie daer van bij SCHIE, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

SCHIET, &c, in ons SCHIETEN, SCHOOT (oul: mede in Sing: SCHÓÓT), GESCHOTEN, II. CL: 3, movere, & moveri; jaculari, emittere telum, globum, lapidem; displodere tormentum; & tr: scomma in aliquem projicere; Schieten, op- en uit-schieten, II. CL: 3, exóriri; exsurgere, subitò surgere; Ergens af-schieten, II. CL: 3, delabi, ruere; Een roer af-schieten, II. CL: 3, displodere sclopum; Béschieten, II. CL: 3, jaculis vel globis impetere; en Beschieten, II. CL: 3, toenemen, accresiere; & procedere; en Beschieten, om-schieten, II. CL: 3, circumdare, sepire; Iet in-schieten, II. CL: 3, aliquid immittere; érgens in-schieten, II. CL: 3, illabi in aliquem locum &c; Géld érgens by in-schieten, II. CL: 3, damnum pati, disperdere pecuniam aliquâ rê; Verschieten, wég-schieten, II. CL: 3, ejacuiari; & pulverem nitratum tormentis emovere; Verschieten, II. CL: 3, veranderen, mutare locum, vel colorem; & consternari; Géld verschieten, II. CL: 3, erogare pecuniam; Ontschieten, II. CL: 3, subitò & ceieriter effugere, & excidere; elabi ex memoria; & opinione falli; en Op-schieten, II. CL: 3, in altum projicere; Op-schieten, Géld op-schieten, II. CL: 3, pecuniam vel censum dare, solvere; òver-schieten, II. CL: 3, transmittere; & abundare, superesse; met een Praep: separ: in Praet: Part: Overgeschoten, dog Overschieten, II. CL: 3, overtrekken, obducere, met een Praep: insepar:, en in Praet: Part: Overschoten; en Voor-schieten, II. CL: 3, objicere, objectare; & antevertere; en † Geld veurschieten; erogare pecuniam; en Uit-schieten, II. CL: 3, ejaculari, dimoveri; & exoriri, pullulare; rejicere è numero; & seligere; exuere tunicam &c; & scommata projicere; en zoo meer anderen.

Hier toe mede onder onze Taelverwantten het A-S, sceotan en scutan / sceat / scuten en scoten / II. CL: 1, sagittare; percurrere; ruere, praecipitare; Angl: to shoot / shot / shotten / ejaculari; Ysl: skiota / II. CL: 2, en volgens de anderen van die Classis in Praet: skaut / in Praet: Part: skotenn / jaculari; in 't Praes: eg skyt. H-D, shiessen / schosz / geschossen / II. CL: 2, jaculari; fruticare, germinare; praebere, solvere; ab-schiessen / II. CL: 2, evanescere; ein-schiessen II. CL: 2, colligere, recipere, sibi habere; er-schiessen / II. CL: 2, prodesse; Fort-schiessen / II. CL: 2, terius suppeditare; verschiessen / II. CL: 2, dilapidare, consumere; en vorschiessen / II. CL: 2, praenumerare, & impensum facere; enz., welke alle voorzetsels hier een andren zin aenbrengen dan bij Ons; waer uit op te maken is, dat het gebruik van die bij deze Composita jonger is dan de verspreiding van den H-D, taeltak, en den onzen.

 

Tot het Praes: met IE, ons Schiet-lap m: brachiale jaculatorium; Schiet-pye, tragula; Schiet-spoele, radius textorius; en A-S, sceotunga / calami; en † Schieting, Verschieting, f: processus; emissio; colorum evanescentia; & olim Saltus cum membrum alternatim vibratur; en Verschiet van goed, n: ubertas, copia rerum; als genoeg om 'er na begeerte wat uit te kiezen, en uit te schieten: en Schieter, Schiet-wormke, blatta, tinea; om 't bezonder snelijk voortschieten, Ysl: skiootleike / celeritas; en A-S, sceot / paratus; Wijders ons oude † Schieter, nu uit het Praet: ons Schutter, m: A-S, scytta / M, sagittarius, jaculator; & nunc displosor tormenti bellici, ter welker gelegentheid mij de oudberoemde naem der Schyten, scythae, Graec: Σκὐθαι, te binnen komt, als volkeren die bij uitstek in 't handelen van schiet-geweer vermaard en langs 't Noorderdeel van Asia en Europa verspreid, waren: onder welke Europische Schythen van ouds onze Voorvaderen van Duitschen stamme betrokken zijn geweest; zo dat vermoedelijk die naem uit onzer Voorouderen gemeene moedertael, en uit dezen stam ontleent is. 'T is wel waer dat men in 't Latijn de y voor IE vind, en th voor t; dog dit geest weinig of geen verandering ten opzigte van een naem, dien we niet en kennen als uit de penne van Griek of Romein, die

[p. 364]origineel

de tale en Dialect der scythen, na allen schijn, nogte kenden nogte leerden, 't zij uit gebrek van gelegentheid, 't zij uit een algemeene kleinagting voor zulken die Barbaren in hare oogen waren; behalven dat ook de y, bij 't Ysl: skyt / jaculor, en 't A-S, scytta / sagittarius, plaets heeft; daerenboven komt eigentlijk deze Latijnsche y tegens de Grieksche Ypsilon of U, die onze U, uit het Praeter: gelijk ook in Schutter, &c; net genoeg beantwoord.

Voorts met UI, die van eenerleije geboorte is als onze IE (zie daer van onze Grondsl: II. Verhand: §, VII. en merk ook op het voorgemelde A-S, sceotan en scutan / in Infin:) ons Schuit, f: Lembus, levunculus, navigiolum, cymba, alveus, linter; eigentlijk een klein schip of plat open schuitje, om, in stêe van een vlot, iets over te voeren, dog voor en agteraen puntig toeschietende als een schip, om te snelder en gereeder te vorderen: op welke puntigheid past het A-S, scyte / sceat / Ysl: skot / N; angulus; en het Ysl: skutur / puppis; schoon de drie laetsten uit het Praeter: Ind: & Subj: ontleent zijn.

Maer ook, met inkortinge van 1E, in I, schijnt tot dit Wortel-deel SCHIET te behooren ons Schitter, m: Geschitter, n: lux coruscans; waer van ons Schitteren, I. CL: coruscare; om 't snel en vinnig uitschieten der lichtstralen, herwaerts en derwaerds verspreid; gelijk ook Ysl: skiottur / discolor.

 

Dog tot het oude Praeter: met ÓÓ, behalven het reetsgenoemde A-S, sceat / angulus, ons Schóót, m: H-D, schosz / Saxon: skot / M en F. gremium, sinus; als uit eerbaarheid met een kleed beschoten; of als iet, waer in men 't een of 't ander inschiet, vervangt, verbergt, bewaert, of omarmt, gelijk ook H-D, Meer-schosz / sinus maris; en Ysl: skaut / N, peplum, sinus; M-G, skauts / M, fimbria, vestimenta; A-S, sceate / en scete / en scyte / vestis, linteum, sindon; laena; & lodix; waer toe mede ons Veur-schóót, n: en Schoote-klééd, n: castula, praecinctorium; en Schóóts-vél, n: succinctorium pelliceum; en Schóót van 't zeil, m: Pes veli, & funis quâ laxatur vel attrabitur pes veli; waer van onze spreekwijze van Schóót vieren, I. CL: laxare pedem veli; & tr: remittere, concedere.

 

Tot het hedendaegsche Praeter: of dat van den Subj: met de zagte lange O, of hare gelijkwaerdige OE of EU, of ingekorte O of U, behalven het reeds vermelde Ysl: skot / N, angulus, en skutur / puppis, en ons Schutter, jaculator, nog ook in den zin van schieten, werpen, ons Schoot, m: Schote, f: Scheut, m: en f: Ysl: skot / N, jaculatio; projectio; motus procedens; ictus sclopi, tormenti &c, & tr: scomma, cavillum; en Schots, bardus; als onhandelbaer en afkeerig van ommegang, of als onbedagtelijk zig los gevende tot quaedaerdige schampscheuten: en ons Schote, Scheut f: en Schot, m: en † Geschot, n: A-S, scotu / H-D, schüsse / F, en geschosz / M en N, jaculatus, projectura, missile; en Ysl: skutull / Angl: shutle / missile telum; en 't Geld: Scheutel, infurnibulum, als om 'er brood mede in den oven te schieten; en overdragtelijk H-D schosz / M, amasio; als door eene liefde-pijl geschoten; en H-D, schütze / M, jaculator, sagittarius; waer voor bij ons, als reeds gezeit is, Schutter, en ook † Schotter, en H-D, geschusz / N, bij ons † Schut, Geschut, n: en Schutgevaert, n: Tormentum, bombarda globos ferreos projiciens; en ons Schut-mael, n: jaculi emissi spatium; en Schutterye, collegium jaculatorium &c, en Scheut, f: Schót, n: Geschót, n: telum, lateris morbus; en Saxon: Schót-spoele, bij ons Schiet-spoele, radius textorius; en verder 't afgeleide A-S, scotian / I. CL: sagittare, emittere.

Dog, in den zin van opschieten, uitschieten, aenwinnen, ons † Schote, Scheute, / f: en † Geschót, n: H-D, schosz / F, surculus, ramus, talea; germen, soboles; waer van het H-D, schossen / I. CL: surculos agere, emicare; waer toe ons Schotig, Scheutig, H-D, schossicht / surculosus; & procerus; en Een vierschotig man, homo procerus, & quadratus; als aen alle kanten wel uitgezet, gelijk ook Saxon: veerschatig / quadratus; voorts ons Schót, Beschót, n: en † Geschót, n: Proventus fructuum; accrementum, momentum, crescendi ratio; A-S, scutel / scuttel / scytel / momentum; en A-S,

[p. 365]origineel

scet / usura; en overdragtelijk ons Schót, Beschót, n: pollen; alzoo, na de uitlevering van dit, het min of meer beschot van 't graen word afgemeten: en ons Over-schót, n: H-D, uber-schusz / M, superfluum, residuum, lucrum; en H-D, einschusz / verschusz / M. damnum, jactura; en ons † Overschote, Overscheute, tradux, rumpus; propago vitis ab arbore in arborem producta.

Wijders in den zin van afsluiten, beschieten, afschieten, en afweeren, ons Schót, Schut, n: Schutsel, n: septum, sepimentum; libera custodia; interclusio; agger; & Protectio; en Beschót, interstitium, contignatio intermedia, & Paries medianus ex ligno; waer van ons Schutten, Beschutten, I. CL: arcere, custodire, sepire, avertere, pellere, resistere; en Schutten op zyn tanden, dentibus avertere; & tr: nibil moveri maledictis; Metaphora a Lupis canibusve desumpta, qui dentibus ictus avertunt; en uit het Praes: het A-S, scyttan / scittan / I. CL: claudere, obserrare; en 't A-S, scyttel / sera; gelijk ook bij de Vriezen Schotel, grendel, pessulus; om 't voor- of toe-schieten tot sluiting; en A-S, scytteling / indigena; als een ingeboorne onder 's Lands beschutting; en by de Kampenaers Schut, Schutte, m: koevanger, praetor rusticus; zulk een namelijk die de verkeerdelijk weidende of quaed-doende beesten opvangt, en in een schot besloten zet, van waer ze niet zonder boete van den eigenaer te lossen zijn; en ons Schut-koye, septum ferarum; en Schut-gaten, clathri, cancelli; als tralien van 't afgeslotene schot of schut-koye: waer by men voegen mag ons Voor-schoot, n: Praecinctorium; als tot beschutting voor 't lijf geschoten.

Onder den zin van uit- of af-schieten, buiten sluiten, schijnt volgens de gedaente mede betrekkelijk tot dezen Tak te zijn de naem van Schótland, Scotia; & olim: Caledonia; & Scotia & Hibernia; een naem die voornamelijk in de schriften opquam na dat de Angel-Saxen in de vyfde eeuw Britannia, sedert na haer Engeland geheeten, innamen; ontleent, mooglyk ter gelegentheid van de mueren van Severus en Adrianus, door de Romeinen tot beschuttinge gemaekt van dat deel van Britannia, dat in hare magt was vervallen, om alzoo bewaert te zijn tegens een inval der Caledoniers, nu Schótten genaemt; terwijl met eene de Zee het Eiland Ierland van Britannia afgeschoten hield, en buiten 't geweld der Romeinen: Omtrent in gelijken staet bleef het onder de Angel-Saxen (uitgezondert dat metter tijd ook een deel van 't lage van Caledonia in hare handen viel) zo dat op dit overige niet minder toepasselijk was de naem van Schót-land, gelijk men ook in 't A-S, vocabularium Thom: Bensonis vind, A-S, scotland / Scotia & Hibernia; en scottas / Scoti & Hiberni; en scotta-leod / gens Scotica & Hybernica; dus vind men mede in 't leven van St: Findanus. Plurima Scotiae insulae, quae & Hibernia dicitur; en in de Historie van St. Fridolinus. St. Fridolinus ex Hibernia inferioris Scotiae oriundus (zie Goldasti Rerum Alamann: I. pars: p: 318). Niettemin heb ik 'er zelf eene zwarigheid tegen in te brengen, namelijk het veersje van Claudianus,

Totam cum Scotus Iërnen
Movit & infesto spumavit remige Thetys.

waer in den naem van Scotus al gevonden word, zijnde omtrent een Eeuw vroeger dan de overtogt der Angel-Saxen, alzoo Claudianus in de vierde Eeuw geleeft heeft. Dog dit stoot de vorige bedenking nog niet om; want het konde zijn, en zal ook uit het volgende niet onwaerschijnlijk worden, dat de oude Ieren en Caledoniers, vermits afgeschotene van de Romeinen, of door de zee of door de Pictische wal, allereerst zig zelf in haer eigene tael, daer dit woord mede van die kragt is, alzoo genoemt hebben, en dat daer nae deze naem door de Angel-Saxen, by welken hy gelijke beteekenis had, bevestigt en vaster in gebruik gebracht zy geweest:immers in de Irish-English-Dictionary vind ik Scot-Bearla, voor Schotsche en Iersche tael genaemt, en Sgot, voor een byeen-gelach of uitschot van geld, even als by ons ook Schót, symbolum, collecta, collatio; zo dat ook deze benaming in dezelfde kragt en waerde aldaer als by ons schijnt gekent en gebruikt geweest te zijn; gelijk mede in die zelfde Dictionary zig zeer vele woorden in 't Iersch vertoonen, die met de onzen eenstammig zijn, en slegts in Dialect verschillen. In 't algemeen nochtans, beken ik, op de Afleiding der oude Land-nae-

[p. 366]origineel

men, uit hoofde van de gedaente, niet veel te durven nog te willen bouwen, zo lange de oude Historie en 't begin van dien naem my nog niet ten volle, maer alleen schets-gewijze, gelijk in dit geval, bekent zy.

Voorder in den zin van oporengen, toeleggen, of opschieten, tot 's Lands onderhoud en beschutting, ons Schót, † Geschót, als mede Schót en lót, n: H-D, schosz / M, census, tributum, vectigal, symbolum, unde vulgò Scotum; en ook transl: Schót, n: pecunia; A-S, scot / sceat / en scyte / symbolum, pretium, pars; als elks aendeel in de gemeene lasten, die ook voormaels, by gebrek van geld, veelal betaelt wierden uit het beschot van vrugtgewin: waer van het H-D, schossen / I. CL: tributum solvere; en schüsfer / M, praefectus aerarii, questor, receptor; en ons oude † Schót-mieter, publicanus, redemptor vectigalium; en ons Schót-vry, A-S, scot-freoh / asymbolus; en in den zin van geld verschieten, of opschieten, ons Verschót, n: H-D, darchusz / M, erogatio; en H-D, schusz / M, numeratio, praebitio; en om 't vaerdig toeschieten of uit schieten van geld ons Schotig, Scheutig, A-S, sceot / subito surgens, promptus, paratus; & largus.

Dog in den zin van laten glyden, of schieten, ons Schót, & Schote, laxamentum rei tensae; waer toe onze spreek wijze van Schót geven, laxare, remittere, concedere, cedere.

Nog ook in den zin van byéénschieten of vergaren, ons Schót, id quod ex diversis rebus in unum congregatur cumulus collctus; dog dit kan tweesints strekken, 't zij tot aenneming 't zy tot verwerping: dus komt als uitgelezen en verkoren het H-D, aufschusz / M, electio, separatio; en ons † Uit-schót, n: Electio; & merx selecta; en H-D, Landsaus-scusz / M. Delectus militum Provincialium, milites ordinarii in Domiciliis suis relicti; Land-schafts- aus-schusz / M, primores statuum Provincialium; en Engeraus-schusz / M, Proceres, delectus Statuum angustior; en Weiter-aus-schusz / M, laxior delectus Statuum; Reichs-aus-schusz / M, ordinarii deputati Imperii. Dog als uitgeschoten en verworpen ons † Schót, Uitschót, n: ejectamentum, merx rejectanea; en ons Uitschót van géld, H-D, ausschusz der gelter / nummi rejeculi; en 't Geld: Schótte van de mélk, serum lactis. Maer om 't kleur-verschieten het H-D, ab-schusz der Farben / M, colorum evanescentia; en om 't afschieten of afdeelen van tijd, ons † Schót, quadrans operae unius diei.

 

Eindeling, met den uitgang EL, (die zig mede al vertoont heeft in 't gemelde Ysl: skutull / missile telum, het Vriesche Schotel, pessulus, en 't A-S, scytel / sera, en scytel / scutel / scuttel / momentum) schijnt ook tot dit Zakelijke deel van 't Praeter: te behooren, om 't ligtelijk uitschieten van vogt wegens de vlakte en plattigheid der holte, ons Schotel, Schottel, en Schuttel, f: F-TH, scuzzila / H-D / schüffel / F. A-S, scutel / scuttel / Angl: scotle / scuttel / scutella, catinus, vas escarium; Dat dit onze met het Latijnsche scutella ('t gene van 't Latijn-sche scutum, als gelijkende aen deszelfs gedaente, ontleent is) zo nae overeenkomt, schijnt mij toevallig te zyn, of anders, een overblijfsel van de eerste gemeenschap van over-oude tijden voor de Verspreiding: want zo 't onze een geleent kind van 't Latijnsche waer, zo moest ook, dewijl we de basterden met hun accent overnemen, onze klem op EL vallen, even gelijk bij 't Latijn, en by hare bastert-kinderen, als 't Ital: scodilla, Hisp: escudilla, en 't Fransche escuelle, 't gene nu bij ons regt anders is, naemlijk blyvende de accent op 't Zakelijke deel, na de Wet en den trant van onze egte spruitelingen: Hier toe verder ons Schotel-lékker, m: catillo; Schotel-eten, n: jus esculentum; Schotel-ring, m: basis, circulus mensarius; Schotel-water, n: Eluvies culinaria; als waer mede de schotels gereinigt zijn; en Schotel-doek, m: Schotel-vodde, f: Vaetdoek, peniculus culinarius; en vermits schotelvormig, ons Schotel, of schale van de wage H-D, Wag-schusselen / F. lances in libra; en van ons Schottel, komt ons Verbum Schottelen, Schuttelen, Schotelen, I. CL: scutellis indere cibum. Ons woord Schotel zou ook hebben konnen zinspelen op de bequaemheid om 'er iet meê in den oven te schieten of zetten; gelijk in dien zin het reets genoemde Geldersche Scheutel, f: infurnibulum.

[p. 367]origineel

Het Wortel-deel.

SCHYN &c, in ons SCHYNEN, SCHEEN (oul: in Sing: mede † SCHEIN en SCHééN), GESCHENEN, II. CL: 1, splendere, fulgere, nitere, lucere, illucescere, micare, radiare; & videri, apparere, repraesentare speciem; en Beschynen, II. CL: 1, affulgere; en Verschynen, II. CL: 1, comparere; & obire tempus constitutum; M-G, skeinan / skain (in Subj: skinau) / skinans / II. CL: 1, splendere, lucere. F-TH, schinan / schein / geschinan / II. CL: 1, zo mede F-TH, skinan / ent-schinan / biskinan / er-schinan / II. CL: 1, affulgere, comparere, apparere, & clarescere. A-S, scinan / scan / gescinen of scinen / III. CL: 1, coruscare, ardere; Angl: to shine / shone / shined / coruscare, splendere; H-D, scheinen / schien / geschienen / II. CL: 1, lucere; Ysl: skyna / skein / en volgens de anderen van die Class: in Praet: Part: skinenn / II. CL: 1, fulgere; L-Fries, schynen / schien / schinen / fulgere.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens ons Schyn, m: H-D, schein / M. splendor, fulgor, nitor, candor; & tenue lumen, & forma, praetextus, species obtentus; Ysl: skin / N, fulgor; A-S, scin / phantasma, nebula; en ons Schynbaerlyk, evidenter; H-D, scheinbarlich / verisimilis; en H-D, scheinig / evidens; waer van het H-D, scheinigen / I. CL: en bescheinigen / I. CL: probare; en ons Schyn-deugt, m: en f: Hypocrita; en Schyn-hoed, m: petasus; galerus solem & aeris injuriam arcens; umbraculum; als tot afweering van den hinderlijken Zonneschijn; en Schyn-wormken, n: Nitedula, Lampyris; als in 't donker schijn van zin gevende; en † Schyning, Verschyning, f: Visum, spectrum, phantasma; en A-S, scin-craft / ars magica; en A-S, scin-lac / magus; spectrum; en scin-laecan / magi, & homicidae; en 't Afgeleide A-S, scynan / I. CL: formidare; als zaken, die slegts in schijn of guitery en bangmaking bestonden, volgens 't oordeel van de invoerders dezer A-S, benamingen. Verder ons Schynsel, n: splendor, fulgor; jubar, nitor; Aen-schyn, n: ook oul: † Voor-schyn, facies; Te voorschyn, in aspectu, coram; en Verschyndag, dies solutionis; & dies conveniendi; en zoo voort.

 

Uit het oude Praeteritum Schein, het F-TH, scheynan / en skeinen / I. CL: apparere, lucem emittere; en AL: chi-scheinan / I. CL: coruscare; en met éé, uit het oude Praet: of met E uit het Praet: Subj: vertoonen zig insgelijks ons † Schéén, m: ook † Schene, † Scheen, f: umbraculum; & tegmen umbraculi; als een bescherming voor den Zonneschijn; of, vermits een schuin verdek zynde, niet alleen tot belommering van eenig vertrek of gallery, maer om 'er met eenen een wyngaerd of vrugtboom op te leiden, en aldaer de broeijing van den Zonneschijn te rykelijker te genieten; of anders, vermits de schijn en gedaente van een huisdak hebbende; met welke laetste reden overeenkomt ons Scheene, Schene, f: forma, schema rerum; en Scheene, Kaes-schene, f: forma casearia. Nog ook van gelijke letters, en, zo 't my eenigsints toeschijnt, mede hier thuis behoorende, ons Schéén, m: en Schene, f: H-D, schien / schenne / F, A-S, scina / Angl: shinne / tibia, cruris pars anterior; als welks gebeente by uitstek den gantschen omtrek en gedaente van 't been van voren aenwijst, terwijl het van agteren en op zijde, even gelijk ook de andere beenderen aen 't lichaem, met spieren of vleesch overtogen is; waer toe ons Schéén-béén, n: A-S, scinban / os tibiae: maer ook kon wel deze benaming van Scheen overdragtelijk ontleent zijn geweest van 't evengemelde Scheen, umbraculum, vel tegmen umbraculi; als vereischende wel een bescherminge en overdeksel, vermits te bloot staende voor alle rampen, die aldaer pijnlijk vallen, en tevens zig moeilyk laten genezen; waerom men voornaemlijk in den Krijg en op de jagt (de regte levenstrant onzer Oud-Duitsche voorvaderen) zig bedient heeft gehad van leerzen of platen, ook genaemt Schéén-platen, A-S, scin-hose / ocreae, tibialia; tegmina tibiarum; en Schéén-yzer, n: ocreae ferreae, tibiale ferreum; en Scheene, spalke, regula, fascia, lamina, quae fractis ossibus continendis circumponitur; waer van het H-D, ein zerbrochen bein schennen / I. CL: os fractum

[p. 368]origineel

assulis ligare; op welken ramp ook schijnt te zinspelen het A-S, scaenan / I. CL: frangere; dog om 't overdekken en beschutten, het Vlaemsche Scheene, Scheen van 't rad, H-D, schiene / F, cantbus, absis; als een yzeren rand rondsom 't rad beslagen, tot bescherming en verbintenis van de verscheidene stukken houts, waer uit de ommekring van 't rad bestaet, waer van het H-D, schienen / schennen / I. CL: munire rotam ferro. Verder ons Schéén-zadel, m: cella dossuaria jumentis imponi solita; tot dekking van den scharpen en als een scheengelijkenden rug der magere lastbeesten: en ons Scheene, f: H-D, schiene / F. Bractea, lamina, lamella; als om 'er iets mede te beslaen en te overtrekken tot bescherminge, of tot afkeeringe van hitte en 't schijnsel van 't vier; als mede ons Scheen, f: Angl: skin / skinne / Ysl: skinn / N, membrana, cortex, pellis; als een overtreksel en beschutting tegens de smerten van lucht of vier; of anders mooglijk om de gelykheid aen 't dunne vlies, dat den scheen overdekt.

Maer schoon de gedaente van dit velerhande Scheen sterk genoeg pleit, om in dezen stam haren oorspronk te zoeken, egter kan ik in deze Afleiding niet prijslijk vinden, dat de dienst der meesten niet en is, om schijn of luister by te zetten of te ontfangen, volgens de beteekenis van den stam, maer, of tot afkeeringe van hitte, of tot dekking en bescherming van iets zonder aenmerking van eenig schijnfel: dog mooglijk zal 'er een ander beter oplossing op weten uit te vinden, 't gene ik ook wel vermoeden zoude, vermits ik beter behandeling van overdragt in onze Duitsche tael gewoon ben te ontmoeten.

Het Wortel-deel.

SCHYT, &c, in SCHYTEN, SCHEET, GESCHETEN, II. CL: 1, exonerare alvum; pedere; Beschyten, II. CL: 1, conforire; & tr: decipere, defraudare; A-S, scitan / scat (of scaet / in Subj: scite) / gesciten / III. CL: 1, cacare; en H-D, scheissen / schisz / geschissen / II. CL: 1, exonerare alvum &c. Hoe noodzakelijk voor de natuer en gezondheid dit werk zy, egter geeft 'er de quade en hinderlijke lucht zulk een afzien aen, dat zelf dit woord vermijd word, by luiden, die de welgemaniertheid beminnen, als welken, des nood zijnde, de zaek uitbeelden door eene omschrijvinge van zyn gevoeg te doen, of zig eens ontlasten, enz, om alzoo te toonen, dat men van dit onreine niet zonder een heuschen schroom zig laet hooren.

 

Tot het Praes: en 't Praeter: het H-D, schisz / M, en scheisse / F, A-S, scitta / profluvium alvi; en H-D, scheisser / M, cacans; & tr: Homo nullius pretii; waer van het H-D, scheisseren / I. CL: alvi oncre premi, cacaturire; en ons Schit, Schitte, f: foria, stercus; & fimus vaccinus, quo siccato, cespitum loco in focis passim utitur; en Schit-wevel, scarabeus; als aen de mesthoopen uitgebroeit, en daer verkeerende; en Hémd-schit, n: cassia; om 't vloeibaermaken van den afgang, en degevolgen van dien; gelijk ook, uit aenmerking van 't foey van den drek, het gemeene kleinagtings-woordtje Schit, vaeb! abjiciendi formula; en de boertige spreekwijze van Schit boeken die de kunst in 't hoofd heeft, abjice libros, si ars sit tibi famula; voorts ons † Schyte, Schete, f: crepitus ventris; en † Schyte, † Schétte, f: foria, stercus liqui dum; en overdragtelijk † Schyte, f: foriola, mulier spurca; en Schyt-ael, anguillae genus, als azende by de secreten; Schyt-géél, buxeus color; en Schyt-beziën, uvae rhamni cathartici; vermits sterk doende afgaen; zijnde wyders onder 't kinderlijke kotespel een spreekwijze van De koot ligt schyt, en in 't Brab: De kote schyt, talus supinus, qui cavum quasi podicem oftendit; enz. Maer op het slegte kraekgeluid van Schete, Schétte, schijnt te zinnespelen, ons Schétteren, of ook met A, als by 't A-S, Praet: ons Schateren, I. CL: Angl: scatter / cachinnare, garrire, effundere vocem, stridere, crepare, displodere, tonare, retonare, fragorem edere; hoewel men dezen ook voor klanknabootsers zou mogen aenzien, gelijk ik 't verkiezen zoude.

[p. 369]origineel

De Zaek- of Wortel-deelen.

SCHIK, in Schik, Schikken, enz:, en in † Schikken, fragorem edere; zie daer van bij SCHAEK, in de II. Pr.

 

SCHIL, in Schil, differentia &c; en Schille, cortex, putamen; en Schillen, differre; & decorticare; enz: zie daer van bij 't vorige SCHEID, in deze Pr.

 

SCHILD, in Schild, scutum &c; en Schilderen, excubare; & pingére; enz. zie daer van bij SCHEID, hier voor, en by SCHUIL, in deze Proeve.

 

SCHILF, in Schilferen, desquamare; &c, zie daer van bij 't vorige SCHEID, in deze Proeve.

 

SCHIM, in † Schim, furfures capitis; en Schim, umbra &c; en † Schim-man, proreta; en Schimmel, albus aliqua nigredine obscuratus; & mucor; en Schimmelen, mucere; &c, zie daer van bij SCHEID, in deze Proeve.

 

SCHIN, in † Schinne, porrigo; zie daer van bij SCHEND, in deze Proeve.

 

SCHIND, in 't Geld: Schinden, deglubere; bij SCHEND, in deze Proeve.

 

† SCHINK, in † Schinken, infundere; & munerare; en Schink, Schinkel, crus, perna; zie daer van bij SCHENK, in deze Proeve.

 

SCHIP, in Schip, navis; † Schippen, navigare; en Schipper, Schip-pond, enz, zie daer vanby SCHAEP, in deze Pr.

 

SCHIT, in Schitteren, coruscare; enz. zie daer van bij 't vorige SCHIET; en in Schit, foria; en Hémd-schit, cassia; &c, zie bij SCHYT, beiden in deze Pr.

SCHO.

SCHOB, in Schob, scomma; en Schobben, convitiari; zie daer van bij SCHAEP, in deze Pr:, en in Schob, squama; en Schobben, desquamare piscem; en Schobbe, scabies; & scurra; Schobben, scalpere; en Schobbert, scurra; bij SCHUIV, in deze Pr.

 

† SCHÓCHT, in † Schócht, dorsum; zie daer van by SCHUIV, in deze Pr.

 

SCHOEF, in Schoefel, pala, ligo; en Schoef-uit, bubo, noctua; scurra; † Schoef, amiculum, penula, palla; enz. zie daer van bij 't volgende SCHUIV, in deze Pr.

 

† SCHOEK, zie bij SCHAEK, in de II. Pr.

 

† SCHOEL, in † Schoelde, pala, rutellum, bij SCHUIL, in deze Pr.

 

† SCHOEP, in † Schoepen, I. CL: baurire: en † Schoep, pala, rutrum; zie van 't eerste bij † SCHAEP, en van 't laetste bij SCHUIV, beiden in deze Pr.

 

SCHOER, in 't Praet: van Scheeren, en in † Schoerbuik, stomacace; en Schoer-haye, squatina; bij SCHEER, in deze Pr.

 

† SCHOEV, in † Schoeve, amiculum; en † Schoeveren, quatere, agitare; zie daer van bij SCHUIV, in deze Pr.

 

SCHOF en SCHÓF, in Schóffelioen, peniculus furnarius; en Schoffelen, pala vel radula verrere hortum; Uit-schoffelen, abigere; &c, en † Schóf, repagulum, & cataracta; & Fascis; & atlas humerorum; & quadrans operae; & nebulo; en † Schóffen, pascere aut quiescere statutis vicibus; en Schóffèren, vi rapere, violare; by SCHUIV, in deze Proeve.

 

SCHÓFT, in Schóft, atlas humerorum; & quadrans operae; & scurra, en Schóften, pascere aut quiescere statuis vicibus; en Onbeschóft, incompositus; & impudens; zie daer van by SCHUIV, in deze Proeve.

[p. 370]origineel

SCHÓK, in Schókken, quassare, succussare; en Schók, concussus; & numerus sexagenarius; en † Schókke, strues &c, en † Schókken, coacervare; zie daer van bij † SCHAEK, in de II. Pr.

 

† SCHOL; bij † SCHEL, in de II. Pr: en by ZUL, in deze Pr.

 

SCHOLD en SCHÓLD, in Schold, Gescholden, verbuigdeelen van Schelden; en † Schold, debitum, culpa; † Schold-heischer, praetor; † Scholderen, ludum aleatorium exercere; en † Scholderaer, carnifex; en † Schólder, humerus; zie daer van by SCHELD, en by ZUL, beiden in deze Proeve.

 

SCHÓLF, in Schólfert, mergus magnus; & animal magnum; bij SCHUIL, in deze Proeve.

 

SCHOND, in Schond, en Geschonden, by SCHEND, in deze Pr.

 

SCHONK, in Schonk, Geschonken, verbuigsels van Schenken, en in Schonk, perna, crus; zie daer van bij SCHENK, in deze Proeve.

 

SCHOOF of SCHOOV, in Schoverlink, calepodia ferrata; Verschoven-ling, homo innocens à pluribus rejectis; en in Schoof, Geschoven, verbuigsels van Schuiven, bij SCHUIV, in deze Pr.

 

SCHÓÓF of SCHÓÓV, in Schóóf, Schoove, fascis segetum; en Schóófland, ager qui ultra decimas sextum etiam manipulum tribuit; en Schooven, colligere in fasciculos; en Schoover-zeil, velum maximum; by SCHUIV, in deze Proeve.

 

SCHOOL, en SCHÓÓL, in Schóól, Gescholen, verbuigsels van Schuilen, en in Schole, School, secreta congressio; & pala, rutellum; & scola, gymnasium; en Scholen, congredi, congregare; en Haeg-schole, schola non publica; en Tuisch-schole, scola alea-toria; en Schóól, Schoole, pala, infurnibulum; zie daer van bij SCHUIL, in deze Proeve.

 

SCHOOR of SCHÓÓR, in Schoore, Schore, alluvies, acta, ripa; & fulcimen; en Schooren, Schoren, fulcire; en Schoor-stéén, caminus; &c. en in Schoore, Schore, ruptura, fissura; & saxum abruptum; & rupes; en † Schoren, rumpere; zie daer van bij SCHEER, in deze Pr.

 

SCHOOT, in Schote, Schoot, jaculatio; projectura; ictus sclopi; scomma; & olim surculus; en † Overschote, rumpus; † Schotig, surculosus; & procerus; & paratus; Vierschotig, quadratus; en 't Vriesche Schotel, pessulus; en Schotel, scutella; en Schotelen, scutellis indere cibum; enz. bij SCHIET, in deze Pr.

 

SCHÓÓT, in Schóót, gremium; en Voorschóót, Schoote-klééd, castula; praecinctorium; Schóótsvél, succinctorium pelliceum; Schóót van 't zeil, pes veli; Schóót vieren, remittere, bij SCHIET, in deze Pr.

 

SCHOOV, zie bij SCHOOF, hier boven.

 

SCHÓÓV, zie bij SCHÓÓF, hier voor.

 

SCHOP, in Schop, scomma; & pala, rutrum; en Schoppen, rutro tollere, protrudere; convitiari; replere; & oscillare; en † Geschop, atrium; zie daer van bij † SCHAEP, en by SCHUIV, beiden in deze Proeve.

 

SCHOR, in Schorre, alluvies; acta, ripa; gleba, cespes; rudus; caementum; scopulus, rupes; ruptura, scissura; en 't Adj: Schor, rudis; en † Schor-buik, stomacace; Schorluin, scurra; en † Schorren, rumpere; zie daer van bij SCHEER, in deze Pr.

 

SCHORFT, in Schorfd of Schorft, sca-

[p. 371]origineel

biosus; enz. zie daer van bij SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHORG, in 't Geldersche Schorgen, protrudere curriculum; zie daer van by SCHEER, in deze Pr.

 

SCHORP, in † Schorpen, secare, &c; zie by SCHEER, in deze Pr.

 

SCHORS, in † Schorsen, Op-schorsen, suspendere; succingere, adstringere, contrahere; en † Schorse, Schors, aastrictio, contractio; en Schors, cortex; & supparus, succinctorium; en † Schorsen, Ontschorsen, deglubere; en zoo meer anderen, zie daer van bij SCHEER, in deze Proeve.

 

SCHORT, in † Schorten, Op-schorten, suspendere; succingere; fibulare; intermittere opus; en Schorten, deesse, deficere; en Schorte, Schort, succinctio, contractio; supparus, succinctorium; Schorte-kleéd, Schortel-doek, ventrale; semicinctium, &c; Schort-poort, cataracta; Schort-neuzig, simus; Schorte-klóks-woensdag, feria quarta, &c, enz. zie daer van bij SCHEER, in deze Pr.

 

SCHOT, in Schottel, scutella; en Schottelen, scutellis indere cibum; by SCHIET, in deze Proeve.

 

SCHÓT, in Schót, jaculum; projectura; Schót, Geschot, telum, lateris morbus; Schót, Beschót, proventus fructuum; & pollen &c; en Overschót, superfluum, residuum, lucrum; en Schótsch, bardus; en Schót, septum, interclusio; Schót en lót, census; Schót mieter, publicanus; Schót geven, laxare, remittere; Schót-Land, Scotia; & olim Scotia & Hibernia; Verschót, erogatio; en Schót, collectio; Uit-schót, ejectamentum; en 't Geld: Schótte van de mélk, serum lactis; en † Schót, quadrans operae unius diei; enz. Bij SCHIET, in deze Pr.

 

SCHÓUD, in Schóud, debitum, culpa; † Schoudig, reus; en Schóud-héét, nu Schóudt, praetor; en Schouder, humerus; zie daer van bij SCHELD, en bij ZUL, beiden in deze Proeve.

SCHRA.

SCHRAB, in Schrabben, scabere; enz., zie bij RYV, hier voor, en by SCHRYV, hier agter, in deze Proeve.

 

SCHRAEF of SCHRAEV, in 't Vlaemsche Schrafen, Schraven, en schrafelen, radere, corradere; zie daer van bij RYV, hier voor, en bij SCHRYV, hier nae, beiden in deze Proeve.

 

SCHRAEL, in Schrael, macilentus, rigosus; zie daer van bij RYV, in deze Proeve.

 

SCHRAEG, in Schrage, fulcrum &c; en Schragen, fulcire; zie daer van bij RYG, in deze Pr.

 

SCHRAEP, in Schrapen, radere, scalpepere; corradere; en † Schrapel, macilentus, rigosus; zie daer van bij RYV, hier voor, en bij SCHRYV, hier nae, beiden in deze Proeve.

 

SCHRAEV, zie by SCHRAEF, hier voor.

 

† SCHRAK, zie by SCHRIK, in deze Pr.

 

SCHRAM, in Schrammen, leviter vulnerare citatrice, rimula; enz, zie daer van bij KRIMP, in deze I. Pr.

 

SCHRAND, in Schrand, Schrander, acutus &c; en Schrandsen, frangere &c; zie daer van bij RIND, in de II. Proeve.

 

SCHRANK, in Schranke, vallum, septum, repagulum; clathrum, & fulcrum, statumen; Schranken, clathrare; & ex transverso ponere; en Schranken, Schrankel-beenen, varicare; & incoxare; & lapsare; zie daer van bij

[p. 372]origineel

SCHRINK, in deze Proeve.

 

SCHRANT, in Schrantsen, frangere; heluari; & emunire; zier daer van by RIND, in de II. Proeve.

 

SCHRAP, in Schrappen, scabere, scalpere; en Schrap staen, paratum se praebere, enz, zie daer van by RYV, hier voor, en bij SCHRYV, hier agter, in deze I. Proeve.

SCHRE.

SCHREED, in Schreed, Geschreden van Schryden, varicare; en in Schrede, passus, gradus; Schredelinks, grallatim; zie bij SCHRYD, in deze Proeve.

 

† SCHRÉÉD, zie bij † SCHRYD, in de II. Proeve.

 

SCHREEF of SCHREEV, in Schreef, Geschreven, 't Praet: Indic: & Praeter: Partic: en in Schreef, Schreve, rima, linea, terminus; bij SCHRYV, in deze Proeve.

 

SCHREEP, in 't Vlaemsche Schrepen, radere; en Schrepel, macilentus, rigosus; zie daer van bij RYV, in deze Pr.

 

SCHRÉÉUW, in Schrééuwen, vociferari; enz, zie daer van bij KRYT, in deze I. Pr: en bij † SCHRYD, in de II. Proeve.

 

SCHREEV, zie SCHREEF, hier voor.

 

SCHREI en SCHREID, in Schreyen, Schreiden, plorare; en † Schrey, Geschrey, clamor, fletus; zie daer van bij 't vorige KRYT, en by 't volgende SCHRYD, in deze Pr: als mede bij † SCHRYD, in de II. Pr.

 

† SCHRÉK, in † Schrékken, trepidare; en † Schrék, tremor; bij SCHRIK, in deze Proeve.

 

SCHRENK, in Schrénke, conseptum; clathrum; & fulcrum, statumen; en Schrénken, clathrare, & lapsare; bij SCHRINK, in deze Proeve.

 

SCHRÉP, in 't Vlaemsche Schréppen, radere, scalpere; zie daer van bij RYV, in deze Proeve.

SCHRI.

SCHRID, in Schrid-schoenen, calepodia lignea; bij 't volgende SCHRYD, in deze Proeve.

 

SCHRIFT, in Schrift, Geschrift, Schriftuer, bij 't volg: SCHRYV, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

SCHRYD, &c, in ons SCHRYDEN (Euphon: SCHRYEN), SCHREED (oul: in Sing: ook † SCHRÉÉD en SCHREID), GESCHREDEN, II. CL: 1, passum facere, grallare, varicare, & varicari; Beschryden, II. CL: 1, passu attingere; Een paerd beschryden, II, CL: I, equum conscendere; en Overschryden, II. CL: 1, transgredi; & varicando transcendere. A-S, scridan en scrithan / scrad / scrieden / III. CL: 1, vagari; commeare, obducere, vestire. H-D, schreitten / schritt / geschritten / II. CL: 1, transgredi. Zoo men voor den eersten zin neemt het oversperren, of overdekken, 't zy met de beenen, als in 't overschryden, 't zy met lijf of kleed, als in 't beschrijden van een paerd, zo word de bovenstaende verscheidentheid van zin ligt oplosselijk. Welk dekken met een doek of kleed, vermits de rouw-dragende en schreijenden gewoon zijn zig daer van te bedienen, my doet gissen, of niet het H-D, schreihen / schrieh / gescriehen / II. CL: 1, plorare, 't welk aenwijst, dat ook oulinks bij ons † Schryden, † Schryën, II. CL: 1, plorare, in wezen was (tot welks oude Praet: ons tegenwoordige Schreyden, Schreyen, I. CL: plorare, ruim zo wel als tot ons Wortel-deel KRYT behoort), overdragtelijk hier van den zelfden stam zy als ons bovengemel-

[p. 373]origineel

de nog gebruikelijke Schryden, of het A-S, scridan / III. CL: I, obducere, vestire; vermits my niet waerschijnlijk voorkomt, dat in de eerste grondlegging onzer Tale, daer al de Ongelijkvloeijende Verba toe behooren, twee byzondere stammen eveneens zouden genomen zijn, dewijle zulks noodzakelijk verwarring moest geven, en 't gangbaer worden beletten. Dat men nu by 't H-D, voor het oversperren een diergelijken stam, dog met t / als H-D, schreiten / II. CL: 1, transgredi, heeft, maekt alhier geene wezendlijke zwarigheid, gelijk zulks wel by Ons zoude doen, dewijl de H-D, Dialect veeltijds de Primitive D, of in een t verandert, of, by uitlatinge, een lj in hare plaets verschikt. Egter geven we dit slegts voor een berigt, zullende van dit oude Wortel-deel van † Schryden, plorare, in onze II. Proeve op zig zelf handelen.

 

Tot het Praesens, en tot het Praet: Subj: ons † Schryde, Schrede, f: passus, gradus; & tr: olim grallae, calepodia ferrata; waer toe ons Schrydelinks, Schredelinks, en by verzet van de R, ook † Schérdelinks, grallatim, distortis pedibus; en Schryd- of Schrid-schoenen, calepodia lignea; gelijk 'er by de Lappen en Finnen in gebruik zijn, om snel over de sneeuw voort te schieten; waer van Schryd-finnen, A-S, scride-finnas / Scandiae populi, Finnas nuncupati, calepodiis ligneis super nivem vagantes. Verder ons VerbumSchérden, I. CL: en Schryd-beenen, en Schérde-beenen, I. CL: grallare; als mede, om de slingerende voortgaende beweging het A-S, scrith / currus; scridas / vehicula; en A-S, scridole / gyrovagus; dog in den zin van overdekken het A-S, scredan / I. CL: en scrydan / I. CL: vestire.

Het Zakelijke-deel.

SCHRYF, zie bij SCHRYV, hier volgende.

Het Wortel-deel.

SCHRYV, &c, in ons SCHRYVEN, SCHREEF (in Subj: SCHREVE), GESCHREVEN, II. CL: 1, scribere, & literas vel libros componere; & olim radere; en Beschryven, II. CL: 1, describere, conscribere; stipulari; & annotare; & citare; & scripto in judicium vocare; Af-schryven, Uit-schryven, II. CL: 1, exscribere; Iet tot zo vérre toe af-schryven, eo usque aliquid describere, conscribere; Zyne komst af-schryven, litteris denuntiare vel excusare se non venturnm; in het tegendeel van Een zaek aen-schryven, addicere, confirmare rem litteris, ac ratam habere; en Toe-schryven, attribuere; en Iet deur-schryven, rem ut perditam mente vel tabulis denotare; ontleent van de oude wijze van Boekhouden, van de aengetekende posten, als ze betaelt of afgedaen waren, met eene streep te door-schrappen; en Uit-schryven, II. CL: 1, exscribere; ad finem usque describere; & proscribere literis publicis.

