Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

D.

DA.

Het Wortel-deel.

DAEF of DAEV, en DIEF, in 't A-S, Dafan / deof / gedafen / III. CL: 2, oportere; 't welk overgebragt zijnde in onze Dialect, zou maken DAVEN,.Dief, Gedaven, III. CL: 2.

Hier toe het A-S, dafnath / decet; uit het Kimbrische passivum, dat de n agter 't Wotel-deel neemt, gevormt; en 't A-S, dafenlicnysse / opportunitas; en met verwandeling van a in ea / oe of e / het A-S, deaftice / debitè; defre / tempestivus; oeft / accommodus, mitis; en doeftlice / commodè, opportunè; waer toe ons Déftelyk, optimè, opportunè; en Déftig, Déftelyk, gravis comitate conjunctus; en Déftigheid, f: gravitas.

 

Uit het A-Saxische Praeter: is gesproten het A-S, deofe / doefe / perfectus; en A-S, ondefene / conveniens; waer toe volkomen past onze vreemdfchijnende spreekwijze, wanneer men zijn genoegen wil uitdrukken over 't gene ymand voor ons doet, zeggende, 'T is dubbeld ondieft, optimè; quam maximè convenit; hebbende 't onze de T agteraen, gelijk het bovengemelde A-S, doeft / accommodus; en komende dit vreemde ON, niet als ons privativum, maer even als het A-S, on / strekkende tot zinstijving, of beteekenende zo veel als AEN of IN by Ons, zijnde het AS, negativum un en niet on.

 

Kiliaen meld ook in zijn Woordenboek van 't Saxon: Daven, furere-insanire; en

[p. 612]origineel

van † Daven, nutare; waer van gesproten is ons † Daveren, I. CL: olim Nutare, vacillare, tremere, contremiscere; quin etiam Vibrare, coruscare, & micare; nu gewoonlijk by ons Daveren, I. CL: contremiscere magno fremitu; voor Dreunen met een zwaer gedruisch. Dog alle dezen vertoonen geene de minste gemeenschap van zin met dit A-S, dafan / III. CL: 2, even zo weinig als ook de beteekenis van ons Dief, A-S, theof / fur, met deszelfs Praeterit:, zo dat, mijnes agtens, voor die eenen anderen oorspronk op te zoeken is; passende dit laetste beter by ons volgende DUIV, in deze Proeve.

DE.

De Wortel- en Zaek-deelen.

DEY, DOO (of DOOD); in 't Ysl: deya / doo / daaen / III. CL: 2, mori; Angl: to die / mori; to be dead / mortuum esse; en A-S, dydan / mori; en gedead / mortuus, defunctus.

By dit Ysl: is eenigfints een onregelmatig verloop van klinkers, zo dat de Dialects- overbrenging niet volkomentlijk past op eenige Classis van onze Ongelykvloeyende VERBA. Ook schijnt 'er, volgens de takken, eene Euphonische agterlating van de d of th / ten einde van de accent-silb stand gegrepen te hebben; 't gene ook zeer gemeen is onder Ons. Met herstellinge van deze D, vind men eenigfints gelijkformig aen den ontleenden tak uit het Praeterit: ons Dóód, m: en f: M-G, dauthus / M, Ysl: daude / M. F-TH, en AL: tod en dad / A-S, death / L-Fr: dead / Angl: death / H-D, tob / M, mors; en ons Dóód, M-G, dauths / Kimbr: en Ysl: daudur / F-TH, en AL: toot / dood / A-S, en Angl: dead / death / Dan: dod / H-D, todt / mortuus; waer van ons Dooden, I. CL: M-G, ga-dauthjan / I. CL: Ysl: deida / I. CL: H-D, todten / I. CL: L-Fr. Depen / occidere; en 't M-G, af-dauthjan / I. CL: morti tradere; en 't M-G, passivum, gadauthnan / mori. De harde lange óó by ons Dóód, welke in onze Gemeenlandsche Dialect plaets heeft, word bevestigt met de M-G, au / de A-S, en Engl: ea / en zelf ook met de Kimbr: en Ysl: au; waer-om ik ook gisse, dat in dit stuk het Ysl: Praeterit: met zijne oo / die eigentlijkst onze lange zagte OO of OE, beantwoord, verloopen is. Het genus van ons Substantivum Dóód is al van ouds Mascul: en Faemin: van beids geweest, volgens de oude spreekwijzen Ter dóód toje, en In den dóód; by onze Tael-verwanten egter vertoont het zig Masculinum.

Onder de vele Composita van ons Dóód zijn 'er ook eenigen van opmerkelijke beteekenis, als het Vlaemsche † Dóód-kéérse, nu stal-licht, ignis fatuus; uit hoofde van der Ouden bygeloovigheid, die zulke salpetrige stal-lichtjes als voorteekens van ymandsdood rekenden: en Weder-dóód, trichomanes; een kruid van veelderhande kragt, en waer van zelf voorgegeven word, dat het de doo-delijke kragt van 't vergift wederstaen kan; en ons Dóód-male, f: livor, macula livida; en Dóód-mael, n: convivium post exequias, in honorem defuncti; ons Dóód-nepe, f: vellicatio mortifera; en † Dóód-nepe, f: livor, sive macula lurida; als welke, zonder wonde of smerte aen eenig deel van 's menschen Lichaem verschijnende, van 't Gemeen gefchat word als eene voorbode van de dood eenes bloedvriends: ons Dóód-vérwe, f: color lividus, luridus; wordende ook dezee naem by de Schilders gebruikt voor de eerste ruuwe, en niet genoegsaem gedekte schildering, wanneer hec uitgebeelde de vereischte gloed en levendigheit van Coloriet nog niet ontfangen heeft. Wijders ons Dóód-vyand, m: hoftis capitalis; beteekenende dit thans wel een, vyand in een zeer hoogen graed,dog evenwel zoo niet dat 'er, na de letter, zekerlijk onder verstaen moet worden, als of de hater den dood zijner weerparty betragten, of wezendlijk begeeren zou; want men past het zelf op levenlooze dingen; dus zeit men Hy is een dóódvyand van drinken, enz. Voorts, onze spreekwijze van In dooder hand stellen het goed, humano commercio eximere praedia; demortuae manus jus concedere, vulgò amontisare, vide Kilianum; enz.

Uit eenen Tak van het Ysl: Praefens is ont-leent het Ysl: deide / occido; in Praet: deidde /

[p. 613]origineel

occidi; waer by ook de afgelatene d gevonden word.

 

Wijders is wel waerdig te overwegen of niet voormaels de alleroudste grondbeteekenis mogte geweest zijn, ontbonden worden (vermits het sterven de ontbinding van eenig levend schepsel aenduid), of anders, overgaen tot eene andere gedaente, gelijkerwijs uit het A-S, dydan / mori, ontleent schijnt het A-S, dyderian / I. CL: transfigurare; en 't A-S, dydrunga / phantasmata.

In dezer beider zin zou ook ons † Dooden, † Ontdooden, nu Euphon: Dooyen, Doyen, en Ont-dooyen, I. CL: Angl: thawe / gelu resolvere; resolvi calore, liquescere, beneffens het Ysl: thydur / egelidus, en 't Ysl: thad thidnar / I. CL; resolvitur, quod gelu frigidum erat, hier zijnen oorspronk konnen vinden. En mooglijk ook ons † Doder, Doyer, contr: Doôr, Dore, n: en m: A-S, oeges-dydrin / H-D, dutter / luteum ovi, vitellus; indien men gisfe mogte, dat onze Voorouders in het geven van dezen naem mede van dezelfde gedagten geweest waren, ate sommige hedendaegsche Philosophen, naemlijk, dat door eene ontvouwing van de leden van het kleine leven in een Ey, 't welk uit den doyer zijn voedsel ontleent, het kieken geformeert word; waer by ook eenigsints toepasselijk komt de zin van het Doyen, resolvi calore, overmits zonder de warmte van broeijing zulk eene ontbinding niet te wege gebragt kan worden; of, zo de Voorouderen zo veer-uit niet mogten gezien hebben, gelijk voor 't naeste in dezen wel te denken is, egter voegt de beteikenis van 't overgaen tot eene andere geduente hier niet qualijk op, dewijle uit het ey op eene gantsch verwonderlijke wijze een levendig schepsel voortkomt. En 't gene deze gissing bevestigt, is, dat het bovengemelde A-S, oeges-dydrin / by ons Ey-dore of Doyer, zo net met het A-S, Praefens, als het onze met onzen tak uit het Praeterit: overeenkomt, terwijl ze tevens eenen zelfden zin hebben; behalven dat ook 't A-S, dyderian (transfigurare) met zin en gedaente hier zijn stem toe geeft.

De Wortel- of Zaek-deelen.

† DEYG, † DOOG, of † DOEG &c , in 't Onregelmatige Ysl: theige / taceo, thagde / tacui; IV. CL: No. 1.

Hier mede komen overeen het M-G, thahan / ga-thahan / I. CL: tacere; het Kimbr: thugn / silentium; 't-Ysl: thogul en thoegmoelstur / taciturnus; het F-TH, doychne / doichne / arcana, signa occulta; het AL: toucno / taugno / clam, tacitè; en tauganiu / occulta, arcarta; en F-TH, tougola / tougolo / in doughli / in tougalnessi / occultè, clam, taecitè, in absconso; en tougli / occultus; en A-S, deagle / deagol / deahle / latens; deagolice / secretè; deagolneffe / latebra; en theaht / tectus. De A-S, ea / de F-TH en AL: ou of au / de Ysl: o / en de Kimbr: u / bewijzen, dat dit Ysl: theige / thagde / eene onregelmatige verloopene verbuiging heeft, en voormaels onder een andren rang van geregelde Ongelijkvloeijenden behoorde; andersints had ik igtelijk in twijffel getrokken, of dit Yslandsch niet een basterdwoord ware, zo zeer gelijkt 'er 't Latijnsche nae;, hoewel ook de t van de th en d verschilt.

