Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

B.

BE.

De Wortel-deelen.

BEER, BAR en BOR enz: in ons oude † BEEREN en † BEREN, in Imperf: † BAR of † BOR, in Praet: Part: GEBOREN oul: ook † GEBOOREN, IV. CL: 1, ferre, portare; proferre, gignere. Het Praet: Part: GEBOREN, natus, is, benessens vele andere uitgesprotene telgen, nog in daeglijkschen gang onder ons.

Onder de Oudheid vind men by alle de Verwantten dit Werkwoord nog volledig; als M-G, ga-bairan/ ga-bar (in Subj: ga-berau)/ ga-baurans / II. CL: 5, parere; en M-G, fra-bairan/ us-bairan / II. CL: 5, portare; & respondere, quasi verba proferre; M-G, at-bairan / II. CL: 5, afferre; M-G, thairh-bairan / II. CL: 5, perferre; en M-G, un-bairan / II. CL: 5, sterilem esse; II. CL: 5, sterilem esse. F-TH, beran en giberan/ bar (in Subj: bari)/ giboran / II. CL: 5, ferre, proferre, gignere; A-S, beran of baeran en bearan; baer (of bar)/ boren en geboren / II. CL: 5, ferre, portare, & tr: pati; en A-S, a-boren / gestatus; en boran / natus; Angl: to bear/ bare of bore/ born of beared / ferre, parere, & pati; H-D, ge-behren en gebären/ gebar/ gebohren / III. CL: 2, parere; Ysl: bera/ bar (in Subj: baere)/ borem / II. CL: 3, portare.

De eerste grondbeteekenis is dragen, brengen; de tweede en overdragtelijke is voortbrengen, even als by ons vrugten dragen; en in 't A-Saxisch en Engelsch is 'er nog eene derde, als A-S, beran/ forberan/ forbaeran / Angl: to beare/ forbeare / pati, perferre; gelijk ook by ons verdragen van dragen: op dezelfde wijze komen in 't Latijn proferre en perferre van ferre. En, even gelijk de beteekenis van dit woord menigvuldig in 's menschen leven en bedrijf te pas komt, zo zijn 'er ook vele Takken uit dezen Stam uitgeschoten.

Onze harde lange EE in Beeren word bevestigt in 't M-G, bairan / A-S, baeran en

[p. 585]origineel

bearan / Angl: to bear / en H-D, gebären: dog onze zagte lange E, in Beren, by de andere Gelijkstamm gen.

Schoon het oude Praeter: zo wel AR als OR heeft, egter, dewijl ook de A en E, voor de staende, flegts een Dialect-verschil geest (zie Grondsl: I. Verhand: §. XX.) zo kan men de volgende takken met AR en ER, zo wel van 't Praesens, als van 't Praeter: Imperf: afkomstig rekenen.

 

Onze EE en ÉÉ, in het Wortel-deel van ons, Praesens vervat, vertoonen zig in ons Béér, m: aper; A-S, bare / bar / Angl: boare / aper; en A-S, bar-spreot / venabulum; en ons Béér, Beer, † Bere, † Beir, † Baer, en ook † Bérs, † Bors, m: A-S, bera / bere / byre Ysl: biørn H-D, bär / Angl: bere / urfus; en ons Béér, m: Béér-vérken, n: Sax: beher / Angl: boáre / verres, porcus non castratus; alles om de ongemeene geilheid en teeldrift, waerom ook daer van het spreekwoord Ten beere gaen, subare. Welke gedaente met een inkrimping van de vocael en een toelasch van een consonant zig mede vertoont in 't A-S, bearug / bearg / bearh / berg / H-D, barg / L-F, barg / Angl: barrouue / by ons, Bérg, Barg, majalis, porcus castratus; als zinspelende, zo 't my toeschijnt, op 't overige van die drift, en de ontijdige beweging die den gesnedenen te mets overkomt. Verder 't M-G, berusja / parens; en A-S, berend / ferax, effoetus, gerula; uit het Partic: Praes: van het A-S, beran. Wijders ons † Beere, † Beire, / f: H-D, beer / beere / F. A-S, berien / byre / bergen en berg / acinus, baccae; en A-S, beria / uva (by ons nu meest al Bés, Bezie, Beye) acinus, bacca; verdienende dit dezen naem, om de zekere vrugtbaerheid, om 't rijkelijk trossen, en 't ligtelijk voortteelen. Ook ziet op het voortbrengen het M-G, barn / A-S, bearn / F-TH, barn / bern / AL: parn / Kimbr: barn / Frif: bern / infans, filius, puer; en M-G, un-barn-ahs / nonhabens pueros; en A-S, berthling / puerperium; en A-S, bird / pullus; en A-S, byrthor foetus; F-TH, berde / fructus, foetura; als mede het A-S, bere / hordeum; als by den Voor-Ouderen en ook nog een voornaem veldgewas en vrugtbaer gewin tot voedfel; waer van 't A-S., bere-gafol / redditus hordeaceus; voor een Land-schatting, bestaende in een gedeelte van ymands gerst-gewin; en 't A-S, bere-flor / area; als waer op de gerst gedorscht word; en A-S, bere-hlaf / panis hordeaceus; M-G, barizeinans hlaibans / panes hordeaceos; by- ons gerstenbrood genaemt: gelijk mede in 't Cambrobitan: Bara (panis); Graec: βορα, pabulum, esca, cibus; en A-S, bere-wit / villa frumentaria; en F-TH, beres-boto / zizania; te famen gezet van 't F-TH, boto / M-G, baud / insipidus, fatuus, en 't F-TH, bere / frumentum; en, om 't ingaderen der vrugten het A-S, bern / horreum; H-D, barnen / horreum; en Ysl: bur / promptuarium; en 't H-D, bärne / F, acervi messis; waer van 't H-D, baren en barnen / I. CL: frumenta in peculiares acervos distinguere & ordinare. Wijders schijnt, uit de zinspeling op het vrugtgewin, en 't gebruik daer van, gesproten te zijn ons † Beeren, † Beren, ook uit het Praet:Baren en † Boren, allen I. CL: uti, in usu habere, fructum capere; zo veel als de vrugt genieten, en ten nutte brengen; waer van ons Oorberen, Orberen, † Oorbaren, en † Orboren, I. CL: utilitatem capere alicujus rei; waer van ons Oorbaer, Orber, n: utilitas, fructus, usus, commodum, emolumentum; en onze spreekwijze van Ten oorbaer (of Ten orber) bréngen, omnem fructum percipere, in totum frui; en Oorbaren het land, exercere tellurem, ut fructus reddat; en Oorbaerlyk zyn, ex usu esse, conducere; en verder ons Ont-beren, Ont-beeren, I. CL: H-D, ent-bären / I. CL: indigere; waer van ons Ont-beer, n: defectus, indigentia. Op ons † Beren, uti, in usu habere, is toepasselijk het Vlaemsche Bere-légger, voor-kooper, propola; als op voorraed koopende, tegen dat het ten nutte kome. Ook schijnt hier toe gehoorig ons † Bérsch, properatio, acceleratio; waer van ons † Bérschen, I. CL: properare, accelerare; als schielijk iet voortbrengende; even gelijk uit het Praeter: ons Voor-baerig, promptitudine praecellens; & praestans; voeg hier by ons † Bérsch, colluvies, congeries sordium; waer van ons † Berschen, I. CL: confluere; 't zy zinspelende op het toeschieten en naeschieten der onrei-

[p. 586]origineel

nigheid in 't jongen werpen, of op eenen byeengebragten hoop van mest of drek, of op 't vry wegdragen der vuiligheid.

 

Dóg klaerder steekt de beteekenis uit van het dragen en vervoeren in het A-S, bere / baere / grabbatum, feretrum; by ons Bérrie, Burrie, † Berie, † Bérve, en † Bérf, f: Angl: beare feretrum, Gall: biere; en by ons † Berie, Heiligdoms-berie, f: thensa; als om iet op te dragen: en wederom tot het oorbaere, of tot de verdraegsaemheid zou ik thuisbrengen het Sax: en Friesche Bérve, quietus, tranquillus, placidus, modestus, probus. Dog ons † Bere, en nu met den uitgang KE daer agter, ons Bérke, Barke, f: H-D, en Eng: barke / f: en met een Walsche basterd-terminatie by ons ook Bérgie, Bargie, navigium actuarium, vulgo Barca, Gall: barque; Ital: en Hisp: barca; als om te vervoeren. Verder ons † Béér, Storm-béér, m: vinea, instrumentum bellicum; een krijgstuig der Ouden, met een scherpruggig verdek, waer in en waer mede de stormers tot aen de mueren gevoert wierden: en daer toe mede ons Béér, m: agger lapideus fluxui objectus, zijnde van vorm als de oude stormbeeren, en met eenen gestelt om den flag van 't buitenwater te dragen en af te keeren.

 

Op den zin van 't opdragen, opheffen, en opwerpen ziet mooglijk het A-S, bear / beor / bior / beore / cervisia, hydromelum, mulsum; Ysl: biaor / M. H-D, bier / N. Angl: beer / biere / by ons Bier, n: cervisia, vulgò Bera, biria, Gall: biere; een drank onzer Oude Voorvaderen; gelijk ook Tacitus in de Zeden der Germanen vermeld, dat hunne drank is het vooht uit garsi of tarwe, uitgegest dat het eenigsints na wyn gelykt, voerende dus met regt dien naem om de opdragt en uitwerping van gest; 't welk bevestigt word in 't A-S, beorma / beorm en barm / Angl: barm / berm / fermentum, chylus; en ons Baerm, Bérm, faex, spuma cervifiae; even gelijk ook in 't Latijn fermentum van ferre; en by Luc: 1.15, word in 't A-S, beor voor 't Latijnsche ficera of Grieksche σίκερα of allerlei sterken drank gebruikt, gelijk ook in 't Vocabul: A-S, voor Hydromelum, dat is een drank van honing en water. Dat nu by ons Bier de IE in steê van éé geyonden word, schijnt een overblijffel te zijn van de Noordsche en Friesche Dialect, even als ons ien voor één, stien voor Stéén, en even als by ons Vier, quatuor, voor 't oude Véér, als by ons Véértien, quatuordecim, enz. Tot dit Bier behoort ons Bier-bank, f: sedile potorium; Bier-steker, Bier-tapper, m: zythopola; Bier-vlieg, Bier-buis, Bier-buik, m: bibax, potator cervifiae; enz: benevens 't A-S, beor-scipe / convivium; en 't A-S, byrele / byrie / pincerna pocillator, by ons Schenker.

 

Uit de beteekenis van † Beeren, ferre, gerere, even als by ons Gedragen, komt ons † Beere, † Bare, † Gebaere, gestus; als het gedrag vertoonende; waer van ons † Beeren, † Baeren, † Gebeeren, I. CL: gestire; waer toe ons Gebaerde, meest in Plur: gebruikelijk, als Gebaerden, Gebéerden, gestus, gesticulationes; H-D, gebehrden / gebärd / gebarung / behrdung / en bärdung / F-TH, gebare / gestus; waer van het H-D, behrden / bärden / I. CL: fastu quodam incedere. Hier toe verder ons † Gebaer-Diensten, ceremoniae; en Mis-baer, n: gestus, vel vox indecens; waer van ons † Mis-baeren, I. CL: incompositè se gerere; en ons Hand-gebéér, Hand-gebaer, n: exercitatio, occupatio; als eene bezigheid daer de handen wat te dragen of te roeren hebben: en 't gemelde Voor-baerig, olim praestans pracellens, insignis, nunc nimis promptus.

 

Overdragtelijk hebben we ook Baeren, † Gebaeren, Bééren, I. CL: H-D, barren / I. CL: barritum edere, vociferare, & tumultuari; A-S, beorcan / byrcan / I. CL: latrare, vociferare; by Kiliaen vind men ook † Barentèren, Flandr: perterrere; als door bééren iemand een schrik aenjagen: gelijk ook de Vlaming, met een Zakelijk deel uit het oude Praeter: Bor genomen zegt Borlen, I. CL: clamare, vociferare; 't zy om dat het schreeuwen in barens-nood eigen is, of dat dit Verbum ontleent is van Béér, † Baer, urfus, aper, verres; om hun hinderlijk gebéér en getier; of dat het een klanknabootsend woord zy; want het woord

[p. 587]origineel

Bééren, Baeren maekt een schreeuw-geluid. Dog of en hoe het Vlaemsche Beren, I. CL: depsere, subigere, uit dezen stam gekomen zy, weet ik niet aen te toonen. Dus verre van de takken die met het Wortel-deel van het Praesens overeenkomen.

 

Het Zaekelijke Deel van 't Praeterit: Imperf: vertoont zig met A, dog meestal met de verlangde A, niet alleenlijk in ons reetsgemelde † Baer, urfus; † Baerg, majalis; † Baeren, uti; gestire; vociferare; Oorbaer, utilis; Gebaerden, gestus; Misbaer, gestus indecens; Voorbaerig, praecipitans &c; en Baerm, Barm, spuma, cervisiae; enz; maer ook in ons Baer, Bare, f: A-S, baere Angl: beare / feretrum; en Angl: barrow / vehiculum trusatile; en ons Baere, Dood-baer, f: F-TH, bara / F. H-D, todten-baar / F. feretrum, stygius lectus, Ital: bara; als werktuigen om iets mede voort te dragen; en ons † Baere, f: H-D, barre / bär / bahr / repagulum, vectis, obex, Gall: & Angl: barre / Hisp: barra; als een werktuig om op te heffen: en ons Baer, Bare, Water-bare, f: H-D, bahr / bahte / F. unda; om den ophef, en de opdragt van de golving, of ook om 't op- en nedervoeren van 't gene op het water drijst; waer van ons Baer-wyzig, undatim.

 

Oulinks ook met M agterop, ons † Baerm, fluctus, unda; als mede Baerm, Barm, Bérm, Barmte, en Bérmte, f: agger, ripa, crepido, quam aqua alluit; Kimbr: barmur / margo, ora, labrum; als waer tegen de baeren spoelen, en die derzelver slag moet afkeeren en dragen: of anders ook, vermits bestaende uit eenen te faem gedragen hoop van klei of steen; en verder ons Baerm, Barm, Bérm, m: congeries; en Een Bérm, Barm of Baerm hooys, meta foeni; als een te faemgedragen hoop; waer op ook schijnt te zinfpelen ons † Barm, † Bérm, m: F-TH, barm / M-G, barm / A-S, bearm /baerm / barm / M, gremium, sinus; als waer in gedragen en vergadert word. Wijders tot dit † Barm, Bérm, of liever tot het bovengemelde † Baerm, fermentum, schijnt wel eenigsints betreklijk ons Bérm- of Barm-hertig, misericors; en Er-barmen, Er-bérmen, I. CL: H-D, er-barmen / I CL: misereri; als innerlijk in den boezem en de ingewanden ontroert zijnde, of als ymand in zijnen schoot ontfangende: Dog hoe fraeij men dit asleiden dunken mogt, niettemin zo wijst ons de Oudheid aen, dat dit eigentlijkst behoort tot ons † Armen, Be-armen, I. CL: M-G, armjan / I. CL: A-S, ofer-armian / I. CL: misereri; waer toe 't F-TH, armi-herzida / M-G, arma-hairtitha / misericordia; en 't A-S, earm-heort / by ons Barm-hértig voor Be-arm-hértig, misericors; welke waerschijnlijk afdalen van ons Arm, miser; of Arm, M-G, arms / A-S, earm / F-TH, arm / brachium; als of 't ware, met mededoogen omhelzen en om-armen; waer van we nader zullen spreken by 't Wortel-deel ER, in deze Proeve

 