F-TH, scriban en scrivan / screib / giscriban / II. CL: 1, scribere; en H-D, schreiben / schrieb / geschrieben / II. CL: 1, scribere; en A-S, scrifan / scraf (of scraef), scrifen en gescrifen / III. CL: 1, radere, resecare; en A-S, for-scrifan / III. CL: 1, corradere; en transt: A-S, scrifan / scryfan / III. CL: 1, confessiones delictorum exigere; & tr: severiter cum aliquo agere; dit werk, dat best bij een hardvogtig en streng humeur paste, is in de middeleeuwen, in handen van de geestelijke Klerken vervallen geweest, dewijle die genoegsaem alleenig de pen voerden: en op de belijdenis der beschuldigden of misdadigen ziet het Praet: Part: A-S, gescryfen / confessus; namelijk de bekentenis, zo als ze in geschrift gebragt is. Men heeft ook zonder S voorop, het A-S, grifan en agrifan / graf en graef / grifen / III. CL: 1, sculpere, en Ysl: ryfa / reif / rifenn / II. CL: 1, lacerare, en ons Ryven, II. CL: 1, radere, scalpere; dat nu deze allen gelijkstammig zyn, en dat, zo wel by ons als by anderen, de benamingen van 't schryven uit het inkratsen

[p. 374]origineel

ontleent zijn, vermits het allereerst, bevorens het uitvinden van pen en inkt en papier by inrijving in Wasch, hout of steen plag te geschieden, heb ik by onze Wortel-deelen GRAEV, REN, RYT en RYV, breed genoeg uitgehaelt: egter blijft 'er nog eene Historische bedenking over, die ik uitgestelt heb, om alhier eerst te beantwoorden, namelijk deze; of wel onze Voorouderen eerder dan ten tyde der Romeinen met het Letter-gebruik wisten om te gaen? en daerom, of niet het woord en de zaek te gelijk van hen, en alzoo van 't Latijnsche scribere mogt ontleent geweest zijn? om dat men geen ouder overblijfsels van het Onze vind, en om dat Tacitus van de Germannen getuigt, Cap. XIX. 1. Litterarum secreta Viri pariter ac Foeminae ignorant. Wat de laetste rede belangt, hier spreekt hy van de eerlijkheid der Oud-Duitschen, dat ze niet jagtig waren op overspel, en daerom ook onkundig, zo Man als Vrouw, van bedekte Minnebrieven, literarum secreta, te schrijven: en belangende de Oudheid van 't schrijven buiten de Romeinen, zo blijkt uit de Noordsche en Runische Oudheden, dat die volkeren lang voor het aennemen van het Kristendom hunne Runische Letteren gebruikt hebben; ja zo lang al van te voren, dat het begin daer van niet uit te vorschen schijnt: Weshalven, hoe schaers het schrijven by de oude Voorvaderen geweest mag zijn, (gelijk ik ook toestae, dat het schaers geweest is, uit hoofde van hare levenswijze, als meest tot jagt of oorlogsdaden uitgestrekt, waerom ook, by 't voorplanten van 't Kristelijk geloof, terstond het gantsche bewind van 't pen-voeren in handen der Munniken verviel) egter is het zeer waerschijnlijk, dat ze voor af met hare gebueren den naem en daed van 't schrijven al gekent hebben gehad: of ten minste is het zeker genoeg, dat ze het Ongelijkvloeijende Verbum Schryven, II. CL: 1, voor inrijven, radere, corradere, zo wel als de A-Saxen hun scrifan / III. CL: 1, radere, resecare, van overlang in gebruik hadden; waerom dan zy, dit Wortel-woord by haer zelf reets hebbende, geen nieuw Bastert-kind uit het Latijn daer toe behoefden te ontleenen; behalven dat ook geen eenig Basterd-Verbum by ons Ongelijkvloeijend, maer altoos Gelijk-vloeijend, als die van de I. CL: gaet, volgens den ael-ouden ongekreukten grondslag van Onze Tael, en die der Verwantten; daerenboven zou het Onze, zo 't al bastert ware, moeten geweest zijn schryberen, of schribèren, I. CL: en niet Schryven, II. CL: 1, gelijk men als nog het bastert-kind Rescribèren, I. CL: in hof- en pleit-tael gebruikt. Zo dat de rede ons verbied het Latijnsche voor een moeder van 't onze te rekenen: en de overeenkomst van gedaente is of toevallig, of vind zijn eerste oorzaek in de overoude gemeenschap voor de Verspreiding van den Keltischen en Duitschen tak; gelijk ook 't Grieksche γραφειν, radere & scribere, waer van 't Latijnsche scribere afkomstig geschat word, met ons Graven gelijkvormig komt: zoo mede Irland: scriobam, sgriobam, & sgrabam (radere, scalpere); en Irl: sgriobham, scriobham, (scribere); en Cornub: skrofa, skrepha, Armor: skriva, en Wallisch Ysgrivenny, (scribere).

 

In den ouden zin van ryven, inryven hebben wy nog by ons in gebruik ons Schreve, Schreef, en Reve, Reef, f: rima, linea corrasa, crena, terminus; en Antwerp: Schreve wyns, bedragende agt potten, als ziende op 't gebruik der Waerden,die op hare schrijfborden eenige vaste strepen hebben, aen welken zy met een krijtje, voor elke pot of kanne wijns, die 'er gedronken word, een klein dwars-streepje doen, beginnende, zo de eene groote streep vol geraekt, wederom een andere; en uit dezen naem is te denken, dat, of nu of van ouds, te Antwerpen met agt gewoone dwarsstrepen, zulk een groote schreve vol geworden is: Voorts Ysl: skref / passus; als mede A-S, scraef / screfe / crypta, spelunca; als een uit-gehouwen of uitgeschraept hol of spelonk. Dog in den zin van letters of schryf-teekens te maken, ons Schreve, Schreef, f: linea scripta; en Schryfpenne, f: calamus scriptorius; en, volgens den ouden schrijftrant met priem of griffie, ons Schryf-priem, m: graphium, stylus; en Schryf-tafeltje, n: tabula, album, pugillare; en Schryver, m: H-D, schreiber / M, Ysl: skrifare M. scriptor, scriba; en A-S, riht-scrifend / jurisconsultus; beneffens onzen Infinit: met een agteraenneming van S,

[p. 375]origineel

op een zeldsame wijze, als Uw of Zyn schryvens, tuae vel ejus literae; enz. Dog ook met de ingekorte I, en met den uitgang T agter 't Zakelijke deel, ons Geschrift, Schrift, n: scriptum, scriptura; Alemann: ke-scrip / ke-scrift / scriptura; H-D, schrift / F, scriptura, scriptum; en by ons De Heilige Schrift, f: of Schriftuer, f: F-TH, thie heiliga schriphte / H-D, die Heilige schrift / F. sacrosancta scriptura; en F-TH, gi-scrib / N, descriptio; & Scriptura Sacra; en ook F-TH, geschrifte en gescript / F, S: Scriptura; dat nu ons Het schrift, komende voor een gemeen geschrift van 't onzijdige geslacht is, dog van 't Vrouwelijke, wanneer het voor de H: Schrift dient, zie daer van by onze 12. Redew: van de Regelen omtrent degeslagten §. XLVII. Wijders tot dezen stam, behoort mede, als zinspelende op de A-S, beteekenis van 't opschryven der belydenissen, en 't uitschryven van de straffen der misdadigen, het A-S, scrift / scryfte / confessio; censura, poena; en A-S, scrifte / poenitentiarius; en scrift-spraece / confessio; en scrift-boc / confessionale; enz.

 

Voorts, in den zin van ryven, schrapen, is het evenveel of men hier van dit oude Praeter:, of van dat van Ryven afleid ons Schrabben, Schrappen, Schrapen, en oul: † Schraven, I. CL: radere, scalpere; & tr: Schrapen of Schrabben iemand de tonge, examinare incautum; als ymands inwendige gedagten uitvorschende, even gelijk men onder 't wezendlijke tongschrapen de inwendige gesteldheid van den mond en gezondheid eenigsints bespeuren kan; of andersints zeggende zo veel, als ymand door 't krauwen de tonge gaende maken, en hem aen 't klappen brengen; en By-één-schrapen, † Verschrapen, I. CL: contrahere, corradere undique; en † Verschrapen, I. CL: contrahi, corrugari; en Verschrapen, I. CL: denuò radere, corradere; enz:, waer van we bij 't Wortel-deel RYV, gesproken hebben.

 

De takken met Y en I behooren tot het Wortel-deel van 't Praes: of van den Infinit: die met E, tot het Praet: met de zagte E; en die met A, tot het oude Praet: op den A-S, trant.

Het Wortel-deel.

SCHRIK, in ons SCHRIKKEN (ook oul: † SCHRÉKKEN), in Praeter: voormaels † SCHRAK en † SCHRÓK, nu SCHRIKTE, en in Praet: Particip:GESCHRóKKEN nu GESCHRIKT, oul: II. CL: 5 & 6, en nu I. CL: trepidare, & dissilire; dus vind men ook nog by der Staten Bijbel, Genes: XXVII: 33. Doe verschrak Izaek: zoo mede Verschrikken, oul: II. CL: 5, en nu I. CL: waer van 't Praet: Part: Onver-schrókken, intrepidus, impavidus, als een Adject: nog in gebruik is. H-D, erschrekken / erschrak / erschrokken / III. CL: 2, pertcrreri, dog mede H-D, schrekken en erschrekken / I. CL: perterrefacere.

 

Het Wortel-deel van het Praesens vertoont zig in ons † Schrék, nu Schrik, m: H-D, schrekken / M, en schrekke F, motus recedens, trepidatio, tremor, terror, pavor; en 't Geld: en Fris: Hooy-schrik, locusta; om zijn springen; waer van ons tegenwoordige Schrikken, I. CL: H-D, schrikken / I. CL: dissilire, dimoveri, subsilire, transgredi; passum facere; tremere, pavere, exanimari; en ons Verschrikken, I. CL:percellere pavore, & tremefacere; & consternari, dimoveri, loco moveri, & dissilire; en 't H-D, schrekken / erschrekken / I. CL: terrefacere; en 't Vlaemche Schrikken, I. CL: H-D, schrikken / I. CL: gradi, transgredi, passum facere, divaricatis scilicet pedibus; waer toe verder ons Schrikkelyk, terribilis, horribilis; & tr: valdè, vehementer; en † Schrik-schoenen, schaetsen, calepodia ferrata; als waer mede men door het schuin-zydelinks uitslaen en sperren der beenen, snellijk van plaets verschrikt en voortschiet. Wijders Schrikkel-jaer, n: annus intercalaris; komende om het vierde jaer eens, als wanneer het einde van February, die deswegen ook Schrikkel-maend genoemt is, eenen, dag meer krijgt, namelijk 29 dagen in stêe van anders 28, mits dat dit, volgens de verbeterde Nieuwe stijl door Paus Gregorius de XIII. ingevoert, om de 25 reizen, dat is, om het

[p. 376]origineel

honderste jaer, eenmael agter blijve, en eens overslae; zoo nogtans; dat het derde 100: jaer, wederom den vierjarigen schrikkeldag aenneme, of blijve behouden, om alzoo door dit middel de dagrekening te nader met den Hemels loop overeen te brengen. Voorder 't H-D, schrekken-berger / moneta quatuor stuferorum, vel decem assium, hincque decusse X signata; ab oppido Annenberg / ubi mons hujus nominis Schrekkenberg reperitur, ac quonam loco primum cusa; enz.

 

Op het Praeter: met O past ons Schrók, m: heluo; als schrikkelijk veel opvretende, waer van ons Schrókken, Op-schrókken, I. CL: devorare.

 

Uit het oude Praet: Part: leeft nog, als gezegt, ons Adject: Onverschrókken, impavidus, intrepidus.

De Zakelijke Deelen.

SCHRIMP, in Schrimpelen, rugare; enz, zie daer van bij KRIMP, in deze Pr.

 

SCHRIND, in Schrinden, rimas agere, findi; enz., zie daer van bij RIND, in de II. Proeve.

Het Wortel-deel.

SCHRINK, &c, in ons SCHRINKEN (of SCHRéNKEN), SCHRONK en SCHRANK, GESCHRONKEN, II. CL: 5 en 6, rem contrahere, marcescere, in angustum adducere; zoo mede Verschrinken, II. CL: 5 en 6, contrahere, marcescere; A-S, scrincan of screncan / scranc / scruncen /II. CL: 2, arescere; en A-S, for-scrincan / for-scryncan / II CL: 2, marcescere; en a-screncan / II. CL: 2, en I. CL: contrahere, elidere; Angl: to schrink / schrunk / schrunk / arescere, contrahere. De eerste grond-beteekenis schijnt my te zijn zig in een enger plaets besluiten, of inkrimpen.

 

Dus uit het Praes: met E, of uit het oude Praeter: met A, ons Schrénke, Schranke, f: septum, conseptum, vallum, carceres in circo; repagulum; & clathrum, lignum aut ferrum quo transverso aliquid clauditur aut munitur; en H-D, schränke / F, armarium, scrinium; en H-D, schranken / repagula, carceres; waer van ons Schranken, Schrénken, I. CL: clathrare, clathris aut cancellis claudere; invicem implicare; & cancellatim locare; en H-D, schränken / I. CL: in scrinio servare, in armario transferre, in risco condere; en H-D, beschrenken / I. CL: in parvo & angusto loco concludere; alles ziende op het enger insluiten. Dog als zinspelende op den ouderdom, by welken 't inkrimpen, vermageren, verschrompelen, zwak worden, en de behoefte van ondersteuning eigen is, komt ons Schranke, Schrénke, f: fulcrum, statumen, pedamentum; hebbende de schranken of schragen mede een derden voet, schuin afstaende, gelijk des ouden mans stok de twee beenen, die op zig zelf niet genoeg zijn, te hulpe komt; waer van het A-S, screncean / I. CL: supplantare; en ons Schranken, I. CL: ex transverso ponere; Wijders, gelijk de stok-ouden wijd-beens voortschoffelen, om te minder te waggelen, gelijk ook de schranken en schragen, om te vaster te staen, wijdbeens gemaekt worden, zo past dit op ons Schranken, Schrankel-beenen, I. CL: varicare; en gelijk de oude lieden krom en krimp-beenig zitten; zo mede hier toe het Saxon: en Geld: Schrankel-beenen, I. CL: incoxare, cossim insidere, & complicatis pedibus sedere; en om 't strompel-voeten der ouden, ons Schrénken, Schranken,en Schrankelen, I. CL: lapsare, prolabi.

SCHRO.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SCHROB, in Schrobben, runcinare, rasitare; & tr: corradere, acervare, & peste infectos curare; en Schrobber, homo vilis, avarus, sordidus, & pollinctor; zie daer van bij SCHEER, in deze Pr.

 

SCHROEF en SCHROEV, in Schroef, Schroeve, en Schroeven, zie daer

[p. 377]origineel

van bij KRUIP, in deze Proeve.

 

SCHRÓK, in Schrók, heluo; en Op-schrókken, devorare; en Onver-schrókken, impavidus; zie daer van by SCHRIK, in deze Pr.

 

SCHROMP, in Schrompelen, rugare; corrugare; enz, zie bij KRIMP, in deze I. Proeve.

 

† SCHROND, in † Schronden, riwas agere, findi; enz:, zie daer van bij RIND, in de II. Proeve.

 

SCHRONK, in Schronk, Geschronken, zie hier voor by SCHRINK, in deze Proeve.

 

SCHROOP, in Schroopen, dirumpere; zie daer van bij KRUIP, in deze Pr.

† SCHRUND, in † Schrunde, rima; zie daer van bij RIND, in de II. Pr.

SCHU.

SCHUB, in Schubbe, squama, &c; en Schubben, desquamare piscem; zie daer van bij SCHUIV, in deze Pr.

 

SCHUER, in Schuere, horreum, granarium; Schuer-aere, area; † Schuere, sceleton; en Schueren, defricare, terere, atterere, & terendo polire; & tr: olim Defallere; enz. zie daer van bij SCHEER, in deze Pr.

 

SCHUIF, in Schuif, pessulus ferreus; capsella trusatilis; fenestra vel assercula remissaria; Schuiffel, pala; infurnibulum; spatha; & fistula; en Schuiffelen, fugere, prolabi; & propellere; & pala radere; & sibilare; enz:, zie by SCHUIV, in deze Pr:

Het Wortel-deel.

SCHUIL, &c, in ons SCHUILEN, SCHOOL (oul: in Sing: ook SCHóóL), GESCHOLEN, II. CL: 2, latere, latitare, delitescere; en 't Vlaemsche Schuilen, II. CL: 2, leviter dormire, dormitare; even of het zeide, in een hoekje schuilen, om 'er een klein slaepje op te nemen.

 

Tot het Praes: ons Schuil-hoek, m: latibulum, & insidiae; Schuil-toren, m: specula; & insidiae; en Schuil, n: oris inflammatio, uncuscula palati; & oscedo; als een quael in den mond zig verschuilende.

 

Het Wortel-deel van 't Praeter: Subj: vertoont zig in ons Schole, School, f: secreta congressio, coetus, congregatio singularis; A-S, sceole / coetus magnus; waer van ons Scholen, I. CL: congredi, convenire, congregare; en waer toe † School, † Schoelde, f: pala, rutellum; als om 'er iets mede by een te schuiven: en mooglijk ook ons Schole, School, f: & n: A-S, scol / scole / scolu / AL: scuola / H-D, schul / Angl: shoole / scola, gymnasium; en Tuisch-schole, scola aleatoria; en Haeg-schole, scola non publica. Voeg hier by met de ingekorte O, ons Schólfert, m: A S, scealfor / mergus magnus; als by uitstek lang onder 't water zig verschuilende, gelijk ook 't Latijnsche mergus daer van den naem heeft; en overdragtelijk Een groote Schólfert, animal magnum in genere suo.

 

By het oude Praeter: met ÓÓ, past ons † Schóól, † Schoole, ovengaffel, insurnibulum, & pala; met welke men het ongaere brood in den oven steekt, en als verschuilt, vermits men den oven daer op toedoet: met welk Praeter: eenigsints overeenstemt het A-S, sceale / putamina, glumula; als de schellen en vliezen, waer onder 't inwendige verscholen ligt; waer van het A-S, a-scealian / I. CL: decorticare; hoewel ook deze A-Saxischen tot ons Wortel-deel SCHEID betrekkelijk zijn.

Wijders alzoo UI en EI van gelijken oorspronk zijn (zie daer van in onze Grondst:II. Verhand: §. VII.) zoo is mooglijk hier van ons Schiellyk, Schielyk, subitus, subitaneus, gelijk het bespringen uit eene hinderlage of schuilhoek; 't en ware dit afgedaelt zy van ons SCHIE of SCHIED, by de II. Pr.

[p. 378]origineel

En, vermits IE wederom in I kan inkrimpen zo zou, onder eene toevoeging van den uitgang D, mede hier uit kunnen gesproten zijn ons Schild, n: clypeus, als waer agter men zig verschuilt; en verder daer van ons Schild, n: insigne; beneffens Schild-wapen, schild-knaep, Schild-wagt, en Schilderen, I. CL: excubias agere; & pingere; enz. van welken ook wy ten einde van het Wortel-deel SCHEID, in deze Pr. gehandelt hebhen.

Het Zakelijke Deel.

SCHUIT, levunculus, navigiolum; by SCHIET,in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SCHUIV of SCHUIF, &c, in ons SCHUIVEN, SCHOOF (oul: in Sing: ook SCHóóF; in Subj: SCHOVE), GESCHOVEN, II CL: 2, loco movere, & moveri, protrudere, & protrudi lineatim; en Verschuiven, II. CL: 2, commovere, protrudere; & differre, retardare; en zoo vele anderen, met by na alle de voorzetsels, Af, aen, by enz; beneffens onze spreekwijze Schuiven gaen, decedere tacitè, abire; A-S, sceofan en scufan / sceaf / scofen en gescofen / II. CL: 1, agere, protrudere; H-D, schieben en schauben en schuben / schob en schub / geschoben / II. CL: 2 en 4, trudere, protrudere, & pellere; & tr: cursitare; en dus zeer velen met hare voorvoegsels.

 

Tot het Wortel-deel van den Infinit: met UI, of IE (gelijk bij de H-D, ie /en de A-S, eo), vooreerst ons Schuif, f: obex, pessulus ferreus, vectis remissarius, & capsellatrusatilis; & fenestra vel assercula remissaria; als gemaekt om heen- en weer- of in- en uitgeschoven te konnen worden; en Schuiffel, f: en Geld: Schuiver, m: A-S, sceofl / ook uit het Praeter: A-S, scofl / en scobl / en by ons mede Schoeffel en Schoffel, f: H-D, schauffel / F, Saxon: schuffel / Angl: shobel / pala, ligo, batillus; infurnibulum; & spatha, ligula; als om 'er iet mede by één of weg te schuiven; waer van overdragtelijk ons Schuiffen, Schuiffelen, I. CL: fugere, labi, prolabi; & propellere; unde Ital: schiffare; Hisp: esquivar; en onoverdragtelijk ons Schuiffelen, I. CL: pala radere, verrere; waer toe ons Schuiffel-schapraey, ook Schuiffeler, m: parasitus, gnatho mensarum; musca, reliquias omnes ciborum detergens; en de spreekwijze van Op schuifjes loopen, parasitum agere; en verder ons bastertstaertige Schuiffelioen, en Schoffelioen, n: peniculus furnarius; unde Gall: escouillon; en Schuiffelagtig, lubricus; en Schuiverdynen, schaetsen, calopodia ferrata; om 't glad en snel voortschuiven over 't ys; en Schuif-uit, Schuif-uil, ook uit het Praeter: Schoef-uit, f: en m: Sax: scuffuth / bubo, noctua, Gall: chouette; als vlugtig met den roof, of anders om zijn lelijkheid van elk verschoven; en overdragtelijk ook † Schuiver, en Schoef-uit, m: scurra, nebulo; als schuiven gaende wegens schandelijk bedrijf, en gelijk de nagt-uil, het licht schuwende. Nog ook by ons Schuifel, f: fistula; mooglijk om 't geschuif van de vingers; waer van ons Schuiffelen, I. CL: sibilare.

 

Voor het oude Praeter: hebben we ons Schóóf, Schoove, f: A-S, scea / Angl: sheaffe / fascis segetum, merges, manipulus spicarum; vermits bij-één geschoven; waer toe het Vlaemsche Schóófland, n: ager qui, ultra decimas, sextum etiam manipulum tribuit; en waer van ons Schooven, I. CL: colligere in fasciculos; en Schoover-zeil, n: velum maximum; vermits in bundellagen werdende opgeschoven; insgelijks kan men tot dit Praeter:even zo wel betrekken, als tot het Praes: van het A-S, seeafan / III. CL: 2, radere, het A-S, sceafa / sceaba / runca, runcina, dolabra; om de schuifbeweging by het schaven.

 

Tot het Zakelijke deel van het Praeter: met O, of hare gelijkwaerdige U of OE, het voorgenoemde A-S, scofl / scobl / by ons Schoffel, en Schoefel, f: en Sax: schuffel / ligo, pala, rastrum, radula hortensis; waer van ons Schoffelen, I. CL: palâ vel radulâ verrere hortum; en Uit-schoffelen, I. CL: protrudere, abigere; Nog ook 't reetsgenoemde

[p. 379]origineel

Schoffelioen, peniculus furnarius; en Schoef-uit, noctua; & scurra. Verder hier toe ons † Schof, repagulum, obex, claustrum; & capsa trusatilis; & cataracta; alles om het schuiven; waer van het A-S, scofan / I. CL: trudere, agere. Wijders ons † Schóf, fascis, congeries rerum colligatarum; als by elkander geschoven tot bequame bundels, en, op de nette geschiktheid van 't by eengeschovene ziende, ons † Beschóft, compositus, decens; en Onbeschóft, incompositus, & tr: impudens, improbus; en M-G, skufts / M, capilli; en H-D, schopff / M, crista, crines propenduli; als byéén geschovene lokken; en † Schóf, nu Schóft, m: en in een Allem: Dialect: ook † Schócht, m: Atlas humerorum, dorsi superior pars onera gestans; als waer op de hairlokken vergadert liggen, of ook, waer op men de schoven of andere lastbundels draegt: en † Schóf, nu Schóft, n: quadrans operae unius diei; & pastio diurna quatuor vicibus; als wordende de werkdag in vieren afgedeelt, en tusschen beiden, om de rusting en 't spijzigen, de arbeid wat uitgestelt en verschoven: waer van ons † Schóffen, nu Schóften, I, CL: pascere aut quiescere statutis vicibus. Nog ook in een hatelijken zin, even als het voorgemelde † Schoef-uit, &c, ons † Schóf, nu Schóft, m: nebulo, scurra; waer toe met een Walschen staert, † Schóffier, violator virginum, infamator, raptor; waer van Schóffieren, of Schófferen, I. CL: violare, corrumperc; ignominia afficere, vi rapere. Voorts ons Schoverlink, m: calopodia ferrata; om 't schielijk voortschuiven langs het ys; dog uit het Praeter: Part: ons Verschovenling, m: homo contemptus, innocens à pluribus rejectis. Daerenboven ook † Schoef, † Schoeve, f: amiculum, penula, palla; als een los omgeschoven overtrekkleed, dat allerhande schuiving en wrijving moet uitstaen; waer toe mede † Schoef-omslag, m: replicatio togae, pars suprema togae reflexa; als omgeslagen van de buitenzijde voor 't afschuiven en bemorsen te bevrijden; en om gelijke reden, † Schoef-mantel, m: Ricinus, ricinium; waer van nu ons † Schoeveren, I. CL: quatere, concutere, agitare.

 

Wijders onder eene Allemann: Dialect van P of B, voor F of V, is mede hier toe, zo wel als tot het oude Praeter: van † SCHAEP of SCHEP, betrekkelijk, ons Schup, Schop, en † Schoep, pala, rutellum, rutrum, batillum; en 't daer van afgeleide Schoppen, Schuppen, I. CL: protrudere; en Verschuppen, Verschoppen, I. CL: abjicere, contemnere; vermits de schuifbeweging by 't gebruik dier werktuigen: dog zie daer van verder mede bij † SCHAEP, in deze Pr.

 

En met B, past ook niet qualijk hier by ons Schobbe, Schubbe, f: squama, operculum, tegmen; als schuivende in de beweging over elkander; waer van ons Schubben en Schobben den visch, I. CL: desquamare piscem; en overdragtelijk Schobbe,f: scabies; en Schubbe, f: crusta vulneris; en Hóófd-schubben, furfures capitis, porrigo; als schilferig en schobbig; waer van Schobben, I. CL: scalpere; en waer van ons Schobbert, en † Schobbe, m: scurra; met dezelfde slegte beteekenis en zinspeling als ons Schurk, ziende naemlijk op dat havelooze volk, dat, vol van ongedierte zijnde, overal te schurken slaet; hoewel ook de veragte zin van verschoven, even als bij 't voorgemelde Schoef-uit, en Schóft, scurra, geen quaden voeg hier heeft.

De Zaek- of Wortel-deelen.

† SCHUL, zie bij ZUL, in deze Pr.

 

SCHULD, in Schuld, Beschuldigen, † Schuld-heis, praetor; zie daer van by SCHELD, en ZUL, beiden in deze Pr.

 

SCHULP, testa; zie daer van bij SCHEID, in deze Proeve.

 

SCHUP, in Schup, pala, rutrum; en † Schuppen, palâ levare; zie daer van bij SCHAEP, en bij SCHUIV, hier voor in deze Pr.

 

SCHURK, in Schurk, scurra, nebulo; en Schurken, mendicorum instar dorsum defricare vestibus; zie daer van bij 't vorige SCHEER, in deze Pr.

[p. 380]origineel

SCHUT, in Schut, Schutter, Geschut, Beschut, Schuttery, en Schutten, Beschutten en Schuttel, &c, zie daer van by SCHIET, hier voor, in deze Proeve.

SE.

SEED, in Sedert, ab illo tempore; bij WEEZ, in deze Pr.

 

SEEV en SÉF, in Sevens en Séffens, &c, zie daer van bij ZYG, in deze Pr.

 

SEM, in Sémmelen, segnius tractare negotium; zie daer van bij TEM, in de II. Proeve.

SI.

SIECH, in Sichorey, cichorea; zie daer van bij ZUIG, in deze Pr.

 

SIED, in † Sident, posteaquam; zie daer van bij WEEZ, in deze Pr.

 

SIND, SINT en SINTS, in Sint, Sindert, deinde; en Géén-sints, nullo modo; &c, zie daer van bij WEEZ, in deze Proeve.

SLA.

SLAB, in Slabben en Slabberen, zie daer van bij LEP, in de II. Pr:, en in Slabbakken, zie bij SLAEP, in deze Pr.

 

SLAD, in Sladde, ambubaja; zie daer van bij 't vorige LYD, in deze I. Pr.

 

SLAEF, servus; zie bij BLYV, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SLAEG of SLAG, &c, in ons SLAEN (oul: † SLAGEN), SLOEG, GESLAGEN, III. CL: 3, verberare percutere, pulsare, ferire, cudere, battuere; caedere, pugnare; & olim occidere; † Een ader slaen, III CL: 3, incidere venam; In stukken slaen, III. CL: 3, frangere, in frustra ferire; Door den teemst Slaen, III. CL: 3, percolare; Door de billen slaen, III. CL: 3, decoquere, abligurire; Slaen na iets, petere aliquid ictu; & tr: conjicere, conjecturare; Raed-slaen, en Raed-slagen, III. CL: 3, consulere; dog word zelden anders dan in Infin: en in 't Praesens en Futurum gebruikt; hoewel, onder dit zeldsame, het laetste ook wel als I. CL: deurloopt: voorts Het leger slaen, III. CL: 3, castra metari; De trompét slaen, III. CL: 3, canere tubâ; Alarm slaen, III. CL: 3, tympano ad arma vocare; De oogen slaen, III. CL: 3, injicere oculos. Waer by te voegen zijn vele merkwaerdige voorzettelingen, allen van deze zelfde Classis, als Aen-slaen, attingere scopum; affigere ictu; injicere manus &c, incipere, aggredi; & machinari; Af-slaen, decutere; detrahere, diminuere valorem; & laxare pretio, diminui; repellere; & abnegare; † Zyn water af-slaen, mejere; Beslaen, retinere; affigere clavis, circumcludere; claudere, tegere, induere; occupare locum, miscere, temperare, macerare aquâ &c; & mucore obduci; Den kóóp beslaen of toe-slaen, addicere rem venalem; plausu manuum confirmare conditionem; ontleent van den gewoonlijken handslag by het sluiten van eene onderhandeling: en Wel beslaen, benè succedere; ontleent van den goeden uitval van 't beslaen der mengsels. Deur-slaen, pertundere; percutiendo penetrare; transadigere; percolare; prodigere; & phrenesi laborare; In-slaen, incutere, illidere; intexere; injicere in domo; divertere; Mis-slaen, errare, malè succedere, malè tangere; Neder-slaen, figere sedem, considere; decutere, profligere, & olim Occidere; De oogen neder-slaen, submittere oculos; Om-slaen, versare; reflectere; replicare; involvere aliquid aliquâ re; & retundere; Om-slaen met de trommel, tympani sonitu promulgare; Ontslaen, explicare, absolvere, dimittere; Op-slaen,incudere, ferire; effringere, pretio augescere; replicare, reflectere; De oogen op-slaen, attollere oculos; † Op-slaen het huwlyk, pacisci nuptias, plausu manuum confirmare; Over-slaen, ultra metam pellere; involvere, integere; praetermittere; recensere; animo versare; & olim

[p. 381]origineel

Prodigere, & praetervolare, alisque plaudere; Toe-slaen, ferire; plaudere; complicare; occludere; Verslaen, sternere, occidere; percellere; consternare; & refrigerari; & olim, Amovere clam; Den dorst verslaen, pellere sitim; † Een gezwél verslaen, mitigare abscissum; Voor-slaen, proponere; Voort-slaen, propellere, urgere; & procurrere; Uit-slaen, excutere, ejicere; laminam ducere; calces rejicere; pullulare; efflorescere in cute; & mucere; & inania effutire, ac verbis tentare; en zoo nog meer anderen, die minder zeldsaem van overdragt zijn.

Onder de oudheid vond ik M-G, slahan / sloh / slahans / III. CL: 4, percutere, en M-G, afslahan / III. CL: 4, occidere; F-TH, slagan (of slahan en ar-slahan) / sluog / gislagan / III. CL: 3, verberare, percutere; & occidere; F-TH, in cruci bislagan / III. CL: 3, cruci affigere; A-S, slagan (en slaegan of slegan contr: slean en slan en slea) / slog / slagen en slegen en slaegen / III. CL: 2, verberare, percutere; & occidere; A-S, beslean / forslean / occidere; percutere; en on-be-slean / illidere, percutere; in-be-slean / pungere, pulsare; onslean / impingere; en geslaen en ofslean / occidere; en thurhslagan / percutere; allen III. CL: 2, Angl: to slay / slein / slain / percutere. H-D, schlagen / schlüg / geschlagen / III. CL: 2, percutere; Ysl: slaa (voor slaga) in Praet: ind: sloo / in Praet: Part: sleigenn / in Praes: ind: eg slae / III. CL: 2, verberare. Land-Fries, slean / sloeg / sleyn / verberare.

 

Meest alle onze Takken voeren nog zonder uitlating de G ten einde van het Wortel-deel: dus met de ingekorte A, ons Slag, m: A-S, slag / slaege / slege / sloge / H-D, schlag / M.ictus, percussio; pugna, praelium; clades; & olim caedes; oulinks by ons ook † Slaeg, Slage, waer van als nog de Plural: by ons is Slagen, en niet Slaggen; zoo mede de Plural: in 't H-D, schlägen; geljjk ook M-G, af thamma slaga / ab illo ictu vel plaga; waer toe mede ons Slaegs zyn, Slag leveren, acie confligere. Verder tot Slag ons Slag-orde, f: acies instructa; en Man-slag, m: F-TH, Man-slag / en manslahti / homicidinm; en Slag-bal, m: pila clavaria; Slag-bosch, n: silva caedua; Slag-bóóm, m: repagulum; en Slag-brugge, f: pons versatilis; Slag-poorte, f: cataracta, pensiles chlatri, † Slag-karre, f: parvum vehiculum; Epirhedium; gisse om eenig toeslaen; en Slag-molen, f: mola olearia; om 't slaen en klappen van de stampers; Slag-hóut, n: heye, telum ruidum; en Fla: Slag-Hóut, n: ligna caedua, arbores caeduae; en Slag-zwéérd, n: machaera Herculanea; als groot, en voornamentlijk om 'er mede heen en weêr te slaen, of maey-slagen mede te doen; en Slag-tanden, dentes brutorum exteri; waer mede het wild gedierte hare scheurslagen doet; en Slag-vederen, pennae remiges avium; als waer mede 't geweld van den vlerkslag geschied, en Slag-duive, f: palumbes; om zijn vlerkeslaen en klapperen; en Slag-vliem, n: phlebotomum quo equis jumentisve sanguis detrahitur; als waer op men in 't aderlaten van de paerden met den hamer een slag doet, in tegenstelling van een andre laet-vliem, waer mede men in 's menschen-arm met een zachte steking een opening prikt; en ons Slag-vlage, f: Slag-regen, m: A-S, slyht / sliht / imber; als sterk nederslaende. Nog ook ons † Slag, m: A-S, slaegu / H-D, schlag / M. ictus sanguinis, apoplexia, lethargus; M-G, slag / M, languor, plaga; Marc: V. 29 & 34; als nedergeslagen in onmagt door Godes hand. Wijders Slag, vogel-slag, m: decipulum; om het toeslaen van den dranger of val-knip: en Vlérken-slag, m: plangor alarum; Maet-slag, m: H-D, schlag / M. mensurae cantus; om 't op- en neder-slaen van hand of voet, tot verdeeling van de zangmaet. Pols-slag, m: pulsus arteriarum; en Slag, † Geslag van 't hóófd, m: tempora; alwaer de polsslag zeer kennelijk is. Voorts Slag, of vlamme van de boomen, sideratio; Slag der munte, H-D, schlag / M, forma, imago, impressio. monetae figura; als door slag of indruk gevormt. Daerenboven Slag, m:Slagte, † Slagt, f: en Geslagt, n: F-TH, slahta / H-D, slecht / geslecht / genus, stirps, generatio, soboles; & qualitas generis, figurae, & conditionis; waer van ons † Geslagten, I. CL: generare; voorts Allerhande slag, F-TH, allerslach / en

[p. 382]origineel

allerslahta / omnis generis; en F-TH, scalk-slahta / servilia genera; en manigar slahta / en manigslahtig / varii generis; en Zi thuruh slahti / omninò; en ons Geenerhande slag, nequaquam; en de spreekwijze Dat is de régte slag, est ejusdem generis quod petimus; komende wijders van † Slagt, qualitas generis, ons Slagten, en † Geslagten, I. CL: H-D, schlachten / I. CL: F-TH, gi-slahtan / I. CL: similem esse, assimilari; progeniem sequi; en † Ontslagten, I. CL: degenerare; en † Geslagtenaer, † Geslagter, patricius. Dog, zonder den uitgang T, en zinspelende op een behendigen slag met kolf en bal of iet anders, die het doelwit treft, of het perk overvliegt, ons Slag, † Slaeg, habitudo, actitudo congruens; waer van ons Slagen, Wél-slagen, I. CL: benè succedere; beneffens de spreekwijze Hy heeft 'er den slag van wég, ejus habitudinis compos est. Voeg hier by onze voorname voorzettelingen Aen-slag, m: inceptum, operis institutio, ratio, machinatio; Af-slag, m: imminutio, & remissio; pretii diminutio; & repulsa; Beslag, n: rerum implicatura; fibula; detentio, retentio; occupatio, negotium; maceratio, intritum, fartura; het Friesche By-slag; m: stoepe, exedra; en ons † By-slag, m: tabula projectitia, projectum tabernae. Deur-slag, m: cribrum; colum; en Deur-slager, m: prodigus; In-slag, m: interjectio, insertio; textoris trama; A-S, slae / pecten textoris; Mis-slag, m: ictus cassus, peccatum, vitium; dus worden de mistastingen en gebreken niet qualijk uitgebeeld door een woord, dat meer het ongeluk of de onkunde of onbedrevendheid uitdrukt, dan den quaden wil. Want mis te slaen is een uitval tegen 't oogmerk; en zoo word 'er ook meer uit onvermogen en gebrek van kennis omtrent de behandeling der zaken gezondigt, dan uit quaed-aerdigheid, † Neder-slag, m: nu neder-laeg, homicidium; en Neder-slagtig, humilis, oculis dimissis. Om-slag, m: inversio, replicatio; involucrum, amiculum, flexus viae; & rerum implicatura; circumstantia; & commotio; & censitio; A-S, slaeht-penning / census; ons Onder-slag, m: waterscheuten, stolones, soboles; Ontslag, n: dimissio, absolutio; Op-slag, m: accessio pretii; & actus sursum aspiciendi; & stolones; en † Over-slager, m: prodigus; en Over-slag, m: involucrum; & recensus, examinatio; het Friesche Toe-slag, m: toemate, mantissa; en ons Verslag n: verhael, relatio, narratio; gelijk ook by 't Land-Fries, for-slean / narrare; en ons Veur-slags, ante ictum, ante factum; en Voor-slag, m: propositum; praeludium, praeambulum; en Uit-slag, m: fervida cutis eruptio; & mucor; & auctarium supra pondus debitum. En verder nog meer composita met Slag voor- of agter- aen, als Slag-ader, arteria; Hamer-slag, n: ferri scoria; enz.

Wederom, met den uitgang T, agter 't Zakelijke Deel, ons † Slagt, f: F-TH, slahta / A-S, slyht / slehte / H-D, schlacht / F, caedes, clades, praelium; waer van ons Slagten, I. CL: caedere, mactare boves, oves &c; en F-TH, an crucem geslahtet / cruci affixus; en ons Slagt-maend, November, quo tempore pecora mactantur; en 't Geld: Slagt-braede, beulink, hilla; als die men in de slagt-tijd maekt, en braed; en Slagt-bank, m: mensa lanionia; en Slag-tinge, f: caedes, clades, praelium; en Slagter, H-D, schlagter / M, lanius; als mede zonder T, agter 't Wortel-deel, by ons Slager, m: lanius; en ons Slager, † Sleger, m: percussor; flagellum; vola; malleus, pavicula; A-S, slaga / interfector; H-D, schlager / schläger / M. percussor, pulsator, pugnax pugil; en A-S, slecg / slicc / en slege-bytle / malleus ferreus vel ligneus; als mede ons † Slagel, † Slegel, m: H-D, schlägel / M, malleus; flagellum; vola; & suffrago, quae in animalibus coxa pars inter unguem & juncturam media; waer van ook 't H-D, schlägeln / I. CL: propriè, pavimentum complanare; & tr: damnum accipere, & aberrare, ineptire, falli, delinquere.

Nog ook wederom met T, agter 't Wortel-deel, ons oude † Slagt, nu op den A-S, trant met e / ons Slégt, F-TH, sleht / H-D, schlecht / M-G, slaihts / Ysl: sliettur / en by den Vlaming Sligt, aequus, planus; als plat of effen geslagen; waer van ons Slégten, I. CL: † Sligten, I. CL: F-TH, slehtan / en slightan / I. CL: H-D, schlichten / I. CL: en Euphon: Ysl: sletta / I. CL: explanare, complanare, planum reddere, lae-

[p. 383]origineel

vigare; en ons Beslégten, I. CL: extricare; & tr: discernere lites; 't gene doorgaends best met opregtigheid en met zagtigheid gelukt; waer op mede past het AL: slehto / leniter; en slehtidoom / slehtiu / blandimentis; en ons Slégt en régt, H-D, schlecht / sincerus, simplex, nihil dissimulans. Maer, gelijk de listigen, en ook velen die zig verkeerdelijk kittelen met een naem van polityk en verre-ziende te zijn, de eenvoudigen, die slegt en regt van omgang zijn, slegts aenzien als onverstandigen, of stomp van begrip, of als laeg van rang en onbedreven in 's Werelds trein, zo heeft dit woord insgelijks een veragten zin gekregen, namelijk Slégt, H-D, schlecht / incallidus, trivialis; & rudis, vilis; atque perversus & malus; en Slégtaerd, m: Slégt-hóófd, m: homo simplex, rudis, incautus; dog op de eenvoudigheid en geringheid past wederom ons Adverb: Slégts, simpliciter; tantummodò, solummodò, saltem; hoewel men ook dit woord, als ziende op de toegeeflykheid tot beslegting van geschillen, kan nemen voor by inschikking; 't gene zeer wel overeenkomt met ons Doe dat slégts, fac hoc saltem, facias quaeso; gelijk ook de Schotten haer woord condescend, 't gene eigentlijk by toegeving beteekent, in de zelfde plaets als wy ons Slégts gebruiken.

 

Tot het Praeter: Part: ons Beslagen, metallo vel mucore obductus; benevens de spreekwijze Onbeslagen ten ys, haud bene instructus, non paratus; Een doorslagen fielt, homo vafer, astutus, nil nisi dolo conficiens; en Verslagen, consternatus; & vappam factus, cujus vis evaporata; waer van Verslagentheid, f: consternatio; en Volslagen, consummatim; Een volslagenklééd, vestis laciniata, ampla, sinuosa; enz.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SLAEK, in Slaek, segnis, piger, tardus, remissus; en Slaken, laxare, dissolvere; zie bij SLYK, in de II. Pr.

 

SLAEN, in Slaen, Aenslaen, en zoo vele anderen, bij 't vorige SLAEG, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SLAEP, &c, in ons SLAPEN, SLIEP, GESLAPEN, III. CL: 2, dormire; & olim stupere, obstupere, torpescere; torpescere; atque membrorum solutione affectum esse; Beslapen, en By-slapen, III. CL: 2, condormire, concubare; Zich érgens op beslapen, III. CL: 2, ulterius rem animo pervolvere per diem atque alterum; als eischende een etmael of twee tijds om iets nader te overwegen, dat is, den tusschentijd van een- of twee-mael slapens. En Ontslapen, III. CL: 2, expergisci; & mori; Zig verslapen, III. CL: 2, dormiendo negligere, perdere; Uit-slapen, III. CL: 2, edormiscere; enz.

M-G, slepan / saislen / slepans / IV. CL: 2, dormire; zijnde van die M-G, Classis, die, door de nabuerschap met de Grieken, in haren trant verloopen is. F-TH, slaphan of slafan / slief of slieph / gislaphan / III. CL: 2, dormire; en intslafan / III. CL: 2, dormire; A-S, slapan of slaepan / sleop / geslapen / III. CL: 2, dormire, H-D; schlafen / schlief / geschlafen / IV. CL: 2, dormire; en ent-schlafen / IV. CL: 2, obdormire.

 

Tot ons Wortel-deel met AE, ons Slaep, m: M-G, slep / M. F-TH slapho / AL: slaffe / A-S, slaep / slep / H-D, schlaff / M. somnus, sopor; en A-S, slap-graba / sepulchrum; dit schijnt te zinspelen op de Christelijke Leere, die den dood der vromen aenziet met eene levendige hope, als een Voor-rust van den toekomstigen dag der Eeuwige Zaligheid, en gevolglijk niet t'onregt het graf als het Rust-bed, of de Slaepplaets. Voorts F-TH, slaffig / en slafal / A-S, slapol / slapor / by ons Slaperig, H-D, schläferig / somnolentus; en ons Slaper, m: A-S, slapere / M, H-D, schläffer / dormitor, & tr: hospes nocturnus; waer van het H-D, schläffern I. CL: dormitare; nog ook ons Slaper, m: daksparre aen de huizing, cantherius interangularis, vulgò Dormitor; zijnde eensdeels tot veiligheid en overbodige versterking, op dat men gerust deswegen slapen moge, en anderdeels om dat de hulp van dezen slaept, zo lang het andere dak-gespan nog goed is.

[p. 384]origineel

In dien laetsten zin noemt men ook een binnendijk, die tot waerborg gelegt is in geval by ongeluk de buitensten mogten deurbreken, een Slaper; als mede, in den iin van stilleggen tot dat de dienst daer van te passe mogt komen, ons Slaper, m: canon; een maetstok, die alleenlijk bewaert word, om 'er anderen aen te beproeven: en Slaper, m: torpedo; een zekere visch die een zonderlinge Slap-en vadsigheid of doove slaperigheid in de leden aenbrengt, wanneer men hem aenraekt; men wil ook dat hy zig met list onder den slijk verbergt, en devisschen die zorgloos digt over hem heen zwemmen, verstijst en alzoo vangt: 't is een soort van platte kraekbeenige visch, de Roch niet ongelijk. Wijders overdragtelijk ons By-slaep, m: of f: concubitus; & concubinus vel concubina; eh F-TH, in slapho sijn / curam alicujus rei negligere; en ons Slaep der leden, H-D, schlaf der glieder / torpor, torpedo, stupor; ontleent uit den bovengemelden ouden zin van ons Slapen: dus ook De slaep van't Hóófd, m: H-D, schaf / M. tempora; als die by 't slapen doorgaends op 't kusssen of de hand rust, of anders om dat men, aldaer een slag ontfangende, ligtelijk in een suizeling en bedwelmtheid vervalt: en gelijk by den slaep der leden eene slappigheid of traegheid en hanging der leden verzelt gaet, zo past daer toe ons Adj:Slaep, nu Contr: Slap, H-D, schlaff / laxus, languidus lenis, deficiens; & remissus; piger; F-TH, slaff / ignavus; en slaffii / desidia; en A-S, sleaw / slaew / tardus, piger; waer van ons Slappen, Ver-slappen, I. CL: H-D, schlappen / en schlapperen / I. CL: staccescere, languescere; remittere, laxari, retendi, & animo frangi; F-TH, slaffon / I. CL: pigrescere, staccefcere,labascere; en ons † Ontslappen, I CL: relaxare; alwaer Ont tot zinstijving en niet tot berooving verstrekt: en † Slappakken, nu Euphon: Slabbakken, I. CL: labascere, languescere, deficere.

 

En uit het Praeter: met IE, of ingekort met I, mooglijk ook, ons Slippen, Ontslippen, I. CL: H-D, shlipfen / I. CL: Angl: slippe / elabi, dilabi; AL: sliafan / I. CL: illabi; en in-slifan / I. CL. illabere; pi-slifan / en pi-slipfan / I. CL. labere; en A-S, slippan / siypan / I. CL: labi; overmits de slappe en slaperige leden nederzygen en asslippen; waer toe mede Een slippert maken, decedere tacitè; en Een Slippert krygen, frustrari, scopo labi; gelijk ook, met een Alemann: Dialect van B voor P, hier toe betrekkelijk schijnt ons Slibbe, Slibber, limus, caenum mollius; en A-S, slipe / slype / lubricum; als glad onder de voeten, en ligtelijk doende slippen; waer van wederom ons Slibberen, I. CL: lapsare, prolabi; 't en ware alle dezen met I van ons Slypen, II. CL: 1, mogten ontleent geweest zijn, aengezien het slijpen glad maekt, en 't gladde wederom doet glyden en glibberen; of anders (vermits het weg-sluipen en weg-slippen gelijken zin voeren) van Sluipen, II. CL: welks UI in die Classis met de IE gelijkstammig is, en slegts in Dialect verschilt.