Voor Ons weet ik hier toe geenetakken op te speuren.

De Wortel- of Zaek-deelen

DÉMP, DAMP, DOMP; in het F-TH, themphan of bi-themfan / thamfta / gi-themfit / V. CL: suffocare, operire. De verwisseling van e in a is een teeken van Ongelijkvloeijendheid, dog met eene, zoo 't my uit Onze en de H-Duitsche hier toe behoorende takken toeschijnt, een verloopene verwisseling, uit een versleten Verbum van de II. CL:, dat de e / die in Infin: is, oulinks in Praeter: voor a of o / en in Praet: Part: voor o of u / verruilde; zulks dat dan dit thamfta overgebleven Praeteri: zoude zijn van een, tusschentak thamfan / I. CL: uit het oudste Praeter: thamf ontleent, en dit githemfit / een Praet: Part: van een anderen tuslchentak themfen / uit het Wortel-deel van 't Praefens gevormt; immers daer heen wijzen ons onze woorden Damp, voormaels

[p. 614]origineel

ook volgens Kiliaen, † Démp, en † Domp, m: vapor, &c; beteikenende in 't algemeen alle zigtbare uitwaseming. Maer deze word zigtbaer, en zelf tot een vogt en in droppels vergaert, wanneer de warme; op walming met een deksel besloten is, of door een nieuwe koeler lugt van boven word nederwaerts geslagen; Dit middel van 't besluiten der dampen in eene pot of ketel gebruikt men ook om 't eetbare te stoven en week te maken: gelijk men mede, wanneer de damp of rook van brandstoffe te hevig is, en tot eene gevaetlijke ontvlamnnng overslaet, zig van 't dekken en smooren bedient om den brand te blussen; en van alle deze beteekenissen, die op de bedomptheid zien, vertoonem zig takken onder Ons zo met als zonder P: (1) De Zigtbare Opwalming in ons bovengenoemde Damp, † Démp, † Domp, m: ook † Dom, en Doom, m: H-D, dampf. M, vapor, exhalatio, terrae anhelitus; Ysl: thamb / thomb / N extensio, tentigo waer van ons Dampen, † Dompen, en Domen, I. CL: H-D, dampfen / I. CL:vaporare, fumare; en Dampig, Dompig, † Démpig, en Bedompt, H-D, dämpficht / vapidus, humidus, vapore obstructus; en ons † Dampig, † Démpig, H-D, dämpficht / nu by ons kort-ademig suspiriosus, asthmaticus als tedergevoelig en benaeuwt van den minsten damp of bedompt-heid van Lucht; even gelijk ook by 't H-D, dumpf / M, mucor, situs; als uit eene bedompte broeijing ontstaende; waer van het H-D, dümpfen / I. CL: mucescere, situ corrumpi. (2) Ten andere de weekheid en stoving door 't bedekken, in het Vlaemsche Damp, morw, mollis; en 't daer uit gesprotene Dampen, I. CL: vermorwen, mollire, mollescere ex vaporibus. Nog ook zonder P, om de bedomptheid van licht of belemmering voor 't gezicht, het A-S, dim / dym / dimgend / en dimlic / tenebrosus, caliginosus; dimnes / caligo; dimhof / dimhol / antrum; en waer toe ons † Bedeemen, Bedemen, I. CL: en † Bedeemsteren, I. CL: obscurare; en † Deemster, † Démster, † Dimster, Démstig, en † Deimster, obscurus; en Ysl: thad dimmer / I. CL: tenebrae oboriuntur. Voorts ons Dam-beere, Dam-bezie, bacca juniperi; vermits, tot zuivering van de Lucht, op 't vierte dampon gelegt wordende, of vetmits slaep verwekkende, gelijk zelf de schaduwe van den boom geacht word den geest te bezwaren. Insgelijks, om de doff-heid en belemmering van gehoor of spraek of bedompte geesteloosheid van verstand, ons Dom, H-D, dumm / obtusus, stupidus, stolidus, mente captus; en † Dom, H-D, dumm / surdus, surdaster; en H-D, dumm werden / obsurdescere; en A-S, dumb / mutus; M-G, dumba / dumbs / AL: tumb / Kimbr: dumbr / Dan: dum / Angl: dumb / mutus; en A-S, dumnes / loquendi impotentia; en ons Dommelen, I. CL: sopore, & quasi vapore obrutus, affici; en Dommelig, sopore obrutus; even gelijk ook by Livius voor een byna uitgedompt vier ignis sopitus gezet word: verder ook om de bedomptheid van 't geluid, gelijk in holle en beslotene vaten, ons Dommelen, I. CL: bombum edere, strepere; en Dommeling, Gedommel, bombus, murmur; strepitus: Nog ook, ofom de damplucht, of als bedompt in 't Lichaem liggende, het Sax: en Geld: Ingedom, by ons ingewand, intestina, viscera. (3), En wijders de overdragtelijke vernieling en verzwel-ging, even als by eene opslaende vlam en schadelijken damp, in 't oude † Démp, voracitas, helluatio; waer van Démpen, I. CL: helluari, prodigere, vertere in fumum & cinerem, pergraecari. (4) En eindeling de volkomene smooring en uitblussing in ons Démpen, Dompen, I. CL: blussen, toestoppen, H-D, dämpfen / I. CL: extinguere, suffo-care, vapores coërcere; en ons Bedompen, I. CL: suffocare, operire; en Démp-horen, Domp-horen, Domper, m: cornu, quo candela extinguitur, vaporque obstruitur; en overdragtelijk Domp-horen, Domper, en Domp-neus, nafus aquilinus propendens; als spotsgewijze by eenen kaers-domper vergeleken: en Domp-horen, ardea stellaris; om zijn langen bek, en 't dompen van dien in 't water om 'er een sterk geluid te doen uit-brommen: gelijk mede op het uitblusschen van vonken of kleene vlammen met den voet zijne betrekking heeft het Vlaemsche Dampelen, I. CL: conculcare; en Démpen, I. CL: Germ Sax: Sic: conculcare conterere; &c; 't gene by Kiliaen te vinden is. Nog ook, om de volkome smooring van water-loop, ons Dam, m: H-D, damm / M. cho-

[p. 615]origineel

ma, agger, aggulus fluminibus vel aquis objectus; & emissarium, cataractae claustrum; en daer van ons Dammen, Bedammen, I. CL: H-D, dämmen / I. CL: en A-S, demman / I. CL: obturare, obstruere flactus aggere vel aggello; en Dam-looper, m: navigium oblongum & angustum, pristis; als een sinal scheepje, om door de Dam-sluizingen te konnen doorschieten. En of ons Dam, Damstuk, † Dame, scrupulus, calculus lusorius, vulgò Domina & in mediis aevis Dama, van de gelijkvormigheid der sloot-dammen, of van 't verbasterde; Dama ontleent zy, vind ik twijffelagtig, hoewel ik het laetste voor 't naeste gissen zoude; ondertusschen is van dit Dam weder gevormt ons Dammen, I. CL: ludere scrupulis duodecim, vulgò ludere ad Dominas. Dog wat minder als de volkomene smooring is begrepen in ons Dompelen, Onder-dompelen, I. CL: caput alicujus brevi tempore in aquâ submergere; zijnde eene korte onderdrukking onder 't water, die, zo ze lang duerde, tot eene volle verstikking zou overgaen.

De Wortel- of Zaek-deelen.

DEN, DIN, DAN, DON, DUN of DEUN; vooreerst in het Ysl: then / extendo; thande / extendi; thandur / extensus; IV. CL: 1, dat ik voor een verloopene soort aenzie; want de vocael wisseling in Praeter: toont de oude Ongelijkvloeijendheid, en de terminatie de / die by de Gelijkvloeijenden past, wederom het verloop. Hier uit gis ik, dat het oudste Ongelijkvl: Verbum in Praes: de e of i / in Iperf: de a of o / en in Praet: Part: de o of u / even als by die van onze II. CL: 5, zal gehad hebben; 't gene de volgende takken bevestigen zullen.

 

Eerstelijk het F-TH, thenan / ar-thenan / AL: denan / I. CL: extendere; en fora-denan / I. CL: protendere; en H-D, dehnen / I. CL: extendere, torquere; uit een tak van 't Praesens ontleent. Tot het Praesens betrek ik mede ons Dénne, f: Dénnenbóóm, m: en tot het Praet: het H-D, danne / tanne / F, dannenbaum / tannenbaum / M. abies, pinus, teda; om zijne hooge uitgestrektheid even als het Grieksche ελὰτη, abies, van ελαω, promoveo, exagito, word afgeleid: zijnde deze om zijne regtheid zeer bequaem en gemeen tot vloerplanken; waer door by uitstek de beplankte grond dien naem ontfangen heeft; behalven dat ook een harde en effene grond, om zijne vlakke uitgestrektheid dien zelfden naem verdient; hier van derhalven ons Dénné, f: H-D, denne / tenne / F, area, pavimentum, tabulatum; Dénne van 't schip, fori, tabulata navium; Dénnen-bérd, n: asser abiegnus, laevigatus. In de Noordsche Landen is de Denne de gemeene bos-boom, waer door 't geen wonder is, dat ook de A-Saxen dien naem aen de bosch-agtige Valleijen gegeven hebben, als A-S, daene / denn / dene / vallis, locus silvestris.

