Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 547]origineel

Y, Zoek by I.
Z.

ZA.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ZACH, 't Praet: van Zien; en in Gezach, en Ontzach, auctoritas, reverentia, respectus; metus, timor; by ZICH, in deze Pr.

 

ZAD, in Zad, satur; &c, zie by † ZAD, in de II. Pr.

 

ZAED, in † Zaden, Verzaden, saturare; en Bezadigt, sedatus; &c, by ZAD, in de II. Pr: en in Zaed, semen, & sors; en † Zaden, seminare; &c, by ZAEY, in de II. Proeve.

 

ZAEG, in Zagen, de Plur: van 't Praet: van Zien, en T'zage, cum timore; en in † Zage, dictio, narratio; by ZICH, in deze Pr.

 

ZAEY, in Zayen, serere; &c, by ZAEY, in de II. Pr.

ZAEK, in Zake, Res, causa, ratio; & olim Lis, controversia; Óórzake, causa, origo, occasio; en Verzaken, renunciare, abnegare; by ZAEK, in de II. Proeve.

 

ZAEL, in Zale, aula, atrium, coenaculum; en Zalig, felix; Rampzalig, miser, infelix; &c, zie daer van bij ZICH, in deze I. Pr: en van de laetsten ook by ZEEL, in de II. Pr.

ZAEM, in Te zamen, Gezamentlyk, simul, pariter; en Zamelen, Verzamelen, colligere; Deugdzaem, pius; enz, by ZAEM, in de II. Pr.

 

ZAET, in Zaten, de Plur: van 't Praeter: van Zitten, en in Voorzaet, antecessor; Landzaten, subditi; en 't Geld: Bezaet, retentio, manus injectio; en Ontzaet, remissio, absolutio; en † Zatig, modestus; en † Zaten, considere; en Zate, sessio; portus &c; enz. by ZIT, in deze Proeve, en in † Zaten, satiare; zie by ZAD, in de II. Pr.

 

ZAG, in het Praet: van Zien, en in Gezag, Ontzag, auctoritas, reverentia, respectus, timor; en † Gezag, dictum; &c, by ZICH, in deze Pr.

 

ZAK, in De zak geven, dimittere renunciare, deserere, zie daer van by ZAEK, in de II. Pr. en in Zak, saccus; cilicium; pera; cloaca, alvus, venter, stomachus; & mensurafrumenti; en Zakken, I. CL: deorsum ferri; & colare; & indere sacco & diripere, depraedari; &c, zie daer van by ZYG, in deze Pr.

 

ZAL, als een Futur: van Zullen, by ZUL, in deze I. Pr: en van een ander † Zal, by ZEEL, in de II. Pr.

 

ZAND, in Zand, het oude Praeter: van Zénden, en in Gezandte, legatus, nuntius, Apostolus; & olim Missio; en † Zandael, sindon; en in † Zand,

[p. 548]origineel

arena; zie daer van bij ZEND, in deze I. Proeve.

 

ZANG, in 't oude Praet: van Zingen; en in Zang, cantus, cantio, modulatio; Gezang, carmen, canticum; &c, en 't Geldersche Zange, fasciculus spicarum; by ZING, in deze Pr.

 

ZAT, in 't Praet: van Zitten, by ZIT, in deze Pr:, en in Zat, satur, zie daer van by ZAD, in de II. Pr.

ZE.

ZÉÉ en † ZÉÉUW, mare, & olim lacus; en in † Be-zééuwen, madefieri aqua marina; en Zééuw, Zaelandia incolus; zie daer van bij ZYG, in deze Pr.

 

ZEED, in Zede, mos, consuetudo; Zedig, modestus; en Zedekunde, ethica; zie daer van bij WEEZ, in deze Pr. en van een ander † Zeed, by † ZAD, in de II. Proeve.

 

ZEEF, in Zeef, cribrum; & distinctio; zie daer van bij ZYG, in deze Pr.

 

ZEEG, in Zege, victoria; † Zegen, vincere; Zegewortel, victorialis longa; en Zegen, bona precatio; Zegenen, benè precari; zie daer van by ZICH, en in Zeeg, Gezegen, verbuigsels van Zygen, en in † Zegel, velum; en † Zegelen, velificare; zie daer van bij ZYG, beiden in deze Pr.

 

ZÉÉK, in Zeeke, lotium; zie by ZYG, in deze Proeve.

 

ZEEL, by de II. Proeve.

 

ZEÉL, in Zéél, Bind-zeele, lorum; Raezéél, funis quo antenna ad malum adstringitur; en † Zeelen, ligare fune; by ZEEL, in de II. Pr.

 

ZEEN, in 't Geld: Zene, by ons Zenuwe, nervus; Zene-groen, bugula, prunella, solidago; en Zene-schalk, praepositus familae, & praefectus provinciae; zie daer van by ZIN, in deze I. Proeve.

 

ZEET, in Zeet, Zete, sedes, statio; & olim positura; en 't Vlaemsche Zete, Gezete, sedes, culus, anus; en ons Zetel, sedile; thronus; en Zete, pecten rusticalis; by ZIT, in deze Pr.

 

ZEEV, in Zeve, cribrum; en † Zeven, cribrare; Bezeven, discernere; by ZYG, in deze Proeve.

 

ZÉÉUW, zie ZÉÉ.

 

ZÉF, in † Zéf, cribrum; Bezéffen, discernere, &c; en Zéffens, pariter; &c, zie by ZYG, in deze Pr.

 

ZÉG, in Zéggen, dicere; &c, zie daer van by ZICH, in deze Proeve; en by ZAEK, in de II. Pr.

 

ZEID of ZEIT, voor Zégt &c, zie daer van by ZICH, in deze Pr.

 

† ZEY, in † Zeyen, serere; by ZAEY, in de II. Proeve.

 

ZEIK, in † Zeiken, mejere; Zeik-worm, formica; zie by ZYG, in deze Proeve.

 

ZEIL, in Zeil, velum; en Zeilen, velificare; zie daer van by ZYG, in deze Proeve.

 

ZEIN, in 't Vlaemsche Zeinen, benè precari; zie daer van by ZICH, in deze Proeve.

ZÉL, in † Zéllen, vendere; by ZEEL, in de II. Pr.

 

ZÉM, by ZAEM, in de II. Pr.

[p. 549]origineel

Het Wortel-deel.

ZÉND, &c, in ons ZÉNDEN, ZOND (en oul: in Sing: ZAND), GEZONDEN, II. CL: 6, mittere; en de verdere Composita. Dog in 't F-TH, senran en sendan / santa en sendida / gisentit en chisendit / V. CL: en I. CL: mittere. H-D, senden sandte en sendete / gesandt en gesendet / VI. CL: en I. CL: mittere. En, gelijk by dezen reeds het verloop zig vertoont, zo vind men ook al in 't M-G, sandjan / I. CL: 3, mittere; en A-S, sendan / I. CL: mittere, destinare; hoewel in 't A-S, Praeter: meesten tijd by inkortinge sende voor sendode / en in Praeter: Partic: veeltijds send of gesend voor gesended: en Ysl: senda / I. CL: mittere; zo dat, onder alle dezen, de oud-egte Ongelijkvloeijendheid by ons alleen nog ongeschonden gebleven is; 't gene bij een ander wederom te mets in 't zijne gebeurt.

 

Tot het Praesens met E, het Vlaemsche † Zénde, f:Gezénde, n: Kimbr: sendingar / donum, quod mittitur; en het gemelde F-TH, sendan / I. CL: A-S, sendan / I. CL: H-D, senden / I. CL: en Ysl: senda / I. CL: mittere; en ons Zénding, f: A-S, sendnesse / missio; en † Zénd-feeste, pentecoste; als het Feest der zendinge des H. Geestes. Wijders, of ons † Zénde, † Zinde, f: synodus, vermits meestendeel bestaende uit bezendelingen van velerhande plaetsen, en ons † Zéndael, † Zandael, † Zindael, sindon, als fijn lijnwaed tot bezending of vereering gebruikt wordende, of, zeg ik, deze van 't Latijn, of van onzen eigen stam afkomstig moeten gerekent worden, komt mij twijffelagtig voor; de E, en A, pleiten wat voor 't laetste.

 

Uit het Praeter: met A, komt het A-S, sand / missio, Daps, Xenium; en het M-G, sandjan / I. CL: mittere; benevens de verdere gemelde verbuigsels, als het F-TH, santa / H-D, sandte / misit; als mede ons † Gezandte, f: missio, legatio; nu Gezandte, m: A-S, sandes-man / legatus, Apostolus, missus nuntius; en Gezandschap, n: legatio. En, mooglijk ook hier uit ons Zand, n: A-S, sand en sond / Angl: sand / H-D, sand / Ysl: sandur / M. arena; als ziende voornamelijk op dat gene, dat door de zee-baren aen strand word opgezonden, gelijk ook A-S, sand-geweorp / syrtes; en sond-hyllas / alga, aggeres; waer van ons Bezanden, I. CL: arena conspergere, contegere; en Verzanden, I. CL: arena gravari, obrui.

 

Voorts, dewijl alle afzending een onderling afscheid veronderstelt, zo zou het kunnen wezen dat de eerste grondbeteekenis van ons Zénden eene afscheiding mogte behelst hebben, welke gissing door eenige volgende takken, van gelijke gedaente als het Praeter: met O, vry wat begunstigt word, vermits de zin van afscheiding op die zeer toepasselijk komt, als ons Zonder, H-D, sonder / A-S, sunder / sundor / a, ab, absque, sine; en Zonder-einde, kruisdistel, eryngium; als zo wijd in den grond zig verspreidende, dat men 'er naeulijks eind aen vinden kan; en Bezonder, singularis; en 't daer van afgeleide Af-zonderen, I. CL: A-S, syndrian / sundrian / a-syndrian / I. CL: H-D, sondern / I. CL: segregare, dimittere, separare; en F-TH, sunder / suntar / sed; als eene afscheiding in de redenering; en Ysl: sundur-brioota / diffringere; beteekenende het Ysl: brioota / frangere; en Ysl: sundur-linder / dissensio; en M-G, sundro / by ons Bezonder, segregatim, sejunctim, seorsum; en A-S, onsundran / onsundron / Angl: asunder / AL: suntrigo / seorsum; en A-S, sindrig en syndrig privatus, peculiaris; en A-S, sunder-spraece / colloquium privatum; en A-S, sindrung / divisio; en ons Zonderling, H-D, sonderlich / singularis, praecipuus, & rarus; en 't adverbium Inzonderheid, praesertim, distinctè, praecipuè, particulatim; en 't H-D, sonderling / leprâ affectus; als om de melaetsheid verbannen van de menschelijke gemeenschap; en A-S, sunder-gife / sunder-freodom / privilegium; als een bezonder voorrecht; en A-S, sundar-halgan / pharisaei; als zig zelf byzonder heilig schattende, en daerom zig bezonder en afgescheiden houdende van andere menschen. Nog ook A-S, sinder / sindor / spuma metalli; als het onrei-

[p. 550]origineel

ne zijnde, dat in 't stoken door het vier zig van het goede metael afzondert; gelijk ook A-S, sinder / sindor / putredo lignorum vel ferri; als door verrotting of roest zig ontbindende en van een scheidende; en A-S, sinderome / ferrugo. Daerenboven schijnt ook hier toe te behooren ons Zond, Zund, f: Ysl: sunda / H-D, sund / M, fretum; vermits eene engte die twee groote en breede wateren of twee voorname landen van een scheid.

Wijders konnen de afscheidingen driederhande opzigt hebben, 1. Eerstelijk als natuerlijk of onverschillig, zonder betrekking tot quaed of goed, gelijk by de meeste der bovenstaende voorbeelden; ten 2. als ten goede, of ook wel met een voorwendsel van uitstekend goed te zijn, als by 't bovengemelde A-S, sundar-halgan / pharisaei; waer by men eenigsints voegen mag ons Gezond, A-S, sund / sund-full / sanus, integer, prosperus, incolumi & saluber; dat is gaef en zuiver, gelijk de dingen die men elkander ter vereeringe toezend; of liever, zoo rein en zuiver, als het Heilige dat afgezondert word; gelijk ook daer van de spreekwijze van een Gezonde leere, doctrina orthodoxa, sancta, verax, salubris; komende verder ook van 't A-S, sund-full / sanus, prosperè; het A-S, sund-fullian / I. CL: prosperari; en het Oud-Sax: † Gezonde, corpus & membra hominis; zou op dien voet zo veel kunnen beteekenen, als het Lichaem, en bezondere ziels-verblijf, waer door elk mensch van den ander of van iet anders, als iet byzonders, afgescheiden word. Maer ten 3. geschied ook de afzondering om 't gebrek en 't quade; gelijk het gemelde H-D, sonderling / leprâ affectus; waer by ook verder past ons Zonde, f: H-D, sünde / F, A-S, synne / synn / sinne / Angl: sinne / F-TH, sunda / sunta / peccatum, delictum; een woord tot de Theologie behoorende om aen te duiden onze gebreken en misslagen tegen de Goddelijke bevelen, waer door we ons van de Hemelsche gunste, en van 't betamelijke leven onder de Kerkelijke gemeente als afzonderen, en waer over we, zo 't van belang was, en ten strengste genomen, eene uitzetting of opschorting van broederschap zouden verdienen; of eene straffe van den Hemel; waer van de dagen van Noach een verschrikkelijk voorbeeld gaven in den bekenden Zond-vloed, m: diluvium; om der menschen zonden alzoo genaemt: verder van Zonde quam Zondig, AL: suntigo / A-S, synnig / reus, peccans; en A-S, syntic / impius; en A-S, syn-leas / sine peccato; gelijk weder van Zondig gekomen is ons Zondigen, I. CL: Ysl: syndga / I. CL: A-S, syngian / singian / I. CL: F-TH, en A-L: sundigan / I. CL: peccare, delinquere; gelijk ook 't Latijnsche delinquere van linquere afdaelt.

Maer, dit A-S, vertoont zig hier telkens met nn / of g / in steê van Onze, de H-D, en de Ysl: ND, 't gene ik Euphonicè neem, gelijk by ons wel de NN voor onze ND inspringt. Zo deze Euphonische verandering mede op andere woorden mag toegepast worden, zou ook verder uit dezen stam gesproten schijnen het Kimbr: fann / Dan: sand / Ysl: sannur / sannur-legur / M-G, sunjeins / verus, bonus; en M-G, bisunjai / verè; en M-G, sunja / Kimbr: sannind / veritas; en M-G, sunja / sanctitas; waer van 't M-G, gasunjon / I. CL: 3, justificare, sanctificare; alles in den zin van 't bezonder goede, reine en Heilige, even als ons vorige Gezond; en mooglijk verder ook ons Zonne, f: M-G, sunno / F, A-S, sunna / sunne / F, F-TH, sunna / sunne / sun / F; H-D, sonne / F, Angl: sun / en Ysl: sunna en sol / F. sol; vermits, om hare rein- en heil-zaemheid van byna al het Heidendom aengebeden of geëert. Dog, ten opzigte van het Naemgeslagte; dat Zon hier by allen Foeminin komt, terwijl Maen by die allen weleer als Masculin zig vertoonde, schoon thans by ons als Foeminin, regt anders als by 't Latijn, zal mooglijk die genen allervreemdst voorkomen, welker denk-beelden zo enkelijk op de Latijnsche en Grieksche leest schoeijen, dat ze, zelf met een kleinagting, zig verwonderen over alles wat daer van verschilt, even of onze Voorouderen by de geslagtschikking der naem-woorden in dat school te rade moesten gegaen zijn, dat zeker te verre van de billijkheid afwijkt. De Romeinen en Grieken hebben 't geslagt van hare namen voor Zon en Maen uit hare fabulen opgemaekt, even gelijk ook de Duitsche en Noordsche Voorouderen uit de hare; van welk laetste ons de Edda Yslandorum (het voornaemste overschot van 't

[p. 551]origineel

Noordsche Fabel- en Goden-werk) kan opening geven, alwaer Mytholog: IX, gezeit word. Sä Madur er neffndur Mundil-fare (een man die genaemt word Mundil-fare) er ätte tuø børn / so føgur og fryd / (hy hadde twee kinderen zo schoon en minlijk), ad hann kallade Son sinn MAANA / enn Døttur syna SOLL (dat hy noemde zijnen Zone Maan, en zijne Dogter Zonne). De geleerde Thom: Marechal trekt in zijne Observat: agter 't Euang: Gothic: p: 513, ook aen uit Pocock, dat in 't Arabisch insgelijks aen de Zonne het Vrouwelijke, en aen de Maen het Mannelijke geslagt word toegepast. Wijders van ons Zondag, dies solis, en de verdre namen van yder dag der weke, zie by 't vorige WYK, in deze Proeve; dog van deze takken met Zon, en van de meeste met Zond &c. zie mede verder by ons volgende ZINN, vermits die stam ook gelijk regt daer toe schijnt te hebben.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ZENG, in Zéngen, leviter urere, torrere, ustulare; en Zéngel, stricturae, scintillae, & scorea ferri; en Zéngelen, ustulare; &c, by ZING, in deze Pr.

 

ZÉNK, in † Zénken, in fundum ire; en Zénkel, perpendiculum; bij ZINK, in deze Proeve.