De Zaek- en Wortel-deelen.

SLAEV, in Slave, Slaven, Slavoenen, &c, zie bij BLYV, in deze Pr.

 

SLAG, in 't velerhande Slag, ictus, pugna, clades, caedes; apoplexia; genus, species; habitudo &c;enz. zie by 't vorige SLAEG, in deze.Pr.

 

SLAGT, in † Slagt, Geslagt, genus, stirps, soboles &c; Slagten, similem esse, progeniem prosequi; en † Slagt, caedes, clades, praelium; Slagten, caedere, mactare boves, oves &c; en † Slagt, aequus, planus; enz. zie bij SLAEG, in deze Proeve.

 

SLAK, in Slak, limax; en 't Vlaemsche Slak, segnis, piger, tardus, remissus; zie daer van bij SLYK, in de II. Pr.

 

† SLAM, &c, zie daer van bij † LÉM, in de II. Proeve.

 

SLANG, in Slang, serpens; & tr: bombarda longior; enz. bij SLING, in de II. Proeve.

 

† SLANK, in † Slank, tenuis; procerus;

[p. 385]origineel

agilis, solutus; en † Slankeren, laxare, solvere; zie bij SLINK, in deze I. Pr.

 

SLAP, in Slap, laxus, remissus, piger; en Slappen, Verslappen, en † Slappakken, flaccescere; laxari, retendi, & animo frangi; en † Ontslappen, relaxare; zie daer van bij SLAEP, in deze Proeve.

SLE.

SLÉD, in † Slédde, nu Slede, trahea; en Slédderen, labi, prolabi, & celeriter tendere, zie daer van by LYD, in deze Proeve.

 

SLEED, in Slede, trahea; zie daer van by LYD, in deze Pr.

 

† SLEEG, in † Sleger, lanius; en † Slegel, malleus, flagellum &c; bij SLAEG, in deze Proeve.

 

SLÉÉK, in † Sléék, humi repens; planus, & aequus; bij SLYK, in de II. Pr.

 

SLEEP, in Sleep, Slepe, tractus, syrma, consequentia rerum; turma; en Slepen, trahere, raptare; repere, & segniter incedere &c; Geslepen, Doorslepen, astutus, vafer; enz. by SLYP, in deze Proeve.

 

SLÉÉP, in Sléép, syrma; pompa comitum, turma, &c; en Sleepen, trahere, verrere, &c; enz: bij SLYP, in deze Pr.

 

SLEET, in Sleet, Slete, tritus; & mercium distractio; en † Slete, hernia; & linteum tritum; enz. bij SLYT, in deze Proeve.

 

SLÉGT, in Slégt, planus, aequus; simplex; trivialis, rudis, & perversus; en Slégten, complanare &c; zie by SLAEG, in deze Proeve.

 

† SLEY, in † Sleye, tinea, merula lacustris, piscis genus; zie daer van by LYD, in deze Proeve.

 

SLEIK, in Sleik, humi repens, planus & aequus; Sleiken, repere, serpere; en † Sleiker, vulpes; zie by SLYK, in de II. Proeve.

 

SLEIP, in Sleip, tractus, syrma; Sleipen, trahere, raptare &c; bij SLYP, in deze Proeve.

 

SLÉK, in Slék, limax; Slékke Lóóts, scoria plumbi; en Slékke Zilvers, scoria argenti, bij SLYK, in de II. Pr.

 

SLÉM, &c, zie daer van bij LÉM, in de II. Proeve.

 

SLÉND of SLÉNT, in † Sléndse, Sléntse, attenuatio; en Versléntsen, flaccescere, corrumpi; zie daer van bij SLIND, in deze Pr.

 

SLÉNK, in Slénken, zie by 't volgende SLINK, in deze Pr.

 

SLÉNT, in Versléntsen, zie daer van by SLIND, in deze Pr:, en in Slénteren en Slénteraer, zie daer van by LINN, in de II.Pr.

 

SLÉP, in 't Vla: Sléppe, lacinia, syrma; bij SLYP, in deze Pr.

 

SLÉT, in Slét, Slétse, Slétte, en † Slétser, hernia; & linteum tritum; en Slét, Slétte, Slétse, ambubaia; en Verslétteren, flaccescere; bij SLYT, in deze Pr.

 

SLEUF of SLEUV, in Sleuf, Sleuve, Sleufje, rimula; zie daer van bij SLUIP, in deze Pr.

 

SLEUT, in Sleutel, bij SLUIT, in deze Proeve.

 

SLEUV, zie SLEUF, hier boven.

SLI.

SLIB, in Slibbe, limus; coenum mollius; en Slibberen, lapsare, prolabi, zie daer van bij SLAEP, en bij SLYP, in deze Pr.

[p. 386]origineel

† SLID, in † Slidde, trahea; en † Slidderen, labi, prolabi; & celeriter tendere; zie daer van by LYD, in deze Pr.

 

SLIEP, by SLAEP, in deze Pr.

 

SLIGT, in 't Vlaemsche Sligt, aqeuus, planus; en Sligten, planare; zie daer van bij SLAEG, in deze Pr.

 

SLY, tinea, piscis genus; zie daer van by LYD, in deze Pr.

 

SLYK, coenum, lutum; bij SLYK, in de II. Proeve.

 

SLYM, limus, phlegma, mucus; zie daer van bij LYD, in deze I. Pr.

Het Wortel-deel.

SLYP, &c, in ons SLYPEN, SLEEP (ook voormaels in Sing: SLEIP en SLÉÉP), GESLEPEN, II. CL: 1, trahere, terere, acuere, atterere coti; & tr: Polire, & acuere ingenium. H-D, schleiffen / schliff / geschliffen / II CL: 1, dog ook I. CL: acuere; trahere, rapere. Voor de grondbeteekenis neem ik een enkelde of heen-en weer-gaende voorttrekking langs iet, zulks dat 'er eene afschuering uit ontstaet, volgens aenwijzing van de volgende Takken.

 

Het Wortel-deel met Y vertoont zig in ons Geslyp, n: H-D, shliff / M. exacutio; ons Slyp, f:Slip, en Slypsel, n: aerugo ferri vel lapidis, scobina: Slyp-stéén, m: cos; en A-S, slifan / findere. Nog ook met de ingekorte I, en in den zin van af-en in-slijping ons † Slippe, f: crena, incisura; waer van ons † Slippen, I. CL: lacerare, inscindere, dissecare; als mede ons Slippe, Slip, en Flandr: Sléppe, f: lacinia, sinus vestis, pars sive segmentum vestem separans, peniculamentum; quin etiam syrma, tractus; en, Geslipt, lacer, & laciniatus; wordende deze naem van Slippe nu wel toegepast op het agterste sleep-end van een sammaer of vrouwen-opperkleed, maer schijnt van ouds en nu nog (even gelijk 't Latijnsche lacinia met lacerare gelijkstammig is), alzoo mede bij ons voornaemlijk gezien te hebben op een uitgescheurde of versletene afhangende lap: waer op zig toepasselijk vertoont onze spreekwijze van Slippe bieden, cedere foro, fraudare creditores cum summa infamia; als of het zeide, het best van den boedel wegslepen, en niet als een slegten staert of lappen agterlaten; of anders, met dezelfde zinspeling als by ons gemeene zeggen van zyne hielen laten zien voor doorgaen, wegloopen; zoo mede de Slippe of 't agterste van zyn kleed bieden voor bankroet spelen; waer uit ook verder kon ontleent geweest zijn ons Wég-slippen, Gaen Slippen, I. CL: decedere tacitè, en Slippen, Ontslippen, I. CL: H-D, schlipfen / I. CL: AL: sliafan / en slifan / I. CL: A-S, slipan / slippan / Angl: slippe / elabi, dilabi; waer van we mede by 't Praeter: van 't Wortel-deel SLAEP in deze Proeve gesproken hebben; behalven dat ook ons Sluipen hier op eenig regt schijnt te hebben, gelijk we by 't Wortel-deel SLUIP staen te vermelden. Desgelijks, met de Allemann: B voor P, ons Slibbe, Slibber, limus, coenum mollius; als slijpsel van den grond, of anders, vermits aen de slijp gelijk; A-S, slipe / slppe / lubricum; waer van weder ons Slibberen, I. CL: H-D, schlipferen / I. CL: lapsare, prolabi; mede breeder bij 't Wortel-deel SLAEP verhandelt.

 

Tot onze Takken uit de Praeterita's met de zagte en harde lange EE en met EI op dezelfde woorden, ons Slepe, Sleep, f: en Sléép of Sleip, m: tractus, syrma; H-D, schleife / F, traha, tendicula; syrma, peniculamentum, & nodus laxus; en schleif / M, tractus, cuniculus; en schleppe / F. syrma; en overdragtelijk ons Sleep, Sléép, en Nae-sléép, m: consequentia rerum; turma, & pompa comitum &c; waer van ons Slepen, en Sleepen, Sleipen, I. CL: H-D, schleifen / schleppen / en schlippen / I. CL: trahere, verrere, raptare; & ita rem aliquam protrahere ut non sustollatur ab id quo connexa, aut cui adjuncta erat; quin etiam repere, & segniter incedere; waer toe mede ons Sleping of Sleeping van régt, dilatio, ampliatio, procrastinatio; en Sleepende ziekte, morbus epidemicus; en Sleipe, Sléép-lénde,

[p. 387]origineel

f: mulier tardigrada; en Sléép-béén, Sléép-voet, m: en f: Atta, plantas pedum inter gressum non satis à terra sublevans; en Sléép-lénden, m: en f: lumbos trahens. Dog, in den zin van 't afslypen, gelyk- en effen- maken, het H-D, schleiffen / I. CL: solo adaequare, desolare; en in den zin van opslypen, scherpen, ons Adject: uit het Praet: Part:, Geslepen, Doorslepen, astutus, ingenio acutus, vafer, tritus, & exercitatus in dolis; veterator; als in allerhande voorvallen en listigheden opgescherpt; en eindeling A-S, slipper / slebe-scoh / Angl: slipper / crepida; om 't slepen der muilen langs de vloer.

Het Wortel-deel.

SLYT, &c, in ons SLYTEN, SLEET, GESLETEN, II. CL: 1, terere, atterere; & tr: vendendo absumere; en Verslyten, II. CL: 1, usu attenuare, deterere, absumere; en Uit-slyten, II. CL: 1, deterere; & minutim evanescere; & particulatim divendere; F-TH, slizan / sleiz (in Subj: slizi) / gislizan / II. CL: 1, scindere; zoo mede F-TH,.gi-slizzan en zi-slizzan / II. CL: 1, scindere. A-S, slitan en slyttan / slat of slaet (in Subj: slite) / sliten / III. CL: 1, scindere, findere, rumpere. H-D, schleissen / schlisz / geschlissen / II CL: 1, scindere, scindi, & evanescere. De afneming, vermindering of verergering schijnt my hiet de grondbeteekenis te zijn, vermits doorspelende in alle de stammen en takken.

 

Het Wortel-deel SLYT vertoont zig in ons Slyte, Slyt, f: tritus, consumptio, distractio mercium; & Atrophia, tabificus morbus; en in den zin van af- of in-snyding het H-D, schleisse / F. segmentum, assula, intertrimentum, ramentum; en A-S, slite / H-D, schlisz / M. fissura, rima, ruptio; tr: caedes; waer van het H-D, schlitzen / I. CL: incidere, crenare, serrare; en A-S, slitta / contentio; en A-S, slitere / of, uit het Partic: slitend / rabidus, vorax, lurco; Ki: slyta / dilaniare; en Ysl: slytande / disrumpens; en ons Slyting, f: attritio, consumptio; & morbus tabificus syntexis; en insgelijks met de ingekorte I, als by 't H-D, schlitz / ons † Slitse, Euphon:Slisse, contentionum abolitio; waer van ons Slissen, Beslissen, I. CL: complanare, absumere lites.

 

Met E uit het Praeter: Subj: of Indic: ons Slete, Sleet, f: tritus; & mercium distructio & venditio; en ons † Slete, contr: Slét, Slétte, Slétse, en Slétser, hernia; & linteum tritum; en Slétig, Sleetsch, attritosus; en Slét, Slétte, Slétse, mulier iguava, ambubaia; als door slordigheid haer gewaed, enz, verslijtende en verslensende; en van Slétte komt ons Verslétteren, I. CL: flaccescere.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SLIK, in Slikken, insorbere, glutire; en Slik, haustus; &c, zie daer van bij LUIK, in deze Pr., en bij LEEK, in de II. Pr., en Slik, coenum, lutum; enz, bij SLYK, in de II. Pr.

 

SLIM, &c, zie daer van by LEM, in de II. Proeve.

Het Wortel-deel.

SLIND &c, in ons † SLINDEN, nu alleen met het voorzetzel VER, ons VERSLINDEN, VERSLOND, VERSLONDEN, II. CL: 5, vorare, devorare, deglutire, absorbere, ingurgitare, deperdere; dit voorzetzel kan men hier zo wel voor zin-stijvende, als voor een Privativum aenmerken, dewijl de zin van Slinden op zig zelf gelijke kragt heeft gehad als ons Verslinden.

 

Daer van ons † Slinder, nu Verslinder, m: heluo, lurco, deperditor; en Slinder, m: chelydrus, serpentis genus; als bij uitstek een opslokker; van welk laetste weder komt ons Slinderen, I. CL: serpere; overdragtelijk van het kruipen der slangen ontleent; en op de dunheid van den slang schijnt te zin spelen het oude † Slinder, Angl: slender / tenuis, exilis; of anders ziende op iet dat uitgeteert is, en wiens levensvogten als verslonden zijn: gelijk ook met E, in steê

[p. 388]origineel

van I, die by deze Classis in Infin: gelijkwaerdig komt, ons † Sléndse, Euphon: Sléntse, attenuatio, absumtio; waer van ons Versléntsen, I. CL: flaccere, & marcescere, absumi, corrumpi, obsolescere; & putrefieri.

 

Van 't Praeter: het Geldersche Slonde, f: fauces, summa pars gulae, frumen; & vorago; hiatus terrae; abyssus; oesophagus, & stomachus; waer van het oude † Slonden, I. CL: H-D, schlunden / I. CL: vorare, deglutire; en, met den uitgang SE, ons Slondse, Euphon:, Slons, f: foemina abrogatrix; als eene die de kleederen &c. vernielt, gelijk een vrek met de spijze doet, waer van ons † Slondsen, Euphon: Slonsen, Af-slonsen, Verslonsen, I. CL: turpiter terere & inquinare, ignaviâ & negligentiâ deterere & deturpare.

Het Wortel- of Zaek-deel.

SLING, in ons † Slinge, Slinger, en † Slingen, Slingeren &c, by SLING, in de II. Pr., en iets daer van bij 't volg: SLINK, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SLINK &c, in ons SLINKEN (en SLÉNKEN), SLONK (en oul: † SLANK), GESLONKEN, II. CL: 5, contrahi, diminui, marcescere. Tot dit Verbum heb ik geene verwantten, ten zy men, daer ik ook aen twijffel, het H-D, schlingen / III. CL: 1, flexibus tortuosis nectere, & deglutire, en 't A-S, slingan / II. CL: 2, by ons ook oul: † Slingen, II. CL: 5, torquere, vibrare, beneffens het A-S, slincan / repere, voor het zelfde aenzie. Het onderscheid van zin is door de Overdragt wel op te lossen, als men onze beteekenis van te zamen trekken, inkrimpen, voor den oorspronkelijken neem, en de krimpende slingerbeweging van een Slang voor een tweeden, en de intrekking en kronkeldraei voor een derden tell'; wanneer ook een vierde beteekenis, als by 't H-D, schlingen / III. CL: 1, glutire, om de kronkelige intrekking bij 't inslokken, gevoeglijk daer uit kan gesproten zijn. Maer, schoon de NK en NG zeer weinig in vorming en klank verschillen, waerom ook die in 't H-D, ligtelijk elkanders plaets innemen, (gelijk mede in 't H-D, schlenkeren / I. CL: voor ons Slingeren, Af-slingeren, I. CL: komt), egter vind ik zulk een oversprong, hoe klein hy zy, onder onze Dialect zo zeldsaem, dat ik, buiten nood, of van-zelf-sprekende voorvallen, my daer van in de Afleiding niet durf bedienen; te minder alhier, dewijl alle onze Takken, die onmiddelijk de kronkel-beweging uitdrukken, de NG en niet de NK medebrengen; om welke rede wy dan de Wortel-deelen SLING, SLONG en SLANG by onze tweede Proeve op zig zelf zullen plaetsen, alhoewel ik, als gezegt, in dezen twijffel, of ze niet van over-ouds, dezelfde met dit ons SLINK, SLONK en SLANK mogten geweest zijn; waerom ik van deze mijne bedenking alhier ook berigt geve.

 

Tot het Praesens ons † Slénke, f: contractio; zijnde insgelijks hier op eenigsints toepasselijk ons Slinkerhand, Linkerhand, f: H-D, schlinker-hand / sinister manus; vermits, by gebrek van werkelijkheid, die hand doorgaends dunder of schraelder is als de regter. Dog, hoe ook die naem uit het Wortel-deel LIN zoude konnen ontleent geweest zijn, word in onze II. Proeve by dat Wortel-deel vermeld. Maer in de Teutscher Sprach-schatz op den naem van von dem spaten /vind ik schlinks / obliquê, perversè, sinistrè; afgeleid van schlinge / funda; vermits men van ouds, zeid die Autheur, met de linker-hand de slingers uitwierp: indien dit Historiael waeragtig is, daer ik nog onbewust van ben, en zo NG voor NK hier gelden mag, is die uitvinding niet te verwerpen, en erkenne die reeds te goed om 'er bij dezen niet aen te gedenken: ook kan ik hier by voegen, dat men in 't A-S, winstre / en wynstra hand / en in 't Oud-Fries winstera hand voor ons Slinkerhand vind, het gene met het A-S, windan / torquere, ook den zin van draeyen schijnt aen te duiden; en ziet mooglijk aldus eensdeels op 't vrouwelijke draeyen van de spinrokken in de linkerhand, en 't mannelijke vasthouden van den slingersteen, terwijl

[p. 389]origineel

de regtethand by de eene den draed, en by den ander den slinger bestiert; want in zulk een gedaente vertoont zig onder de Oudheit het spinnen en 't steen-slingeren met de hand: op deze wijze zou ook by ons Slinks, perversus, en Slinks geval, casus Infelix, de zin van verdraeitheid onverdraeit en als zonder overdragt te voorschijn komen.

 

Tot het oude Praeterit: met A, ons † Slank, H-D, schlank / tenuis, exilis gracilis, procerus; & tr: agilis, solutus; waer van ons † Slankeren, I. CL: laxare, solvere.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SLIP, in † Slip, † Slippe, aerugo ferri; crena, incisura; en † Slippen, lacerare; inscindere, dissecare; en in Slippe, Slip, lacinia &c; en Slippe bieden, cedere foro; zie daer van bij 't vorige SLYP, in deze Proeve, dog in Slippen, Ont-slippen, elabi, dilabi; &C. zie ook aldaer, als mede by 't vorige SLAEP, en bij 't volgende SLUIP, in deze Proeve.

 

SLISS of SLITS, in Slissen, Beslissen, complanare lites; bij 't vorige SLYT, in deze Proeve.

SLO.

SLOB, in † Slobbe, crepida trita, tibiale laxum; en Slobberen, laxum sive flaccidum esse; zie daer van bij SLUIP, in deze Pr. en in Slobberen, ligurire, zie daer van bij LEP, in de lI. Pr.

 

SLOEF, in Sloef, sordidula, penula; & homo sordido cultu &c; zie daer van bij SLUIP, in deze Pr. en bij LIEV, in de II. Proeve.

 

SLOEG, 't Praeter: van Slaen, zie bij SLAEG, in deze Proeve.

 

SLOEP, in † Sloepe, latibulum, specus; † Sloepen, repere, irrepere; en Sloepe, Sloep, naviculae genus; & clavus ferreus minor; zie daer van bij 't volgende SLUIP, in deze Pr.

 

† SLOEST of † SLOETST, in † Sloetster, † Sloester, culleola; en Sloesteren, demere culleolas; zie daer van bij 't volg: SLUIT, in deze Pr.

 

SLOF, in Slof, inobservans, &c; en Sloffen, Versloffen, negligere; en Slof, crepida trita, &c; en Sloffen, ineptè levare pedes incedendo; ziedaer van bij SLUIP, in deze Pr. en ook iets van Slof, sordidatus, bij LIEV, in de II. Proeve.

 

SLOK, in Slok en Slokken, zie daer van bij LUIK, in deze Proeve.

 

SLOM, &c, zie daer van bij LEM, in de II. Proeve.

 

SLOND, in Slonde, fauces; vorago; &c; en † Slonden, deglutire; en Slondsen, turpiter terere; &c, bij SLIND, in deze Proeve.

 

SLONG, in Slongel, homo longus matu vibranti procedens; bij SLING, in de II. Proeve.

 

SLONK, in Slonk, Geslonken bij SLINK, hier voor in deze Pr.

 

SLONS, in Slonsen, Verslonsen, negligenter deterere; bij SLIND, in deze Proeve.

 

SLÓÓF of SLÓÓV, in Slóóf, Sloove, velum, tegmen, lobus; & mulier detritis vestibus; en Slooven, Verslooven, velare, tegere, operire; Overslóóf, praeputium; Op-slooven, Afslooven, retegere, denudare; en Slooven, Af-slooven, laboribus se frangere; zie daer van bij SLUIP, in deze Pr. En by LIEV, in de II. Pr.

 

SLOOK, in Slook, Gesloken van Slutken, II. CL: 2, zie bij LUIK, in deze I. Proeve.

[p. 390]origineel

SLOOP, in Sloop, Geslopen, verbuigfels van Sluipen; en in Slope, Sloop, latibulum; & tegmen pulvaris; bij SLUIP, in deze Proeve.

 

SLÓÓP, in Slóóp, Overslóóp, superindumentum &c; en Sloopen, Ontsloopen, deglubere; &c, zie daer van bij SLUIP, in deze Proeve.

 

SLOOT, in Sloten, serae; arces, castella; en † Slotel, clavis; enz, by SLUIT, in deze Proeve.

 

SLÓÓT, in Slóót, fossa palustris; bij SLUIT, in deze Proeve.

 

SLOOV, in † Slove, rima, canaliculae; en Sloven, putare arbores; zie daer van bij SLUIP, in deze Pr.

 

SLÓÓV, zie SLÓÓF, hier voor.

 

SLÓP, latibulum, specus, bij SLUIP, in deze Proeve.

 

SLÓT, sera, arx, castellum; clausula, conclusio; bij SLUIT, in deze Proeve.

SLU.

Het Wortel-deel.

SLUIK, enz, in ons SLUIKEN, SLOOK, GESLOKEN, II. CL: 2, latenter aliquid ingerere; & mercium census defraudare; welks Stam en Takken wy gebracht en verhandelt hebben bij ons Wortel-deel LUIK, in deze I. Pr.

Het Wortel-deel.

SLUIP, &c, in ons SLUIPEN, SLOOP, (oul: ook in Sing: SLÓÓP), GESLOPEN, II. CL. 2, tectè suggredi, prorepere tacitè. F-TH, sliuphan / slouph (of sluoph / of sluof) gi-slophan / II. CL: 2, bij ons Wegsluipen, II. CL: 2, evadere; prorepere tacitè; en F-TH, untar-sliufan / II. CL: 2, subrepere. A-S, slupan en a-slupan / sleap / slopen / II. CL: 1, L-F, sluwpjen / in Praet: sleap / repere, prorepere tacitè, labi. Ook schijnt my, dog met een weinig verloop, hier mede toe te behooren het Ysl: slepp / evado; in Praet: indic: slapp / in Praet: Partic: sloppen: agter de II. CL: 4.

 

Tot het Praesens ons Sluipe, f: Sluiphól, n: Sluip-hoek, m: H-D, schlupfe / F. latibulum, latebrae, caverna; en ons Ter sluip, occultè; en Sluiper, Sluipaerd, m: latebricola, insidiator latens, subdolus; waer van 't H-D, schlupfen / schlüpfen / I. CL: latere, occultare, serpere, & ex occulto prolabi; en, als zoekende iets te ontsluipen, het H-D, schluffen / I. CL: tergiversari; gelijk ook H-D, schluffe / schluf / A-S, slief / slife / slef / Angl: sleve / manica pellita; als waer in de handen of armen wegschuilen voor de koude. Dog deze H-D, met u of ü / konnen ook tot het Praeter: Subj: betrokken worden, voornaemelijk die met ü. En, vermits UI en IE bij ons van gelijken oorspronk zijn, en IE bij inkortinge wel in I verandert, zo zou ook uit dezen Tak ons Slippen, Ontslippen, I. CL: evadere, elabi, dilabi, konnen gesproten zijn, waer van egter mede te zien is bij 't vorige Wortel-deel SLAEP, in deze Proeve.

 

Het oude Praeterit: met ÓÓ, vertoont zig in ons Slóóp, Over-slóóp, m: tegmen pulvinaris; superindumentum, amiculum, superpelliceum; als een overtreksel over iets anders tot verberging, dat ligtelijk en dik-wijls afgenomen of verschoont word; en daer van ons Sloopen, Ontsloopen, I. CL: deglubere; Eeen schip sloopen, I. CL: navem abrumpere, destruere; als mede, zo 't mij toeschijnt, met de F of V, op den Allemannischen trant, in stêe van P, ons Slóóf, m: Sloove ook uit het Praes: Sluive, f: velum, tegmen, folliculus, lobus; & replicatio; en Sloove, Veur-slóove, Over-slóóf, m: praeputium; waer van ons Slooven, Verslooven, I. CL: velare, tegere, operire; en Op-slooven, Af-slooven, I. CL: retegere, denudare id quod tectum erat; en Sloove, Slóóf. f: mulier detritis vestibus, & laboribus afflicta; als vel en kleederen door armoede afsloovende; waer van we-

[p. 391]origineel

der Zig Slooven, Af-slooven, laboribus se frangere.

 

Tot het andere Praeter: met O, of hare gelijkwaerdige OE of EU, ons Slope, Sloop, tegmen pulvinaris; A-S, slop / stola; en ons † Sloepe, Slope, f: Slöp, n: latibulum, specus; waer van ons † Sloepen, I. CL: repere, irrepere; en waer toe ons Sloepe, Sloep, f: acatium, lembus, naviculae genus; navigium actuarium; als bequaem om 'er snel en stillekens mede ergens na toe te varen, of over ondiepe gronden, of door enge streken heen te sluipen: nog ook † Sloepe, clavus ferreus minor; als insluipende in 't hout. En, met gelijk regt als by den vorigen tak van 't Praeter: ook hier met F of V, in plaets van P of B, het Geldersche Sloven, I. CL.putare arbores; als beroovende de boomen van hunne bladeren en deksel; en † Gesloef, exuviae; als de steelswijze afgeroofde buit van den vyand, of mede voor den afgetrokken huid der beeslen, even als ook 't voorgenoemde Slóóf en Slóóp, tegmen, & tegmen exuviae. Nog mede ons Sloef, f: sordidula penula; als een slordige lap, die men voordoet, wanneer men slooft en schuert; en overdragtig Sloef, homo sordido cultu; &quae sepissimè conjuncta sunt, moribus incompositis, lentus, piger; Angl: slowe / A-S; sleaw / tardus; en ons Adject: † Sloef, nu Slof, olim sordidatus, nunc inobservans, dissolutis moribus; waer van ons Sloffen, Versloffen, I. CL: negligere; en wederom met P en F en B, ons † Slope, † Slobbe, nu Slof, f: crepida trita, pera, tibiale laxum; en gelijk dezen, als m'er mêe gaet, langs den vloer slepende voortschuiven, zo is hier van ons Sloffen, I. CL: Gaen sloffen, crepidis flaccidis incedere; pavimenta verrere calceis vel crepidis; ineptè levare pedes incedendo; en ons Slobberen, I. CL: laxum sive flaccidum esse. Eindeling met O en EU, ons † Slove, Sleuve, Sleuf, f: rima,canalicula per quam quid prorepere possit. Van eenigen dezer met V of F, vermelden wy ook by ons Wortel-deel LIEV, in de II. Pr:, hoewel we die hier het wettigst rekenen.

Het Wortel-deel.

SLUIT, &c, in ons SLUITEN, SLOOT, (ook voormaels in Sing: SLÓÓT), GESLOTEN, II. CL: 2, claudere, serare; & tr: congruere, convenire; Besluiten, II. CL: 2, claudere, concludere, includere; & statuere, decernere; Ontsluiten, II. CL: 2, aperire; Op-sluiten, II. CL: 2, secludere, recondere; en Op- of Open-sluiten, II.CL:2, reserrare, aperire; enz. F-TH, sliuzzan / bi-sliuzzan / slouz (en sluoz of sloz) / gislozzan / II- CL: 2, claudere, includere, concludere; H-D, schliessen / schlosz / geschlossen / II CL: 2, claudere, concludere, L-Fries, sluwten / sleat / sletten / claudere; be-sluwtten / be-sleat / be-sletten / concludere; enz.

 

Tot het Wortel-deel met UI, ons Besluit, n: H-D, schlusz / M. conclusio, clausula; placitum; decretum; Sluit-balk, Sluit-stéén, m: tholus, in quem capitatrabium conveniunt eoncludunturque; Sluit-bóóm, m: clathrus, vectis; Sluit-koole, f: Brassica capitata; als tot een bol digt in een gesloten; en Sluit-króp, m: en f: lactuca capitata; Sluit-nagel, m: clavus capitatus; Sluit-reden, f: conclusio; Sluit-regel, f: Periodus rythmica; en † Sluitze, Euphon: Sluize, f: H-D, schleuse / F. obex aquarius, aquaeductus, cataracta, unde vulgò Slufa; quin etiam Slusa pro Clausura in lege Salic: Francorum, vide Kilianum) waer van, ons Versluizen, I. CL: obstruere cursum. aquarum; & stagnare.

 

Het oude Praeter: met ÓÓ leeft nog in Slóót, m: en f: fossa palustris; vermits eene afsluiting zijnde voor Land, Huis en Hof.

Uit het Wortel-deel van 't andere Praeter: met O of hare gelijkwaerdige EU of OE, ons † Slote, f: nu Slót, n: H-D, schlosz / N, sera, claustrum ferreum; & Arx, castelium; hebbende in Plural: als nog Sloten, niet Slotten: en Slót, n: clausula, epilogus, conclusio; welks Plural: in onbruik is, Voorts een † Slót-verloren, m: homo dissolutus, asotus. F-TH, sloz / pessulum; en F-TH, slot / sera; en sloz-haft / claufus,

[p. 392]origineel

conclusus; Ysl: slot / N. arx; en A-S, slota / buccella; allen om het op- af- of toe-sluiten. En met den uitgang EL agterop, als een werktuig van op- en toe-sluiten, ons Sleutel, † Slotel, m: F-TH, sluzel / H-D, schliissel / M. clavis; Den sleutel op het graf of op de kist léggen, bona defuncti creditoribus deserere; 't welk de naeblijvende doen mag, als hy den boedel van den overledenen, uit vreeze van te groote schulden, niet durft aenvaerden: Sleutel van een snaer verticulus; vermits steutel-vormig gemaekt, om de snaeren eenes speeltuigs op- en af- te spannen: Sleutel-bloem, m: verbasculum, Offic: primula veris; met wiens opkomen het Voorjaer ontsluit: en Sleutel des jaers, epacta, intercalaris; zijnde de elf dagen, die men telt boven de 354 (het gemeene Maenjaer, dat in 12 ommegangen, yder van 29½ dag, volbracht word)om alzoo te samen het Zonnejaer van 365 dagen te vervullen. Eindeling, met OE, schijnt my ook hier uit gesproten te zijn ons † Sloetster, Euphon:Sloester, custeola, cortex viridis putamen nucis ambiens; als omsluitende de neut, waer van ons Sloesteren, I. CL: demere culleolas.

 

Maer uit het Praeterit: Participii Besloten, ons Besloten stad, urbs moenibus cincta; en 't oude Geld: en Sax: Beslotene dagen, dies nefasti; als op welke geene regtzittingen gehouden wierden; en Besloten tyd, tempus clausum; als op welken men niet trouwen kon, volgens de Roomsche kerk-ordens.

De Zaek-of Wortel-deelen.

† SLUIV, in † Sluive, tegmen, folliculus, lobus; zie daer van bij SLUIP, in deze, en bij LIEV, in de II. Pr.

 

SLUIZ, in Slutze, cataracta, &c; zie daer van bij 't vorige SLUIT, in deze Pr.

SM.

† SMAER, in † Smaer, adeps, pinguedo; & tr: comessatio, popinatio; en † Smarótsen, parasitari; zie daer van bij 't volgende SMEUR, in de II Proeve.

 

† SMAL, zie bij † SMÉL, in de II. Pr.

 

SMALT, in Smalt, liquamen, adeps,pinguedo; & cadmea terra cobaltum praeparatum ad colorem caeruleum; en † Smalts, liquidus; bij 't volgende SMELT, in deze Proeve.

 

SMART, in Smarten, dolere, urere, urgere; enz, zie daer van by SMEUR, in de II. Proeve.

 

† SMÉD, in † Sméd, mulciber; en † Smédse, fabrica ferraria; zie daer van bij MYD, in deze Pr.

 

SMEED, in † Smede, mulciber; Smeden, fabricare; en Smedig, mollis mitis; en Smedigen, mollire; zie daer van bij MYD, in deze Proeve.

 

SMEER en SMÉÉR, in Smeer of Sméér, adeps, unguen, sevum, & tr: comessatio; en Smeeren, Smeren, ungere; & curare cuticulam, popinari; enz, by SMEUR, in de II. Pr.

 

SMEET, in Smeet, projectio ictus; verber; enz, by SMYT, in deze Pr.

 

SMÉL, in de II. Proeve.

Het Wortel-deel.

SMÉLT &c, in ons SMÊLTEN (en † SMILTEN), SMOLT (oul: ook † SMALT), GESMOLTEN, II. CL: 5 en 6, liquare, & liquescere; Versmélten, II. CL: 6, liqui, eliquari; & tr: evanescere; en van de weeklijvige vogels, zeid men Smélten, stercus liquidum egerere, unde Gall: esmault, (excrementum avium). H-D, schmeltzen en schmiltzen / schmaltz en schmoltz / geschmoltzen / III. CL: 2, liquere. Dog A-S, meltan (en miltan / myltan) malt of mealt / gemolten of molten / II. CL: 3, liquescere; Angl: melte / molte / liquescere. Deze A-S, en Angl: doen my

[p. 393]origineel

vermoeden, dat onze en de H-D, s / hier voorwerpsels zijn, en niet dat by 't A-S, en Angl: eene aflating is, dewijl ik van 't voorwerpen der S zeer vele, en van 't aflaten nog geene klare blijken heb ontmoet. Dog wat het wezendlijke van dezen stam betreft, zo is het evenveel hoe men dit aenzie. Van beides met en zonder S, zullen zig takken by ons vertoonen.

SME.

Tot het Praes: met E, of 't oude Praeter: met A, of anders met O, ons † Smélt, † Smalt, n: H-D, schmaltz / N, liquor, liquamen, unde Ital: smalzo; én † Smalt, † Smólt, n; H-D, schmaltz / N. of by ons nu Euphon: óut voor ólt, (zie onze Grondsl: I. Verhand: §. XXIII.) Smóut, n: adeps, pinguedo liquida, axungia; & olim butyrum; waer van ons Smóuten, I. CL: H-D, schmaltzen / I. CL: olim Liquefieri, nunc Linere pingui, arvina, butyro, vel oleo; en de spreekwijze van Smóut-pótten, I. CL: adulari, assentari, blandiri; byna in gelijke zinspeling als onze spreekwijze van ymand honing om den mond smeeren; gelijk daer tegen over staet Ymand niet smóuten, I. CL: diffidere alicujus fallaciae, dolo, vel severitati; als durvende niet zo naby komen om hem honing om den mond te smeeren uit vreeze van een klaeuw of graeuw. Behoorende verder tot Smóut ons Smóut-molen, olie-molen, trapes, mola olearia; en Smóut-peyre, pyrum musteum; & tr: palpum, blandimentum. Dog wederom met AL, ons Smalt, m: cadmea terra, cobaltum praeparatum ad colorem caeruleum; zijnde een Calamijnagtige mineraelsteen, waer van deze blaeuwe verwstof gemaekt word, die, droog in een smeltkroes op het vier gezet zijnde, als tot een water versmelt, en bekoelt zijnde, wederom hard kan worden als glas.

Voorts † Smaltsch, nu zonder S voor-op, Maltsch, Euphon: Malsch, liquidus, fluidus, praepinguis, mollis, mitis, saporosus; gelijk mede zonder S, ons † Malt, † Molt, nu Euphon: Móut, n: Ysl: Mallt / N. A-S, malt / H-D, maltz / N. byne, buna, hordeum madesactum, polenta; zijnde natgemaekte gerst, die door 't broeijen uitgeschoten, en dan daer op gedroogt is, als wanneer het meel van dat graen bequaem is, om in den mond, of, daer 't meest op aenkomt, in 't warme water, om 'er bier van te brouwen, gereedelijk weg te smelten; en daer van ons Móuten, I. CL: ex hordeo byne praeparare; en Móut-vliege, musca cervisiaria; & tr: strenuus cerevisiae potor; en overdragtelijk Móut-vliege, steen-puisje, tuberculum in facie ebriosorum efflorescens; als mede 't oude Adjectiv: & Mólter, & Móuter, mollis, mitis, maturus, maceratus; en daer van † Móuteren, I. CL: mollire macerare, maturum & molle efficere; lenire. mitigare; & fovere, calefacere. En, van 't H-D, Praesens schmeltz / komt het H-D, schmeltzen / I. CL: liquefacere; waer mede overeenstemt het Ysl: smelltur / colliquatus.

Op den zin van 't bovengemelde Malts en † Mólter, mitis, mollis, mits met I, gelijk bij 't oude Praesens, schijnt te passen ons Mild, A-S, milde / Angl: mild / H-D, mild / mitis, mollis, lenis; & liberale; en ons Mildheid, f: H-D, mildigkeit / F, liberalitas, & mansuetudo animi; Ysl: milde / F, clementia; en F-TH, miltida / F. A-S, miltse / mildse / misericordia; waer van het F-TH, miltan /I. CL: A-S, miltsian / mildsian / I. CL: misereri; en Ysl: milida / I. CL: mitigare. Die zoet-aerdigheid des gemoeds vlyt zig hier bezonder wel; maer dat 'er eigentlijk D in stêe van T komt, hindert my nog te veel om 'er gerust op te konnen wezen; andersints zou men ook hier onder konnen betrekken ons † Milde, Mélde, atriplex, een kruid van verzagtende eigenschap; maer zie ook daer van by MAEL, in deze I. Pr:. Dog de T, is eigen aen ons Substant: Milt, Milte, m: en f: F-TH, miltzi / H-D, miltz / M en N, A-S, en Angl: milt / Ysl: milltte / N, splen, lien, unde Ital: Milza; waer by wederom de overeenkomst van zin zo gereed niet uit te vinden is; want zo men 't van het vorige Mild, mitis, lenis, mollis, wil afleiden, raekt de regte gelijkheid van gedaente verloren; 't schijnt my nochtans van een diergelijken aert van beteekenis, als 't voorgemelde Maltsch, lenis, mollis, liquidus, ontleent geweest te zijn, dewijl het bloed, dat door de mild schiet, aldaer byzonderlijk, zo men agt, in vloeibaer-heid toeneemt; gelijk ook by Vossius 't Latijnsche Lien van 't Grieksche λειος, levis,

[p. 394]origineel

mollis; en splen van 't Grieksche σπλην (splen) of van σπιλήν, quia attrahit sordes, word afgeleid.

Voorts, tot onzen stam wederkeerende, vertoont zig nog met S voorop, het A-S, smyltnyffe / pinguedo; en A-S, smilt / smolt / serenus; en smiltnysse / smyltnysse / smoltnysse / F. serenitas; ziende op de helderheid en klaerheid, zulks dat alle 't grove en donkere der wolken, als verdwenen en versmolten is: en A-S, smilting / electrum; als wordende tot overlakking gesmolten; of anders ook om de glazige helderheid: dog, ziende op de zagtheid, het A-S, smyltan / placare.

De Zaek- en Wortel-deelen.

SMERL, in Smérlyn, AEsalo, accipitris minoris genus; zie daer van bij MER, in de II. Proeve.

 

SMÉRT, in Smérten, enz, zie daer van bij SMEUR, in de II. Pr.

 

† SMÉS, in † Smésse, fabrica ferraria; zie daer van bij MYD, in deze Pr.

 

SMÉT, in Smétten; enz bij't volg: SMYT, in deze Proeve.

 

† SMÉTS, in † Smétsen, epulari; & indulgere genio; † Sméts-dagen, bacchanalia; en † Smétsch, nimia dulcedine nauseam provocans, praedulcis; zie daer van bij SMYT, in deze I. Pr. en by † MEET, in de II. Pr.

 

† SMEUR, in † Smeuren, limere; heluare; fumare; zie daer van bij † SMEUR, in de II. Proeve.

SMI.

SMID, in Smid, mulciber; en Smidse, fabrica ferraria; zie daer van by MYD, in deze Proeve.

 

SMYD, in Smydig, mitis, mollis; Smydigen, mollire; Gesmyde, monilia;; apparatus, machina, instrumentum, &c; zie daer van bij MYD, in deze Proeve.

 

SMYS, in het Sax: Gesmys, insecta; zie daer van bij MYD, in deze Pr.

Het Wortet-deel.

SMYT, &c, in ons SMYTEN, SMEET, GESMETEN, II. CL: 1, projicere jaculari; & olim procutere, verberave, batuere, Besmyten, II. CL: 1, maculas injicere; en Versmyten, II. CL: 1, projicere, jaculari. M-G, smeitan / smait (in Subj: smitau) / smitans / II. CL: 1, ungere, linere; zo mede M-G, bi-smeitan en ga-smeitan / II. CL: 1, ungere, linere. A-S, smitan / smat (of smaet) / smiten / III. CL: 1, polluere, inquinare, maculas injicere; en A-S, besmitan / III. CL: 1, corrumpere, polluere; Angl: to smite / smote / smitten en smit / percutere. H-D, schmeissen / schmisz / geschmissen / II. CL: 1, projicere, jaculari, & ferire. De zin van de tegenwoordige en die van de vorige tijd verschik al vry wat: de eerste en oude grondbeteekenis schijnt my te zijn, iet met vet of smeer te bewerpen, om 't 'er in of op te wryven, en daer van overdragtelijk het bekladden, en verder onze zin en de H-D, van smyten met een slag, ruk, of werp, even gelijk men 't vuile, bemorste, bedorvene en 't onreine veragtelijk werpt en wegsmijt.

 

Uit het H-D, schmets / is gefproten het H-D schmeissen / I. CL: excrementa reddere; als ziende op het uitwerpen van den veragtelijken drek; en A-S, smiting / contagiosus.

 

Tot het Praeter: ons Smeet, m: H-D, schmisz / M. projectio, ictus, verber; en H-D, schmitz / M, jactus violentus; en in den ouden zin van bemorsing, ons † Smete, contr: Smét, f: AL: pi-smiz / macula, adjecta labes, contagio; & tr: infamia; H-D, schmitze / F, macula, vibex, crena; waer van ons Smétten, Besmétten, I. CL: H-D, schmitzen / beschmitzen / I. CL: inquinare; & infamare; A-S, smittan / polluere, corrumpere; AL: pi-smizzan / I. CL: contagiare; en in den zin van smyten, slaen, het H-D, schmittern / schmettern / I. CL: conterere, contundere, frangere, rumpere, quussare. Dog

[p. 395]origineel

wederom ziende op den zin van bemeuzelen, zo kan ook hier uit, vermits by groote gast-malen veel schoon lynwaed bemorst en besmet raekt, ontleent zijn ons † Sméts, comessatio, epulum; waer van weder † SmétsenSmétschen, I. CL: epulari, comessari; & indulgere genio; in gelijke zinspeling als by onze spreekwijze van met schoone servetten aenzitten voor een rykelyk gastmael by-woonen; dus ook zonder S voorop, het A-S, metsan / metsian / I. CL: cibare; en wederom met S, ons † Smétsdagen, bacchanalia; en † Sméts, nimia dulcedine nauseam provocans praedulcis; van welke takken wy ook by het Wortel-deel MEET, in de II. Pr. spreken.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SMILT, in † Smilten, II. CL: 5, liquare, & liquescere, by 't vorige SMELT, in deze Proeve.

 

SMIS, in Smisse, fabrica ferraria; zie daer van bij MYD, in deze Pr.

SMO.

SMOK, in Smokkelen, clandestinè agere; en Op-smokken, rem obnubilare, & adornare; zie daer van bij 't volgende SMUIG, in de II. Pr.

 

SMOLT, in Smolt, Gesmolten van Smélten, en in † Smolt, adeps, pinguedo; by 't vorige SMELT, in deze Pr.

 

SMOOK en SMÓÓK, in Smook en Smóók, fumus crassior; Smoken, Smooken, I. CL: fumare, vaporare; en † Smooke, mediastinus, mancipium abjectum; zie daer van by SMUIG, in de II. Pr.

 

SMOOR of SMÓÓR, in Smoren, Smooren, by SMEUR, in de II. Pr.

 

SMÓUT, in Smóut, adeps, pinguedo; & olim butyrum; Smólten; olim Liquefieri, nunc Linere pingui &c; en Smóut-fótten, adulari, assentari; Ymand niet smóuten, diffidere alicujus fallaciae, dolo, vel severitate; en Smóut-peire, pyrum musteum; & tr: blandimentum; en Smóut-molen, trapes; bij SMELT, in deze Proeve.

SMU.

SMUIG en SMUIK, in Smuigen, Smuiken, malitiosè simulare; en † Smuiken, fumare, vaporare; Smuikend weder, aër nubilus; zie daer van bij SMUIG, in de II. Proeve.

 

SMUK, in Opsmukken, rem obnubilare, & adornare; zie daer van bij SMUIG, in de II. Proeve.

SNA.

SNAB en SNAEB &c, bij KNYP, in deze Proeve.

 

SNAEP, zie bij KNYP, in deze Pr.

 

SNAER, in Snaer, chorda, nervus; en Snarig, celer, agilis; en Snaer, nurus, filii uxor, zie daer van bij SNÉÉU, in de II. Proeve.

 

SNAEUW, &c, bij KNYP, in deze Pr.

 

SNAEV, in Snavel, rostrum avis; zie daer van bij KNYP, in deze Pr.

 

SNAP, &c, bij KNYP, in deze Pr.

 

† SNAR, in † Snarren, stridorem aliquem edere; zie daer van bij † SNÉÉU, in de II. Proeve.

SNE.

SNÉB, in Snébbe, rostrum avis; zie daer van bij KNYP, in deze Pr.

 

SNÉÉ, nix; zie daer van bij SNÉÉU, in de II. Pr.

 

SNEÊ, in Snede, Sneê, incisio; by't volg: SNYD, in deze Pr.

[p. 396]origineel

SNEED, in Snede, incisio; Snedig, acutus ingenio; & celer actu; Snedeling, caeso; enz, bij SNYD, in deze Pr.

 

† SNEER, bij SNÉÉU, in de II. Pr.