 

De oudverlorene U in 't Praeterit: schijnt zig nog te vertoonen in ons Dun, by den Vlaming Din, HD, dun / Ysl: thunnur / Angl: thin / A-S, thinne / thyn / thynne / tenuis, exilis; & tr: liquidus, fluidus, quin etiam rarus; want de ranke dingen zijn of schijnen lang uitgerekt, en de vloeijbare, zoo ze niet ergens in besloten gehouden worden, strekken zig allerwegen breed en vlak uit; even gelijk ook Vosstus het Latijnsche tenuis met gelijk regt afleid van het Gr: τείνειν, tendere; waer van ons; Dunnen, Verdunnen, I. CL: A-S, thinnian / I. CL: tenuare, attenuare, macerare, liquescere; voeg hier by ons † Dunne, † Dunne, f: slaep van 't hoofd, A-S, thun-wanga / tempora capitis; om de verdunning van het been aldaer, 't en Waer het om de klopping van 't bloed aldaer zo genaemt was, gelijk het ook de slag van 't hoofd. heet: die zin van klopping vertoont zig ook in 't volgende Deunen, Donen, Donsen. Voeg hier by het Geldersche Dunne, f: inguen; het zy vermits aen 't dunne van den buik, of vermits naby den dunnen omgewonden darm gelegen. Dat nu in't A-S, thinne / thinnian / en 't Vlaemsche Din, de i in steê van onze U komt, is niet om dat die elkander in Dialect beantwoorden, maer zulks wijst aen, dat de eene van een Praesens met e of i / en de andere uit een Praeter: met o of u / ontleent is; 't gene overeenkomt met onze voorgemelde gissing omtrent den oudsten Wortelstam.

[p. 616]origineel

Wijders heeft men ook met O in steê van U het H-D, don / done / F, genus tendiculae ex setis equinis tortae ad aves captandas; om de gespannenheid der vogelstrikken, gelijk men zeit, de strikken spannen: en verder met den uitgang S of SE of ST agterop, ons Dons, Donse, Donst, en † Dunst, f: H-D, dun en donst / lanugo, lanugo plumarum; Ysl: duun / M. pluma; Angl: doun / plumae lanuginosae, flocculi carduorum arescentium; als of men zeide pluis-wol, pluis-vedertjes; welke, in kussens gevult zijnde, zig bolen wijd uitstrekken: en om de gelijkheid aen de pluiswol noemt men ook alzoo de wollige fijne ruigte boven aen de dodde-rietstokken, waer van ons Donse, f: dodde, H-D, donse / F. typha, clava typhae, sceptrum morionis; die men spotsgewijze in steê van eenen scepter ymand in de hand stopt; en waer meê men uit boertery, dewijl ze te ligt zijn om ymand zeer te doen, elkander op den rug slaet; waer van ons Donsen, I. CL: pugno sive typhae clava in dorso percutere. Voorts schijnen het Geldersche Donst, en het H-D, dunst / M, vapor, nebula, waer van het H-D, dunsten / dünsten / I. CL: vapores emittere, en verdunnsten / I. CL: evaporare, mede, om de fijne dunheid der dampen, of om hun vaerdig uitspreiden, hier van ontleent te zijn; gelijk ook ons Donst, Dunst, similago, medulla tritici, flos, pollen; 't zy om de dunne fijnigheid en ligte verstuiving, 't zy vermits door dons-dreuningen van 't grover meel afgezift. En, in gelijker voege, en om dezelfde rede mooglijk, met K agter 't Wortel-deel ons Dunkel- en Dinkel-koren, n: Sax: en Geld: dinkel / far, ador; als waer van fijn meel gemaekt word, en ons Amel-donk, amylum, farina sine mola facta.

 

Nog hebben we ons Dan, tum, igitur, sed; & quam, praeterquam; en Doen, tum, tunc; M-G, than / cum, ergo, autem; AL: denne / tunc, adhuc, quam; F-TH, thanne / A-S, thonne / inde, tum; als aenwijzing doende op eene uitstrekking van tijd, of plaets, of redegeving; zijnde mooglijk ook hier toe t'huis te wijzen.

 

Maer de uitstrekking der dingen kan men ook zo wel allerwegen heen, by wijze van op- en uit-zwelling, aenmerken, als alleenig in 't lang. Indien dit weleer plaets gehad heeft omtrent de spruitelingen van dezen stam, zo is ten andere, met goeden schijn, het A S, thindan of a-thindan / thand / gethunden en thunden / II. CL: 2, tumescere, mede hier toe te betrekken, en voor gelijk-stammig, niet voor afkomstig, te rekenen; als vervattende dien byzonderen zin, en komende ten vollen overeen met onzen begisten oudsten Wortelstam; uitgezondert in de D, dat weinig of niet geven kan in dit stuk, dewijl de ND of NN, veeltijds onverschillig in 't gebruik vallen, voornaemlijk in de Land-Dialect. Dus ook A-S, thunian / thunnan / I. CL: tonare, crepere; A-S, dynan / strepere; en dyn / sonus, sonitus; en dununge / crepitus; en dinne / procellosus; Zw: don / fragor, fremitus; en dona / intonare; en Ysl: dyn / tono; dunde / tonavi; IV. CL: 2, en dunur / fremitus; en 't H-D, dönen / I. CL: clangere, intonare; en by ons † Done, † Deune, tonus, sonus; aller welker oorspronk gevoeglijk uit het Praeter: is af te leiden, dewijl de klankmaking zijne kragt verkrijgt by 't inprangen der Lugtdeelen in eene opzwellende holligheid, en 't schielijk weder uitbersten van dezelven: en voornaemlijk bromt het geluid in 't holle vaetwerk. Hier van ons † Deunen, † Donen, en Donsen, I. CL: tonare, strepere, crepitare; en met en zonder d / het A-S, thunor / thuner / en thunder / F-TH, thonar / Angl: thunder / H-D, donner / M, by Ons Donder, m: tonitru; waer van wederom het A-S, thuneran / thunran / I. CL: Angl: to thunder / H-D, donnern / I. CL: en by ons Donderen, I. CL: tonitruare; en Ysl: thad dunar / I. CL: tonat. By de Oude Saxen noemde men ook den Donder-God met eenen naem hier van ontleent, als A-S, thunor / contr: thur en thor / Jupiter; en A-S, thunres-daeg / thors-daeg / by ons Donder-dag, dies Jovis: Volgens Thom: Bensonis vocabularium Anglo-Saxon: zou de Zonne mêe voor dezen God mogen aengezien worden, dewijl ik aldaer vind A-S, thunres-moder / en thures-moder / Latona, die in de Grieksche en Latijnsche Fabulen voor de moeder van Apol en Diana te boek

[p. 617]origineel

staet: dog of deze voorbeelden uit geleerde of uit onkundige Angel-Saxische schrijvers getrokken zijn, vermeld ons Benson niet, dies zoude ik aen dit Latona twijffelen; dewijl de Noordsche Fabelen der Goden, met die der Grieken en Romeinen niet veel overeenstemmen, en van geene Latona onder de Noordsche of Duitsche my te voren staet. Van de andere benamingen onzer week dagen, zie by 't Wortel-deel DING, in de I. Proeve. Tot dezen tak behoort mede ons Dondersch, horribilis, abominabilis, & valdè; 't gene sommigen niet alleenlijk in gramschap en 't schelden, maer ook losselijk voor een algemeenen by naem van yver gebruiken; zulks dat dondersch, duivelsch en vervloekt niet anders onder hen beduid dan uitnemend of zeer; en deze wan-tael schijnt eenigen van die zoodanig te kittelen, dat ze eene zedige en gemanierde taelvoering voor laf en zouteloos uitmaken: maer zekerlijk zo dat zout mag heeten, zo is 't van zulk soort, dat nergens toe dient dan om buiten geworpen te werden. Verder mede hier toe ons Donder-baerd, Donder-bladeren, huislook, A-S, thunor-wyrt / sedum majus, semper vivum, hypogesson, barba Jovis; uit een oud by-geloof, dat alle dak, waer op dit groeide, Donder-vry was. Voorts ons Donder-busse, f: bombarda; om 't grove donder-geluid; en Donder-stéén, m: ceraunia; een soort van kei-steenen, welke men voorgeeft, dat met de donderbuijen in de wolken geformeert en van daer nedergeslagen worden. Zo 't al waer is, dat niet dan met donder en bliksem zulke steenen gebooren worden, 't gene egter beter onderzoek dan toestemming verdient, zou ik liever gissen, dat dit gebeurde wanneer de bliksemstralen de keijige aerde of het zand op een kort punt by een als in een draeijkolk komende te treffen, etlijke van die deelen snellijk tot een kleinen steen onder een smolt; waer by ook ligtelijk met eene geschieden kon, dat die door dezelfde schigtige en woelende bliksemkragt verder van daer wierd voortgesmeten. Waerschijnlijker keure ik dit, dan dat boven in de wolkstreek zulke keisteenen gevormt zouden worden.

 

In een zagter zin van geluid hebben we ook het zelfde Zakelijke deel Don, met een Dialect-verschil van EU voor O, als Deune, Deun, m: tonus, sonus, modulus; & transl: actus, gestus, ludus, facetiae; zijnde eigentlijk het beloop der accent-klanken, waer uit de voys of zang-wijze word onderkent; en de overdragtelijke boertery ziet op zulke die eenigsints half-zingende toegaet; waer van ons Deunen met ymand, I. CL: jocari, nugari cum aliquo.

Dog ons Adjectivum Deun, parcus, & avarus, schoon gelijkvormig van gedaente, schijnt my gantsch niet van dezen stam te zijn; 't en ware het op eene begeerte of zorge zag, die al te ver wierd uitgestrekt, of al te sterk wierd ingespannen, als te kommerlijk zijnde voor 't verdunnen van den geldzak.

De Wortel-deelen.

DÉT, DAT, DOT of DUT, in het Ysl: det / cado; in Praet: datt / cecidi; even als die van de Ysl: II. CL:. 4, volgens onze verdeeling, hebbende in Praet: Partic: de o; welke beantwoord word met onze II. CL: 6, en die volgens de overdragt van Dialect maken zoude, Détten, Dat of Dot, Gedotten, of ook wel met eene enkele T.