 

ZÉT, in † Zét, sedes, culus, anus; & positura; & pecten rusticalis; en Zétten, ponere; Zig zétten, quiescere, desidere; en † Zétten, censere; † Bedezétter, censor; en zoo voort veel andre Composita of Voorzetselingen; bij ZIT, in deze Pr.

 

† ZEUD, in † Zeude, ebullitio; bij ZIED, i deze Pr.

 

ZEUG, in Zeuge, sus, scropha; bij ZUIG, in deze Pr.

ZI.

De Wortel- of Zaek-deelen.

ZICH of ZIG, en ZACH of ZAG, en ZIEN, &c, in ons ZIEN (oul: † ZICHEN), in Praeter: ZAG (in Plur: ZAGEN), in Praet: Part: nu GEZIEN (oul: GEZICHEN), Onreg: No. 8, videre oculis, & mente, AEol: σεομαι voor Θεομαι, video. Dit ons Zien voor videre, als het een andren Infinitivus tot onderwerp heeft, vereischt dan geen TE tusschen beiden, als Ik zie loopen; dog daerenboven word het ook gebruikt in den zin van betragten, voornemens zyn, of na gelegentheid omzien om iet te doen; in welken gevalle de volgende Infinitivus in casu obliquo met TE voorop moet komen, als Ik zal zien te koopen, of, Hy mag het zien te krygen, enz: waer van breeder bescheid te vinden is by onze 14 Redewiss: alwaer gehandelt is van de reden en oorzaek van dit onderscheid.

M-G, saihwan / sahw (in Subj: sehwau)/ saihwans / III. CL: 5,videre; of anders saiqan / &c, vermits het M-G-Letterteeken ☉, by anderen met hw / en by ons te mets met Q of QU beantwoord word: dus ook M-G, gasaihwan / videre; and-saihwan / adspicere; bi-saihwan / circumspicere; us-saihwan / videre, suspicere; in-saihwan / respicere, intueri; en at-saihwan / attendere; allen III. CL: 5.

F-TH, sehan (gisehan)/ sah (in Subj: sahi)/ gisehan / III. CL: 1, videre; en ana-sihan / III. CL: 1, adspicere. A-S, sewan (contr: sean / seon)/ in Praet: seaw / saw / sag / seah en seh / in Praet: Part: sewen / gesewen / III. CL: 3, videre. Angl: to see / saw / seen / videre. H-D, sehen / sah (in Subj: sahe) gesehen / IV. CL: 4, videre. En in 't Land-Friesch sjoen / sjean / in Praet: sjoe / saeg en seag / in Praet: Part: sjoen / videre.

Verder onze Composita of Voorzettelingen, als Aen-zien, adspicere; Af-zien, despicere, deorsum aspicere; & aversari; en Iet af-zien, aemulandi gratia oculos in rem aliquam defigere; Bezien, A-S, beseon / intueri, lustrare, contemplari; By-zien, propius videre; Door-zien, A-S, thurh-seon / per-

[p. 552]origineel

spicere, perlustrare; In-zien, inspicere; & attentè considerare; en A-S, ongeseon / intueri; en ons Ontzien, revereri, timere; en A-S, ontoseon / aspicere; en ons Opzien, A-S, up-beseon / sursum respicere; en Overzien, summatim perlegere; & praetermittere negligentiâ, non advertere; met een Praepos: Inseparab: en daerom ook in Praet: Part: Overzien, zonder GE tusschen beiden, en met den klemtoon op Zien; dog alles regt anders by óver-zien, ulterius videre; & examinare, perlustrare; in Praet: Part: Over-gezien. Wijders A-S, ofer seon / inspicere, respicere; en ons Toe-zien, prospicere, capessere oculis, attentè observare; A-S, togeseon / adspicere, intueri; en Vérre-zien, Vér-zien, de longinquò visu capessere; met een Praep: separab:, dog met een onafscheidelijk Voorzetsel Zig verzien van iet, consulere sibi, instruere se re necessaria; en Zig verzien van iet, non advertere, malè observare rem aliquam; zonder GE in Praeter: Part:, A-S, forsewan / forseon / negligere, & contemnere; en ons Voorzien, prospicere, providere, & praecavere; insgelijks zonder GE in Praet: Part: en den accent op Zien; en ons Uit-zien, prospicere, prospectare, speculari; en 'Er uit-zien, praebere speciem; en Weder-zien, iterum videre; in Praet: Part: Weder-gezien, iterum visus; en † Wederzien, respicere, contemnere; in Praet: Part:Wederzien, despectus, contemptus.

Dat de H of CH, en W, ten einde der accent-silbe, alhier by ons en de andere Tael-verwanten als Versmelt-letters komen, blijkt uit de bygebragte voorbeelden.

 

Uit het oude Wortel-deel ZICH of ZIG, ons Ontzich, n: respectus, auctoritas, & reverentia; en met den uitgang TE of T agterop, zijn nog by ons overig ons † Zicht, Gezicht, n: A-S, sihthe / syhthe / gesyhth / gesihthe / Angl: sight / H-D, gesicht / N. visus, prospectus; visio; aspectus, vultus, facies; AL: ka-sihte / ki sihti / aspectus; en ons Aengezicht, Aenzicht, n: H-D, angesicht / N. facies & vultus hominis; Afzicht, n: deformitas; † Bezicht, n: intuitus; waer van † Bezigtig, en daer van weder ons Bezigtigen, I. CL: intueri, collustrare; en Doorzigtig, perspicax, perlucidus; Gezicht-einder, Zicht-einder, m: horizon; In-zicht, n: intuitus; inspectio; consideratio; & scopus; Omzigtig, circumspectè; Onzigtbaer, invisibilis; Op-zigt, n: actus sursum respiciendi; & visus; & observantia; en Ten opzigte, respectu; en † Opzigtig, venerandus, spectandus; en Opzigtig, fastosus, hominum intuitum movens & attrahens; Toe-zicht, n: Toe-verzigt, m: en f: observatio, cautio; Uit-zigt, n: prospectus; & vultus; en Vooruit-zicht, n: praevidentia; Voorzigtig, prudens, providens; en van † Zigt is ook gevormt geweest het oude † Zigten, † Zigtigen, I. CL: conspicere.

 

Het Zakelijke deel van het Praet: Zach, of Zag (of in Subj:, gelijk in den Plur: van den Indicat:, Zaeg) vertoont zig in ons Gezag, n: (over een ander) of Ontzag, n: (onder anderen) auctoritas, reverentia, & respectus; & metus, timor; en Ontzach, n: voor ymand, respectus, reverentia; & metus, timor; waer van ons Ontzachlyk, formidabilis; en overdragtelijk † Sage, † Zage, f: metus, pavor, horror; en † Saeg, pavidus; als of het quame voor T'zage, cum timore; waer van het H-D, zagen / I. CL: timere, horrere; en 't H-D, verzagen / I. CL: en ons Vertzagen, Versagen, I. CL: metu frangi; en Onvertzaegt, nullo metu fractus.

 

Uit den ingekorten Infinit: ons Aen-zien, n: aspectus, respectus; dignitas, auctoritas; Aenzienlyk, venerandus, non contemnendus; Ten aenzien, respectu, quod attinet; Af-zien, n: aversio; Afzienlyk, deformis; In-zien, n: intuitus; inspectio; & scopus; en Voorzienigheid, f: Providentia; aen welken Tak ook gelijkt het M-G, siuns / visio, visus; & species; en siunjos / testes oculati; en A-S, sean-eagan / F-TH, seha / pupilla oculi; en 't Ysl: syna / I. CL: monstrare; als doende zien. En met den uitgang ER of DER, ons Aenziender van personen, respiciens personam, aliornm vultus circumspectans.

[p. 553]origineel

Dog uit het Part: Praes: ons Adject: By-ziende, myopeiâ quadantenus laborans; en Stikziende, myops; tusschen welke tweederhande gezichten men dit onderscheid maekt, dat men Byzienden noemt de zulken, die, schoon gantsch niet scherp van verre ziende, egter klein gedrukt schrift, ruim een voet ver van 't oog af, bequamelijk konnen lezen, dog Stikzienden die genen, welke het schrift digte by de neus, en naeulijks vier of vyf duim van het oog af, om te lezen houden. Voorts Vérre ziende, Vér-ziende, lynceus, vehementer perspicax; & tr: homo longè in posterum prospiciens.

 

Het Praeter: Partic: is oorspronk van ons Adject: Gezien, visus; & respectus; waer van ons Gezien zyn, visum esse; & respici; & gratia & auctoritate pollere; en Ongezien, non visus; & deformis; ingratus oculis; en onze conjunctiones, Aengezien, quoniam, quia; en Onaengezien, quamquam; en 't A-S, gesewenlic / visibilis; enz.

 

Uit den Imperativ: het M-G, sai / AL: se / sehe / H-D, siehe / by ons Zie, of in Plur: Ziet, ecce?

 

Wijders vind men ook met den uitgang EL of L of LE (en by sommigen desgelijks met W of U, even als by den A-S, Wortelstam) het A-S, sawel / sawul / sawl / saul / F. M-G, saiwala / F, Angl: soule / anima; waer voor by ons Ziele, Ziel, f: Ysl: saal / F, AL: siele / sele / F, F-TH, sela / F, H-D, seel / seele / F; Dan: siel / Zw: siäl / anima; en, op de Hebreeusche wijze, ook overdragtelijk het Bloed voor Ziele genomen zijnde, het A-S, or-sawle / exsanguis; dit alles te zamen geeft klaer genoeg te kennen, dat EL of L, of LE, alhier als een Terminatie komt; en, deze verscheidentheid van 't Zakelijke Deel saw / saiw / saa / se / sie / siä / of Zie, past volledig en ten eenemael op 't Praes: of Praet: of den Imperat: van dezen stam, zoodanig dat men geene beter oplossing van zulk een verschil in een andren Wortelstam dan dezen behoeft te zoeken. En zekerlijk konden de Voorouderen niet wel fraeijer dan van zulk een stam deze benaming afgeleid hebben, als zijnde een bewijs van hare regtzinnige gedagten, dat de Ziele of Geest of inwendige weter (want het onderscheid tusschen Ziel en Geest dat by sommigen gemaekt word, zou ik onder onze Heidensche Voorvaderen niet zoeken) de innerlijke ziender en beschouwer is van de gewaerwordingen en aendoeningen, terwijl het Lichamelijke oog, en de andere werktuigen der uiterlijke zinnen, als wetelooze deelen, slegts tot hulpmiddelen ten dienste van haer verstrekken: eene beschouwing, die by vele Heidenen de grondslag is geweest van de Ziele als onstoffelijk, en verder, als onsterfelijk aen te merken, en daer op te bouwen de pligten van deugd en Godsdienst, en eene belooning en straffe nae dit leven. Wijders komt van Ziel, ons Ziel-togen, I. CL: en Ziel-braken, I. CL: agere animam, sub agone jacere; Ziel-zoeken, V. CL: velle occidere, quaerere animam; en daer van Ziel-zoeker, moordpriem, sica; en 't Roomsch-Kerkelijke Zielen-dag, feriae pro defunctorum manibus; en Ziel-misse, piaculare sacrum, vulgò Missa pro defunctis.

Gelijk dan ook verder overdragtelijk op den goeden staet der ziele betrekkelijk schijnt het H-D, selig / beatus, felix; en M-G, sel / selja / A-S, sel / bonus; M-G, unselei / nequitiae; en A-S, saelig / gesaelig / Dan: en Zw: salig / Ysl: sael; en by ons ook met A, Zalig, beatus, felix; waer van ons Zaligen, I. CL: beatum facere. Dog het onze heeft niet altijd alleen het gelukkige beteekent, dog is ook wel by het tegendeel gevoegt, even gelijk ook een en ander de ziele te beurt kan vallen, en daer van ons Ramp-zalig, en † Druk-zalig, miser, infelix, miseriis obrutus; gelijk hier toe mede het A-S, saelan / gesaelan / I. CL: accidere, provenire; in een breeden zin, schoon meest ten goede; waer van wederom het A-S, saeltha / gesaeltha / fortuna, casus, & res prosperae; en in een goeden zin het Kimbr: kongsaalur / qui sub bono rege beatè vivunt. Of, verkiestmen de overdragt liever niet uit. Ziel, maer onmiddelijk uit Zien te hebben, zo kan men 't nemen voor zulk een opzigtelijken staet, die, om zijne uitstekentheid, 't zy van geluk of ongeluk, de oogen der andre menschen op ymand trekt. Egter is 'er nog een ander Za-

[p. 554]origineel

kelijk deel ZAEL, welks overdragt, zo het slegts hier toe behoort, uit de bovengemelde beschouwing over de ziele (als wonende, en haer verblijf slegts voor een tijd houdende in dit brosse Lichaem) gereeder schijnt te vloeijen, dan uit die van 't zien; dit Zakelijke Deel vertoont zig in het M-G, saljan / us-saljan / I. CL: hospitari, divertere; en M-G, falithwo / mansio; A-S, feld / faeld / mansio, sedes; AL: selitha / selida / tabernaculum; en A-S, spl / tentorium; en Ysl: sel / mappalia, tentoria; en AL: dselidun dero kesteo / cella hospitum; Kimbr: sal / salur / Dan: sal / atrium; by ons Zael, Zale, f: diversorium, coenaculum, & olim aula, atrium. Dog van dit Zalig zie ook by 't Wortel-deel ZEEL, in de II. Proeve; hoewel we deze beiderhande takken van Zael niet hooger opgeven, dan voor een gissing, die na een verbetering wagt.

 

Daerenboven komt het my zeer bedenkelijk te voren dat ook uit dezen stam, even gelijk het voorgemelde † Sage, metus, wel eer ontleent zy geweest, het A-S, faga / fage / testimonium; en fageman / delator, als eene getuige van 't gene hy gezien heeft; gelijk ook zelf in den zin van iet te voorzien, het A-S, sage / en ons † Veurzage, praesagium; en 't AL: fora-segin / en fora-sakun / prophetae; en aldus verder overdragtelijk alle verhael, als A-S, saga / dictum; en A-S, gesaega / narratio; AL: en F-TH, saga / H-D, sage / F, Kimbr: saga; en ons † Zage, † Zégge, dictio, narratio; & historia; en M-G, insaht / narratio; en Zw: sage / fabula; en by Kiliaen ook nog † Ave-saeghe, absurda narratio, fabula anilis; beteekenende † Ave, mulier delira: waer van wederom het H-D, sagen / I. CL: F-TH, sagan / gesagan / I. CL: A-S, saegan / secgan / saecgan / I. CL: dicere, narrare, nunciare; F-TH, versagan / I. CL: interdicere; en H-D, versagen / I. CL: abnuere, refragari; en † Ave-sagen, I. CL: absurda & inepta narrare; by ons mede met E, ons Zéggen, I. CL: dicere; en ons † Gezéggen, I. CL: edicere, jubere; en Zig Latin gezéggen, acquiescere monitis alicujus; en Op-zéggen, recitare; en Op-zéggen, Af-zéggen, abnegare; en † Op-zéggen, indicere, denuntiare; en Toe-zéggen, addicere; stipulari; & promittere; en Af-zéggen, denegare, renuntiare; † Verzéggen, referre; & interdicere & recusare, negare; en nu Verzéggen, devovere; en Voort-zéggen, referre ulterius; dog Euphonicè verwisselt de EG, als 'er T of D agter komt, in Eyt of Eyd, als by de 3 Pers: in 't Praes: Indic: Hy zeyt, dicit; en by 't gantsche Praet: Imp:, als Zeyde, dicebam &c; en A-S, saede voor saecgde / &c, gelijk we in onze V. Dialect-regel wegens de EI, pag: 197, en in onze Grondsl: I. Verhand: §. XXIII, vermeld hebben; aldus zou Zéggen zo veel beteekenen als Verhalen 't gene men gezien heeft, of anders verklaren hoe we de zaken met onze oogen des verstands beschouwen. Verder hier toe ons Gezég, en † Gezag, n: A-S, segene / dictio, dictum; en Ontzég, n: negatio, recusatio; & interdictio; waer toe Ontzéggen, recusare; & interdicere; en † Ontzég, n: indictio belli, provocatio; als een ontzeg van vriendschap, of aenzegging van vyandschap; waer toe † Ontzéggen, provocare, indicere bellum; en Voorzéggen, I. CL: praenuntiare; en Voòr-zéggen, I. CL: praeire verbis, dictare; en Volzéggen, I. CL: perorare; in Praet: Partic: Volzégt of Volzeit: en Uit-zéggen, I. CL: eloqui; & olim proscribere, relegare. In 't Ysl: vind men de ei en a van beids, als Ysl: seige / dico; in Praet: sagde / IV. CL: 1. dog zie hier van ook iets by ZAEK, in de II. Proeve; en in gevalle deze onze gissingen mogten misgetast zijn, zo zoude egter dit Ysl: Ongelijkvloeijende, schoon van eene verloopene Classis, voor een herstel-stam van deze takken mogen verstrekken.