 

SNÉÉU, in Snééuw, en Snééuwen, zie daer van bij SNÉÉU, in de II. Pr.

 

SNEEV, in Snevel, rostrum avis; zie daer van bij KNYP, in deze I. Pr. en in Door-sneven, festinanter progredi; † Snevel, casus adversus, en Sneven, labi, vacillare; Snevelen, malis avibus morte obrui; zie daer van bij SNÉÉU, in de II. Proeve.

SNÉP, in Snéppe, rustica perdix; &c, zie daer van bij KNYP, in deze Pr.

 

SNEUV, in Sneuvelen, malis avibus animam amittere; zie daer van by SNÉÉU, in de II. Proeve.

SNI.

† SNID of † SNIT, in † Snidte, † Snit, securicula; by SNYD, in deze Pr.

 

SNY, in Snyën, zie SNYD, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SNYD of SNY &c, in ons SNYDEN, (ook Euphon: SNYËN), SNEED, GESNEDEN, II. CL: 1, secare, metere, scindere; putare; laniare; castrare; sculpere, insculpere, caelare; & urere instar venti; Besnyden, II. CL: 1, crenis inscindere; caela-minibus ornare; & circumcidere; & tr: minuere, comprimere, abstinere se; Op-snyden, Voor-snyden, II. CL: 1, resecare, prosecare, proscindere; en transl: Een versje op-snyden, II. CL: 1, recitare versum cantu oratorio; eene spreekwijze ontleent van een goed voorsnijder, die de spijze cierlijk weet voor te doen: en Toe-snyden, II. CL: 1, cultro aliquem vel aliquid impetere; hier heeft dit voorzetsel Toe de beteekenis ontleent van de tael van 't rouwe volk, dat heethoofdig ymand aendrijvende, zig van dit woord Toe, toe, voor val-aen en ontzie niet, bedient; eindeling Versnyden, II. CL: 1, discindere; & resecare; & olim castrare; en Uit-snyden, II. CL: 1, exsecare, & tr: minutatim vendere telas aut pannos; en nog meer andere Voorzettelingen.

Onder de Verwantten hebben we het M-G, sneithan / snaith (in Subj: snithau) / snithans / II. CL: 1, mactare; en uf-sneithan / II. CL: 1, occidere, mactare; beneffens het M-G, sneian / snai / snijans / II. CL: 1, metere; dat ik niet anders aenzie, als gelijkstammig hier mede, onder een Euphon: uitlating van th of d / even als bij ons gemelde Snyën, II. CL: 1. F-TH, snithan / sneith (in Subj: snithe) / gesnithan / II. CL: 1, secare, metere; en bi-snidan / II. CL; 1, concidere; AL: aba-snidan en aba-far-snitan / II. CL: 1, amputare; A-S, snidan of snithan / snad of snoed (in Subj: snide) / gesniden en sniden / III. CL: 1, secare, putare, dolare, mactare; A-S, a-snydan / III. CL: 1, amputare; H-D, schneiden / schnitt / geschnitten / II. CL: 1, abscindere; en verschneyen / verschnyë / verschnyën / II. CL: 1, dissecare, castrare; mede met uitlatinge van D.

 

Tot het Praesens ons † Snyde, f: H-D, schneide / F. acies cultri; A-S, snid / offa; serra; ons Sny-tyd, m: vindemia; F-TH, snita-zit / rebe-snites zit / tempus putationis; Snydsel, n: segmentum; Snyder, Snyër, m: H-D, schneider / M, secissor, sculptor; & speciatim sartor; A-S, snidere / scissor; en't Vlaemsche Snyder, m: culter escarius; en ons Uit-snyder, minutarius telae aut panni venditor; en † Snydeling, ramenta, recisamenta; enz. en bij ons met de ingekorte I, ons † Snidte, Euphon:Snit, securicula; gelijk het bovengenoemde A-S, snid / serra; als mede A-S, snithung / mactatio; gesnithunge / dolatio; en snid-isere / scalpellum; en 't H-D, schneidelen / I. CL: in minutas partes incidere, & putare falce.

 

Tot het oude Praeter: het A-S, snaed / particula, frustum, ofsula; falcis ansa; & fimbria; waer van het A-S, snaedan / I. CL: resecare; en Be-snaedan / I. CL: praecidere; en snaedel-thearm / exta; snaed-moelum / of-

[p. 397]origineel

fatim; en snaedinge / mixtum; even gelijk het mengsel van gehakt vleesch en vet onder een; en A-S, snaeding-hus / popina.

 

Voor ons hedendaegsche Praeter: Indic: of anders het Praeter: Subj: met de zagte lange E, hebben we ons Snede, Sneê, / f: F-TH, snita / incisio, incisura, & circumcisura; & segmen, offa, tomus; & acies; A-S, snide / incisio; en ons Uit-Snede, f: excifio; & tr: particularis venditio; en 't H-D; schnitt / M, sectio, sectura; & messis; & gloriatio; waer van het H-D, schnitzen / schnitzelen / I. CL: incidere, scalpere, cavare, secare; en schnitter / M. messor. Verder ons Snedig, acutus ingenio; & celer actu; Snedige koude, f: frigus acutum; en Snedeling, caeso; als uit het lijf van de moeder gesneden; dog F-TH, snitilinc / propago vitis.

 

Uit het Praeter: Partic: onze Adjectiva Gesneden, sculptus, caelatus; praecisus; incisus, & castratus; en Besneden, praecisus; circumcisus; & Judaeus; en Besneden, forma venusta praeditus; en Besnedentheid, f: forma praestans & gratiosa; zoo fraeij als 't een regtkonstig beeldsnijder tragt of verkiest te maken: en † Versneden, H-D, verschnedener / semivir, eunuchus.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SNIP, ficedula; zie daer van bij KNYP, in deze Proeve.

† SNIT, securicula; bij SNYD, in deze Pr.

SNO.

† SNÓD, in † Snódder, sordes, & olim mucus; zie daer van bij SNUIT, in deze Proeve.

SNOER, in Snoer, funis, ligamen; Snoeren, constringere &c; zie daer van bij SNééU, in de II. Proeve.

 

SNOES, in Snoeshaen, thraso; zie bij SNUIT, in deze Pr.

 

SNOET, in Snoet, os bestiarum, rostrum; en Snoets-haen, homo intolerandae superbiae; bij SNUIT, in deze Pr.

 

SNOEV, in Snoeven, proflare fastum; & olim Spiritum reciprocare, bij SNUIV, in deze Proeve.

 

SNOF, in Snof, tabaci pulvis; mucus, phlegma; odoratus; perceptio; & sagacitas; Een nieuwe snof, novus modus; en Snoffen, naribus inspirare; & singultire; en Snoffelen, naribus indigare; & tr: sagire; bij SNUIV, in deze I. Proeve.

 

SNOOD en SNÓÓD, in Snode, Snoode, vilis, abjectus; improbus, teter; en Versnooderen, despicatui habere; zie daer van bij SNUIT, in deze Pr.

 

SNOOF, 't Praeter: van Snuiven, bij SNUIV, in deze Pr.

 

SNOOT, in Snoot, Gesnoten van Snuiten, en in † Snote, mucus; en 't Vlaemsche Snoter, Snotering, rheuma, catharrus; bij SNUIT, in deze Proeve.

 

SNOOV, in Snove, Gesnoven, bij SNUIV, in deze Pr., en in 't Geldersche Snovelen, malis avibus morte obrui; zie daer van by SNÉÉU, in de II. Proeve.

 

SNOR, in Snorren, bombilare; en † Snorre, filii uxor; zie daer van bij SNÉÉU, in de II. Proeve.

 

SNORK, in Snorken, ronchissare; en Snorker, thraso; zie daer van bij SNÉÉU, in de II. Proeve.

 

SNÓT, in Snót, mucus; enz. Bij SNUIT, in deze Proeve.

 

SNOUW, bij SNÉÉU, in de II. Pr.

[p. 398]origineel

SNU.

SNUF, in Snuf, rheuma; mucus; odoratus perceptio; & tr: sagacitas; singultus; en Snuffen, naribus inspirare; & singultire; en in Snuffelen, naribus indagare; & tr: subolere; bij SNUIV, in deze I. Pr.

 

SNUIF, tabaci pulvis; by SNUIV, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

SNUIT, &c, in ons SNUITEN, SNOOT (in Subj: SNOTE), GESNOTEN, II. CL: 2, mungere, emungere nares; & tr: emungere pecuniis; versutè palpari; A-S, snytan / emungere; dog of dit Verbum A-S, in den bloeij der A-Saxen ongelijk-vloeijend zy geweest of niet, is my nog niet gebleken; egter kan ik uit de volgende takken genoegsaem begissen, dat 'er een A-S, snytan / snutan / toen of vroeger onder de anderen van de II. CL: 1 behoort heeft gehad. In 't H-D komt schneutzen / I. CL: emungere nares.

 

Voor ons Wortel-deel met UI hebben we ons Snuit, m: en Snuite, f: als mede uit het Praeter: Subj: Snoet, m: en f: H-D, schnotz en schnautze / F. Angl: snöut / snoutte nasus; rostrum, proboscis; os bestiarum exporrectum; waer van het gemelde H-D, schneutzen / I. CL: emungere nares; en an-schnautzen / en be-schnautzen / I. CL: allatrare, asperè loqui, objurgare acerbius; nog ook overdragtelijk het H-D, schnautz / schnautz-han / spectator otiosus, nimis curiosus & audax; als ymand die al te onbeschaemt, volgens onze spreekwijze, ergens na staet te gapen; waer van het H-D, beschnautzen / I. CL: oculis insolentibus intueri. Op dit H-D, schnautzhan past mede ons Snoetshaen, m: Euphon: Snoes-haen homo intolerandae superbiae; gelijk by 't H-D, spreekwoord Er trägt seine schnautze gar hoch / magnum spirat. Verder A-S, snytinge / sternutatio; en ons Kaers-snuiter of Snuiter, m: emunctorium candelae; en transl: Snuiter, m: versipellis palpo; als streelende om ymand te snuiten of te betrekken: als mede † Snuitert, nasutus; & raia oxyrinchos; en Snuitsel, Snutsel, n: mucus & fungus candelae.

 

Tot het Praeter: niet alleen ons reetsgenoemde Snoet, os bestiarum; maer ook ons † Snote, f:Snut, en nu Snót, n: Angl: snotte / A-S, snote / gesnote / Flandr: Snoter, Snotering, H-D, schnoder / schnuder / M. mucus, humor narium; rheuma, catharrus, gravedo narium, stillatio ex humore; en hier van ons † Snótten, Snutten, I. CL: mungere; en 't H-D, schnoden / schnuden / en schnauden I. CL: en by ons Versnót zyn, fluxu narium laborare; en transl: Versnót zyn op iemand, perditè amare; en van † Snuttert, emuntorium candelae, ons Snutteren, I. CL: resecare; als afsnuiten, gelijk men het verbrande pit der kaersen afknipt; en 't Vla: Snuttering, f: recisamenta. Verder ons Snót-muil, Snót-ólf, m: puer mucosis naribus; & lepus marinus, piscis corpore mucoso & mucum ore emittens. Om meerder voorbeelden hier van aen te halen is deze stoffe te onaengenaem van denkbeelden; gelijk ook 't vuile, 't onwaerdige en afschuwlijke daer uit namen ontleent heeft, als't Vlaemsche Snodder, m: sordes; &c, gelijk mede oul: Snodder, m: mucus.

 

Dog, 't gene ten opzigte van 't Letterkun-dige hier als zeldsaem opkomt, en opmerking verdient, is, dat de D in plaets van T, zig hier zo wel by Ons of 't Vlaemsche als by de H-D, takken vertoont, dat ook nog by eenige volgende takken plaets heeft, alwaer het M-G, A-S, en Ysl: de t blyven behouden; 't welk my derhalven in vermoeden brengt, dat ook eertijds D en T, ten einde van dit Zakelijke deel onverschillig in gebruik waren; want aen verloop durf ik dit niet toeschrijven, om dat ik my geene zekere voorbeelden errinneren kan, daer de scharpe T in de zagte D, maer wel dat 'er D in T verliep, voornaemlijk by 't oude Allemann: en hedendaegsche H-Duitsch, dat ligtelijk in 't scharpe vervalt; en schoon dit, al eens anders ware, zo leert ons de voorzigtigheid, zulke zeldzaemheden tot geen voorbeeld te nemen by anderen, die zwakker blijk hebben als dezen.

[p. 399]origineel

Op dien voet dan, en in de zelfde veragtelijke beteekenis, past ook hier toe ons Snoode, Snode, H-D, schnöd / vilis, abjectus, improbus, contemptus, teter; Ysl: snaudur / vacuus; waer van ons Versnooden en Versnooderen, I. CL: vilescere; en 't H-D, schnädeln / I. CL: despicatui habere, & consputare. Maer, zo lange de bedurventheid der zeden heerschende was, dat niet van huiden nog gisteren zijn begin nam, ontbraken 'er geenen, die, op zijn Italiaensch, het looschelijk betrekken, of zo men zeid, ymand by de neus te hebben, voor wat fraeys, wat schranders, en dat nog erger loopt, voor een burgerlijke wijsheid, aenzagen; waer toe ons Snóód, Snode, astutus, vafer; en Ysl: snotur / alacer, velox; welk snood zijn egter by ons Hollanders wel voor schrander en loos gaet, zo wel om quaed te kunnen afweeren als aendoen, dog juist niet voor iet loffelijks, 't en zy het alleenlijk tot ontdekking en verhoeding van eenes anders quaden trek dient; maer als prijslijk schijnen 't andere oude Noordelingen opgenomen te hebben; want dus M-G, snutrs / sapiens; en Kimbr: snotur / A-S, snoter / snotor / callidus, prudens, sapiens; en snytro / snytru / snoternysse / sapientia; en unsnotor / insipiens. O, snoode tyden! o tempora, o mores!.

Het Wortel-deel.

SNUIV, &c, in ons SNUIVEN, SNOOF, (in Subj: SNOVE), GESNOVEN, II. CL: 2, naribus spirare & attrahere; follicare, ducere ilia; & suspirare; quin etiam olim Saxonibus, emungere nasum. H-D, schnauben (schbneuben en schnieben) / snob / ge schnoben / II. CL: 4, anhelare; dog ook H-D, schnauben / schnauffen / I. CL: anhelitare.

 

Tot het Wortel-deel van den Infinit: ons Snuif, f: of ook uit het Praeter: Snof, f: tabaci pulvis, vel aliud aroma pulveratum, quod naribus suspiratur; en in den Saxischen zin van uitsnuiven het oude † Snuive, nu nog uit het oude Praeter: ons Snof, Snuf, f: A-S, snofl / snofel / snyflung / rheuma, phlegma, mucus; waet van ons Versnoffen, I. CL: of Een snof wég-hébben, rheumate laborare, gravedinem contrahere; en A-S, snof / snoffa / nausea; als mede ons Snuiver, m: usui pulveris tabaci deditus; en overdragtelijk (even als ons vorige snoetshaen van snuiten) ons Snuiver, m: homo superbus, magnum spirans, jactitator. En, met een p voor f / het H-D, schnaupe / F. Nasus, proboscis; en H-D, schnuppen / schnupfen / I. CL: gravedine laborare.

 

Voor 't Praeter: hebben we het reetsge-melde Snof, Snuf, enz, waer van ons Snoffen, Snuffen, I. CL: Angl: snuffe / naribus inspirare; als mede ons Snoffelen, Snuffelen, I. CL: canium more naribus indagare, & tr: sagire, subolere; gelijk ook ons Snof, Snuf, f: perceptio odoratus; & tr: sagacitas; érgens de snof af hébben, rem subodorare; en Een nieuwe snof, een nieuw luchtje, novus modus; als ruikende na iet nieuws; en uit de zinspeling van't neuswijzig snuffelen hebben we mede onder S voor-op (waer uit te gissen is, dat de S hier een voorwerpsel zy) ons † Nuf, nasutulus; en Nufken, nasutula. Daer beneffens Snof, Snuf, f: singultus; waer van ons Snoffen, Snuffen, I. CL: singultire; als mede ons † Snoeve, f: respiratio; waer van ons † Snoeven, I. CL: spiritum reciprocare; dog overdragtelijk nu Snoeven, I. CL: proflare fastum, jactari, gloriari; ontleent van de moedigheid der beesten, alzo die hunne kloek-hertigheid met een gesnuif betuigen; gelijk ook by de menschen, als de hooge moed gaende raekt eene diergelijke opsperring der neusblazen eenigermate te bespeuren is.

De Zaek- of Wortel-deelen.

† SNUR, in † Snurre, nurus. filii uxor; zie daer van bij SNÉÉU, in de II. Pr.

 

† SNUT, in † Snut, mucus; † Snutten, mungere; en † Snutteren, resecare; by SNUIT, in deze Pr.

 

SNUUW, in Snuuw, nix; en Snuuwen, mingere; zie daer van bij SNÉÉU, in de II. Proeve.

[p. 400]origineel

SO.

SOEP, in 't Vriesche Soepe, lac serosum; zie by ZUIP, in deze Proeve.

 

SÓK, in Sókke, soccus; en Sokkelen, olim caespitare, nunc AErumnosè vitam trahere; zie daer van bij ZUIG, in deze Proeve.

 

SÓLD, in Sóldy, en Sóldaet, by ZUL, in deze Proeve.

SOM, in Sommig, Somwyle en Somme, &c, by ZAEM, in de II. Proeve.

 

SÓP, in Sóp en Sóppen, by ZUIP, in deze Proeve.

 

† SÓUD, in † Sóudy, en Sóudenier, by ZUL, in deze Proeve.

SPA.

SPAEN, in Spaen, Spaender, assula, ligneum putamen; Schuim-spaen, spatha zie daer van by SPANN, in deze Proeve.

 

SPALD, in † Spalden, findere; Twéé-spald, dissidium; by SPOUW, in deze I. Proeve.

 

SPALT, in Spalting, fissura, dissensio; by SPOUW, in deze l.Pr,

Het Wortel-deel.

SPAN, &c, in ons SPANNEN, nu SPANDE (oul: † SPOEN of SPON), GESPANNEN, nu VI. CL: oul: III. CL: tendere, intendere, quin etiam olim Contendere. Aen-spannen, VI. CL: arctè intendendo connectere; & tr: addere se socium alicui; Ontspannen, VI. CL: retendere, laxare, remittere; Op-spannen, VI. CL: intendere; Uit-spannen, VI. CL: distendere, protendere, dispandere; en De paerden uit-spansen, VI. CL: jugo solvere, disjungere equos; & stabulari; Den raed spannen, VI. CL: inire consilium; & senatus consultum colligere; Den vierschaer spannen, VI. CL: forum agere, jura exercere; mooglijk genomen van 't spannen der scherm-zeilen by 't houden van den vierschaer die in de opene lucht word aengeleit, en Samen-spannen, VI. CL: societatem inire, jugari; en in een overdragtelijken zin, als ziende op het sterk aendringen van eenig voorstel, of op 't overhalen van ymand onder een ééd-gespan of famenz weering, ons † Weder-spannen, VI. CL: repugnare, obtendere; en 't F-TH, spanan / spuon / gispanan / III. CL: 3, persuadere, suggerere; gelijk ook F-TH, of AL: sint ke-spanan / cohortantur; duruh-spanan wesan / cohortari; en gespuoni / suasu; en A-S, spanan en gespanan / spon / spanen en sponnen of gesponnen / III. CL: 2, jungere, & suadere. By Tatiaen vind men ook spenit / suggeret, persuadebit, hortabitur; zo dat ook by dit woord aldaer de e voor de a gevonden word, gelijk bij meer volgende takken. Voor den grond-zin kan men nemen het sterk in een trekken of getrokken worden, want schoon in't uitspannen of uitrekken van iet, de trekking af- of uit-waerts gaet, egter, 't gene we eigentlijk spanning noemen, is de mate en innerlijke kragt van wederstand tegen de uit-trekking aenwerkende.

 

Het Wortel-deel SPAN vertoont zig in ons Uitspanning, f: extensio; & relaxatio laboris; & tr: diversorium, stabulum; als mede in ons Span, Spanne, f: H-D, spanne / F, Angl: spanne / A-S, span / ook uit het Praeter: A-S, spon / sponne / en Ysl: sponn / F, spithama, palmus major; unde vulgò Spanna, Gall: espan; als eene mate zo ver de toppen van duim en vinger eener hand zig kunnen uitspannen; waer van ons Spannen, I. CL: A-S, spannan / I. CL: spithama mensurare, tendere, circinare; en waer toe verder ons † Veurspan, f: lichas, intervallum inter pollicem & indicem extensos; hebbende Veur voorop, vermits dus de voorste wijsvinger in stêe van anders de middelste of agterste vinger daer toe gebruikt word: en A-S, spenas / fibras; om 't spannen der snaren of draden of pezen. Nog ook ons † Span, † Spange, † Spéngel, en † Veur-span, f: H-D, spange / Angl: spangle / Ysl: spaung F, in Plur: speingur en spaanger / fibula, lamina; bulla, & emblema; amp; clavus ferreus

[p. 401]origineel

capitatus, clavus major; om 't samenspannen en sterk byéén-trekken of -voegen: en om gelijke rede ons † Spanne, f: tignus, tignum; en Veur-span, Veur-gespan, n: antilena, lorum ante pectus equi; Spansel, n: fascia, funis tensus; vitta, taenia; het Vlaemsche Spange, f: fascia; en ons Gespan, n: tensio, lacunar, jugalis socius, tigna conjuncta; & equorum jugum; † Spanader, m: Nervus; † Spanséél, n: compes equinus; en 't Adverb: Spansvoets, compresso pede; en 't Geldersche Span-bédde, n: H-D, spanbette / by ons uit het Praeter: Sponne, Sponning, f: sponda; en 't H-D, spannen / I. CL: tendere, intendere, dispandere; & jungere, jugare; waer toe het H-D, spanschaft / societas, consortium; in Hongaryen noemt men spanschaften / comitatus; in Zwitserland spanschaften / pagi; volgens de Teutscher sprachschatz van Von dem Spaten: wyders vind ik ook in 't Vocabularium A-S, gespan / murica, murex; en gelijk dit Latijnsche murex tweederhande beteekenis heeft, namelijk, een seker soort van oesters, waer uit men de purper koleur trok, en ten andere, een pijnlijk klem-yzer; zo past ook deze A-S naem op beiden; eerstelijk op de oesters, om het sterk toeknijpen en de strakke sluiting der schelpen, wanneer men die wil openen; en ten tweede op het prang-yzer, ter zake van het klemmend toewringen. Dog op ons Spannen van een vierschaer, alwaer dingtael gevoert word, of anders op het sterk aendringen en 't overhalen door redenskragt (gelijk ook by het reetsgemelde F-TH, spanan / III. CL: 3, en A-S, spanan / III. CL: 2, suadere, beneffens het daer van afgeleide A-S, gespanian / spanian / I. CL: allicere, inducere, persuadere, en het A-S, spenend / leno, en zoo voort) past vooreerst het F-TH, en Allemann: kespanst en gi spenst / suasio; gelyk ook ons † Gespéns, en het H-D, gespenst / spectrum; even als of de Oud-Duitschen het spoekwerk reets als beuzelarye hadden aengezien, waer van 't slegte volk door de loozen zig wat lieten wys maken; ten andere dunkt my hier toe mede betrekkelijk te zijn het Geldersche Span m: H-D, spann / M. lis, contentio, controversia, jurgium; en 't H-D, spänig en spenstig / contentiosus; en ons Wederspannig, repugnans. Verder schijnt my uit den zin van ons Spannen, intendere, & dispandere, ontleent te zijn het H-D, span / M, en by ons met een verlangde A, Spaen, m: en Spaender, m: en oul: uit het Praet:Spon, A-S, spon / assula, segmentum, ligneum putamen; als tot overspansels dienende; waer toe wederom ons Spaen, Schuim-spaen, Visch-spaen, Angl: spoon / Ysl: spoonn / cochlear, spatha, rudicula, ligula; als van spaenen wel eer gemaekt. Nog een ander Zakelijk deel † Span, nu Spon, had ook eertijds plaets by 't oude Praeter: van Spinnen, dog dit behoort tot dezen stam niet.

Wijders, gelijk by het voorgemelde F-TH, spenit / persuadebit, &c, gi-spenst / suasio, 't A-S, spenas / fibras, en het H-D, spenstig / contentiosus, en gespenst / spectrum, bereids de E in stêe van de A komt, zo mede by ons † Spénne, Zeelbank, sedile, scamnum; en † Spénne-koetse, f: slaepbank, scamnum cubiculare, sponda; als door spanning van zeelen wel-eer toebereid. Met dit Spénne komt in gedaente overeen het Vlaemsche Spénne, Spinne, by ons Spene, Speene, f: ook oul: uit het Praeter:Sponne, Spunne, f: H-D, spen / F. mamma, uber; papilla, capitulum mammarum; & tr: succus, lac muliebre; mooglijk vermits de borst door het zog opspant of, opgespannen zijnde door toedrukking het zelve loost; dus ook wederom met a het A-S, spana / mammae; en uit het Praeter: het F-TH, spunne / spune / ubera, en spunhaft / uberosus; van welk Spene of Speene ontleent is het H-D, spenen / I. CL: lactare, sugere; waer toe ons Speenvérken, n: Zoogverken, porcellus lactens, subrumus; dog, voor een onttrekking van de spenen, komt ons Spenen, Speenen, I. CL: H-D, ab-spenen / I. CL: oblactare, subducere lacte; alzoo men niet zelden de spene met iet bitters of onaengenaems bestrijkt, om 'er den zuigeling van af te gewennen; waer van overdragtelijk ons Zig Spenen, Speenen, I. CL: continere, abstinere se; en Spenen, I. CL: deflorescere; floribus amissis fructus formam primam producere; 't zy, vermits zigtbaer beginnende op te zwellen na 't afvallen van den bloeisem, 't zy speenvormige gedaente krijgende; waer toe ons Speensel, † Spénsel, n: deflorescentis arboris fructus

[p. 402]origineel

infans & informis. Verder nog ook overdragtelijk Spene, Speen, f: Speenvloed, m: ook uit het Praeter: Speune, f: Haemorrhois sanguinis profluvium per venas ani; & condyloma, tuberculum ani similes Haemorrhoidi, unde sanguis fertur; & Bronchocele, hernia gutturis, tumor rotundus in cervice inter cutem & asperam arteriam; om de tepel-vormigheid; waer toe ons Speen-kruid, n: chelidonium minus, scrofularia minor, ficaria, apium haemorrhoidarum; als zeer heilzaem geschat tegen die qualen. Wijders ook nog om de gelijkvormigheid der gedaente ons Spene, Speun, f: cnodax, rotunda fibula è ferro in extremis capitibus adacta quae in armillis versatur.

 

Tot het oude Praeter: behalven het reets-genoemde Sponne, ook Sponde, en Sponning, f: H-D, spanbette / lateralis lecti structura; anterius lecti fulcrum, sponda; komende dit Latijnsche sponda zo nae overeen met ons Sponde, dat 'er te twijffelen valt, of het onze van dat niet ontleent zy geweest. Voorts het voorgemelde Ysl: spøn / spithama; en 't Ysl: spoonn en Angl: spoon / cochlear; 't A-S, spon / assula; en ons † Spon, ligneum putamen &c; en Sponne, Speune, Spunne, F-TH, spune / spunne / mamma, uber, lac, succus; het F-TH, spunhaft / uberosus; en ons Speun, haemorrhois; & cnodax. Maer ook in den A-S, zin van overreding het A-S, gespon / en spone / suasio, persuasio, incitamentum; en A-S, spoon / fomes; en sponung / seductio; waer van het A-S, gesponan / I. CL: suadere.

 

1718 8/m

De Zaek- of Wortel-deelen.

SPAT, tubus emissarius; zie daer van bij SPYG, in deze Pr.

 

SPAUW, in 't Brabandsche Spauwen, by SPÓUW, in deze Pr.

SPE.

SPEEG, zie bij 't volgende SPYG, in deze Proeve.

 

SPÉÉG, in Spéégsel, sputum; zie bij 't volgende SPYG, in deze Pr.

 

SPEEK, in Spekelen, zie bij 't volgende SPYG, in deze Pr.

 

SPÉÉK, in † Spéék, † Speekel, en Spééksel, sputum, saliva; en † Spéék, scurrilis, procax; en Spéék-vogel, scurra; Spéékselen, salivare; en Speekelen, maculis inspergere; zie daer van bij 't volgende SPYG, in deze Proeve.

 

SPEEN, in Spene, mamma, papilla, & lac muliebre; Haemorrhois; & cnodax; en Spenen, ablactare; abstinere, deflorescere; enz. bij SPAN, hier voor in deze Proeve.

 

SPÉÉN, in Speene, mamma, &c; en Speenen, ablactare, & abstinere; zie daer van bij 't vorige SPAN, in deze Pr.

 

SPEET en SPÉÉT, in Speete, siphon; zie daer van bij 't volgende SPYG, en ons Speet, veru; Speten, subulae; en Speten, figere; by SPYT, beiden in deze Pr.

 

SPÉÉUW, in † Spééuwen, sputare; zie daer van bij SPYG, in deze Pr.

 

SPEI, in † SPEYE, sputum; † Speyen, spuere; Spey-vogel, sannio; en Speyeren, diffringere, & spargere; zie daer van bij SPYG, in deze Pr.

 

† SPEIG, zie bij SPYG, in deze Pr.

 

† SPEIT, in † Speite, siphon; daer van bij SPYG, in deze I. Proeve.

 

SPÉN, in † Spénne, sedile; scamnum; en Spénnekoets, scamnum cubiculare; en 't Vlaemsche Spénne, mamma; en † Spénsel, deflorescentis arboris fructus infans; zie daer van bij SPAN, in deze Proeve.

[p. 403]origineel

SPÉND, in † Spénde, cella penaria; † Spénden, erogare eleemosynam, &c; en Spendèren, disperdere, consumere; zie daer van bij 't volgende SPIN, in deze Proeve.

 

SPÉNG, in Spéngel, emblema; zie daer van bij SPAN, in deze Pr.

 

SPÉNS, in † Gespéns, spectrum; zie daer van bij SPAN, in deze Pr.

 

SPÉT, in † Spét, veru; & lumbago; en 't Vlaemsche Spétten, fodere; zie daer van by SPYT, in deze Pr.

 

SPEUN, in Speune, mamma; papilla; haemorrhois; & cnodax; zie daer van by SPAN, in deze Proeve.

 

SPEUR, in † Speur, vestigium; Speuren, Op-speuren, investigare; Bespeuren, cognoscere; en † Speure, calcar; zie daer van by SPEUR, in de II. Pr.

SPI.

SPIEG, in † Spiegen, spuere; als mede in Spiegel, speculum; zie daer van by SPUIG, in deze Proeve.

 

SPIET, in Spietse, hasta; zie daer van by SPYT, in deze Proeve.

 

SPIEUW, in † Spiewen, spuere; zie daer van by 't volgende SPUIG, en by SPOUW, beiden in deze Pr.

 

SPY, in Spyën, spuere; † Spye, saliva, sputum; en Spye, obex; cataracta; Spyvogel, scurra; by 't volgende SPYG, in deze Proeve.

De Wortel-deelen.

SPYG en SPY, &c, in ons SPYGEN Euphon: SPYËN, SPEEG (oul: SPEIG en SPÉÉG), GESPEGEN, II. CL: 1, spuere, omere. M-G, speiwan eb bispeiwan / spaiw in Subj: spiwan / spiwans / II. CL: 1, spuere; F-TH, spiwan / speiw (in Subj: spiwi) gespiwan / II. CL: 1, spuere. A-S, spiwan en spywan / spaw (of spaew / in Subj: spiwe) / spiwen of gespiwen / III. CL: 1, spuere, vomere, evomere. H-D, speien / spie en speyete / gespiën en gespeyet / II. CL: 1, en ook I. CL: spuere, vomere. Uit onze II. CL: 2, en 3, hebben we mede ons † Spuigen, † Spiegen, en Spuwen; gelijk ook in 't F-TH, spiuwan / II. CL: 2, en 't Ysl: spua / III. CL: 2, spuere; alle welken van gelijken zin, dog van eene andere afdeelinge van Classis zijn. Gelijke lot van overeenkomst is 'er by ons † Tygen, Tyën, II. CL: 1, en † Tiegen, † Tuigen, II. CL: 2 en 3, trahere, vergere, &c. Dog van deze Takken zullen we egter byzonder handelen by onze volgende Wortel-deelen SPIEG of SPUIG. Ondertusschen zy men hier vooraf verwittigt, dat de takken met I, bij inkortinge, zo wel uit den andren stam met IE, als uit dezen met Y, konnen ontleent geweest zijn. Daeren-boven zy men indachtig, dat onze ligtelijk wegsmeltende G, by onze Taelverwantten, door een Euphonischen weder-insprong van W vervult is, gelijk uit deze, en andere voormaels bygebragte voorbeelden te zien is.

 

Tot het Praesens behoort ons † Spye, f: saliva, sputum; en Spye, f: obex, aquarium, cataracta; waer van het H-D, speyen / I. CL: spuere, vomere; en overdragtelijk 't Ysl: spie / N. ludibrium; als eenes anders eere door schimp bekladdende; gelijk ook ons Spy-vogel, m: scurra, dicax, irrisor. Wijders A-S, spiwe-drenc / en spiwol-drenc / potus vomitorius; en A-S, spiwel / spiwing / vomitio. Voorts, met de ingekorte I, en den uitgang T, agter het Wortel-deel, gelijk zulks by de andere takken zig mede zal vertoonen, kan hier uit gesproten zijn, Alamann: spittan / I. CL: Dan: spytte / Angl: spitte / en ons oude † Spitten, I. CL: en H-D, spitzen / I. CL: sputare, screare; waer van 't Angl: spitle / spittel / sputum. En wederom met een uitgang K, agter 't ingekorte Wortel-deel SPI, ons † Spikke f: nu Spikkel, m: macula salivae, vel excreatio granorum instar dispersa; waer van ons † Spikken, I. CL: sputare, salivam spuendo dispergere; en Spikkelen, I. CL: maculis insper-

[p. 404]origineel

gere punctorum instar; benevens ons Spikking, spytisma; levis sputi irrigatio; en Spik-kering, Spik-haring, bukking, halec passa, vermits een weinig met zout besprengt zijnde; en om gelijke reden Spikkel-kaes, m: caseus recens & mollis.

 

Tot het oude Praeterit: met EI of ÉÉ, zonder G, of anders ook wel met K daer voor in de plaets, ons † Speye, f: en † Spéék, en † Speekel, nu Spéégsel, en Spééksel, n: H-D, speichel / M, sputum, saliva; waer van ons oude † Speyen, I. CL: nu Spéékselen, I. CL: spuere; salivare; benevens ons Spéék, scurrilis, procax, contumeliosus; en Spey-vogel, Spéék-vogel, m: sannio, scurra; en 't Vlaemsche Verbum Speyeren, I. CL: diffringere, & spargere, dispergere; gelijk ook ons † Speekelen, I. CL: of uit andere Praeter: † Spekelen, I. CL: maculis minutissimis inspergere, variegare. Daerenboven, met den uitgang W, in steê van G, het oude † Spééuw, sputum; waer van ons † Spééuwen I. CL: sputare; en 't A-S, spawan / I. CL: vomere; en wederom met den uitgang T, het Vlaemsche † Speete, † Speite, f: siphon; waer van het A-S, spaetan / I. CL: spuere; aspaetan / I. CL: exspuere; en spattan / speetan / spaetlian / I. CL: spumare; en A-S, spatl / spadl / en spatlung / spuma, gelijk ook by ons met de A-S, a / ons Spat, m: tubus emissarius; als waer door men iets voortspuit; waer van ons Spatten, Bespatten, I. CL: guttulis aspergere; en overdragtelijk ons Spatten, vitium suffragiuum; als eene uitspattinge van quade humeuren, makende een gezwel aen de beenen der paerden; en ons Verbum Uit-spatten, I. CL: instar apostematis frangi; erumpere; & tr: moribus excidere.

Het Wortel-deel.

SPYT, &c, in ons SPYTEN, SPEET, GESPETEN, II. CL: 1, pigere, indignatione affici, pungi. Hier toe heb ik onder onze Taelverwanten geen beantwoorders gevonden.

 

Tot het Praesens, ons Spyt, m: en f: indignatio; en, ten opzigte van in zig zelf, ons Spytig, indignabundus, contumeliosus, miserandus; dog, ten opzigte van een ander, Spytig, pungens, arrogans, superbus. Indien deze beteekenis van indignatione affici van het Bespogen worden, dat altoos voor een groote verontwaerdiging is gehouden, wel-eer ontleent zy geweest, in welken gevalle de eerste grondbeteekenis eene spuwinge zoude behelst hebben (gelijk my ook schemeragtig in den zin speelt, dat ik voormaels een A-S, spitan / III. CL: 1, spuere; ontmoet heb gehad, welks voorbeelden ik egter nu niet gereed genoeg wist te vinden) zo kunnen de takken met T, agter 't Wortel-deel, die by 't vorige SPYG of SPY geplaetst zijn, ook gevoeglijk hier toe betrokken worden. Dog zo men de grondbeteekenis neemt op pungi, of de naesmert van 't gene ymand prangt of steekt, zo schijnt daer uit gesproten en op de scherppuntigheid betrekkelijk te zijn, onder eene inkortinge van Y in I, ons Spit, n: of anders ook uit het Praeter: † Spét, en nu nog SPEET, n: A-S, spitu / Angl: spette / spytte / vera, obelus, pastinum, & hasta, verutum; waer van ons Speten, en Aen-spitten, I. CL: figere, affigere, & fodicare; en Spitten, Flandr: Spétten, I. CL: fodere; waer toe verder overdragtelijk ons Spit, Spét, n: lendepijne, lumbago; als eene steking in de lendenen, en onvermogen om die te konnen roeren, zo min of 'er een speet door-stak: verder ons Speten, uitbot-horens van een hart, subulae, tubercula cornuum recta cervorum; en daer toe Spét-hért, n: Spit-hért en Spies-hért, en Spétken, n: subulo; cervus cui prima & simplicia erumpunt cornuum tubercula; en 't Sax: en S c: Spét-muis, Spit-muis, aerdmuis, H-D, spitz-mausz / sorex, omden spitsen bek, gelijk die van een varkensnuit; nog ook Ysl: spioot / N, by ons † Spiet, Spietse, Euphon: Spiesse f: H-D, spiesz / M. hasta; en Spies-glas, n: stibium, antimonium; een glinsterige mijnstoffe, te famen gestelt uit lange kristallijne spietsjes, zwart van koleur; gelijk mede bij den Vlaming het fijnste soort van eikenhout, ik gis of om de regtheid der draden, of om dat m'er spietsen van maekte, genoemt word Spies-hout, lignum quercinum optimi generis, fibris rectis; voorts ons Spits, f:

[p. 405]origineel

en n: F-TH, spizzo / F, en H-D, spitze / F. cuspis, acies, acumen,& cacumen; en 't Adject: Spits, aculeatus, acuminatus; & pungens, mordens; gelijk ook transl: ons Spits, spijtig, pungens, mordens, aculeatus, arrogans, superbus; alwaer de over-dragt op dezelfde wijze loopt, als we hier voor, omtrent de oude grondbeteekenis, onze bedenking, bij wijze van gissing, inbragten, Indien we onder de oudheid medemakkers van ons Ongelijkvloeiend Verbum ontmoet hadden, we zouden 'er mooglijk nog eenigen in zulken zin gevonden hebben, die ons van het wel of qualijk zijn dezer gissing konden zeker maken, 't gene ons nu ontbreekt. Onder-tusschen is het waerschijnlijk genoeg, dat alle deze takken met Spét, Spit, en Spits tot een zelfden oorspronk behooren, en dat ook van het laetste wederom verder gevormt is ons Verbum Spitsen, I. CL: H-D, spitzen / I. CL: exacuare, praeacuere, & spiculare.

Het Zakelijke Deel.

SPIK, in † Spikke, Spikkel, † Spikken, en Spikkelen enz, zie daer van bij 't vorige SPYG, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SPIN &c, in ons SPINNEN, SPON (en oul: SPAN), GESPONNEN, II. CL: 5. Nere, nectere, deducere fila, versare pollice fusum, trahere pensa, versato fuso stamina ducere torta. M-G, spinnan / span (in Subj: spunnau) / spunnans / II. CL: 2, Nere. A-S, spinnan / span / spunnen / II. CL: 2, nere; Angl: spin / span of spun / spinned of spun / nere. H-D, spinnen / span (in Subj: spünne en sponne) / gespunnen en gesponnen / II. CL: 1, nere. Ysl: spinna / spann / spunnen / II. CL: 3, filum trahere.

 

Tot het Wortel-deel SPIN, ons Spin, Spinne, en Spinne-kóp, m: en f: H-D, spinne / F. araneus, & aranea; en Spinne-Kóppe, f: orchis andrachnitis, herba cujus flos araneae similis; en Spinnekóppe, f: Wolfsbeziën, herba Paris, uva lupina; ab ementita videlicet araneae forma, quam bacca unà cum reflexis exiguis alabastris per maturitatem exprimit; vide Kilian: en Spin-muis, f: Mus araneus; of om haer behendigheid in te konnen loopen langs een dunne koorde even als de spinne langs haer draed, of om haer vergiftigheid, waerom ze, gevangen zijnde, van de katten niet gegeten zoude worden, zijnde dit een soort van bosch-muizen: en Spinrag, n: araneorum fila; Gespin, n: Gespinsel n: lana neta; Spin-rókke, f: colus; Spin-rad, n: en Spinne-wiel, n: Rhombus; Spinne-wébbe, n: Spinne-nét, n: aranea; en gelijk de Oud-Duitschen het maegschap van Mannelijke of Vrouwelijke zijde in Zwaerd-en Spille-maegen verdeelden, zo mede ons † Gespinne, f: proxima cognata mulieris a latere faeminino; en, met den uitgang SEL, ons Spinsel, n: tela, filum. Voorts A-S, spinle / netorium; en met den uitgang EL, het A-S, spindl / H-D, spindel / F, fusus; als de spille waer op men spint; en ons Spindel-hóut, n: Spindel-bóóm, m: H-D, spindel-baum / M. Angl: spindel-tree / Euonymus, carpinus; als waer van de spillen of klossen gemaekt worden; van dezen tak komt wederom het Verbum H-D, spindeln / I. CL: fusum torquere, manu fila ducere; welk Verbum men ook overdragtelijk gebruikt, als het H-D, spindeln / I. CL: in altum excrescere, adolescere in cacumen, luxuriare in turiones; als een hooge spil makende, en in vele rijstakjes uitschietende na den aert der spindelboomen; gelijk ook H-D, aufspindeln / I. CL: cuspidari. Verder ons Spin-kórfje, n: qualus, quasillus cistella, theca; waer in de vrouwtjes wel eer haer spin- en weef-tuig bij-een-borgen; waer op schijnt te zinspelen ons Spindse, f: fasciculus cremiorum; als rijs-takjes, waer van die korfjes gemaekt wierden; en, overdragtelijk, ons Spinte, f: corbula, cophinus, mensura frumenti aut avenae; als gelijkende na de oude spinkorfjes. Maer, mooglijk dat de vrouwtjes, in den ouden zuinigen tijd, toen men weinig omslag en luttel huisraed had, haere spin-korfjes tevens tot spijs-mandetjes gebruikten, of dat dezen in gelijke gedaente als die gemaekt wierden; waer uit dan ligte-

[p. 406]origineel

lijk kan gesproten zijn het Geldersche Spint, n: H-D, spint / cistella, theca; en ons Spinde, † Spénde, f: cella penaria, promptuaria, armarium, Gall: despense, Ital: dispensa, Hisp: despensa. En, gelijk op vele plaetsen de Vorsten en Vermogenden omdeelinge van spijs enz:, in mandekens voor haer onderhuisgenooten of behoeftigen laten doen, zo past hier op ons oude † Spinde, † Spind-bróod, en † Spind-, of † Spénd-stuk, sportula, panis qui gratis distribuitur, unde vulgò Spinda; en Spinde, f: pars esculenta; waer van ons † Spénden, † Spinden, I. CL: erogare Eleëmosynam, distribuere viritim panes, obsonia & reliqua necessaria; en met een bastertstaert ook hier van ons Spendèren, I. CL: A-S, spendan / I. CL: disperdere, consumere; & gratis distribuere; en F-TH, spenton / gi- en ki-spenton / I. CL: erogare, expendere, dispendere, & suspendere; en A-S, spendunge / consumptio. Dit zelfde Zakelijke Deel hebben we ook in ons † Spin, nu Spind of Spint van 't Verken, sumen, suis abdomen, caro exos circa umbilicum suis; als een vet omweefsel van den onderbuik; A-S, spind / arvina. En, gelijk de slegte vooze houtkorst, die onder den bast der boomen zit, den naem van 't spek der Boomen heeft gekregen, als overtrekkende het goede hout onder de schil, even gelijk het spek van 't verken tusschen vel en vleesch zit, alzoo is ook deze andere naem daer toe overgenomen; als Spint, Spind, n: H-D, spint / (of uit het Praeter:) spont / M, alburnum. Wyders, gelijk hier van, uit zuinigheid de stoppen gemaekt worden voor de instortgaten van het vaetwerk, zo schijnt uit het Praeter: ontleent te zijn het Geldersche en H-D, spund / M, en ons Sponde, operculum dolii, obturaculum cadi, unde vulgò Spongia; en 't Geldersche Spunt-gat, Spunt-lók, by ons Spons-gat, bomgat, orificium cadi; waer van het H-D, spünden / I. CL: obturare.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SPIND, in Spind, suis abdomen; alburnum; Spinde, cella penaria; & sportula; & pars esculenta; en Spind-bróód, sportula; en Spinden, distribuere viritim panes; en Spindel-hóut, euonymus; en Spindse, fasciculus cremiorum; zie daer van bij 't vorige SPIN, in deze Proeve.

 

SPINT, in Spinte, corbula; mensura frümenti aut avenae; en 't Geldersche Spint, cistella, theca; en ons Spint, suis abdomen; & Alburnum; zie daer van bij 't vorige SPIN, in deze Pr.

 

SPIT, in Spitten, sputare; zie daer van by SPYG; en Spit, veru, obelus, pastinum; & tr: lumbago; en Spitten, fodere; en Spits, acumen, cuspis; & aculeatus, pungens; mordens; arrogans; en Spitsen, exacuare, & spiculare; zie daer van bij SPYT, beiden hier voor in deze Proeve.

SPL.

SPLEET, in Splete, rima; &c, bij 't volgende SPLYT, in deze Pr.

 

† SPLÉT, in † Splét, rima; en 't Vlaemsche Splétten, findere; en 't Geldersche Splétter, assula, festuca; zie by 't volgende SPLYT, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SPLYT, &c, in ons SPLYTEN, SPLEET, GESPLETEN, II. CL: 1, findere, biulcum facere, agere rimas, dehiscere; H-D, spleissen / splisz / gesplissen / II. CL: 1, discerpere, distendere.

 

Tot SPLYT, ons Splyt-myte, m: homo sordidus, cumini sector; als ymand die zo overdadig inschrapend is, dat hij, bij vergrooting, eene mijt of duit in vele deelen zou kloven. En, ons Splyt-nagel, m: reduviae; als eene opsplijting van het vel digt by den nagel: en, by inkortinge van Y in I, hier toe mede ons Split, of ook uit het Praeter: † Splét, nu Splete, rima, fissura, crena; waer van het Vlaemsche Splètten, en ons † Splitten, I. CL: findere; en 't Geldersche

[p. 407]origineel

Splétter, m: H-D, splitter / M, en spleisse / F. assula; festuca; waer van het H-D, splittern / I. CL: frustulatim disrumpere. Verder met den uitgang SE, ons Splitse, f: fissura; waer van ons Splitsen, Splissen, I. CL: dividere in partes; en Splissen, I. CL: rudentum partes extremas absque nodo conjungere; als splijtende eerst de einden van een, en dan, zonder knoopinge, die wederom in één vlegtende.