Tot een tak van 't Praeterit: is betrekkelijk ons Dut, m: ook † Dote, † Dotelore, f: mentis delirium, error, insania; waer van ons Dutten, Verdutten, I. CL: oul: ook † Doten, † Verdoten, I. CL: suffen, Angl: dote / delirare, desipere, unde & Gallic: radoter; als zijnde een misval in 't verstand. Voeg hier by ons Dotesche of Dodesche vyge, Angl: figge dote / marisca; 't zy om de smakeloosheid of vermits te laf zoet, gelijk de al te rijpe en afgevallene vygen. Wijders ons Dut, n: levis somnus; eigentlijk een dunne slaep, die na den eten of na vermoeijden arbeid, by 't stilzitten, ligtelijk ymand overvalt, zulks dat hoofd en lichaem afzakken, zoo ze niet ergens steun aen hebben; waer van ons Dutten, I. CL: levi sopore obrutum esse; nog ook met O, ons Dótterig, Dódderig, soporatus, somnolentus; als mede het verlorene Substant: Dót, waer van ons Bedótten, Bedódden, I. CL: fallere, imponere alicui; eigentlijk door verstrikking of bedrog ymand tot een misgreep

[p. 618]origineel

of val brengen, en † Verdutten, I. CL: obtundere; & obtundi; als door val of slag stomp worden, of zinspelende op de stompheid van verstand als men in een dut ge raekt.

DI.

De Wortel-deelen.

DIG, DAG of DOG, in 't Ysl: thiggia / accipere; in Praeter: thaa / Euphon: voor thag / III. CL: 1, hebbende overeenkomst met onze II. CL: 6, of met onze IV. CL: 1, die in Imperf: A of O, en in Praet: Part: de O voert.

Takken hier van zijn het A-S, thicgan / thicgean / I. CL: accipere; en het Ysl: thaegd / bene placitum; en 't Ysl: thaegur / gratus; met gelijke overdragt als ons Aengenaem van nemen, en als 't Latijnsche acceptus van accipere.

Indien ons Dag, m: dies, lux diei, niet van Dygen gespro en is, waer van ik by DYG, in de I. Proeve gesproken heb, zo zal mooglijk in dezen tak uit het Praeter: geen ongevoeglijken oorspronk daer van te vinden zijn; dewijl de Dag of het Daglicht by uitstek aengenaem en verquiklijk is, voor al wat leven ontfangen heeft, zoo menschen, vee, als kruiden.

Ons Dóg, é-dóg, sed, saltem, sodes, en 't A-S, deah / licet, etsi, heeft ook een gedaente en zin, die met dit veranderde Wortel-deel overeenkomt, in welken gevalle de grondbeteekenis omtrent zoo veel zou willen, als neemt het zoo; 't zy men 't aenmerke als eene tegenwerping, gelijk by ons Dóg, maer, sed; of als een verzoek van toegeving of inschikking, als by ons Dóg, voor slegts of eijlieve, licet, saltem, sodes.

De Wortel-deelen.

DY of DYD, en DUD, in 't Ysl: dy / quasso; in Praeter: dudde / quassavi; IV. CL: 2. Hier toe ken ik geene takken onder ons.

De Wortel- of Zaek-deelen.

DIL en DUL of DOL, eerstelijk in 't Ysl: dil / celo; dulde / celavi; IV. CL: 2, en ten andere in 't Ysl: thil / confusè recito; in Praeter: thulde / mede IV. CL: 2.

Dat nu de th der Ouden eigentlijk onze D beantwoord, is in mijne Dialect-regels aengewezen; en dat men te mets th voor d / of deze voor die, in 't M-G, F-TH, A-S, en Ysl: ontmoet, kan men dra bevinden, als men zig in die talen oeffent. In 't Ysl: heb ik deze voorbeelden gereed, 't Ysl: dockur / subuiger; en thoka / caligo; en 't Ysl: thor en dyrfska / audacia; enz. Zo dat van. wegen de gedaente dit Ysl: dil en thil wel van eenerleije geboorte mogte gerekent worden: dog de gemeenschap van zin is evenwel wat duister

De i en u in 't Ysl: betoonen de Ongelijkvloeijende afkomst, dog de terminatie de in 't Praeter: het verloop.

 

Tot het Wortel-deel van het Praesens van het Ysl: thil / confufè recito, hebben we ons † Dille, Dilleken, klappeije, garrula; om de rammelpraet; waer van † Dillen, I. CL: klappeijen, H-D, dallen / dalen / dalmen / I. CL: garrire; En ons Compositum Bedillen, I. CL: arguere, en Bedillen, actitare, imperitare, schijnen ook van dit oude † Dillen ontleent te zijn, dewijl de beuzelagtige berisping, en 't lastige beschik en bemoeijal by 't klappeijen zoo gemeen is. Dog ons Dille, f: A-S, dile / Angl: dill / anethum, hebbende 't zelfde Wortel-deel, weet ik niet tot dil / celo, nogte tot thil / confusè recito, t'huis te brengen, of 't moeste zien op hee eerste, namelijk op het bedekken der groene Zonne-schermen, die men wel-eer gewoon was daer van te maken.

 

Dat U en O, van eenerhanden oorspronk zijn, is onder de Dialect-regels vermeld. Op dezen voet zou nu met den uitgang K, oul: met g / agter Dol, ons Dólk, m: Pugio, sica, dolon, & transl: olim Exitium, Hisp: dalle, O-Fr: en F-TH, dolg / vulnus, F-TH, dolck / exitium, mors, A-S, dolg / dolh / vulnus, cicatrix, tot het Ysl: dil / celo, be-

[p. 619]origineel

treklijk schijnen, vermits ons Dolk een kort geweer is, dat onder de kleederen verborgen word; 't en ware men liever 't Latijnsche dolon voor de Moeder daer van rekende. Wijders of ook ons Dol, Dul, furibundus, insanus, op het Ysl: dil / celo, ziet, vermits men de dollen vast zet, en verborgen houd, of op het Ysl: thil / confusè recito, om de ongerijmde praet der dollen, durf ik in geen van beiden vast stellen; by den laetsten zin past al zo wel het A-S, dollice / dolice / stultè; en A-S, dol-scine / stultitia, error; waer aen zig wederom zeer nae vermaegtschapt toonen ons Dolen, I. CL: errare; en Dool-hóf, † Dol-hóf, n: labyrinthus. Maer ruim zo zeker schijnt my, dat het onde † Dol, Dole, en † Dale, Germ: Sax: Sicambr: nu by ons een Kaeuwe, graculus, monedula, om 't klappeij-geluid, tot het Ysl: thil / confusè recito, behoort; benevens het Vlaemsche Dolik, Dolk, lolium, Gall: ivraye, als zijnde een zaed van onkruid in 't koren wassende, dat, volgens Lemery, de kragt heeft van dronken, en zot, en gevolglijk malklappig te maken, wanneer het wat rijkelijk onder 't gebakkene brood geraekt is.

De Wortel-of Zaek-deelen.

DIN, DUN, DON, in 't Ysl: dyn / tono; en dunde / tonavi; en 't A S, thindan / II. CL: 2, tumescere; zie daer van hier voor by 't Wortel-deel DEN, in deze Proeve.

De Wortel- of Zaek-deelen.

DINS, DANS, DONS, in het M-G, thinsan / thans (in Subj: thunsau)/ thunsans / II. CL: 2, trahere, attrahere; M-G, aftar-thinsan / II. CL: 2, detrahere. F-TH, dinsan of thinsan / dans of thans / gedunsan of gethunsan / II. CL: 3, trahere; en F-TH, of AL: ar-thinsan / chi-dinsan / II. CL: 3, extrahere; 't gene in onze Dialect overgebragt zijnde, zou maken Dinsen, Dans of Dons, Gedonsen, II. CL: 5.

 

In het oude Praeter: vertoont zig ons Dans, m: Ysl: dans / M, H-D, en Zw: dantz / Chorea, tripudium; saltaiio; unde vulgò Dansa, Ital: danza, Hisp: dança, Gall: danse, Angl: daunce / als opzigt hebbende op den reij-dans, en het trekken hand aen hand. Hier van ons Dansen, I. CL: Angl: to dauce / Choreas ducere, tripudiare, saltare, unde vulgò Dansare, Gall: danser, Ital: danzare, Hisp: daçar.

 

Het Zakelijke deel van 't Praeter: met O, vertoont zig in ons Dons, m: Gedons, n: tremitus, tonitus, saltando vel pulsando excitatus; waer van ons Donzen, I. CL: saltando vel pulsando intonare; hoewel ook dit Dons uit een toevoeging van de terminatie S agter 't Zakelijke deel Don, waer van we in 't Wortel-deel DEN gewagen, en 't gene gelijkstammig met het Zw: dona / en A-S, thunian / thunnan / tonare, intonare, is, zoude konnen geboren geweest zijn.

Ons Dons, † Donst, lanugo, & plumulae subalares molliores, als zijnde de pluis-wol, of de pluis-vedertjes, die men plukt en uittrekt om 'er kostelijke beddekussens mede op te vullen, en ons Donst, m: H-D, dunst / M, vapor, nebula, als welke opwaerts trekt, zou men, ten opzigte van de gedaente en beteekenis, omtrent met gelijk regt, zo wel hier van, als van de voorgemelde Wortel-deelen DEN, DAN, DON, &c, afkomstig konnen rekenen; 't en ware hier tegen pleitten het H-D, dun / Ysl: duun / en Engl: doun / lanugo; die zonder s zijn, en gevolglijk van dezen Stam niet afgedaelt.

Het Ysl: this / festinanter & impetuosè cedo, in Praet: thuste / IV. CL: 2, 't gene, ten aenzien van de i en u / zijne oud-egte Ongelijkvloeijendheid, en ten opzigte van den uitgang te in 't Praeter:, zijn verloop vertoont, zou ik bynae vermoeden, of het niet tot dezen zelfden stam gehoorig zy; aengezien de uitlating van n voor een consonant, ten minste voor een k of c niet ongemeen is by het Ysl:, als Ysl: dockur by ons Donker, Ysl: thoka by ons Donkerheid, en Ysl: drecka by ons Drinken, enz. De zin zoude dan zijn, een haestige gang met geweldige rukken en trekkingen.

[p. 620]origineel

DR.

De Wortel- of Zaek-deelen.

DRAE, DRAED of DRAEY, in het A-S, thrawan / threow of threw / gethrawen en thraewen / III CL: 2, torquere, rotare, crispare; & jacere; Angl: to throw / in Praet: i threw / in Praet: Part: throwne / projicere; naem]ijk werpen met een draeij of slingering.

 

Te mets vind men onder de oude Tael-verwanten de w tusschen twee vocalen ten einde der klemsilbe, waer voor men by ons en anderen de g heeft, dog zulk eene g / die men gantschelijk mag weg laten smelten, of welluidenshalven de Y of D daer voor weder inplaetsen; gelijk M-G, speiwan / F-TH, en A-S-spiwan / by ons Spygen, en nog gemeenzamer Spyën, H-D, speyen / enz: 'T zelfde lot heeft ook hier plaets; en in 't A-S, heeft men mede de g by 't Partic: Praes: van dit zelfde Verbum, als A-S, thregend / torquens; en threag / tormentum.

In dezer voege word het Wortel-deel van het Praesens beantwoord met ons Draey, m: torsio, contorsio, circumactio, gyratio, & tortus; waer van ons Draeyen, I. CL: H-D, drehen / I. CL: F-TH, thraian / I. CL: torquere, tornare, gyrare, circumagere; het H-D, schijnt uit eenen tak van 't Praet: ontleent te zijn. Verder de Composita, welker voornaemste onder ons zijn, Bedraeyen, involvere; Bedraeyt staen, perplexum esse; Ymand iet aen-drayen, ex insidiis aliquid alicui vendere; Ontdrayen, detorquere, extorquere, exungulare; en Verdrayen, distorquere, & torquendo corrumpere; Een verdraeit geslagt, genus mente & animo perturbatum. Voeg hier by ons Gedraey, n: commotio; en het A-S, thrauuo / argutiae; als listige verstrik-redenen om ymand bedraeit te maken.

Wederom met de D agter aen, zo wel uit het Praeter: als Praesens, het A-S, thraed / thred / Angl: thread / H-D, drat / M, by ons Draed, m: filum, stamen; vermits al draeijende gesponnen. Hier van ons † Draden eene naelde, acum filo trajicere. Nog ook ons Drade, Drae, en † Draey, † Gedraey, statim, subitò, citò, celeriter; F-TH, thrado / drato / vehementer, celer & nimis; te weten zo schielijk en gezwind als een omdraeij; even gelijk ons Rad, celer, citò en Rad, rota van eenerleijen oorspronk zijn.

Agter 't Wortel-deel DRAE de Terminatie EL of L gevoegt zijnde, zoo schijnt mede hier uit gesproten ons Drael, waer van ons Draelen, I. CL: cunctari, nectere moram; en Gedrael, n: dilatio; als beteikenende eene gezochte vertoeving van ymand die bedraeijt staet, of te leuteren, als niet wetende wat hy wil, of waer toe hy zig keeren zal. En met den uitgang SEL of ZEL agter Drae, ons † Drazelen, I. CL: oberrare, circumerrare, vagari; en Drazeler, Draeyeler, tornio, toreuta; en met ST agter t Wortel-deel het A-S, thraestan / torquere; waer aen zeer nae komt het Sax: en Geld: Drésseler, tornio; F-TH, threrlere / thrarlere / torneuta; en ons † Dressoor, n: abacus, repositorium, Angl: dressoure / dresser; om de gedraeide tralien, die gewoonlijk aen de spijskas zijn; en daer toe mooglijk mede het F-TH of AL: trisiwen / I. CL: thesaurizare.

 

Tot een tak van 't Praeter: behoort het A-S, threowan / I. CL: agonizare; om de wringing en 't draeijen der oogen in dien strijd. En agter 't veranderde Wortel-deel DRIE, 't gene op dit Praet: slaet, dezelfde terminatie EL of L, als hier boven by DRAEL, geschikt zijnde, zo vertoont zig ons oude † Driele, nu contr: Drille, f: en Dril, m: tornus, gyrus, vagatio, verticulum, & trepanum, terebrum, & unde vulgò Trivellum, Ital: trivello; en A-S, thryl-hus / tornatorium; waer toe onze spreek wijze Op den dril gaen, obambulare, ultrò citroque vagari. Wijders Drille, ook in een scherper H-D, Dialect, die ons anders ongewoon is, Trille, rhombus, quo fila deducuntur, & genus telae; om het draeijen: en † Drille, foramen inforatum; naemlijk door draijen of drilling uit geboort: en transl: Drille, f: mulier vaga, levis, met retrix; als op den dril loopende; van een en ander komt ons † Drielen, Drillen, I. CL: motitare, ultro citroque cursitare, vagari; en † Drielen, † Drillen, † Trillen, I. CL: H-D, drillen / I. CL: gyros

[p. 621]origineel

agere, in orbem versari, rotare; tramam rhombo glomerare, conglomerare fila; en Drillen, I. CL: terebrare, tornare; Ital: trivellare; dit woord word meest gebruikt omtrent het slijpen en af- en uit-booren van sijn gesteente of glas, met Amaril enz. Daerenboven overdragtelijk, tel zake van de beving die by het dril-boren verzelt gaet, ons Drillen, Trillen, I. CL: beven, tremere; als mede ons Drillen het krygsvólk, H-D, trillen / I. CL: milites exercere; doende hen slinks en regts om, op allerhande maten, in orde zig wenden en keeren.

 

Met den Wortel-klinker van het Praesens past hier ook niet qualijk by, ons Dral, agilis, quoquoversus promptus; als vaerdig tot allerhande draeijing en roering der leden.

Wijders met de O, die men by 't Engelsche vind, ons † Dról, n: grove draed, filum rude; als gedraeit; † Dról, draeijtol, turbo; om te draijen; en Dról, m: H-D, drol / M, res convoluta, teres rotunda; & transl: stercus duriusculum, pila stercoraria; als draeijig zijnde; en Dról, gesticulator; & tr: pygmeus, homuncio; & ficti daemonis genus pumilum, vulgo drollus, trullus, unde & Gall: drol; om zijne potsige draeijen, quinkslagen, en gebaerden; waer van ons Dróllig, lepidus, festivus; als mede het Verbum Dróllen, I. CL: H-D, trolen en drollen / I. CL: Angl: trole / volvere, volutare, & conglobare, & fila rudia & dura nere; quin etiam stercus duriusculum egerere; ac insuper, gesticulari, facetum & laetum se exhibere; Gall: droler; en op den zin van dit potsige draeijen en quinkslag maken past ook ons Drael- of † Dreil-gast, caenipeta, umbra; vermits die tafelbezems gewoonlijk om hunne koddigheid worden aengehaelt; hoewel ook de zin van dralen, hier voor genoemt, daer op niet ongevoeglijk komt, alzoo dat slag van gasten, dikwijls zo lahg by hare begunstigers blijft dralen, tot dat de tafel gedekt is, om mede aen den disch genoodigt te worden.

Agter dit zelfde Wortel-deel DRO, of deszelfs gelijkwaerdige DREU, eerst de uitgang T, en dan verder ook die van EL of L gevoegt zijnde, zo krijgt men hier den zin van draeijing in ons † Drotel, Dreutel, pilula stercoraria; en by boertige overdragt ons Dreutelken, Dreutelmanneken, n: pumilio; waer van ons Dreutelen, I. CL: pumilionis passus facere. Dog zie hier van ook by DRIET, in de I. Proeve.

De Wortel-deelen.

DRÉK en DRÓCHT, in het A-S, dreccan / droht / gedroht / IV. CL: vexare, molestare; of ook met th voor d. Deze A-Saksische Classis komt overeen met onze vijfde, even als by Dénken, Dócht; Zoeken, Zócht, &c; en alzo, by herstelling van 't verlorene, zou dit alhier maken † Drékken, † Drócht, † Gedrócht.

 

In 't Wortel-deel van het Praesens is te vinden ons Drék, m: H-D, dreck / M. sordes, illuvies, squalor; excrementum, lutum, coenum; als hinderlijk van wegen den stank, en de onreinigheid, gelijk ook Ysl: dregg / F, faex, faecis; Zw: dråght / drågg / Angl: dreggs / faex, sedimentum, crassamen. En van diergelijk een Substantivum, of anders by verloop, is ook gesproten het A-S, drecan / thriccan / I. CL: opprimere, comprimere, vexare; waer van 't A-S, dreccing / tribulatio; en 't A-S, thricnysse / gedrecednesse / gethreccednysse / tribulatio, oppressio; en thrycced / gethrycced / pressus, oppressus.

 

In dat van 't Praeter: of Partic: schijnt te steken ons Gedrócht, n: monstrum; & spectrum; als tot schrik en quellinge geschapen of verziert; en het M-G, gadrauhteis / milites, geeft hier geen onaerdige zinspeling op den krijgsman: dog zie daer van ook by DRAEG, in de I. Proeve.

 

In het A-Saxisch vind ik ook de y in steê van de e of i / by sommige takken; welke tweederhande Dialect my doet gissen, dat ook hier uit gesproten zy ons Druk, m: H-D, druck / M. compressio, pressura, oppressio; impressio; & tr: tristitia; waer van ons Drukken, I. CL: F-TH, thruckan / truchan / I. CL: A-S, thryccan / thriccan /

[p. 622]origineel

I. CL: H-D, drücken / I. CL: comprimere imprimere, opprimere; en Het druk of Drók hébben, occupationibus premi; en † Druk-zalig, afflictus, miser.

De Wortel-deelen.

DREP, DRAP, in 't Ysl: drepa / drap / drepenn / III. CL: q, occidere, interficere; 't welk onze III. CL: beantwoord.

Tot het Praeter: behoort het Ysl: draap / nex, internecio.

Onder Ons, nogte onder de Taelverwanten vind ik hier toe geene verdere takken.

De Wortel-deelen.