Maer de geboorte en 't in 't ligt brengen der dingen vind men uitgebeeld in ons † Baere, f: fructus, partus; en † Gebaer, n: partus, paritura; waer van ons tegenwoordige Baren en † Gebaren, I. CL: parere, gignere, procreare; edere in lucem, eniti; ons Mis-baren, I. CL: H-D, mis gebären / I. CL: abortire; hier toe ons Baring, f: nixus; en Baer-moeder, f: uterus, matrix; Baer-water, n: secundae, arum; en † Mis-baerte, f: abortus; als ook het bovengemelde M-G, barn / &c, infans; gelijk ook uit dit Wortel-deel BAER, om devrugt-baerheid, ontleent schijnt ons Baers, f: H-D, bars / bersch / en perse / F. perca, piscis; en A-S, baers / lupus, piscis; vermits men daer van in 't Vlaemsch heest Baersen, Baersten, I, CL: parere, gignere. Wijders ons Baer, Baerlyk, nudus, manifestus, evidens; en Openbaer, manifestus, publicus; naemlijk onbedekt, gelijk men eerst ter wereld komt en voor 't licht gebracht word; waer toe ons † Baer-voet, † Baerscher-béén, nudipes planipes; en Een barvoeter, Barvoet-broeder, m: A-S, baer-fot / frater minor, Franciscanus; als barrevoets loopende: en † Baer-hoöfds, nudo capite; en mooglijk ook hier toe ons † Baere, cenotaphium, vacuum sepulcrum, tumulus honorarius; als of 't zeide een bloot graf; en verder Baer-schuldig, manifestè reus; en Baer-blyke-lyk, manifestus, evidens; waer van ook

[p. 588]origineel

ons † Baeren, I. CL: ostendere, manifestare; en 't H-D, bar-schafft / F. bona praefentia, argumentum praesens; en ons Baer géld, n: praesens pecunia, numerata; als blood en gereed geld, met opene zakken, zo men zegt; waer van † Baer géld geven, repraesentare praesentem pecuniam; en Met Baer géld koopen, mercari graeca fide; i: e: numerata pecunia; dat is niet in wisseling van waeren of briefjes, maer met zuiver gereed geld koopende. Voorts ons agtervoegfel Baer, A-S baere / ber / H-D, bar / als in ons Blyk-baer, manifestus; Vrugt-baer, ferax, fertilis; éér-baer, honesta, proba, honorabilis; Rugt-baer, famosus; enz: (waer van zie in onze Grondst: II. Verhand: §. LXXVI.); beteekenende eigentlijk zo veel als iet dragende of voortbrengende; en transtat: ook ziende op de mooglijkheid en 't gebeurlijke, even als ons Gebeuren mede uit dtien Wortelstam komt, gelijk we straks zullen aentoonen; dus ons Eet baer, edulus, esui aptus; voor 't gene gegeten kan worden; enz. Belangende het even te vorengemelde éérbaer valt ook aen te merken, dat men thans gewoon is 't zelve alleenlijk aen de Vrouwe-namen toe te passen, ter wijl men by die der Mannen voegt éér-zaem; niet dat Baer alleenzijk by 't Vrouwelijke behoort, nogte Zaem alleenlijk voor 't Manlijke, gelijk ymand meende opgemerkt te hebben, want men zeit Eerbare en deugtzame jonkvrouwe; en wederom Edele agtbare héér, de eenigste rede is het gebruik, sic mos, sic voluit usus.

 

Wijders, of ons Baerd, m: A-S, beard / H-D, bart / M. Ang: bearde / barba, met eenen toelasch van D, uit dezen stam van Beren, ferre, portare, of 't oude overdragtelijke † Baren, gestire, gekomen zy, om dat de Ouden, gelzjk bekent is, veel statie en pronk voerden in 't dragen hunner baerden, even als ook by ons Gebaerde, H-D, gebard gestus, en 't H-D, bärden / superbire, is niet ongerijmt te denken; en 't gene bevestigt dat de D hier een terminatie is, is het H-D, barne / F, by ons ook Bermer, Barmer, barbeel, mullus barbatus, om zijn baerdkneveltjes alzoo genaemt, alwaer de M de uitgang vervult. Van dit Baerd is gesproten ons Baerden, I. CL: pubescere; om 't uitbotten van den baerd te dier tijd; en overdragtelijk is 'er mede by ons Baerd, m: arista; om de haer-gelijkende uitstekende vezels.

En, mooglijk ziet ook op den zin van het statelijk dragen ons oude † Barden, cierlijke behangsels van paerden, phalerae, Gall: bardes; en 't oude Vla: Barde van myrre, fasciculus: myrrhae; en Barde, Barde-akse, Halee- of Hélle-bard, dolabra. ascia, bipennis quiris, vulgò Halebarda, alebarda, unde Ital: & Hisp: alabarda, Gall: halebarde, H-D, halebarten / als een tweesnijdende bijl-spiets by de Statelijke Hofwagters in de hand gedragen wotrdende; en waer van ons Hélle-bardier, miles praetorianus; welk voorste lrd Halle of Hélle zijn uitlegging vind, in het oude † Hal voor Hof, als ook A-S, healle Ysl: høl / Angl: hal / H-D, hal / aula; ondertusschen word ook gemeenlijk, of tot dit Barden, of tot Baerden t'huis gebragt de befaemde volkernaem Longebarden, A-S, lang beardas / longobardi; Duitsche volkeren die in de 6. Eeuw Italien ingenomen en tot den tijd van Charlemagne toe beheerscht hebben; de eerste oplofsing zou lange-byl-voerders, en de laetste langebaerd-dragers beteekenen: dog de Historien zouden 't een of 't ander moeten bevestigen, zo hier in iets zekers te vinden waer: tot een byzonderen naem behoort een bezonder eigen.

 

Nog hebben we dit Wortel-lid Bar of Baer in ons † Baere, † Baren-spée, ludus gymnicus, waer van † De baere jagen, curfu ad metas contendere; dit schijnt my van † Baere, Béér, urfus, ontleent te zijn, even als ons jongens-spel, Wolfje genaemt, waer by de eene voor den Wolf speelt, die de anderen binnen een bepaelt perk in 't doorloopen moet opvangen. Voorts ons Bar, † Bér, asper, austerus; inops, miser; en Barsch, Bérsch, H-D, barsch inaffabilis, torvus; maer duister is hier van de even-redigheid, ten zy men gissen mogt, dat dit Bar van 't oude † Ber, Beer, † Bar, aper, verres, ursus, by zinspeling ontleent ware om de ruwheid en onhandelbaerheid dier beesten; of van Baer, nudus; als zo gevoelig treffende even of het op het naekte lijf aenquam; en Barsch van Baren; barritum

[p. 589]origineel

edere; als of Barre wind beteekenende een ruisschende razende wind, en dit Barsch zo veel zeide, als razende en tierende op de minste aenspraek; of alte moedig en trotsch van gedrag, als of het quame voor Bardsch van 't H-D, bärden / superbire.

 

Dat ook by de Verba van de IV. CL: 1, Takken met EU en O zijn uitgesproten, heb ik aengetoont in onze Grondslags II, Verhand: §. XIII. en de zulken vertoonen zig mede hier; als ons † Beure, † Bore, f: elevatio, portatus; & tr: acceptio; waer van ons Beuren, † Boren, I. CL: F-TH, búren / I. CL: Angl: beare / portare, gerere, gestare; elevare, tollere; en Op-beuren, I. CL: attollere; en overdragtelijk ons Beuren, I. CL: recipere, accipere in promptu; willende zo veel zeggen als mede-dragen; dus Géld beuren, nummos accipere; érf beuren, accipere haereditatem; en in tegendeel ons † Mis-beuren, en † Verboren nu Verbeuren, I. CL: incidere in mulctam. Nog ook overdragtelijk ons Beuren, Gebeuren, I. CL: F-TH, geburan / AL: ke-puran / I. CL: A-S, gebyran / I. CL: accidere, contingere, evenire; als zinspelende op 't gene de tijd medebrengt, en nae de zaken zzg gedragen; waer van ons Beurte, Beurt, f: en † Gebeurte, vices, & olim eventus; en † Beurtig, By beurten, alternatim. En gelijk het gebeurlijke onder 't hacchelijke getelt word, zo vond men in 't A-S dit woord ook al voor een hacchelijk futurum in gebruik, of voor het Imperf: Subjunct: als A-S, ne gebyrede the gemilthian? (en zoud gy u niet ontfermen?) Matth: XVIII. 33. en XXV. 27. en thas thing eow gebyrede to donne (deze dingen zoud gyl: doen, of behoorden gyl: te doen) Luc: XI. 42.

 

Wijders met de beteekenis van † Beren, gignere, hebben wy niet alleen uit het Praet: Partic: ons Geboren, natus; maer ook uit het Praet: Indic: of Subj: ons Gebóórte f: M-G, gabaurtha / F. A-S, beorth / byrd / byrde /borennysse / F-TH, giburti / F. H-D, gebuhrt / geburt / F. Ysl: burdur / nativitas; en A-S, in-byrdling / civis; en ons Weder-gebóórte, f: H-D, wieder-geburt / F. regeneratio; ons Mis-Gebóórte, f: H-D, mis-gebürt / F. abortus; ons Nae-Gebóórte, f: secundae; ons Gebóórtig, H-D, gebürtig / burtig / prognatus, oriundus; en ons † Veurst-borig, illustri sanguine natus.

 

Den zin van 't opdragen, opgesten &c, vinden we in ons Borrel, † Bordel, † Borte, en † Bortel, exaestuatio; waer van ons Borrelen, Borlen, † Bordelen, Bortelen, Opborlen, en Opbortelen allen I. CL: exaestuari, tumultuari; en ons † Borbelen, I. CL: scaturire. Tot † Bordelen behoort ons Bordéél, n: ganea vulgò Bordellum, Gall: bordel & bordeau, Ital: bordello, Hisp: burdel; en hét Vlaemsche Borlen, I. CL: clamare, vociferare, zou volgens dezen zin, eigentlijk op een schielyk en wild roepen zien, even gelijk ons vorige Baeren, Beeren, vociferare, & tumultuari. Nog ook, met de terminatie D, ons Bord, n: ook † Bór, cholera, felliflua passio, tormina intestinorum; als eene geweldige opgesting en opzetting in de ingewandeni zijnde.

 

In dezelfde gedaente, dog met den zin van 't dragen, vertoont zig ons † Borde, † Burde, f: ook † Borrene, onus, fascis, sarcina, pondus; AL: purdi / onus; A-S berthen / byrdene / byrthenne / onus, pondus; F-TH, burd-ref / pera, onus gestans; H-D, burde / bäre / bere / Angl. burden / onus; waer van ons † Bordenen, I. CL: H-D, bürden / bebürden / I. CL:. onerare; en Sax: en Sicambr: Vul-bord, plena potestas, & consensus; als een volle overeendraging, volmagt, en toestemming: ook vind ik by Kiliaen Boerdink, Sax: carabus, genus navis; van welke kleine lastschuitjes Isidor: Libr: XIX, cap: 1. schrijst dat ze bestonden uit tienwerk met rouw leder overtogen: verder ons Bord-ezel, m: burdo, mulus ex equo & asina natus; zeggende zo veel als draeg-of last-ezel, hoewel hem die naem ook niet qualijk past om 't onverwagte gat-ligten en quaed-aerdig agter uitslaen, dat hen byzonderlijk eigen is. Hier tegen zou men wel mogen denken, dat dit Bord van 't Latijnsche burdo ontleent zy; maer, alzoo men, volgens Ambros: Calepinus, dit woord niet ouder vind

[p. 590]origineel

dan by Ulpianus, zijnde een Regtsgeleerde geweest, die ten tijde van Keizer Adrianus 't bestier in Galliën gehad heest, zo is 't niet onwaerschijnlijk, dat dit burdo van de Oude Gallen en Duitschers afkomstig zy geweest.

Hier by kan men voegen ons Bórd, Bérd, en by omzet † Bréd, n: asser, tabula, planca; & orbis; M-G, baurd / N, A-S, bord/ braed / bred; Kimbr: brod / AL: en H-D, bret / N, Angl: board / asser, tabula; als om iets te dragen; en ons Boord, m: en n: H-D, bord / M, margo, ora, extremitas alicujus rei; & navis latera; A-S, bord / margo; Ysl: bard / N, extremitas; alzo de kanten van vaten en schotels verhevene randen hebben, of alzo de kanten der dingen 't meest moeten uitstaen, en te verdragen hebben: hoewel 't ook eenigen schijn heeft, of ons Boord niet voor be-oord kome, vermits mede Oord, extremitas alicujus rei; dog zo dat waer was, is het te denken, dat wel eenige Oudheid dit voorzetsel BE volledig vertoonen zou. Van dit Boord is gesproten ons Boorden, I. CL: praesuere fimbrias, Gall: border; waer van 't Fransche bordure; en 't Hisp: bordadura; by ons Borduersel, limbus vestimenti, opus phrygium; en ons Bordueren, I. CL: pingere acu; Gall; broder, Hisp: bordar; Angl: embroder.

 

Op het dragen schijnt ook betrekkelijk te zijn ons Beurze, Borze, Beurs, f: crumena, vulgo Bursa; Graec: βὺρσα, i: e: corium; Gall: bourfe, Ital: borfe, AngL: purse; als een middel om iet in te dragen; en overdragtelijk ons Beurs, f: Borze der kóóplieden, H-D, börse / F. mercatorurn conventus, basilica, jani-medium; verdienende dezen naem, om dat aldaer eertijds en ook nog wel de Proeven der waeren in beurzen te veil gebragt wierden; gelijk ook in 't A-S, bore / forum, om 't famenbrengen, van 't goed: egter verhaelt men dat dit Beurs allereerst zijnen oorspronk zou gekregen hebben, ter zake dat te Brugge in Vlaenderen, een der oudste Koopsteden in de Nederlanden, een zeer vermaerde herberg was, daer de Beurze in 't uithang-berd stond, alwaer daeglijks de meeste en voornaemste Kooplieden om hunnen handel by een quamen; waer van ook Kiliaen gedenkt in 't woord Borz, vulgò Bursa, ab ampla domo, bursae sive crumenae signo insignita, Brugis Flandorum sic primo dicta.

Ons Beursch, † Borsch, Beurzig, putridus, putrescens, en ons Boor, f: H-D, börel / börer / M, terebra, Hisp; barrena, en A-S, byrs en bor / scalprum, wijzen ons, volgens de gedaente, mede tot dezen Stam; niettemin, of 't eerste zulk een naem gekregen heeft, als zinspelende op de onnuttigheid van 't beurzige, vermits niet te goed om op den mesthoop weg te brengen; en het laetste om het opwerpen van het uitboorsel durf ik niet zo wel verzekeren, dan dat dit Boor de moeder is van ons Booren, Boren, I. CL: A-S, borian / I. CL: H-D, boren / I. CL: perforare, terebrare.

 

Hoe, en waerom ik voor 't naeste giffe, dat uit Bor, met den toelasch ST, gevormt en gesproten zy ons Borst, f: pectus, thorax; & mamma; F-TH, burst en brust / AL: prusti / F. M-G, brusts F, A-S, breost / Angl: breast / Dan: bryst / Kimbr: briost / H-D, brust / F. pectus; heb ik al vermeld by ons Wortel-deel BERST, in de I. Proeve; naemlijk om het gedrag, en 't kenteeken van moedigheid daer in gewoonlijk uitblinkende; even gelijk by 't voorgenoemde Gebaerde, gestus; enz: en even gelijk van 't H-D, brust / pectus, gemaekt is het H-D, brüsten / I. CL: superbire, efflare, intumescere; waerom ook hier op toepasselijk is de overdragtelijke beteekenis van ons Borst, m: H-D, bursch / M. juvenis; en by ons Een braef borst, juvenis decorus; als een jongman van goed gedrag; en ons Adel-borst, m: miles generosus; als van een moedig gedrag. Men zou in 't eerst wel mogen denken o† Borst, f: mamma, de eerste beteekenis, als zinfpelende op 't baren en 't voeden van 't geborene, mogte vervatten, en dat Borst, pectus, daer uit overdragtelijk ontleent ware; maer dan zou ons Borst, juvenis, eene al te verkeerde overdragt gekregen hebben, vermits die naem dan niet als by Vrouwspersoonen voegde.