 

Tot het Praeter: behalven de reetsgenoemde met E, ook nog Spletig, hiulcus, fissus, fatiscens; en zoo voort: tot het Praeter: Part: ons Gespleten léén, feudum non integrum.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SPLIS, in Splissen, dividere in partes; & rudentum partes extremas absque nodo conjungere; bij 't vorige SPLYT, in deze Proeve.

 

SPLIT, in Split, rima; † Splitten, findere; Splitse, fissura; en Splitsen, dividere; by SPLYT, hier voor in deze Proeve.

SPO.

SPOEL, in Spoel en Spoelen, &c, zie daer van bij 't volgende SPUIG, in deze Proeve.

 

† SPOEN, een oud Praeter: van Spannen, by SPAN, hier voor in deze Pr.

 

SPÓG, sputum; by 't volgende SPUIG, in deze Proeve.

 

SPON, in Sponne, Spon, lateralis lecti structura; ligneum putamen, & uber, lac, succus; en Spon het oude Praeter: van Spannen, zie daer van bij 't vorige SPAN; en Spon het Praeter: van Spinnen, zie bij 't vorige SPIN, beiden in deze Proeve.

 

SPOND, in Sponde, lateralis lecti structura; zie daer van bij SPAN; en Sponde, operculum dolii; zie daer van by SPIN, beiden in deze Pr.

 

SPONS, in Spons-gat, orificium cadi; zie daer van bij SPIN, in deze Pr.

 

SPOOG, in Spoog, Gespogen, van Spuigen, en in † Spoge, en Uitspoogsel, vomitus; en het Vlaemsche † Spogen, I. CL: spuere; bij 't volgende SPUIG, in deze Proeve.

 

SPOOR, in Spoor, vestigium, via indaganda; en Sporen, Na-sporen, &c, indagare; en Spore, calcar; en Sporen, Aen-sporen, instigare; &c, zie by SPEUR, in de II. Pr.

 

SPOOT, in † Spoot, macula, naevus; &c, bij SPUIT, in deze Pr.

 

† SPÓRK, in † Spórkelmaend, februarius; zie daer van by SPEUR, in de II. Proeve.

 

SPÓRT, in Spórte, gradus scalae transversoriae; zie daer van bij SPRUIT, in deze Proeve.

 

SPÓT, in 't Vlaemsche Spót, macula, naevus; en Spótten, maculis aspergere; en ons Spót, ludibrium; en Spótten, ludibrio habere; bij SPUIT, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SPÓUW, &c, in ons SPÓUWEN (oul: † SPOUDEN), in Praeter: nu SPOUWDE (oul: † SPIEUW), GESPOUWEN, en † GESPOUDEN, nu VI. CL: oul: III. CL: 6, findere; & findi; en Spóuwen den visch, exossare piscem; Ital: spallare. In 't Brabandsch heeft men Spauwen, en voor dit ons OUD, waer voor Euphonicè OUW gekomen is, had men eertijds gewoonlijk ALD of ÓLD naemlijk † Spalden of Spólden, (zie in onzen Grondsl: van Gereg: Afleid: I. Verhand: §. XXIII.) en gevolglijk in Praeter: † Spield, waer van nog

[p. 408]origineel

overig is het H-D, spalte / spaltze / F, en 't Geld: Spalte, fissura, rima, crena; waer van het H-D, spalten / I. CL: findere, scindere; en waer toe het H-D, Zweispalt / M, bij ons Twéé-spald, m: schisma, dissidium; en ons Spalting, f: H-D, spaltung / F, fissio, fissura, dissensio; dat nu hier bij ons ook T, in plaets van D komt, is of een overneming van de H-D, Dialect, of de T komt als een Terminatie.

 

Tot SPÓUW, behoort ons Spóuwsel, n: segmentum; en Spóuwing, f: rima, fissura. Dog van een ander Spóuwen, zie verder by ons SPUIG, in deze Pr.

SPR.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SPRAEK, sermo; &c, zie bij 't volgende SPREEK, in deze Pr.

 

SPRAK, bij SPREEK, in deze Pr.

 

† SPRANG, bij SPRING, in deze Pr.

 

SPRANK, in Sprankel, bruchus, locustae genus; & scintilla; &c, zie bij 't volgende SPRING, in deze Pr.

 

SPRÉÉD, in Spreeden, extendere, &c; en Sprééd, Spreeder, toralium; zie daer van bij BRÉÉD, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

SPREEK, &c, in ons SPREKEN, SPRAK (in Subj: SPRAKE, ook oul: SPROKE), GESPROKEN, IV. CL: 1, loqui, dicere; F-TH. sprechan en sprehhan / sprach en sprah / gisprochan / II. CL: 5, loqui. A-S, sprecan (dog veeltijds specan) / in Praet: spraec of sprac (of ook zonder r) / in Praet: Part: sprocen en gespraecen / en ook zonder r / II. CL: 5, loqui; Angl: to speak / in Praet: spake of spoke / in Praet: Part: spoken / loqui. Dit verloop van het Engelsch en A-Saxisch, wegens het uitlaten van de r / is iet ongemeens, dog schijnt uit de Engelgelsche Lisp-Dialect gesproten te zijn. H-D, sprechen / sprach / gesprochen / III. CL: 2, loqui. Composita hier van zijn ons Bespreken, IV. CL: 1, condicere, praefinire; praefigere conditionem; & Testamento decernere; & olim Consulere, quin etiam Deferre, & obloqui; en Verspreken, IV. CL: 1, condicere, stipulari, & fide jubere; & olim Excusare; quin etiam Objurgare; & refellere; en Zig verspreken, IV. CL: 1, hallucinari lingua, falli dictis; en Veur-spreken, IV. CL: 1, defendere verbis; & praefari; en † Veurspreken, fide jubere, & stipulari; en Weder-spreken, iterum loqui; in Praet: Part: Wedergesproken; en Wedersprèken, contradicere, in Praet: Part: Wedersproken; en Uit-spreken, V. CL: 1, eloqui; & efferre judicium; A-S, bespraecan / II. CL: 5, obloqui; en in Praet: Part: bespraecen / delatus; van welk laetste nog in gebruik is ons On-besproken, nulla fama laesus.

 

Tot SPREEK, ons Spreek-wóórd, n: adagium, proverbium, dictum; namelijk een gemeen en bekend zeggen, verschillende een luttel in zin van ons † Sproke, nu Spreuke, f: sententia, proverbium; als een gezeg, dat op zig zelven waer moet zijn, zonder aenmerking van personen, tijd, of plaets; gelijk ook nog meer van deze beiden verschilt ons Spreek-wyze, f: Spreek-trant, m: modus loquendi, idioma, dialectus; Voorts A-S, sprece / consilium. Dog met de ingekorte E, vertoonen zig ons Gesprék, n: colloquium, interloquium; A-S, sprec / forum, synagoga; en ons Besprék, n: stipulatio; conditio; & olim Donatio Testamento relicta; quin etiam Consultatio; en 't AL: pi-sprehho / detractor.

 

Het Zakelijke deel SPRAEK, 't gene in 't Praeter: Subj: gevonden word, vertoont zig in ons Sprake, f: H-D, sprache / F, F-TH, sprahha / F, A-S, spraece / spraec / gespraece en spaece / F, sermo, loquela, idioma; & fama, rumor; ons Aen-spraek, f: Adlocutio; en Af-spraek, f: mutua promissio, conventio; & fidejussus; en † By-sprake, ook nu By-spreuke, f: parabola, proverbium; en † Gespraek, n: nu Gesprék, colloquium; en

[p. 409]origineel

In-spraek, f: inspiratio, instinctus; en Uit-spraek, f: eloquium, pronuntiatio; & tr: sententia Judicis vel Arbitrum; en Spraek-saem ook oul: Sprék-barig, A-S, gespreca / affabilis; en A-S, spraecol / loquax; en spraec-craeft / rhetorica; en gespraecu / oracula; ons Op-spraek, f: oblocutio; ignominia, reclamatio; en, met den ouden uitgang E, voor een persoon, ons Voor-sprake, m: A-S, forspeca / M. prolocutor, sponsor; advocatus, patronus; en † Aen-sprake, m: actor. Wijders ook AL: sprahhu / loquacitas; en bisprahhido / ki-sprahho / detractatio; en van 't Substant: Spraké, H-D, sprache / komt het H-D, sprachen / I. CL: by ons ook voormaels † Spraken, I. CL: confabulari, colloqui; waer van nog leeft ons Wél-bespraekt, eloquens; en Bespraektheid, f: eloquentia.

 

Uit het oude Praeter: Subj: met O, of de gelijkwaerdige EU (zie onze Grondslags II. Verh: §. XIII.) ons bovengenoemde Spreuke, † Sproke, f: sententia, proverbium; en 't A-S, gespruc / seditio; als door opruijende taelvoering aengezet; en verder ons Sprookje, n: AL: sprahho / puerilis fabula.

Uit het Praeter: Part: ons reetsgenoemde Adject: Onbesproken, nulla fama laesus; en zoo voort.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SPREID, in Spreiden, extendere &c; en Spreid, toralium; zie daer van by BRééD, in de II. Pr.

 

SPRÉK, in Besprék, stipulation; & olim Donatio Testamento relicta; & consultatio; en Gesprék, interloquium; en † Sprék-barig, affabilis; by 't vorige SPREEK, in deze Proeve.

 

SPRÉNG, in † Spréngen, II. CL: 5, saltare; en Spréng-vier, herpes, ulceris genus; & lancea ardens, facis genus in aëre; en † Sprénge, macula aspersa; en Spréngen, Bespréngen, I. CL: adspergere, conspergere; enz. by SPRING, in deze Proeve.

 

SPRÉNK, in Sprénkel, bruchus, locustae genus; & macula adspersa; & scintilla; en Sprénkelen, minutissimis maculis adspergere; bij 't volgende SPRING, in deze Pr.

 

SPREUK, in Spreuke, sententia; by 't vorige SPREEK, in deze Pr.

 

SPRIED, in Spried, toralium; zie daer van by BRééD, in de II. Proeve.

De Wortel-deelen.

SPRING &c, in ons SPRINGEN (oul: ook † SPRENGEN), SPRONG (oul: ook † SPRANG), GESPRONGEN, II. CL: 5, salire, saltare; en Bespringen, II. CL: 5, assilire, insultare; & salire, inire femellam; By-springen, II. CL: 5, subitaneo motu adjuvare; Ontspringen, II. CL: 5, exsilire, & exoriri; Op-springen, II. CL: 5, subsilire; exsilire; Om-springen, II. CL: 5, circumsilire; Slégt met iemand omspringen, durius aliquem tractare; enz. F-TH, springan / sprang / gisprungan / II. CL: 3, saltare; overspringan / II. CL: 3, transilire; A-S, springan (en sprengan) / sprang / sprungen / II. CL: 2, exire; pullulare; oriri; & palpitare, scabere; Engl: to spring / sprang of sprung / en in Praeter: Part: sprung / germinare; H-D, springen / sprang en sprung / gesprungen / III. CL: 1, saltare. Ysl: springa / in Praet: sprack (Euphon: voor sprang) / in Praet: Part: sprungenn / II. CL: 3, rumpere; insanire. Dit Ysl: verbeeld-alleen de geweldige en onmatige beweging; dog voor de gemeene grondbeteekenis zoude ik houden, een schielyke op- of voor-koming.

Onder de Takken van dit Verbum zullen 'er velen zijn met NK, in stêe van NG, haer naebestaende.

 

Dus tot het Praesens ons Spring, m: en † sprink, m: A-S, spring / scaturigo; fons saliens; en † Sprink, m: Angl: spring / origo; en Spring, n: Spring-vloed, m: AEstus maritimus major, plenâ lunâ ac novilunio comitatus; en Gespring, n: saltus frequens; Spring-kever, Sprinkel, Sprénkel, of ook uit het Praeter: Sprankel, m: bruchus,

[p. 410]origineel

locustae genus; en Hooi-sprénger, Sprinkhaen, en † Sprink-hael, contr: Springael, m: locusta; om het sterk springen dezer bloedelooze dieren; en Spring-stók, m: contus; Spring-bal, m: halter, massulae plumbeae, quibus in saltu se librant saltatores; Spring-héngst, m: Spring-péérd, n: equus admissorius; Spring-ruiter, m: desultor; Ysl: spreingur / disruptor; en ons † Spring-reize, f: eruptio, excursio; en † Spring-tyd, m: ver; als wanneer alle groente ontspringt uit der aerde. Verder Spring-haey, m: galeus glaucus; piscis incredibili agilitate quatuor cubitorum altitudine è mari exsiliens, juxta Lemnium; en † Spring-wal, † Spuit-wal, m: orca, physeter cetaceus, piscis genus; hier beteekent Spring een fontein, en Wal een Walvisch, of groote visch; gelijk ook Ysl: hvalur / A-S, hwael Angl: whale / balena,cetus; zijnde alzoo genaemt om zijn geweldig uitspuiten van het water, als of men zeide, een groote Fontein- of spuit-visch. Voorts Spring-nét, pantheron, vulgò rete saltabundum; en Spring-kruid, n: lathyris, cataputia minor; & piperitis siliquastrum; en Spréng- of Spring-vier, n: ulceris genus, herpes, ignis sacri species serpentibus pustulis repens; en Spréng- 'of Spring-vier in de Lucht, bolis, lancea ardens, genus facis in aëre; deze ,laetsten zien op de verdeelde en sprongwijzige verspreiding, even gelijk ook die zin plaets heeft bij ons † Sprénge, f: Sprénkel, en Sprinkel, m: macula adspersa; en in Sprinkel, Sprénkel, m: of ook uit het oude Praeter: Sprankel, m: en Spranke, f: scintilla, favilla; A-S, sprynge / carbunculus; van welken onze Verba Spréngen, Bespréngen, Sprénkelen, en Sprinkelen. I. CL: A-S, sprengan / I. CL: Angl: sprinckle / AL: ke-sprengan / I. CL: en H-D, sprengen / ansprengen / I. CL: spargere, aspergere, conspergere, & inspergere; gelijk ook H-D, sprengen / I. CL: facere salire; cursu contendere; saltu certare, rumpere, frangere; en vermits ons Bespréngen veeltijds ẘord uitgevoert by wijze van iets verstrooidelijk ergens op te werpen; zo mede hier toe ons Spréng-vat, n: gieter, harpagium; en Spréng-water, wy-water, aqua lustralis; en Spréng-wadel, m: wy-quast, aspergillum sacrum; beneffens het A-S, sprinci / fiscella; als een mandeken, dat sprenkelkleurig van tienwerk gevlogten is. Enz.

 

Tot het oude Praeter: met A, ons reedsgenoemde Sprange, Sprankel, scintilla; en Sprankel, bruchus; beneffens het A-S, sprance / stirps; als opspruitende, of, voor zo veel al de takken daer uit ontspruiten en voorkomen; Voorts A-S, spraencan / I. CL: minutatim spargere; in den zelfden zin als ons bovengemelde Bespréngen.

 

Dog het hedendaegsche Praeter: met O, vertoont zig in ons Sprong, m: saltus; Viersprong, m: quadrivium; en † Spronk, m: origo, scaturigo; waer toe ons Óór-spronk, m: origo, principium, causa rerum. Voorts onze spreekwijze Op een sprong, cito; en † Spronk-reize, f: eruptio; enz.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SPRINK, in † Sprink, scaturigo; fons saliens; origo; Sprinkel, bruchus; Sprink-haen, locusta; en Sprinkel, scintilla, favilla; en Sprinkelen, inspergere; by 't vorige SPRING, in deze Pr.

 

SPROED en SPROEY, in Besproeden, Besproeyen, aspergere; zie daer van bij BRÉÉD, in de II. Pr.

 

SPROET, in Sproet, † Sproetsel, en † Sproetel, lentigo; zie daer van bij 't volgende SPRUIT, in deze Pr.

 

SPRÓK, in Sprókkelmaend, Februarius; zie daer van bij SPEUR, in de II. Pr.

 

SPRONG, in Sprong, saltus; en de spreekwijze Op een sprong, citò; by 't vorige SPRING, in deze Pr.

 

SPRONK, in † Spronk, origo; scaturigo; † Spronk-reize, eruptio; en Óórspronk, origo, causarerum; by SPRING, in deze Proeve.

 

SPROOK, in † Sproke, Proverbium; Sprookje, puerilis fabula; en Onbesproken,

[p. 411]origineel

nulla fama laesus; by SPREEK, in deze Proeve.

 

SPROOT, in Sproot, Gesproten, verbuigsels van Spruiten, by 't volgende SPRUIT, in deze Pr.

 

SPRÓT, in † Sprót, sarmentum; en † Sprótten, pullulare; en Sprót, sarda, pisciculus; en 't Geld: Sprót, lentigo; en † Sprót, gradus scala transversoria; zie daer van bij SPRUIT, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

SPRUIT, &c, in ons SPRUITEN, SPROOT, GESPROTEN, II. CL: 2, exsurgere, exsilire, surgere in altum, germinare, pullulare, fruticare; Ontspruiten, II. CL: 2, exoriri, pullulare. A-S, sprutan (sprytan en spreotan) / spreat / spruten / II. CL: 1, germinare, pullulare, exsilire. H-D, spriessen / sprosz / gesprossen / II. CL: 2, surgere, in altum oriri, fruticare; en Ent-spriessen / II. CL: 2, initium sumere. Dog, met een verloop, Ysl: sprett / germino, erumpo; in Praet: spratt / II. CL: 4. De grondbeteekenis schijnt my geweest te zijn, ontspringen, opkomen.

 

Tot het Praes: ons Spruite, f: A-S, spryting / frutex, germen, pullus, surculus, planta; & tr: progenies, familiae; waer van A-S, spryttan / sprittan / I. CL: germinare; voorts ons Spruitsel, n: germinatio, pullulatio; en H-D, erspriessung / F. frondatio, & augmentum fortunae vel familiae; en 't afgeleide H-D, spriessen / I. CL: pullescere, germinascere.

 

Het Zakelijke deel van het Praeter:, dog ook met een ingekorte O, vertoont zig in ons † Sprót, A-S, sprote / Angl: sproute / sarmentum; H-D, sprosz / M, en sprosse / F. surculus, germen, turio; en A-S, sprota / clavola, surculus arboris; en A-S, of F-TH, sprauta / virgultum; allen, vermits op- of uit-geschotene rijs-takjes: waer van ons † Sprótten, I. CL: H-D, sprossen / sprösseln / en spreusseln / I. CL: pullulare, germinare, excrescere. Verder ons Sprót, f: apua infumata; als van sommigen gehouden voor jonge spruitelingen van haring; en Sprót, sardijn, sarda, pisciculus; als gelyk-vormig aen de vorigen; en 't Geldersche Sprót, by ons ook Sproet, † Sproetel, en † Sproetsel, f: lentigo, faciei maculae subrusae aut pullae; als of men zeide een velspruite. Nog ook 't H-D, sprosse / sprossel / by ons † Sprót, en nu, by verschikking van de R, ons Spórt, Spórte, f: gradus scala transversoria; alzoo men die van ouds (gelijk ook nog in Landen, daer men op de beschaeftheid geen agt geest) slegts uit de ruwe zy-spruiten van sparren of denneboomen &c. toestelde. Daerenboven schijnt ook tot dezen Tak te behooren het Geld: en Sax: Sprutte, sipho; waer door het water als op- en uit-spruit; of, vermits een werktuig om de jonge spruiten mede te besproeijen.

De Zaek- en Wortel-deelen.

SPRUT, in 't Geld: Sprutte, sipho; zie daer van bij 't vorige SPRUIT, in deze Proeve.

SPU.

SPUEG, in Spugen, spuere; vomere; by SPUIG, in deze Pr.

 

† SPUEL, in † Spuel-wyn, lora; en † Spuelen, diluere; zie daer van bij SPUIG, in deze Pr.

 

SPUI, in Spuye, Spui, septum, cataracta, emissarium; bij SPUIG, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SPUIG of SPIEG, &c, in ons SPUIGEN (of † SPIEGEN, en † SPUIWEN, of † SPIEWEN), in Praeter: SPOOG (of † SPOUW), in Praet: Part: GESPOGEN (of † GESPOUWEN) II. CL: 2 en 3, spuere. F-TH, spiuwan / spouw / gispuwan II. CL: 2, spuere; en Ysl: spua / vomere; in

[p. 412]origineel

Praet: spioo / in Praes: eg spy / III. CL: 2, Ondertusschen heeft dit Latijnsche zo veel gelijkheid van gedaente met dit Onze, en 't F-TH, en Ysl:, dat met dit wel voor een overblijfsel van de overoude gemeenschap mag aenzien.

 

De G en W zijn hier wederom versmelt-letters, gelijk veelmael, als ze 't hek sluiten van het Zakelijke deel; waerom ze ook ligtelijk uitgelaten, of de eene voor de andere genomen worden: gelijk dan ook zonder G, zig vertoont ons Spuy, f: en n: septum, cataracta, emissarium; als die 't opgestopte water, by 't openen der sluisdeuren met geweld uitspouwt; en Gespuis, faex plebis; als het uitspouwsel der aerde; en Gespuis, n: spectrum, larvae, simulachra inania; als een slecht gespuis, dat de hand aen zulk bedrog houd.

 

Het Wortel-deel SPIEG, vertoont zig wel in ons Spiegel, m: speculum; dog is niet hier van, maer uit het Latijnsche speculum, Ital: specchio & speglio afkomstig: by ons is thans het geslacht daer van 't Mascul: verloopen, dog voormaels was het ook een Néutrum, even gelijk 't oorspronkelijke Latijnsche, en gelijk ook nog wel eenigen onzer Gebueren in hare daeglijksche spraek Het spiegel in gebruik hebben.

 

Tot het Praeter: behoort het oude Geldersche † Spóuwe, f: saliva, sputum, vomitus; en ons † Spoge, en † Spug, nu Spóg, n: saliva, sputum; en Uitspoogsel, Uitspouwsel, n: vomitus; waer van het oude Vlaemsche † Spogen, I. CL: en ons Spugen, Spuwen, en Spouwen, allen I. CL: spuere, emittere sputum; & vomere; en F-TH, an-spuwan / I. CL: inspuere. Dog 't Praeter: Imperf: en Praeter: Partic: van dit dit ons Spugen, I. CL: word zelden gebruikt, maer meest in derzelver plaets ons Ongelijkvloeijende Spoog, Gespogen, gelijk wederom de Infinit: daer van (naemlijk † Spuigen of † Spiegen) genoegsaem veroudert is,. en dit ons Spugen of Spuwen of Spouwen gemeenlijk daer voor opkomt. We hebben nog een ander Spouwen, VI. CL: findere; van 't welke wij bij 't Wortel-deel SPÓUW gesproken hebben.

 

Maer, of niet, met uitlatinge van G of W, en met agtervoeging van de uitgang EL, ons Spuel of Spoel gekomen zij voor † Spuël, † Spoël, als 't gene dat in het tappen wegspuit, of als 't gene men, als onwaerd, ligtelijk laet wegloopen, laet ik in twijffel; immers hier op past eenigsints ons Spoel- en † Spuel-wyn, m: lora, dilutum vinaceorum; en Spoelinge, colluvio, proluvies; en daer toe verder ons Spoelen, † Spuelen, I. CL: diluere, eluere, sordes tollere; en † Spoelte, f: sipho; om iets door te spoelen, of om 'er iets mede af te spoelen. Voeg hier by ons † Spoele, f: canna, arundo, caulis pennae, calamus; alzo de rietpijpen tot doorspuiting of doorspoelinge gebruikt worden; maer gelijk ook dezen bij de wevers dienden, zoo mede hier van Spoel-pype, canna pani; en Spoel-rad, Spoel-wiel, rhombus textorius; en Spoele, Spoeltuite, f: glomus textorius, panus; vulgò Spola, Ital: Spola, & spuola; en Spoele, Schiet-spoele, f: radius; panuellium, quo subtegmen stamini inseritur; waer van ons Spoelen, I. CL: in panum fila rhombo cumulare; en transl: 't Geld: Spoele, f: panis triticeus oblongus; als spoelvormig; en Spoele, Spoel-worm, H-D, spulwurm / Sax: spolworm / tinea rotunda, vermis in corpore humano; als rietvormig.

Het Zaek- of Wortel-deel.

SPUIS, in Gespuis, saex, plebis, & spectrum; zie bij SPUIG, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

SPUIT, &c, in ons SPUITEN, SPOOT, GESPOTEN, II. CL: 2, spuere, exspuere, siphone emittere.

 

Tot het Praesens ons Spuite, sipho, siphon; en Spuit-wal, m: physeter, piscis cetaceus aquam fontis instar in altum efflans.

 

Tot het Praeter: met de ingekorte Ó, het

[p. 413]origineel

Vlaemsche Spót, oul: † Spoot, Angl: spot / macula: naevus; waer van het Vlaemsche Spótten, I. CL: Angl: spotte / maculis aspergere. Maer gelijk het bespatten en bespuwen, zo 't moedwillens geschied, eenteeken is van spel of van smaed, zo is overdragtelijk hier van ontleent ons Spót, m: Gespót, n: en H-D, spott / M. gespött / N. Ysl: spott. N, Angl: sport / jocus, lusus, ludibrium; irrisio, derisus; waer van het H-D, en ons Spótten, I. CL: Angl: sporte / F-TH, spotan / bespottan / I. CL: ludibrio, habere; en Spótterny, f: ludibrium, jocus; & deridiculum; enz.

De Zaek- of Wortel-deelen.

SPUIW, in Spuiwen, spuere; bij SPUIG, hier voor in deze I. Pr.

 

SPUN, in Spunne, mamma, uber &c; zie daer van bij SPAN, in deze Pr.

 

SPUND of SPUNT, in 't Geld: Spunt-gat, Spunt-lók, orificium cadi; zie daer van bij 't vorige SPIN, in deze Pr.

SPUUW, in Spuwen, spuere; bij SPUIG, in deze Proeve.

STA.

STA of STAE, in Stade, auxilium; falcrum, columen, statio navium, portus; Te stade komen, opportunè venire, & auxilio venire; † De stade hébben, tempus vacuum habere; † Stade doen, usui esse, commodo esse; † In stade staen, suppetias ferre; en † Staden, stabilire; in statu collocare, & concedere; Stadig, stabilis, constans; modestus; Gestadig, assiduus; en † Stadigen, confirmare; by 't volg: STAND, in deze Pr.

 

STAD, in Stad, urbs, locus munitus; & olim locus; † Stad-kind, prodigentiae condamnatus; † Stadlyk, † Stadsch, urbanus, oppidanus, civilis, Stad-hóudder, vice-dominus, praefectus, prorex; † Stad grypen, ratum essë, auctoritate valere; bij STAND, ins deze Pr.

 

STAE, enz. zie bij 't volgende STAND, in deze Proeve.

 

STAED, zie STA of STAE, hier voor.

 

STAEDZ, in † Staedzie, volgens de oude schrijving † Stagie, contignatio, pegma; zie daer van bij 't volg: STYG, in deze Proeve.

 

STAEF, in Staef, baculus, virga: &c, zie daer van bij 't volg: STAND, en STYV, beiden in deze Pr.

 

STAÊG, in Staêg, Gestaêg, assiduus, olim firmus, stabilis; by 't volg: STAND, in deze Pr., en in 't Stagie, contignatio, pegma; by STYG, in deze Proeve; en in Stagie, Ostagie, obses; wederom by STAND, in deze Pr.

 

† STAEY, in † Staeye, fulcrum, sustentaculum; by STAND, in deze Pr.

 

STAEK, in Stake, Staek, stipes, baculus; stirps, soboles; en Staken, palare, stipare, terminare; & sistere opus; en Stakétsel, sepimentum &c; enz. by STEEK, in deze Pr.

 

STAEL, in † Stael, scapus, manubrium, caulis, stipes; Stael-blind, prorsus caecus; Stael, chalybs; Stalen, Verstalen, indurare ferrum chalybe; Stael, exemplum, specimen; Stael van de vérwe, tincturae probatio; Stalen de wolle, inficere lanam medicamentis tincturiis; Stalen het laken, plumbeo sigillo munire pannum in signum probae tincturae; Stael-hóf, locus ubi tincti panni sigillantur; † Stael, locus in quo res venales exponentur; en † Stalen, merces exponere, bij STAND, in deze Pr.

 

STAEM, in Stamelen, Stameren, balbutire; zie daer van bij STAND, in deze Proeve.

 

STAEN, komende voor het oude † Stan-

[p. 414]origineel

den, hebbende velerhande beteekenissen gekregen, te zien by 't volg: STAND, in deze Proeve.

 

STAEND, in Staende voet, Op staende voet, Aenstaende, en Bestaende, enz, by 't volgende STAND, in deze Pr.

 

STAEP, in † Stapel, gradus; en Stapel, cicada; & caulis, stipes; & pes, fulcrum; & turris, pyramis; & sedes, statio; Stapel-récht, jus fori; Stapelen, in strues componere; by 't volgende STAND, in deze Pr.

 

STAERT, in Staert, cauda, syrma; anus, podex; &c; enz: zie by STAND, in deze Proeve.

 

STAET, in Staet, status, conditio, sors; honor, dignitas; & pompa; Staten des lands, Ordines Provinciae; Staet-zugtig, ambitiosus; Staet maken, sibi proponere, judicare, aestimare; en Staetsie, pompa; Staetig, Statelik, gravis, severus, magnificus, clarus; by 't volg: STAND, in deze Pr.

 

STAEV, in † Stave, baculus, virga; en Boek-stave, litera; en Staven, figere, pangere; Ton-staven, asseres dolii; zie daer van bij STAND, en by STYV, beiden in deze Pr.

 

STAF, in Staf, baculus, virga; Staf-zwéérd, sica, dolon; zie daer van by STAND, en by STYV, beiden in deze Proeve.

 

STAG, in Staggeren, Staggelen, titubare; zie daer van by 't volg: STAND, en STYG, beiden in deze Pr., en by STIG, in de II. Pr.

 

STAK, 't Praet: van Steken, bij 't Wortel-deel STEEK, in deze Pr.

 

STAL, in Stal, locus expositorius; & stabulum; Stallen, merces exponere; & stabulare; † Stal, sedes; Op-stal, erectio, operis scema; & olim receptaculum, & seditio, tumultus; Stal, Gestalte, statura, forma, qualitas; Misstal, inconvenientia, laesio; Stal-héngst, equus admissarius; en Stallen, lotium emittere, concrescere, & ponere; en Stalle, lotium, urina, & vorago incurva; enz; by STAND, in deze Pr. dog in Dief-stal, furtum; by STEEL, in deze Pr.

 

STALP, in Stalpen, pede ferire, ungula quatere; zie daer van bij STAND, in deze Proeve.

 

STAM, in Stam, truncus, stirps arboris; genus, propago; en Stam-goederen, bona haereditaria; zie daer van bij 't volgende STAND, in deze I. Pr.

 

STAMP, in Stampen, pedibus conculcare; tundere, contundere in mortario; † Stampel, tudiculus, typus monetalis, Stampyen, I. CL: supplodere; enz. zie daer van bij STAND, in deze Pr.

De Wortel-en Zaek-deelen.

STAND, STAE en STOND, &c, in ons STAEN (oul: † STANDEN), STOND, GESTAEN (oul: † GESTANDEN) III. CL: 5, of onregelmat: stare, sistere, consistere, situm esse; Dit Verbum, vermits het in den grond een stand vastige werking, duering, of plaetshouding beteekent, quam al van de oudste tijden af, zelf toen de tael nog arm van woorden was, in alle levenswijzen menigvuldig te pas; waerom het niet alleen de zeldsame inkrimping van Sta voor Stand heeft geleden (even als ook by ons Gaen voor Gangen) maer ook velerhande Composita van byzondere beteekenissen, en daer onder etlijken van zeer vreemde overdragten, gekregen. Onder de voornaemsten zijn ons Wél of Qualyk staen, benè vel malè se habere; convenire vel disconvenire; Ter boete staen, mulctae obnoxium esse; In vreeze staen, in metu esse; Dier staen, magno constare; Dat staet aen hém, ab illo hoc dependit; Dit staet van dat, hoc ab illo distat; Te doen staen, faciendum esse; & facturum

[p. 415]origineel

esse; Ik stae te doen, facturus sum; hier komt Staen met een Nominat: personae: dog My staet te doen, faciendum est mihi; aldaer komt Staen met een Dat: personae; van welk hulpwoord Staen, als een Futurum geldende, wy breeder gesproken hebben in onze XIV, Redewissel: § IX en XI. Wyders Staen na iets, contendere aliquid; Te pande staen, pignori oppositum esse; Staen op iemand, niti aliquo; & partes alicujus fovere, suffragium ferre infractum; Staen of instaen voor iemand, spondere pro aliquo, vadem esse alterius sistendi; Voorts Érgens tegen aen-staen, adsistere; Érgens op aen-staen, persistere, & instare; Dat staet my aen, hoc mihi placet; en † Iet aen-staen, luere, solvere, praestare aliquid; en De deure staet aen, connivet janua; Af-staen, distare; & resignare; Bestaen uit of van iet, subsistere aliqua re; Iemand bestaen in den bloede, alicujus consanguineum esse; Iet bestaen, incipere, attentare aliquid; Érgens in bestaen, in hoc vel illo consistere. By-staen, adsistere, adjuvare; Buiten-staen, Uit-staen, foris stare; Iet deur-staen, Iet uit-staen, ad finem perferre aliquid; en † Gestaen, constare, consistere, perficere; als gestand doen, of blijvende staen; zo mede † Gestaen en voldoen, satisfacere, liberare se; en voor iets staende houden het Vlaemsche Gestaen, fateri; dog ook † Gestaen, desistere; als afstand doende. Mis-staen, dedecere, disconvenire; Onder iemand staen, alicui subjectum esse; Onder iet staen, inferius positum esse, alhier komt Onder als een Praeposit: separabil:, geniet ook den hoofd-accent, en heeft hier-om in Praeter: Part: Onder gestaen; dog by Iet onderstaen, sciscitari aliquid, quin etiam conari, contendere, komt Onder als een onafscheidelijk voorzetsel, latende den hoofd-accent op het Zakelijke deel, en hebbende hierom in Praeter: Part: Onderstaen, zonder GE tusschen beiden; van welk aenmerkelijk onderscheid breeder verslag te vinden is, by onze XII. Redewissel: § XLVII, en by onze XIV. Redewissel: § XXXI en XXXII. Wijders Ontstaen, exoriri, existere; en Iet iemand niet ontstaen, aliquid alicui non elabi vel subterfugere; Op-staen, assurgere, resurgere; exoriri; & tumultuari; ook oul: † Opverstanden, III. CL: 5, resurgere; en † Opverstandenisse, resurrectio; en Over-staen, superstare; & olim assistere, praesentem esse, interesse alicui negotio; waer van de spreekwijze van Ten overstaen, praesenti, assistente; en Tegen-staen, Weder-staen, obsistere, resistere; Toe-staen, clausum esse; en Iet toe-staen, concedere aliquid; en † Iemand toe-staen, auxiliari aliquem. Verstaen, rectè noscere, intelligere; als regt kennende den staet of stand der zaken; en Verstaen, stando corrumpi; als te veel staende zonder gaen, of te lang stilstaende; en Verstaen, locario constare; kosten wegens installinge; en Volstàen, satisfacere, & olim persistere, & constare; en Vòl-staen, plenum esse; in Praet: Part: Vol gestaen; en Voor-staen, antestare; en Iet voor-staen, stare pro aliquo, partes alicujus tueri; zijnde dit laetste ontleent van een oud gebruik, dat ook onder de Romeinen plaets bad, van, naemlijk, in de raedsplegingen, zonder spreken over te treden, en bij of voor dien persoon te gaen staen, tot wiens stem of raed men overging. Voorts ons Te voren staen of Veur-staen, in memoria esse, meminisci, recordari; en Zig laten voor-staen, sibi persuadere; en Uit-staen, perferre, ad finem usque perpeti; & exstare, eminere; ook zeid men van de uit-schulden dat ze Uit-staen, nobis esse in aere alieno.

Ten aenzien van de Taelverwanten heb ik ontmoet het M-G, standan / stoth / standans / III. CL: 6, stare, sistere; ga-standan / manere; af-standan / desistere; and-standan / resistere; at- en mith-standan / adsistere, adstare; bi- en faura-standan / circumstare; allen mede III. CL: 6. F-TH, standan / (stantan / contr: steen en stan) / in Praet: stuond (of stuont en stunt / AL: stuant) in Praet: Part: gi-standan of gistantan / zie III. CL: 2, stare, stabilire; en Ar- er- ir- en ub-standan / surgere, re- & ex-surgere; For- fur- en far-standan / en -stantan / cognoscere intelligere; en Ana-stantan / insurgere; Duruh-stantan / persistere; AL: Ke- of ki-stantan / consistere, & stabilire; en F-TH, wider-standan / resistere; allen van gelijke Classis. A-S, standan / stond (en stod) / stan-

[p. 416]origineel

den en gestanden / III. CL: 5, stare; be-standan / detinere; ge-standan / existere, & detinere; under-standan / subsistere; & intelligere; of-standan / remanere; Fram- wither- oth- en ongean-standan / resistere obstare, impedire; aet-standan / adstare; restare; obstare; on-standan / insistere; mith- en famod-standan / constare, adsistere, adjuvare; fore-standan / praestare; en ofer-standan / instare; allen van gelijke Classis. Angl: to stand / in Praet: stood / stare. H-D, stehen / stare, stand en stund / gestanden / On regel m: N. 18; en deszelfs verdere menigvuldige Composita. Land-Fries stean / in Praet: stoe / in Praeter: Part: stoen / stoene / en stiene. Ysl: standa / in Praet: stood / en, volgens de anderen van die Classis, in Praet: Part: standenn / III. CL: 2, stare, in Praes: eg-stend. Dus hebben het M-G, A-S, L-F, en Ysl: haer verlies van de N, in 't Praeter: 't gene verder in de takken by Ons en Anderen zig mede zal vertoonen.

 

Reeds driederhande voorname Zaekelijke Deelen zijn 'er voor ons hier uit gesproten, als STAND van den ouden Infinit:, ten andere het afgeknotte STAE, en ten derde ons STOND; waer by men een vierde en vijfde kan voegen met E, in stêe van A, gelijk by 't H-D, en by 't Praesens van het Ysl:, naemlijk ons STEND en STEE; en daerenboven ook nog ons STO, of STOE, volgens 't Praeter: van de L-Friesche Dialect.

 

Tot het Zakelijke deel van den ouden Infinitivus behoort ons Stand, m: H-D, stand / M, status, res, conditio; & statio, stabilitas, firmitas; & olim Decentia, convenientia; Stand-haftig, Stand-vastig, en † Standig, Bestandig, † Gestandig, Volstandig, constans, stabilis, perseverans; Omstand, m: circumstantia; en Omstandig, prolixus, largiter, copiosè, plenè, ac omni circumstantiâ; en Stand-vinke, Stand-vliet, of gebinten van een schoorsteen, antes camini; Standaerd, Standerd, m: A-S, standard / H-D, standart / F. vexillum, unde vulgò Standardus, en Gall: êtandart, Ital: stendardo, Hisp: estandarte, Angl: standert / standerde / als een vaen of teeken, waer by de krijgstroepen zig standvastig moeten gevoegt houden; en Standaerd, m: trophaeum; als een vastgeplant zegeteeken; Standaerd, Standerd, m: columna orthostata; Standaerd, m: molen-asse, axis molaris; en Standerd, m: kaers-knape, candelabrum stipiti affixum; en H-D, standster / ständer / statio subalaris infantium; & nomen stabile; & canterii doliis subjecti; en ons † Stande, f: A-S, stand / H-D, stande / F. labrum, alveus statarius, orca, cadus, cupa; als een vat dat vlak en breed is, en op zig zelven vast staet, of waer in men gewoonlijk eenig vogt laet stil staen; en Vléésch-stande, f: orca, cadus salsamentarius; daer het vleesch tot een winterprovisie, in gezouten staet. Verder ons Stand grypen, ratum esse, stabilescere, usu venire, valere auctoritate, vulgò Locum capere; en de compositaGestand, n: perseverantia; Gestand doen, praestare dicta, perseverare dictis; Afstand, m: distantia; & cessio, resignatio; M-G, af-stas / F, repudium; Bestand, n: subsistentia; & perseverantia; & induciae, cessatio pugnae; By-stand, m: auxilium; Mis-stand, m: inconvenientia, indecorum; Om-stand, m: circumstantia; Onder-stand, m: en n: auxilium; Op-stand, m: tumultus; assurrectio; & resurrectio; F-TH, ub-stannisse / en ar-stantnissi en ur-stendi / resurrectio. Toe-stand; m: rerum status intimus; & olim auxilium; Tegen- en Weder-stand, m: resistentia, impedimentum; Verstand, n: en † Verstandenisse, f: ingenium; & intelligentia; en † Verstandel, nu Verstandig, prudens, sagax; als den stand of staet der zaken begrijpende; Voor-stand, m: patrocinium; en Wél-stand, m: decentia, decorum; & salus; alle welke Composita van Stand, zoo ze een zagt voorzetsel voorop hebben, van 't Onzijdige geslagt zijn; dog zoo ze een voorzetsel hebben, dat meerder klem krijgt dan het Zakelijke deel, zo vertoonen ze zig Mannelijk, uitgenomen ons Onderstand dat Mascul: & Neutr: komt. Van welke aenmerkelijke geslagt-regel, benevens de waerom, en de sijnheid van die, wy oplossing gegeven hebben in onze XII. Redewiss: § XLVII. Wijders ons Voor-stander, m: defensor, & antistes, A-S, foren-standend / praestans, & antistes; en ons Vol-standig, perseverans; enz.

[p. 417]origineel

Tot STEND behoort ons Besténdig, constans, durabilis; en volgens een H-D, Dialect van T in plaetse van D, ons Ont-sténtenisse, f: effugium, exemptio; casus irritus; en wederom met D, het F-TH, urstendi / resurrectio; beneffens het H-D, stenden / Ordines Provinciae.

 

Het ingekrompene STA of STEE vertoont zig doorgaends met eenige Terminatie, 't zij D of T, enz: agter zig; als ons Stad, f: oul: † Stede, f: Ysl: stadur / M. urbs, civitas; locus munitus; & olim locus; in Plural: als nog Steden, gelijk ook in casu obliquo van den Singul:, voornaemlijk in Deftigen of Hoog-dravenden stijl: Voorts Stede, Steê, f: locus; In stede, In steê, vice; Stede, Hóf-stede, f: villa; M-G, staths / stads / locus; F-TH, stat / en in casu obliquo stete en stede / F. locus; H-D, stadt / statt / F. urbs, & locus; A-S, steda / sted en stid / locus; & vice; ons † Stad- nu Steê-kind, n: prodigentiae condemnatus;als die door Stads-gerecht opentlijk onbequaem verklaert is om zijne goederen te bestieren: en † Stadlik, † Stadsch, † Steedsch, urbanus, oppidanus, civilis; en Stad hóuder, m: Vicedo-minus, Praefectus, Prorex; Stad-huis, n: basilica, curia municipalis; en Stad-jonker, patritius; en † Stad grypen, nu, als gemeld, Stand grypen, ratum esse, auctoritate valere; Béd-stede, f: cubile, locus thoro destinatus; en † Stade, f: auxilium, commoditas, tempus vacuum; † Onstade, † Onstae, f: incommodum, nocumentum; waer toe onze spreekwijze van Te stade komen, opportunè venire; & auxilio venire; † De stade hébben, tempus vacuum habere; † Stade doen, usui esse, commodo esse; en † In stade staen, suppetias ferre; en † Stade, † Staeye, f: fulcrum, sustentaculum, columen, unde Gall: estaye, Angl: staeye / en † Stade, † Schip-stad, statio navium, portus; en ons † Gestade, Ysl: stada / F. A-S, statha / staetha / staeth-hlepa / stathe en staed-weall / M-G, stads / ripa, littus, portus, margo; en behalven het reetsgenoemde M-G, af-stas / F, repudium, het M-G,anda-staths / M, en anda-staua / M, adversarius; en Lukarna-staths / candelabrum; hunsla-stads / altare; Mota-stads / telonium; maer ook M-G, staua / M, judex, & judicium; als aen wien het oordeel staet over den egten stand der dingen; en M-G, staua-stol / tribunal; en M-G, staujan / I: CL: judicare; of ook uit Praeter: het Verbum stojan / I. CL: judicare; en H-D, stadel / M, tugurium, horreum, nubilar, suffugium; en Angl: boreal; steathel-hay / foenum fundamento stratum. Van ons Stade komt wederom het VerbumStaden, I. CL: AL: ke-staton / I. CL: stabilire, in statu collocare; en † Staden, † Gestaden, I. CL: stabilire, concedere, permittere; en † Gestaedt, in statu collocatus, vulgò qualificatus; en 't Adject: † Staeds, † Stadig, nu Gestadig, contr: Staêg, Gestaêg, H-D, staetsch / AL: stadig / stadik / stabilis, firmus, constans, sed nunc plerumque assiduus, Graec: ςαθερος; en A-S, staethig / stathul / stathol / stathol-faest en sted-faest / firmus, stabilis, constans; en stathol / fundamentum; en A-S, rice-stathol / by ons Ryks-stoel, thronus; waer van nu het A-S, stathelan / stathelian / gestathelian / stathol-faestan / en ge-stathelean / I. CL: fundare, stabilire, firmare, & restaurare; en ons † Stadigen, I. CL: en Gestadigen, I. CL: confirmare. Nog ook A-S, staedig / sterilis; als geen verandering meer onderworpen, of als onbeweeglijk; en A-S, staethig / gravis; en staethinesse / gravitas; dog by Ons Stadig, modestus; ziende op de zedige kleeding en ommegang, als geen deel hebbende aen de wispeltuerige verandering onzer Eeuwe, nogte aen de wildheid der zeden; hoewel ook de deftigheid, die het vorige A-S, staethig / en ons volgende Statig uitdrukken, eenigsints by dit Stadige welvoeglijk komt, zo 'er de overtollige kostelijkheid van afgescheiden word; en zoo voort. Van ons Stede, locus, komt † Steden, I. CL: sistere; en Besteden, I. CL: locare, & elocare; als eene plaets beschikken; en Géld besteden, I. CL: impendere, insumere, expendere pecunias; Een wérk besteden, I. CL: addicere opus; en 't Vlaemsche Ter aerde besteden, I. CL: sepelire; en † Ontsteden, I. CL: malè locare. Verder tot dit soort ons Besteedster, f: commendatrix ancillarum; en ons Steeds, Stedes, assiduè; A-S, stide / fixus; en stith / rigidus, gravis; en stith-faerd / stith-mod /

[p. 418]origineel

en stithlice / animo immoto, constans, rigidus, gravis; en Ysl: stedie / incus; om den vasten stand en hardigheid van het ambeeld; en ons † Stedig, nu contr: Steêg, en ook uit de andere takken Stag, Stog en Stug, rigidus, pertinax, obstinatus; en † Stedig, stabilis, firmus; assiduus; & sedulus in officio; waer van ons † Stedigen, I. CL: stabilire; waer bij ook past het Ysl: stid / fulcio; in Praeter: studde / IV. CL: 2, welke u de O, in het Praeter: van ons Staen niet qualijk beantwoord; gelijk ook A-S, studu / postis, clavus, columna; en Ysl: stod / F, H-D, stud / F, columna; en Kimbr: stod / columen, auxilium.