 

Wijders schijnt ook hier toe betrekkelijk te zijn met E of I, ons Zege, f: en m:Zige, H-D, sieg / M. A-S, sige / Ysl: sigur / M. victoria; als iet dat opmerkelijk is, en elks opzigt tot zig trekt, of iets, waer van tongen en schriften verhael doen met gelijke overdragt als 't bovengemeldt Zéggen, &c, en verder daer van weder het VerbumZegen, I. CL: H-D, siegen / I. CL: vincere; en † Zéger, m: victor; en ons Zege-wortel, victorialis longa; een soort van berglook, dat het venijn der slangebeten verwint;

[p. 555]origineel

en A-S, sigore / palma; als waer mede de overwinnaers gekroont worden: en A-S, sigor / triumphus; waer van het A-S, sigerian / sigrian / I. CL: triumphare; en voorder, ziende op de Heilwenschingen met welken men de overwinnaers begroet, of op der Ouden agtbare bede en wensch tot heil en over-winning, schijnt wederom hier uit gevloeijt te zijn, ons Zegen, m: H-D, segen / M, bona precatio, benedictio; waer van ons Zegenen, I. CL: F-TH, segenon / gisegenon / I. CL: H-D, segenen / segnen / I. CL: benè precari; waer voor Euphon: & contr: het Vla: Zeynen, I. CL: benè precari.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ZICHT, in Gezicht, visus &c; Aengezicht, facies; Bezigtigen, I. CL: intueri &c; en zoo vele anderen, by ZICH, hier voor in deze I. Pr.

 

ZIE, ecce; by ZICH, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

ZIED, &c, in ons ZIEDEN, ZOOD (oul: in Sing: ZÓÓD), GEZODEN, II. CL: 3, bullire, fervere; & olim elixare, & aqua coquere; en Op-zieden, II. CL: 3, decoquere, & ebullire. A-S, seothan / seodan / in Praet: seath of sead / in Praet: Part: sothen of gesoden / II. CL: 1, ebullire, coquere; en A-S, a-seothan / II. CL: 1, coquere; Engl: to seeth / sod / sodden / en seethed / ebullire coquere. H-D, sieden / sott (in Subj: sötte) / gesotten / II. CL: 2, fervere. Ysl: sioda / saud / en in Praet: Part: volgens de anderen van die Classis sodenn / II. CL: 2, coquere. Ook vind men in 't AL: by de Glossae Keronis Kasotaner / coctus; en Ka-sotania zuei muaz / cocta duo pulmentaria; waer uit blijkt dat 'er mede een AL: siutan / F-TH, siuthan / coquere, van de II. CL: 2, en Ongelijkvloeijend geweest is.

 

Het Wortel-deel van 't Praes: vertoont zig in ons Zied-pót, lebes, cacabus; en Zieding, f: H-D, zieding / F. ebullitio, fervor, & AEstuatio; enz.

 

Tot het Praeter: met O, of de gelijkwaerdige OE of EU, ons Zode, Zoô, f: ook † Zeude, † Zoede, f: H-D, soede / F.Sax: sooh / Angl: sodde / ebullitio; & ador, fervor stomachi; en Ysl: sod / N. jusculum; eene gekookte of gesodene sop; en by ons Eene zode visch, portio piscium coctui destinata; en overdragtelijk Zode, f: acervulus rerum diversarum; als zinspelende op het Duitsche gebruik van velerhande visch, vleesch, of moes in eenen zelfden ketel te zieden of te koken: en ons † Zode, † Zoode, en † Zouwe, f: cloaca, puteus, sentina, stillicidium; en A-S, seath / puteus, fovea; als op de broeijende opziedinge en stank ziende; waer by men voegen kan het A-S, sooth / soote / Ysl: soot / N, fuligo; als ontstaende van 't zieden en koken: en mooglijk ook ons Zode, Zoye, † Zoewe, en † Zoedze en Zuwe, caespes, gleba; zijnde laeg of moerig veen-land, dat zelden droog raekt; zo dat'er de ouden zin van excolare best op passen zou; dog zie daer van mede by ZAEY, in de II. Proeve.

 

Het Praet: Part: vertoont zig in ons Gezoden en gebraden, cocta & assa; tr: epulae; alzoo de Voorvaderen in hunne zuinige tijd zig met een enkel tafelgerecht konden genoegen, houdende het opdisschen van gekookt en gebraden op eene zelfde tijd voor een Hoflijk gastmael: nog ook uit het Praet: Part: het gemelde AL: ka-sotania zuei muaz / cocta duo pulmentaria; en 't A-S, gesodan / elixus; en asoden / decotus.

De Zaek-of Wortel-deelen.

ZIEK, in Ziek, aegrotus; Géld-ziek, avarus; Speel-ziek, cupidus ludi; &c, zie daer van by ZUIG, in deze I. Pr.

 

ZIEL, in Ziele, anima; zie daer van bij ZICH, in deze Pr.

 

† ZIELT, zie by ZOUT, in deze Pr.

[p. 556]origineel

ZIEN, in Zien, videre; & mente percipere, &c; Het aenzien, respectus, dignitas &c; Aengezien, quoniam; en zoo voort, by ZICH, in deze I. Pr.

 

ZIET, ecce; by ZICH, in deze Pr.

 

ZIF, in Ziften, cernere; enz: by ZYG, in deze Proeve.

 

ZIG, by ZICH, in deze I. Pr.

 

ZIGT, in Gezigt, visus; prospectus; facies; Aengezicht, vultus, facies; en zoo voort by ZICH, in deze Pr.

 

ZY, in † Zyjen, esse; en Zy, sit; by WEEZ, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

ZYG, &c, in ons ZYGEN, ZEEG, GEZEGEN, II. CL: 1, deorsum ferri; & tr: viribus deficere; quin etiam colare, & tr: mejere; Af-zygen, II. CL: 1, eliquare, excolare; Deur-zygen, II. CL: 1, percolare; en Neder-zygen, II. CL: I, delabi, defectu virium.

M-G, sigan en gasigan / sag en gasag / sigans en gasigans / III. CL: 3, delabi, deorsum ferri, occidere; F-TH of AL: sigen / (gesigen / nedersigen) / seig / gesigen / II. CL: 1, tadere, labi, deficere, inclinare. A-S sigan, (contr: seon) / sag / sigen / III. CL: 1, labi, excidere; & percolare; en gesigan / nithersigan / en onsigan / III. CL: 1, dilabi, occidere. H-D, seigen en seihen / sieg en seigete / gesiegen en geseiget / II. CL: 1. en I. CL: colare; waer van ook het H-D, versiegen / excolatus. Kimbr: en Ysl: syga / seig en sie / en volgens de anderen van die Classis in Praet: Part: sigenn / II. CL: 1, deorsum ferri.

Ons Nederzygen, beneffens het M-G, Kimbr: en Ysl: vervatten, mijnes agtens, de eerste grondbeteekenis, terwijl het af- en deur-zygen daer llit overdragtelijk voortkomt.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens ons Zyge, f: H-D, seige / seihe / F, colum, qualus; en A-S, signys / descensus; en seohe / colatorium; en 't gemelde H-D, seigen / I. CL: Sax: sichten / I. CL: colare. Gelijk ook met de K in steê van G, ons Zyken, I. CL: mejere; en Bezyken, I. CL: immejere; als mede A-S, sic / lacuna; een poel daer 't water na toe zijgt; en gelijk het gevaerlijk is in eenen poel te vervallen, zo past hier op het Vlaemsche Verzyk, n: periculum; en Verzykelyk, periculosus.

 

Dog Zeeg, † Zéég, en † Zeig, het Zakelijke deel van het Praeter: vertoont zig in ons † Zeigen, I. CL: colare; en † Zeiger, turbidus; als 't onklare doorgezegene water; en met K, in plaets van G, het Vlaemsche Zeeke, Zeike, lotium, urina; waer van Zeiken, Zeeken, I. CL: mejere; en Zeike, Zeik-worm, Mier-zeike, formica; als kruipende na de zijg-gronden: dog wederom met G, en met den uitgang EL, in ons † Zegel, contr:Zégl, nu Euphon: Zeyl n: A-S, segel / saegel / segl / H-D, säghel / seghel / M, Sax: segel / Angl: sayle velum, carbasus; als ziende mooglijk op des winds drukking in 't zeil, en de daer uit spruitende overhelling en voortschieting van 't schip, in den zin van inclinare, deorsum ferri; of anders, opzigt hebbende op het water, dat 'er, tot beter spanning, tegen aen gehoost word, en in-door-en af-zijgt; zijnde verder hier van weder gevormt ons † Zegelen, nu Zeylen, I. CL: H-D, segelen / seglen / I. CL: A-S, seglian / I. CL: velificare; en transl: Zeilen, I. CL: slingeren, huc & illuc deflectere instar navigii; en Verzeylen, I. CL: errare velificando; wegens onze Euphon: versmeltinge van Egel in Eyl, hebben we breeder gesproken in onze Grondsl: I. Verhand: § XXIII. en in onze V. Dialect-regel wegens de EY: Voorts ons Zeil-stéén, m: magnes; alzoo de Compas-naelde, aen den zeilsteen gestreken, door hare wijzing ten Noorden de grondslag is van de gantsche zeilkonft in. de ruime zee.

 

Tot het oude Praeter: met A, en met eene verandering van G in K, schijnt te behooren ons Zakken, Nederzakken, I. CL: deor-

[p. 557]origineel

sum ferri; sensim delabi, descendere, deficere; in den zelfden zin als ons zygen, nederzygen. En dewijle men door halre doeken of zakken den wijn en andere vogten doorzijgt of laet doorzakken, zo past hier niet qualijk op ons † Zakken, I. CL: colare sacco; en Zak-wyn, vinum percolatum, vulgò Saccatum; en als een werktuig van doorzijging ons Zak, m: M-G, sakkus / M, F-TH, en AL: sac / sak / A-S, sacc / sace / saec / saecc / H-D, sack / Zw: sack / Dan: säck / cilicium, saccus, Graec: σακκος, Gall: sac, It: en Hisp: sacco, Hebr: sak, Wal: en Armor: sâch, Cornub: zâh, Hibern: sak, Cantabr: sacur, en Hungar: saak; en ons † Zakkel, H-D, seckel / Angl: sachel / sacculus, pera, crumena; Sclavon: sakel, en Carniol: shakel. Zo 't onze hier zijn waeren oorspronk treft, is't al zeer opmerkelijk, dat de overeenkomst van dit woord in zo velerhande talen, welke ik aen de oude gemeenschap toeschrijf, by ons nog een eerste ontworteling kan vinden, 't gene ik by geen en van de anderen ontmoet heb. Ondertusschen komt van Zak ons Zakken, I. CL: indere sacco; & farcire; & convasare; & furto abscondere; en overdragtelijk ons Zak, m: cloaca, alvus, stomachus, venter; als zakvormig, of vermits het vogt daer na toe zakt; en tr: Zak, f: hoere, scortum, lupa; en Zakkedrager, dossuarius, saccarius; en Zak-nét, n: genus retis, quo aves capiuntur; en Zakke-pyp, f: tibia utricularis; en Zak-man, m: saccularius, populator, fur, Gall: saccageur, Hisp: sacomano; vermits de luiden aenrandende, en hare zakken beroovende, of ziende op een Ital: of Spaensch gebruik van stroopers, die de luiden met zandzakken slaen, en overmeesteren; waer toe verder ons † Zakken, Zakkagèren, I. CL: diripere, depredari, Gall: saccager, Hisp: saccheggiare. Eindeling ons Zak voor een mate, makende by ons de 36 zakken een last korens uit.

 

Maer, vermits de G, ten einde der Accentsilbe komende, te mets agteraf gelaten word, zo schijnt alzoo mede hier toe betrekkelijk te zijn het A-S, se / sae / seo / en segc en seeg / F, Angl: sea / en ons Zéé, ook † Zeeuw, f: Ysl: sioor / M. mare, & olim lacus; en H-D, see / F, M-G, salw / M. F-TH, seo en sewe / M. en F, lacus, stagnum; als waer na toe het water van de Landen afzijgt en afzakt; en daer van wederom ons † Bezééuwen, I. CL: madefieri aquâ marina; en Zééuw, Zeelander, Zaelandiae incola; en Verzééuwen, I. CL: laborare nausea marina; & tr: languere stomacho. Het A-S, segc en seeg / vertoont ook als nog de g / tot bevestiging van deze gissing; gelijk ook hier niet tegen strijd, dat by 't M-G, F-TH, en ons Oude, ook w gevonden word, om dat 'er by 't M-G, en voornaemelijk by 't A-S, de w te mets per Euphoniam weder inspringt, als de D of G van agter 't Zakelijke deel is afgelaten.

 

Desgelijks in diergelijken zin als het vorige Zyge, colum, dog met den uitgang F of VE, ons † Zef, † Zif en nu Zeve, f: en ook met TE daer achter, ons Zifte, f: H.D, sib / Sax: sichte / Angl: sive / sifte / A-S, sif / syfe / sibi / cribrum; waer van ons † Zeven, en Ziften, I. CL: A-S, siftan / I. CL: Sax: sichten / I. CL: cribrare; cernere; en overdragtelijk † Zéffen en † Séfeen, nu Bezéffen, Beséffen en † Bezeven, I. CL: discernere, comprehendere; als ziftende en onderscheidende met het verstand; en Zeve, Zeef, gustus distinctio; A-S, sefa / sensus; en ziende op het mengen door middel van de zeven, ook hier toe ons Zéffens, T'zéffens, T'zevens, Séffens en Sevens pariter, unâ; en † Zéffen, I. CL: simul capere. By 't Sax: &c: is nog de ch / die onze G beantwoord.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ZYK, in 't Vla: Verzyk, periculum; &c, by ZYG, in deze Pr.

 

ZYN, &c, zie daer van by ons Wortel-deel WEEZ, in deze Proeve.

 

ZYT, by WEEZ, in deze Pr.

 

ZILT, in Zilt, Ziltigheid, &c, zie by ZOUT, in deze Pr.

 

ZIN, in praettael Ik zin sum; &c by

[p. 558]origineel

WEEZ, in deze Pr: en in Bezinnen, II. CL: 1, meditari, perpendere, animo volvere; enz, en in Zin, sensus, mens animus, affectio; Bezinnen, I. CL: adamare; Zinlyk, singulari curâ mundatus; & olim affectus animo; & ingeniosus; en Gezinte, societas, & ecclesiarum sectae; Gezin, Huisgezin, familia; en † Zinne-schalk, praepositus familiae, & praefectus provinciae; enz. by ZINN, in deze Pr.

 

Zind, in † Zinde, synodus; † Zindael, sindon; zie daer van by ZEND, in deze Pr: en in † Zinde-schalk, praepositus familiae &c; zie daer van by ZINN, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

ZING, &c, in ons ZINGEN, ZONG (oul: ook in Singul: † ZANG), GEZONGEN, II. CL: 5, cantare, modulari. M-G, siggwan / saggw (in Subj: suggwau) / suggwans / II. CL: 2, legere, recitare; en M-G, us-siggwan / II. CL: 2, legere; dog voor gg lees ng / op den trant der Grieken, waer van de Moeso-Gotthen, toen ze in Moesien zaten, vry nae gebueren waren. F-TH, singan (AL: singan en sinkan) / in Praeter: sang (in Subj: sungi) / in Praet: Part: gisungan / II. CL: 3, canere, & recitare; in den laetsten zin vind men het F-TH, thiz gi-bet singan / hanc precationem recitare, (vide Eccard: Catech: Theotisc: p: 62 en 63). A-S, singan en syngan / sang (in Subj: sunge) / sungen / gesungen / II. CL: 2, cantare. H-D, singen / sang en sung / gesungen / III. CL: 1, canere. Ysl. singia / saung of sang / en volgens de anderen van die Class:, in Praet: Part: sungenn / II. CL: 3, cantare.

De eerste grondbeteekenis schijnt het lezen geweest te zijn, als by het M-G, en met een ook by het F-TH; en, vermits de stemleiding niet alleen in 't spreken, maer voor-naemlijk in 't lezen een zeker toongezang agtervolgt, zo schijnt overdragtelijk hier uit de beteekenis van het zangerige ontleent geweest te zijn.

Met I, als by 't Praes: ons Zinger, m: H-D, singer / M. cantator, musicus; Gezing, n: cantatio fraequens; en † Zinger, m: bombarda major; als een sterken dreun,en kragtig toon-geluid makende, in tegenstelling van 't vorige schietgeweer en pijlwerk der Ouden, dat stil, of slegts met een gesnor, van de boge afvloog; en, in gelijkaerdigen zin, ons Zing-roer, Zéng-roer, en Zink-roer, n: bombarda minor, sclopus fistula igniflua; welks agterste lid ontleent is van Roer, n: fistula, calamus; om de holpijpigheid van de yzere loopbuize. Onder-tusschen past ook tot dezen stam ons † Zénge, f: ustulatio levis, sonum edens remissum; vermits de vlamschroeijing een zeker zis-geluid verwekt; of, vermits het dus gezengde leder &c, by 't buigen en roeren een kraek- geluid maekt, terwijl het buiten dat, zig lenig en klankeloos laet buigen: hier van nu ons Zéngen, I. CL: H-D, sengen / I. CL: leviter urere, torrere, ustulare; en † Ontzéngen, I. CL: incendere, suscendere; en Verzéngen, I. CL: adurere, ustulare; en overdragtelijk Zéngen het vérken, calidâ perfundere aqua & glabrare suem mactatam; als zengende of schroeijende het vel, om de hairen te losser te hebben in 't schrapen; en, wederom van Zéngen komt, om het knapgeluid der vonken, ons Zéngel, Zingel, stricturae, squamae sive scintillae è candente ferro malleis cuso emicantes; & cineres carbonum saxeorum; & scorea ferri; waer van weder Zéngelen, Zingelen, † Verzingelen, I. CL: ustulare; dat hier E voor I, in deze takken komt, is niet ongewoon aen die van deze Classis, gelijk ik in onze Grondsl: II. Verhand: §. IX. heb aengewezen.