 

Wijders onze toelasch van K (op den ouden Alamannischen trant agter 't Wortel-deel komende in plaéts van ICH of IG) heeft zig

[p. 591]origineel

al vertoont in ons voorgemelde Bark, Bérk, scaphae genus, en 't A-S, byrcan / beorcan / in stêe van ons Beeren, Baeren, vociferare; welke gedaente ook aenleidinge geeft, om hier te plaetsen ons Bérk, m: Bérken, m: Bérken-boom, m: en Bérkeler, m: H-D, birck / F. A-S, beorce / berce/ birce/ byrc / Angl: byrche / betula; zijnde, volgens de getuigenis van Plinius, een schoone Gallische boom, van ouds af van grooten dienst. Om de buigsaemheid der takken maekte men daer hoepen en korven af, en de korven verstrekten voor draegmanden; in dit-stuk is het † Beren (portare) hier toe betrekkelijk. De Franschen kooken 'er ook harsch uit, waer om ze dien boom Bouleau heeten. Hy is onder de eersten inde Lente met overvloed van sap voorzien; zulks dat het uit de wonden van den boom als klaer water vloeijt, 't gene de Herders, in de Wouden door dorst aengedreven, voor drank nuttigen; in de Zonne gezet zijnde, werkt het ook als most, en kan daer nae een rond jaer goed blijven; daerenboven groeijt deze boom welig uit zijn eigen zaet; op dit alles past ons † Beren, proferre. De bast wierd voormaels in steê van schrijf-papier gebruikt, en dient nu ook by eenige Italiaenen, die hem in-eenkrullen, tot nagtligten; waerom de Napolitanen dezen boom ook candolice noemen; dit gebruik van den bast schijnt mede onder de Duitschen plaets gehad te hebben, vermits het H-D, bork / bark / F, Angl: barcke / en ons † Bérk, † Bérke, † Bórk, en † Bark, f: cortex, crusta; waer van ons † Bérken, † Barken, I. CL: arbores decorticare, & curtices purgare; zie verder de eigenschappen van dezen boom in Gabbema's Friesche Lustgaerde p: 117. Tot dit Bérken, betula; behoort wijders ons Bérkenmey, f: ramus betulaccus; en Bérken-meyer, m: poculum fagineum; want al van ouds wierden van 't berkenhout ook bekers gemaekt: verder ons Bérk houten, gordingen van 't schip, subligaculum, zona navis; om de taeijigheid daer toe gebruikt: Voeg hier by ons Walbérken, cedrus mauritania; als of men zeide Walsch of Uitlandsch-berken; zijnde bont gespikkelt van hout; waer op zinspeelt ons Adject: Wal-bérken, dertel, moribus petulans, huc & illuc vagans; even gelijk de wild verspreide spikkelen van dat hout. Dog op den eersten zin van dragen past ons † Borkel, slippe, peniculamentum, lacinia; als-wordende van een lijfknegt gedragen.

 

In 't Yslandsch vind ik nog een Verbum, welks Participium mede op enn uitgaende, de oude Ongelijkvloeijendheid aenwijst; dog in 't Praet: Indicat: is het thans al met de / even als die van de I. CL: naemlijk Ysl: ber / pulso; barde / pulsavi; barenn / caesus; IV. CL: De zin schijnt eenige gemeenschap te hebben met ons Beeren, † Baeren, I. CL: vociferare. Dus verre van de zekere en onzekere Takken van dit verouderde Beren.

 

Het Wortel-deel.

BÉLG, in ons BÉLGEN, † BOLG (of † BALG), † GEBOLGEN, II. CL: 6, irasci, indignari; F-TH, belgan / gi-belgan / balg (in Subj: bulgi) / gibolgan / II. CL: 4, AL: er-pelgan / II. CL: 4, A-S, belgan / abelgan / bealh (of balg)/ bolgen en gebolgen / II. CL: 3, irasci, indignari. Van ons CompositumVer-bélgen, II. CL: 6, bilena alicui movere, is nog gebruikelijk het Praet: Part: Verbólgen, iratus, indignabundus; waer van ons Subst; Verbólgentheid, f: indignatio, iracundia; en † Bólgenschap, offensa, culpa; AL: erpolganer / iratus; AL: arbutkil / en a-balg / ira; en F-TH, gi-bulihti / en abulgi / ira, iracundia.

 

Uit het Wortel-deel van het. Praesens is gesproten het tegen woordige Bélgen, Bélgde, GebÉlgt, I. CL: indignari, stomachari; gelijk ook nit het Praes: en nit het Praet: het A-S, a-belgan / I. CL: en a-bolgan / I. CL: indignari, en A-S, gebilegan / I. CL: irasci; en F TH, far belgan / I. CL: exacerbare; waer toe ook 't A-S, aebylgthe / offensio; baelignysse / injuria; abylignysse / gebelge / gebelh / gebealge / offensa, ira; en gelijk uit Bélgen dikwijls vegten ontstaet, voornaemlijk eertijds, toen 't nog gemeender was, van opgevatten of geleden hoon niet

[p. 592]origineel

zonder kampen te mogen laten doorschieten, zo is mede hier uit genomen ons † Bélgen, en † Balgen, I. CL: irasci pugnare; duellari; H-D, balgen / I. CL: pugnare; en H-D, er-balgen / I CL: decertando lucrari; en A-S, ebilgan / aebylgian / I. CL: vexare.

 

Met het Wortel-deel van het Praeter: met O komt overeen ons † Bolge, † Bulge, f: Ysl: bilgia / F, fluctus maris, unda, procella; om 't woeden van het water, dat by zinspelinge als verbolgen en opgeblazen is: en met het Wortel-deel van 't Praeter: op A, ons Balg, m: H-D, balg / M. Eng: beally / belly / venter, alvus, stomachus, corpus, truncum; Ysl: belgur / uter; waer van onze spreekwijze Den balg vullen, curare cuticulam. De gedaente van dit woord schijnt klaer genoeg alhier thuis te behooren, maer de overdragt van zin blijst duister, ten zy men bedenke, dat de genen, die den buik dienen, ligtelijk belging onderhavig zijn; zulks dat hier de zelsde overdragt zinspeelt, als in 't Latijnsche stomachari, dat eigentlijk zo veel zeit als ontroert en als opgespannen worden in de ingewanden of maeg en huid. Immers, dat de gramschap in die partijen een geweldigen storm verwekt, is op het gevoel kenbaer genoeg; als makende verwarde bewegingen, in zoo verre, dat ze door de inkropping het bloed in de uiterste takken van de huid opgespannen houd, en de menschen doet rood worden; of zo de gramschap nog heviger gaet, en door de geweldige pranging op de buitenste deelen, al 't bloed van daer na binnen perst, zo maekt ze den mensch bleek: dat alles zonder ontsteltenisse in 't lichaem nooit toegaet.

Uit de gelijkheid van aert, of gedaente, of dienst, schijnt deze benaming ook overgedragen te zijn op andere hol- en buik-agtige dingen of die men opblazen kan; als ons Balg, Blaes-balg, m: Ysl: belgur / M, A-S, bylig / byliga / bilig / follis; en ons † Balg, m: H-D, balg / M, pellis, cutis, corium; waer van 't H-D, ab-balgen / aus-balgen / I. CL: decurticare, deglubere; en A-S, bylgas / bean-belg / bean-baelg / H-D, bolgen / filiquae; en A-S, baelge / belg / baelg / belig / H-D, bulgen / bulga, pera; Ital: bolgia, Hisp: bolsa, Gall: bougette, Angl: bouget; en M-G, mati-balg / A-S, mete-baelig / pera mantica; van 't M-G, mats / A-S, mete / cibus; en 't M-G, balg / A-S baelig / bulga; zijnde ook dit Latijnsche bulga van 't Duitsch of oude Gallisch ontleent, volgens de getuigenis van den oud-vermaerden Sext: Pompejus Festus, zeggende Bulgas Galli sacculos scorteos appellant; d: 1: bulgen noemen de Gallen hare ledere zakken. (Zie Auctores Linguae Latinae p: 261. uit Festus en p: 527 uit Nonius Marcellus, alwaer bulga ook transt: voor uter matris uit Luc: Libr: XXVI. word aengehaelt. Deze getuigenis van Festus word bevestigt in 't Oud-Brittische bylgan, en Irland: bolg, bolgan, (bulga pera) zie Archaelog: Britann: Tit: II.

Van dit bovengernelde † Balg, pellis, cutis, corium, schijnt ook overdragtelijk ontleent te zijn ons † Balg, scirrhus; als zijnde een hard knobbelgezwel aen de huid van 't lichaem; en het scheld-woord † Balg, f: H-D, balg / pellex, scortium; met dezelfde zinspelinge als men eene hoer een slegt stuk vel of ook wel dik-leder noemt, gelijk men deze laetste benaming in de kleine Calepinus by 't woord scortum vind; en verder, op gelijken voet van veragtelijkheid, ons † Balg, m: puer, nebulo.

Ten opzigte van dit Balg, venter; uter; follis; & bulga; heb ik nog een kleene twijffeling in te brengen, naemlijk dat ook, vermits de zin van het holbuikige in alle die beteekenissen ietwes uitsteekt, dit Balg uit het Praeter: van het volgende † Béllen, † Bal (of Bol), Gebollen, latrare, &c; met dezelfde overdragt als ons Bal en Boll, mits met toevoeging van de terminatie G, zou konnen afgeleid worden; gelijk ook in 't Engelsch beally / belly / venter &c, zonder g gevonden word; dog dewijl dit Engelsche van het A-S, baelig / bulga, meer in spelling als in klank verschillig is te agten, zo blijf ik, alles overwegende, deeerste Af-leidinge nog verkiezen.

[p. 593]origineel

De Wortel- of Zaek-deelen.

BÉLL, BAL en BOL, in 't H-D, bellen / boll / (ook ball en bull / in Subj: bölle) / gebollen / II. CL: 3, gannire, latrare, glaucitare; & verbis contendere, altercari. Dog mede gelijkvloeijend het H-D, ange-bellen / I. CL: allatrare; en 't H-D, aus-bellen / I. CL: cessare à latrando. Dus vind men ook by Kiliaen Bèllen, Germ: Sax: Fris: by Ons nu Bassen, latrare; en A-S, bellan / mugire, boare. De grondbeteékenis schijnt te zien op alle luitrugtig geraes, getier, gerammel.

 

Tot het Wortel-deel van het Praesens behoort het H-D, gebelle / N. latratus; H-D, beller / M. canicula; als of men zeide een-keffertje, een blaffertje: en 't H-D, belfern / I. CL: saepiusculè latrare; waer van 't H-D, gebelfere / N, oblatratus; en ons † Béle-witte, hekse, lamia; om haer rammelend bullebaks geraes; nog ook by ons, uit een verfleten Substant: met den uitgang K agter 't Wortel-deel, ons † Bélken, I. CL: mugire, boare; en zonder die terminatie ons Bélle, Bél, f: Angl: bel / nola, vulgò bella; waer van ons Bélle-man, m: qui funus praevia nola edicit; en Bél-hamel, m: vervex sectarius; dux gregis; als hebbende eene bel om de hals hangen, om de andere kudde op dat geluid te doen volgen: en overdragtelijk hier toe ons Bél-hamel, m: coryphaeus; als door wiens aenstoken de anderen in oproer gehouden worden: wijders het A-S, bel-flyse / tympani vellus; en 't A-S, bell / campana; om 't geraes en gerammel; waer van ons Béllen, I. CL: tintinnabalum attrahere, pulsare; & latrare; en Iemandbéllen, I. CL: steê-kind maken, bonis prodigo interdicere; als geschiedende by openbare afluiding. Ook schijut het dat de A-Saxen een soort van klinkende armringen gedragen hebben, vermits het A-S, balc / armilla.

Maer, als ik gedenk, hoe al van overoude tijden af de Bellen of schellen, tot een Godsdienstig gebruik zijn aengelegt geweest, en hoe ook nog de Roomsch-Katholijken gewoon zijn by 't omvoeren hunner Heiligen een belleman of schelledrager vooruit te laten loopen, tot waerschouwinge voor het volk om tijdig genoeg te konnen knielen, en eerbied te bewijzen, zo twijffel ik of niet hier uit ontleent zy, met den uitgang D, of oulinks to of ith of ad agter 't Zakelijke deel, het F-TH, biljd / N. AL: pilad / A-S, bilith / imago, species, farma exemplar; als eigentlijk een voqrloopende aenwijzing, die door 't klinken van een schel ons berigt, wat men doen moet; en daer van verder F-TH, bilithlich / exemplaris; en F-TH, wort-bilidu / parabola; en AL: ke-pilidan / I. CL: conformare; en F-TH, bilethan / gebilethan / I. CL: imitari; als mede dat wijders, venmts ook de beelden zelf geschikt waren tot opwekkinge, om die vertoonde Heiligen in haren wandel nae te volgen, die naem alzoo overgebragt zy op de afbeeldsels zelf, en daer van ons † Bild, † Béld, nu Beeld, n: H-D, bild / N. fimulacrum; en Voor-beeld, n: exemplar; waer van weder ons Af-beelden, Uit-beelden en Verbeelden, I. CL: depingere, effingere, effigiem formare; en Zig in-beelden, Verbeelden, I. CL: imaginari; enz: en An-beeld, Aen-beeld, Incus, & olim Effigies; als waer op men de stempelbeelden inslaet.

 

Uit het Praet: op O en U mooglijk ons Bulle, Bul, ook † Bol, m: H-D, bulle / bul / en bollen / M. taurus, bos; en A-S, bulluce / vitulus; om het kragtige geloeij; gelijk ook in 't H-D, erd-butte / by ons een Roer-domp, ardea stellaris; om 't sterke geraes met den bek, zo kragtig als dat van de krijgstrompet: verder ons Bulleman, m: qui taurum circumducit; en Bulle-géld, Bollegéld, merces, pro admissura tauri; & tr: mulcta pecuniaria illegitimi concubitus, dat ook Boelgeld heet, dog van dit Boel, zie verder by 't volgende BOUW; en Bulleman, Bullebak, persona, larva, spectrum, manducus; om het misbaer daer men de kinderen meê vervaert maekt: Wijders, met een toelasch van K, ons Bolken, Bulken, I. CL: mugire, boare; en zonder toe-gevoede terminatie ons † Ból, rammelklap, garrulitas; waer van † Bóllen, I. CL: nugari, effutire; en Uit-bóllen de woorden, effundere verba; waer van † Bóllaerd,

[p. 594]origineel

snappert, rammelaer, homo futilis fabalator; en 't Ysl: bolff / maledictum; als mede † Bóller, donderbusse, balista; om 't zwaere geraes. Voorts met den uitgang D, agter 't Wortel-deel, ons † Bald, † Bóld, en nu Euphon: Bóud, intonans, inobediens; & audax, & confidens, unde Ital: baldo; A-S, bald / beald / Angl: bould audax; en A-S, belde / beldo / en bilge / audacia; en daer van ons † Verbóuden, I. CL: audaciam fumere; en ons † Buld, † Bold, latratus, intonatio, sonus vehemens; waer van ons Boulderen, † Bolderen, I. CL: blaterare, intonare, verbis altercari; & debacchari; waer van ons Bulder-bas, m: intonator; als een woest mensch, die ligtelijk scheld, vloekt en raest: gelijk mede, om 't sterke geluid, uit dezen stam ontleent is ons † Bulze, f: pulsatio, sonus vehemens; waer van ons † Bulzen, I. CL: pulsare; & tussire.

Ook betrek ik tot dezen stronk, met eene Euphon: verwisseling van ons OLT of ALT in OUT (zie daer van Grondsl: I. Verhand: §. XXIII.) ons Bout, m: ook † Bólt, Angl: bolte / obex; nu veelal een Klink genaemt, om dat men voormaels (en als nog veeltijds op het Land en in de kleine Steden, en in winkelhuizen) met het opligten van den klink of bout, als men in een huis ging, rammelde, zijnde die doorgaends van yzer gemaekt, of met een bel of schel, daer aen. En gelijk deze bouten of klinken ook dienden tot de sluiting, zo is die naem van Bóut mede verder overgegaen op alle groote plat-ronde yzere staven, die men thans tot voorzorg en beter sluiting tegens dievery gebruikt; welke tevens, zo ze nedervallen, een sterk geraes maken.

 

Maer gelijk de bellen en schellen hol en rond-verheven van vorm genomen worden, om 't geluid zijne kragten by te zetten, zo schijnt om de gelijkheid van gedaente deze benaming ook overgedragen te zijn op vele andere ronde en rondagtige Lichamen, en dat zo wel uit het Wortel-deel van 't Praes: met E, als uit dat van 't Praet: met O of U of A. Dus ons Bél, Bélle, f: Ysl: boola / F, A-S, bule / bulla; zijnde waterbobels door de kragt van inwendige dunne Lucht in bestand gehouden, en in gedaente aen de klink-bellen gelijkvormig: of nu de Latijnen van hunne eerste Voorouders uit gelijken oorspronk dit bulla gekregen hebben, oste dat de overeenkomst toevallig zy, laet ik voor anderen over om te onderzoeken; immers, dat het onze niet van 't hunne gesproten is, leert onze accent-E, die niet gewoon is in basterdwoorden de Latijnsche u te beant woorden.