Dog met den uitgang T, agter STAE, ons Staet, m: Angl: state / status, conditio, sors, fortunae conditio; honor, & dignitas; & pompa; en Staet maken, I. CL: sibi proponere; judicare, aestimare; en Staet, m: Staetsie, f: Stoet, m: pompa; als mede Staten des lands, H-D, stenden of ständen / Ordines Provinciae; Staet-gierig, Staet-zugtig, ambitiosus; en Statig, Statelyk, Angl: staley / gravis, severus, auctoritate & reverentia valens, magnificus, clarus.

En, agter ons STAE, de Walsche staert agie of gie gevoegt zijnde, levert het ons † Stagie, Ostagie, of, na de uitspraek, Staedzie en Ostaedzie, f: obses, vulgò Stagium & obstagium, unde Gall: ostage Ital: staggio, hostaggio, Angl: ostage; als instaende borge.

 

Dog uit het Particip: Praesens, het AL: Ana-stantant-lihhost / instantissimè; en om Staende hóuwelyk, stante matrimonio; Staende water, aqua stagnans; † Staende Dinge, Senatus legitimè coactus; Staende voets of Op staende voet, presso pede; een spreekwijze in 't handgevegt gewoon; en Op staende voet, illico, stante pede; dit zeit men van een spoedige afvaerdiging: en Aen-staende, futurus; en Bestaende, consistens; & affinis; enz.

 

Uit het Praeter: ons Stond, f: A-S, stund / stond / olim vice, nunc momentum, spatium temporis, & hora; als een zekere verbeelde rusting of stilstand voor een tijd. Van Stonden aen, Aenstonds, Terstond, illico, ex tempore; F-TH, luzzila stunta / F, parvum temporis spatium; en andrera stuont / F. denuò, secunda vice; sume-stond / aliquando; en Ysl: stund / F. H-D, stunde / F. hora; AL: untar-stuntu / F, intervallum temporis; en ons Avend-stond, m: en f: vespera suprema; Morgen-stond, m: en f: matutinum diei, Bede-stonde, f: hora precationum publicarum; en Stonden, Maend-stonden, menstrua; en † Stondig, opportunus; en † Onstond, importunitas; tot het Praeter: zonder N (gelijk 't M-G, stoth / A-S, stod / Angl: en Ysl: stood) schijnen my betrekkelijk niet alleen het gemelde A-S, studu / postis, clavus, columna, 't Ysl: stod / en H-D, stud / columna, auxilium, beneffens het Ysl: Praeter: studde / van 't Ysl: stidde / fulcio, zijnde van de verloopene IV. CL: 2, vermits allen behelzende in zin eene versterking en vastigheid van stand en onderstand; maer ook het M-G, ana-stodjan / du-stodjan / I. CL: incipere; zijnde zo veel als een aenstand maken.

Gelijk ook wederom, met agterlatinge van de ligtelijk wegsmeltende D (even als by 't L-Friesche Praeter: stoe) mooglijk hier van het Ysl: stoo / F. focus; als een onderstutte schoorsteen; waer mede overeenkomt het Ysl: stodungur / stabilis; en 't A-S, stow / locus.

En insgelijks, om de vastigheid, met de Terminatie N, ons † Stoon, nu Steun, m: fulcimentum; waer van ons † Stonen, nu Steunen, I. CL: fulcire, inniti.

Maer ook met den uitgang T, ons Stut, m: H-D, stutze / F, A-S, studu en stuthe / F. fulcimen, & palus; waer van ons Stutten, I. CL: en Onder-stutten, I. CL: H-D, stutzen / stotzen / I. CL: fulcire, stabilire, & resistere; als strekkende om iet staende te houden; en verder 't Fraequentativum Stutteren, I. CL: H-D, stottern / I. CL: balbutire, baesitare lingua; om het telkens stil staen der stem. Maer, gelijk ook A-S, steda / stetha / en steth-hors / equus admissarius, unde vulgò Stotarius, en stod-myra / equa ad foetum, en A-S, stood / grex equarum; zo mede Ysl: stood / N, equi admissarii, & equae ad generationem destinatae; zinspelende,

[p. 419]origineel

mooglijk, op het vaststaen of 't binden der merryen aen een pael; waer mede overeenkomt ons † Stutte, equa; en Paerde-stoetery, f: equorum seminarium. Dat nu alhier by 't Ysl: en A-S, een d of th gevonden word, en by ons een T, agter 't Zakelijke deel, zulks bevestigt, dat elk hier als een Terminatie komt; andersints zou dit Stoetery en † Stutte wel zo gevoeglijk schijnen te passen by 't Wortel-deel STÓÓT, voornaemlijk in de gedagten van de zulken, die niet en weten, dat de overgang en vewisseling van ÓÓ, in OE of U, buiten gebruik en wettige voorbeelden is: 't en ware zulks, by verloop, uit het Praet: mogt gekomen zijn; dog dit is ook zeer onzeker; waerom we dan de T in dezen als een Terminatie blijven aenmerken.

Gelijk ook, met agterlatinge van die T, en wederaenneminge van de Euphonische Y of den uitgang YE, agter STOE, zeer betreklijk op den zelfden zin komt, ons † Stoeye, f: lascivitas, petulantia; waer van ons Stoeyen, I. CL: lascivire.

Dog in een andren zin (even als die van 't bovengenoemde Staet, pompa) en insgelijks met den uitgang T, agter STOE, vertoont zig ons Stoet, m: pompa, caterva; en behalven de vorige Terminatien D, T en N, agter de ingekorte Zakelijke deelen STA, STE, STO, STOE en STU, zullen 'er in gevolg zig nog etlijke anderen opdoen.

 

Dus ook met den uitgang EL of L, niet alleen het gemelde A-S, stathol / stathul / fundamentum; & firmus, stabilis, constans, en 't A-S, stathelian / I. CL: fundare, stabilire; maer ook A-S, stal / status; en steal / stealle / locus; status; en Ysl: staela / I. CL: animum addere & firmare; als 't gemoed standvastig makende; gelijk ook by ons, agter de ingekorte Zakelijke deelen STAE of STA, en STEE of STE, ons Steel, Stele, f: oulinks by den Vlaming, en nu nog by den Waterlander Stael, Angl: stalke / scapus, stipes, caulis, & capulus, manubrium; en A-S, stele / caulis, & columna; alles om de stevigheid en 't vast- of staende-houden; waer van ons † Stelen, I. CL: scapum, sive stipitem inserere; beneffens het Vlaemsche en Geld: Stael-blind, by ons stok-blind, omninò, prorsus caecus; als konnende geen steel of stok tegen de lucht met het gezicht onderkennen. Maer, als zinspelende op de uitstekende hardigheid en stijfte, of anders, vermits het, tot bequaemer behandeling, gewoonlijk in de gedaente van dunne lange staven, dat is, steel- of stael-vormig, word toebereid en overgezonden, zo sfchijnt ook hier van ontleent ons Stael, n: H-D, stahel / stal / M. Angl: steele / steill / L-F, stiel / chalybs, genus durissimi, purgatissimique ferri; waer van ons Stalen, Verstalen, I. CL: H-D, stälen / I. CL: indurare ferrum chalybe. Dog ook in een gantsch andren zin, naemlijk tot eene Proeve hoe eenig ding zig houd en staet, 't zy wel of qualijk, vertoont zig ons Stael, n: proeve, exemplum, specimen; & exiguum quiddam mercis, quod à venditore spectandum profertur; en Stael van de vérwe, tincturae probatio; waer van ons Stalen de wolle, I. CL: sufficere, inficere lanam medicamentis tinctureis; en Stalen het laken, I. CL: plumbeo sigillo munire pannum in signum probae tincturae; en Stael-hóf, n: locus ubi tincti panni sigillantur; en Stael-lóót, n: sigillum plumbeum pannis tinctis appensum; nog ook oulinks † Stael, nu Stal, locus, in quo res venales exponuntur, Graec: ςέλμα; als een opstal, waer in de winkelproeven vertoont worden, tot blijk van 't gene daer te koop is, waer van ons Stallen, † Staelen, I. CL: merces exponere vendendi gratia, Graec: ςέλλειν, Gall: estaller; en verder met de ingekorte A, ons Stal, n: Gestalte, f: en n: H-D, gestalt / F. statura, positura, forma, qualitas, constitutio; A-S, stal / steal / status; als de ware vertooning en gedaente of iet wel of niet wel staet, gelijk ook Mis-stal, n: misstand, vitium, inconvenientia, & laesio; en 't H-D, aug-stal / vitium oculi; en Ysl: stolltur / elegans, superbus; als trots en statelijk van stal of bedrijf. Maer dit STAL hebben we ook, als zinspelende op den stil-stand, de rustplaets, en 't verblijf; dus ons Stal, m: en f: H-D, stall / M, Angl: stal / A-S, stalle / stal / stabulam, septum, mansio armenti aut gregis; unde vulgò Stalla, & Ital: stalla; en ook H-D, stadel / M, tugurium, horreum; nubilar, suffugium; waer van ons Stallen, I. CL: H-D, stallen / I. CL: sta-

[p. 420]origineel

bulare; A-S, stallan / I. CL: stare; waer toe mede ons Stal-héngst, m: equus admissarius; unde vulgò Stallo, stallonius, Gall: estalon, Ital: stallone, Angl: stallion / en Stal-bóóm, m: vacerra, stipes ad quem alligatur in stabulo equus; en Stal-broeder, Stal-gezélle, contubernalis; en ons Stal-licht, n: lucerna posita in aris aut locis eminentibus; en Stal-licht, n: ignis fatuus; als salpeterige uit wasemingen der pisbroeijingen, des nagts in 't donker ligtende in de stallen: En, vermits in de stallen gewoonlijk de paerden haer water maken, en insgelijks vermits die stil moeten staen, om dat natuerlijke gevoeg te voldoen, zo is, om dubbelde rede, ook hier van ontleent ons † Stalle, f: Angl: stale / lotium, urina; waer van ons Stallen, I. CL: H-D, stallen / I. CL: urinam mittere; unde vulgò Stallare, & Ital: stallare; en Stal-kruid, n: ononis, anonis; herba cujus radix urinas provocat, & renum calculos comminuit; en † Stalle, † Stélle, f: vorago incurva, fossa verticosa; als de kreken in de stallen, of, vermits, om de vlakheid of kromte van die, het water daer in blijft stil staen; en, als een gevolg hier van, ons Stallen, I. CL: en 't Vlaemsche Stélkeren, I. CL: concrescere, coire in densitatem; als zonder stilstaen niet te verkrijgen. Gelijk ook verder met E, en den uitgang L, ons † Stél, Angl: stale / vetus, vetustus, reses, quietus, unde Gall: estale; en Stélbier, n: vetus cerevisia & defecata; en Stélle-pis, f: vetus lotium; als hebbende lang blijven stil staen. Wijders omtrent in gelijke zinbetrekking als ons vorige Stal, stabulum, septum, het Geldersche en Sax: Stélle, f: locus tutus; en † Opstal, † Opstél, n: receptaculum, latibulum; en, even als 't vorige † Stade, ook ons Stélle, Schip-stélle, statio navium; H-D, stelle / F, locus; en ziende op de schikking, toestand, en toebereiding van den staet der dingen, ons † Stélle, f: positura, situs, positus; waer van ons Stéllen, I. CL: H-D, stellen / I. CL: en ook VI. CL:, en Flandr: Stallen, I. CL: ponere, collocare; & ordinare, aptare, Graec: ςελλειν, en Aen-stéllen, I. CL: instituere, & applicare; en Zig aenstéllen, I. CL: se gerere; en † Aen-stéllen, † Aen-stallen, I. CL: nu nog Aenstal maken, incipere; en Toe-stéllen, I. CL: instruere, ornare: & olim dirigere; & suppeditare; en Verstéllen, I. CL: restaurare; & removere, transponere; & malè collocare; en Verstélt staen, consternari; en † Verstélt zyn in 't slyk, inhaerere coeno; Voor-stéllen, I. CL: proponere; & praeponere; en † Voord-stéllen, I. CL: committere; machinari; en Uit-stéllen, I. CL: exponere, & differre, procrastinare; & olim exornare; & collocare nuptui; en Bestéllen, I. CL: H-D, bestellen / ordinare, disponere, providere; Ontstéllen, I. CL: turbare, confundere, & confundi; A-S, styltan / I. CL: obstupescere; en zo verder by ons meer andere Composita; en hier toe mede ons Op-stal, Op-stél, n: operis scema, erectio; en 't Vlaemsche Opstal, by ons Opstand, m: seditio, tumultus; en ons Stél, Gestél, n: en Stélsel, n: rerum positura, situs; en † Stél, ordo, dispositio concinna; Op zyn stél zyn, paratum esse; Op een stél en een sprong, ilicò, quam citissimè; als alles aen een zijde stellende, en terstond gaende daer men geroepen word; en Stélling, positura; en Stélling, f: of ook met een bastert-terminatie, Stéllagie, f: tabulatum, contignatio; als om 'er iets op te stellen.

 

Dog deze terminatie L, agter 't verkorte Zakelijke deel uit het Praeter: als STO, STOE, of STU, gevoegt zijnde, vinden we daer in ons Stoel, m: oul: ook † Stal, A-S, steal en stole / M-G, stol / M, F-TH, stuol / M, H-D, stuhl / M, sedes, cathedra, subsellium; als een rust- en stand-plaets; waer toe het F-TH, her-stuol / M, thronus; en A-S, rice-stathol / by ons Ryks-stoel, m: thronus; en † Stoel-doek, tapetum; alzoo de tapijten by de throonstoelen gebruikt worden; en by ons Régter-stoel, Rigt-stoel, m: tribunal; verder ons Stoel-gang, m: alvus; & exoneratio alvi; en Stoel-zuster, f: monacha reses; en Stoelken, Stoeltje, n: sedecula; en Stoel, Weduwlyke stoel, bona quae viduo vel viduae post conjugis mortem debentur; als 't gene de langstlevende blijft bezitten; en Stoelken, n: Padde-stoel, m: fungus; om de stoel-vormigheid; en 't Gestoelte, n: cathedra;

[p. 421]origineel

& Principum sedile.

Voorts, even gelijk hier voor uit het Praesens ons Stallen, en 't Vlaemsche Stélkeren, I. CL: concrescere, alzo mede in dezelfde gedaente en zin, mits uit het Praet:, ons Stóllen, I. CL: en 't Vlaemsche Stólkeren, I. CL: concrescere, coire in densitatem; waer toe ook ons Stólle, † Stulle, f: frustum, pars condensata, & assula, & tr: res parvi valoris; en H-D, stolle / F, fulcrum, sustentaculum; als tot stevigheid om iet in stand te houden, beneffens het Geld: en Sax: Stólle, f: cuniculus subterraneus; als met allerhande schoorplanken stukken en stollen ondersteunt, op dat niet de aerde, 't zand, of steenen, of water in de mijnen haer overstolpe; waer van Saxon: Stóllen dryven, cuniculos agere.

Behalven deze reetsgemelde takken uit het Praes: en Praet:. met L, tot een Terminatie agter-aen, zo hebben we de Zakelijke deelen STAEL, STAL, en STEEL, ook in een andren oorspronk en kragt, alwaer de L, niet als een uitgang, maer als een wezendlijk lid van 't Zakelijke deel komt, namelijk by ons Stelen, Stal, (in Subj: Stale), Gestolen; waer van wij bij 't volgende Wortel-deel STEEL, zullen handelen.

Dog, ons wederkeerende tot de reetsgemelde STEL, STAL, STOL of STUL, en agter die wederom andere Terminatie-letters gevoegt zijnde, zo vinden we daer uit, vooreerst met TE of T daer agter, ons Stélte, Stélt, f: pes ligneus, grallae; als een voet-gestel, om 'er groote schreden of zware stampen mede te konnen doen; gelijk ook A-S, stellan / en stealan / staelan / I. CL: saltare; en mooglijk ook uit het Praet: hier toe het Ysl: stolltur / elegans, & superbus; als statelijk of trots van gang, gestalte, of lederoering; gelijk ook, op de standvastigheid en onverzettelijkheid van opzet en zin, betrekkelijk is, ons † Stólt. nu Euphon: Stóut, H-D, stoltz / Angl: stoute / audax, confidens, arrogans; en Stóut-moedig, strenuus, animosus, ferox; waer van † Verstóuten, I. CL: accendere aminos; en Zig verstóuten, I. CL: confidentiam sumere, audere. Wijders met P agterop, ons Stalpen, I. CL: pede quatere, ferire; stampende even als de paerden, die te lang in haren zin op stal of stil staen; zo dat dit uit de beteekenis en gedaente van ons voorgemelde Stallen, stabulare, of 't A-S, stallan / stare, ontleent schijnt te zijn; by welke beteekenis van Stal, stabulum, niet qualijk past, om de gelijkaerdigheid van dienst en toestel (mits uit het Praeter: gevormt) ons Boeren-stulp, casa, domus rusticus; als een geringe boeren-hutte zijnde, dikwijls van stukken en stollen te samen gelapt, en even of ter naeuwer nood bequaem om 'er in verblijf te houden, en voor regen en wind bevrijd te zijn; en, gelijk als by dit boeren-stulpen het dak het grootste deel is, zo schijnt weder uit die gedaente of dekking ontleent, ons † Stulpe, † Stólpe, f: tignum; & Sicambr: operculum; en Stólpe, Stulpe, vierklok, turbo focarius; om door overdekking het vier uit te dooven; waer van wederom ons Stólpen, Stulpen, en Bestólpen, I. CL: tegere, operire; en Over-stélpen, Over-stólpen en Over-stulpen, I. CL: insternere, coöperire; & olim recurvare. Maer ook in een andren zin, naemlijk omtrent als by ons vorige Stóllen, concrescere, ons Stélpen, Stólpen, Stulpen, I. CL: H-D, stelpen / I. CL: sistere, stipare fluida; 't zy bloed, of iet anders, dat vloeibaer is, doende stollen.

Maer, gelijk al in het A-S, de e en i zig onverschillig by eenigen van dezen stam vertoont hebben (als 't A-S, steda / sted en stid / locus, & vice; en sted-faest en stide / firmus, fixus, stabilis; en zoo voort), en gelijk ook de Vlaemsche Dialect dikmael de I voor onze E, en wederom de E voor onze I verwisselt, zo konnen we gevoeglijk meê als struiken van dezen stamboom rekenen ons Stil, A-S, stille / AL: stiller / quietus, tranquillus, sedatus; modestus, & tacitus; gelijk ook oul: by ons † Stél, reses, quietus; vermits in stilte en op zijn rust-stand zijnde; en AL: unstillida / F. dissensio; en wederom by ons Stil staen, of ook met A, ons Stal houden, stare, sistere gradum; & stagnare; en Stil-stand, m: bestand, induciae, quies, statio; en Stille misse, of Stilte der misse, canon missae; en Stille week, hebdomada major, sancta; Stille vrydag, dies parasceves; Stille woensdag, seria quarta hebdomadae majoris aut sanctae, qua campanae succinguntur, & tribus diebus silent; komen-

[p. 422]origineel

de wederom van Stil ons Stillen, I. CL: AL: stillan / I. CL: H-D, stillen / I. CL: A-S, stillan / I. CL: Ysl: stilla / I. CL: en Angl: stille / sedare, compescere, componere, sistere & temperare; en AL: un-stillan / I. CL: inquietare; en tot dezen tak mede ons Stille, latrina; alwaer men volgens de lessen van welgemaniertheid, zig stil behoort te houden; en daer van weder Stille-vegen, Stille-ruimen, I. CL: latrinas pnrgare; en Stille-gangers, calopodia, gelijk de stille-werkers gebruiken.

 

Tot dus verre hebben we onze beschouwinge laten gaen over de aenneminge van L, als een uitgang of toevoegsel, agter STA, STE, STO, STOE, en STU; maer my dunkt dat onze zelfde grondbeteekenis van staen of standvastigheid zig nog verder vertoont in andere takken met den uitgang M daer agter: als vooreerst by ons Stam, m: en f: H-D, stam / M. A-S, stemme / Angl: stemme / truncus, stirps arboris; als de vastigheid, waer door de boom staet en in stand blijft; even gelijk hier voor door Steel of Stael de vastigheid der planten en struiken is uitgebeeld; en overdragtelijk ons Stam, stirps, genus, propago; en Stam-goederen, bona haereditaria; vermits aen het maegschap van een zelfdeh stam verknocht: en van dit Stam, komt het H-D, stammen / I. CL: ortum, progenitum esse.

Dog, gelijk al by 't A-S, stemme / de e tegen onze A, by dit woord heeft plaets gekregen, zo mede voormaels by ons de E en I, in ons hier van afgeleide † Stémmen, † Stimmen, I. CL: firmum reddere, & constituere, componere; A-S, stemman / I. CL: condere; en H-D, stemmen / stammen / I. CL: inhibere, coërcere, arcere, cessare, collocare sese, statuminare, & fundare; & quandoque, obstinatum esse; desgelijks om de vastigheid ons Stém-riem, m: lorum sutile calcei; waer van ons † Stémmen, † Stimmen, en † Stemen den schoen, I. CL: consuere oram calcei; waer van wederom ons Stémsel, Stimsel, n: ora sive limbus calcei; orbiculata calcei exterior sutura; desgeliijks van † Stém, firmus, stabilis; ons Stémmig, Ysl: stefnlegur / gravis, severus, modestus, constans, & compositus; in den zelfden zin als ons vorige Stadig uit een andren tak van dezen boom afgeleid. Maer, 't gene mooglijk elk, in den eersten opslag, vreemd zal agten, hier toe schijnt my ook te behooren ons Stémme, Stém, f: H-D, stim / stimme / F, F-TH, stemma / F, AL: stimma / F. A-S, stemne en stefne / stefn / en stefen / F, M-G, stibna / F, vox; gelijk ook Ysl: stefna / F, dica; niet zo zeer om de bovengenoemde beteekenis van ons oude † Stémmen, schikken, constituere, componere, hoewel ook de stem een velerhande klankvorming vervat, maer voornaemlijk om de vastigheid, en bestendige gelijkheid van aerd; want ons woord Stém, beteekent niet zo zeer de spraek, of een geluidmaking of woordvorming van een mensch, als wel eigentlijk, dat byzondere evendragtige soort van geluid van elken mensch op zig zelven, uit welken hoofde men ziet het is de STEM van dezen of genen; dat byzondere soort van geluid, daer elk zig zelf in gelijkt en niet een ander, waer aen men, op 't hooren spreken, elkander kent, zonder den ander te zien, en zelf zonder aenmerkinge van eenig onderscheid in Tael of Dialect: daerenboven, dus noemt men in de zangkunst ook Stém, het byzondere onderscheid van Bas, Tenor, Alt, en Superius, vermits elk op zig zelf eene vaste hoogte van toon-vatting onderscheidentlijk verdeelt houd, geschikt na de byzondere vermogens der personen: zo dat de zinspeling van evendragtige standvastigheid de Character en de grondslag van onze benaming Stem is: gelijk ook, tot bevestiging van dit het voorgemelde A-S, stesn / stefne en stefen / en M-G, stibna / vox, benevens het Ysl: stefna / F, dica, wel uit een andren tak, een zelfden naemlijk als ons Staf, stipes, ontleent is, dog egter uit zulk een tak of stam, daer insgelijks de styf- of vastigheid de grondbeteekenis vervat; want het zy men die mede tot dezen stam van STA gehoorig reken, gelijk we straks hier nae in overweging zullen brengen, of, 't zy men die totons STYVEN, STEEF, GESTEVEN, t'huis wijze, egter blijft deze grondbeteekenis een en dezelfde. Wijders van dit Stém komt wederom ons † Stémmig, vocalis; en overdragtelijk ons Stém, Keur-stém, f: suffragium; als mede ons Verbum Stémmen, I. CL: H-D, stimmen /

[p. 423]origineel

I. CL: olim vocem edere; nunc usitatius, suffragium ferre; en Overéén-stemmen, I. CL: concinere, concordare; Af-stémmen, I. CL: dissuadere, suffragio evertere; en Bestémmen, I. CL: condicere, statuere, firmum reddere; & comprobare; waer toe mede ons Bestémde tyd, A-S, stemn / stemning / statutum tempus; en 't A-S, stem-wise / cyclus; als eene vaste wijze van uitrekening der hoogtijden door middel van zekere cyclen of vertooningen van omloop van 't gesternte.

Maer, in de beteekenis van stilstand of vasthouding of belemmering, hebben we ook Ysl: stam / N, balbutiens; en A-S, stamer en stomer en stomm / balbutiens, balbus; en A-S, stommettan / I. CL: balbutire & mutire; en onder Ons met den uitgang EL of ER daer agter, tot een teeken van fraequentativum, ons Stamer, Stamel, waer van ons Stamelen, Stameren, I. CL: H-D, stamlen en stammern / I. CL: Angl: stammer en stamber / balbutire, impeditè loqui; als waer by eenige lettermaking dikwijls stil staet, en de tong telkens als vastgehouden word.

En, wanneer deze belemmering zoo verre gaet, dat 'er geen onderscheid van lettermaking, maer slegts een schreeuw-geluid by te hooren is, zo benoemen wy dit met O, uit een tak van 't Praeter:, even gelijk ook al bij 't vorige A-S, stom / stomer / balbus; namelijk ons Stom, H-D, stum / elinguis, mutus; en gelijk ook met a / het M-G, stams / mutus, & surdus; beteekenende dit M-G, stom en doof te gelijk, vermits de doofgeborene, bij gebrek van gehoor, ook stom blijven; en, van ons Stom komt ons Stommelyk, tacitè; en overdragtelijk Stomme zonde, f: peccatum sodomiticum; als te schandelijk om genoemt te mogen worden: waer van verder ons Verstommen, I. CL: obmutescere; & dictis vel factis os alicujus obturare; en 't F-TH, ar-stumman / I. CL: obmutescere; met welke gedaente eenigermate overeenstemmen, dog zonder s / het M-G, dumba / dumbs / A-S, dumba / dumb / AL: tumb / Kimbr: thumbr / Dan: dum / Angl: dumb / mutus, waer van 't F-TH, er-tumban / I. CL: obmutescere; hoewel ik agte dat deze, beneffens ons Dom, obtusus, hebes, tot een andren, dog tot nog toe my onbekenden, stam behooren. Nog ook is betrekkelijk tot den zin van stil-stand, ons Stom, f: vinum in primis effervescentiis suffocatum, ne suavitatem deperdat; overmits door de zwavel de werking van dien wijn gesmoort en in stilstand gebragt is. Ook vinden we dit zelfde Zakelijke deel in ons Stommelen, I. CL: fragorem edere, protrudere, de loco movere res ponderosas, inquietum esse; als wordende eigentlijk toegepast op de zulken, die tegen eenig vaststaende beschot aenstooten, of, die zware dingen, welkegewoon zijn stil te staen, van plaets verzetten, en alzoo geraes maken; hoewel het ook op een zekeren aert van geluid kan zien, vermits verwart en rommelig als dat van de stommen: of anders opzigt hebbende op de doofgeboornen, en gevolglijk stommen, volgens de oude beteekenis van het M-G, stams / surdus & mutus; alzoo de dooven, by gebrek van gehoor, gewoonlijk rammelig in hare beweging zijn; voorts Iet wég-stommelen, I. CL: abscondere, celare.

Wederom, gelijk hier voor agter de Zakelijke deelen STEL, STAL, STOL en STUL, alzoo nu mede agter dit STAM, STEM, STOM en STUM de terminatie P geschikt zijnde, zo vindenwe hier uit vooreerst ons Stamp, m: inculcatio, constipatio; als met den voet of eenige zwaerte den grond of iet anders vast-tredende of instootende, om 't gene 'er in is, in stand of overeinde te houden; hebbende dit woord veel gelijkheid van zin met ons vorige Stalpen, pede quatere, ferrire; en van Stamp, komt ons Stampen, I. CL: H-D, stampfen / I. CL: pedibus conculcare, tundere, stipare; en om de gelijkheid van beweging, ons Stampen, I. CL: Fris: Stémpen, I. CL: H-D, stampfen / I. CL: tundere, contundere, pinsere in mortario; waer toe ons † Stamp, Stamper, A-S, stampe / H-D, stämpfel / M. telum ruidum, pilum, & fistuca; waer van mede ons Stampyën, I. CL: supplodere, waer uit, vermits dit den verwaenden snorkers eigen is, ook de oude spreekwijze ontleent is, van † Stampen en Smooren, I. CL: ventosè minari, intonare verbis & verberibus; & ira agitari; en verder ons † Stampel, nu Stémpel, m: tudicula, typus monetalis; & res actu producta, nempe signum monetae; unde Ital: stampa, Angl: stampe / Gall: estam-

[p. 424]origineel

pe (typus impressus) en waer van ons Stémpelen, I. CL: signare aes. Dog ook wederom, in gelijken zin als ons vorige Stélpen, Stólpen, ons Stémpen, Bloed-stémpen, I. CL: sistere, claudere sanguinem, stipare; als doende het loopende bloed stil-staen. En, met O of U, byna in den zelfden zin als ons vorige Stam, ons Stomp, m: H-D, stump / M, Angl: stumpe / Kimbr: stufur en stofn / truncus, caudex, ramis & foliis exutus, stipula, fistuca, caudex; vermits de vastigheid van den boom, of ook wel, vermits men 'er de aerde of palen mede instampt, of anders, vermits zelf strekkende tot paelwerk, dat tot vastigheid van iet anders, in 't water of in den grond word ingestampt: en overdragtelijk zinspelende op de bottigheid der tronken, of op de berooftheid hunner bladeren, ons Stomp, H-D, stumpf / hebes, obtusus; en Stompe, m: en f: H-D, stumpfl / M, Angl: stumpe / mutilatum membrum; & carpus, junctura manus; waer van ons Stompen, I. CL: H-D, stumpen en stumplen / I. CL: hebetare, obtundere aciem, retundere; & mutilare, truncare; en Verstompen, I. CL: hebetare, & mutilare; en Verstompen, Verstompelen, I. CL: obturare, abscondere, celare; in den zelfden zin als het voorgemelde wegstommelen; en ons Stompelen, I. CL: senium instar procedere gradu cespitante; en overdragtelijk, om de bot- en plompheid van verstand ons † Bestompen, I. CL: fallere incautum; en Stomperd, Stumperd, m: homo obtusus, hebes ingenio, ignavus, non frugi; en Stompe, f: gnomon; alzoo men veeltijds tot wijzers van uerwerken uitgebeelde stompjes van de handen met een wijsvinger plag te gebruiken. En, 't gene bevestigt dat deze takken by dezen stam niet qualijk geplaetst zijn, is dit, dat men ook in 't A-S, uit een andren tak van dit Verbum, namelijk uit het Praeter: stunt / die zelfde beteekenis van stompheid en onverstand ontleent heeft; als A-S, stunt / stunta / stunte / stuntlice / stultus, stulte; en stuntnysse / stuntscippe / stultitia; stunt-spaece / stultiloquiam; stynt / hebetatus; en stintan / styntan / I. CL: obtundere, hebetare.

 

Insgelijks vertoont zig de terminatie P, agter de Zakelijke deelen STA, STE, STI, STO, STU; eerstelijk in ons Stap, m: en Stappe, f: ook oul: † Stip, en † Stup, en Flandr: Stép, Angl: steppe / A-S, stape / steap / stapa / staep en stepe / H-D, stapfe / M, gradus, passus, vestigium; & tr: scala & climacter; & spatium duorum pedum; beteekenende eigentlijk een vaste tred met een rustenden stand verzelt; want, gelijk in 't loopen en draven de agterste voet al van den grond af is, terwijl de voorste nog in de lucht zweeft, zo noemt men 't Stappen in tegendeel, wanneer de agterste voet niet ten vollen afloopt, aleer de voorste weder staet en vast geplant is; komende van dit Stap de verdere gemelde overdragtelijke beteekenissen van een trede, voetstap, en de wydte van die; als mede hier van het Verbum Stappen, I. CL: ook oul: † Stippen, en † Stuppen, en 't Vlaemsche Stéppen, I. CL: en A-S, stapan / stoppan / I. CL: Angl: steppe / H-D, stappen / stapfen / I. CL: progredi, gradi, vestigium figere; en, ziende op het schielijk voorby gaen van een stap, ook hier toe ons † Stap-hands, en † Stappens, statim, illicò; even gelijk hier voor uit een andren tak van dit Verbum ons Terstond, Aenstonds. En wederom hier van, met den uitgang EL agter dit Zakelijke deel, ons † Stappel, † Stapel, H-D, staffel / gradus; in den zelfden zin als ons Stap, zoo mede ons Stapel, m: cicada; om zijn groote stap-treden met zijne lange springpoten; en ook ons Stapel, m: ook † Stael, en Steel, caulis, stipes, scapus; om de stevigheid en 't stijf staen; gelijk mede † Stapel, m: pes, fulcrum cui sedes vel aliud quid innititur; A-S, stapul / stipes; & basis; en A-S, stipere / fulcimen; en ons Stapel, m: Angl: steple / A-S, stipel / stepel / steopl en stypel / turris, pyramis; strues, & meta foeni, unde Ital: stipa; als zijnde tot vastigheid eerst op een breeden grond gevest, en dan verder hooger op-gebouwt; Ysl: stabbe / acervus; nog ook ons Stapel, m: sedes, statio, stabulatio, & dispositio, constitutio; & tr: rerum venalium expositio forensis, privilegio Principis emporio collata; waer toe Stapel-récht, n: jus fori, Privilegium urbi beneficiariae collatum, sistendi & ab instituto cursu retrahendi merces exoticas, quas negotiator adportat, ut pro tempore quodam in venum eo loco prostituantur;

[p. 425]origineel

en van Stapel komt wederom Stapelen, I. CL: constabilire, firmare, & in metas sive strues componere.

Maer, om den steun in 't gaen, of anders zinspelende op de bovenstaende beteekenis van Stapel, en Steel, caulis, stipes, ook mooglijk hier toe ons † Stap, en in een andere Dialect met de gelijkaerdige F en V, ook † Stave, nu Staf, en Staef, m: en f: H-D, stab / M, Angl: staffe / A-S, staf / staffe / stef en staef / baculus, stipes, virga; & tr: litera; en ons Boek-stave, f: litera; zinspelende op de letterstaefjes der Boekdrukkers; en Ton-staven, duigen, asseres dolii; om de staef-vormigheid, of, vermits de stevigheid der vaten; en verder daer van 't VerbumStaven, I. CL: figere, pangere, statuere; en Staven den ééd, juramenti verba dictare, & dictata referre & figere; en, vermits de duigen der vaten, als die niet regt vol zijn, of als de droogte te sterk mogt zijn, inkrimpen, waer door reten en lekkingen ontstaen, zo komt hier uit ons Verstaven, I. CL: fatiscere rimis, dissolvi & nimia ariditate undique perfluere; hoewel ook dit Staf, Staef en Staven, evenwettig schijnt t'huis te behooren by de takken van ons volgende Wortel-deel STYV.

Dog, ten opzigte van ons gemelde † Stap, Flandr: † Stép, stipes, & virga, komt hier mêe niet ongevoeglijk het Vlaemsche Stèperen, I. CL: instigare; en Steper-quaed, n: instigator ad malum.

En wederom met I (gelijk ook hier boven by † Stippen, vestigium figere, gradi) hebben we desgelijks ons Stip, en Stippel, m: ook † Stup, punctus, punctum; als zinspelende op de puntige en kleinplekkige merk-teekenen in 't afbakenen van Land-gronden door voetstappen, of ingestokene rijs-takjes, roeden, stekjes, of paelwerk, gelijk dus ook ons † Stip-tuin, m: en † Gestipte, n: sepes ex palis vel virgis crebris terrae infixis; en † Stip-stappen, I. CL: lamellis aquas quatere; als werpende de vlakke steentjes zo schuins langs de oppervlakte van het water, dat ze die stip- en stap-wijzig aenrakende by sprongen overkeilen: verder van ons Stip, ons Stippen, I. CL: pungere, figere, stipitibus vel punctis intersepire; acu pingere, & plumare; en 't fraequentativum Stippelen, I. CL: punctis decernere, & variegare; en ons Instippen, I. CL: intingere; als stipwijzig indoopende; waer toe het Vriesche Stip, Stippe, f: Panis juri intinctus; & condimentum intinctûs.

Wijders wederom met P, agter STO, uit het Praeter: ons Stóp, m: obturamentum; en Stóppe, f: Stóp-wérk, n: stupa, stypa, Graec: ςυπιῖον, ςυππίον, Gall: estoupe, Ital: stoppe, Hisp: estopa; als dienende om 't vogt of iet vloeibaers het uitloopen te beletten en te doen stil staen, en ook verder overdragtelijk ziende op alle vulling van gaten; waer van ons Stoppen, I. CL: H-D, stoppen / of ook uit het Praes: stapfen / I. CL: stipare, sistere; adstringere; & obturare; & tr: acu resarcire pannum vel linteamina; en Verstóppen, I. CL: obturare, obstruere, opplere; & supprimere; en Wég-stóppen, I. CL: abscondere, obturare, celare; even als 't vorige Verstompelen, en Wegstommelen; verder Stóphamer, malleus, quo rimae stipantur; en Stóp-més, falx sive ascia qua stipantur vasa; hoewel men, gedaentenshalve, dezen ook afkomstig, of ten minste van ouds gelijkstammig zou konnen rekenen, met het genoemde Latijnsche en Grieksche. Maer ook wederom, met gelijk regt als ons vorige Stam, stirps, en Steel, Stael en Stapel, caulis, stipes, uit andere takken van dezen stamboom ontleent, ons Stóppel, m: en f: H-D, stupfel / M. stipula, culmus, frumenti calamus, unde Gall: estouple, Ital: stoppia, Angl: stubble / als de steel en stevigheid van 't korengewas; waer toe ons Stóppel-rape, f: rapa quae post messem seritur, stipulis exaratis, rapa autumnalis; en Stóppel-gans, anser stipulas pascens; en overdragtelijk, vermits de schagt het pluimwerk overeinde houd even gelijk de koornstoppels het graen, zo mede ons Stóppel-veder, penna sanguinea, caulis; vermits in 't begin van 't groeijen zig byna niet anders als schagt vertoont, zijnde 't pluimwerk nog niet ten volle, dog slegts als een vederige ruigte eventjes uitgeschoten; waer van ons Stóppel-haeren, prima lanugo plumarum; & tr: prima lanugo barbae; en ons Stóppelen, I. CL: primas pennas emittere

Dog hier voor hebben we uit een andren tak ook al gehad het oude Stap, en 't

[p. 426]origineel

Vlaemsche Stép, stipes, virga, en Stóppel, stipula; dus mede, met de gelijkwaerdige OE in stêe van O, vertoont zig niet alleen het Friesche Stoep-garde, f: flagrum, flagellum, vermits uit stroo-stoppel-of rijs-bundels de geesselroeden gemaekt wierden, en Stoepkórf, nassa, textum vimineum; maer ook ons † Stoepe, † Stuipe, f: verber, castigatio virgarum & fustium; waer van ons † Stoepen, † Stuipen, I. CL: H-D, steupen / I. CL: quatere, concutere, verberare, flagellare virgis, pungere, fodicare; waer toe mede het Vlaemsche Stuperen, L. CL: of ook met E, als hier voor, Steperen, I. CL: instigare; en † Stoepe, Stuipe, convulsio, concussus, stupor, & deliquium animi; & Flandr: febris; welke UI, by deze en nog eenige volgende voorbeelden, wat rede geeft om te twijffelen of deze met OEP wel hier te regt mogten zijn, 't en ware men dachte, dat te mets by een Dialect-verwarring de UI voor U in gebruik raekt, ter zake dat de Ongelijkvloeijende Verba met UI zo vele takken met U doorgaends uitleveren, of om dat sommiger Dialect, gelijk by eenigen in Zuidholland, aen de U en UI, een gelijke klank toepast. Maer van ouds is 'er nog een strafpleging in gebruik geweeft, die op den zin van ons vorige Stópel schijnt opzigt te hebben, namelijk van hairen en hoofdvel gezamentlijk, dat is, zo veel als met stoppels en al, uit-en af-te trekken, waer van men by 2 Machah: VII. 7, een voorbeeld vind, en 't welk by de Sax: en Geld: genoemt wierd Stoepe, Stuipe, f: poena cutis & crinium; waer van het VerbumStoepen, I. CL: cutem capitis unà cum capillis abstrahere reo; ten andere, insgelijks met OE, dog in een gelijkheid van zin als ons vorige Stoel, schijnt ook hier toe betrekkelijk te zijn ons Stoepe, Stoep, f: en Stoep-bank, exedra, sedile pro foribus; Angl: steppe / scamnum; als gemaekt tot een zitting of rustplaets voor het huis; waer van ons † Stoepen, I. CL: subsidere, sedere; A-S, stupian / I. CL: humi se inclinare; en † Stoepen, † Stuipen, I. CL: Angl: stoupe / incurvare.

Daerenboven, agter STA, STE, STIE, STO (of hare gelijk waerdige STU of STEU) de R gevoegt zijnde, zo vertoont zig in den zin van strakke standvastigheid (even als ons voorgemelde STAG, STOG en STUG uit dezen stam) ons † Starre, † Stérre, ook † Starrig, † Stérrig, H-D, starrig / starrisch / en störrisch / stürrisch / rigidus, asper, inflexibilis; A-S, sterne / torvus; en nu nog ons Hals-stérrig, Hals-starrig, en † Stér-halzig, H-D, starrer / obstipus, tetanicus, obstinatus; waer van ons † Starren, † Stérren, I. CL: en Verstarren, Verstérren, I. CL: H-D, starren / erstarren / I. CL: rigere, rigescere, arrectum stare; en Starren, Stérren, I. CL: en Star-oogen, I. CL: en † Stérlyk aenzien, H-D, starren / I. CL: A-S, starian / I. CL: rigidis oculis intueri, contueri fixo obtutu; en Verstérren, I. CL: perstringere oculos stellanti lumine; en Stérre der oogen, acies oculi, pupilla; en Stér-breme, strix, een zekere nacht-uil, starrig en onverzetlijk van gezicht; en 't agterste lid Breme, dunkt my te zien op zijn leelijk geschreeuw van Brémmen, mugire, rugire. Verder ons Starre, Stérre, f: en † Stérne, M-G, stairno / F, Ysl: stiarna / F, F-TH, sterron / sterren / M, A-S, steorra / M, H-D, stern / M, Angl: star / starne / sterre / Dan: stierne / stella, Graec: ὰςήρ, Persis ster; 't zy als ziende op het vaste gesternte aen 't hemelrond, al-aen onderling een zelfden stand hondende, 't zy, vermits in tegenstelling van het Zonnelicht, zig latende strak bezien of bestar-oogen; of anders, overmits de schippers het bestier hunner reize, en de Hemelbeschouwers hare waernemingen daer op moeten doen, waerom ze daer op dikwijls staen te starren; of, mooglijk om alle deze redenen te gelijk: waer toe verder ons Staert-stérre, cometa; Gestérnte, sidus, sidera; Stérre-kyker, m: astronomus; Stérre-kunde, f: astronomia; Stérre-klaer, sublustris; Stérre-schót, n: en Schiet-stérre, f: lampas aëris; ontstaende zo men gist uit opgehevene slijmquallen, in 't duister ligtende gelijk een sterre, en snellik verschietende; en Stérrekruid, n: aster atticus; als stervormig van bloem; en Stérhamer, securis radiosa, malleus echinatus; en 't Verbum Starren, Stérren, I. CL: stellare, micare instar stellae; en † Starren, † Starnen, I. CL: stellari, fi-

[p. 427]origineel

guras praebere stellis similes; als mede ons Stérre, f: margarita, aut res quaevis multangula instar radiorum stellae; en Stérre, Starre, f: Stérsel, n: Stérnsel, n: suffusio oculorum, Hypochysis; als zulke bedwelmzinkingen op het oog, dat 'er gestadig een sterrig schemerligt schijnt voor te zweven; waer toe ons Star-of Stérre-blind, A-S, staer- en stare-blind / suffusione caecus; hoewel ook dit kan t'huis gebragt worden tot het star-oogen, dewijl men, als dat al te sterk op eenig licht geschied, zoodanig star-blind word. Voorts Stérre, Stérne, † Stirne, frons equi vel bovis; om de ster-wijzige haer-verspreiding op het voorhoofd; en Stérnlóós, effrons; Stérn-gesmyde, n: Stérnriem, m: frontale equi; en † Stérre, Stérlink, Stéérling, ook spreeuw, H-D, star / Angl: stare / starlinck / A-S, ster / staer / staern / stearn / sturnus, Ital: storlino; om de ster-spikkels in de veders; en, of het Engelsche Schélling stéérlings, solidus sterlingus, allereerst met een spreeuw of met sterren bemunt zy geweest, heb ik nog niet zeker konnen vinden; immers Kiliaen wil daer heen, zeggende, Sterlingus, vel à sturni aviculae, vel à stëllae nota; cusus est in Anglia numus unius unicae argenti, anno 1249.

Verder, agter † Stérre, Starrig, rigidus &c, de uitgang K, voor IG, gevoegt zijnde, zo vind men ook hier uit het A-S, starc / stearc / durus, rigidus, tetanicus; en ons Stark, Stérk, strictus, fortis, durus &c; dog dit kan, beneffens zijne andere takken, ook by omzet voor Strak gekomen zijn, gelijk wy daer van breeder by 't Wortel-deel STRYK zullen handelen.

Wijders ons Staert, Stéért, Start, Stért, m: en f: H-D, sterz / M. A-S, steort / stert / cauda; 't zy om 't sterk of starrig opregten en uitstrekken (gelijk ook H-D, starren / I. CL: turgeri, tendi, distendi, & transl: arrogantem esse), 't zy als 't roer en bestier van den loop van 't beest (immers by de visschen en vogelen),'t zy om het stevig en dikwijls roeren, gelijk ook A-S, steran / styran / I. CL: movere, en overdragtelijk ons Stéért, m: en f: syrma; anus, podex; & reliquum alicujus rei; en Stéért-béén, n: A-S, staert / os sacrum; als staertig afloopende; en Stéérte-bóllen, I. CL: volvere se in caput; buitelen gelijk de honden met kop en staert tusschen de beenen; en ons † Stéérten, I. CL: fugere; even gelijk men ook zeit de hielen laten zien voor vlugten; Maer ons Stértel, Stérteling, ligula adstrictoria, ligamen, schijnt op de strakke binding, of op de gelijkheid aen een staertken te zien. By deze allen komt A of E, gelijk gewoonlijk voor de R, gantsch onverschillig.

Maer, gelijk we voor ons gemelde Starrig, rigidus &c, in 't H-D, starrig / starrisch / störrisch en stürrisch / en by ons ook Stor hebben, met welke laersten mede overeenkomt ons † Stuer, nu Stuersch, Geld: Storvig, A-S, sterne / rigidus, inflexibilis & torvus, en Onstuer, mitis, placidus; zoo vind men, in dien zin van stor te maken of storrig te behandelen, ons Steuren, Storen, Verstoren, Brab: Stooren, Verstooren, I. CL: A-S, styran / I. CL: exacerbare, irritare, turbare, & interturbare; en M-G, andstaurran / I. CL: fremere in aliquid; waer toe mede het Ysl: stir / bellum; stir-biorn / bellicosus ursus; en ons Steur- of † Stuer-krabbe, locusta; piscis ex genere crustatorum, binis ante oculos cornibus metuendus, vide Kilian:; waer by niet qualijk past ons Steur, m: A-S, styria / H-D, stör / M, accipenser, porcus marinus, vulgò Sturio, unde Gall: esturgeon, Ital: storione, Hisp: esturion, Angl: sturgion / om de storrigheid van zijn rouwen knobbel-huid; en Steurmage, huisblas, Ichthyocolla; als wordende uit den buik van dien visch de huisblas, een soort van vischlijm, toebereid.