 

Maer ook met A, uit het oude Praeter:, in den zelfden zin als deze laetst gemelden met E, het H-D, sange / F. crusta, panis tostus, frumentum tostum, & fruges tostae; en H-D, opfer-sangen / libum; en H-D, gemeine sangen / artolaganus; een zeker hartkorstig gebak; en A-S, saengan / I. CL: ustulare; als mede het Geld: Zange, Angl: songe / f sciculus spicarum; als welke halmbossen men gebruikt om door een kleine en kortduerende vlam iet te zengen. Dog wederom in den gemeenen zin van stem-leiding en toon-ma-

[p. 559]origineel

king, ons Zang; m: AL: sang / cantus, cantio, modulatio; en Gezang, n: A-S, sang / AL: sanc / carmen, canticum; en Zang-konst, f: A-S, sang-craeft / musica, ars cantandi; en F-TH, thaz sangleich / N, cantilena; en ons Zanger, Liedzanger, m: cantator: per plateas cantando victum quaerens; en Zangster, f: cantatrix, cantando victum quaerens; en Zangmééster, m: phonascus; & musicus, psaltes; A-S, sangere / M, AL: sangari / M. H-D, sänger / M, cantator, musicus; en A-S, sangistre / F, H-D, sängerinn / F, by ons Zangerésse, f: cantatrix; en met O het A-S, song / concentus; dog weder met ae / en in den zin van lezen (als by 't M-G) het Ysl: saeng / F, lectus.

Het Wortel-deel.

ZINK, &c, in ons ZINKEN (en † ZENKEN), ZONK, GEZONKEN, II. CL: 5, ire in fundum, deorsum labi; mergi, demergi; & mergere, demergere; en Ver-zinken, II. CL: 5, pessum ire; en † Zinken den dooden, II. CL: 5, inhumare mortuum; ziende op het laten nederzakken van de lijk kist.

M-G, singquan / sagq / sugquans / II. CL: 2, mergi; het M-G, letterteeken U, dat in dezen de accent-silbe sluit, word by 't A-S, doorgaends beantwoord met cw / en by ons andren met qu / en als men deze g / die daer voorafgaet, eveneens uitspreekt als de Grieksche g voor een k staende, namelijk als een n (gelijk de M-Gotthen, vermits digte by de Grieken wonende, in meer dingen haer naevolgden) zo is de schijnstrydigheid, tusschen 't M-G, en 't onze hier weggenomen. Verder A-S, sincan / sanc (in Subj: sunce) / gesuncen / II. CL: 2, Angl: to sink / sunk / funk / mergi. H-D, sincken / sank en sunk / gesunken / III. CL: 1, decidere, mergi. En, Ysl: sock / mergor; in Praet: søck / Onregelm: No. 4. In 't Ysl: word ligtelijk de n / als ze voor een k zou komen, uitgelaten.

 

Tot het Wortel-deel met I of E, als by 't Praes:, vooreerst ons † Zinke, Zénke, praecipitatio, submersio; waer van het A-S, fencan / I. CL: H-D, senken / I. CL: en met ø het Ysl: søckua / I. CL: mergere, demergere; en F-TH, bifencan / I. CL: praecipitare in aquam; verder ons Zinklóót, n: bolis; perpendiculum nauticum; als 't welke men laet zinken met een snoer om de diepte der zee-gronden te peilen: en ons Zink-Lóót, n: en 't Geld: Zénkel, Zénkel-snoer, perpendiculum, amussis linea; als hebbende eenige zwaerte aen een snoer hangen, 't gene men laet zinken, om daer uit verder het loot-regt, en wijders, door behulp van den regt-hoek, het waterpas af te meten: en, uit de gelijkheid aen een zink-snoer, het Sax: senkel / nestel, ligula; verder ons Zink-poel, m: gurges limosus; en Zink-rys n: fasces virgultorum, quibus in fundum demissis terra superingeritur adversus aquarum impetum; en Zink-zand, n: arena aestuans; als waer in door de roering van 't wél alles wegzinkt; waer op ook past het A-S, sencan / I. CL: aestuare; en ons Zinksel, n: faex, sordes, & omne densum in liquidis fundum petens; en ons Zinker, m: immergor; en overdragtelijk Zinker, tubus subterraneus; als welken men onder in den grond laet zinken, om 'er water of modder, of eenige andere vloeijende vuiligheid te laten doorspoelen; waer toe ons † Zinke, f: Angl: sinke / cloaca, latrina; als hebbende zulk eene zink-buize tot afleiding en wegspoelinge.

Het Wortel-deel.

ZINN, &c, in ons † ZINNEN, † ZON, † GEZONNEN, II. CL: 5, cogitare sentire; 't welk nu al veroudert is, dog zijnde nog zeer gemeensaem ons Bezinnen, Bezon, Bezonnen, II. CL: 5. meditari, perpendere, volvere animo; en Verzinnen, II. CL: 5, mente concipere; praemed. tari; & tr: fingere; en Zig verzinnen, II. CL: 5, labimente falli; in 't laetste komt Ver in een quaden zin, dog by 't eerste slegts als Over, en † Uitzinnen, † Ontzinnen, II. CL: 5, mente capi.

H-D, sinnen / sann en sonn / gefunnen / of gesonnen / II. CL: 1, exposcere aliquid; & animo volvere, fingere, meditari; en ansinnen / III. CL: 1, postulare, expetere; en

[p. 560]origineel

besinnen / bersinnen / III. CL: 1, pensitare, meminisse, cogitatione complecti; en ersinnen / III. CL: 1, invenire, fingere; en versinnen / III. CL: 1, labi, mente falli.

Tot het Wortel-deel van het Praes: ons Zin, m: H-D, sinn / M. sensus; en De vyf zinnen, quinque sensus; en Zin, m: H-D, sinn / M, F-TH, sin / M, mens, animus; waer van érgens op zinnen, I. CL: aliquid perpendere; commeminisse, redigere in memoriam; en ons Zin, m: affectio; waer van ons, Bezinnen, I. CL: adamare, animo affectum esse, amore prosequi; en Gezint, animo affectus; en het Subjt: Gezinte, n: societas; en Gezinte, f: en Gezintheid, f: ecclesiarum sectae; ejusdem doctrinae socii, sectatores; als van eenerhande zin en huishouding in het Kerkelijke; en M-G, gasinthel / comitatus; en verder De zin der woorden, verborum sensus, argumentum, scopus, intentio; Zin hébben in iet, affectione alicujus rei percuti, moveri; en Iet in den zin hébben, conceptare, moliri aliquid; en ons † Zinlyk, H-D, sinnlich / sinnig / en sinnisch / affectus animo; & ingeniosus & solers, en ons Zinlyk, Zindelyk, mundus, nitidus, singulari curâ mundatus, politus; en 't H-D, sinlichkeir / sinnigkeit / F. solertia, indoles, docilitas; by ons Zinlikheid, f: affectus; & electio animi; & mundities animos afficiens; Zinnelóós, Onzinnig, en Uitzinnig, H-D, unsinnig / insanus; en 't Geld: By-zinnig, amens, demens; dog by ons † Byzinnig, prudens, consideratus; als wel by zijne zinnen zijnde. Verder past ook tot dezen tak, met het zelfde regt als het bovengemelde Gezinte, societas, &c, het A-S, sin-scype / carnalis copulatio, libido; en 't A-S, riht-sinscipe / conjugium; als een geregtelijke hnwelijks verbintenis van twee egtgezinden, of die elkander bezinnen; gelijk ook A-S, sin-hiwan / conjuges; en ons Gezin, n:Zinde, Gezinde, Huisgezin, n: familia; ziende op de egtgenooten, kinderen, en onderhoorige dienstboden en gezelschap; en wijders ons Zinde-schalk, † Zinneschalk, en Zeneschalk, m: praepositus familiae; & praefectus provinciae; unde vulgò Seneschalcus, en Gall: seneschal, en Ital: siniscalca. De E en I, verschilien slegts in Dialect by dit soort van Verba's, volgens onze Grondsl: II. Verhand: §. IX; Waerom ook deze verandering van I in E, by Zinde, Zine, Zene, ons als met de hand wijst, even als na loten van een zelfden tak, na het A-S, sinu / sionu / senwe / sinwe / Angl: sinowe; H-D, sene / Saxon: sene / en senader / en 't Geld: Zene, Zeen, en ons Zenuwe, f: nervus; welker zin zo wel als gedaente op dezen stam past, alzoo door middel van de zenuwen onze vijfderlei werktuigen der zinnen aen onzen geest berigt brengen van de uiterlijke aendoeningen; waer toe verder het A-S, sina-saere / dolor nervorum; en sinehte / nervosus; en ons Zene-groen, n: bugula, prunella, solidago, een kruid dat de zenuwtrekkingen, zo men agt, geneest.

 

Dog het Zakelijke deel Zon, uit het Praet:, vertoont zig in ons Zonne, Zon, f: M-G, sunno / F. A-S, sunna / sunne / F. F-TH, sunna / sunne / sun / F, H-D, sonne / F, Angl: sun / Ysl: sunna en sol / F. sol; mooglijk uit dezen tak, in den zin van gevoelen, ontleent, vermits by uitstek onder al 't gesternte die gene zijnde, waer van de kragtige uitwerking op onzen Aerdkloot, voor elk ontwijffelbaer en gevoelig is, en de zinnen byzonderlijk aendoet, terwijle die van de Maen betwistelijk, en die van 't andere gestarnte, by meest al de verstandigsten als beuzelpraet gerekent word; of anders misschien uit de beteekenis van bezinnen, om 't aengename en van yder zo beminde Zonnelicht: gelijk ook, met een verlangde vocael, tot dien zin betreklijk schijnt ons Zoon, Zone, m: M-G, sunus / M. A-S, suna / sune / sunu / M. F-TH, sun / sune / M. Ysl: sonur / M. H-D, sohn / M. filius; als doorgaends het meest bezinde kind, overmits de Ouders zig gewoonlijk meer over de geboorte van eenen zoon, dan over die van eene dogter verheugen. Wijders nog ook met u / of ook met a / die mede tot deze Praeterita past, het M-G, sunjeins / Ysl: sannur / Kimbr: sann / Dan: sand / verus, bonus; en M-G, sunja / veritas, & sanctitas; &c, als 't gene met onzen zin, en met de waerheid der gedagten overeenkomt. Voorts vertoont zig met i of y / als by 't Praes: het A-S, sinne / synne / synn / Angl: sinne, peccatum; en by ons en anderen, als by 't Praeter: met o of u / en

[p. 561]origineel

met d daer agter, het F-TH, sunda / en AL: sunta / H-D, sunde / F, en ons Zonde, f: peccatum, delictum morale; als uit eene involging van de drift der dierlijke zinnen ontstaende; en daer van weder Zondigen, I. CL: F-TH, en AL: sundigan / I. CL: A-S, singian / syngian / I. CL: peccare, delinquere; gelijk ook uit de verdeeltheid van zin de strijden ontstaen, waer op toepasselijk schijnt het Ki: sinna / senna / lis, discordia; en sinna / folk / praelium. En mooglijk ook verder tot dezen tak ons Gezond, A-S, sund en sundfull / sanus, integer, saluber; en A-S, gesynto / salubritas; als tíerig en vrolijk; de wenschelijkste staet na den lichame, en 't meeste na elks zin en genoegen; en het oude Sax: † Gezonde (corpus & membra hominis) schijnt zo veel te zeggen als het lichaem of dat gene waer in de zinnen gehuisvest zijn: terwijl ons Zonder, A-S, sunder / sundor (a, abs, sine), en Bezonder, singularis, en Afzonderen, I. CL: A-S, syndrian / sindrian / sundrean / I. CL: segregare, separare, seligere, geduid kan worden tot eene afscheiding ontstaende uit eene verdeeltheid van keur of zin omtrent eenige zaken. Dog van deze takken met ZON, en ZOND, zie mede breeder hy het vorige ZEND, alwaer ze omtrent even wettig geplaetst schijnen.

Het Wortel-deel.

ZIT, &c, in ZITTEN (oul: † ZETEN), in Praet: ZAT (in Plur: ZATEN, en in Subj: ZATE), in Praet: Part: GEZETEN, IV. CL: 2, en, volgens 't oude, III. CL: 1, sedere, residere, considere, desidere; By-zitten, concumbere iilegitimè, cohabitare illegitimè; en Bezitten, possidere, occupare, tenere; eene overdragt, gelijkaerdig aen die van 't Latijnsche possidere mede van sedere ontleent, als toepasselijk op de ruwe behandeling van ymand, die tot bewaring of bescherminge van eenig goed, op het zelve gaet zitten, afwagtende of een ander het met geweld van onder hem zal kunnen of durven weghalen: en oul: † Bezitten eene stad, obsidere civitatem; en Op-zitten, insidere; Ymand doen op-zitten, constringere aliquem, ut gratiam vel inducias petat, veniamve alicujus facti; zo als men met de hondtjes handelt; en Veritten, alio considere loco; & olim cedere loco; allen van gelijke Classis als 't gemelde Zitten.

 

M-G, sitan / sat / sitans / III. CL: 3, sedere; ga-sitan / III. CL: 3, isedere; en us-sitan / III. CL: 3, residere F-TH, sizan (sizzan / gisizzan en setan) / sat of saz / gasizzan / III. CL: 1, sedere; en bi-sizan / bisizzan / III. CL: 1, possidere. A-S, sittan / saet / geseten / sedere, agter de II. CL: 5, en besittan / agter de II. CL: 5, obsidere; en Angl: to sit / sate / sitten / en sit sedere. H-D, sitzen / sasz / gesessen / Onreg: No. 16, sedere; en besitzen / possidere. Ysl: sitta / sat / en volgens de anderen van die Classis in Praet: Part: setenn / sedere; agter de II. CL: 4.

Dewijle, zo wel by het A-S, F-TH, en H-D, en Ysl: als by Ons, de oude natuerlijke lang-vocalige Wortel-silb van den Infinit: namelijk † Zeet, of † Ziet, &c, al in een kort-vocalige verloopen is, zo blijkt dat dit al van oude tijden her, en voor de Verspreiding dier takken geschied is. Wijders vetoont het Latijnsche sedere groote gemeenschap te hebben met onzen Stamboom, voornamelijk als men hem in zijn ouder gedaente herstelt.

 

Tot het verouderde Wortel-deel met E, ons Zeet, Zete, f: sedes, locus; statio, & temporaria habitatio; en ons Zeet, m: mansio, sedes; H-D, sitz / M, sedes; en Saxon: Gezete, femoralia, subligaculum; als waer op men zitten gaet; en Flandr: Zete, Gezete, † Zét, A-S, setl / sedes, culus, anus; en A-S, setol / seotole / M-G, sitls / M, by ons Zetel, m: sedile, cathedra, thronus; en A-S, gesetl / scamnum; en A-S, setunge / saetunge / insidiae; als ergens te schuil zittende (even gelijk het Latijnsche insidiae van sedere); en A-S, setere / saetere / insidiator; en ons Zete, Zét, Zétte, pecten rusticalis denticulatus; waer mede de aerde gevorent word om 'er plant-erten en bonen &c, in te zetten: wijders ons † Zete, nu contr: Zét, positura; van welk ingekortene ons Zétten, I. CL: Ysl: setta / I. CL: H-D, setzen / I. CL: A-S, settan / asettan / en a setan / setian / gesetian / I. CL: ponere, statuere, collocare, plantare, destinare; dog uit

[p. 562]origineel

het Praet: met a / het M-G, satjan / gasatjan / I. CL: 1, collocare, ponere; en uit het Praet: en Praes: te gelijk het F-TH, setzida / gisezzan / in Praet: sezta / sazta en setzida / in Praet: Part: gisezzit / V. CL: en I. CL: ponere; en F-TH, arsezzan / V. CL: restituere en AL: Kisezzan / V. CL: constituere. Nog ook het A-S, gesettan / I. CL: substituere, restaurare; en setnung / seditio; setnys / traditio; en settere / latro; en setnian / I. CL: insidiari; en by ons Zig zetten, quiescere, desidere; & capere sedem; en oul: † Zétten, I. CL: schatten censere, in censum redigere; waer toe ons † Bede-Zétter, m: censor; verder ons Bezétien, I. CL: circumdare, obsiderc; & conserere, intertexere, munire; & olim constituere, componere; † Bezétten tot een téstament, legare; † Bezétter, m: testator legati; Den Pande bezétten, I. CL: pignora persequi; en Be-zétten en beslaen den pande, auctoritate judicis bona detinere, convincere; en Bezétte goederen, bona sequestrata & retenta; en Bezét, n: hypotheca, & sequestratio; en 't Adject:Bezét, compositus, aptus; & consertus, intextus; waer toe het oude † Bezétheid, f: condecentia; dog nu ook Bezét, occupatus; en Bezétheid, f: occupatio; en Naeuw-bezét, Naeu-gezét, contractus, tenax, perquam pancus; voorder ons Gezétten, Inzéttingen, leges, constitutiones; Gezét lóón certum & statutum pretium; en ons In-zétten, I. CL: imponere, constituere; substituere; Aen-zétten, I. CL: apponere, adducere; & incitare; impressionem facere; Af-zétten, I. CL: deponere, movere loco; amovere, tollere, abolere, abrogare; & spoliare; en Af-zétten met ver wen, I.CL: depingere typum variis coloribus, non oleo sed aqua mixtis; Iemand nae-zétten, I. CL: prosequi aliquem; òm-zétten, I.CL: vertere; & traducere in aliam sententiam; met een Praepos: separ: en in Praeter: Part: Omgezét; dog Omzétten, I. CL: obsidere, circumponere, includere, circumdare, met een onafscheidelijk Voorzetsel, en in Praet: Part: Omzèt; nog ook ons Ontzétten, I. CL: verlossen, suppetias ferre, liberare, solvere; en Zig Ontzétten, I. CL: ontstelt raken, stupescere, expavescere; en Iemand iet ontzétten, Af-zétten, I. CL: adimere aliquid alicui; en Ontzét, n: suppetiae; en 't Adject: Ontzét, liberatus; quin etiam, perturbatus; daerenboven ons òpzét, n: consilium, propositum; & olim insidiae; en òpzétten, I. CL: imponere, instituere, constituere, proponere; & erigere, in altum elevare; Het géld op-zétten, I. CL: nummorum valorem augere; en òp- of Open-zétten, I. CL: pandére; Over-zétten, I. CL: trajicere; & transferre, interpretari; Verzétten, I. CL: translocare; oppignorare; en Verzét staen, consternari; even gelijk ymand, die op 't schielijk zien en ontmoeten van iet onverwagts door ontroerenis agteruit-treed, en zig verzet; Veur-zétten, I. CL: apponere, praeponere; en Voort-zétten, I. CL: propellere, urgere; & promovere; en Uit-zétten I. CL: exponere; & dilatare; waer toe ons Uit-zét, m: Uitzétting, f: expositio; dilatatio; en het oude † Uit-zét, n: lepra; en † Uitzéttig, leprosus; of om dat de Melaetschen buiten de menschelijke gemeenschap verschoven en als uitgezet worden, of vermits de quael zelf een uitslag of uitzetting op het vel is; en Uit-zétten ten houwelyke, I. CL: collocare nuptui, elocare, dotare; en Uitzét, m: Uitzétting, f:Uit-zétsel, n: dos, elocatia; en Géld uit-zétten, I. CL: foenori locare pecuniam; en † Uit-zétten, I. CL: uitstellen, differre; waer toe ons † Uitzét, † Uitzétsel, n: dilatio, procrastinatio.

Dog wederom met de lange zagte E, uit het Praeter: Partic: ons Bezeten, possessus; & tr: daemoniacus; A-S, beseten / obsessus; en ons Gezeten zyn, habitare, sedere; en † Gezetene wyn, vinum defoecatum; als welks droessem bereids is gestreken of gaen zitten: en A-S, seten / planta; als welke men ingezet heeft; en A-S, fetine / propagines; als voorzetsels; en A-S, setena / by ons Ingezetenen, incolae.

Maer uit het tegenwoordige Praesens met I, ons † Zitte, sedes; Zit-bank, Zit-ting, sedile; Zit-dag, m: dies fastus, quo Praetor pro tribunali sedens jus dicit; en H-D, sitz / M. sedes, habitatio, possessio, en ons Bezit, n: possessio, & olim obsessio obssessio; en By-zit, f: concubina; en Byzitter, assessor, & Consiliarius.

[p. 563]origineel

Dog uit het Praet: met A, het gemelde M-G, satjan / gasatjan / I. CL: 1, ponere; &c, en 't A-S, saetenga / insidiae; saetere / insidiator; en Ysl: saete / N, sedes; en het H-D, sasz / beysasz / M. incola; A-S, saeta / coloni, habitatores. H-D, erbsasz / haereditarius; en freysasz / libertate donatum praedium possidens; en ons † Huis-zate, † Huis-zete, domesticus familiaris; Voorzaet, m: en f: H-D, vorsasz / antecessor, & generis auctor; Naezaet, m: en f: H-D, nach-sasz / successor; en Landzaten, H-D, landsassen / subditi; en Omzaten, circumhabitantes; en Onder zaet, subditus, subjectus, cliens; en M-G, saithwe / A-S, sethelgang / occasus solis; als waer de Zon zig nederzet en onderduikt volgens het vertoog van 't gezicht. Voorts A-S, saetung / occupatio, possessio, aucupatio; en † Af-zaet, m: podium, projecta; als vooruit afhangende gezet; en 't Geld: Bezaet, beslag, retentio, manus injectio, vulgò Arrestum; en Ontzaet, ontslaging, remissio, absolutio; en † Gezaet, † Gezatig, en † Zatig, modestus, tranquillus, placidus; als bedaert, en in vergelijking van de troebele vogten, als gestreken, in tegenstelling van de opgestingen der jonge jeugd; en † Ongezaet, ferus, immanis. Wijders het Vla: Zate, f: Angl: seat / sessio, sedile, statio, portus, navale; en ons † Zaten, I. CL: sedere, considere De lange A, in deze onze genoemde Takken behoort eigentlijkst tot het Praeter: Subjunctivi.

ZO.

De Zaek- en Wortel-deelen.

ZÓCHT, by 't volgende ZOEK, in deze Proeve.

 

ZOED, in † Zoede, ebullitio; by ZIED, in deze Pr: en in † Zoedse, caespes; zie daer van bij ZAEY, in de II. Pr: en by 't gemelde ZIED, in deze Pr.

 

ZOEF, in † Zoeffen, sorbere; zie by ZUIP, in deze Pr.

De Wortel- en Zaek-deelen.

ZOEK en ZÓCHT, in ons ZOEKEN, ZOCHT, GEZOCHT, V. CL: quaerere, requirere; Verzoeken, V. CL: precari, requirere; & tentare; degustare; & olim visitare; Onderzoeken, V. CL: inquirere, examinare; met een Praepos: inseparab: en in Praet: Part: zonder GE; en ònder-zoeken, V. CL: quaerere infra, subter; met een Praepos: separ: in Praet: Part: ònder-gezócht; en Bezoeken en Bezueken, V. CL: visitare; & visire; & tentare; en Uit-zoeken, V. CL: seligere.

A-S, saecan (secan / soecan) / sohte / gesoht / IV. CL: quaerere, scrutari; gesecan en gesoecan / IV. CL: appellare; sequi; raedsecan / IV. CL: consilium petere; thurh-secan / IV. CL: conquirere. Angl: to seek / sought / quaerere; to beseek; besought / precari. Kimbr: seckia / quaerere; in Praet: soktte / adiit, quaerebat; en Ysl: saeckie / adfero; in, Praeter: soktte / Onreg: No. 5, deze zin van 't Ysl: is wat duister om dien met de anderen over-een te brengen; waerom ik dit liever schikke by 't Wortel-deel ZAEK, in de II. Pr.

Dog Gelijkvloeijend vertoonen zig deze Stam-takken by 't M-G, sokjan / sokida / sokiths I. CL: 1, quaerere. F-TH, suochan / AL: suahhan / suohta / gisuohhit / I. CL: petere, quaerere, requirere; en AL: zua-kesuahhan / I. CL: adquirere; en kesuahhan / I. CL: reperiri, & probare; en er-suahhan / I. CL: examinare, & exigere; zar-suahhan / I. CL: scrutari; en suahhan / I. CL: visitare. H-D, suchen / suchte / gesuchet / I. CL: quaerere; en besuchen / I. CL: visere, invisere; durch-suchen / I. CL: perscrutari; ersuchen / I. CL: sollicitare; versuchen / I. CL: tentare; undersuchen / I. CL: disquirere; borsuchen / I. CL: expromere, proferre; zersuchen / I. CL: pervestigando fatigari. En ook A-S, secan / I. CL: quaerere; uit welks Praet: Part: ontleent is het A-S, gesecednysse / inquifitio.

 

Tot het Wortel-deel Zoek, ons Bezoek, n: visitatio; Aen-zoek, m: sollicitatio; Onderzoek, n: perquisitio; en Verzoek, n: petitio; & tentatio; & olim visitatio. De reden waerom dit tweede Masculin, en de anderen

[p. 564]origineel

Neutra zijn, vind zig opgelost in onze 12. Redewiss: §. XLVII. alwaer van dit edele onderscheid in 't breede gehandelt word. Wijders ons Zoeker, m: indagator; & tr: harpago; en A-S, socn / socne / quaestio. De overige Takken van dezen Boom, die niet vele zijn, verdienen geen stil-staen nog opmerking.

De Zaek- of Wortel-deelen.

† ZOEP, in † Zoepe, haustus, ecligma; en † Zoepen, sorbere; by ZUIP, in deze Proeve.

 

† ZOEW, in † Zoewe, caespes; zie daer van by ZIED, in de I. en by ZAEY, in de II. Pr.

 

ZOF, in † Zoffen, sorbere; by ZUIP, in deze Proeve.

 

ZÓG, in Zóg, n: succus; & sulcus navis; en Zóg, f: sus, scropha; by ZUIG, in deze Pr.

 

† ZOK, by ZAEK, in de II. Pr.

 

ZÓLD, in Bezólding, stipendium; Bezóldenaer, miles stipendiarius; &c, by ZUL, in deze Pr.

 

ZÓLT, in † Zólt, sal; en † Zólten, salire; zie by ZOUT, in deze Pr.

 

ZOM, in † Zom, Zommig, aliquis; T'zomwyle, aliquando, interdum; † Zomme, onus; † Zombéést, jumentum sarcinarium; † Zom-zadel, sellae dossuariae jumentorum; en † Zommier, jumentum sarcinarium; zie daer van by ZAEM, in de II. Pr.

 

ZON, in Zonne, sol; Zondag, dies solis; zie daer van by ZEND, en by ZINN, beiden in deze Pr: en in Bezon, Bezonnen &c, by 't laetste.

 

ZOND, in Zond, Gezonden, by ZEND, in deze Pr: en in Zonder, sine &c; Bezonder, singularis; Afzonderen, segregare; Zond, fretum; Gezond, sanus; Zonde, peccatum; enz, by 't zelfde ZEND, en by ZINN, in deze Proeve.

 

ZONG, by ZING, in deze Pr.

 

ZONK, by ZINK, in deze I. Pr.

 

ZOOD, in Zode, ebullitio; ardor stomachi; acervulus rerum diversarum; & olim puteus, cloaca; & caespes, gleba; en Gezoden en gebraden, cocta & assa; & tr: epulae zie daer van by ZIED, in deze Pr: en van 't eerste ook iet by ZAEY, in de II. Pr.

 

† ZÓÓD, in † Zoode, cloaca, puteus sentina, stillicidium; zie by ZIED, in deze Proeve.

 

ZOOG, in † Zoge, sus, scropha; en Zoog, Gezogen, by ZUIG, in deze Proeve.

 

ZÓÓG, in † Zóóg, succus lacteus; en Zoogen, lactare; &c, by ZUIG, in deze Proeve.

 

ZOOY, in Zoye, caespes, gleba; zie by ZIED, in deze, en by ZAEY, in de II. Proeve.

 

ZOOM, in Zomer, aestas; &c, en Zome, onus quod jumentum ferre potest; zie daer van by ZAEM, in de II. Pr.

 

ZOON, in Zone, filius; zie daer van by ZINN, in deze Pr.

 

ZOOP, in Zope, haustus; & olim jusculum; by ZUIP, in deze Pr.

 

ZÓÓP, in Zóóp, haustus; en Zóopte portiuncula vini adusti; by ZUIP, in deze I. Proeve.

 

ZÓU, in 't Praet: van Zullen, by ZUL, in deze Proeve.

[p. 565]origineel

ZÓUD, in Zóude, 't Praet: van Zullen, by ZUL, in deze Pr.

De Wortel-deelen.

ZÓUT, ZÓLT, ZULT en ZILT, in ons ZOUTEN (oul: ZÓLTEN) in Praet: ZOUTTE (oul: † ZIELT, contr: † ZILT), in Praet: Part: GEZOUTEN (oul: GEZOLTEN), VI. CL: oul: III. CL: 6, sale condire; en Verzóuten, VI. CL: nimium salire; M-G, saltan / in Praet: Part: saltans / III. CL: 1, sale condire; en H-D, saltzen / sale condire; en gesaltzen / salsus; zie IV. CL: 2. De verandering van a en u by 't Lat: sal, en insulsus, schijnen aen te wijzen, dat het van overouds, voor de Verspreiding, mede van een diergelijk ongelijkvloeijend Verbum gesproten zy geweest, hoewel het geen t voert, gelijk onze stammen en takken.

 

Tot ons Wortel-deel uit het Praesens ons Zóut, † Zólt, n: M-G, salt / N, Ysl: sallt / N, A-S, sealt / N, H-D, saltz / N, Angl: salt / sal; en A-S, salt-erne / locus ubi sal fit; en onze oude spreekwijze van Zóut en brood eten, offam judicialem edere; alzoo men uit Bygeloovigheid, in de middeleeuwen, den beschuldigde een bezworen brood met zout te eten gaf, wanende, dat niemand, die zig des quaeds bewust was, zulk een brood verz welgen kon; zie Kil: 1599. Voorts ons † Zólte, nu nog Zulte, Zult, en uit het Praet: met I, ook † Zilte, Zilt, n: muria, salsugo; en Zult-spék, n: lardum conditum; waer van ons Zulten, I. CL: muria condire; en 't Sax: sulte / salina; en H-D, sultze / F. viscera, intestina, opsonia condita.

 

Tot het Praet: met I, ons gemelde † Zilte, Zilt, salsugo, muria; waer van ons Ziltigheid, f: salsugo; en 't Ysl: sylld / F. halec; vermits ingezouten; en 't F-TH, silzan / I. CL: en A-S, syltan / I. CL: sale condire.

 

Tot het Praet: Part: het M-G, unsaltan / insulsum; en ons Ongezóuten, insulsus; & tr: ingratus incivilis.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ZÓUW, in Zóuwe, sus; by ZUIG; en in Zóuwe, cloaca; by ZIED, in deze Proeve.

ZU.

ZUCHT of ZUGT, in Zugt, languor, tabes; Zucht, cupedo, & suspirium prae cupedine; en Zuchten, languere; & suspirare prae cupedine; by ZUIG, in deze Proeve.

 

† ZUEK, in † Zuke, morbus, aegritudo; by ZUIG, in deze Pr.

 

ZUGT, zie ZUCHT, hier boven.

Het Wortel-deel.

ZUIG, &c, in ons ZUIGEN, ZOOG (oul: ook in Sing: † ZÓÓG), GEZOGEN, II. CL: 2, sugere, lingere. F-TH, siugan / soug of suog (in Subj: sugi)/ gisogan / II. CL: 2, sugere. A-S, sugan en sucan en sycan / seag (in Subj: suge) / sogen / II. CL: 1, sugere. H-D, saugen / sog (in Subj: söge)/ gesogen / II. CL: 4, sugere. Ysl: siuga / en volgens de anderen van die Classis in Praet: saug / en in Praet: Part: sogenn / II. CL: 2, sorbere.

Met onzen Wortel-stam komt het Latijnsche zeer nae overeen; en met het Latijnsche wederom het Ital: sugare, succiare, en 't Fransche sucher.

 

Het Worteldeel van 't Praesens vertoont zig in 't Onze en 't Geld: Zuig-amme f: nutrix; Zuig-lam, n: subrumus; Zuigeling, lactens; en Zuiger, n: suctor; & sanguisuga.

 

Uit het oude Praet: met ÓÓ, ons † Zóóg, succus lacteus; waer van ons Zoogen, I CL: F-TH, sougan / I. CL: lactare; dat is, Zog

[p. 566]origineel

geven: en AL: chisaughan / I. CL: ablactare; dat is Zog onthouden; en H-D, saugen / I. CL: lactare; waer toe mede ons Zoogeling, m: of f: lactens, collactaneus; en Zóógsel, n: succus lacteus.

Maer tot het andere Praet: Indicat: of Subj: het H-D, seugen / I. CL: lactare; en ons † Zoge, f: nu Zóg, A-S, sogotha / sogethe / succus; en ons Zóg, † Zoge, † Zoege, en Zeuge, en † Zouwe, f: A-S, suga/ sugu / Angl: sawe / sus, scropha; als vrugtbaer van zog om vele jongen te voeden, of ook, mooglijk, om 't slobberend wroeten in de moddergronden; en Zeuge-bróód, n: cyclaminos, panis porcinus; om dat de wortelen van dezen aerd-appel graeg van de verkens gegeten worden, schoon 'er de wolven en vossen den dood in vinden zouden; en transl:Zoeg, asellus, & porcellus, piscium genus; namelijk 't snoetige soort van visch, als kabeljaeuw en post, die by 't openen van den mond, den verkenssnoet als naebootsen. Voeg hier by ons Zóg, n: ook † Zók, n: A-S, sich / sulcus navis; als de vlakte van stroom, die agter 't varende schip, door de weder-toezuiging van het water, gemaekt word.

 

En uit het Praet: Part: het A-S, forsogen / lassus, viribus fractus; als wiens levenssappen ten deele verspilt raken.

Welke overdragt van zin ook verder aenleiding geeft, om tot dezen Stam te betrekken ons Ziek, † Zuik, M-G, siuks / AL: siuch / sioh / siech; A-S, seoc / sioc / seac / H-D, siech; Dan: siug / Angl: sick; Ysl: siukur / infirmus, languens, aegrotus; wanneer, by gebrek van een behoorlijke kleinzing of van vereischte uitwaseming, de fijnste vogtbuizen met verkeerde of ongetemperde sappen als toegezogen en zo verre bezet raken, dat de lijder het gebruik der ledematen en zijne kragten verliest; waer van verder ons Ziekelyk, en 't Vla: Ziekertieren, morbosus, valetudinarius; en het F-TH, siechon / I. CL: en ons Zieken, I. CL: languere, aegrotare; en 't M-G, siukands / malè habens: beneffens het M-G, siukei / F. F-TH, of AL: siuhchu / Ysl: syke / by ons Ziekte, f: oul; ook † Zuikte, † Zukte, en † Zukke, en † Zuke, f: morbus, aegritudo; en mede met G of CH, ons Zugt, f: H-D, sucht / F, languor, tabes ex diuturno morbo; & olim morbus; F-TH, suhti / F. Ysl: soott / F, morbus, languor; M-G, sauhtei / F, infirmitas, languor; en AL: suhtig / morbidus; en by ons Zuchtig, languens, morbosus; waer mede men nu by Ons voornamelijk meent de opzwellende en opgestopte vogten in eenige ledematen, zijnde gewoonlijk of voorloopers of gevolgen van ziektens: En, gelijk de ziekelijken ligtelijk aen 't adem-zugten vervallen, zo komt hier van ons Zugten, I. CL: Angl: sighe / languere; & prae languore vel aerumnis suspirare; en ons Verzuchten, I. CL: ingemiscere, suspiria ducere. Voorts het H-D, sieken en sücheln / I. CL: valetudinarium esse; en het H-D, seuche / F, morbus contagiosus; waer van het H-D, seucheln / I. CL: morbo tabescere; gelijk ook A-S, siclan / I. CL: aegrotare. Dat men hier by ons en eenige anderen de IE in steê van UI vind, is niet oneigen aen die van deze Classis; 't gene insgelijks door 't bovengemelde † Zuikte voor Ziekte, bevestigt word: ten andere, dat ook by sommigen alhier K in steê van G of CH komt, word met het A-S, sugan en sucan, sugere, en met vele andere gelijkstammige voorbeelden, gelijk ook met ons eigene Zugt en † Zukte, in dezen gewettigt. Daerenboven blijkt het overtuiglijk uit deze veranderingen van IE, UI en U, dat deze Takken uit een diergelijk Ongelijk-vloeijend Verbum van de II. CL: 2 of 3, moeten gesproten zijn; behalven dat valt 'er ook nog minder wegens deze Overdragt te twijffelen, als men overweegt, dat zelf ons Ziek en Zugt tevens in zulk een andren zin by ons gelden, die vry net by dezen Wortel-stam toepasselijk komt; want, gelijk door het Zuigen een aentrekking van vloeijbare vogten word gemeent, zo word ook by Overdragt, de Vierige begeerte en trek na iets, door deze gemelde woorden, voornamelijk in agterlassing, te kennen gegeven, als Zucht, f: cupedo; en Zucht, m: suspirium prae cupedine; waer van ons Zuchten, I. CL: A-S, sican / siccettan / I. CL: suspirare prae cupedine; en ons Zucht, m: Gezucht, n: H-D, sufftze / Angl: sicht / suspirium, gemitus; en

[p. 567]origineel

Verzukkinge, f: ecstasis, excessus mentis; en ons Géld-ziek en Géld-zuchtig, avarus; en Géld-zucht, Géld-ziekte, avaritia; Speel-ziek, cupidus ludi; en Man-ziek, viri appetens; enz. En, zoo my de scherpe S niet weerhield, zou ik ligtelijk in dit ziekenhuis ook een plaetsje toegeschikt hebben aen ons Sukkelen, Sokkelen, I. CL: aerumnosè vitam trahere, sive morbum morbo suceedente, sive afflictus paupertate vel miseriis; terwijl ik nu, voor 't naest, dit overdragtelijk ontleent schatte van ons † Sukkelen, † Sokkelen, I. CL: caespitare, vacillare, offendere ad stipitem; Ital: socca, stipes; en Versukkelen, I. CL: propellere, & propelli; & vagare; 't gene de menigvoudige tegenspoed vry nettelijk verbeelden kan, en 't welk ook (even gelijk ons struikelen van struik) gevoeglyk afgeleid word van ons Sókke, A-S, socc / H-D, sock-schuch / Angl: socke / calceus, soccus, pedule; zijnde eertijds slegts voetzolen in steê van schoenen, om den voet voor den aenstoot der struiken der beschermen, in gebruik geweest.

Ondertusschen ter gelegentheid van deze gemelde UI by 't Wortel-deel, en van de C of K, in steê van g / by 't A-S, sucan en sugan / sugere, zo schiet my te binnen, dat men voor het Latijnsche saccharum, by deszelfs Bastertkinderen en anderen, in de accent-silbe niet de a vind, maer doorgaends de verre daer van verschillende u, als Gall: sucre, Ital. succhero succaro, Hisp: azucar; en mede in 't Angl: sugar / en 't H-D, sucker / en by ons Suiker, f: en by sommigen Zuiker, f: even als of dezen niet zo zeer van dat saccharum (waer voor in 't Grieksch σάκχαρ, en Arab: sacchar) als wel van 't Latijnsche sugere, Ital: succiare, en Gall: sucher, of van takken van het Oud-Duitsche sugen of siugan ontleent ware; als zinspelende op het gebruik der ouden van haer saccharum uit riet te zuigen, volgens de woorden van Lucanus.

Quique bibunt tenera dulces ab arundine succos. Of anders van 't Latijnsche succus, vermits de hedendaegsche Suiker een afgekookt sap is uit een zeker Indiaensch riet: zijnde middelerwijle mede by ons meestal de scherpe S, en minst de zagte Z, by dit woord in gebruik, waer van ik de rede meene te zijn, dat allereerst deze naem, zo wel als de zaek, door telgen van de Romansche sprake, als het Spaensch, Portug: Ital: of Fransch, tot ons overgekomen is. Wijders in plaets van de Suiker, die nu by onzen tijd zo gemeen is, gebruikten van ouds de Grieken en Romeinen en andre Europische volkeren den honing, en dat oude saccharum diende slegts voor een geneesmiddel om open lijf te maken, en is, volgens het vermaen van Vossius in zijn Etymolog: in voce Saccharum voor wat anders te houden als onze hedendaegsche Suiker; want, schoon uit Varro (by Isidorus) te vernemen is, dat het Oost-Indiaensche suikerriet niet ongehoort by de Europianen was, volgens deze woorden,

Indica non magna nimis arbore crescit arundo;
Illius è lentis premitur radicibus humor,
Dulcia, cui nequeat succo contendere mella:

egter getuigt Plinius van het saccharum, dat het is, in arundinibus collectum, gummium modo, candidum, dentibus fragile, amplissimum nucis avellanae magnitudine, ad Medecinae tantum usum; zo dat dit saccharum en dat zoete Indiaensche riet-vogt vry wat van elkander verschilden, en ook beiden van onze hedendaegsche Suiker, alzo de Saccharum volgens Plinius, gommig en bros was, en in rieten vergadert wierd, terwijl 't andere Indiaensche vogt, dat uit het riet geperst wierd, vloeijbaer was volgens dit versje; en schoon dit riet al 't zelfde soort als 't nu bekende suikerriet mogte geweest zijn, egter was de konst van dit sap te koken, te zuiveren, en te doen stremmen tot korrels of kristal-klonten, den Ouden onbekent; gelijk dat daerom ook onder de nieuwe uitvindingen van onze later eeuwen, sedert de ontdekking van de Oosten West-Indiën getelt word. Ondertusschen word deze gemelde kristal-klontige by ons ook genaemt Stók-suiker, f: saccharum cristallinum; vermits gewoonlijk aen stokjes, in de vormpotten liggende, aengestolt, hoewel men sedert eenige weinige jaren herwaerts begonnen heeft touwtjes of draedjes in stêe van stokjes daer toe te nemen, blijvende egter die naem nog volgens 't eerste en oude gebruik in wezen. Van Suiker komt

[p. 568]origineel

ook ons Suikeren, I. CL: imbuere saccharo, condere saccharo; en Suiker-peën, carum, carvi; als leverende deze wortelplant een bruin-agtig zaed, omtrent als Anijs, 't gene de Suiker-bakkers gewoon zijn te omsuikeren, en dan de naem krijgt van Suiker-karvy, of ook wel muize-keutels, vermits van die grootte, dog wit zijnde; en Suiker-wortel, sisarum; een witte wortel die in de keuken-spijs gebruikt word, en zoet van smaek is.

Eindeling ons Suikerey en Sichorey, schoon dit zeer na het bovengemelde Suiker gelijkt, is niettemin van een andere afkomst, namelijk van 't Latijnsche cichorea of't Fransche chicorée.

Het Zakelijke deel.

ZUIK, in † Zuikte, morbus, aegritudo; en Zuiker, saccharum; zie daer van by 't vorige ZUIG, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

ZUIP, &c, in ons ZUIPEN, ZOOP (oul: ook in Sing: ZÓÓP), GEZOPEN, II. CL: 2, Sorbere, potare; & nunc usitatius, Immodicè potare; en Verzuipen, II. CL: 2, submergere, & submergi; en Zig verzuipen, II CL: 2, nimio potatione consumi; & aquis se submergere.

F-TH, siufan / souf en suof / gisofan / II. CL: 2, mergere. H-D, sauffen / sof (in Subj: söffe) / gesoffen / II. CL: 4, potare.

Ysl: siupa / saup / en volgens de anderen van die Classis in Praet: Part: sopenn / II. CL: 2, sorbere.

A-S, supan en sypan / potare, sorbere; gisse van de II. CL: 1. dog de voorbeelden ontbreken my.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens ons Zuipe, f: Haustus; & pulmentarium; sorbillum, cyceon, & miscellanea potio; & rusticis Lac; A-S, sype / sorbillum; en Zuip-peer, f: sorbum; hebbende gemeenschap met dezen stam, even als 't Latijnsche sorbum met sorbere: deze vrugt van den suip-peer-boom, ook sorbenboom genaemt, is, gelijk de mispelen, schoon ze al rijp is, in 't eerst nog te wrang om te eten, dog gemeukt zijnde, kan men 't binnenste daer uit zuigen of slorpen; waer op eigentlijk de naem van suip-peer ziet: dog de wilde sorbenboomen brengen een soort van bessen en geen peeren voort; volgens Gabbema in Zijne Friesche Lustgaerde p: 50.

 

Het oude Praeter: met ÓÓ vertoont zig in ons Zóóp, m: haustus; & tr: vinum adustum haustu destinatum; en ons Zóópje, f: portiuncula vini adusti; en 't Ysl: saup / N, sorbillum; en het AL: pi-sauffan / I. CL: absorbere.

Dog uit het andere Praet: Indic: en Subj: met O by ons, het Ysl: sope / M. en ons Zope, Zoop, en † Zoepe, f: haustus, ecligma, sorbiuncula; waer van ons † Zoepen, en in een H-D Dialect ook † Zoeffen, † Zoffen, I. CL: sorbere; en 't H-D, suppe / F, by ons † Zope, en nu mede in de H-D, Dialect, met de scherpe S, het Vriesche Soepe, botermelk, lac serosum, ex quo butyrum confectum est; en ons Sóp, n: Sóppe, f: jus, jusculum, liquamen, sorbillum, unde Gall: soupe; en Sóp, f: Angl: soppe / panis è jure, offa è jure, unde vulgò suppa, Hisp: sopa, Ital: suppa; en A-S, sop-wella / offarum fons; waer van verder ons Sóppen, I. CL: panem intingere in jus, insuccare; en 't H-D, supfen / I. CL: sorbere; en 't M-G, ga-supon / I. CL: 3, condire; als of het zeide Oversoppen; maer in den zin van 't drinken het H-D, seufen / I. CL: ad potum invitare alium.

 

En, overmits de P en B, F en V, by de minste Dialect-verandering, elkanders plaets innemen, zo schijnen tot dezen stam ook te behooren, ons Zuivel, n: lactarium; en A-S, syfel / syfling / sufol / sufle en sufl / pulmentarium, obsonium, als slorpkost; thans noemt men by ons ook Zuivel, al wat van de melk gemaekt word, gelijk ook de melk zelf by sommigen Zuipe heet. Wijders, als men ziet op de reinheid, voornamelijk die van den drank of van de soppen en lepelkost van haer droesem en gift-schuim wel gescheiden zijnde, zo vertoont zig ook niet ongevoeglijk hier toe ons Zuiver, H-D, sauber /

[p. 569]origineel

mundus, purus; & tr: castus; en A-S, syfor / syfre / sifer / sifre / sobrius, castus; en AL: unsubro / sordidè; waer van verder ons Zuiveren, I. CL: F-TH, suberan / gisuberan / I. CL: H-D, saubern / I. CL: mundare; en F-TH, bi-un-subiran / I. CL: contaminare.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ZUIV, in Zuivel, lactarium &c; Zuiver, purus; zie daer van by ZUIP, in deze Pr.

 

† ZUK, in † Zukke, morbus; aegritido; en † Verzukking, ecstasis; zie daer van bij ZUIG, in deze Pr.

De Wortel- of Zaek-deelen.

ZUL en ZAL en ZÓUD, in ons ZULLEN (oul: SCHULLEN, debere), in Praet: ZÓUDE oul: ZÓLDE, Onreg: No. 7. 't gene tegenwoordig by ons alleenlijk dient om tot een Hulpwoord te verstrekken by 't Futurum, en 't hacchelijke of toekomstige Imperf: Subjunct: &c.

In onze 10. Redewisseling hebben we al verhael gedaen, eerstelijk dat van ouds, zo by die van Duitschen als ook by die van Kimbrischen Stamme, het Futurum even-eens als het Praesens by de schriften gebruikt wierd, zonder eenig verschil van Terminatie, of eenig Hulpwoord tot onderscheid, gelijk Wij en al de andere Verwantten als nog geen byonderen uitgang daer toe hebben, maer wel dit gemelde hulpwoord Zullen; en ten andere, dat eerst in de Middel-eeuwsche tijden onder de Duitsche en Noordsche volkeren het gebruik van dit Hulpwoord is doorgedrongen, 't welk in zijn grond zo veel als moeten of schuldig zyn beteekende: In 't M-G van de IV Eeuw, vind men al eenige voorbeelden daer van, dog schaers; desgelijks ook zeldsaem by het F-TH, in Tatiani Harmon: Euangel:, en by de A-S, vertalinge, die nevens 't Euangel: Gothicum: gevoegt is en dan nog doorgaends in de beteekenis van het pligtige, gelijk ook de H-Duitscher tot nog toe zijn sollen (oportere) alzoo gebruikt, terwijl zijn werden / even als ons Zullen, voor 't gemeene Futurum opkomt. Dog in 't F-TH, by Willer: Abbat: Paraphras: in Cantic: Canticor: van omtrent de X. Eeuw, komt dit Hulpwoord sculan al in dezelfde kragt als thans by Ons; gelijk ook in 't hedendaegsche Ysl: eg skal / &c.

Om nu de gedaente van 't eerste af op te halen, en de vergelijking netter by-een te hebben, zullen we die van de oude en hedendaegsche Verwantten hier by een schikken.

M-G, ik skal / debeo, oportet me; skalt / debes; skulda / debebat; skuldedum / debebamus; en skal gaswiltan / debet mori; saei skulda quiman / qui venturus est; skulda gadauthnan / esset moriturus; skuli gangan / iturus est; en skuli wairthan / erit, fiet; VI. CL: of Onregelm: No. 9.

F-TH, skulan of sculan / debere; in 't Praes: Indic: ich en her skal; in Plur: wir sculan; en in 't Praes: Subj: ich en her scule; In Praet: Ind: & Subj: ich en her scolda / VI. CL: of Onreg: No. 3. Dog by Willeraem, als gezegt, komt het al in den zelfden zin als ons Zal &c.

A-S, sceolan of sceoldan / debere; in 't Praes: Indic: ic en he sceal; in Plur: we sceolun; en in Praes: Subj: ic en he sceole of scile; in 't Praeter: Indic: ic en he sceold / en Subj: ic en he sceolde. V. CL: of Onregelm: No. 7.

H-D, sollen / oportere; in Praes: Indic: ich en er soll / in Plur: wir sollen / &c. in Imperf: Indic: ich en er solte / in Subj: ich en er sölte. Onregelm: No. 17.

Ysl: in Praef: Indic: eg en hann skal (als by ons Ik en Hy zal) in Plur: vier skulum / &c: in Praes: Subj: eg en hann skule / in Praet: Imperf: eg en hann skillde. Zie No. 6, onder de Hulpwoorden, in 't XXXV. Hoofd-deel.

Dog by Ons op de volgende wijze.

In Praes: Indic: Ik en Hy zal (oul: Schal), Wy zullen (oul: † Schullen) Gy en Gyl: Zult, dienende tot een algemeen hulpwoord van 't Futurum, wanneer het voor den Infin: van eenig Verbum geplaetst word; als Ik zal gaen, ibo; &c.

[p. 570]origineel

In Praet: Imperf: Ik en Hy Zóude, contr: Zóu (oul: † Schólde, en † Zólde) &c, tot Hulpwoord an het toekomstige Imperf: Subjunctiv: als Ik zóude gaen, irem; enz.

In Infinit: Zullen (oul: † Schullen), en in casu obliq: Te zullen, tot Hulpwoord van 't Futurum Infin: als Zullen gaen, en in casu Obl: Te zullen gaen.

In Partic: Praes: Zullende, tot Hulpwoord van 't Futur: Partic: als Zullende gaen, iturus.

En dewijl dit (Verbum, beneffens ons Mogen en Kunnen by den Sing: van 't Praes: Indic: een Vocaelwisseling in A krijgt, zo spruiten hier uit driederhande Zakelijke Deelen voor Ons, als Zal (oul: † Schal), Zoud of Zóu (oul: † Schóld), en Zul (oul: † Schul of † Schól).

Ondertusschen vind ik het opmerkens-waerdig, dat ik in 't doorlezen van de Edda Islandorum, behelzende de Fabulen van de oude Noordelingen, de drie schik-Godinnen genoemt zag Urd / Verande / en Skulld; 't gene zo veel zeid als Wierd, Wezende, en Zullende; zijnde deze Skulld die gene, die de Toekomstige zaken bestiert, terwijl de Middelste de Tegenwoordige, en de Eerstede Voorledene waerneemt. Uit welke benamingen niet duisterlijk blijkt, dat ook de Oude Noordelingen niet alleen uit het bedrijf hunner oude Helden-vorsten hare Fabelen gesmeed, maer ook, even als de Grieken en andere Heidenen, met eenige natuerkundige beschouwingen die verrijkt hebben: ten andere ziet men hier in al een voorbereidsel van dit skulan voor een toekomend te gebruiken, dat zig sedert zo verre over Europa verspreid heeft.

In den ouden zin van 't Pligtige of moeten schijnt tot dezen stam betrekkelijk, even zo wel als tot ons Wortel-deel SCHELD, in deze I. Proeve, ons Schuld, † Schóld, en † Schóud, debitum, & culpa; en de verdere takken daer toe behoorende, en daer ter plaetse aengehaelt.

 

Tot het Zakelijke Deel uit het oude Praes:Schal, en met den uitgang K, mooglijk ons Schalk, m: A-S, scealc / scalc / servus, famulus, minister; en AL: schalch / M; M-G, skalks / M; servus, puer; als een onvrijen, of die alles schuldpligtig doet: en 't schijnt dat al van ouds de Hofbedienden zig met dien naem genoemt hebben, gelijk men nu uit beleeftheid Uw Dienaer zegt, om door een vertoog van schuldpligtige nedrigheid haren Vorst te vleijen, vermits men ook by eenige Hof-bedieningen van aenzien dezen naem ontmoet; als Maer-schalk, minister equorum, praesectus equitum, & castrorum praesectus fiduciarius, Gall: Mareschal de Camp; Zinne-schalk, Minister familiae; & praefectus provinciae, unde vulgò Sinescalcus; schoon ook in een lager zin het oude † Maer-schalk, hoef-smit, equinae soleae faber, Gall: Mareschal; en gelijk de paerden met vele qualen behebt zijn, en de hoefsmeden daer in voor geneesmeesters spelen, zo hebben ook in de Middel-eeuwen de Bygeloovigen hare Heiligen om zieken te genezen, Maerschalken genoemt, als St. Anthony, Mareschalcum ignis sacri; d: 1: Maerschalk van de roosziekte of't St. Anthonis vier; en St. Rochus, Mareschalcum pestis &c, d: 1: Maerschalk van de pest. Wijders alzoo de Slaefsche knegten, gelijk ook vele Hofbedienden met lift omgaen, zo past hier op ons overdragtelijke Schalk, astutus, vafer; unde Ital: scaltritò; en Zw: skalk / nebulo: en zo vind men ook by Terentius dat hy in zijne Comedien meest alle schalkheid door een knecht of slaef laet uitvoeren; waer van ons Verschalken, I. CL: praevenire astutia.

 

En by het nieuwe Praet: Zóud of † Zóld schijnt te behooren ons bastertvormige † Sóud, Zóld, Sóldy, Sóudy en Bezóldinge, f: H-D, sold / Stipendium militare, unde vulgò Soldum, solarium, en Gall: soulde, Ital: soldo, Hisp: sueldo; als een schuld of loon, waer voor ymand tot de krijgs-dienst of vaert verbonden is, en Versóuden, Versoudyën, I. CL: auctorare militem; en verder ons Sóldaet, † Sóudaet, Sóudenier, en Bezóldenaer, m: H-D, soldat / Angl: souldier / Miles stipendiarius; vulgò Soldarius, soldurius, & solidarius; Gall: souldat, Ital: soldado; alleenlijk heb ik tegens deze mijne Afleiding dit nog, dat in de Mid-

[p. 571]origineel

del-eeuwen, toen men dit zoogenaemde Latijnsche soldarius en solidarius invoerde, nog scolde / en niet solde / zeide, en dit gevolglijk scoldarius behoorde te zijn; waerom ik niet buiten vermoeden ben, of niet het Latijnsche solidum voor een loon van krijgsdienst mogte genomen, en daer van deze woorden ontleent geweest zijn. Verder is van ons Zóld gevormt ons Bezólden, I. CL: solvere stipendium.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ZULT, in Zult, Zulten, &c, zie by ZÓUT, in deze Pr. en in Gy zult, als een Fut:, zie by ZUL, in deze Pr.

 

ZUW, in Zuwe, caespes, gleba; zie daer van by ZIED, in deze Proeve.

ZWA.

ZWACHT, in Zwachtel, fascia; &c, zie daer van by WEEG, in deze Pr.

 

ZWAD, in Zwadderen, fluctuare, & turbare aquas, & strepere; en Gezwadder, cohors, turma; & strepitus; zie daer van by WAED, in de II. Pr.

 

ZWAED, in † Zwadel, fascia; ZWADE, secula, falx, & ordo demessi foeni; en. Zwaden, vibrare more foenifecium; &c, zie daer van by WAEY, in deze I. Pr: en by WEED, in de II. Proeve, en in † Zwademen, vaporare; by WOED, in de II. Proeve.

 

ZWAEY, in Zwaey, gyrus; Zwaye, secula, falx; en Zwaeyen, gyrare; zie daer van by WAEY, in deze I. Proeve, en by WEED, in de II. Pr.

 

† ZWAEP, in de II. Pr.

 

ZWAER, in Zwaer, gravis; &c, zie daer van by WEER, in de II. Proeve, en in † Zwaer, ulcus; by ZWEER, in deze Proeve.

 

ZWAERD, in Zwaerd, gladius; en Zwaerdmagen, cognati ex parte patris, zie daer van bij WEER, in de II. Proeve.

 

ZWAERK, in † Zwaerk, nubes; zie by ZWERK, in de II. Pr.

 

ZWAEV, in Zwavel, sulphur; zie daer van bij ZWYV, in de II. Pr.

 

ZWAK, in Zwak, debilis, infirmus; &c, zie daer van by WEEG, en by ZWYK, beiden in deze Pr.

 

ZWALK, in Bezwalken, obnubilare; by WELK, in de II. Pr.

 

ZWALP, in Zwalpen, fluctuare; en Zwalp-ey, ovum putidum; by WELL, in de II. Pr.

 

ZWALT, by ZWÉLT, in de II. Pr.

 

ZWAM, in Zwamme, spongia; & tuber fungosum in arboribus; en Zwam-stééntje, spongites, lapis qui in spongiis invenitur; zie daer van bij ZWEM, in deze Proeve; en in 't Vlaemsche Zwamme, fomes ignarius; zie daer van by ZWYM, in deze Pr.

 

ZWANG, in In zwang zyn, usu praevalere; en Zwanger, gravida; zie daer van by ZWENK, in deze I. Pr.

 

ZWANK, in Zwank, nutus, vacillatio, vibratio; en Zwanken, librare, vibrare, &c; enz, by ZWENK, in deze Proeve.

 

† ZWARK, in † Zwark, nubes; zie daer van by ZWERK. in de II. Pr.

ZWE.

† ZWEED, by † ZWYD, in de II. Pr.

 

ZWÉÉF, in Zwééf-stérre, planeta; by ZWYV, in de II. Pr.

[p. 572]origineel

ZWEEG, by ZWYG, in deze Pr.

 

ZWEEK, by ZWYK, in deze Pr.

 

ZWEEL, in Zwelen het hooy, versare foenum furcillis; zie daer van by WELL, in de II. Pr.

 

ZWEEM, by ZWYM, in deze Pr.

 

ZWÉÉM, in Zwéém, somniosa similitudo; & gallinago minor; enz: by ZWYM, in deze Pr.

 

ZWÉÉP, flagrum; zie daer van by † ZWAEP, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

ZWEER &c, in ons ZWEREN (en ZWEEREN), ZWOER en ZWOOR, GEZWOREN, IV. CL: 4, jurare; & ulcerare; Af-zweren, IV. CL: 4, sacramento negare; en Bezweren, IV. CL: 4, juramento confirmare; & incantare, imprecari; & exorcizare; en Verzweren, IV. CL: 4, dejerare, devovere, & pejurare; & suppurare, & in pus converti.

M-G, swaran / swor / swarans / III. CL: 4, jurare; en farswaran / III. CL: 4, perjurare; en 't M-G, swor (insidiabatur) by Marc: VI. 19, word gezeit van Herodias, die, even driftig als of het ware geweest by een opset van samenzwering, Johannes den Dooper belaegde, om hem met de eerste gelegentheid van kant te helpen: het Grieksche ενεχειν (ungere, instare) waer uit dit M-G vertaelt is geweest, vlijt niet qualijk op dezen zin, gelijk ook by Pausanias ᾿Ενέχεσθαι τοῖς ὅρκοις voor obstringi jurejurando komt.

F-TH, sueran (besueran en suaran) / suor / gisuoran / jurare; zie agter de II. CL: 5, AL: swerran / II. CL: 5, jurare; en pi-swerran / obsecrare; en F-TH, sich fursweran / II. CL: 5, perjurare. A-S, sweran / swor / gesworen / II. CL: 5, jurare; Angl: to swear / sware (of swore)/ sworn / jurare; H-D, schweren / schwor en schwur (in Subj:) schwüre / geschworen / II. CL: 3, jurare; en H-D, schwären / schwor / geschworen / II. CL: 3, ulcerosum fieri. Ysl: eg sver / juro; in Praet; soor voor svoor / zie by de II. CL: 4.

Onder de oude Verwantten, als het M-G, F-TH, en A-S, vertoont zig de zin niet van wondzweringen; en hoe deze uit de beteekenis van 't eedzweren of dit van dat kan gesproten zijn, weet ik nog niet op te lossen, of men moeste het naeuw verbonden of gedrongen worden voor de grondbeteekenis nemen, even als het bovengenoemde Grieksche ενεχειν, dat in 't M-G, door Ulphilas met swaran vertaelt is; alzoo men by het eed-zweren zig naeuw verbind, en ten andere, vermits 'er by 't zweren der wonden een pijnlijke drang is van 't opspannende ettervogt.

 

Tot het Wortel-deel met E, in den zin van eedzweringe komt ons Bezweringe, f: adjuratio; exorcismus; & incantatio. Dog in den zin van etterzwering ons Zweer, Gezwere, Zwering, en Verzwering, f: † Zwaer, apostema, ulcus, pus; en in den zin van drang of pranging ons † Zwere, † Zweir, dolor; waer toe ook Hóófdzweer, dolor capitis; & crapula, gravedo capitis è potu nata. Deze zin bevestigt onze vorige gissing.

 

Wijders tot het Praeter; Partic: Verzworen, abjuratur; dog in den 2. zin van éttering, ons Verzworen bloed, pus; en in den eersten zin van eedverbintenis, ons † Verzworen maendag, Dies lunae primus post regalia, quod tunc in Magistratum electi jusjurandum praestent, vide Kilian: Diction: Impr: 1599; en Gezworenen van den ambachten, censores jurati opificiorum; Gezworenen van der stad, tribuni plebis, jurati civitatis judices, senatores; Gezworen vyand, inimicus certus; Verzworen ééd, perjurium.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ZWÉÉR, in Zweeren, jurare, & ulcerare; &c, by ZWEER, in deze I. Pr.

[p. 573]origineel

ZWEEV en ZWÉÉV, in Zweeven, en Zweven, fluctuare, ferri, sublimari; en Zwevel sulphur; by † ZWYV, in de II. Pr.

 

† ZWEID, in † Zweideler, mantica viatoribus in usu; zie daer vaa by WEED, in de II. Pr.

 

† ZWEIF, in Zweif-stérre, planeta; by † ZWYV, in de II. Proeve.

 

† ZWEIV, in Zweiven, vagari, ferri; by † ZWYV, in de II. Pr.

 

† ZWEIM, in † Zweimen, similitudinem alicujus rei referre; by ZWYM, in deze Proeve.

Het Wortel-deel.

ZWÉL, &c, in ons ZWÉLLEN (en † ZWILLEN), ZWOL, GEZWOLLEN, intumescere; II. CL: 6. A-S, swellan / swal (of swol) / swollen / II. CL: 3, tumere; en A-S, to-swellan / grandescere. H-D, schwellen / schwall / geschwollen / III. CL: 2, inflare. Deze stam schijnt groote gemeenschap te hebben met ons † Wéllen, II. CL: 6, zieden, ebullire; even of Z, alhier een Voorwerpsel ware, gelijk ook, volgens Kiliaen's Diction:, de Kampenaers Zwélen voor Wéllen (fervere, bullire) in gebruik hebben of hadden; waer van we by WELL, in de II. Proeve spreken zullen.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens ons Gezwél, † Gezwil, n: en † Zwél, n:Zwil, n: en Zwéllinge, f: H-D, schwiele / tumor, callus; en ons E-zwél, callum aprugnum; en A-S, swel / swil / swile / swyle / pestis, ustio, tumor; en ons Zwél-buik, ascites, tympanites; een soort van water-zucht, die den buik opspant: en Ysl: svil / N, lactes; om de bolle zwelling der homvaten.

 

Tot het Praeter: het A-S, swol / swole / swolotha / swoloeth / swoloth / aestus; en swaloth / calor; als ook uit het Praes: A-S, swilic / calidus; als zulke warmte die de vogten doet opzwellen, en benaeuwt maekt; waer toe mede ons Zwoel, tempus calidissimum; hoewel ook deze tot WELL, in de II. Proeve konden betrokken worden.

Uit het Praeter: Particip: ons Gezwollentheid, f: intumestentia.

Het Wortel-deel.

ZWÉLG, &c, in ons ZWELGEN (ook † ZWILGEN), ZWOLG, GEZWOLGEN, II. CL: 5 en 6, vorare, glutire, sorbere; en Verzwélgen, II. CL: 6, devorare, deglutire, & absorbere. A-S, swelgan / swalg of swolg / swolgen / II. CL: 4, vorare; Angl: swallowe / vorare.

Uit het Wortel-deel van 't Praes: het Vlaemsche Zwélg, m: fauces, frumen; als het werktuig om 'er meê te zwelgen, en Zwélgery, f: helluatio; en A-S, swelgend / vorax; en swelgnysse / gurges; en A-S, swylgende drenc / catapotia; als pillen of andre geneesmiddelen die men met eenige drank, zonder kaeuwen, doorzwelgt. En tot het Praet: het A-S, swolgettan / I. CL: gargarizare.

De Zaek- of Wortel-deelen.

† ZWÉLK, in † Zwélken, premere, pressari; zie daer van by WELK, in de II. Proeve.

 

ZWÈLT, in 't Vla: Zwélte, cadaver sub dio projectus; en Zwélten, deficere fatiscere; by ZWELT, in de II. Proeve.

Het Wortel-deel.

ZWÉM, &c, in om ZWÉMMEN (ook † ZWIMMEN), ZWOM, (en oul: ook in Sing: † ZWAM), GEZWOMMEN, II. CL: 5 en 6, natare. A-S, swimman of swymman / swam of swom / swommen /

[p. 574]origineel

II. CL: 2, natare; Engl: to swim/ swom/ swum en swimmed / natare. H-D, schwimmen/ schwamm/ geschwummen en geschwommen / III. CL: 1, natare.

 

Tot het Praes: ons † Zwémme, Zwémplaets, H-D, schwemme / F, natatile; en Zwémmer, m: natator; en Zwémmer, m: duiker, urinator: en Zwémmer-gans, Sax: schwemgoes / phalacrocorax; namelijk een duikgans; en 't H-D, schwemmen / I. CL: adaquare; als de beesten na de zwemplaets brengende.

 

Uit het Praet: met A, ons Zwamme, f: en Zwam, m: M-G, swams / M, H-D, schwamm / M. spongia; als een zee- en rots-gewas, dat op het water drijven kan, terwijl meest alle andere zaken op de zee-rotsen groeijende, wegens hare zwaerte zinken: waer toe verder ons Zwam-stééntje, spongites, lapis qui in spongiis invenitur; en verder, zo 't my toeschijnt om de spons-agtige gedaente, ons Zwamme aen den boom, H-D, schwamm / A-S, swam en suom / tuber fungosum in arboribus; waer van weder het H-D, schwämmen / I. CL: tumere, & fermentare.

 

Dog uit het Praeter: met O, of de gelijkwaerdige U, het M-G, swumsi / N, piscina, natatorium.

Het Zakelijke deel.

† ZWÉNG, in † Zwénge, quassorium, pertica; enz: zie daer van by 't volgende ZWENK, in deze Pr.

Het Wortel-deel.

ZWÉNK, &c, in ons ZWÉNKEN (en † ZWINKEN), in Praet: † ZWONK en † ZWANK, nu meest ZWENKTE, in Praet: Part: † GEZWONKEN, nu meest GEZWENKT, II. CL: 5 en 6; en I. CL: inverti, & invertere, & labare.

A-S, swincan of swyncan/ swanc/ swoncen / II. CL: 2, laborare; dit ziet mooglijk op het Landwerk, 't zy van den ploeg, of den dorschvlegel. Ook schijnt het my toe, dat met eene Dialect-verandering van NK in NG hier toe gelijkstammig komt het A-S, swingan (swengan)/ swang/ swungen en swongen / II. CL: 2, quassare, caedere, vibrare, & laborare; Angl: to swing/ swung/ swung / vibrare; en 't H-D, schwingen/ schwang/ geschwungen / III. CL: 1, nutare. Zo dat de heen- en weêr- of half-omdraeyende beweging de grondbeteekenis zoude zijn.

 

Tot het Praesens met NK, ons Zwink, Zwénk, n: ook uit het Praet: Zwank en Zwonk, n: nutus, vacillatio, & libratio; waer van ons gemelde Zwénken, I. CL: invertere, & inverti, & labare; en overdragtelijk Met een Zwénk, Zwink of Zwonk, momento temporis; namelijk zo snel verrigt als een zwenk van 't lichaem. En in den zin van arbeyden het A-S, swinc / labor; en swinc-full / laboriosus.

En zonder Z voorop, die hier een voor-werpsel schijnt te wezen (als by onze Grondsl: I. Verhand: §. XXXI.) het A-S, wence / girgillus, volutorium; als waer mede men door omdraeyen iets opwind; en ons Wénk, Wink, m: nutus; en H-D, wink en wunk / M, nutus, nictus oculi; by ons mede uit het Praet: Wonk, m: nutus; waer van ons Wénken, Winken, en † Wonken, I. CL: en Wink-oogen, I. CL: en A-S, wincian / I. CL: H-D, winken / I. CL: nuere; en ons Winkét, n: portula, foricula; om 't omdraeijen; en Winkét, fenestella, unde per Euphoniam, Angl: wicket / en Gall: guichet; 't zy om 't omdrayen als 't een houten venster is, 't zy om 't winken, als 't een yzer traliewerk is; en A-S, winclan / cochleae; om de draeijwendingen. En, om de wending en hoek-keering, betrek ik ook hier toe ons Winkel, m: A-S, wincel / H-D, winckel / M, angulus; en Winkel-haek, m: Winkel-maet, s: norma, regula, rectangulum explorans; en Winkel-tanden, dentes angulares, intimi, genuini; en verder overdragtelijk ons Winkel, m: taberna, ubi merces exponuntur, pergula, ergasterium, opificis officina; als opzigt hebbende op de hoe-

[p. 575]origineel

kige form der winkels in de voorhuizen, of ten andere op het stelsel der koopwaren dat de verkooper uitzet op of aen het venster, tot een proeve van de koopmanschap die hy veilt, vermits dat stelsel gewoonlijk hoekig gemaekt word, om alzoo van verscheidene zijden des voorbygangers oog te trekken; of ten derde, op het gebruik der kraemwinkeliers, die den voorbyganger toewenken en noodigen om hare waren te zien, en iet daer van te koppen.

Tot het Praes: met NG, ons † Zwénge, Zwinge, A-S, swing / Angl: swyngling / flagellum, quassorium, pertica; & gladius major, spatha; lorum, habena; en A-S, sweng / ictus; en ons Zwinge van de wagen, lignum transversum temonis; en Zwinge, Angl: winge / ala, accipitris, aut alterius, id genus avis; alles om de zwenkbeweging; waer van ons Zwéngen, Zwingen, I. CL: vibrare; en Zwingel, Zwéngel, A-S, swingla/ swingle / verbera, flagella; en Zwéngel, Zwingel, tollenon; en Dóuwzwéngel, palear; de flingerende douw- of voel-quabbe van den Os; waer van ons Zwingelen, I. CL: laborare, flagellare, cadere; en Ysl: svingl / N, A-S, swinglung / vertigo. En, ziende op de konstige stem-draeying in 't zingen, het A-S, swingung / melodia; en swingung-craeft / musica.

 

Dog tot het Praeter: met NK, behalven ons gemelde Zwank en Zwonk, m: vibratio, vacillatio, & nutus; & tr: momentum temporis, en zonder Z, ons Wank, Wénk, Wink, m: momentum temporis, zó snel als een omkeer, slingergang, of oogenblik; en Wonk, nictus oculorum; zo hebben we ook nog ons Zwonk, versatile manubrium; waer van verder ons Zwanken, I. CL: † Zwankelen, I. CL: A-S, swangettan / I. CL: librare, vibrare, quatere; & vacillare, titubare; & fluctuare; en A-S, swaencan / I. CL: laborare; waer toe ook zonder Z, voorop, ons Wanken, en Wankelen, I. CL: nutare, vacillare, titubare; en 't A-S, woncla / dubia; als waggelend in 't besluit, dog zie daer van insgelijks by QUYN, in de II. Proeve.

En tot het Praeter: met NG, ons Zwong en Zwonk, versatile manubrium; en ons In zwang zyn, usu: praevalere; als in zulk een trant van beweging en doorgang geraekt zijnde; en 't reetsgemelde A-S, swangettan / I. CL: vacillare, fluctuare; en swangettung / fluctuatio; en mooglijk ook ons Zwanger, gravida, quasi prae foetu vacillans; desgelijks vind men 't A-S, swongor / somniculosus; als ziende, zo 't my toeschijnt op het knikkebollen van de genen, die op een stoel zittende ïn slaep vallen; waer toe A-S, swongernysse / somnolentia, taedium, cessatio; en swong / cruciatus; welke moeijlijkheid op den Land-arbeid in 't dorschen schijnt te zien.

De Zaek- of Wortel-deelen.

ZWÉR, in 't Geld: Zwérre, vermis porcinus; zie daer van by WERR, in de II. Proeve.

 

ZWÉRF, by 't volgende ZWERV, in deze Proeve.

 

ZWÉRK, nubes; &c, by ZWÉRK, in de II. Proeve.

 

ZWÉRM, examen apum glomeratum; & coitio; enz, zie daer van by WERR, in de II. Pr.

Het Wortel-deel.

ZWÉRV of ZWÉRF, &c, in ons ZWERVEN, ZWORF (in Subj: ZWORVE), GEZWORVEN, II. CL: 6, errare, vagari, & olim fluctuare.

M-G, bi swirban/ biswarb (in Subj: biswurbau)/ biswurbans / II. CL: 2, tergegere, abstergere. AL: of F-TH, swerban / tergere, extergere; gisse mede van de II. CL: 4, dog de voorbeelden ontbreken my. Ysl: sverba/ svarb / en volgens de anderen van die Class: in Praet: Part: svorbenn / II. CL: 4, limare.

Het heen- en weêr-bewegen, als dat van een hand-dweil, is een grondbeteekenis, die op

[p. 576]origineel

alle deze drie paft: en de gemeenschap van zin en gedaente tusschen dezen stam en ons Wérven, II, CL: 6, doet my vermoeden, dat de Z alhier een voorwerpsel is; egter hebben we dat WERV, met zijne takken, in deze Proeve hier voor verhandelt.

 

Tot het Praesens ons Zwérver, m: vagator, errabundus; en Zwérver, funda; genus piscatorii retis, quod in orbem spargitur; en op den ouden zin van afvagen, als by 't A-S, schijnt toepasselijk te zyn het A-S, swyrf / spuma.

De Zaek- en Wortel-deelen.

ZWÉT, in 't Geld: Zwétte, piscina, vivarium; zie daer van by WAED, in de II. Proeve

ZWI.

ZWICHT, in Zwichten, cedere &c; zie daer van by ZWYK, in deze Pr.

 

ZWIED, in Zwiedig, valdè; by † ZWYD, in de II. Pr.

 

† ZWIEG, by † ZWUIG, in de II. Pr.

 

ZWIEP, flagrum; zie daer van by † ZWAEP, in de II. Pr.

 

ZWIER, in Zwieren, gyrare, vagari; en Zwierig, vagans; & amictus vestimentis laxis; zie daer van by WERR, in de II. Pr.

 

† ZWIERK, zie ZWÉRK, in de II. Proeve.

 

ZWYD, in Zwydig, valdè; by ZWYD, in de II. Proeve.

Het Wortel-deel.

ZWYG, &c, in ons ZWYGEN, ZWEEG, GEZWEGEN, II. CL: 1. tacere, silere. A-S, swigan en swygan/ swag/ swigen / III. CL: 1, silere; dog in 't A-S, Vocabul: vind men ook geswogen / silens; en swugian / I. CL: silere; 't gene ik vermoede dat uit Schrijvers zal getrokken zijn, die een verloopene, en niet de gemeene Dialect gebruikten, zulk een Dialect namentlijk, waer uit het hedendaegsche Engelsch heeft overgeërft het gebruik van o in Praet: by eenige van de Verba van deze Classis. Verder in 't H-D, schweigen/ schwieg/ geschwiegen / II. CL: 1, silere.

Tot het Praesens ons Zwyger, m: taciturnus; en A-S, swig/ swige / by ons Zwygin[...], f: AL: swikily / silentium; & taciturnitas; waer toe verder ook het F-TH, swigan / I. CL: en AL: swikan / I. CL: en A-S, geswigean / I. CL: tacere; en 't H-D, schweigen / I. CL: silentium imponere.

Het Wortel-deel.

ZWYK, &c, in ons BEZWYKEN, BEZWEEK, BEZWEKEN, II. CL: 1, deficere, deorsum flecti, labefactare, labascere; het onze gebruikt men meest by een ontvalling van Lichaemelijke kragten, maer by anderen vind men 't ook in een afvalling of afwijking in trouw en goedwilligheid; als

AL: en F-TH, biswichan/ biswach/ biswichan / II. CL: 1, deficere, fatiscere; & scandalizare; en AL: swihhon / vagari. A-S, swican en geswican/ swac/ swicen / III. CL: 1, Desistere, cessare, quiescere; quin etiam Decipere, fallere, & prodere; en A-S, beswican / III. CL: 1, evadere; & decipere; Ysl: svykia/ svelk / en volgens de anderen van die Class: in Praet: Part: svikenn / II. CL: 1, fallere.

Onze zin van deficere komt vry nae overeen met die van ons Wyken, zo dat de Z hier wel een voorwerpsel kon zijn.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens ons Bezwyking, en † Zwyk, defectus, labefactatio, & deliquium animi; en 't Vla: Zwyk-slaen, deficere; en mooglijk ook ons Zwik, labefactatio; waer van ons Zwikken, I. CL: motitare, vibrare, librare, & titubare; dog zie

[p. 577]origineel

daer van ook by ons WEEG in deze Proeve: En, in een Alleman: Dialect van CH voor K schijnt ook hier by te passen, met den uitgang T agter 't Wortel-deel, ons Zwichten, I. CL: desistere, desinere, cessare, cedere; & olim sedare, pacare. Verder in den zin van omloopen, dwalen, als by 't F-TH, &c, het AL: swihhonte / vagi; en swihharo / gyrovagum; en in den zin van bedriegen of vyandelyk af- of aen-vallen het Ysl: svik / N, insidiae; en A-S, swyca / deceptor; en swicolness / fraudulentia; en swyce/ swice / offensa; swic-dom / seductio; en 't F-TH, a-swiholan / I CL: scandalum pati; waer toe ook 't A-S, swicenesse / poenitentia.

 

En uit het Praeter: met A, mooglijk ook ons Zwak, deficiens, debilis, vacillans; en Zwak, buigsaem, lentus; waer van ons Zwakken, Verzwakken, I. CL: debilitare, & infirmari, & vibrare; dog hier van ook iets by WEEG, in deze Pr.

Dog tot het Praet: met E behoort het Vriesche Zweken, I. CL: infirmare, labefactare, deficere.

Het Wortel-deel.

ZWYM, &c, in ons ZWYMEN, ZWEEM (oul: ook in Sing: † ZWEIM, en † ZWÉÉM) † GEZWEMEN, II. CL: 1, deliquium animi pati; deficere animo; en 't gene gemeenzamer is, ons Bezwymen, II. CL: 1, en I. CL: deficere animo; en Verzwymen, II. CL: 1, en I. CL: hallucinari.

 

Tot het Wortel-deel met Y, ons Zwym, f: Zwymel, m: H-D, schweimel / M. vertigo capitis; deliquium animi; waer van ons Zwymen, Bezwymen, I. CL: en † Zwymslaen, H-D. schweimen / I. CL: animo linqui; en Zwymel, m: Zwymeling, f: levis somnis, sopor; & tr: phantasma, imaginatio falsa, quales sunt quas dormientes videre sibi videntur; waer toe ons Zwymelen, I CL: caespitare; vertigine laborare; & falsa dormientium instar imaginari; Ontzwymelen, I. CL: expergisci.

 

Dog tot het oude Praet: ons Zwéém, † Zweim, m: somniosa similitudo; een flaeuwe verbeelding van gelijkheid, als by de denking in 't zwymeldroomen; waer van verder érgens na zweemen, † Zweimen, I. CL: similitudinem alicujus rei referre.

 

En uit het Praeter: met A, gelijk de A-S, Dialect medebrengt, mooglijk het Vlaemsche Zwamme, vonk, of vonkstoffe, somes ignarius; materia arida quae de facili ignitur; als ligtelijk ontvonkende, en drae weder bezwijkende of vervallende, hoewel ook dit niet qualijk past by ons Zwamme, tuber fungosum in arboribus; waer van we by ZWEM in deze Proeve gesproken hebben, vermits men die boomzwammen ook in steê van tontel gebruikt: voorts ons Zwéém, Zweemer, m: houtsnippe, rusticula minor, gallinago minor; vermits zweemende na den patrys-vogel, dog den bek wat langer hebbende.

 

En, zonder Z, in den zin van bezwymen, mooglijk ook het A-S, waemme/ wem / labes, vitium; en wamme / wam / livor; als mede ons Wemelen, I. CL: frequenter & leviter movere; een schemer-beweging makende, even als by de droom- en zwijmel-schemeringe; gelijk ook de schemerdraeijing plaets heeft by 't Sax: en Geld: Wemelen, I. CL: perforare terebra; waer toe haer Weme, by ons spykerboor, terebra.

De Zaek-en Wortel-deelen.

ZWYN, in Zwynen, tabescere, &c: zie by QUYN, in deze Pr,

 

† ZWYV, by de II. Pr.

 

ZWIK, in Zwik, flagrum; & vibratio; & veruculum; Zwikken, agitare, motitare, vibrare, librare, titubare; en Zwikkel, terebra major; zie daer van bij WEEG, en ook by ZWYK, beiden in deze Pr.

 

† ZWIL, in † Zwillen, intumescere; by ZWEL, in deze Pr.

[p. 578]origineel

† ZWILG, in Zwilgen, glutire; by ZWELG, in deze Pr.

 

ZWILK, tela cannabina laevigata, zie daer van by WELK, in de II. Pr.

 

† ZWIM, in † Zwimmen, natare; by ZWEM, in deze Pr.

 

ZWIND, in Zwindelen, vertigine laborare; Gezwind, celer; Zwindig vólk, populus fraequens; zie daer van by WIND, in deze I. Proeve, en in † Zwinden, Verzwinden, tabescere, evanescere; zie by ZWIND, in de II. Pr.

 

ZWING, in Zwinge, flagellum; gladius, spatha, lorum, habena; lignum transversum temonis; & ala accipitris;, Zwingen, vibrare; en Zwingelen, laborare; flagellare, caedere; &c, zie daer van by ZWENK, in deze Pr.

 

ZWINK, in † Zwinken, invertere, & inverti; en Zwink, nutus, vacillatio, vibratio; &c, by ZWENK, in deze Pr.

ZWO.

ZWOEG, in Zwoegen, anhelare graviter; zie daervan by WEEG, in deze Proeve, en by † ZWUIG, in de II. Pr.

 

ZWOEL, tempus calidissimum; zie daervan bij ZWEL, in deze Pr.

 

† ZWOEP, by † ZWAEP, in de II. Pr.

 

ZWOER, by ZWEER, in deze Pr.

 

ZWOL, in Gezwollentheid, intumescentia; by ZWEL, in deze Proeve.

 

ZWOLG, by ZWÉLG, in deze Pr.

 

† ZWOLT, by ZWÉLT, in de II. Pr.

 

ZWOM, by ZWÉM, in deze Pr.

 

† ZWOND, by † ZWIND, in de II. Pr.

 

ZWONG, in Zwong, versatile manubrium; by ZWENK, in deze Proeve.

 

ZWONK, vibratio; nutus, & versatile manubrium; by ZWENK, in deze Pr.;

 

† ZWOOG, by † ZWUIG, in de II. Pr.

 

ZWOOR, by ZWEER, in deze Pr.

 

ZWORF, by ZWÉRV, in deze Pr.

 

† ZWORK, by ZWËRK, in de II. Pr.

 

ZWORV, by ZWÉRV, in deze Pr.

 

† ZWUIG, in de II. Proeve.

+



illustratie