DRÉSCH, DRÓSCH, en by verschikking van de R, DéRSCH en DóRSCH, in het H-D, dreschen (treschen)/ drasch en drosch (in Subj: drosche)/ gedroschen / III. CL: 2, pulsare, ferire; triturare; frumenta flagellare.

Uit een Wortel- of Zakelijk-deel van het Praesens of Praeter: het F-TH, thruscan / druscan / I. CL: quassare, excutere; en A-S, thatscan / thaerscan / thearscan / en therscan / I. CL: Dan: tarske / Angl: thresh / by ons † Dréschen en † Dérschen, nu Dórschen, I. CL: verberare; triturare, messem flagellis excutere; waer toe ons Dórsch-vloer, m: Dórsh-nere, f: M-G, gathrask / area; en Dórsch-vlegel, m: A-S, therscel / tritorium, flagellum frumemtarium; en Dórsch-wagen, m: tribulum; AL: dresca / tritura; H-D, träschung / by ons Dórsching, f: tritura; met dit Wortel-deel Dérsch &c. schijnt van ouder geboorte eenige overeenkomst te hebben het Grieksche θαιρειν, verberare.

De Wortel-deelen.

DRÉV of DRÉF, en DRAV of DRAF, in het A-S, drephan / in Praet: draph / tendere, vergere; zie by de VI. CL: zo mede F-TH, over-drephan / VI. CL: superare; deze schijnen eigentlijkst tot de III. CL: te behooren: en dit in onze Dialect overgebragt zijnde, zou maken † Dreven, † Draf (in Subj: Drave), † Gedreven, III. CL: 1.

Het Wortel-deel van 't Praesens vertoont zig in ons Drevel, m: schommelknaep, Angl: drivill / mediastinus, servus; als wien men herwaerts en derwaerts op den loop zend; waer van ons † Drevelen, I. CL: H-D, dreulen / I. CL: itare, frequenter ire. Dog zie ook hier van by DRYV, in de I. Proeve.

Uit het Praeter: is te vinden ons Draf, m: Drave, cursus effusus, succussus, succussatio; een schokkende gang der paerden &c. H-D, trab / M, cursus strenuus; waer van ons Draven, I. CL: succussare; H-D, traben / I. CL: currere, cursu effuso efferri; & assiduè ambulare; en, by 't M-G, thragjan / I. CL: 1, currere, en bi-thragjan / I. CL: 1, praecurrere, schijnt'er een verloop te zijn van F in G. Dog van dezelfde gedaente zijn ons Draf, m: en n: siliquae excoctae, excussum sedimentum; en † Dravik, wilde haver, wilde opscheuten, festucago, aegilops; dog ook van dezen zie by 't Wortel-deel DRYV, in de I. Proeve.

 

Maer, met een Allemannische Dialect-verandering van F in B, past by 't voorgemelde Draven, ons † Drabben, I. CL: cursitare, itare; en † Drabbers, schoenen, calcei; als ten dienste van 't gaen; en wederom met V of W, mooglijk mede ons † Dravant, H-D, trabant / Sax: dravant / en by verloop nu by ons Trawant en Trouwant, m: satelles, succussator; als een die voor zijn Heer en Meester draven en omloopen moet; en Lyf-trawant, m: satelles; die met zijn Vorst overal mede gaet als tot lijf bescherming: gelijk mede, in den zin van Loopen, het oude † Trawant, † Trouwant, vagabundus, otiosè vagans, scurra, vulgò Trutannus, Gall: truant, Hisp: truhan, (even gelijk dit middeleeuwsche Trutannus van ons Trotten, cursare, succussare, vulgò trottare); ondertusschen ook hier van 't oude † Trawanten, † Trowanten, I. CL: otiosè vagari, Hisp: truhan-near.

Het Engelsche to thrive / throve / thriven / proficere, augere, ditescere, te zien by de

[p. 623]origineel

A-S, III. CL: 1, heeft eenige overeenkomst van zin met het bovengemelde F-TH, over-drephan / superare; als ziende op de vordering en voorspoed van eenig doen of gaen.

Het Wortel-deel.

DREUN, in 't Ysl: dryn / boo, in Praet: drunde / IV. CL: 2, waer van de Ongelijkvloeijendheid uit de y en u blijkt, en 't verloop uit de terminatie de agter 't Praeter:

De U in EU of O, volgens de gelijk-waerdige Dialect verwisselt zijnde, vertoont zig in 't Praeter: ons Dreun, † Droon, tremor, & concussus magno sonore; mooglijk om den dreunklank, en de overeenkomst van grofheid van toon, tusschen 't geluid der zolderdreuningen en dat der bulkingen: hier van ons Dreunen, † Dronen, I. CL: H-D, drönen / I. CL: concussare, contremiscere gravi sonore. Overdragtelijk neemt men ook ons Dreun, m: mos eundi cum aliquo concussu; mos agendi singularis, & modulus cantilenae, tonus emphaticus.

De Wortel-deelen.

DRYG en DREYG, in 't M-G, threihan / thraih) (in Subj: thrihan) / thrihans / II. CL: 1, comprimeré; dat in onze Dialect maekt † Drygen, † Dréég of † Dreig, † Gedregen, II. CL: 1.

Van 't Zakelijke deel van 't Praet: Dreig schijnt afkomstig te zijn ons Dreigen, I. CL: en Flandr: Dreegen, I. CL: minari; F-TH, threwan / I. CL: comminari; H-D, dreuen / drauen / drohen / en trauwen / I. CL: minitari; als zijnde alle bedreiging om ymand te drukken of ter neêr te zetten, door schrik of vervaring. De M-G, h en onze g agter in de accent-silbe zijn als versmeltletters, voor welken per Euphoniam ligtelijk de w weder inspringt, als by 't F-TH, threwan / en dus vind men ook by Kiliaen Dreuwen, Dróuwen, minari. Voorts het A-S, threagan / threagian / threigan / I. CL: increpare, corripere; en thraeginge / correptio. Dog by het oude Friesche † Dreig-bróód, n: panis vetus, schijnt my Dreig, volgens eene Friesche Land-Dialect, voor ons dróóg te komen; gelijk ook A-S, dryge / drige / siccus, aridus. Maer het M-G, faihu-thraihna / mammon (beteekenende 't M-G, faihu / opes, possessio, pecunia en thraihna / compressus) verbeeld dus niet onaerdig den Mammon (welken te dienen ons verboden word) als eenen die door de menigte der goederen overdrukt is.

Het A-S, ge-thruwen / compactus, 't gene ik agter de A-S, II. CL: geplaetst heb, alzoo ik het nette beloop van dat Ongelijkvl: Verbum niet en vond, zou ten opzigte van den zin, en ook, zoo 't ge-thriwen ware, ten aenzien van de gedaente, hier wel by passen; dog de u in Praeter: Part: vlijt niet al te wel met deze Ongelijkvloeijende Verba, die in Infin: in 't M-G, ei / of by ons Y hebben; hoewel men 't in 't Engelsch wel vind, gelijk ook het bovengemelde Dróuwen, en 't H-D, drohen / insgelijks al de o vertoont, die met de u gelijkstammig is: ten welken opzigte het A-S, throwian / throwigan / I. CL: F-TH, thruvan / I. CL: pati, met den eersten zin van 't M-G, vermits de lijder bedrukt is, vry nae overeenstemt: gelijk weder ook op dien zin niet qualijk past ons † Droeven, Bedroeven, I. CL: dolere, tristari, & turbare; en Droevig, moestus, dolens; Droefnis, A-S, drofnysse / tristitia, turbulentia; en 't M-G, drobjan / I. CL: 1, turbare; in passivo, gadrobnon / indrobnon / animo turbari; en F-TH of AL: truoban / ke-truaban / I. CL: perturbare; dog zie van dit Droev, ook by DER, in de I. Proeve.

De Wortel-deelen.

DRYM, DRUM, DROM, in 't Ysl: thrym / sub onere duro; in Praeter: thrumde / IV. CL: 2, zijnde meê al van die verloopene Classis.

Veel zekers beken ik hier toe niet te hebben. Zoo de oudste grondbeteekenis is in een gedrukt te worden, en overdragtelijk de Ysl: zin daer uit ontleent is geweest, dewijl de kort-in-een-gedrongene dingen best den last verdueren konnen, zo schijnt in 't Wortel-deel van 't Praeter: te zitten ons Drom,

[p. 624]origineel

m: pressura; en † Drom, H-D, drom / M, trabs; alzo de balken tot verbinding der wanden zijn, om 't uitspatten van wegen de drukking te verhoeden; en Drom, Drommel, m: res simul compactae & densae, res compactiles; Een drom of Drommel van huizen, viculus, domus aliquot contiguae; Drommel, Drommeler, m: strigo; homo corpore quadrato, compactove; en overdragtelijk ook Drommel, m: spectrum, daemon, diabolus; om dat men tot te meerder verfoeijlijkheid die bullebakken zo kortgedrogtelijk gewoon is af te schilderen. Eindeling van Drom komt het Vlaemsche Drommen, Drummen, I. CL: premere, pressare, obterere, stipare; waer van 'T gedrom, n: pressura; en mooglijk ook hier van (even als 't vorige † Drom, trabs) ons Drempel, Drumpel, limen; om de drukking van 't gebouw te onderschooren, of om het druk betreden der zelven: dog zie daer van ook iets by TRIMP, in deze Proeve. Hier toe schijnt nog mede te kunnen betrokken worden het F-TH, drumbo / trumbo / H-D, tromme / F, tuba; by ons mede in de zeer zeldsame verscherpte H-Duitsche Dialect met T in plaets van D, Trompe, f: tuba, cornu venatorium, vulgò Tromba, unde Ital: tromba, Hisp: trompa, Gall: trompe; en 't F-TH, trumbara / tibicines; waer van ons Trompen, I. CL: modulari crembalo, canere tuba; als bequaem om door dit kragtige geluid de menschen in eenen drom by een te zamelen, of om 't volk stout en verhart te maken tot den aenval in den krijg. Insgelijks om dezelfde rede het A-S, drum / H-D, trummel / trommel / F, en ook wederom by ons met T voor D, Trommel, f: tympanum; waer van ons Trommelen, I. CL: tympanizare; voorts ons Trompét, f: H-D, trommette / trompete en drommet / Angl: trumpet / tuba bellica, vulgò Trompeta, unde Ital: trombetta, trompetta, Hisp: trompeta; waer van ons Trompétten, I. CL: H-D, trommetten / trompeten / en drommetten / I. CL: tuba canere, clangere. Van wege de gelijkheid der gedaente noemt men ook den snuit van een Olifant met den naem van Trompe, f: proboscis. Maer, gelijk men in een spreekwijze zegt, ymand by de neus hebben, voor ymand bedotten, zoo mede met gelijke overdragt ons † Trompe, f: fallacia; en Trompen verkoopen, fallere, dare verba; waer van ook ons † Trompen, Betrompen, I. CL: fallere, circumvenire fallaciis, unde vulgò Trompare, & Gall: tromper. Dog alle dezen, voor zo verre men op 't geluid ziet, vinden nog ruim zo wel hare Afleiding by 't volgende RUIM, in deze II. Proeve.

Wederom met D, schijnt hier toe te behooren ons Drom, m: Drom garen, n: H-D, trumm / M. licium, licii resegmen, caput filorum, festuca; als te leur gaende endens van de scheering, gering van waerde, om slegts in eenen drom ondereen te doen, of waer aen ook wel de wevers het garen knopen. Maer, dewijl men mede in 't H-D, heeft trumm / M, frustum, truncus, tignum, en ein trumm licht / frustum candelae, waer van het H-D, trümmern / I. CL: friare, frangere, terere, comminuere, prosternere, zo twijssel ik, of dit ons Drom niet eigentlijkst op de afgebrokentheid der enden zie, en alzoo met dit H-D, trumm / frustum, van nog een anderen stam, my onbekent, afkomstig te rekenen zy.

De Wortel-deelen.

DRUIS en DROOS, in 't M-G, driusan en ga-driusan / draus / drusans / II. CL: 4, cadere, ruere; 't gene in onze Dialect overgebragt zijnde, maekt Druisen, Droos, Gedrosen.

In 't Wortel-deel van 't Praesens, mits met den uitgang SCH of CH voor IG, vertoont zig ons † Druisch, gravior strepitus, fremitus, impetus; waer van ons Druischen, I. CL; strepere; & magno strepitu cadere, ruere, irruere; en Gedruisch, n: strepitus, fragor, cadentium ac irruentium soni instar.

 

Van 't Praeter: draus komt het M-G, draus / M. ruina; en daer van 't M-G; drausjan / gadrausjan / af-drausjan / I. CL: ex alto deorsum praecipitare, deturbare; en in 't H-D, dreuschen / I. CL: dispergere aquam cum sonitu; transl: blaterare, effutire; dat tot het andere volgende Praeter: behoort.

[p. 625]origineel

Tot het Praeter: met de zagte O, of hare gelijkwaerdige OE of U, past mede ons Droes, m: Droessem, m: A-S, drosne / faex, praecipitatum; om 't nederzinken; en gelijk, wanneer 'er in de klier- en zijper- of vogt-vatjes eene verstoppende droessemstrijking komt, daer door een verdikt gezwel of verharding of zweering ontstaet, zo schijnt daer uit ontleent te zijn ons Droes, † Droeze, f: apostema panus, hulcus; en wederom op 't vallen schijnt te zien ons † Droessel, † Drossel, † Droestel, en † Drostel, H-D, troschel / turdela, turdus minor; een soort van lijsters of sneppen vallende by troepen op de braeklanden: en, mooglijk zinspelende op de geweldigheid van 't vallen, ons † Droestig, † Drustig, violentus, impetuosus: desgelijks, om de kragt van aenval of overvalling, misschien ons Droes, m: gigas, homo valeus membris & mole, fortis beliatur; & tr: diabolus: hoewel men doorgaends dezen naem verkiest af te leiden van Drusus, den Broeder van Keizer Tiberius, die dapper tegens de oude Duitschers in de wêer is geweest.

Wijders schijnt tot den zin van cadere ook betrekkelijk te zijn ons † Droosen, I. CL: dormitare, dormiscere; als ziende op het gestadig knikkebollen en voorovervallen van de genen die zittende aen 't druilen geraken, en daer toe weder het A-S, dreas / harioli; vermits de oude waerzeggers zig bedienden van droomerijen.

DU.

De Wortel-deelen.

DUIV of DUIF, en DOOV of DOOF; in 't A-S, dufan / deaf / dofen of gedofen / II. CL: 1, mergere, urinare; 't gene in onze Dialect maekt † Duiven, † Doof, † Gedoven, als de II CL: 2, Van 't oude Praeterit: Partic: is by ons nog overig Bedoven, obmersus, opertus, tectus, & quodammodò suffocatus. In 't F-TH of AL: vind men mede pi-tunfit / mergit.

Het Wortel-deel van 't Praesens vervat ons Duif, Duive, f: M-G, dubo / F, F-TH, en AL: duba / tuba / F. A-S, duva / Ysl: dufa / F. Dan: due / Angl: dove / H-D, daube / taube / F. columba; als gaerne tot verkoelinge zig dompelende in waterplassen; met het zelfde regt als het Latijnsche columba zijnen oorspronk of gemeenschap vind in het Grieksche κολυμβᾶν, urinare, aquam subire; Hier van nu ons Duiven-kérvel, Duiven-króp, fumaria, capnos; een zeker kruid ook eerd-rook genaemt, en volgens den naem een byzondere werking doende op de duiven; en ons Duiven-mélker, m: columbarum allector, qui alit & curat columbas; zijnde dit woord Mélker spotsgewijze daer by, om dat die liefhebbers met zulk een ernst hunnen tijd daer in verslijten, als of het veel gewin opbragt, dat egter zo min geeft, als of ze de bokken molken, zo Kiliaen zeit. Tot een tak van 't Praesens behoort mede het A-S dufian / I. CL: mergere, immergere.

Uit het Praeterit:, dog hy ons met de korte O, hebben wy ook den byzonderen naem van 't manneken, als Doffer, m: in sommiger Dialect, Doefer en Duiver, m: H-D, tauber / M columbus.

 

Ons DUIF, in Duif-stéén, Duf-stéén, en Tus-stéén, tophus, Graec: ΤόΦοϛ, houde ik voor een basterdkind van 't Latijn of Grieksch: en voor een basterd mag men ook aenzien ons † Duiven-kater, Deuvekater., panis aut libi genus, quod strenae loco datur natalitiis Christi; als komende mooglijk, door 't Walsch, Vlaemsch, of Brabandsch, van deux fois quater, vermits zinnespelende op de vier krullen, twee onder en twee boven, welke aen ieder der twee spitse punten van deze Kerstijdbrooden, als ze wat groot zijn, gemaekt worden: immers zoo was de gissing van een mijner vrienden; en is dit, dunkt my, ruim zo goed, als 't gene ik 'er te voren twijffelagtig van vermoedde, naemlijk, of 'er wel eer byzonderlijk eene duive en kater op mogte gebakken, en daer van de naem ontleent gewtest zijn, even gelijk als nog die Kerstijdbrooden by ons met allerhande gebakkene mannetjes en beesjes, tot vermaek der kinderen, zijn opgeschikt.

 

Maer, gelijk door 't onderdompelen in het water de vierige kolen worden uitgedoost,

[p. 626]origineel

en mede ons gezigt, gehoor, en ademing, konnen bedwelmt en als bedoven raken, zo vertoont zig ook die zin van bedekken, verstikken, bedommelen, en stomp en kragteloos zyn, by vele takken van 't oude Praeterit:, als M-G, daubs / coecatus, lumine cassus; hier neemt men de bedwelming op de oogen; dog by ons en anderen op de ooren, als H-D, daub / taub / A-S, deaf / a-deaf / Angl: deäffe / Ysl: daufur / by ons Dóóf, surdus; en Dóóf-agtig, Dooverik, surdaster, graviter audiens, subsurdus; en Dóóf zyn, H-D, taub seyn / surdere; Dóóf worden, H-D, taub werden / surdescere. Wijders ons Doove kole, f: carbo; als uitgebluscht; Doove netel, f: H-D, daub nesseln / F. urtica iners; als zonder stekende kragt; Doove neut, f: H-D, taube nusz / F, nux vitiosa; en A-S, deaf-corn / vitium frumenti; als inwendig in den groei verstikt. Dóóf hóut, n: lignum cariosum; en Doove contr: Doffe vérwe, f: color surdus, lentus, austerus, non vividus, als zonder gloed, leven of kragt. Nog ook Dóóf, contr: Dof van zinnen, Dof-gééstig, vivacitate deficiens, utcunque melancholicus; Duffe, Doffe lucht, aër vaporens, vapor suffocans; als den geest en de ademing eenigsints bedwelmende, by gebrek van de vrije uitwaseming. Voorts ons Doove vinger, m: digitus sensu distincto privatus; en 't M-G, daubitha hairtins / by ons Verdóóftheid des hérten, verstoktheid, cordis induratio; en ons Doove, dodde, typha, palustris typhae superior pars; alzoo men agt dat de ruige dons van dezelve, zo hy in 't oor komt, doofheid aenbrengt: en Ysl: doffe / M. stupor. Van ons Doof, Doove, komt ons Dooven, Uit-dooven, I. CL: extinguere; en Bedooven, I. CL: suffocare, operire, het M-G, ga-daubjan / I. CL: indurare; 't A-S, adeastan / I. CL: surdescere; en Oud-Fries Dava / surdum reddere, & obstupescere; als David hem sijn haud der fan / si caput ex eo surdum reddatur; vide Siccama in Leg: Frision: p: 128. en het H-D, teuben / be-teuben / I. CL: exsurdare, obtundere; & transl: domare; als mede ons † Dooven, I. CL: H-D, tauben en toben / I. CL: insanire, delirare; en 't A-S, dofung / F-TH, tobunga / H-D, tobung / F, deliramentum; gelijk by menschen, die eene verstikking van uitwaseming, en daer door een verhitting krijgen, welke hen de rust beneemt, de hersenen ontstelt, en onzinnig maekt.

 

Wijders, in de lettervorming op de tong verschillen de B en P zeer luttel van V en F, waer door ze by de minste Dialects-verandering elkanders plaets innemen: de B, vind men al in deze takken by 't bovengenoemde M-G, dubo / daubs en daubjan; 't F-TH, en AL: duba / tuba / en 't H-D, taub en teuben: dog ook de P vertoont zig in 't A-S, dippan / dyppan / I. CL: mergere, tingere, intingere: A-S, dop-fugel / mergus; dopetan / I. CL: mersare; en doppettan / I. CL: tingere; en 't A-S, deapung / immersio, tinctura; en ons Dóóp, m: Indóópsel, n: sause, intinctus, condimentum, embamma; en Dóóp, m: Dóópsel, n: M-G, daupeins / baptismus, immersio, ablutio; en M-G, daupeinins stikle / ablutiones calicum voor welke P wederom de f of ph komt by 't H-D, taufe / F, en F-TH, of AL: douf / douph / doupha / douphe / toufi en tauf / F. baptismus: komende wijders van Dóóp, ons Doopen, I. CL: M-G, daupjan / I. CL: F-TH, en AL: doufen / toufan / taufan / I. CL: H-D, taufen / teufen / I. CL: A-S, depan / I. CL: baptizare; en ons In-doopen, I. CL: intingere; en Uit-doopen, I. CL: condimentum absumere intingendo; en 't Vlaemsche Doppen, I. CL: intingere.

 

Voorts, overwegende dat UI en IE gelijkstammig zijn, waer van ik berigt gedaen heb in onze Grondsl: II. Verhand: §. VII. zo komt ons (mits behoudende deze P by 't Wortel-deel van 't Prasens) alhier, als na zijn oorspronk zoekende, te voren, ons Diep en † Duip, A-S, diop / deop / Angl: deape / F-TH, tiuf / H-D, tief / profundus; A-S, diopan dalo / infernum; als zinspelende op de bedektheid en de onderzinking na den grond van 't water: waer van ons Diepen, Verdiepen, I CL: M-G, diupjan / gadiupjan / I. CL: H-D, tiefen / I. CL: profundum reddere; en ons Diepte, f: M-G, diupitha / F. A-S, dypa / F, H-D, tiefe / F, profunditas; en 't A-S, deopnysse / pro-

[p. 627]origineel

funditas abyssus; en diopnise / mysteria, & chaos. By dit F-TH, en H-D, vertoont zig mede de oorspronkelijke F. By 't verouderde † Duip, profundus, past ons † Duipen, I. CL: verticem capitis dimittere, latenter proripere; als nedergedoken met het hoofd; en daer van † Duiper, homo obstipo capite terram spectans. Dog by 't Praeter: voegt ons Doppe, Duppe, f: olla; Dóppe, f: putamen, siliqua; testa & bulla; als iets bedekkende, besluitende, of bedoovende: en overdragtelijk om de gelijkvormigheid Dóppe, Tóppe, turbo; van 't eerste nu komt ons Doppen, I. CL: exuere putamina, cortices &c; en Dóppen het zilver, argentum in aspredines excindere & caelare; en van 't laetste komt Dóppen, I. CL: ludere trocho; en verder overdragtelijk tot het eerste ons Dóppemaker, barathro, decoctor; als die zijn goed verspilt en doorbrengt, dat 'er niet als ydele doppen overschiet.

 

In tegendeel vind men wederom by Ons, en by 't A S, AL: en Ysl: de F of ph, dog daer voor by 't M-G, F-TH, en H-D, de b / in ons Dief, m: A-S, theof / thyf / theaf / M. Ysl: thioffur / M. fur; en AL: diufa / thiuph) / dieph) / A-S, thyfth / furtum; dog M-G, diubs / M. AL: theob / thiub / H-D, dieb / M, fur; en F-TH, thiubheit / furta; en M-G, thiubjo / clam, in occulto; waer van ons † Dieven en Ontdieven, I. CL: A-S, theofian / getheofian / forthiofan / I. CL: furari; en ons Dief-égge, f: fur faemina; en Diefte, f: Dief-stal, m: en n: furtum. Deze schijnen ten opzigte van de gedaente ook tot dezen stam te behooren; in welken gevalle de beteekenis zou zinspelen op het bedoken en bedekt te werk gaen der dieverijen; even gelijk men by ons zegt, iets onder water deurhalen, voor bedekt en ter sluik iets inhalen; en volgens 't gemelde M-G, thiubjo / clam, in occulto.

DW.

De Wortel-deelen.

DWAEG, DWEEG, DWOOG, in 't M-G, thwahan / thwoh / thwahans / III. CL: 4, lavare; en M-G, af-en us-thwahan / III. CL: 4, abluere; F-TH, thuagan en thuahan / thuoh / gethuagen of gethuahen / III. CL: 3, lavare; A-S, thweogan (contr: thweon) twoh / gethwogen / II. CL: 1, lavare; en nog ook A-S, thwagen (thwaegen / thwegan / thwehan / contr: thwean) / thwog / gethwagen en gethwegen en gethwogen / III. CL: 2, lavare, ungere; en A-S, a-thwehan / III. CL: 2, baptizare; waer van het A-S, a-thwed / sacramentum, sc: Baptismi. Ysl: thuo / thuode / thueigenn / lavare; in Praes: eg thuae / lavo; Onreg: No. 5. en by Ons ook voormaels † Dwaegen, † Dwegen, contr:Dwaen, † Dwoog, † Gedwogen, II. CL: 4, lavare, tergere, abstergere, madefacere; en † Af-dwaen, II. CL: 4, abstergere, & eluere; zie by Kiliaen; dog allen zijn ze nu reeds by ons versleten.

Met den uitgang EL of LE, agter 't ingekorte Deel, hebben we het A-S, thweal / thwaeale / lotio, dilutio, ablutio; 't A-S, thwealu / lavacra; het A-S, thwale / unguentum; 't AL: duele / hant-tuele / ons † Dwaele, † Dweele, f: en ook met h / het AL: dwahila / H-D, zwähel / Angl: towell / mappa, mappula, linteum, mantile, manutergium, penicillus; unde vulgó Tobalia, Ital: touaglia, Hisp: touaia, Gall: tonaille; en wederom met de G, in 't volle Wortel-deel, by 't A-S, thwaegennysse / lotio; en ons † Dwegel, contr: Dwegl, Euphon: nu Dweyl, m: penicillus; zie onze V. regel wegens de EY; waer van ons Dweylen, I. CL: abstergere, tergere, mundare mappa vel penicillo; voeg hier by 't H-D, zwagen / I. CL: lixivio defricare, aquâ perfundere; alles tot reiniging en afwassching.

Als men op het heen-en weder-vegen van de Dweilen (oul: ook Dwalen genaemt) zijne gedagten vest, zo schijnt hier uit ligtelijk gesproten te kunnen zijn ons Verbum Dwalen, I. CL: errare; egter giste ik, dat het volgende Wortel-deel DWEL, DWAL, ruim zo veel regt daer toe heeft, waerom wy 'er aldaer van zullen handelen.

[p. 628]origineel

De Wortel-deelen.

DWÉL, DWAL; in het Ysl: duelia / morari; in Praes: eg duel / in Praeter: dualde / IV. CL: 2, en, na de anderen van die Classis af te leiden, moet het Ysl: Praeter: Partic: dwalenn zijn. Angl: to dwell / commorari, habitare; en dweit of dwelled / commoratus. De Ongelijkvloeijendheid. van 't Yslandsche blijkt uit de e en a in de accent-silben, en 't verloop uit den uitgang de agter 't Praeteritum. Het oudste Ongelijkvloeijende Praeter: gis ik dat een a of o gevoert heeft, vermits in 't Ysl: duol / F, mora; waer op ook schijnt te passen het F-TH of AL: ar-twalun / torpebant; als door traegheid zig ophoudende; alwaer dit Imperf: mede zonder de komt, volgens den oud-egten trant der Ongelykvloeyenden.

Met het Wortel-deel van dit Verbum komt overeen in gedaente het A-S, dwala / dubium; en de zin zou dus zien op ymand die als suffende in twijffeling zig ophoud, niet wetende wat hy doen zal; waerom zulk een, zo zulk doen hem gemeen is, ligtelijk den naem van een dwael-geest of zot verkrijgt; gelijk dan ook M-G, dwala / stultus; en A-S, dwola / gedwol en gedwyid / error; en A-S, dwol-man / dwollic / haereticus; waer van verder ons Dwalen, I. CL: errare, vagari, insanire; en A-S, dwelian / dwolian / ge-dwellan / I. CL: AL: dwelan / errare, decipere, seducere, delirare.

Met den uitgang M agter. 't Wortel-deel heeft men ook den zelfden zin, als F-TH, of AL:. dwalm / caligo mentis, quodam veluti stupore correptae; waer toe 't M-G, dwalmon / I. CL: insanire; en ons Bedwélmen, I. CL: vertigine corripi; Bedwélmtheid, caligo mentis; en Dwalm, m: Dwalmte, f: vapor ex qua facile caligo- mentis exsurgit.

Van ons Dwalen zie ook eenige bedenking by het voorgaende Wortel-deel DWAEG, in deze Proeve.

De Wortel-deelen.

† DWYT en † DWEET; in het A-S, thwitan / thwat / thwiten en gethwiten / III. CL: 1, excidere; en in Praet: a-thwat / frustratus; 't gene in onze Dialect zou gemaekt hebben † Dwyten, † Dweet, † Gedweten, II. CL: 1.

Hier toe ken ik onder ons geene spruite-lingen.

 

1716 9/m