En, op de woede en verstoringe past, met agtervoeging van den uitgang M, agter Stór, ons Stórm, m: rumor, strepitus, impetus, impressio, turbata vis, unde Ital: Stormo, Gall: estour; en Stórm, m: H-D, sturm / M, Ysl: stormur / M, A-S, storm en steorne / tempestas; en Stórm, classicum, ineundae pugnae signum; Stórm slaen, classicum canere; waer van verder ons Stórmen, I. CL: A-S, styrman / I. CL: tumultuare, turbare, strepere, unde Ital: stormire; en Stórmen, Bestórmen, I. CL: incursionem facere; Stórmhoed, galea oppugnatoria; en Stórm-katte, vinea, pluteus, propugnaculum eminens, altum collinum.

Verder, 't zy om de woede, of liever om

[p. 428]origineel

de storrigheid en moeijelijke behandeling, ons Stier, m: varre, H-D, stier / M, Sax: ster / steer / Angl: stere / taurus; als stuersch en stor; maer ook is die naem van ouds aen kalveren gegeven van beider kunne, om gelijke rede, vermits storrig en lastig in 't voortdrijven, dus M-G, stiurs / M, en A-S, stiorc / vitulus; en A-S, styre / stirc / styrc / buculus; en steorc / juvencus, juvenca; en 't Geld: Stierik, f: junix; eene verze of jonge koe. Nog ook ons Stier, n: Stuer- en Stierroer, n: A-S, stearn / steore / steor / Angl: sterne / H-D, steuer-ruder / M. clavus, gubernaculum; om 't noodzaekelijk strak en stevig houden; waer van ons † Onstuer, indomitus; en Stieren, Stueren, I. CL: F-TH, stiuron / I. CL: H-D, steuren / I. CL: A-S, steoran / stioran / styran / I. CL: agere navigium; & tr: regere, dirigere, gubernare; & agere, adigere, ducere, & instigare; waer van Somnerus in zijn treffelijke Dictionar: A-S, ook 't voorgenoemde Stérling afleid, alzo alle de muntvergelijkingen in Engeland daer nae gestiert of gericht worden: voorts overdragtelijk Stieren, Stueren, Toestieren, I. CL: mittere, conferre, & olim tribuere, contribuere; als bestierende en verzorgende, dat men iet bekomt; waer toe het oude † Stuer, † Steur, en † Stier, f: tributum, vectigal; en H-D, steur F. tributum; & eleëmosyna; dog tot Stier, clavus, ons Stier- en Stuer-boord, A-S, steor-bord / dextra navigii; als ter regterzijde van den stierman, in tegenstelling van Bak-boord, sinistra navigii, waer na toe de rug van den Stierman, m: A-S, steorman en steorra / stiorra / gubernator, nauclerus, gewendt is, zie verder daer van by ons BAK, in deze I. Pr. Ondertusschen strekt het tot bevestiging van deze Afleidingen, dat, onder deze voorbeelden, de vocalen by de Verwanten zig niet net na de Dialect-regel beantwoorden, maer zig als onverschillig uit dezen of genen tak van STA, STE, STIE, STO, STU, of STEU ontleent vertoonen; gelijk ook daerenboven in stêe van ons voorgemelde Stélkeren, Stólkeren, concrescere, zig mede laet vinden het Vlaemsche Stórkelen, Sturkelen, I. CL: concrescere, coagulari, constipare; om 't stevig worden en stilstaen van 't vloeibare; alwaer dus Stól en Stór als takken voorkomen, slegts verschillig van Terminatie, maer egter aen een zelfden boom uitgegroeit: en op deze wijze schijnt my het Geld: Stórk, m: H-D, storck / M, Angl: storke / ciconia, te zien op het strak en stil staen van den oyevaer, slapende ook alzoo met het hoofd op een der schouderen; 't en ware het beter op zijn storende geklapper paste.

 

Hoe dus uit eenen zelfden stam van dit ons Verbum STAEN oul: Standen, zonder aenmerkinge van zijne menigvuldige Composita, zo vele voorname takken konnen gesproten zijn, zulks dat het getal der Zakelijke deelen tot over de t'zeventig loopt, als Stand, Sténd, Stad, Staed, Steed, Staeg, Stee, Staey, Steeds, Steeg, Staet, Staend, Stond, † Stoon, Steun, Stut, Stoet, Stoey, Steel, Stael, Stal, Stélk, Stél, Stoel, Stól, Stólk, Stélt, † Stólt en Stóut, Stalp, Stólp, Stulp, Stil, Stam, Stém, Stim, Staem, Stom, Stamp, Stémp, Stomp en Stump; Stap, Stép, Stip, Stup, Staep, Steep, Stóp, en Stoep, en Star, Stér, Steer, Staert, Start, Stéért, Stért, Stark, Stérk, Starn, Stérn, Stirn, Stier, Stuer, Steur, Stuersch, Stoor en Stóór, Stór, Storv, Stórm, Stórk en Sturk, en mooglijk ook Staf en Staef of Staev; waer uit wy, slegts in onze tael, by de 450 takken of telgen hier hebben aengehaelt, en waer van sommigen nog schijnstrijdige beteekenissen hebben aengenomen, zulks schijnt in den eersten opslag, zonder een gevoeglijke ontleding, of elkander dienst doende woordschikking, onbegrijpelijk; niettemin, dat geen van die allen hier ongeregelt inkomt, en dat op zulk een of diergelijken trant onze tael-takken uit elkander zijn voortgekomen, agt ik niet, dat verder bewijs van nooden heeft dan we reeds in onzen Geregelden Grondslag van Afleiding hebben aengetoont. Maer, mag men zeggen, schoon iet als mooglijk in 't verstand te voren komt, dat zelve nogtans is altijd niet waer; en men zou, om de verwonderlijke veelheid dezer takken, aen eenigen van die ook twijffelen mogen, voornaemlijk aen die weinigen, van welken wy hier berigt hebben, dat 'er ook andere Wor-

[p. 429]origineel

tels, volgens de gedaente en kragt, gelijk regt op dezelven schijnen te hebben. Dog, men twijffele vry ligter, dan men besluite, daer ik het ook mêe houde, mits dat het met oordeel geschiede, en naeukeurig naegezien werde, waer we eenigen onvoorzigtigen stap, of onbehoorlijken sprong mogten gedaen hebben, als dan vermoede ik, zal men egter den hoop dezer takken, volgens deze voorgedischte schikking, nog zo groot blijven behouden, dat hy alle vorige verwagting, zo wel als hy de mijne deed, te boven gae.

Daerenboven, eer ik van dezen stamboom afscheide, zal ik 'er nog een twijffeltak by-voegen, naemlijk ons Stange, Sténge, f: H-D, stange / F, A-S, stenc / stengc / stipes, pertica, vallus, sudes, vectis, fustis, longurius, sparus, contus, hastile, phalanga, unde Ital: stanga; en Ysl: staung / hasta; in Plur: steingur / hastae; en ons Stange, ramus, & malus navis; en Stangen aen het paerdstoom, lupatum ferreum, perticae freni, moderamen teres equorum; en Stangel, Sténgel, m: H-D, stängel / stengel / M. caulis, stipes, scapus, stipula; en Stangel-knoopen, geniculum, stipulae vel caulis intermedium; waer van het H-D, stängelen / I. CL: statuminare, palare, pertica firmare; en H-D, stangen / I. CL: conculcare, contundere, stipare; allen om de vast-en stevigheid, omtrent in gelijke rede als ons vorige Steel, Stael en Stam, &c. Ik heb dit een twijffeltak genoemt, niet om de beteekenis, want die vlijt zig al te wel; maer eenigsints om de gedaente, te weten, overmits hier de NG in plaets van ND komt; 't is wel waer, dat we dit zouden konnen oplossen, met aen te merken dat in onze straet-Dialect ook Stong en Sting voor 't Praeter: Stond gaen, en gevolglijk die verandering in dit geval eeniger mate gewettigt is, behalven dat men ook de NG hier als scheidbaer zou mogen aenzien, vermits Stan voor de inkortinge van Staen mag komen, en GE of G voor een terminatie verstrekken; maer, de eigentlijke grond van mijne twijffeling is, dat 'er onder onze Taelverwanten, naemlijk het M-G, A-S, en Ysl: nog een ond ongelijkvloeijend Verbum stingan / stang / stungen / &c, pungere, zig opdoet, waer van we in de II. Pr, by 't Wortel-deel STING zullen spreken; welke stam hier op ruim zo veel regt schijnt te hebben, alzoo de gedaente minder, en de zin omtrent even zo min oplossing vereischt. Hier by kan men nog een tweeden twijffel-tak voegen, te weten, met den uitgang G agter 't Zakelijke deel STA te voegen, om daer uit te vinden het fraequentativum Staggeren, Staggelen, I. CL: vacillare pedibus; & gradubus inter-intermissis procedere, & subindè retrogradi; dog zie van dezen ook by ons volgende STYG, in deze Proeve, en by STIG, in de II. Proeve.

De Zaek- of Wortel-deelen.

STANG, in Stange, stipes, pertica, contus, & ramus, & malus navis, &c; en Stangen van een tóóm, lupatum ferreum, moderamen teres equorum; en Stangel, caulis, stipes, scapus; enz. zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Proeve, en by STING, in de II. Proeve,

 

STANK, in Stank, foetor; & olim odor, & odor suavis; by STINK, in deze Pr.

 

STAP, in Stap, gradus, passus, vestigium; climacter; & spatium duorum pedum; Stappen, progredi, vestigium sigere; † Stap-hands, † Stappens, statim, illicò; † Stappel, gradus; en † Stap, baculus, stipes, virga; zie daer van by 't vorige STAND, in deze Pr.

 

STAR, in † Starre, † Starrig, rigidus, asper, inflexibilis; Hals-starrig, obstinatus; † Starren, rigere; Star-oogen, contueri fixo obtutu; Starre, stella &c; Starren, stellare, & stellari; enz. By STAND, in deze Pr.

 

† STARF, het oude Praeter: van Stérven, by STERV, in deze Proeve.

 

STARK, in Stark, fortis &c; en Starken, Verstarken, corroborare &c; zie daer van bij STRYK en bij STAND, in deze Proeve.

[p. 430]origineel

STARN, in Starnen, stellari; &c, zie by STAND, in deze Pr.

 

START, cauda &c; by STAND, in deze Pr.

STE.

STEÊ, in Steê locus; In steê, vice; Stee-kind, prodigentiae condamnatus; by 't vorige STAND, in deze Pr.

 

STEED, In Stede, locus; Hóf-stede, villa; Béd-stede, cubile; † Steden, sistere; Besteden, locare, elocare &c; Steeds, Stedes, assiduè; † Stedig, rigidus; & stabilis, firmus, assiduus; en † Stedigen, stabilire; by STAND, in deze Proeve.

 

STEÊG, rigidus, pertinax; zie daer van by STAND, in deze Pr.

 

STEEG, in Steeg, Gestegen, verbuigsels van 't Verbum Stygen: en Een steeg, numerus vicenarius ovorum; en Steeg, Stege, angiportus, semita ascendens & descendens; † Stegen. scandere; Stegel, falcrum, paxillum; Stegel-réép, stapia; en Steger, gradus; by 't volg: STYG, in deze Pr.

 

STÉÉG, in Stéég, acclivus, gradus, trabs; † Steege, praecipitium, & semita ascendens; † Steegen, elevare, ascendere; † Steeger, scala, gradus; by 't volg: STYG, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

STEEK, enz, in ons STEKEN, STAK (in Plur: STAKEN, en in Subj: STAKE), GESTOKEN (en ook GESTEKEN), IV. CL: 1, pungere, punctis ferire, fodicare, lancinare, stimulare, figere, pangere, Graec: ςίγειν, Angl: sticke; en ons Steken, IV. CL: 1, scalpere, insculpere, incidere in aere; & decurrere lancea; en de spreekwijzen Met woorden steken, dictis pungere, laedere aliquem; Den hoorn steken, canere buccina; Den bal steken, datatim pila Indere; Den schuld op ymand steken, conferre culpam in aliquem; Na de kroon steken, aspirare, ambire coronam vel gloriae premium; In schuld steken, aere alieno opprimi; Daer steekt vry wat in, multum ex illis conjecturare, hallucinari, vel probare licet; Zig érgens in steken, miscere se dictis vel factis alterius; quae alterius sunt curare; en Den spót steken, ludibrio habere; zinspelende op het spotwijzig uitsteken van tong of vinger agter ymands rug; en Een spéld 'er by steken, opus sistere; ontleent uit het gebruik van spelden te hegten tot een teeken hoe verre men gevordert, of waer men 'er uitgescheiden zy; en érgens steken of In blyven steken, haerere. Ook zijn 'er nog etlijke voorname voorzettelingen van dit Verbum, als Aen-steken, affigere; Aen-steken, besmetten, inficere; Aen-steken, Ontsteken, incendere, inflammare; Een huis aen-steken, inferre faces domui; & morbo contagioso inficere familiam; Een flés aen-steken, relinere lagenam; en Af-steken, detrudere; Af-steken van land, solvere ora; De loef af-steken, certando superare; ontleent van 't zeilen: De kele af-steken, jugulare, confodere jugulum; Een vat af-steken, expromere vinum dolio; nog ook Besteken, configere, circumfigere; en gelijk men van overlang gewoon is geweest de voorgenomene grondleggingen en bouw-werken met stekken af te palen, zo is overdragtelijk hier van ontleent ons Besteken, moliri, machinari; & informare, delineare opus conficiendum; en vermits men by de wildjagt de beesten in 't netwerk, dat aen staken gehegt is, zoekt te drijven, zoo mede ons Besteken, tendere retia, sepire plagis nexilibus; & tr: tendere insidias, struere fallaciam; dog vriendelijker zin heeft ons Besteken met bloemen, ornare ftoribus. VoortS In-steken, infigere, ingerere, indere; In-steken, inblazen, suggerere; en Onder-steken, subdere, supponere, & intermiscere; Ontsteken, incendere, inflammare, & incendi, & inflammari; en Ontsteken, Op-steken een vat, relinere dolium; en † Ontsteken, Versteken, Wégsteken, amovere, abdere; & clam de medio removere; en Op-steken, sursum erigere, in altum elevare; & tr: augeri, augescere,

[p. 431]origineel

increscere; Op-steken, By zig steken, condere, recondere; & scommata recondere animo; Over-steken, porrigere; Wyn over-steken, vinum ex uno in alterum transpromere dolium; Toe-steken, porrigere, suggerere, suppeditare, Toe-steken, met eenig scherp, impetere gladio, cultro &c; en ons Versteken, iterum vel alio modo figere; en Versteken, abdere, abstrudere; & olim rejicere, deprimere, reprobare; Versteken iemand van zyn récht, excludere aliquem à suo jure; waer van 't Praeter: Partic: Versteken of Verstoken, exclusus; en ons Uit-steken, expungere, effodere, extrudere, expellere; exsculpere; caelare; Uit-steken, eminere, & excellere; quin etiam prominere, propendere, protuberare; en Uit-steken, uitleggen, excipere; De tong of Hand uit-steken, exerere linguam vel manum, &c; De oogen met giften uit-steken, muneribus corrumpere; en zoo voort; zijnde allen mede van de IV. Class: 1.

Onder de Taelverwanten hebben we het H-D, stechen / stach (in Subj: stache) gestochen / III. CL: 2, pungere, figere, caelare; en ent-stechen / III. CL: 2, exoriri, initium sumere; beneffens deszelfs Composita of voor-zettelingen. In 't A-S heeft men wel stican / confodere, jugulare, & haerere; dog de blijken ontbreken my van de oude Ongelijk-vloeijendheid, hoewel ik die vermoede uit de takken met a / die zig in 't gevolg zullen opdoen.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praes: of van den Infinit: ons Steek, m: en Steke, f: A-S, stice / Angl: stiche / H-D, stich / M. punctio; ictus cuspidis, spiculi, & vulnus punctim factum; & tr: verborum laesio, reprehensionis morsus, sugillatio; en Wurmsteke, vermiculatio; alzo de houtwurmen pypagtige loopgraven maken, van wijdte en rondheid even of ze 'er met een priem waren ingestoken; en Steken onder water geven, occultè verbis pungere; Steke-blind, ook † Sték-blind, en stik-blind, en uit het Praet: StóK-blind, percaecus, omnino caecus; als kunnende geen sték of stok onderkennen, of, als moetende met een stok den weg naespooren, of, als zijnde de oogen uitgestoken; Steek-beitel, m: scalprum; Steek-yzer, n: caelum; en Steek-yzer, n: aelschere, tridens, fuscina; om al stekende daer mede de ael te vangen; Steke, Vink-Steke, decipulum, transenna; & tr: aucupium, aucupatio; wegens het be-bestokene yzere tralie-of net-werk om de vogelen te vangen; en Steek- of Sték-spél, n: decursio equestris; vulgo hastiludium; en Steek-en † Sték-pénning, m: donum ilex; als die men stilletjes ymand in de hand steekt: en † Uit-steke, f: nu Uit-steek, m: of nog gemeenzamer Uit-sték, n: eminentia; & terrae lingua, & projectum; en adverbia-liter By uitsték, eximiè, insigniter. Verder ons † Stekenis nu Stekinge in de zijde, pleuritis; enf Stekenis, nu Steking aen 't herte, cardiaca; en † Stekens, punctim; † Steker, m: stimulus; sica, pugio; Bier-steker, m: Zythopola; om 't oversteken van de bieren: en met den uitgang EL, ons Stekel, en † Stakel, Fris: Stikkel, A-S, sticcel / sticel / sticol en sticels stimulus oculeus, arduus; en Stekel- en Sték-bezie, uva crispa; en Stekel-bóóm, Stekel-doren, Stekel-hage, rhamnus; om de doorn-stekels aen die takscheuten; en Stekel-krabbe, pagurus; een soort van zee-krabben, met stekelpunten voorzien; en verder ons Stekelig, aculeus, arduus; & tr: verbis pungens; en 't H-D, stechelen / I. CL: stimulare, & mordere verbis; en Instekeling, m: en f: supposititius, & subditivus; en Verstekeling, m: en f: rejectitius; en Stekeling, spinachia, piscis aculeati genus; een soort van grundel met een stekelspits aen den kop, en doornen op de deksels van de kuwen: en uit het Praes: Partic: Uit-stekend, eminens, splendens, optimus.

Behalven de reetsgenoemde † Sték-spél, † Sték-blind,en † Sték-pénning,en Uit-sték, met de ingekorte é, zo hebben we ook nog ons Sték, en † Steke, m: en f: Sax: stik / Angl: stikke / A-S, sticca / H-D, stekken / stekke / M, germen, arboris propago, stipes, baculus, bacillum; meta; unde vulgò stecca, & Ital: stecca, stecche, Hisp: estaca; als puntig en bequaem tot enting of om in den grond te steken; en Sték in 't spél, scrupus; om 't insteken of inschuiven der schijven; en Sték, Snaer-sték, sleutel, clavus; als waer in men de snaer doorsteekt en vast maekt; en

[p. 432]origineel

Sték-pille, f: balanus, glans, vulgò suppositorium; en Sték-appel, doorn-appel, pomum spinosum, stramonium, malum Peruvianum; om de weeke stekelpunten op de vrugt; zijnde 't zaed van den bloem dezer plante, zo men verhaelt, van wonderbare kragt, doende hem die 't ingenomen heeft omtrent een etmael lang, of lacchen, of praten, of weenen of slapen; dog meest den tijd slijt hy met praten vragen en antwoorden, schijnende volkomen by zijn verstand te zijn, hoewel hy in der daed onkundig is met wien hy kout, en geen geheugenisse daer van draegt, wanneer hy weder by zig zelve komt; en Sték en Steek-palm, hulst, aquifolia; als vol stekels aen de bladen; en Worm-stékte in den buik, vermina, orum; om de prikkelstekingen: en Sték-rapen, fransche rapen, napus; om haer lange stek-vormige gedaente: † Sték, nu Stók, m: cippus, numella; als waer aen en waer in de handen of voeten der gevangenen gestoken en gekluistert worden; waer van ons † Stékke-knégt, nu Stókbewaerder, m: carceris custos; en Ysl: steckur / caula; eene kooy, daer men de schapen insteekt. Voorts ons Verbum Sték-steenen, I. CL: ludere silice; en Sték-ballen, I. CL: datatim pila ludere; dat is steek-wijzig langs den grond elkander de ballen toe-slaen: daerenboven ons Besték, n: septum, sepimentum; inceptum; molimen; & operis conficiendi delineatio; zijnde zin-rijk, volgens de zo velerhande beteekenissen van 't Verbum Besteken; en ons Onder-sték doen, alterius quaestum anticipare, lucrum intercipere; Over-sték, n: Uit-sték, n: projectura domus, podium, pergula; en Over-sték, n: overslag, sumptuum & agendorum delineatio, recensio; en Versték, n: privatio juris, ex-clusio; Wijders van Sték, stipes &c, komt ook ons † Stékken, I. CL: H-D, stekken / I. CL: pungere, figere, indere, pangere; claudere ligneis spiculis; & olim infixum esse, haerere; en Bestékken, I. CL: figere clavis ligneis; & sepire; F-TH, stecchan / I. CL: stipare; en umbe-stecchan / I. CL: circumdare stipitibus; en † Stékte, † Stéktenis, nu Steking, f: pungens dolor; † Stéktenis, nu Steking aen 't hért, cardiaca; & Stéktenis, nu Steking in de zyde, pleuritis.

Maer, gelijk veeltijds de Vlaemsche Dialect de I tegen onze E voert, en gelijk onder de zo even aengeroerde voorbeelden, namelijk by 't H-D, Angl:, Sax:, en A-S, en by 't laetste zeer dikmaels de i / tegen onze E, gegolden heeft, zo vind men ook de by Ons onder eenigen dezer takken, als by 't reets gemelde Stik-blind, percaecus; en verder by ons † Stik, M-G, stik / stiks / M, H-D, stich / M. punctus; waer van ons † Stikken, I. CL: Angl: sticke / pungere, figere, stimulare; en A-S, stican / sticcan / gesticcan / I. CL: confodere, jugulare, transfigere; en gesticean / I. CL: incidere; en gestycigan / I. CL: stimulare; waer toe het Vtiesche Stikkel, stimulus, aculeus; en ons Stikken, I. CL: H-D, stikken / I. CL: acu pingere, plumare, Graec: ςιγειν, notis signare, aut picturatis figuris ornare; als met de naelde konstig besteken; waer van ons Stiksel, n: Stik- en Sték-wérk, n: opus plumarium; Stik-naelde, f: acus Babylonia, Assyria, Semiramis; Stik-zyde, f: sericum plumarium; en waer toe ons Stik- of Sték-vogel, havik, accipiter; gisse, om dat die veel in stik- of borduerwerk word uitgebeeld: en het Geld: en Friesche Stik, Stiksel, kaper of sluijer, calautica, peplum, calyptra, vitta puellaris; ziende op het benaeijen. Verder ons Stikken, Verstikken, I. CL: H-D, stikken / I. CL: suffocare, strangulare; als blijvende in den adem, of eenige andre beweging of voortgang steken; waer toe ons Stik-wortel, m: ampepoleuce, bryonia; als dienstig geschat voor den wrong, of de keel-verstikking: en ons Stik, n: ook met U, als Stuk, n: A-S, stycce / styc / frustum, offa, pars; 't zy, vermits te groot om door te zwelgen of ergens door heen te schieten, 't zy, als zinspelende op 't genaeijde stikwerk, of op de afgeperkte afdeelingen by stekjes, gelijk ook deze naem doorgaends den zin van eenig bijzonder deel uitdrukt; waer toe verder ons Stik-ziende, myops, als houdende de oogen digte by het stuk; en onze spreekwijze van Aen stikken, Aen stukken, en in een oud-verloopene gedaente ook † Ont-stukken, lacer, ruptus, disjunctus; waer van mede het VerbumOnt-stukken, I. CL: lacerare; verder tot dit Stik, in den zin van Stikken, suffocare, behoort ons

[p. 433]origineel

Stik-vol, refertus, turgidus; waer van ons † Stikken, I. CL: farcire, turundis saginare; dog † Stikken, I. CL: aggerare, cumulare; van ons Stik, frustum, pars; gelijk ook 't A-S, sticce-maelum / paulatim; als stuksgewijze, en by deelen langsaem vorderende.

 

Tot de Zakelijke deelen STAK en STAEK, uit het Praeter:, voornamelijk uit het Praet: Subj:, ons Staek, m: Stake, f: H-D, stake / F, Angl: stake / A-S, staca / stipes, baculus, fustis, pedamen, sudes, stirps; statumen, & palus, unde Hisp: estaca; als een stevige stam-tak of pael, die men in den grond steekt tot vastigheid voor iet anders, of tot bepalinge van een werk, of tot een merkteeken &c; en overdragtelijk ons Staek, stirps, foboles; dus deelt men erfenissen by staken, als men die rekent na 't getal der naaste oude stam-takken, dog een van die voor-aflyvig zijnde, maken de kinderen van die wederom te samen dien staek uit, in de plaets van haer vooraf-gestorven vader of moeder. Van Staek, stipes &c; ons † Staken, I. CL: H-D, staken / I. CL: AL: stachen / I. CL: palare, pangere, figere, stabilire; sistere; stipare, terminare; en Staken, I. CL: of 'er een staek by Steken, sistere opus, desistere operari; omtrent in gelijke zinspelinge als onze vorige spreekwijze van een speld 'er by steken, tot een kenteeken van rusting en wederaenvang; en H-D, stakel / M. contus nautarum; Ysl: stiake / contus; en ons Bestaken, I. CL: palare, circumpalare; en H-D, stachel-faw / Saxon: stackelswyn / bystrix; om de scherpe stekelpennen, ter zake van welken het by ons den naem van Stekelzwyn of een yzer-verken voert. En met een baftert-staert ons Stakèt, n: Staketsel, n: H-D, staket / N, sepimentum, sepes palata, cantherius, jugum; waer van weder ons Stakétten, I. CL. en Stakètselen, I. CL: palare, pedare.

 

Maer ook met O, of de gelijkwaerdige U, (behoorende mede tot het oude Praeter: Subj: van de Verba van dezen rang en afdeeling, volgens het betoog in onze Grondst: II. Verhand: §. XIII.) ons oude † Stók, m: framea, sica, ensis, unde Ital: stocco; als om mede te steken; en met een Walschen staert ons Stokkàde, moortpriem, sica; unde vulgo stoccada; en, omtrent in gelijken zin als ons Staek, ons Stók, m: H-D, stok / M, stipes, baculus, fustis, hasta, caudex, truncus, scipio, & culmus, & stipula; zijnde ook be-quaem om ergens in gestoken te worden; waer van het H-D, stokken / I. CL: stipare, palis munire, fulcire; en waer toe ons Stók-óud, senex decrepitus, baculo gradum adjuvans; en Stók-blind, omnino caecus, baculo viam dirigens; Stók-légging, halmgoeding, investitura fuste aut stipulâ more veteri; zijnde een oud gebruik, waer by de eerste eigenaer aen den tweeden, met het overreiken van een stok of staf of riet, onder getuigen, zijn regt van eigendom overdroeg; gelijk ook Stók voor Stóppel, stipula, in gelijke waerde komt by ons Stók- en Stóppel-haer, n: lanugo, en † Stók-veder voor Stóppel-veder, pluma sanguinea, qua plumea lanugo erumpit; daerenboven het Vlaemsche Stók, m: hasta, baculus auctionarii praeconis; waer van de spreekwijze van Met den stók verkoopen, hastae subjicere, publicae auctioni vendere; en Stók-hóuder, praeco auctionarius. Tot Stók, fustis, behoort het Ysl: stock / salto; in Praet: stock / in Infin: ad stockua / saltare; Onreg: No. 4. en ons Stók-duive, hout-duive, palumbes torquatus, Angl: stocke-dobe / in tegenstelling van de andere wilde duiven die in de steen-holen nestelen: én Stók-érte, pisum majus; en Stók-roze, malva rosa; als moetende met staken ondersteunt worden: en Stók-hóuwe, runcina; om 't houtene handvat. Van Stók, stipes; ons Wyn-stók, m: H-D, wein-stok / M, vitis propago, malleolus; & tr: vitis; waer van het H-D, stokken / I. CL: propagare surculos, vineam instituere; en van Stók, stipes, baculus, scipio, ons Stók-nar, m: stultus sive morio sceptrum gerens; en Stók-visch, H-D, stockfisch / Angl: stockefishe / asellus arefactus; pisces ex asellorum genere, vento & frigore induratus, atque in fustem extensus; unde Gall: stocfiz; waer van de boertige spreekwijze van Stók-visch te eten geven, fustigare; en ons † Stókken, I. CL: baculo munire, firmare, stabilire; & baculo inniti; en van ons Stók ook A-S, stocce / stirps, truncus; ons Stók-beeld, n: statua, simulacrum ex trunco; gelijk Horatius zingt,

[p. 434]origineel

Olim truncus eram ficulnus, inutile lignum; cum faber, incertus scamnum faceretne Priapum, maluit esse Deum; ‘Weleer, zeid hy, was ik slegts een tronk van een Vygeboom, een onnut blok; tot dat de Beeldsnijder, twijffelende of hy een bank of eenen God Priapus van me toestellen wilde, tot het laetste is overgeslagen.’ Kortelijk zeker en geestig word hier de ydelheid van den beeldendienst aengewezen. Verder hier toe mede ons Stók-stil, immobilis instar trunci, sive statuae. En van Stók, stirps, ons Ver-stókken, I. CL: en H-D, verstokken / I. CL: stirpescere, in stirpem converti; & tr: indurare, indurescere, stupere; waer uit ons Praet: Partic: Verstókt, induratus, refractarius, & stupidus. Verder ons overdragtelijke Stók, m: stirps, stemma, progenies; waer toe ons Stók-goederen, stamgoederen, bona haereditaria, avita; Daerenboven ons Stók, m: H-D, stock / Angl: stocke / cippus, numella, pedicae, compedes; als waer in of waer aen men de handen of voeten der misdadigen steekt; waer van het H-D, stökken / I. CL: in carcerem conjicere; en waer toe ons Stók-bewaerder, m: Stókke-knégt, m: en † Stókker, m: H-D, stökker / M. lictor, phylacista; en Stók-mééster, m: carcerarius; als, die het gevangen-huis in agt neemt. Nog ook H-D, stokken / I. CL: haesitare, linguae inhaerere; als 'er in steken blijvende; waer van 't H-D, stokker / M, haesitator. Wijders ons † Stoke; stimulus, stipes; als waer mede men iets aensteekt of voortprikkelt; waer van ons Stoken, Aen-stoken, I. CL: instigare, stimulare; & addere faces; en Bestoken, I. CL: bestormen, impetere, oppugnare; en † Uit-stoken, I. CL: H-D, aus-stokken / I. CL: eradicare, exstirpare; expellere; waer toe ons Stoke-brand, m:Stók-vier, m: instigator, incendiarius; fax seditionis, turbarum flabellum; en A-S, stoce / tuba; als om 't volk aen te stoken tot den krijg; en ons Tande-stoker, m: dentiscalpium; als om 't onreine met iet puntigs uit de tanden uit te peuteren; waer toe ook ons Stook- en † Stóktand, agterste kieze, dens molaris, intimus; als waer uit gewoonlijk eenige spijs te peuteren valt. Voorts ons † Stók, n: nu Stuk, n: A-S, styc / H-D / stuk / frustum, pars, offa, membrum; Tomus; & tr: res particularis; & factum singulare; waer toe ons † Stók-en Stuklóók, f: porrum sectile; als in stukken zig afscheidende; en 't Geld: en Sax: † Stokmélk, lac gelatum, concretum; als tot stukken te samen geloopen, en † Stok, n: Étter-stok, pus, sanies conglobata; waer van het oude † Stokken, I. CL: stollen, H-D, stokken / I. CL: conglobari, concrescere, densari; waer van ons Verstokt bloed, pus, sanies. Nog mede ons Stuk, n: ook † Stok, n: geschut, tormentum aeneum, bombarda; om de tronk-vormige gedaente; en ons Schélmstuk, n: facinus; Een stuk wérks, Wérkstuk, n: opus; en Stuk-wérk, opus imperfectum; Stuks-wyze, Van stuk tot stuk, articulatim, particulatim, frustulatim; en Een stuk lands, modus agri, praedium, fundus; als een byzonder afgestoken of afgeperkt deel lands; en ons Aen stukken, In stukken, fractus, lacer; en 't hiervoorgenoemde † Ontstukken, I. CL: lacerare. En, zo onze UI tegen U mogt komen, gelijk men in eenige Provincien die beiden omtrent even eens uitspreekt, zo zou ons Verstuiken, I. CL: membrum loco suo movere, luxare, mede hier toe betrekkelijk schijnen, om de verplaetsing der beenderstukken uit hunne gewrigten.

 

Uit het Praeter: Partic: zijn ontleent onze Adject: Deursteken of Deurstoken, Onderstoken, en Bestoken wérk, opus machinatum.

Het Zakelijke Deel.

STEEL, in Steel, scapus, stipes, capulus, manubrium; & caulis, stipes herbae; en † Stelen, I. CL: scapum, sive stipitem inserere; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Proeve; dog van een ander Wortel-deel STEEL, zie bij 't volgende STEEL.

Het Wortel-deel.

STEEL &c, in ons STELEN, STAL (in Subj: STALE), GESTOLEN, IV. CL: 1, furari; M-G, stilan / stal (in Subj: stelau) / stulans / II. CL: 3, furari. F-TH,

[p. 435]origineel

stelan (fur-stelan) / stal / gistolan / II. CL: 5, furari; A-S, stelan / stal of stael / gestolen / II. CL: 5, furari, obrepere; Angl: to steal / stole / stolen / furari; H-D, stehlen / stahl en stol (in Subj: stöle) / gestohlen / III. CL: 2, furari. Ysl: stela / stal / stolenn / II. CL: 4, furari.

 

Uit het Wortel-deel van het Praes: of van den Infinit: zijnde Steel, hebben we ons Steler en Steelder, m: H-D, steler / M, Angl: stealer / fur; dat by na gantsch onder ons veroudert is, alleenlijk leeft het nog in ons spreekwoord De heler is zo goed als de steler, eadem poenâ dignus fur ac ille qui eum recipit; en Steels-gewyze of Stelends-gewyze, furtim; en F-TH, stelannes / furtum.

 

Tot het Praeter: het F-TH, stalu / A-S, stala / gestala / stalu / stale en stael-thing / by ons Dief-stal, m: H-D, dieb-stal / M. furtum; waer van het A-S, stalan / staelan / I. CL: praedonum turmis adoriri, obrepere, irrepere; furari; en A-S, stal- en stael-tyhtla / accusatio furti; en met o of u (gelijk ook in 't H-D, en Angl: Praet:); het A-S, stulor / stulorlic / furtivus, furtim.

Dog van een ander Steel en Stal zie mede by ons vorige Wortel-deel STAND.

De Zaek-of Wortel-deelen.

† STEEM, in † Stemig, gravis, severus, modestus; en † Stemen den schoen, consuere oram calcei; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Pr.

 

STEEN, in Stenen, gemere; zie daer van bij † STYN, in de II. Proeve.

 

STEEP, in 't Vlaemsche Steperen, instigare; en Steperquaed, instigator ad malum; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Proeve.

 

STEEV, in † Steve, baculus; Steven, manica aratri; en Steven van 't schip, als Voorsteven, prora; en Agtersteven, puppis; en Stevel, ocrea; en Stevig, firmus; by STYV, in deze Pr.

 

STÉÉR, in Stéérling, sturnus; zie by STAND, in deze Pr.

 

STÉERT, in Stéért, cauda &c; en † Stéérten, fugere; zie by STAND, in deze Proeve.

 

† STÉF, in † Stéf, baculus, scipio; by 't volg: STYV, in deze Pr.

 

STEIG, in † Steig, acclivus; † Steigen, I. CL: elevare, in altum tollere; Steiger, scala, gradus, tollenon; Steigerréép, stapia; Steigeren, ascendere in altum; en † Steigen, Steigeren het water, aquam cataractis cohibere; en † Steigig, † Steigel, sursum praeceps; by 't volg: STYG, in deze Pr.

 

STEIL, in Steil, sursum praeceps; en † Steilen, erigere, elevare; zie daer van bij STYG, in deze Pr.

 

STÉK, in † Sték-spél, hastiludium; † Stékblind, percaecus; † Sték-pénning, donum ilex; Uitsték, eminentia; en, Sték, stipes, baculus, bacillum, germen; & meta; en † Sték, cippus, numella; † Stékke-knégt, carceris custos; † Sték-bezie, uva crispa; Sték-rape, napus; Sték-steenen, ludere silice; Sték-ballen, datatim pila ludere; Besték, septum; Ondersték doen, alterius quaestum anticipare; Over-sték, projectura domus; & sumtuum recensio; Versték, juris exclusio; en Stékken, Bestékken, figere, clavis vel spiculis ligneis; by 't vorige STEEK, in deze Proeve.

 

STÉL, in Op-stél, erectio, operis scema; & olim receptaculum; Stélle, vorago, fossa verticosa; & positura; & statio navium, & locus tutus; † Stél, vetus, vetustus, reses, quietus; Stél-bier, vetus cerevisia, & defecata; en Stéllen, ponere, ordinare, aptare; Bestéllen, ordinare, disponere; providere; Ont-stéllen, turbare; en zoo voort, zie daer van by ons vorige STAND, in deze Proeve.

[p. 436]origineel

STÉLK, in 't Vlaemsche Stélkeren, concrescere, coire in densitatem; zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

STÉLP, in Stélpen, sistere, stipare; en Overstélpen, insternere, coöperire; zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

STÉLT, in Stélte, pes ligneus stipiti adjunctus, grallae; zie daer van by STAND, in deze Pr.

 

STÉM, in † Stémmen, firmum reddere; constituere, componere, & cansuere oram calcei; Stémmig, gravis, severus, modestus; Stém-riem, lorum sutile calcei; en Stémsel, ora sive limbus calcei; en Stémme, vox, suffragium; en Stémmen, vocem edere; & suffragium ferre; en Overéén-stémmen, convenire; en † Stémmig, vocalis; en zoo voort, zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

STÉMP, in Stémpen, Bloed-stémpen, stipare sanguinem; en 't Vriesche Stémpen, pinsere, tundere; en ons Stémpel, typus monetalis; & tudicula; en Stémpelen, signare aes; zie daer van by STAND, in deze Pr.

 

STÉND, in Besténdig, constans, durabilis; by STAND, in deze I. Pr.

 

STÉNG, in Sténge, Sténgel, stipes, caulis, vectis &c; zie daer van bij STAND, hier voor in deze Proeve, en bij STING, in de II. Proeve.

 

STÉNT, in Ontsténtenis, exemptio, casus irritus; by STAND, in deze I. Pr.

 

STEP, in 't Vlaemsche Stép, gradus, passur, vestigium; en Stéppen, progredi; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Proeve.

 

STÉR, in Hals-stérrig, obstipus; † Stérren,rigescere, & rigidè contueri; † Stérbreme, strix; Sterre, stella, & suffusio oculorum; & frons equi; & sturnus; enz. zie daer van bij STAND, in deze Proeve.

 

STÉRF, by 't volg: STÉRV.

 

STÉRK, in Stérk, strictus, fortis, validus, firmus, potens; en Stérken, corroborare &c; zie daer van bij 't vorige STAND, en by 't volgende STRYK, in deze Proeve.

 

STÉRN, in Stérne, stella & frons equi; Gestérnte, sidera; Stérnsel, hypochysis; Stérnlóós, effrons; Sternriem, frontale equi; &c, zie bij STAND, in deze Proeve.

 

STÉRT, in Stért, cauda &c;en † Stértel, ligula; zie bij STAND, in deze Proeve.

De Wortel-deelen.

STÈRV of STÉRF, &c, in ons STÉRVEN, STIERF en STORF en STURF ook † STARF (in Plur: Indic: & in Sing: & Plur: Subj: V voor F), GESTORVEN, IV. CL: 3, mori, obire mortem; en Af-stérven, IV. CL: 3, demori; Bestérven, IV. CL: 3, emori; Bestérven in 't aengezicht, pallescere instar mortui; Bestérven, vigorem perdere; & indurescere; en Verstérven, IV. CL: 3, demori, intermori, interire, & obvenire lege & ab intestato alicujus morte; F-TH, sterban (stervan en ir-sterban) / starb AL: starp (in Subj: sturbu) / gistorban / II. CL: 4, mori. A-S, steorfan (styrfan) / stearf (in Subj: sturfe) / storfen / II. CL: 4, mori, caedere, laedere; H-D, sterben / starb (in Subj: stürbe) / gestorben / III. CL: 2, mori.

 

Het Wortel-deel STERF hebben we in ons Stérf-dag, m: dies obitûs; en Stérf-huis, n: domus feralis; waer van de spreekwijze Het stérf-huis aenvaerden, adire haereditatem defuncti; alzoo men hier door, volgens regten, in de schulden van den verstorven' boedel overtreed; dog by aldien de Erfgenaem daer toe geene lust heeft, is hy gehouden, met een verzoek aen den Regter des-

[p. 437]origineel

wegen, zig te dekken, of Het érfhuis met den voet te stooten, renuntiare bonis defuncti; wijders ons Stérfte, f: morbus epidemicus; lues, pestis, contagium; en Stérf-put, m: puteus, in quo aqua perit, exsiccaeturque; en A-S, steorfa / caedes, clades; en met V, ons Stérveling, m: homo mortalis; enz.

 

Tot het Praet: Part: Aenbestorven goed, bona haereditaria; Verstorven goed, bona per mortem propinquorum ad aliquem devoluta; en Verstorven wyn, vappa; enz.

De Zaek- en Wortel-deelen.

STEUN, in Steunen, inniti, fulcire; zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

STEUR, in Steuren, turbare, irritare; Steurkrabbe, locusta; Steur, accipenser; en † Steur, tributum; zie daer van by STAND, in deze Pr.

STI.

STICH of STIG en STIGT, in † Stichel, gradus; Stigt, Gestigt, structura; & tr: monasterium; & ecclesia cathedralis, & Episcopi jurisdictio; en Stigten, struere, aedificare; & constituere, moliri; Brand-stigten, ignem inferre; en Stigten, virtutem propagare; zie daer van bij 't volgende STYG, in deze Pr.

 

STIEF, in Stief, rigidus, durus; en Stief-vader, vitricus; &c, zie daer van by STYV, in deze Pr.

 

STIER, in Stier, taurus; & gubernaculum; & olim tributum; Stierik, junix; en Stieren, gubernare; agere, ducere; instigare; conferre, tribuere; en Stier-boord, dextra navigii; enz; by STAND, in deze Pr.

 

STIERF, het Praeter:, by 't vorige STÉRV, in deze Proeve.

 

STIET, in † Stiet-béén, ossacrum; Stiet-reim, postilena; bij 't volgende STÓÓT, in deze Proeve.

 

STIF, in Stifje, Stift, virgulametallica; by 't volg: STYV, in deze Pr.

 

STIG, zie 't vorige STICH; als mede STIG, in de II. Proeve.

 

STIGT, zie 't vorige STICH.

 

STYF, by 't volgende STYV, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

STYG enz:, in ons STYGEN, STEEG (oul: in Sing: ook † STEIG en † STééG), GESTEGEN, II. CL: 1, scandere, elevare; Op-stygen, II. CL: 1, ascendere; Af-of Neder-stygen, II. CL: 1, descendere;M-G, steigan en ga-steigan / staig (in Subj: stigau) / stigans / II. CL: 1, scandere. F-TH, stiigan of stigan / steig (in Subj: stigi) / gestigan / II. CL: 1, scandere; en nidar-stigan / II. CL: 1, descendere; A-S, stigan en gestigan / stag (in Subj: stige) / stigen / III. CL: 1, scandere, ascendzre; & descendere; H-D, steigen / stieg / gestiegen / II. CL: 1, scandere; Ysl: styga / steig / en stie / en volgens de andren van die Class: in Praet: Part: stigenn / II. CL: 1, pede premere. Het Yslandsche vervat eene gevoeglijke grondbeteekenis, vermits betreklijk zo wel op 't nederwaertsche als 't opgaende, 't gene beiden in het A-S, en ook in eenige volgende takken word aengeduid. Als men op ons oude † Tygen, II. CL: 1, tendere, vergere, procedere, en tevens op de menigvuldige voorwerping van S denkt, zou men byna vermoeden mogen, of niet daer uit wel-eer dit ons Stygen, II. CL: 1, gevormt geweest zy.

 

Tot STYG, niet alleen ons Op-styging, f: ascensio; & tr: strangulatus uteri; maer ook † Styg, acclivis; † Styge, f: A-S, stiga / stige / semita, trames, & gradus; en † Styge, wéér-ooge, hordeolum, exiguum tuberculum in palpebris aut circa oculos; om de hoogte en opzwelling; en † Stygel, en † Stichel, A-S, stigele / stighel / en AL:

[p. 438]origineel

stiaghel / scala, gradus; en ons Styg-beugel, m: stapia; en ook † Styg en † Steeg, numerus vicenarius; als Een styg of Een steeg eyeren, vicena ova; als een bequame en aerdige opstapeling van 3 lagen eijeren, om te koop uitgewinkelt te worden; want op 3 aeneengevoegde regels eijeren, yder van 4 stuks (makende te zamen 12, voor de onderste lage), kan men opstapelen 6 andedere eijeren voor de tweede lage, en op die 6 wederom niet meer als twee anderen voor de derde en hoogste lage; dat is alzo te zamen net twintig in de gantsche Styg of opstapeling. Nog ook A-S, stigul / paxillus; een staek of pael; zijnde van dezen tak ontleent, vermits hy steil overeinde word opgericht; en dus kan ook, onder eene wegsmelting van GE, uit ons † Stygel gevormt geweest zijn, ons Styl, m: postis, pila, columna, stipes, scapus, adminiculum; dog ons Styl, m: stylus, forma, modus, character, vena scribendi, dicendi, ritus, usus, zoude ik aenzien voor een kind van 't Latijnsche stylus. Voorts agter het ingekorte Stich of Stig de uitgang T gevoegt zijnde, zo komt hier uit ons Sticht, n: Gestigt, n: structura domus &c; niet een lage boerenhut, het gewoone Land-verblijf onzer oude Voorouderen, maer in tegendeel een groot en hoog bouw-gestel, 't zy Kloostren, Kerk of Hof &c, dat met steigeringen gemaekt, of van meer als eene verdieping is; waer van verder ons Stigten, I. CL: struere, aedificare; en overdragtelijk, om den werkelijken toestel, ons Stigten, constituere, moliri, condere; waer toe ook Brand-stigten, I. CL: incendia moliri, ignem inferre. Maer, gelijk men, met het voortplanten van het Kristendom in deze en andere Landen, veelal toeleide, om zware geestelijke gebouwen op te regten, en sommigen van die met voorregten beschonk, waer toe het A-S, stihtian en stihtigan / I. CL: destinare, & dispensare, zo kregen deze geestelijke gebouwen ook den naem van een Stigt, Gestigt, n: monasterium, ecclesia cathedralis; & transl: Episcopatus; & Episcopi jurisdictio; zulks dat ook het Bisschoppelijke oppergebied, gelijk bij die van Utrecht, Het sticht genaemt is: En, overmits deze gebouwen, uit een gemoedelijk inzicht, of op een goed voorwendsel van voorplantinge van Godsdienst en Deugd, gestigt zijn, zo gaf dit rede tot ons overdragtelijke Stigten, I. CL: virtutem propagare, proponere exemplum probitatis imitandae, AEdificare apud Ecclesiasticos; waer toe mede ons Stigtelyk, † Gestigtig, probus, modestus, gravis. De Hoog-Duitschers hebben in dit alles stift / en stiften / I. CL:, of dit nu van een Dialect-verloop van ift voor IGT zy, dan of dit hare van Styven zy gesproten, komt my twijffelagtig te voren, hoewel ik meest tot het eerste overhelle.