Wijders ons Bal, Kaets-bal, m: Angl: bal / H-D, ball / M. pila, pila lusoria, globus, testiculus, Ital: balla, palla, Gall: bale, Hisp: bala, bola; om de ronde en bel-formige gedaente; en ons, Bal der oogen, pupilla; om gelijke rede; als mede ons Balnét, n: rete rotundum, pensum; en Balvan de hand, metacarpium; en Bal van den voet inferior pars pedis, planta pedis; om de holverheventheid. Voorts ons Ból, m: H-D, bol / M, globus, sphaera, & tr: caput; Ital: balla, Hisp: bola, Gall: boule; en ons Ból, m: panis rotundus; als mede overdragtelijk Een zoete ból, Een zoet bólleken, lepidum caput; en ons Hól-bóllig, indomitus; als 't hoofd op hol hebbende; en ons Ból-wérk, n: propugnaeulum, Gall: boulevard; als een hoofd werk van bescherming: verder 't A-S, bolla / cyathus, hemina; en 't A-S, beallucas / Angl: ballocke / en by ons † Ballóuter, testikuli; en ons BóL of Knobbel des bóóms, caudex, truncus capitis.

En gelijk de ronde dingen eigentlijk rollen, zo komt van Ból, globus, sphaera, ons Bóllen, I. CL: H-D, bollen / I. CL: volvere, rotare, Hisp: boluer; en Bóllen, I. CL: volvere, jactare globum; waer toe mede ons Ból-Aerzen, † Bólt-aerzen, † Bóut-aerzen, L. CL: en Bólta-spelen, in caput devolvere, praecipitare; invertere: ut & Gall: Bouleverfer (invertere).

Onder diergelijke zinspeling, en met de Terminatie T daer agter, vertoont zig mede ons † Bólt, † Bóut, A-S, bolt/ bolta / H-D, boltz / Angl: bolte / sagitta capitata, pilum catapulticum; en ons † Bólt, nu Euphon: Bóut, m: femur, coxa, clunis; om den knobbel en ból aen het hoofd van het dye-been: waer van men by overdragt Een bóut zegt tegen 't gantsche stuk vleesch met

[p. 595]origineel

been met al, 't gene aen de boven-dije geplaetst is: dus Een schapen-bóut, m: femur ovillum; Ganzen-Bóut, m: femur anserinum; en gelijk een Gebraden bóut voor gasten-kost en allemans gading gerekent word, zo noemt men ook by overdragt Bóuten, of Kermis-Bóuten onze Garnaeten, gammari; als zijnde niet alleen een graeg kostje voor de menschen, maer met eenen een lekker aes om andere visschen mede te vangen: desgelijks dient daer toe mede een soort van puistenbysters Rom-bóuten, en Koorn-bóuten libellae, mordellae) genaemt, voortkomende uit een zeker watergewormte, enz. Voorts ons † Bólten-bóóm, vlierboom, sambucus; eensdeels om de knobbel-hoofdigheid der Takken, en anderdeels om de hol-pijpigheid van 't hout, waerom hy ook oul: Hólder- Hóller- en Holen-tere genemt is geweest. Nog ook om de dikke knobbel- of holligheid ons Bult, m: gibbus, & tuber; bubo; panus inguinis; & tr: truncus corporis; thorax; waer van ons Bultig, Bult-achtig, gibbosus, gibber; en Bulte, f: Bult-zak, m: culcitra stramentitia, cervical, segestria; & pelles nauticae, quibus indormiunt; en Bult-kusseken, n: analectis; allen om de bult-agtige holligheid: ook heeft men deze benaming met de terminatie K of KE in steê van T, als † Bulke, thorax; waer van ons † Bulken, I. CL: inclinare se; naemlijk de lendenen en rug krom-bultig maken; en zelf met TE daer wederom agter, ons † Bulkte, culcitra stramentitia. Wijders ook met de terminatie STER agter het Wortel-deel, mits met de zagte O, ons Bulster, Bolster, m: en f: culcitra stramentitia, culeola; cervical; A-S, bolster / bolstre / AL: polstar / cervicai; en ons Bolster, tomentum, stramenta; als waer mede men de bulsters opvult; en Bolster, Bulster, peuluwe-schil, siliqua, gluma folliculus grani; waer van ons Bolsteren, I. CL: demere siliquas, cortices, culleolas. Voorder, zonder toegevoegde terminatie, en mede met de zagte korte O, ons Bol, H-D, bol / tumidus, fungosus, cavernosus, fistulosus, multicavus; als rond en opgeblazen door wind of vogt in de holligheden; waer toe ons † Bol-hóófd, hydrocephalon, caput aqueo humore turgidum; en by overdragt ons † Bolster, lijvig, pinguis corpore, habitior; & bucculentus, malis plenioribus & inflatis; en Een bolle jongen, puer corpore pinguis, lenis; en Van bollen aerd, mansuetus, simplex; zijnde inschikkelijk en toegevende, even gelijk de bolle dingen; waer op ook past het A-S, byl-wit / bil-wit / mansuetus; en A-S, bille-wite / simplex; regt anders van zin als ons gemelde † Bele-witte, lamia; bedriegsters en rammelende bullebakken voor {?}igtgeloovigen en kinderen, een schuim dat vol van alle quaedaerdigheid is: maer op de bolligheid of dikte schijnt te zien ons Bolling, Bolg, en Bolk, asellus, piscis.

Onder 't zelfde zinnebeeld van hol- en rond-agtigheid als by ons Bulte, Bulke, Bult-zak, en Bolster, vertoont zig mede het Wortel-of Zakelijke-deel BAL, als by ons † Bal, † Balle, nu Bale, Bael, f: Fascis mercium, sarcina convoluta, vulgò Balla, bala; Gall: balle, bale, Ital: balla; strekkende om iets in te sluiten; ter zake van welke dienst deze naem verder schijnt overgebragt te zijn tot velerhande afsluitingen, als † Balie, f: kuipe, vat, cupa, tina, dolium; Balie, omheining, conseptum, vallum, septum; † Balie (hier voor ook Bóut of Klink genaemt) repagulum, obex versatilis; † Balie, draeij-boom, ergata; Balie, hek, cataracta; Balie, leuning, podium; Balie, strijd-en wandel-perk, Hippodromus; & arena, locus quo pugnantgladiatores; & Xystum, ambulacrum subdiale; welker aller zin op 't afsluiten opzigt heeft; gelijk ook daer van ons Balien, I. CL: consepire, concludere. Of nu ons Balk, m: H-D, balck / M. Ysl: bialke / M. trabs, tignum, zijn naem gekregen hebbe, om dat hy het getimmerte te zamen sluit en verbind, en ons † Balink, trechter, infundibulum, om dat hy het in tegietene omsluit en maniert, geef ik niet hooger op, dan voor een schemeragtige gissing.

 

Maer, als men met de gedagten weder keert tot de eerste grondbeteekenis van 't Wortel-deel Béll, Bal, Bol, naemlijk het geraes, gerammel, en deszelfs hinderlijkheid, zo schijnt ook overdragtelijk hief uit ontleent ons † Bal, † Bael, malus, molestus, inutilis; F-TH, balo / AL: palo /

[p. 596]origineel

A-S, balo / bealo / malum, nefas, pernicies, dolus; en Ysl: bøl / adversitas; vermits het razen en tieren veelal uit stoutigheid, quaedaerdigheid, of ydelheid spruit: waer van gesproten schijnt het F-TH, baluwe / malitia; en het M-G, en F-TH, balwjan / I. CL: torquere, cruciare; en waer toe verder ons reedsgemelde † Bald, † Bóld, Euphon: Boud, audax; daer toe zeer vele Eigennamen, van ouds in gebruik, en met dezen uitgang pronkende, behooren; als mede ons Raboud, Scelestus & audax homo, unde vulgò Ribaldus, Ital: ribaldo, & Gall: ribauld; en ons † Bal-daed, f: F-TH, beldida / AL: palo-tati / maleficium, audacia; waer van ons Bal-dadig, stout, insolens, malus, & audax; en ons Bal-oorig, en † Bal-hoorig, inobediens; en ons Bal-oorig maken, I CL: obtundere alicujus aures, & inobedientem facere; als door geraes, gerammel en gebengel of gedurig getalm ymand de ooren vermoeijen, en verstoort maken. Verder ons † Bal-monden, † Bael-monden, † Verbael-monden, I. CL: perdere bona pupilli; als zijn mondbersch ap of voogdye qualijk aenleggen tot schade van 't weeskind: en ons Bal-last, m: saburra; als een ydele of verkeerde last, die geene vragt of gewin geeft, bestaende gewoonlijk uit slegte steen, of eenig rouw ontuig, strekkende alleenlijk ten dienste van het schip, om ter bequamer diepte te gaen, en te beter te kunnen zeilen.

Wijders staet het twijffelagtig, of, door eene toevoeging van den uitgang UWE of UE, agter 't Wortel-deel Bél, hier uit gesproten zy ons † Beluwe, † Belue, bellua, belua; en alzoo genaemt om de quaedaerdigheid en 't yselijke geraes dier schrikdieren, even als by 't F-TH, baluwe / malitia; en F-TH, en M-G, balwjan / I. CL: torquere, cruciare; dan of dit Beluwe, van 't Latijnsche Belua ontleent, of dat de overeenkomst toevallig zy, of dat een en ander weleer uit eene zelfde moeder voortquamen. Hoe bezwaerlijk voor 't Latijnsche belua een oorspronk uit te vinden is, kan men zien in Vossii Etymologicum; 't is egter geen jong nog middel-eeuwsch Latijn, en derhalven niet onwaerschijnlijk, al voor de Europische volkscheiding afkomstig van een Tak of Stam, die in 't Latijn al t'zoek is. Hier, by Ons, komt de Afleiding vry ongewrongen; en de terminatie, beneffens de zin, word 'er niet alleen bevestigt in 't F-TH, baluwe en balwjan / maer ook in 't H-D, belfern / I. CL: saepiuscule latrare; waer by F, die 't zelfde als deze onze UWE of VE zeit, mede agter dit Wortel-deel komt.

Groot en menigvuldig zijn derhalven de uitgesprotene Telgen van dit gering schijnende Boomtje; dat met nog eene uitscheutel vermeerdert word; zo men daer by moet voegen het Vlaemsche † Bael, praefectus, tutor, & tutela; & olim Franco-Gallis, Baillie (dominatio, authoritas, regimen, tutela); waer toe ons Baelju, Balju, Bailliu, m: nomarcha, praetor; qui jus dicit inter peregrinos, & ruri causas audit; vulgò Balivus, unde Gall: bailli, baillif; Angl: bailife / satelles, stator, & villicus, & villae gubernator; en ons Baljuschap, n: Praetura, vulgò Ballia, ballionatus. Maer, schoon ik minst: twijffel of dit Wortel-deel zij van Duitschen stamme, en, naer den schijn der gedaente, van dezen Tak afkomstig, egter wil my het geleide van dien oorspronk en overdragt tot mijn genoegen niet invallen.

Nog ook hebben we dit Zaekelijke Deel Bael, in ons Bael-nóót, balanus, glans, & nux muscata selecta; dog gantschelijk bastaerd houd ik dit voorste lid, en afkomstig van 't Latijnsche Balanus, 't gene wederom van het Grieksche Bάλανος, glans, gesproten is, en weder dat waerschijnlijk van 't Phoenicisch, volgens Vossii Etymolog:

De Wortel-deelen.

BÉRN, BARN en BORN, en per Metathesin BREN, BRAN, en BRON (of BRUN), in 't M-G, brinnan / bran (in Subj: brunnau) / brunnans / II. CL: 2, en M-G, uf-brinnan / II. CL: 2, urere, exaestuare, ardere; A-S, bernan (of byrnan / baernan / gebernan / gebyrnan) / barn (of bearn / in Subj: burne) / gebornen en geburnen / II. CL: 3, ardere; H-D, brennen / in Imperf: oul: Brann en Brunn / nu brantte en brentte / in Praet: Part: gabrunnen en gebrannet of gebrennet / VI. CL: en I. CL: (en volgens 't oude van de III. CL: 2),

[p. 597]origineel

ardere; Ysl: brenna / in Praet: brann / II. CL: 3, uri. By ons tegenwoordig Bérnen, Barnen, I. CL: ardere; en, of ook 't F-TH, brennan / brinnan / urere, ardere, Gelijk-of Ongelijk-vloeijend zy, kan ik, by gebrek van voorbeelden, niet vast stellen.

Dat de letterverschuiving zelden by onze Voorouders gebruikt is, of, zo die al geschiedde, dat zulks voornamelijk by onze R, als ze voor of agter eenige consonant quam, gebeurde, heb ik in onze Grondsl: I. Verhand: §. XXIV al vermaent, en daer by gevoegt, dat we in onze Afleidingen niet ligtelijk tot die verschikking onze toevlugt moeten nemen. Egter is ze in sommige gevallen onwederspreeklijk, gelijk als by dit Verbum volgens aenwijzing van de Oudheid, 't gene ook niet minder klaer zal blijken uit de spruitelingen.

De algemeene grondbeteekenis agt ik te zijn een opzieden van vogtige of van vierige stofdeelen.

De woorden, die op ER of AR accentèren, worden in ons Nederduitsch met A of E, en by sommigen ook met ó, in schrijfen spreek-tael onverschillig gebruikt, gelijk ik in mijne Grondsl: I. Verhand: §. XX. vermeld heb. Hier door kan men niet wel verzekeren, of de Takken van dit Verbum, die de A voeren, wezendlijk van 't oude Imperf: gesproten, dan of ze slegts by een Dialect-verschil de A gekregen hebben; hoewel het laetste wel 't waerschijnlijkst is, om dat alle deze telgen met AR en ER van beids, en onverschillig in zwang gaen. De keure is ook van geen belang, waerom we, zonder verdere bemoeijenis omtrent de nette aenwijzing van oorspronk ten opzigte van 't Praesens en Imperf:, alleenlijk hier vooraf in dagtig maken zullen, dat die met E, allereigenst tot het Wortel-deel van het Praesens, die met A, tot het zelfde, of tot dat van 't Imperf: en die met de O, voornaemlijk tot het Wortel-deel van 't Imperf: Indic: of Subj: behooren.

 

Van het Wortel-deel uit het Praes: of Imperf: zijn vooreerst gevormt eenige Verba van de I. CL: als ons Bérnen, Barnen, en † Bórnen, I. CL: H-D, brennen / barnen en bernen / I. CL: Ysl: brenna / I. CL: ardere; A-S, birnan / I. CL: comburere; M-G, in-brannjan / I. CL: ardere; H-D, barnsen / I. CL: urere, vexare hominem; en Bérn-oogen, I CL: oculis ardentibus intueri; en daerenboven eenige Subst: als A-S, bernette / ustio; A-S, brenning / crematio: A-S, bryne / incendium; en A-S, gebaernlim / calx viva; als of 't by ons ware Brandlym, vermits ontvlammende, zo dra 'er water onder komt; ons Bérn-maye, Bérn-vliege, f: cicindela, lampyris; zijnde een wurmtje en vliege, gevende by nacht een licht van zig als een wit vlammetje: en Barninge, Bérninge, ook Brandinge, f: aestus maris fervens, & transl: brevia, vadosa maris loca, ubi mare arenarum aestu fervet; en zoo voort: waer toe mede betreklijk schijnt ons † Bérn, † Bérne, mest, merda, stercus; om hare sterke verhitting, en verwarming aen de Aerde; waer van ons † Bérn-steken, IV. CL: 1, stercora tollere, latrinas purgare; en Bérn-steker, m: coprophorus, purgator latrinarum; en 't H-D, bern-heuter / M. homo iners, ignavus.

En, met de terminatie D daer agter, ons Brand, m: H-D, brand / M. incendium, ustio, adustio, inflammatio, fervor; en † Brand, m: Brand-kole, f: torris, titio; Ysl: brandur / Titio, & tr: poeticè Gladius; om de vierigheid van dien die 't gebruikt; en ons † Brand, uredo, fungus, clavus, partella; & rubigo, carbunculus, ustilago; zijnde een gebrek aen boomen en graengewas, uit eene verzenging, zo men acht, ontstaende. Wijders onze Composita Brand-braessem, m: melanurus; om de brand-bruine staert; en Brand-hért, n: tragelaphus, cervus villis nigricantibus; Brand-meeze, f: parus ater; carbonarius, fringillago; Brand-vogel, m: larus niger, fulica, & Ibis; Brand-vósch, m: vulpes nigricans; Brand-slange, f: vipera atra; allen om de donker-bruine kleur. Verder ons Brand-kórrel, f: frumentum uredine tactum; zijnde een terwe-korrel, hebbende van binnen een donkerbruine slof in plaets van meel,'t welk gekneust zijnde het goede graen besmet, en 't bemoezelde den naem van smet-terwebyzet: ons Brand-latouwe, f: hoef bladeren, Tussilago, populago; vulgò Ungula Caballi, een kruid, welks bladeren, met honing ver-

[p. 598]origineel

mengt, tegen alle brand-ontsteking en 't koudvier zeer heilzaem geagt worden: ons Brand-kruid, n: toortsen-kruid, H-D, brenn-kraut / brenn-wurtz / verbascum, flammula, clematis urens; om zijne brandige en heete kragt. Voorts ons Brand-male, f: Brand-teeken, n: Brand-mérk, n: stigma; ons Brand-ziekte. f: Bérnende hitte f: febris ardens; F-TH, brinnende fiever / febris ardens; M-G, brinno / F. A-S, bryne-adl / febris. Mitsgaders ons Brand-zilver, n: argentum excoctum; F-TH, branda-siluer / argentum igne probatum; ons Brande-wyn, m: H-D, brante-wein / M. aqua ardens, aqua vitae, vinum ardens, liquor stillatitius; 't gene meer als eene rede heeft tot die benaming; Door 't vier word hy overgehaelt; scherp en brandig is hy op de tong; het bloed verhit en ontsteekt hy voor een wijl; en eindelijk kan hy ook vlam vatten en branden, waerom men in 't stoken van den Brandewijn moet ophouden, wanneer het laetste van het overhaelsel reeds zo veel waterigs by zig krijgt, dat het niet ontvlammen kan. Behalven deze zijn 'er nog vele andere Composita om werktuigen tot ontsteking of tot vlamblussing te verbeelden, en onder die mede ons Brand-stok, m: fax, torris; A-S, brond / fax; ons Brand-stéén, Barn-bérn-en oul: ook † Born-stéén, n: en m: H-D, barn- bern- en brenn-stein / succinum, glessum; zijnde van kleur als de vlam, en brandende gelijk harst; Brand-glas, n: H-D, brenn-glas / N, vitrum causticum; en Brand-spiegel, m: speculum urens; en Zéé-brand, m: Zéé-vlamme, flamma marina; 't zy ziende op de schitterende ligtgeving in 't donker by 't breken der slijmziltige zee-baren op 't strand, 't zy ziende op den slijmerigen zee-damp, die als een mist te landewaert zig verspreidende, de groene bladeren der boomen verdort even als een schroeijende vlamme. En van het Substant: Brand is wederom gemaekt het Verbum Branden, I. CL: urere; deurere; uri, comburi; & ardere, flagrare; en Ontbranden, I. CL: exardere; F-TH, fur-branton / I. CL: aestuare, comburi; ons Verbranden, I. CL: igne consumere; en 't H-D, brentzelen / I. CL: ustulare; en ons Brandig, flagrans, urens; en † Brander, † Brandeler, fulcrum focarium.

Ook komt my niet onwaerschijnlijk te voren, dat de Franschen, als zinspelende op de schielijke flikkering, uitschieting en heen- en weêr-slingering van de vlam, hun Brandir, & Brandiller (librare), uit het oude Frankisch ontleent hebben; waer van mede 't Fransche Brandon (ignis fatuus, ignis erraticus), by ons ook Dwael-licht, om zijn dwael-schitterige beweging boven den grond, als mede Stallicht en Stalkéérse genaemt, vermits het meest omtrent de stallen, van wegen de broeijingen en salpeterige mestdampen, gezien word: en verder, by inkrimping het Fransche Branler voor Brandiller (vacillare); en ons Branderéél, aclis, tragula, glans revocabilis; zijnde een eijkel-vormige klomp loot, aen een touw vast verbonden, by de Ouden in den krijg gebruikt, om onder den vyand geworpen, en wederom te rug getrokken te konnen worden.

Wijders, op de verhitting en brand zien ons Brinsen, I. CL: hinnire; als een teeken van dertele brunstigheid; en met de terminatie ST (in plaets van deze S of SE, by Brinsen) het H-D, brunst / F. ardor, fervor, flamma; & tr: subatio, catulitio; en H-D, brünstig / ardens, fervens; & tr: lascivus; en ons Brunstig zyn, ardere in venerem, catulire, subare; het M-G, all-brunst / holucauma; by ons Brand-offer; en 't F-TH, wih-rauh-brunst / incensum thuris.

Voorts nog ook met de U in steê van O, het Ysl: brune / M. aestus, ustio; en by ons † Brune, of met een ligt verloop van Land-Dialect ons Bruine, f: H-D, breune / F. angina, synanche; zijnde een groote brand en ontsteking in de keel; gelijk mede Bruine, f: vulgò Brunella; zijnde een hitzigheid in den mond, die de tong doet zwellen, en brandig maekt tot zwart-wordens toe: welke naem van Bruine en Bruinelle f: ook gegeven word aen dat kruid, het welk byzonder dienstig daer voor geagt word, gewoonlijk Brunella, & Prunella herba genoemt. Verder ons Adject: Bruin, Bruin-kleurig, A-S, brun / brune / Angl: brawn / Sax: bruyne / H-D, breun / braun / Fuscus, subniger; unde vulgò Brunus, en Gallic: brun, Ital: & Hisp: bruno; zeggende zo veel als brand-koleurig, en zijnde eigentlijk die geel-

[p. 599]origineel

zwarte donkere kleur, welke uit roosting en branding ontstaet, waer toe mede ons Bruinheilig, ook Ment, Munt, en Kruismunt genaemt, mentha vulgata, mentha rubra vulgò Fusca sacra; om de bruinroode steel, hebbende den toenaem van Heilig, vermits het om de lieflijke reuk op Feestdagen onder de kerk-bestrooijsels vermengt wierd; en ons Bruin-visch, m: tursio, tyrsio, phocaena; om zijne bruinigheid; enz. Vorders komt van ons Bruin, met een Walschen staert, ons Bruinèren, I. CL: infuscare, offuscare; & tr: polire, expolire metalla; unde Gall: Brunir, & Ital: imbrunire; en ons Bruineersel; n: politura; en verder alle Composita en derivativa daer ons Bruin by past. Dus verre van de takken, die op 't branden hun opzigt hebben.

 

Ook zijn 'er eenigen by welke de beteekenis zinspeelt van opzieden en opwellen, aen vogtige en vloeijbare stoffen eigen, als ons Borne, † Burne, en Bron, m: Bronne, f: aqua siliens, fontana; Kimbr: brunn. M-G, brunna / M. F-TH, brunno / M. AL: prunno / H-D, born / bron / brunn / M, Angl: burne / fons; en A-S, born / burn / burna / byrna en brunna / F. fons, torrens; en Ysl: brune / M. aestus; als by welken het van onderen gestadig opbobbelt en opwelt in de gedaente van kokend water; behalven dat 'er ook onder de natuerlijke bronnen niet weinigen gevonden worden, die heet water opgeven. Hier van nu ons † Bornen, I. CL: drenken, Ysl: brynna / I. CL: adaquare; en ons Born-water, n: Aqua puteana; quin & Aqua fontana, quae vino saccharoque mixta, ebullit ac fermentat; waer van ons Walschstaertige Bornèren, I. CL: aquâ fontanâ vino saccharoque mixtâ uti. Dog tot het H-D, brunn / behoort het H-D, bruntz en brintzel / M. urina; waer van 't H-D, bruntzen / brintzelen / I. CL: urinam reddere; enz.

BI.

De Wortel-deelen.

BYD, BEED (of BEID), &c; in het M-G, beidan / baid / bidans / II. CL: 1, expectare; F-TH, bidan (of biitan / AL: piton) / beid (in Subj: bidi) / gibidan / II. CL: 1. expectare; A-S, a-bidan / a-bad (in Subj: a-bidi) / a-biden / III. CL: 1, morari; Ysl: bidia (of byda) / beid / bidenn / II. CL: 1, expectare; Angl: a-bide / in Praet: Imp: a-bode / in Praet: Part: a-bid of a-bided: 't gene in onze Dialect was † Byden, † Bééd (of Beid), † Gebeden, II. CL: 1, morari, remorari; waer van te zien is in onze Grondsl: I. Verhand: §. XIX.

 

Uit het Wortel-deel van het Praesens is in 't A-Saxisch een Verbum gemaekt van de I. CL: als A-S, ge-anbidon / I. CL: expectare; want Joh: V. §. 3 heeft men 't A-S, ge-anbidedon / expectabant.

 

Dat het oude Imperf: Indic: in Singul: van dit soort van Verba's in 't M-G, ai / in 't A-S, a / in 't F-TH en Ysl: ei / en by ons eertijds éé of EI voerde, heb ik onze Grondsl: II. Verhand: §. VI. breed genoeg aengetoont. Dus spruiten ook hier uit het oude Imperfect: deze gelijkvloeijende Verba, als F-TH, beydan / beitan en beiton / AL: peiton / I. CL: expectare; unde Ital: badare; en 't by ons gebruikelijke Beiden, Verbeiden, I. CL: en 't H-D, beiten / I. CL: expectare, cunctari, morari.

Verder ons Ar-beiden, I. CL: M-G, arbaidjan / I. CL: F-TH, arbeitan / AL: arabeitan / I. CL: H-D, arbeiten / I. CL: laborare, operam dare, niti; beteekenende zo veel als zig ophouden en vertoeven in 't werk en de moeilijke bezigheid tot 's levens bestand en onderhoud; want eertijds quam † AR of † ER voor Moeite, Bezigheid, labor, sudor, messis, & substantiae cura; gelijk ook A-S, ar / substantia, cura; en A-S, are / stipendium, possessio, usus; waer van ons Arne, Erne, f: A-S, ernth / messis, seges; en ons Arnen, Ernen, I. CL: metere segetem; F-TH, arnon / I. CL: labore mereri; en F-TH, in-arnon / I. CL: metere; en A-S, aernan / arnian / I. CL: currere; als mede ons † Erien, † Eeren, I. CL: M-G, arjan / I. CL: A-S, erian / I. CL: Ysl: eria / I. CL: arare; gelijk ook ons Arm, A-S, erma / miser; als afgeslooft in den arbeid, en door nood tot werken gedwongen; als

[p. 600]origineel

mede ons Arm, m: M-G, arms / M. A-S, arm / brachium; als waer mede men werkt. En tot ons Verbum Ar-beiden behoort ons Substant: Arbeid, m: labor, sudor, opera; & tr: nixus, partus, labor parturientium; F-TH, arbeit / F. pressura, gravis dolor, tribulatio; H-D, arbeit / F. labor, opera, molestia; en A-S, ear-bethe / molestia; en A S, ear-betlice / difficilè; zijnde dit A-S, uit de zagte i of e in Subj: ontleent.

Tot het Imperf: met de E schijnt betreklijk te zijn, mids onder eene Vocaels inkrimpiug, ons Béd, n: F-TH, bedde / betti / AL: pet / N. Ysl: bed / N, H-D, bett / N, A-S, bed / bedd / bedde / N, lectus, cubile, pulvillus; als waer op men rust en vertoeft: waer van ons † Bédden, I. CL: H-D, betten / I. CL: in lecto collocare; A-S, beddian / I. CL: sternere; en ons Verbédden, I. CL: mutare lectum; en † Gebéddet, † Gebédt, decumbens ex partûs dolore; als mede ons Subst:Bédder, m: Béd-legerige, clinicus; en † Bédderik, Bédgenóót, consors thalami; met de verdere Composita; gelijk ook 't A-S, ge-bedscipe / concubitus.

 

Wijders met A, het M-G, badi / N, lectus; gelijk ook 't A-S, bad / pignus; als een vertoevend onderpand; waer van 't A-S, badian / I. CL: pignus dare; & auferre pignus.

Met dit A-S, bad / en 't M-G, badi / komt in 't Zakelijke Deel overeen ons Bad, oul: ook † Bade, † Baed, n: balneum; in Plur: als nog Baden en in casu obliquo van den Sing: ook Bade. Ysl: bad / N, H-D, bad / N, A-S, baeth / bath / Angl: bad / balneum; als zijnde een plaets om zig van zijnen arbeid te verquikken, om 't zweet af te spoelen, en om zig wat uit te broeden en te koesteren: even gelijk ook in Vossii Etymologicum het Latijnsche woord balneum van 't Grieksche αποβάλλειν τάς ανίας (d: {?}: verdrijven de smerten en moeijlijkheden) word afgeleid, vermits de baden tot dien einde gebruikt wierden. En van Bad of Baed komt wederom ons Baden, Euphon: Baeyen, I. CL: F-TH, bathon / I. CL: A-S, baethan / I. CL: en bathian / I. CL: en H-D, baden / I. CL: lavare, rigare; gelijk ook A-S, bethian / I. CL: fomentare; en mooglijk ook ons Baeye, f: sinus maris, statio navium; Hisp: Baia, Gall: baie; niet zo zeer als een zwem- of baedplaets in de warme Landen, alwaer deze naem ook veel in zwang gaet, als wel vermits een vertoef-plaets voor de schepen: gelijk ook 't Ital: Bada, Bado, een vertoeving beteekent.

BL.

Het Wortel-deel.

BLIND (of BLEND), en BLOND (of BLAND), in 't A-S, blindan en blendan (be-blendan en ge-blendan) / bland / geblonden en blonden / II. CL: 3, inficere; miscere, tingere; 't welk; in onze Dialect herstelt zijnde, maekt † Blinden (of Blénden), Blond (of † Bland), † Geblonden. In een goeden zin beteekent het verwen, en eenige kleur geven of hebben; en in een quaden zin, iet besmetten, bemorsen, bevuilen, troebel maken, en bederven.

 

Tot de laetste beteekenissen is betreklijk, ons Blind, by den Vlaming Blénd, M-G, blinda / Kimbr: blinde / A-S, blind / F-TH, en AL: blind / blint / blinter / blinto / Dan: blind / Ysl: blindur / Angl: blinde / H-D, blind / L-Fr: blyn / caecus; als zijnde het vogt of verglaest van de oogen besmet en bedorven: waer van ons Blinden, Verblinden, I. CL: M-G, blindjan / ga-blindjan / I. CL: A-S, a-blendan / ge-blendan / for-blindan / I. CL: excaecare, occaecare; H-D, blinden / er-blinden / I. CL: caecum fieri, visu laedi; en H-D, blenden / ver-blenden / I. CL: caecum reddere. Hier toe mede ons Blinde darm, m: A-S, blind-thearm / intestinum caecum; om dat die aen 't eene einde geene doortogt heeft; Blinde hóófd-zwéér, n: vertigo; als bedwelmende de kragt van 't gezigt; Blinde muer, m: paries caecus; als zonder venster of uitzicht; Blinde-netel, f: doove netel, A-S, blind-netle / archangelica, lamium; Een blind vénster, n: riscus; als belemmert van uitzicht; Blind-sleiker, m: caecula, serpentis genus caeci;

[p. 601]origineel

in 't H-D, blind-schleiche / M. Voorts ons Blind-spél, Blinde-mannetje, myrinda, puerilis ludus obstructis oculis; en Blindhókken, I. CL: propriè, Collocare in tenebris; metaphor: Obstruere visum, mentem; fallere oculos, effascinare; verder ons,Mól-blind, caecior talpâ; om dat by de meesten dit dier voor blind gehouden word; ons Stók-blind, Steke-blind, oculorum lumine cassum; als gaende met een stok, om langs den grond vooruit te voelen, of 'er kuilen of water of iet anders in de weg zy. Daerenboven ons Subst: Blind, n: fokke, voorzeil, dolus; als belemmerende het gezigt in 't varen; ons Blind, n: een luik voor de glazen, operculum luminis; en ons Blindelings, clausis oculis; en Blindsel, n: obfuscamentum oculorum; waer van ons † Blindselen, I. CL: H-D, blintzelen / blintzern / en blinzen / I. CL: caecutire, caligare; en zoo voort.

 

Tot het Praeterit: behoort ons Blond, subflavus; unde Gall: blond, Ital: biondo; zinspelende op de eerste beteekenis van eenige kleur geven of hebben; waer op ook ziet het A-S, blonde / mixtus; als met eenige kleur vermengt; en ons Blond-hair, n: vlas-verwig hair, Xerampelinus, subflavus, flavi-comes; ook A-S, blanden- en blonden-fear / flavicomes; beteekenende het A-S, fear / het zelfde als ons hair of hairlokken.

De Wortel- of Zaek-deelen.

† BLING of † BLIEUW, † BLANG of † BLAUW, † BLONG of † BLOUW; in het M-G, blingwan (of bliggwan); blangw / (of blaggw) / blungwans of bluggwans / II. CL; 2, caedere, flagellare; en M-G, usblingwan of us-bliggwan / II. CL: 2, flagellis caedere, percutere. Dat de ng of gg op de w overrolt, als hier, behoort onder de Duitsch-stammige Dialecten alleen tot het M-Gottisch. Hier tegen vind men in 't F-TH, bliuuan / concutere; en 't AL: sin ka-pluan / vapulent, sint concussi, dat in 't Glossar: van Kero staet, bewijst met zijne terminatie an in Praet: Partic:, dat het mede onder de Ongelykvloeyende Verba behoort. By ons hebben we daer tegen met een Wortel-deel uit het Praet: ons † Blóuwe, f: alapa; waer van ons Blóuwen, I. CL: alapas impingere; batuere; punire; fusti vel malleo percutere; & brachia quatere calefaciendi gratia; en Het vlas blóuwen, I. CL: H-D, pluwen / I. CL: flagellare, mollire linum; waer van ons Blóuwel, m: malleus; gelijk ook in een verder AL: verloop ons Ver-bluffen, I. CL: verbis obruere, profligere; als verslaen met woorden. Verder ons Blóuwen, Blauwen, † Blaeuwen, I. CL: H-D, blauen / bleuen / plauen / pleuen / I. CL: percutere; vexare; lacessere; en Blaeuwigheid van slagen, insignita. Hier toe mede 't F-TH, blaustar / blostar / sacrificium, libamen; by ons eigentlijk slagtoffer: nog ook, zonder B voorop, ons † Lóuwen, I. CL: verberare, punire, multare; waer uit blijkt dat de B hier een voorwerpsel is.

Maer dewijle, uit het slaen van 't lichaem, Blaeuwe plekken, door verstremming van het bloed in de verkneusde deelen, ontstaen, zo word niet duisterlijk ons hier de oorspronk aengewezen van ons Blaeuw en † Blóuw, H-D, blau / color lividus; & tr: caeruleus, unde Gall: bleu, Ital: biauo; en A-S, bleo / Angl: blewe / color caeruleus; en A-S, blaewen / perseus color; waer van ons Blaeuwen, I. CL: H-D, blauen / I. CL: lividum ex contusione fieri; & caeruleum fieri; & inficere caeruleo colore. Wijders ons Blaeuwe oogen, H-D, blaue augen / oculi caerulei; & oculi ex ictu, sugillati; en Blond en blaeuw geslagen, sugillatus; en Blaeuwschuit, n: scheur-buit, stomacace; om de blaeuwe plekken van het Lichaem, even of het geslagen ware: en Blaeuw-voet, m: aqulia stellaris; om de blaeuwe voeten: als mede ons Hemels-blaeuw, caeruleus; en Onder den blaeuwen hemel, sub dio, aperto coelo; en zoo voort.

Het A-S, flingan / III. CL: 3, projicere; 't gene we by VLING, in deze Pr. zullen verhandelen, schijnt ook groote gemeenschap met dezen stamboom te hebben.

[p. 602]origineel

BO.

Het Wortel-deel.

BOOT (contr: BOT en BUT), en BIET; in het A-S, bearan / beot / ge-beatan / III. CL: 4, verberare; Angl: to beat / verberare; en beaten / beat / verberatus.

De A-S, ea beantwoord onze OO of O, en de A-S, eo onze IE: 't welk dan in onze Dialect moet gemaekt hebben † Booten (of † Boten), Biet, Gebooten of Geboten, III. CL: 6, even als ons Loopen, liep, geloopen, III. CL: 6.

 

Tot het Wortel-deel van het Praet: behoort het A-S, beotan / beotian / I. CL: verberare, minari, imminere; beot / minae; beotunge / fustigatio; en A-S, biotul / baculus; en mooglijk ook hier toe ons Biete-bauw, manducus, larva, spectrum; om 't bonzen en razen van die gemaekte spoken.

 

Voor het Wortel-deel van 't Praesens heeft men het A-S, beatere / pugil; met welken stam ook overeenkomt het Fransche battre, (verberare, confligere), en 't Fransche bataille Angl: beating / by ons mede † Batting, nu meest Battalje, f: certamen, conflictus; en 't A-S, bat / batt / fustis, Gallis baton.

 

Dog met OO, ons † Boot, m: ictus; en Bot, Botte, f: impulsus, ictus, protrusio; & resultus, unde Gall: boutee; en Boot hamer, m: A-S. bytle / malleus; waer van het Vlaemsche Booten, I. CL: malleo contundere; & pinsere; en † Bóót, tonne, contr: Botte, Butte, A-S, butte / byt / bytte / Angl: butte / H-D, butten / cadus, dolium, orca, cupa; unde Ital: botte, Hisp: bota; als door aenslaen van hoepels verbonden: in een Geldersche Dialect vind men ook Bodde voor dit Botte, waer toe mede het Geld: Boddeker, n: kuiper, doliarius; om 't aenslaen der hoepels. Wijders ons Boot, f: monile; als met den hamer beslagen; en met de terminatie SE agter 't Wortel-deel ons Bótse, † Butse, ook Euphon: Bósse, f: pulsus; concussus, ictus, contusio; en Botse, Boetse, en Butse, f: tumor è lapsu, sive ictu, Gall: bosse; waer van ons Bótsen, † Butsen, Euphon: Bóssen, I. CL: pulsare, concutere; pellere, impellere, protrudere; quassare, contundere; arietare; unde Ital: Bussare; en † Boesen, I. CL: impetuosè pulsare; en by den Vriesch ook Boes-man, larva, spectrum; om 't bonsgeraes, even als by 't bovengemelde Bitebauw; waer by niet qualijk schijnt te voegen ons Botsig-land, palus; alzoo 't gedroogde moer-land gewoon is sterk te schudden en dreunen als 'er wagens over rijden.

 

Dat de lange O, al in eene korte O en U verwandelt is, blijkt uit het vorige. Dus ook hier toe, met de terminatie ER agter 't Wortel-deel, ons Boter, Botter, Butter, f: A-S, butere / H-D, en Eng: butter / F. Ital: buttiro, Gall: beurre, Lat: butyrum, Graec: Β{?}τυρος; als wordende de olieagtige deelen uit de melk afgescheiden, door 't geduerig klutsen en op- en neêr-slaen van de karn; waer nae dit butterige in eene mout of bak by een gezamelt zijnde, met de handen of vuisten louter gekneust, geklopt, en gekneed word, om het verder te zuiveren van de waterige of karnemelk-agtige deeltjes; en hoe meer de Boter aldus geklutst en bewerkt word, hoe meer ze aenwint in deugd en duurzaamheid: ze word dan uit klutsen geboren en volmaekt, en is derhalven met regt hare benaming uit dezen Stam ontleent. Ze dwalen, die met Vossius haer van 't Latijnsche butyrum, en dat weder van het Grieksch afleiden, willende dat het Grieksche Β{?}τυρος een samenzetsel zy van Β{?}, bos, en τυρος, caseus, en aldus eigentlijk beteekenen zou kaes van koeyen; dog jammerlijk komt het denkbeeld van zulk eene oneigene samenlapping, aengezien de Butter gantsch geen kaes gelijkt, nogte in aert, gedaente, en deugd, nogte in bewerking, waerom daer aen de naem van kaes in geenen deele voegt, en des te minder die van koeijenkaes, als of ze in tegenstelling van andere quam. Dog, behalven dit, is de Botter een vreemd en ongewoon ding geweest by Grieken en Romeinen; gelijk ook Plinius, die van de eersten onder de Romeinen is, die van dit woord butyrum gedenken, zulks getuigt, ‘zeggende, è lacte fit butyrum Barbarune gentium laudatissimus cibus; d: 1: uit

[p. 603]origineel

melk word Boter gewrocht, eene overheerlijke spijze der Barbaren of Buitenlandsche volkeren; en Galenus vertelt van de’ Boter als van iet ongemeens, dat hy die zelf gezien had. Ook is 't aenmerkelijk 't gene dezelfde Plinius verhaelt, Libr: XI. Cap: XLI. ‘Mirum barbaras gentes, &c. 'T is te verwonderen, zeit hy, dat de Uitlanders of Barbaren, die van melk leven, zo vele Eeuwen lang onkundig of te slof zijn geweest om Kaes te maken, hoewel ze uit de melk eene geurige en lijvig-vette Boter weten toe te stellen: 't is een schuim van de melk, en te dik om wey te heeten: ook moet ik niet overslaen, dat 'er eene oliekragt inzit, en dat alle Barbaren, en ook onze Kinderen daer mede besmeert worden’ Hier uit blijkt, dat het kaes-maken zo vreemd by onze. Voorouderen was, als het Botter-maken by den Griek of Romein: waerom ook onze benaming, beneffens de toebereidinge en 't gebruik van Kaes, te houden is, als door de Romeinen ons toegebracht; gelijk die naem van Boter uit onzen Noorder-hoek na 't Zuiden is overgewaeijt. Ook is de Boter eigen aen de koelder-landen, en by uitstek aen ons Holland, daer de wijdberoemste butter gemaekt word; zulks dat ze wel bewerkt zijnde een rond jaer goed en lieflijk kan blijven; dog in warmer land-streken smelt ze, en word sterk en oneetbaer. De heerlijkheid en dienst van de Boter is zo groot, dat ze onder de Roomsgezinden den bynaem van Onze lieve vrouwe gekregen heeft; vermits dienstig in alle toebereidinge van spijs; even gelijk sommigen in alles hare toevlugt tot Onze L: vrouwe nemen. Ondertusschen is van ons Boter &c, gekomen ons Boteren, Botteren, Butteren, I. CL: linere, sive condire butyro; en † Boteren, I. CL: butyrum conficere, lac agitando extundere butyrum; en onze CompositaBoter-stande, Boter-kérne, f: vas in quo lac agitatur, & butyrum cogitur; Boter-tanden, dentes primores, incisores; als welke, in het eten van een boter-stuk, zig netjes in de butter ingedrukt vertoonen; ons Boter-ham, f: en 't Vlaemsche Boterbrugge, panis butyro illitus; Boter-mélk, f: lac serosum, secundarium, pressum, ex quo butyrum confectum est; Boter-schitte, Boter-vliege, f: A-S, buter-flege / papilio; en Boter-bloeme, f: ranunculus; als welker gemeene geele koleur aen de botter gelijkt. En zoo meer anderen.

 

Wijders uit ons Bot, Botte, f: ictus, impulsus, resultus, protrusio, & expulsio; is gekomen ons Botten, I. CL: trudere, protrudere; resultare, & resilire; waer toe ook mooglijk ons Bot vangen, repulsum pati; en Uitbotten, I. CL: gemmare, fruticare, extuberare; en onze spreekwijze Op één bót, uno ictu; en Op een bot, Bottelink, subitò, repentè; unde Ital: di botto. Verder ons Botte, Butse, bobbel, knobbel, papula, tuber, & hydrops, tumor strumosus ovium, ulcus pestilens; en in 't Oud-Friesch, bottel / processus intestinorum ex vulnere; in Leg: Fris: Bottellus, zie Siccama in Leg: Fris: p: 130, vermits een uitbotting van 't gedarmte; en Botte, gemma, germen, oculus, unde Gall: Bouton, Hisp: boton; om de knobbelige uitscheute, die van 't eerste groeijsap voortgestuwt word; waer toe ons Botten, Uitbotten, I. CL: gemmare, fruticare, pullulare; trudere gemmas; Botten als een gezwél, caput facere; Gall: aboutir; en Botten, I. CL: edere, exponere, ejicere, sternere, pellere, propellere, impellere; waer toe ons Bót geven, Bót vieren, iets toegeven, laten schieten, laxare pedem, laxare funem, remittere; gelijk ook de naem van Bot, os, ossis, aen zulk gebeente gegeven word, welks einden met knobbels bezet zijn; Voorts ons Bottel-bóóm, kornoelje, cornus; om het vroeg uitbotten. En, zinspelende op het voortstooten, het Verbum Botten, I. CL: fraudulenter extrudere aleas, taxillos mittere compositos; waer van ons † Botter, m: valsche speelder, deceptor, impostor, aleator improbus; waer op ook schijnt te zien het Vlaemsche Botten, I. CL: fallere, imponere.

Ons Bote, f: Boten-schoen, m: pero, calceus rusticus è crudo corio, Ital: bottes, Hisp: botes, i: e: ocreae, schijnt my van 't hard beslaen der zolen haeren naem gekregen te hebben; waer van ous † Bot-aerzen, I. CL. ocrea, assere, vel rudente ferire nates.

En, gelijk door het slaen de dingen van gebondene of harde stoffe eene plattigheid,

[p. 604]origineel

en de scherpe dingen eene stompigheid krijgen, zo past hier op by zinspelinge ons Bot, f: H-D, butte / F. rhombus, passer piscis; planus, latus, & extensus; ook om dezelfde rede by ons Platvisch genoemt: wijders ons Adject: Bot, plomp, stomp, stupidus, hebes, obtufus, rudis; unde Hisp: boto; waer toe ons Bot-maken, Verbotten, I. CL: retundere, obtundere, hebetare; even gelijk ook 't Latijnsche obtundere, d: 1:, stompmaken van tundere, d: 1: kloppen, slaen, ontleent is. Hier toe onze spreekwijze Hy is zo bot nog zo plat niet, non ita stupidus est ingenio; en Bot-byl, m: imperitus & obtusus faber lignarius; en Bot-muil, Bot-óór, Bot-aerd, Botterd en Botterik, boeoticus, homo obtusus, pingui judicio.

Vans ons Bóót, m: f: & n: H-D, bot / M en N, Ysl: baatur / M. A-S, bata / bate / batt / bat / Angl: bote / boate / navicula, navigium actuarium, acacium, lembus, cymba, unde vulgò Bota, (waer toe ons Bóóts-gezél, m: naviculator remex, socius navalis; en Bóóts-man, Bóóts-vaerder, m: A-S, butse-carle / epibata) schoon het, volgens de gedaente, tot dezen stam gehoorig schijnt, weet ik het beloop der Afleidinge of overdragt nog niet tot mijn genoegen uit te vinden; mijn naeste gissing is, of het ontleent mogte zijn van 't uitwerpen, gelijk ook † Boten, Botten, ejicere, projicere, exponere; aengezien de Booten gedurende de reize opgehaelt zijn, en weder by de minste gelegentheid met der haest en vaerdig worden uitgeworpen in zee; 't zy om het anker uit te leggen of in te halen. 't zy om ymand aen Land of op een ander schip over te brengen, of om verder vereisch van scheepsdienst te verrigten; zo dit regt ware, zou het eigentlijk beteekenen een gereed uitwerp-schuitje.

Wijders, of het om de knobbeligheid, van den bast, of om den aert der uitbottinge is, dat we ook hebben Bottel, Buttel, haegappelboom, arbutum, unedo, en † Bóttel-doren, braembeziën-boom, rubus, durf ik niet verzekeren; gelijk ook niet, of ons Botte, Butte, f: draegkorf, marsje, H-D, butte / botte / bütte / corbis dossuaria, cophinus, orca, van een valsche-speelders marsje ontleent zy, dan of het overdragtelijk kome van ons voorgemelde Butte, Botte, vat, dolium, orca, cupa, als beiden dienende om iets in te besluiten, te dragen, of te vervoeren: immers de zin van besluiten past ook, verder op ons Bottel, en met een Walschen staert-klem Bottelje, f: lanega; unde & Gall: Bouteille; ook A-S, bute-ruce / lanega; en by ons † Butséél, uter, vas vinarium. Van ons Bottel is gekomen Bottellery, f: promptuarium; cella penaria, vinaria; unde vulgò Botteleria, Gall: bouteillerie, Ital: boteleria, Hisp: bottileria, Angl: butterie / buttry; waer toe ons Bottelier, m: promus; unde Gall: bouteillier, Ital: bottigliere, Hisp: botiler, en Angl: Butler.

 

En, gelijkerwijs uit Botse, Butse, pulsus, concussus, gemaekt is ons Botsen, Butsen, Eupbon: Bóssen, Bussen, I. CL: in 't Vlaemsch ook Buissen, I. CL: pulsare, contundere, quassare, Ital: bussare, en Boetse, Butse, Botse, tumor è lapsu sive ictu, Gall: bosse, als hier voor al gemeld is, zo vermoede ik mede hier toe te behooren ons Bosse, Busse, beukeler, umbo, eminentior pars media clypei; om de slagen af te keeren, of om de hooger uitschietende verheventheid; gelijk ook by ons Busse, f: bulla; ornamentum rotundum & concavum ex metallo confectum: en Wind-busse, f: cucurbita, vulgò ventosa; en ons Bossing, Bussing, de middelste uitsprong van een panneel, eminentior pars media tympani tabellae. Voorts met den uitgang TE, agter 't veranderde Wortel-deel ons † Boste, † Booste, † Boest, en Bostele, Bustel, Flandr: Buistel, siliqua, folliculus; Gall: boiste (cistula), als welken, droog zijnde, met den klepel geslagen en gedorscht worden, om 'er de erten uit te doen rollen; waer van ons † Boosten, Bostelen, I. CL: pellen, decorticare, deglabrare.

Dog ons † Butsen, † Boetsen, I. CL: sarcire, gelijkt my niet van dezen stam, maer van elders afkomstig te zijn, naemlijk van Boete, resarcinatio, melioratio. En ons Busse, f: A-S, bore / pyxis, fistula, balista; en Busse, Buis, fistula; als mede ons Bus-bóóm, Bos-bóóm, m: A-S, bor-treow / H-D, buchs-baum / M, Angl: bore / buxus; Ital: buxo, bosso; Hisp: boxo, box, agt ik van 't Latijnsche ontleent te zijn, vermits daer

[p. 605]origineel

van de doozen eh buffen gemaekt wierden: gelijk ook in 't H-D, de chs / en in 't A-S, en 't Eng: de r zig vertoont, dat niet wezen zou, zo 't van dezen onzen stam waer gesproten.

Eer ik hier afscheide, heb ik wegens het Latijnsche batuere (slaen) 't gene in zin en gedaente zo veel gelijkheid aen dit A-S, beatan / III. CL: 4, heeft, nog aen te merken, dat aengezien dit A-Saxische Ongelijk-vloeijend,en gevolglijk oud-echt en niet ontleent is, derhalven, zo de overeenkomst niet toevallig is, dit Latijnsche, beneffens meer andere woorden, niet onwaerschijnlijk van 't Oud-Gallisch of Oud-Duitsch zal afgedaelt zijn: te meer om dat de oorspronk in 't Latijn of Grieksch zeer verre te zoeken is, zoo men zien zal op Vossii Etymologicum.

Het Wortel-deel.

BÓUW en BIEW; in het Ysl: bua / in Praet: bioo / in Praes: eg by / III. CL: 2, habitare. Dat dit Verbum onder de Ongelyk-vloeyenden behoort, blijkt uit het Praeter: bioo / 't gene. andersints bude volgens den Infinit: moest zijn: zo dat wel eer in, ons Dialect dit gemaekt heeft, Bóuwen, † Bieuw, † Gebóuwen, III. CL: 6, nu Bóuwen, I: CL: gelijk my dit Verbum in het M-G, F-TH, AL: A-S, &c, mede al van de I. CL: is voorgekomen; en dat onder driederhande beteekeniffen, eerstelijk, als ziende op het woonen en verblyf houden, en voornaemlijk op het Land-bewoonen, der Oud-Duitschen gemeene gebruik, alzoo het Stede-bouwen, volgens, getuigenis van Tacitus, by hen in geene gewoonte was; ten tweede, het waernemen van 't Landwerk en vrugtgewin en ten derde, een beteekenis die op beiden betreklijk is, naemlijk vastigheden tot verblyf maken, timmeren.

De zin van 't woonen, die de oudste is, vertoont zig in het M-G, bauan / ga-bauan / I. CL: F-TH, bouwan / bowoan / I. CL: AL: buen / puan / puarre / Dan: boe / habitare; en A-S, byan / I. CL: habitare, & possidere; gelijk ook in 't M-G, bauain / domicilium; A-S, bye / Ysl: bygd / habitatio; Ysl: boer / habitaculum, vel villa; Ysl: byr / civitas; M-G, us-baujan / I. CL: everrere; en A-S, buend / incola: als mede A-S, gebur / gebure / vicinus; AL: ke-purum / vicinis; H-D, nach-bauer / contr: nach-bar / M. by ons Buer, Gebuer, en Nae-buer, m: vicinus; als by elkander hun verblijf of wooning hebbende; waer toe mede ons Buert, Buerte, f: vicinia, vicini, vicinorum cohabitatio; en A-S, bur / bure / conclave; en 't Geldersche en Saxische Buer, casa, tugurium, appendix domus; aedificium alteri adjunctum; en Sax: Vogel-buer, cavea; enz.

Of met den uitgang DE, het Sax: en Geïd: en Ons. † Boede, † Bode en † Boeye, domuncula, casa, tugurium; en daer van met de terminatie EL ons Boedel, In-boedel, Im-boedel, contr: Boêl, InBoêl, Imboêl, m: facultates, supellex; ziende voornaemlijk op het huisraed, 't gene ymand bezit, of met der dood ontruimt; hoewel ook, onder dien, naem dikmaels alle nalatenschap betrokken word: op welken zin het A-S, byan / I. CL: habitare, & possidere, volkomentlijk past. En hier toe mooglijk ons † Boel, ancilla, focaria; en Boêl, † Toeboel en Boelken, concubinus, concubina; als een byzit die in huis genomen word: en daer van † Boelen, I. CL: nu Boelèren, I. CL: amare, scortari; en Verboele, I. CL: amoribus consumere.

 

Den zin van 't landwerk waernemen, dat aen 't Landwoonen vast hing, vind men in ons † Bóuwe, f: Bóuw, m: H-D, bau / M. messis, arvum, agricultura; en Land Bóuw, m: agricultura; waer van ons Bóuwen, I. CL: H-D, bauen / I. CL: terram colere, subigere; agros curare, arare; colere agrum. A-S, biggan / began / bigan / I. CL: colere; A-S, buend en biggend / colens; A-S, buendra-leas / incultus; A-S, gebund- en gebun-land / terra culta; A-S, begang / bigang / bigonge / cultus, exercitatio, studium; en A-S, big-leofa / annona; als bouw-gewin tot levens onderhoud. Waer van verder ons Bóuwsel, n: agricultura; en 't Geld: en Sax: Bóuw-maend, m: Augustus, als de Oogsttijd van 't Landgewin; en Bóuw-man, colonus, agricola; en † Bóuwer, contr: † Bour, nu Boer, m: H-D, bauer / M,

[p. 606]origineel

Sax: buer Ysl: bure; A-S, gebure / gebur / en buend / colonus, colens, agricola; & rusticus; en Boerin, voor † Bóuwerin, f: H-D, beuerin / f: rustica; waer van ons Boeren, I. CL: rusticari; colere agrum; en Boeren, I. CL: Boertery doen, butyrum sive caseos conficere; en ons Boersch, H-D, beurisch / agrestis, incivilis; waer toe ook Boerte, † Boerde, f: nugae, jocus; unde Gall: bourde; waer in zig ymand boersch veinst, of met eenes anders boersheid zoetelijk spot; waer van ons Boerten, † Boerden, I. CL: jocari, nugari; Gall: bourder; en Boertig, jocosus, facetus; en Boertery, f: facetiae; enz.

 

De derde beteekenis, uit de twee anderen gesproten, laet zig zien in ons Bóuw, m: H-D, Bau / M. aedificatio, agger, opus, structura, fabrica; waer van ons Bóuwen, I. CL: H-D, bauen / I. CL: A-S, bycgan / byggan / I. CL: Dan: bygge / aedificare; waer van ons Bóuwer, m: H-D, bauer / M. aedificator, architectus; ons Bóuwsel, n: aedificatio; Gebóuw, n: aedificium; A-S, bigels / camera; en ons Bóuw-vallig, ruinojus, valetudinarius; als een gebouw dat op 't vallen staet; en † Bóuwig, welonderhouden, sartus tectus; en † Bóuwig maken, instaurare; enz.

De huizingtjes en hutten der Voorouderen bestonden eertijds meest uit gevlogten teenwerk, met kley of kalk digt aengestopt, besmeert, en bestreken; welke toestelling vry nettelijk in zin overeenstemt met het Grieksche Βὺειν, abstruere; dat ook toevallig in gedaente zo wel aen dit Ysl: bua / habitare, gelijkt. Steenen huizen waren wat zeldsaems, en wierden op het Land allereerst gezet door rijken Adel, die dezelven met graften of sloten omgroeven, tot bescherminge van hen zelf, en hunne onderhoorigen: welke Adelijke wooningen veeltijds den toenaem kregen van Steyn; gelijk men 'er onder de Adelijke Landhuizen in de Nederlanden ontallijken met dien toenaem ontmoet, meest allen onder en sedert der Graven tijd gebouwt.

BR.

Het Wortel-deel.

BRÉÉD of BREID, BRAD en BROB (of BRUD en BRUID); in het A-S, broedan of bredan / brad of broed (in Subj: brude) / gebroden en gebreden / II. CL: 5, en III. CL: 3, extendere, propalare; auferte; en A-S, abredan / extendere; abroedan / auferre; abrad / extensi; a-broden / extractus; oet-broedan / liberare; oet-breden / ablatus; en at-brudon / abstulerunt (Josua, VII. 11); gebroedan / exerere; of-bredan / transfer, surripere; oth-broedan / demere; oth-broden / demptus; en up- en upp-abroden / elatus; en AL: preitida / elatio.

Voor de eerste grondbeteekenis kieze ik uit alle dezen het uitbreiden; losser, en vryer maken; en overdragtelijk ook daer van het wegnemen.

In den laetsten zin vind men ook het-A-S, broegdan / bregdan / II. CL: 3, eximere, diripere; bregden / ablatus; a-brogden / exemptus, extractus, avulsus, erutus; thurh-brogden / trajectus; en up-abrogden / raptus; die van het voorgemelde A-S, broedan / bredan / alleenlijk daer in verschillen dat 'er de g tusschen inkomt, 't gene my slegts een Dialect-verschil toeschijnt. Zoo men deze A-S, g / alhier uitspreekt als de y of i / na den nog levenden trant der Duitschers omtrent de Oostzee, van waer ook de Angel-Saxen herkomstig gerekent worden, zo verschilt dit A-S, bregdan en bredan / omtrent zo min als ons Brééd en Breid, die beiden even gangbaer zijn. Voeg hier by dat de G, stuitende voor, D of T, (zelf by ons, die de G geheel anders uitspreken dan de J of Y) Euphonicè in Y of I verwisselt, als Zeyt voor Zegt, enz.

Ook zijn 'er eenige spruiten, die te kennen geven dat dit A-S, broedan / bredan / broegdan / bregdan / eximere, auferre, liberare, mede zijn opzicht heeft op wegnemen met list, haest, of geweld; vermits A-S, bred / fraus; A-S, gebroegdas / fraudes; A-S, gebroegdnysse / astutia; Ysl: bragd / deceptio; Ysl: braadur / festinus; en Ysl: broede / furor.

 

De A-S, oe of a / beantwoord onze EI

[p. 607]origineel

of ÉÉ, of ook wel A. Dus vind men in 't Wortel-deel broed / brad / ons Brééd, † Breid, M-G, braids / Ysl: beridur / F-TH, breid / breit / AL: preit / A-S, broede / brade / brad en brede / Angl: broad / H-D, breit / latus, amplus, extensus, diffusus; en A-S, un-brad / arctus; waer van ons Breeden, † Breiden, Verbreeden, en Uit-breiden, I. CL:F-TH, ze-breidan / I. CL: dilatare, extendere; en Verbreiden, I. CL: divulgare; H-D, breiten / I. CL: AL: preittan / I. CL: A-S, gebroedan / gebredan / I. CL: dilatare, extendere; A-S, ofer-broedan / I. CL: operire, velare; waer van 't A-S, broedels / stragulum; en ofer-broedelse / operimentum; en A-S, under-broedan / I. CL: substernere; en A-S, to-broedan / I. CL: ampliare; overdragtelijk is hier van ontleent ons Breiden, I. CL: Euphon: Breyen en volgens de oude Dialect, Braeyen, I. CL: F-TH, breydan / I. CL: contexere rete, vittam, &c; nectere telam; om dat zulk geweefsel zo bezonderlijk kan meê-geven; waerom men ook zeit, Het kan rekken als gebreyde hoozen en netten. Hier toe mede ons Breidel, m: H-D, breidel / M. A-S, bridel / bridi / bridels / brydyls / Angl: bridel / frenum, habena retinaculum, unde & Gall: bride, & Ital: briglia; vermits vlegt-wijzig gemaekt. of gebreid: waer van verder ons Breidelen, waer voor men ook by Kiliaen vind Brillen, I. CL: A-S, bridlian / bridligan / I. CL: frenare, refrenare; Gali: brider, Ital: brigliare; waer toe mede ons Breid-naet, sutura nexilis, reticulata; enz. Van Brééd, Breid, komt ook ons Bréédte, Breidte, f: en Bréédheid, f: H-D, breite / F. latitudo, amplitudo; A-S, bryde / extractio; en A-S, broede / broednysse / longitudo; en onze Composita Brééd-byle, f: ascia; Brééd-voet, m: pansa, latipes; Breeden-raed, m: publicum concilium, Senatus praetorianus; Consilium praetorianum, aulicum, publicum; enz.

 

Maer onder een Allem: Dialect van P in plaets van B, gelijk by 't reetsgemelde AL: preit / latus, en preitan / extendere, dilatare, kan ook, met een voorvoeginge van S, ontleent geweest zijn ons Spreidén, † Spree-

den, I. CL: A-S, sproedan / spredan / I. CL: extendere, dilatare, spargere, Gall: espardre, Angl: spreade; en ons Spreidelinks, sparsim, passim; en Sprééd, Bed-sprééd, en Spreid en Spried, n: Frif: Spreeder, m: toralium; om 't overspreiden, AL: zi-spreitan / I. CL: dispergere. Gelijk ook uit het Praeter: met O, of de gelijkwaerdige OE, op gelijke wijze kan gevormt zijn ons Besproeden, Euphon: Besproeyen, I. CL: aspergere, inspergere.

 

Als men dit woord Breiden, Breyen, aen dien, die de R niet onbelemmert kan voortbrengen, vergt om nae te zeggen, zo ontdekt zig terstond zeer kragtig zijn gebrek; welke zaek uit boerterije dikwijls gedaen word, voornaemlijk omtrent kinderen. Hier toe derhalven gevoeglijk ons Breiden, Breyen, I. CL: literam R inarticulatè, ineffigiatè proferre; 't gene uit dezen hoofde mede onder de klank-nabootsende woorden kan getelt-worden.

 

De verandering van de A in 't Praeter: vertoont zig insgelijks in ons Brade, Braeye, f: kuit, venter cruris; dat ook vermits hare breette, hier toe gevoeglijk komt.

 

Van 't A-S, brud / het Wortel-deel van 't Praeter: Subj:, zijn 'er: mede Gelijkvloeijende Verba gesproten, als A-S, at-brudan / I. CL: auferre; A-S, on-brudan / I. CL: expergisci; en A-S, on-brud voor on-bruded / suscitatus; als mede A-S, brudan / oet-brudan / I. CL: liberare.

Maer dit zelfde brud / in onze Dialect overgebracht zijnde, mackt ook † Brued, Bruid. Dus vinden we hier in geen onwaer-schijnlijken oorspronk van ons Bruid, f: A-S, bryd / brid / F-TH, en AL: brut / Dan: brud / Angl: bride / Saz: brude / H-D, braut / F, L-Fr: breed / breyd / F, sponsa, als eene uitgeleide en verloste uit het huis der Ouders, even gelijk in 't A-S, bryd / sponsa, en bryde / extractio; of anders, ziende op de eerste grondbeteekenis van het uitbreiden als eene dogter die ten huwelijk word uitgegeven om het geslagt te vermeerderen. Deze uitlégging, blijft ook hare waerde behouden

[p. 608]origineel

by het M-G, bruths / F. filii uxor; & nurus; en 't oude Kimbr: brudur / F. poèticè, quaelibet foemina (juxta OL: Wormittm, Liter: Dan: in 40. p: 211.) Hier toe verder ons zamenzetsel Bruide-gom, m: F-TH, brutigomo / M, Ysl: brud-gume / M. A-S, bryda-guma / bryd-guma / bred-guman / M. H-D, bräuti-gam / breuti-gam / breut-gam / M. Sax: brude-gam / L-Fr: breigeman / M. en Angl: bride-groom / sponsus; beteekenende deze terminatie Gom, gomo / gume / guma / en gam &c, eenen aengenomen man, opziender, bezorger, en bestierder; gelijk M-G, gumein / marem; M-G, guma-kunds / masculinus; F-TH, gomo / gome / gomma / AL: commen / maritus, vir; A-S, guma / homo, vir, & vigilans; mede eertijds by ons † Goem, † Goom, observatio, custodia, consfideratio, cura; en derhalven nietalleen een man, maer ook een bezorger en voogd; gelijk mede hier van ons † Gomen, † Goomen, I. CL: en † Goom nemen, curare, observare, considerare; custodire; M-G, gaumjan / I. CL: videre: A-S, gyman / geomian / begyman / I. CL: in 't Zwitsersch gaumen / I. CL: curare, observare; & gubernare; waer van ook ons † Goomer, † Gomer, Zwitsch: gaumer / M. curator, custos, vulgò Gomarus. Het M-G, brud-faths / M, sponsus, heeft eene even diergelijke beteekenis, vermits het,M-G, fads of faths in agterlassinge zo veel zeit als een bestierder, bezorger, gelijk ik in onze Grondst: I. Verhand: §. VIII, heb aengewezen.

De Composita van ons Bruid zyn ons Bruid-cave, f: Bruid-stuk, n: sponsale munus, parapherna; eene gifte aen de Bruid boven het huwelijksgoed; Bruid-lófte, contr: Bruilóft, f: F-TH, brut-louffti / F, A-S, bryd-loppa / H-D, braut-lauff / M. nuptiae, convivium nuptiale; van † Lófte, promissio; wordende gewoonlijk, ten minste in onze Steden, van de Bruids-zijde bekostigt, en daerom met regt Bruid-lófte, en niet Bruidegoms-lofte geheeten. Wijders Bruid-leider, m: paranymphus, duclor sponsae; en Bruid-leidster, f: pronuba, comes sponsae; en Bruid-schat, m: dos, dotis; huwelijks goed van de bruids-kant.

Maer by ons wil ook het woordje Bruid nog eene gantsch andere beteekenis, strijdig met alle de vorige lieslijkheden; naemlijk Bruid, colluvio, colluvies ex vasis, quae porcis datur; & tr: stercora liquida; als zijnde allerhande ruigte, drek en slobbering, die men slegts de morsige varkens voorwerpt. Zo dit tot dezen Stam behoort, is het te betrekken tot het Praet: Subj: van 't A-S, bredan / II. of III. CL: auferre; als om weg te werpen; met dezelfde overdragt als ons † Bérn, colluvies, & tr: stercus liquidum, van ons † Beren, ferre. Dog of de Wortel-deelen BRIED en BRUID &c, waer van we straks zullen spreken, niet vry wat meerder regt op deze Bruid hebben, zou ik twijffelen; en zo 't zoo is, dan moet 'er de Bruid-leider, m: de bern-steker of nacht-werker, coprophorus, mede by.

Het Wortel-deel.

BRIED of BRIET, BRUID of BRUIT, enz:. Van beids met T en D vind ik de Oude stammen hier toe gehoorig; andersints agt ik het niet veilig de eene voor de andere te nemen. Dus Ysl: brioota / braut (in Subj: bruti) / brotenn / II. CL: 2, frangere; in 't Praef: eg bryt / frango; waer tegen men in een overdragtigen zin, (even als by ons Breken, frangere) en Gebreken, deficere), wederom ontmoet het A-S, a-breothan / a-breath / a-brothen / II. CL: 1, deficere; als mede met de t (in plaets van de th / die eigentlijk onze D beantwoord) het A-S, a-breotan / a-breat / a-broten / II. CL: 1, torpescere; zijnde de vadzigheid eene gewoone ramp by 't verarmen en gebrekkig worden: gelijk men ook zo wel met t als th vind het A-S, a-broten / socors; en 't A-S, a-brothen / nugax, degener; en A-S, a-brothenysse / ignavia. In 't Yslandsch vertoont zig mede nog de d / in steê van de t / in het Ysl: brid / confringo dentibus, in Praet: brudde / in Part: Pass: bruddur / IV. CL: 2, welk Praeter: wel hier in de gedaente van de Gelijkvloeijenden met den uitgang de komt, dog egter, vermits brid in 't Praesens eene vocaelwisseling aenwijst, met reden aen te zien is, voor een verloopen Praeter: ontleent

[p. 609]origineel

van 't Praeter: Subj: in dien tijd, toen 't bovengemelde brioota ook nog met d gebruikt wierd: 't welk de afspruitelingen mede zullen bevestigen. Dit alles in onze Dialect herstelt zijnde, komt daer uit † Brieden (of † Bruiden), † Bróód (of Brood), † Gebroden, II. CL: 3, of ook † Brieten of Bruiten, &c, II. CL: 3. Want UI en IE beantwoorden beiden de A-S, eo / en passen elk by dit soort van Verba's, vojgens onze Grondsl: II. Verhand: §. VII.

 

Tot het Wortel-deel van het Praesens behoort vooreerst het Ysl: brite / M: partitor; en tot een diergelijk Substant: het A-S, britan / brytan / for-brytan / forbretan / I. CL: frangere, dissecare, conterere, friare; en met eene inkortinge van i / het Engelsche brittle / fragilis; en ons † Britte, in 't Geldersch Brétte, Brete, f: frustum sive pars cespitis; H-D, breter-holz / lignum asseribus scindendis idoneum; Wijders het Geldersche Bridsel, krakeling, spira; om zijne brosheid en 't kraken of knappen: gelijk mede, zo 't my toeschijnt, ons Bryzel, mica, & olim friabilis, welluidenshalve gekomen is voor † Bridsel of Britsel; waer van weder ons Bryzelen, I. CL: in micas frangere; en Verbryzelen, I. CL: A-S, brysan / I. CL: conterere, Gall: briser; hoewel het veranderen van IE in Y, vermits buiten den gemeenen trant loopende, onder geene Dialect-regel behoort,maer alhier uit de Euphonie zou moeten gebooren zijn; gelijk ook voor het bovengenoemde Geldersche Bridsel met eenen by Kiliaen gevonden word Bryzelink, krakeling, spira. Vorder schijnt ook (met dezelfde overdragt als by ons Broek, bracca, van Breken frangere) van dezen stamme afkomstig te zijn ons Bridse, † Brédse, bracca; & tr: Subligar; quin etiam Coleus; waer van ons Bridse slaen, solea pulfare nates; en Bréds-rieken, olere hircum; dog hier aen hapert nog, dat men ook voor de E of I by dit woord de A heeft als Bradse, Bradde, coleus, testiculus; 't gene by dezen stam niet wel en vlijt: mijn vermoeden is, dat ze tot het vorige Stam-woord BREED &c. zullen behooren, dog de zins-overdragt kan ik daer nog niet op uitvinden na genoegen.

Maer ten opzigte van het bovengemelde A-S, brytan / heb ik nog by te brengen, dat hier mede in 't Zakelijke ten vollen overeenkomt het A-S, bryttas / Britanni; bryttene, bryten-land / bryt-land / en brytta-ealand / Britannia; even of het zeggen wilde, het Eiland van Oud-Gallien afgescheurt; gelijk by sommigen het Canael voor eenen inbreuk van den Oceaen is gehouden. Dog aengezien de naem van Britannia etlijke Eeuwen ouder is, dan de komste der Angel-Saksen op dat Eiland, zo is de oorspronk van dat woord niet in hunne tael, maer in de Oud-Brittische of Oud-Gallische te zoeken, maer van het Kornisch, Wallisch, en Armorisch nog over-blijfsels zijn. Pezron verhaelt in zijn Antiqu: de la Nation & de la Langue des Celtes ou Gaulois, p: 379, dat in 't Armorisch Britt of Bridh zo veel zeit als by Ons beschildert, en Tan of Stan, by ons een landstreek: dit zou overeenkomen met het bekende verhael, dat de Oude Britten met blaeuwe verwe hunne Lichamen en Schilden bestreken, beteekenende dus Bryttas het zelfde als 't Latijnsche Picti, zo als de Romeinen hen noemden: waerom ook het kruit Brittannica welks sap tot die blaeuwschildering diende, in het A-S, hoewen-hydele genoemt word, d: 1, blaeuw-huiden-kruit; want A-S, hoewen / glaucus, color caeruleus, & coelum; en A-S, hyd / hydde / corium, pellis, cutis. 'T is derhalven niet waerschijnlijk dat deze naem Britannia uit het A-S, brytan zou afdalen.

 

Dog, om weder te keeren tot de egte spruiten, men vind uit het Praeter: het F-TH, brothe / AL: prodi / fragilitas; Ysl: bret / N, fractio; & tr: delictum; en ons Bróód, n: Ysl: braud / N, F-TH, brot / broot / N; A-S, breod / AL: proti / H-D, brod / brot / N, Angl: bread / panis; hebbende dezen naem met regt, niet alleen, vermits gemaekt van verbroken of gemalen graen, maer ook voornaemlijk, om het algemeene oude en nog by velen levende gebruik der volkeren, van, het brood meer te breken als te snijden; gelijk ook van de Apostelen verhaelt word Acror: II. 42. Dat ze volherdeden in de brekinge des broods. By overdragt neemt men ook ons Brood,als by uitstek het edel-

[p. 610]origineel

ste aller spijzen, voor alle levens-onderhoud, victum & amictum; als Zyn bróód winnen, quaestum quarere; omtrent met gelijke zinspelinge als by 't Grieksche βρωτύѕ, panis, esca; en 't βρωτόѕ, comestibilis; waer op ook ziet ons † Bróódling, H-D, broter / en brotling / convictor, domesticus; een huis-bediende. die van zijnen Heer en Meester onderhouden word; en ons Bróód-dronken, protervus, fortuna dulci ebrius; als te weel-drig door overvloed; en Broodelóós, carvens pane; en Broodelooze konstjes, artes steriles, futiles, nihil ad-farinam facientes.

 

Ook ziet op het breken het Vlaemsche Bróódtse, by ons Houweel, bipalium; om 'er de Aerde meê te breken, om te roeren en brosch te maken; en ons † Brutte, f: frustum sive pars caespitis; F-TH, bruttan / I. CL: frangere; als mede ons † Brootsch, † Bródsch, Euphon: Broosch en Bróósch, en Brósch, Brós, en † Breusch, F-TH, bruzig / fragilis, caducus; en ons Brosheid, F-TH, bruzzi / fragilitas; en by verzagtinge van de S in Z, ons † Brozel, † Breuzel, en † Brozem, mica; & friabilis; waer van ons † Brozelen, † Breuzelen, en † Brozemen, I. CL: H-D, bröselen / I. CL: in micas frangere; als mede Brozeken, Brosken, cothurnus, unde Gall: brodequin, en Ital: borzachino; als halve of afgebrokene laerzen.

 

Dog op 't gebrekkige, 't armmoedige, en vadfige heeft zijn opzigt niet alleen het reets-gemelde A-S, a-brothen / a-broten / socors, nugax, degener; en 't A-S, a-brothenysse / ignavia; uit het Praeter: Particip: ontleent, maer ook uit het Imperf: Indic: of Subj: ons † Bródde, armelijk, slordig, vuil eri beuzelig, faedus, indecorus turpis; & fordes, turpitudo; waer van ons Bródden, Bróddelen, I. CL: olim Resarcire res veteres & obsoletas, nunc Ineptè operari; en A-S, brosmian / I. CL: corrumpere; waer toe ons Bródder, Bróddelaer, m: ineptus operator; en † Bróddier, podex turpis, anus slercore foedatus.

 

En, in den zel£den nn, met UI, uit het Wortel-deel van het Praesens, ons Bruid, drek, colluvies, sordes, & stercora liquida; waer toe ons Bruid-leider, nacht-werker, coprophorus; welke woorden my hier toe ei-gender schijnen, dan tot het Wortel-deel BRééD hier voor vermeld. Verder hier toe mede ons Bruiden, Bruyen, Brudsen, Euphon: Brussen, I. CL: H-D, bruhen / I. CL: vuilaerdig quellen, vexare; waer toe ons Adject: Brusch, Brusk, ook oul: † Brosch, en † Breusch, ferox, praeceps; als mede 't Verbum Heen-brussen, Heen-bruyen, I. CL: H-D, hinweg-britschen / I. CL: terga dare, nates praebere; immodestè aufugere; en † Winds-bruid, ventus vorticosus, procelia; & vortex aquarum; als door zijne kragt byna alles verbrekende.

Het Wortel-deel.

BRUIK en BROOK; in het A-S, brucan en brycan / breac en broec (in Subj: bruce) / brocen en gebrocen / II. CL: 1, frui, occupare, digerere, prodesse; dat in onze Dialect maekt Bruiken, † Brook, † Gebroken.

Hier toe behoort ons † Bruik, nu Gebruik, n: A-S, broce / bric / H-D, gebrauch / M. AL: puchi / fructus, ufus; waer van ons † Bruiken, nu Gebruiken, I. CL: F-TH, bruchan / gebruchan /I. CL: AL: pruchan / pruhchan / I. CL: H-D, brauchen / I. CL: frui, uti, fungi; waer toe ons Bruiklyk, Gebruiklyk, H-D, breuchlich / gebreuchlich / solitò; A-S, brucinge / functio, fruitio, occupatio; en A-S, bryce / utilis; en ons Bruikbaer, usui aptus; en Onbruikbaer, ineptus usui. Wijders het A-S, brycian / bricean / bricsian / brycsian / I. CL: prodesse; A-S, brec / lucrum; en 't AL: pruchi wesan / prodesse; als mede 't AL: ke-pruhchit wesan / fungi.

In het Prater: en Praes: vind ook zijn oor-spronk ons † Broke, Breuke, † Bruik, consuetudo, usus; waer van † Koren en broken, of Keuren en bruiken, leges & consuetudines; welke spreekwijze ook by Kiliaen te vinden is.

[p. 611]origineel

BU.

De Wortel- en Zaek-deelen.

† BUICH, en † BOCHT, † BOOCHT, of † BOECHT, in 't M-G, bugjan / bauhta / bauhtans / V. CL: 3, emere; A-S, bygan (gebycgan en bycgean) / bohte / boht (of geboht en ook bigen) / IV. CL: emere, vendere; Angl: to buy / in Praeter: bought / emere; en M-G, us-bugjan / V. CL: 3, emere; en M-G, fra-fugjan / V. CL: 3, vendere; en. A-S, beboht / venditus, emtus.

Der Ouden handel bestondin wisseling van waren tegen waren, zonder koopen en verkoopen; dewijl door het geld dat onderscheid eerst ingevoert is, waer door de Geld-besteder den naem van kooper, en de Leveraer van waren dien van verkooper gekregen heeft. Hierom ziet ook het A-S, bycgean / bebygan en bebycgean / en 't A-s, beboht / zo wel op verkoopen als koopen, en beteekent in den grond zo veel als wisselen.

 

Tot dit Wortel-deel van het Praesens, met den uitgang TE daer agter, is betrekkelijk het oude † Buichte, Euphon, † Buite, ruiling, mutatio, commutatio mercium; A-S, bige / commercium; waer van ons † Buiten, † Bueten, Ruile-buiten en Verbuiten, I. CL: Zweedsch förbyta / merces commutare, ut & Gall: biguer (mutare), en om de wisselvalligheid in 't bedrijf het Vlaemsche Verbuiter-tieren, I. GL; petulanter & immoderatè agere. Deze onze uitlatiug van CH, welluidenshalven, vermits Buichte wat moeilijk van de tong wil, heeft insgelijks al plaets by 't Engelsche to buy / emere, en by 't Zweedsche forbyta / commutare.

 

Eindelijk, op het wisselen of veranderen ziende, schijnt uit dit Buite, ontleent te zijn ons frequentativum Buitelen, I. CL: in caput devolvere, invertere; histrionem agere; om de standwisseling.

1716 8/m