 

Het Zakelijke deel van het oude Praeter: met EI en éé, vertoont zig in ons † Steig, † Stéég, acclivis; & gradus, trabs; M-G, staiga / F, via, platea, semita, ascendens vel descendens; F-TH, steyga / F. trabs; H-D, steig / M, en steg / semita, gradus, pns; waer van ons VerbumSteigen, † Steegen, I. CL: elevare, in altum tollere, ascendere, conscendere; en waer toe ons † Steegel, praecipitium, & semita ascendens; en † Steeger, nu Steiger, m: A-S, staeger / Angl: stayre / scala, gradus, tollenon; waer van wederom ons Verbum Steigeren, I. CL: F-TH, steigeran / I. CL: H-D, steigern / I. CL: ascendere, in altum elevare; pegmata facere; & augere pretium; en gelijk men de rivier-wateren doet steigeren, als men haren loop stuit of opstopt, of, gelijk men steiger-werk daer toe van nooden heeft, zo behoort mede hier toe ons † Steigen, Steigeren het water, I. CL: sistare aquas, stagnare, aquam cataractis cohibere. Voorts ons † Steigig, † Steigel, nu contr: Steil, H-D, steil / sursum, praeceps, acclivus; waer van ons † Steilen, I. CL: H-D, steilen / I. CL: erigere, elevare; A-S, staelan / I. CL: elevare; en met den uitgang TE, ons Steilte, f: praecipitium.

 

Tot het Zakelijke deel van het hedendaegsche Praeter: met de zagte E, ons Stege, Steeg, f: F-TH, en A-S, stiga / stige / Kimbr: en Ysl: stiga / H-D, stiege / F. angiportus, viculus, semita, trames ascendens vel descendens, conducens ad aggerem vel ripam &c; over ons hier uit gesprotene spreekwoord van Geene stegen voor straten te kénnen, dat eenen plompaerd afschildert, heb-

[p. 439]origineel

ben we in onze Bylage No. 3 by de I. Regel wegens de zagte lange E, gesproken, te breed om alhier anderwerf herhaelt te worden. Van Steeg nu komt ons † Stegen, I. CL: scandere; en daer van Stegel, A-S, stigul / fulcrum, paxillum; en Steger, A-S, stegher en stigel / gradus; waer toe ons Stegel-réép, m: A-S, stige-rapa / stapia; en Stege, Steeg, ook † Styg, numerus vicenarius; hier voor by ons † Styg reets uitgelegt.

 

Eindeling met A, volgens het A-S, Praeter: vertoonen zig ons † Stagie, of na de bastert-uitspraek † Staedzie, steigering, contignatio, pegma, unde Gall: estage, Angl: stage; en ons Staggeren, Staggelen, I. CL: H-D, stagglen / I. CL: Angl: stager / vacillare pedibus, titubare; als waggelend en onzeker staen, gelijk die genen, welken iets steils beklimmen; hoewel ook dezen met STA bij 't Wortel-deel STAND konnen betrokken worden, vermits in zijn voortgang zig stil houdende, uit vreeze van te vallen; of anders mede tot het Wortel-deel STIG, dat we bij de II. Proeve zullen verhandelen.

Het Zakelijke Deel.

† STYN, zie in de II. Proeve.

Het Wortel-deel.

STYV of STYF, &c, in ons STYVEN, STEEF (In Subj: STEVE), GESTEVEN, II. CL: 1, firmare, intendere, firmum reddere; & rigescere, firmum fieri; & intendi, & amylo linteum subigere.

 

Tot het Wortel-deel STYV of STYF, of contr: STIF, ons Styf, A-S, stife / rigidus, durus, obstinatus; en Styf van góud, squalens auro, rigens & densus auro; waer van ons Styven, I. CL: A-S, stifian / I. CL: H-D, steifen / I. CL: rigere, intendere, rigidum facere; & firmare, corroborare; & tr: argumentis probare; en Verstyven, I. CL: rigescere, obdurescere; en ons Styfsel, n: H-D, steifsel / N. amylon; Ysl: stifur / stifar-legur / validus; en H-D, stiffer / M, assula parieti affixa ad corroborandum; en ons Stift, m: of f: en Stiftje, n: virgula metallica ad firmandam aliquam rem applicata; en AL: Chi-stiftan / I. CL: stabilire. De Vlaemsche Dialect heeft ook Stief, en 't H-D, stief / rigidus, durus; waer toe ons † Bestieven, I. CL: densum ac rigidum esse, squalere; en waer toe ons Stief-boorig, terebrae resistens; & tr: durus, obstinatus, pertinax; met welke Dialect overeenkomt ons Stief-vader, H-D, stief-vatter / A-S, steop-faeder / M. Angl: step-father / vitricus; Stief-moeder, H-D, stief-mutter / A-S, steop-moder / F. Angl: step-mother / noverca; Stief-zoon, H-D, stief-son / A-S, steop-sunu / M. privignus; Stief-dógter, H-D, stief-cochter / A-S, steop-dohter / F, privigna; Stief-broeder, m: uterinus frater, frater ex altero parente; en Stief-kind, n: A-S, steop-cild / pupillus. 'T is wel waer, dat het gemeene menschelijke gebrek, namelijk eensdeels de onkunde, en anderdeels de onmatige drift van eigen belang, doorgaends een wederzijds vooroordeel, hardigheid, en onmin baert tusschen aengehouwde kinderen en ouders, waerop het versje van Virgilius zinnespeelt, als hy zeit, est mihi namque domi pater & injusta Noverca; egter twijffel ik, of dit Stief niet alzoo min van de strakke styvigheid, als wel van 't stevig ondersteunen van 't huishouden ontleent zy geweest, vermits de ouderen doorgaends zulk een als het ware oogmerk voorwenden, wanneer ze, in 't ondergaen van een tweede houwelijk, zig ten opzigte hunner voorkinders willen verantwoorden.

 

Het Zakelijke deel van het Praeter: vertoont zig in het A-S, stef / staef / staf / steaffe en staffe / bacullus, scipio, & litera; by ons † Steve, † Stéf, en in den A-S, Dialect met A, ons Staf, m: en f: Ysl: staffur / H-D, stab / M, Angl: staffe / baculus, scipio, fustis; vermits tot stevigheid gebruikt, en ons Staef, m: en Stave, f: fustis, stipes, baculus & bacillum ferreum; en Hérders-staf, m: pedum, pastoralis baculus; en Staf-zwéérd, n: moordpriem, sica, dolon; als bedektelijk in een wandelstok ver-

[p. 440]origineel

borgen; en nog mede, om de stevigheid, ons Staef, Boek-stave, f: H-D, buch-stab / M. virgula impressoria; & tr: littere impressa; komende wijders van Stave, stipes; ons Staven, I. CL: figere, pangere, statuere; en Veur-staven, I. CL: praeire verbis, dictare, suggerere; en Den ééd staven, I. CL: juramentum quàm strictissimè affirmare; en Ton-staven, asserculi dolii. Egter schijnen ook dezen, volgens onze vorige aenwijzing, met gelijk regt, tot het Wortel-deel STAND betrekkelijk te zijn. Dog wederkeerende tot de takken met E, vinden we daer toe ons Steven van den ploeg; manica aratri, unde Hisp: esteva; als tot stevigheid om hem te bestieren; en Steven van 't schip, Ysl: staffn / M, als Voor-steven, m: prora; en Agter-steven, m: puppis; alzoo aldaer de schepen op het allerstevigst moeten verbonden worden: eindeling ons Stevel, m: en f: H-D, stiefel / M, ocrea; om derzelver stevigheid; en ons Stevig, firmus; en zoo voort.

De Zaek- of Wortel-deelen.

STIK, in † Stik-blind, percaecus; en 't Friesche Stikkel, stimulus aculeus; en † Stikken, pungere, figere, stimulare; & farcire; & cumulare; en Stikken, acu pingere; & suffocare; en † Stik, punctus; en Stik, frustum; en 't Vriesche Stik, Stiksel, peplum, vitta puellaris; en ons Stiksel, Stik-wérk, opus plumarium; en zoo voort, zie daer van bij STEEK, in deze Pr:

 

STIL, in Stil, quietus, tranquillus, modestus; & tacitus; en Stillen, sedare; en Stille, latrina; en Stille-vegen, latrinas purgare; enz. zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

† STIM, in † Stimmen, firmum reddere, & constituere, componere; & consuere oram calcei; en † Stimsel, ora sive limbus calcei; zie daer van by STAND, in deze Proeve.

 

STING, in 't Vlaemsche Stinge, stipes, pertica; zie bij STING, in de II. Pr. dog van een ander Sting het Straettaelsche Praeter: van Staen, zie ten einde van de verhandeling van 't Wortel-deel STAND, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

STINK, &c, in ons STINKEN, STONK (oul: mede in Sing: STANK), GESTONKEN, II. CL: 1, foetere, putere; & olim Olere, tam benè quam malè; ut & apud Latinos olim Olere ejusdem significationis, F-TH, stincan / stanc (in Subj: stunki) / gestunkan / II. CL: 3, olere suaviter. A-S,stincan en stencan / stanc (in Subj: stunce) / stoncen / II. CL: 2, exhalare; spargere; olere, olfacere; suffire; Angl: to stink / stank en stunk / putere. H-D, stinken / stank en stunk / gestunken / III. CL: 1, putere. De grondbeteekenis is in het A-S axonische vervat, naemelijk het uitwerpen van reukdampen, en daer van de oude zin, zo van wel als qualyk ruiken. Sedert is, by 't H-D, en by Ons, alleen de laetste zin in gebruik gebleven, terwijl by 't F-TH, doorgaends de eerste zig vertoont.

 

Tot STINK, of het Wortel-deel van het Praesens, het A-S, stince / stenc en stencg / odor, olfactus; & nardus; & foetor; en 't Engelsche stink / odor gravis; en ons Stinkerd, m: homo foetidus; en zoo voort nog eenige anderen, die geene beschrijvinge verdienen, vermits hare zin van zelf zig uitlegt; en Stinkvisch, Stinkeling, spiering, apua cobitis; & tr: homo foetidus.

 

Tot het oude Praeter: ons Stank, m: en † Gestank, n: H-D, gestank / M, odor gravis, foetor, putor; & olim odor; F-TH, stank / M, odor suavis; wad-stank / M, vestimentorum odor aromaticus; stank-wurze / aroma; suozes stanches / suaviter, suavis odoris; A-S, gestaencne / odoratus; verder 't H-D, stänker / olidus, foetidus; waer van het H-D, stänkern / stenkern / I. CL: mali odoris esse; & tr: altercari, affectare rixas; deze overdragtelijke zin van 't H-D, drukt niet onaerdig uit de lastigheid dier menschen,

[p. 441]origineel

die overal moeite rokkenen, en, volgens onze spreekwijze daer toe, met Stank scheiden, verder het H-D, auszstänkern / I. CL: subodorari aliquid, pervestigare; by ons uitsnuffelen genaemt, waer toe het H-D, stänker / stenker / en ausz-stänkerer / indagator.

De Zaek- of Wortel-deelen.

STIP, in † Stip, gradus, passus &c;; † Stippen, progredi, vestigium figere; en Stip, Stippel, punctus; Stip-tuin, sepes ex palis vel virgis crebris terrae immissis; Stipstappen, lamellis aquas quatere; Stippen, pungere; stipitibus vel punctis intersepire; & acu pingere; Stippelen, pundis decernere; & variegars; en Instippen, intingere; en 't Vriesche Stippe, panis juri intinctus; & condimentum intinctûs; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Pr.

 

STIRN, in † Stirne, frons equi vel bovis; zie daer van bij STAND, in deze Pr.

STO.

STOEY, in Stoeyen, lascivire; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Pr.

 

STOEL, in Stoel, sedes &c; enz: zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Proeve.

 

STOEP, in Stoep, Stoep-bank, exedra; † Stoepen, sidere, subsidere, sedere; en † Stoepe, verber, castigatio; en Stoepen, quatere, concutere, en † Stoepen, cutem capitis unà cum capillis abstrahere reo; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Proeve.

 

STOET, in Stoet, pompa; en Paerdestoetery, equorum seminarium; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Proeve.

 

STÓF, in Stóf, pulvis; lana brevis; & materia rerum; en Stóffen, pulverem abstergere; jactare; & farcire; en Stóffen, textura serica vel lanea; en Stóffèren, instruere, concinnare; zie daer van bij STUIV, in deze Proeve..

 

STOG, in Stog, austerus, nulla ratione motus; zie daer van bij STAND, in deze, en bij † STIG, in de II. Pr.

 

STÓK, in † Stók, framea, sica, ensis; Stókkade, sica; en Stók stipes, baculus; scipio; truncus; statua, cippus; stirps stemma; Stók-légging, investitura fuste; Wyn-stók, vitis propago; & vitis; Stók-visch, asellus arefactus; Stók-hóuder, praeco auctionarius; Stók-beeld, simulacrum ex trunco; Stók-goederen, bona avita; Stók-bewaerder, phylacista; en zoo voort nog vele anderen, zie bij STEEK, in deze Pr.

 

STÓL, in Stólle, cuniculus subterraneus; Stóllen dryven, cuniculos agere; en Stólle, frustum, pars; en Stóllen, concrescere, coire in densitatem; zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

STÓLK, in Stólkeren, concrescere, coire in densitatem; zie daer van by STAND, in deze Proeve.

 

STÓLP, in Stólp, tignum, operculum, & turbo focarius; en Stólpen, Bestólpen, tegere, operire; enz. zie daer van by STAND, in deze Pr.

 

STÓLT, in † Stólt, audax; zie by STAND, in deze Proeve.

 

STOM, in Stom, mutus, elinguis; Stomme zonde, peccatum sodomiticum; Verstommen, obmutescere, &c; Stom, vinum in primis effervescentiis sulphure suffocatum; Stommelen, fragorem edere, inquietum esse; zie daer van by STAND, in deze Proeve.

 

STOMP, in Stomp, truncus, caudex; & junctura manus; & membrum mutilatum; en 't Adject: Stomp, hebes, obtusus; Stompen, hebetare; & truncare; † Bestompen, fallere incautum; Stompe-

[p. 442]origineel

len, senium instar procedere; enz. zie daer van by STAND, in deze Pr.

 

STOND, in Stond het Praeter: van Staen, en in Stond, olim vice, nunc momentum, spatium temporis, & hora; Terstond, illicò; Avendstond, vespera suprema, Bede-stonde, hora precationum publicarum; Maend-stonden, menstrua; en † Stondig, opportunus; &c, by STAND, in deze Pr.

 

STONG, het Straet-Dialectische Praeter: van Staen, zie daer van ten einde van de verhandeling van STAND, in deze I. Proeve.

 

STONK, in Stonk, Gestonken, zie bij STINK, in deze Pr.

 

STOOF, in Stoof het Praeter: van Stuiven, en in Stoof-liggende kote, talus pronus; en Stoof, AEthranon; zie daer van bij STUIV, in deze Pr.

 

STOOK, in † Stoke, stimulus, stipes; Stoken, instigare, stimulare; & addere faces; Bestoken,impetere, oppugnare; † Uit-stoken, eradicare; Tande-stoker, dentiscalpium; en Deur-stoken wérk, opus machinatum; by STEEK, in deze Proeve.

 

STOOL, in Gestolen, bij het Wortel-deel STEEL, in deze Pr.

 

† STOON, in † Stonen, inniti, fulcire; zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

STOOR of STÓÓR, in Storen, Stooren, turbare, irritare; zie daer van by STAND, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

STÓÓT, &c, in ons STOOTEN, STIET, GESTOOTEN, III. CL: 6, trudere, pinsere, tundere; illidere, & offendere; H-D, stoffen / stiefz / gestoffen / IV. CL: 3, trudere. Ook vind ik by 't M-G, stautan / percutere, verberare; dog, by gebrek van voorbeelden, bleef ik onzeker, van welke Classis het zy: voorts ons † Stooten in 't hóofd, persuadere; en † Uit den hóófde stooten, dehortari; en Verstooten, Wégstooten, III. CL: 6, detrudere, repellere, proculcare; en Voord-stooten, III. CL: 6, protrudere, & incitare.

 

Uit het Wortel-deel van het Praesens ons Stóót, m: H-D, stosz / M. pulsus, ictus, quassus; en Aen-stóót, m: offendiculum, & scandalum; en Stootig, cornupeta, petulcus; en Stooter, m: stamper, H-D, stösser en stössel / tudes, pistillum; en ons Stóót-hóófden, Stóót-bóllen, I. CL: arietare; & caput jactare instar arieti; en Stóót-hóófdig, pertinax; en 't Brab: Stóót-ballen, schoenophelinda; een kinderspel, by sommigen ook kop kop heeft gelegt, en by ons ey kokkerey genaemt, waer by een omlooper onverwagt een bal of doek of iet anders agter ymand van den kring nederwerpt, welke, zo hy 't niet vermerkt eer de omlooper voor de tweede reis by hem komt, een stoot krijgt, en in zijn plaets moet omloopen. Voorts Sax. Stoót-valk, accipiter pernix, praedam adverso pectore concutens; en Stooter, m: springhengst, equus admissarius; en, vermits men van ouds doorgaends beesten op het geld stempelde, en van die den munt-naem ontleende, zo vermoede ik, dat ons geldstuk Stooter, m: tetrobolus, nummus argenteus duobus stuferis & medio aestimatus, voormaels met eenen hengst bestempelt zal geweest zijn. Voorts AL: stoziser / propugnaculum; als 't gene den aenstoot moet uitstaen.

 

Tot het Praeter: Stiet, schijnt my te behooren ons † Stiete, ook † Stuete, en nu meest Stuite, uropygium, extrema pars spinae in sacrum os desinentis; om de uitstekende puntigheid, en smertelijken aenstoot, als men daer op valt; waer toe ons † Stiet- of Stuit-béén, n: os sacrum; als aen de stuit gehegt; en † Stiet- of Stuit-riem, m: postilena; en transl: Stuite, Stoete, Sax: en Fris: strena cerealis; & panis triticeus quadratus; & Fland: panis butyro illitus; als stuitvormig van punten. Maer, dat ook hier U en

[p. 443]origineel

UI, in stêe van dit IE komen, zulks schijnt mij eerder uit een verloop, dan uit een wettige Dialect-verandering gesproten te zijn; vermits de IE, welke by de Praeterita van de Verba dezer Classis komt, by sommigen wel in OE of O verwandelt, maer niet in UI: dog, dewijl de Ongelijkvl: Verba van de II. CL: op IE en UI gelijkstammig zijn, zo vermoede ik, dat dus by verloop het eene voor 't andere ingeschoten is: het welk, zo het waer is, dan ook verder oplossinge zou konnen geven van ons Stuit, m: repulsus; als by een wederstootinge der beweging of verhindering van haren voortgang; waer van weder ons Stuiten, I. CL: repellere, impedire, avertere, & olim incutere. Die genen, welke meenen mogten, dat Stuiten van Stee-uiten komt, en daerom Steuiten schrijven, dunkt mij, nemen den aert onzer woord-koppeling, nogte de kragt der beteekenis niet wel in overweging, alzoo dan onze accent op Stee, en niet op Uit, moest vallen, gelijk nu geschied; daerenboven is de gemeenste zin niet iets verplaetsen, of uit zyn stêe zetten, dog in tegendeel iet ophouden in of by zyn plaets van ontmoeting. Dog overdragtelijk, gelijk de beweging, wanneer ze door of op een veerkragtig of wederspringend lichaem geschied, eene weder-afstootinge ontfangt, zo mede hier van, ons Stuiten, Wederstuiten, I. CL: resilire; waer toe ons Stuiter, m: globulus lapideus resiliendo aptus, quo pueri utuntur, ludentes cum talibus oviltis. Gelijk ook, als opzigt hebbende op het kaets-spel, waer bij een niet-afstuitende bal voor quaed word gekeurt, onze spreekwijze van Niet stuiten, I. CL: nihil valere; & tr: mali moris esse; dus zeit men van menschen van een ongeregelden wandel, dat ze niet veel stuiten. En, gelijk alle woorden-zwetsery en trotse verwaende gebaerden en opschik aenstootelijk zijn, zo schijnt hier op te zinnespelen ons † Stuiten, I. CL: jactitare, ostentare; en † Stuit-vós, m: jactator dolosus; en 't H-D, stotzen en stutzen / I. CL: magnificè incedere, splendidè vestitum esse; en nah-stutzen / I. CL: emulari superbiam alicujus, en ons † Stuiter, m: thraso, grandiloquus; en H-D, stutzer / M. offensans.

De Zaek- en Wortel-deelen.

STOOV, in Stove, Gestoven, verbuigsels van Stuiven, en in † Stove, projectura; † Stoven, prosternere in terram; Stovende koot, talus pronus; Stove, hypocaustum; & AEthranon; en Stoven, fovere; vaporare; suffire; en Bestoven, pulverulentus; & ebriolus; zie by STUIV, in deze Pr.

 

STÓP, in Stóppen, sistere, stipare; Stóppe, stupa; Stóppel, stipula &c; Stóppel-rapen, rapae quae post messem seruntur; Stóppel-veder, penna sanguinea; Stóppel-hairen, prima lanugo capillorum; en Stóppelen, primas emittere pennas; zie daer van by STAND, hier voor in deze Pr.

 

STOR, in Stor, rigidus; zie daer van by STAND, in deze Pr.

 

STORF het Praet: zie by STÉRF, in deze Proeve.

 

STÓRK, in Stórk, ciconia; en Stórkelen, concrescere, coagulari; zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

STÓRM, in Stórm, strepitus, impetus, tempestas &c; enz. zie daer van by STAND, in deze Pr.

 

STORV, in Storve, Gestorven, in deze Proeve by STERV; en in 't Geld: Storvig, rigidus, by STAND, in deze Proeve.

 

STÓUT, &c. zie bij STAND, in deze Pr.

STR.

STRAEL, in Strael, radius; & olim jaculum; Stralen, radiare; & olim jaculari; en 't Vlaemsche Strale, spiculum, stimulus aculeus; & crabro; & pecten; en Stralen, stimulo pungere; & pectere; & palpare; zie daer van

[p. 444]origineel

bij 't volgende STRYK, in deze Pr.

 

† STRAEV, in † Straven, paena afficere; zie daer van bij 't volgende STRYD, in deze Proeve.

 

STRAF, in Straf, rigidus; Straffen, poena afficere; enz. zie daer van bij STRYD, in deze Pr.

 

STRAK, in Strak, rigidus, strictus; † Strakken, tendere; Straks, olim recta via; nunc statim, é vestigio; zie daer van by STRYK, en by TREK, in deze Pr.

 

STRAND, in Strand, acta, littoris ora; en Stranden, appellere ad littoris oram; & facere naufragium; zie daer van bij RIND, in de II. Proeve.

 

STRANG, in † Strang, arctus, strictus; & nervus, funis; & brachium maris vel fluvii; † Strangen, appellere ad oram maris; & facere naufragium; en Strangulèren, suffocare, faucibus premi; zie daer van bij STRENG, in de II. Proeve.

 

STREED, by 't volgende STRYD, in deze Proeve.

 

STREEK, in Streek, Streke, tractus, motus linealis; actus vel dictio ambiguitate decipiens; linea; via; plaga; regio; stria, vibex; Strekel, hosturium; Strekelen, leviter tangere; en Verstreken tyd, tempus perfluxum; zie by 't volgende STRYK, in deze Pr.

 

STRÉÉK, in Streekel, hostorium, radius; zie daer van bij STRYK, in deze Proeve.

 

STRÉÉL, in Stréél, hostorium, radius; & olim linea, fulmen, & oculorum acies; Streele, pecten; & antiae; en Streelen, pectere; palpare; & adulari; zie daer van by 't volgende STRYK, in deze Proeve.

 

STREEN, in Strene garens, spira filacea; zie daer van bij STRENG, in de II. Proeve.

 

STREEP, in Strepe,en Strepen, zie daer van by RYV, in deze Pr.

 

STREEV, in Streven, moliri, contendere, certare; zie daer van by 't volg: STRYD, in deze Pr.

 

† STREIL, in † Streil, radius, linea; en Streilen, mejere; zie daer van bij 't volg: STRYK, in deze Pr.

 

STRÉK, in † Strék, tractus; en Strékken, tendere, extendere; en † Strék, rigidus, strictaus; by STRYK, en TREK, in deze Pr.

 

STRÉNG, in Stréng, arctus, strictus; Ed: gestrénge heeren, strenuissimi Domini; Stréng récht, summum jus; Strénge kóude, frigus intensum; Strénge, funis, nervus, chorda, larum; Stréngen, stringere; Stréngel, catharrus equorum; & funis contextus; en Stréngelen, contexere nervos; by STRENG, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

STRYD en STRY &c, in ons STRYDEN (en STRYËN), STREED, GESTREDEN, II. CL: 1, certare, contendere, & disceptare; en Op-stryden en Overstryden, II. CL: 1., persuadere multis verbis, quin invito ac nolenti; H-D, streitten/ stritt/ gestritten / II. CL: 1, contendere, certare, disceptare; Angl: stride / certare. Dog A-S, gestridan / gestrad / gestriden / III. CL: 1, varicare; en Angl: stride / varicare. Deze A-S, en Engelsche zin schijnt my dat zijne betrekking heeft op het uitsperren der beenen by het strijden te paerd, of by het schermen met handgeweer: immers dat hy overdragtelijk is, blijkt uit de volgende takken.

 

Tot het Praef: ons Stryd, m: A-S, strith / strithe / Ysl: stryd / N. H-D, streitt / M.

[p. 445]origineel

Angl: striffe / lis, pugna, certamen, acies, bellum; AL: striiti / sectae; en A-S, strithlice / districtò; en AL: ein-stritii / contumacia; en AL: ein-stritter / contumax, obstinatus; en Ysl: strydur / intensus; en A-S, strydere / direptor; en uit het Praet: het Ysl: streittux / arduus, rebellis.

 

By aflatinge van de versmelt-D, veranderen onze Wortel- en Zaek-deelen uit het Praes: tot STRY, en uit Praeter: tot STREE, of volgens den A-S,trant met a of ae / tot STRAE, gelijk ook A-S, straede / passus; en by dezen wederom de uitgang F of V gevoegt zijnde, vind men hier uit het bovengenoemde Angl: strive en striffe / voor ons Stryden en Stryd. Welke verandering zig mede, zo 't my toeschijnt, vertoont in ons † Streve, conatus; als eene yver en strijd in eenige betragting; waer van weder ons Streven, I. CL: of met a / het H-D, straeben / I: CL: en Angl: strive/ striffe / niti, moliri, contendere, certare; unde & Hispan: estribar, & Gall: estriver; en Wederstreven, I. CL: obniti; en ons † Streven, I. CL: simul deambulare; gelijk de krijgslieden die op een zelfden togt uit-zijn. Maer gelijk de A zig reeds by 't H-D, vertoont heeft, zo laet zig die verder ook hooren by ons Straf, H-D, straf / rigidus, durus, asper, immitis, inclemens, tetricus, austerus; even gelijk de strijdenden gewoon zijn elkander te handelen; waer van ons Straffen, ook † Straven, I. CL: H-D, straffen / I. CL: paena assicere, plectere, vindicare, & castigare; en Bestraffen, I CL: H-D, straffen / I. CL: arguere, objurgare; en waer toe verder ons Straffe, f: H-D, strafe / F. supplicium, vindicta, paena.

Het Wortel-deel.

STRYK, &c, in ons STRYKEN, STREEK, GESTREKEN, II. CL: 1, stringere, palpare, collinere; remittere, relaxare; considere; praecipitare; & tendere,vergere; Gaen stryken, abire, discedere; † Overstryken, II. CL: 1, praeterlabi, met een Praepos: insep: en in Praet: Part:Overstreken; dog óver-stryken, II. CL: 1, oblinere, met een Praep: separ: en in Praet: Part: Over gestreken; en Uitstryken, II. CL: 1, extergere, elimare, polire; & tr: depingere; & illudere, fucare; en Verstryken, II. CL: 1, relinire; & abire, perfluere; benessens de verdere Composita. De grondbereekenis agt ik te zijn een zeer gelijkvloeyende beweging maken. F-TH, strichan / streich (in Subj: striche) / gestrichan / II. CL: 1, tendere, & ire; en thurchstrichan / II. CL: 1 pertransire. A-S, strican / strac / stricen / III. CL: 1, tendere, vehi; en a-strican / percutere; even als by onze spreekwijze van Ymand wat af-stryken, II. CL: 1, Ysl: hud-stryka / percutere aliquem; als zinspelende op het geesselen, en de striemen of streken daer uit spruitende; in welken zin van geesselen men ook oulinks al gebruikte † Stryken, II. CL: 1, leviter virgis sive flagris caedere; en Angl: to strike / stroke / stroken / verberare. Dog in 't H-D, streichen / strich / gestrichen / II. CL.: 1, fricare, stringere, palpare, demulcere.

 

Tot STRYK het Wortel-deel van het Praef: of van den Infin: ons † Stryk, m: tractus; & ictus; en † Overstryk, m: praeteritio; en H-D, streich / M. plaga; ictus, percussio; ruten-streich / M, caesio virgarum; en streicher / M, adulator; waer toe mede het H-D, streicheln / I. CL: palpare, demulcere; verder ons † Stryker, Stryk-stók, m: H-D, streicher / M, hostorium, & radius chelydis; en Strykel, roskam, m: H-D, striegel / M, Angl: strikle / strigilis; als om mede te strijken; en Stryk-stéén, m: toets-steen, coticula; als om 'er op te strijken; enStrykkalk, gypsum; vermits deze gemengt en gebruikt word tot glad te strijkene muer-werk; en Stryk-wéér, borst-weer, propugnaculum murorum; als waer over en waer langs men met het schietgeweer strijkt, en † Stryksték, kam van een viool, plectrum; als ten dienste van het snaer-strijken; en 't Vlaemsche Stryk-bédde, akkervoren, lira, regestum; om de voorn-streken; dog waerom Stryk-bloeme, H-D, streich-blum en steinblum / cotula lutea, buphthalmum tenuifolium, eigentlijk dien naem voert, heb ik nog niet konnen gissen.

[p. 446]origineel

Wijders met de ingekorte I, ons † Strik, m: H-D strick / M, tendicula, funis, restis; M-G, striks / M. H-D, strich] / M. A-S, strice / linea, tractus; als eenes streeks, regt en sterk gespannen; en dewijl men ook zulke strikken met knoopen versterkt, zo sproot hier uit ons Strik, m: laqueus, connectio, nodus, & insidiae; waer van ons Strikken, I. CL: H-D, strikken / I. CL: stringere, constringere, nectere, connectere laqueo, nodare; & contexere rete, vittam &c; en Strik-hozen, fasciae, perones, unde Gall: triquehouses; om het toestrikken dezer boerenlaerzen; en Verstrikken, I. CL: obnectere, illaqueare, circumvenire.

 

Tot het Praeter: met E, ons Streek, m: tractus, motus linealis; & tr: actus vel dictio ambiguitate decipiens; gelijk ook H-D, streich / M, fabula; & factum ridiculum; en ons Streke, f: linea, versus; via limes; plaga, regio; en Streke, stria vibex, striga; en 't Vlaemsche en Geld: Strekel, m: hostorium, radius; waer van Strekelen, I. CL: leviter tangere; wijders contr: het Vlaemsche Strék voor ons Strik, laqueus; en † Strék, tractus; en † Overstrék, praeteritio; waer van ons Strékken, I. CL: H-D, strekken / I. CL: Angl: stretche / tendere, extendere, distendere; en † Overstrékken, I. CL: praeterire; en A-S, streccan / I. CL: sternere; en AL: fora se kistrehchit / prosternatur; en fora-ki-strachter / prostratus; en kestrahter / stratus; en Strékken Verstrékken, I. CL: inservire; & extendere, durare; en Strékkelykbróód, panisdurabilis; en Géld verstrékken, I. CL: erogare, expendere, & impendere nummos; en † Vol-strékken, I. CL: exsequi, perficere; in Praet: Part: Volstrékt, absolutus; hoewel ook dit Strékken, onder eene voorwerping van S, met gelijk regt, is af te leiden van ons Trékken, II. CL: 6, trahere, tendere, vergere.

 

Tot het onde Praeter: met ÉÉ, ons Streekel, m: hostorium, radius; en mooglijk mede, by een insmeltinge van twee silben tot één, hier van ons † Stréél, m: strijkstok, hostorium, radius; en † Stréél, † Streil, en volgens de A-S, Dialect met a / ons Strael, m: en f: H-D, stral / M, radius; linea; fulmen; & oculorum acies; vermits regtstreeks voortschietende; waer van ons † Stralen, I. CL: H D, stralen I CL: radiare; en waer toe het A-S, strael / straella / aulaeum stramen; namelijk het vlamstralige tapijt-werk; en ons † Strael, werppijl, A-S, strael / jaculum, sagitta; waer van ons † Stralen, I. CL: A-S, straelian / I. CL: jaculari; en A-S, strael-bora / sagittarius; en, zinspelende op de straelpunten, ook 't Vlaemsche Strale, stimulus aculeus, spiculum; waer van † Stralen, I. CL: stimulo pungere; 't gene meest van de byen of steek-vliegen gezegt word, om het uitschieten van haren angel-strael; waerom ook op 't Oud-Vlaemsch een hommel den naem van † Strale, crabro gevoert heeft: Nog ook Strale, Streele, kam, pecten, strigilis; als dienende om iet af- en effen-te strijken, of anders zinspelende op de straelwijzige tanden eener kam; gelijk ook verder Streele, sluikhaer, antiae; als effen neêrgestreken hangende; waer van wederom ons † Stralen, nu Streelen, I. CL: H-D, strälen / I. CL: pectere; palpare; & adulari; en, als straelwijzig 't water lozende, 't Geld: Streilen, I. CL: mejere. Dog, overmits de uitlatinge of wegsmeltinge van K te zeldsaem is, om die zonder twijffeling in onze Afleidinge toe te laten, zo willen we ook dit gezeide alhier niet verder ais voor eene bedenking doen gelden.

 

Voorts, wederom volledig, en in den zin van regt en sterk gespannen, ons Strak, en † Strék, A-S, straec / strace / H-D, strak / Angl: straight / rigidus, rectus, strictus,& refractarius; en A-S, strece / violentia; en straeclice / districtè; waer van ons † Strakken, I. CL: tendere; en 't Adverb: Straks, H-D, straks / straklich / gestraks / / en strakswegs / olim recta via, directè, nunc tr: è vestigio, statim, quàm primum; en † Gestraks, directè. Dog op de streel-strijking ziet weder het A-S, stracan / stracian / I. CL: demulcere; als doende ymands opgevatte yver en drift strijken.

Maer, vermits A-S, strace / straec en starc en stearc / durus, rigidus, en A-S, streca en streca-mod / violentus, fortis, immo-

[p. 447]origineel

deratus, strictus, & magnanimus, zo kan ook alhier de letterverzetting, die onder ons alleenlijk by de R, zo veel ik weet, te mets plaets grijpt, even als by 't A-S, haer beurt gekregen hebben in ons Stérk, Stark, F-TH, starc / AL: starche / H-D, stark / Ysl: sterkur / strictus, fortis, firmus, durus; validus, potens; vermits de sterkheid, uit de strakheid van wederstand en spanning bespeurt word; waer van weder ons Starken, Stérken, Verstarken, Verstérken, I. CL: F-TH, gestarcon / I. CL: en AL: ge-starachan / I. CL: H-D, stärcken / I CL: corroborare, firmare, confirmare; & hortari, animum addere; waer toe verder ons Stérk op de tong, acris; Stérke wyn grave vinum, temetum; en Stérk water, aqua fortis, constans ex spiritu nitri & chalcantho, cujus vi argentum aliaque varia metalla dissolvuntur; en Stérkte, f: H-D, stärcke / F, vis, fortitudo; & tr: munimentum, arx, agger, & vallum, vulgò Fortressa; en 't H-D, starkelen / I. CL: animare, vegetare. Egter zouden ook deze takken met Stark en Stérk, even als ons vorige Strék, tot ons Trékken, II. CL: 6, mits onder eene voorwerping van S, of anders ook tot ons STAND konnen betrokken worden.

 

Van 't Praeterit: Partic: is ontleent ons Verstreken tyd, ook † Overstreken tyd, tempus perstuxum, praeteritum; enz.

De Zaek- of Wortel-deelen.

† STRYP, in † Strype, stria, striga; zie daer van bij RYV, in deze Pr.

 

STRIK, in Strik, olim funis, restis; nunc connectio, nodus, laqueus; & insidiae; en Strikken, stringere, connectere laqueo; nodare; bij 't vorige STRYK, in deze Proeve.

 

STRING, in † Stringe, funis, restis, chorda; en † Stringen, constringere, arctare; enz. zie daer van bij STRENG, in de II. Proeve.

 

STRIP, in Strip, stria, striga, linea; & litura; zie daer van by RYV, in deze Proeve.

 

† STRONG, zie bij STRÉNG, in de II. Pr.

 

STRONK, in Stronk en Stronkelen, zie daer van bij STRENG, in de II. Pr.

 

STROO of STROOY, in Stroo, Strooy, stramen; en Strooyen, sternere, spargere; zie daer van bij † STRUID, in de II. Proeve.

 

† STROOD, zie STRUID, in de II. Pr.

 

STROOY, zie STROO, hier boven.

 

STRÓÓK, in Stróók, segmentum oblongum; Strooken, abstergere uno tractu; Niet wel strooken, non benè succedere; zie daer van bij STRUIK, in de II. Proeve.

 

STRÓÓP, in Stroopen, deglubere, stringere; zie daer van bij KRUIP, in deze Proeve.

 

STRUI of STRUID, zie in de II. Pr.

 

STRUIK, in Struik, stirps; Struiken, stirpes emittere; Struik-roover, grassator; † Struiksel, offendiculum; en Struikelen, caespitare; zie daer van by STRUIK, in de II. Pr.

 

STRUW, in 't Vlaemsche Struwieren, dispergere, zie daer van by † STRUID, in de II. Pr.

STU.

STUB, in 't Friesche Stubben, pulverem discutere; STUIV, in deze Pr.

 

STUEP, in Stuperen, instigare; zie daer van by STAND, in deze Pr.

 

STUER, in † Stuer, Stuersch, torvus; † Onstuer, mitis; † Stuerkrabbe, locusta; en Stuer gubernaculum; & olim tributum; Stueren, regere, diri-

[p. 448]origineel

gere, agere, ducere; conferre, & olim tribuere; enz: zie daer van by STAND, in de I. Proeve.

 

† STUET, in † Stuete, uropygium; zie daer van bij STÓÓT, in deze Pr.

 

STUG, austerus; zie daer van by STAND, in deze, en by † STIG, in de II. Pr.

 

STUIF, zie STUIV, in deze Pr.

 

STUIK, in Verstuiken, membrum luxare; zie daer van bij STEEK, in deze Proeve.

 

STUIP, in Stuipe, en Stuipen, zie daer van bij STAND, in deze Proeve.

 

STUIT, in Stuiten, repellere; avertere; resilire; & olim jactitare; en de spreekwijze van Niet stuiten, mali moris esse; en † Stuit-vós, † Stuiter, jactator, thraso; en Stuiter, globulus lapideus; zie daer van bij STÓÓT, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

STUIV of STUIF, &c, in ons STUIVEN, STOOF (in Subj: STOVE), GESTOVEN, II. CL: 2, sternere; & pulvetem spargere vel excitare; & olim pronum jacere; deze oude en laetste beteekenis schijnt ontleent te zijn van met de neus in 't stof te liggen. H-D, stieben / stob / gestoben en gestieben / II. CL: 2, pulveris instar dissipari; en ons Bestuiven, II. CL: 2, respergere vel aspergere pulvere; obducere situ pulvereo; en Op-stuiven, II. CL: 2, in altum spargere pulverem; & tr:. verbis invehi in aliquem irato animo; en Verstuiven, II. CL: 2, dispergi pulveris instar; & evanescere.

 

Tot STUIV of STUIF, ons † Stuive, pulvis; en van 't oude † Stuiven, pronum jacere, ons Stuivende of Stoof liggende koot, f: talus pronus; als met den buik in 't stof liggende; en, gelijk bij dit jongers spel om te winnen vereischt word, dat de uitgeworpene koot met den scherpen en hollen rug boven moet liggen, zo schijnt uir de gelijkheid van dezen hol-rug ontleent te zijn het Saxon: Stuive, of holneuzige, resimus. Voorts, tot den gemeenen zin van stof, ons Stuif- of Stóf-haer, n: lanugo; Stuif- en Stóf-meel, n: pollen, farina volatica; Stuif- en Stóf-regen, m: psecas; vermits zo fijn als stof nedervallende. Wijders mooglijk ook Stuiver, m: en f: sestertium, unde vulgó stuferum; zijnde ons kleinste zilvergeld, 't gene van wegen de ligtigheid en 't slegte alloy, volgens Kiliaen, zijnen naem gekregen heeft, vermits veel erger als de andere vorige en ouder munt; zeggende ook dat de Luikenaers in waerde een zwaren stuiver noemen, 't gene de Brabander en wy een halve stuiver heeten; en wederom een lichten stuiver, 't gene bij ons een oortje of een vierde van een stuiver uitmaekt: anderen zijn 'er, die meenen dat Stuiver komt van een zeker jus stauriae, een tol langs den Rhijn (als een last op stuer van yder schip), dog de zulken dienden wel een Dialect- of Euphonie-regel aen te wijzen, hoe stuer by Ons (of in een Allemannische Dialect staur) in Stuiver kan overgaen; ik voor mij ken 'er noggeene, die daer na gelijkt.

 

Dog tot het Praeter: van ons † Stuiven, pronum jacere; & sternere, dejicere in terram; ons † Stove, projectura; waer van ons † Stoven, I. CL: prosternere in terram; zo veel als ymand in het stof werpen: en ons † Stovende of Stoof-liggende koot, talus pronus. Dog, wederom op het stof ziende, ons Stove, f: A-S, stofa / Angl: stuw / / stew / stewe / H-D, stub / hypocaustum, unde vulgò Stuba, & stuva, en Ital: stufa, Hisp: estufa, & Gall: êtuve; als eerstelijk, zo 't mij toeschijnt, aengelegt om allerhande soort van zaken te droogen, en te bequamer tot een fijn stof te maken; maer gelijk die stoofvertrekken ook sedert tot enkele broeijing en verwarminge gebruikt zijn, zo vind men insgelijks dien naem verder toegepast aen allerhande broeijing, 't zy met kacchels, testen en potten, of met heet water, waer van ons Verbum Stoven, I. CL: fovere; & vaporare; & suffire; en waer toe ons Stoof, Stove, f: AEthranon, sedile pedes fowens;

[p. 449]origineel

en Bad-stove, f: balneum; en 't Ysl: stoo / F. focus.

 

Maer ook bij inkrimpinge met de korte Ó, (behalven de reetsgemelde Stóf-haer, Stófmeel, en Stóf-regen) ons † Gestóf, nu Stóf, n: en m: H-D, staub / M. F-TH, stubbe / N, en Fris: stubbe / M-G, stubjus / M, pulvis; waer van ons Stóffen, I. CL: en 't Fri: Stubben, I. CL: pulverem abstergere, detergere; en 't H-D, stauben / I. CL: pulverem excitare; en overdragtelijk ons Stoffen en Poffen, I. CL: jactare, & venditare; als te groot opgevende van eenige zaek, zulks dat die roem, na behoorlijk onderzoek, volgens onze spreekwijze, in stof en rook verdwijnt, en in gelijke zinspeling zeit men ook van ymand, die bezig is met snorken en pocchen, ei zie hoe stuift het boven zyn hoofd. Verder ons Stóffer, m: pulverem abstergens persona; en Stóffer, m: scopulae genus; van het merk waerdige onderscheid van een goed stóffer, en een goede stóffer, hebben we in onze XII. Redewiss: §. VIII. gesproken. Wijders ons Stóffe, Stóf, f: lana brevis, ac minuta; als stof gelijkende, of als stuivende om de ligt- en fijnheid; en vermits deze stof-wol mede tot opvulsel gebruikt word, alzoo hier van ons † Stóffen, I, CL: Angl: stuffe / farcire, confarcire. Nog ook ons Stóffe, Stóf, f: Angl: stuffe / materia, materies; id ex quo aliquid fit; unde Gall: estoffe; als ziende op de fijnste stofdeeltjes, waer uit elk ding bestaet en bijzonder is. Daerenboven geeft men ook aen 't fijne zijdene en wollene weef-werk den naem van Stóffen, textura serica vel lanea; dienende tot opschik van kleeding, of tot behanging van kamers en verder huisraed; waer op toepasselijk is ons bastertstaertige Stóffèren, I. CL: instruere, ornare, concinnare; en daer van weder de spreekwijze van Leugens stóffèren, I. CL: concinnare mendacia. Voorts het H-D, steube / F, farina volatilis; waer van het H-D, steuben / I. CL: pulverem movere, pulverare; en Be-steuben / I. CL: implere pulvere; en vermits de worstelaers louter het stof roeren met de spartelende beenen, zo past overdragtelijk hier op het H-D, steuben / I. CL: luctari, certare; en H-D, met ein ander steuben / I. CL: luctari, colluctari; en verder het Fraequentativum H-D, steuberen / stöberen en steupern / I. CL: projicere, & pulverem decutere; beneffens het H-D, steuber / steuperer / M. canis odorus, sagax; als met de neus langs den grond en het stof snuffelende.

 

Tot het Praeter: Partic: ons Bestoven, H-D, bestoben / pulverulentus; & tr: ebriolus; welk overdragtelijke zinnespeelt op ymand die door 't opstuiven van de wijndampen bevangen is geraekt.

De Zaek- of Wortel-deelen.

STUK, in Stuk, frustum, offa, pars; & res particularis, & factum singulare; en zoo voort, zie daer van by STEEK, in deze Proeve.

 

† STUL, in † Stulle, frustum, pars; zie daer van by STAND, in deze Pr.

 

STULP, in † Stulpe, tignum; & turbo focarius; Boeren-stulp, casa; Stulpen, Overstulpen, tegere, operire; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Proeve.

 

STUMP, in Stumperd, homo obtusus; zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

† STUN, by † STYN, in de II. Proeve.

 

† STUP, in † Stup, gradus, passus; & punctus; en † Stuppen, progredi; zie daer van by STAND, in deze Proeve.

 

STURF, het Praet: zie bij 't vorige STÉRV, in deze Proeve.

 

STURK, in Sturkelen, concrescere; zie daer van bij STAND, in deze Pr.

 

STUT, in Stutten, fulcire, stabilire; en Stut, fulcrum; en † Stutte, equa; en Stutteren, balbutire; zie daer van bij 't vorige STAND, in deze Proeve.

[p. 450]origineel

SUIK, in Suiker, sacharum; en Suikerey, cichorea; zie daer van bij ZUIG, in de I. Proeve.

SUK, in Sukkelen, olim caespitare, nunc, AErumnosè vitam trahere; zie daer van by ZUIG, in deze I. Pr.

 

1718 6/m: