Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

G.

GA.

De Wortel-delen.

GAER of GIER, GAR of GER, GOOR of GOR, in het H-D, gären / gieren / gar of gur (in Subj: göre) / gegoren / faecem emittere, digesti, effervere; Onregelm: No. 4. Zweemende na die van de III. CL: 2, die in Infin: de E, en in Imperf: A en O, voeren. Overdragtelijk beteekent ook gären / invehere in aliquem mussitando, ita ut reprehensiones istae, ex levissima occasione arreptae, quam saepissimè repetantur; en de Composita, H-D, ver-gären / extra ebullitionem positum esse, quiescere.

 

Tot het Wortel-deel van 't Praesens behoort ons Gaer, H-D, gar / maturus, percoctus; ad usum paratus; als hebbende zijn schuim en onrein uitgegest, en daer door ten gebruike bequaem zijnde: waer van ons Gaer maken, percoquere; & tr: apparare, perficere; welke overdragtelijke zin een oorspronk schijnt aen te wijzen van het F-TH, garan / garowan / I. CL: parare; en vore-garwan / I. CL: praeparare; en gi-garowan / I. CL: praebere; en AL: ke-caruwen / I. CL: exhibere; en by Ons † Gaerwen, Gérwen, Gérven, I. CL: A-S, gearwian / I. CL: en gearcian / I. CL: praeparare, adornare, conficere; waer toe ons Gaerw-Gérw- en Gérf-kamer, sacrarium, locus in templo, quo sacerdos se praeparat vestibus sacris; en ons Ontgaerwen, Ontgérwen, Ontgérven, I. CL: indumenta exuere; en 'T leder gaerwen, pelles consicere, perficere, macerare, depsere, subigere; en Gaerwer, coriarius, coriorum concinnator; en † Gaerwe, † Garwe, Garve, Gérve, Gérf, f: merges, manipulus spicarum; als een byeengeschikte bundel, toebereid om na de schuere te brengen; hoewel dit. Gaerwe ook van Garen, colligere, kan ontleent zijn. Dog mooglijk ziende op de ontroering in 't afgrijzen, mede hier toe ons Gérzelen, I. CL: horrorem habere, horrere; en wederom met den zin van 't vuilgestige ook hier toe ons † Garst, † Gérst, H-D, garst / M. rancor, sordes, corruptela; en † Vergarsten, I. CL: rancescere; en ons Garstig, Gérstig, en mede uit het Praeten: Górtig, H-D, garstig / rancidus, grandinosus, faeculentus, putidus, spurcus; Garstig of Gortig spék, rancidum lardum; en † Gerste, † Gérst, H-D, gärst / gerste / F, crithe, grando in margine superioris palpebrae erumpens; waer van het H-D, garsten / I. CL: inquinare; en ent garsten / I. CL: purgare. Dog van ons Garst, Gerst, hordeum, zie by Groey, in deze II. Proeve. Wijders, gelijk by ons Kiezen ook † Kieren, en Verliezen ook † Verlieren, de S en R gelijkwaerdig komen, of, gelijk voor de rs slegts r gevonden word by 't A-S, georstendaeg / gyrstandaeg / girstandaeg / en gestrandaeg / heri, en geosterlic / hesternus, zo komt bedenkelijk of, op gelijken zeldsamen voet, niet hier uit gesproten zy ons Gést, Gist, f: A-S, gist / gyst / H-D, gast / gescht / en by sommigen als nog gerscht / M, spu-

[p. 637]origineel

ma, faex, sanies, crassamentum; waer van ons Gésten, Gisten, I. CL: faecem emittere; gelijk ook F-TH, gesan / I. CL: excoquere. Maer, meerder buiten twijffel, komt hier toe ons † Gerik, viscera; als lichtelijk géstende; en Geren, I. CL: infaecem converti; & condituram faecis recipere; en met IE, ons Gieren, I. CL: excreare; en wederom met E, en den uitgang M, het H-B, germ / M, fermentum; germicht / fermento tumefactus; by ons † Germ, ovis matrix; waer van 't H-D, germen / I. CL: fermento tumefieri; by ons † Gérmen, I. CL: movere.

 

Uit het Praeter: het A-S, gor / gore / fimus, lutum, tabum, sanguis; het Vlaemsche Goor, limus, lutum, coenum; het Leuvensche Goor, sordes aedium; ons † Gorre, sordidus, & tr: valdè avarus; en † Goor, A-S, gyra / palus, locus paludosus; vermits de stilstaende slijmerigheid een moeder is van de gesting; en ons † Goor, terra nova alluvione luti accrescens. Nog ook ons zeer gemeene Adject: Goor, putidus, odore subacido & tetrido, fermenti instar; en Goor rieken, putere, rancere, subacidum odorem emittere; en Vergooren, Vergoren, I. CL: subacere stagnando; en met UE, gelijkwaerdig aen O, ons Guer, subacidus; & tr: immitis, austerus; deze allen in een hinderlijken zin; maer, gelijk de gistende dingen hunne reuk-geesten uitwerpen, zo komt ook in een aengenamer zin te voren, ons † Gore, nu Geur, f: vapor, fragrantia, odor, nidor; & tr: sapor, & vigor; waer van ons Geuren, I. CL: Geur geven, odorem sive nidorem emittere; en ons Geurig, odorè sive sapore suavi fragrans.

Maer mede uit het Praet:, dog wederom met den hinderlijken zin, en met den uitgang T, het bovengenoemde Górtig, rancidus, grandinosus; beneffens Het górt, n: of De górtigheid, f: chalasa, grando, lepra, qua porci infestantur; 't en ware dit Górt en Górtig van Górt, Grut, alica, grutum, Graec: γρ{?}τα, Gall: gruau, van wegen de gortgelijkende stippels mogte ontleent geweest zijn.

Uit het Praeter: Partic: het Adject: H-D, ungegorner / un-vergorner / faeculentus, non satis defaecatus.

GI.

De Wortel-deelen.

GYN, GEEN, in 't Ysl: gyna / in Praet: geyn / en gevolglijk in Praet: Part: ginenn / II. CL: 1, hiare; 't gene in onze Dialect maekte † Gynen, † Geen, † Gegenen.

Uit het Wortel-deel van 't Praesens het Ysl: giaa / F, hiatus terrae; A-S, gin / rictus; ginnisse / intercapedo; en ginne / amplus; als mede ons † Gynen, I. CL: H-D, gienen / I. CL: hiare, hiscere, oscitare; en A-S, ginan / ginian / geonan / geonian / gynan / gynian / I. CL: hiare, barrire garrire.

En uit het Zakelijke Deel van 't Praeter: het Over-Ysselsche Geenen, Genen, I. CL: subridere; en 't H-D, gänen / en oul: gannen / I. CL: A-S, ganian / genian / I. CL; hiare, hiscere, oscitare.

De Wortel-deelen.

GILL, GAL of GAEL, en GOL, in het Ysl: giell / vociferor; in Praeter: gall / II. CL: 4, en na de andren van die Class: in Praet: Part: gollenn: ik vind ook in 't Ysl: Matth: XXVI. 74. og gol hanenn / en in 't Zweedsch och gool hanen / & cantavit gallus. Dit overgebragt zijnde in onze Dialect maekt † Gillen of † Géllen, † Gal of † Gol, † Gegollen, II. CL: 5 of 6, sonum edere vehementem.

Tot het Wortel-deel van 't Praesens ons Gil, m: sonus acutus, vehemens, H-D, gell. M, sonus resonans; waer van ons Gillen I. CL: H-D, gellen / I. CL: clamitare, ut aures tinniant.

Tot het Praeter: het H-D, gall. M, clangor, clamor, sonus vehemens, resultans; en ons Pypen-gael, m: vehiculum trusatile minus; als welks rad in 't voortschuiven krijt, even of 'er kinderen op een fluitepijpje speelden; en wieder-gall / echo; waer van het

[p. 638]origineel

H-D, gallen / I. CL: clamitare, ut aures tinniant; Ysl: gala / I. CL: Angl: yaul / vociferari; L-Fr: galjen / vociferari; ejulare; en A-S, galan / galian / I. CL: incantare; ziende op de Oud-tijdsche grillen, en zotte Toovergezangen, en 't bygaende getier, onder de Noordsche Volkeren weleer zeer gemeen: waer van ook 't A-S, galdor / incantatio; en Ysl: galidur / magia; en A-S, galere /galdere / incantator, augur; en waer op, om 't bullebaksche bedrog en geschreeuw, met regt toepasselijk is het Ysl: gool / ululatus; en Ysl: galen / insanus, vesanus. Maer een zin van aengenamer geluid word aengewezen in het A-S, gale / lucinia; by ons Nachte-gael, m: H-D, nachtigall / M, ook A-S, nehtaegale / nichtgale / Angl: nichtingale / lucinia, philomela; als zingende by uitstek aengenaem, kragtig, en veranderlijk, 's morgens vroeg, en ook laet op den avond, die by de Oud-Duitschen onder de nacht betrokken wierd: en overdragtelijk ook † Nachtegael, genus bombardae majoris, vulgò duplicana; om 't uitstekende galm-geluid.

 

Wijders, met den uitgang M agteraen, ons Galm, m: H-D, galm / M. clangor, clamor, sonus vehemens, resultans; AL: calm / sonitus; en ons Weder-galm, echo; waer van ons Galmen, I. CL: H-D, galmen / gelmen / I. CL: implere clamoribus aures; resonare. Wijders met P agterop, ons Galp, m: gannitus vulpis; waer van ons Galpen, I. CL: gannire instar vulpis; en ook met V, ons † Galveren, I. CL: gannire, nugari, jocari.

Ook schijnt uit het blijde geluid ontleent te zijn het M-G, goljan / I. CL: salutare; en het Fransche GALANT, festivus; als vrolijk, blygeestig, en op de Fransche wijze by den weg zingende. Wijders het Fransche gaillard, en op den zelfden basterd-voet het H-D, galliard / en ons Galjard, laetus, hilaris, festivus; en 't Fransche gaillarde, H-D, gallard / by ons Een galjaerdtje, chorea lepida; en misschien ook hier toe met o / het Ysl: jol / saturnalia; waer uit het Fransche joli, by ons in basterd-vorme, Jolyd, laetus, faestivus; en Verjolyen, I. CL: recreare; en mede om de blijdschap het A-S, geol / Natalitia Domini Jesu Christi.

GN.

Het Wortel-deel.

GNYD, &c, in het A-S, gnidan en gegnidan / gnad / gegniden / III. CL: 1, fricare, confricare.

Hier van het A-S, gnidill / pistillum; vermits de stampers dienen tot kneuzing en vryving.

In plaetse van gn / na onze Dialect genomen zijnde KN, zo schijnt tot zulk een Wortel-deel uit het Praet: betrekkelijk te zijn ons Kneden, I. CL: A-S, cnaedan / cnedan / I. CL: H-D, knetten / I. CL: Angl: knede / depsere, manibus subigere; dus vind men ook A-S, gnaegan / rodere, tegen ons Knagen, en A-S, gnornian / murmurare, gemere, tegen ons Knorren, enz.

GR.

De Wortel-deelen.

GRIER of GRIES, of GRUIS of GRYS, en GROOR of GROOS, in het A-S, greoran of gryran (en greosan of grysan) / grear en greas / groren en grosen; II. CL: 1, horrere. 'T gene in onze Dialect maekt † Grieren en † Griezen of Gruizen, † Groor en † Groos, † Gegroren en † Gegrozen. Dat men S en R van beids vind by de Verba's op Ieren, is niet ongemeen; dus ook A-S, hreosan en hreoran / II. CL: 1, ruere, irruere; en by ons Vriezen, ook oul: Vrieren, nu nog Vroos en Vroor, Gevrozen en Gevroren, ook A-S, freosan en freoran / gelare; zo mede by Ons Verliezen, oul; mede Verlieren, waer van nog overig is 't Praet: Part: Verloren; gelijk ook A-S, leosan en leoran / perdere; enz.

[p. 639]origineel

Tot het Praesens met Y (als by 't A-S, grysan / gryran) of met IE of UI tegen de A-S, eo / behooren het A-S, gryre / H-D, griesel / M, horror, pavor; en A-S, gryrelic / grysenlic / agrisenlic / en grislic / horridus, by ons † Gryslyk, Afgryslyk, horridus, horribilis; en ons Af-gryzen, I. CL: H-D, griesselen / I. CL: A-S, a grisan / abhorrere; en met E het Sax: en Geld: Grezen, I. CL: terrere, perterrefacere; en ons Gryzen, I. CL: ringere, os depravare, stere, fremere, {?}rendere; & perhorrere; en Gryzekom, Gryzekond, fumus terrae; fumaria; een kruid welks sap, op de oogen gelegt zijnde, de tranen sterk doet uitschieten; nog ook A-S, grys-bitan / grist-bitan / frendere; om het hinderlijk knerssen; gelijk ook A-S, grisle / gristle / grystle / en gristl-ban / cartilago; by ons knersbeen. Verder ons Gruis, n:Gries, † Greus, H-D, gries / M, rudus, lapidum fragmenta, pulvis; als hinderlijk en afgrijslijk knersende, wanneer het tusschen de tanden of in de malinge komt; waer van ons Gruizen, I. CL: H-D, griesen / I. CL: redigere in rudus; en Gruizig, glareosus, recrementitius, sordidus; en met OE, ons Groezig, sordidus, coenosus, uit het Praeter:; en overdragtelijk ook † Gruis, furfur; als klein verbrijzelt, gelijk het gruis, even als ook A-S, grist / molitura; waer toe ons Griezeltje, minima pulveris portiuncula; atomus; en 't Vlaemsche Gruis-bier, H-D, gries-bier / cervisia tenuis ex furfuribus cocta. Dog zie ook by 't volgende KRIEST, in deze II. Proeve.

Uit het Praet: Part: komt het Adject: A-S, begroren / horridus.

 

Ten opiigte van de Y in ons Gryzen, en E in 't Geldersche Grezen, komt een vermoeden of 'er niet eigentlijkst een andere stamboom toe behoort, op Y accenterende, als by de onzen van de II. CL: 1, hoewel van gelijke beteekenis, even gelijk 'er van ouds ook Tiegen of Tuigen, II. CL: 3 en 2, en Tygen, II. CL: 1, in een zelfde beteekenis geweest is. En of ons Grys, Gryze, color pullus, cinereus, canus, vulgò Grisius, unde Gall: gris, en Ital: griso, waer van ons Gryzen, I. CL: canescere, niet en kome, zls zinspelende op het oude afgrijslijke weenen, van in zak en assche te zitten om zijn overmatige droefheid te toonen, verdient zijn bedenken.

Het Wortel-deel.

GRYV, &c, in het A-S, grifan (a-grifan) / graf en graef / grifenn / III. CL: 1, sculpere, radere.

Wanneer men de G als een voorwerpsel aenmerkt, zo komt dit Verbum in kragt en gedaente overeen met ons Ryven, II. CL: 1, als mede, zoo men de S hier voorwerpt, dat pok by de Voorouderen niet ongemeen was (zie in onze Grondsl: II. Verhand: §. XXIX), zo vind men hier 't gelijkstammige van ons Schryven, II. CL: I, scribere, olim radere, sculpere; gelijk ook A-S, scrifan / III. CL: 1, resecare; en A-S, for-scrifan / III. CL: 1, corradere. De eerste of oudste wijze van schrijven geschiedde by inkrabbing of ingriffiën in wasch, of hout, of steen, of basten van boomen.

Hoe nu van dit † Gryven, II. CL: 1, ons Gréffie, Griffie, f: Gréft, f: Angl: graffe / insitum, stylus, graphium, Gall: greffe, en A-S, graef / graefte / penicillus, en A-S, greftas / sculptilia, en M-G, gagrefts / mandatum Caesaris, ons Gréffie, Griffie, f: exedra scribarum, Griffier, graphiarius, scriba, Gall: greffier, en Griffiën, In-griffiën, I. CL: inserere, inoculare, als mede hoe ons Graev, Grave, † Greve, H-D, graf / A-S, gerefa / greve / graef / F-TH, gravo / comes, judex, praefectus, praepositus, commentariensis, exactor, &c, zo wel hier van als van ons Graven konnen afgeleid worden, behoeft geen nader bewijs, als 't gene reeds by de I. Proeve op 't Wortel-deel GRAEV verhandelt is.

De Wortel-deelen.

GRIND, en GROND, in het- A-S, grindan en gryndan / grand (in Subj: grunde) / grunden of gronden / II. CL: 2, molere; uitmakende in onze DialectGrinden of † Grenden, † Grond, † Gegronden, II. CL: 5.

[p. 640]origineel

Tot het Wortel-deel van het Praesens het A-S, grindere / molitor; en volgens de gedaente past ook hier op ons Gréndel, † Grindel, m: F-TH, en A-S, grindel / M, H-D,grendel / pessulum, obex, ergata, vectis; waer van ons Gréndelen, I CL: H-D, grendelen / of ook uit het Praeter: gründelen / I. CL: obdere pessulum ostio vel fenestrae. Deze naem, zou ik gissen, zal allereerst toegepast zijn op zulke grendels, die men onder aen deuren en hekken maekt, om tot vastigheid van die, in den grond te schuiven, even gelijk we ook straks de benaming van Grond, uit het Praet: zullen afleiden, en gelijk ook 't gemelde H-D grendelen / uit het Prafens, en gründelen, uit het Praeter:, zig van beids hier vertoonen.

 

Dog, gelijk het malen strekt om de dingen tot gruis en stof te maken, of, gelijk de weg en 't gene 'er op legt, tot stof en slijk gemalen word, zo is met goed regt tot het Praet: betreklijk ons Grond, m: en f: Angl: ground / H-D, grund / M, A-S en Ysl: grund / F. AL: grunt / terra, fundus; en, de wijle men onder de wateren, en tot diep in de Mijnen zulke gruis-aerde ontmoet, zo is ook overdragtelijk het diepe, en al de vastigheid waer op gebouwt word, met dien naem benoemt, even gelijk van 't Latijnsche fundus fundare, & fundamentum; dus ons Grond m: & f: H-D, grund / M-G, grund / Kimbr: grunne / fundum, solum, vadum, fundamentum, profunditas; & tr: basis, substructio, & imum cujusque rei cùm materialis, tum mentalis; en Grond-véste, Grond-slag, fundamentum; Grondenaer, Grond-héér, m: dominus fundi; Grond-cyns, census feudi; GronD-sóp, faex fundi, sedimentum; Grond-lóót, bolis; en M-G, af-grunditha / by ons Af-grond, m: abyssus; AL: ab-crunte / profundum; Kimbr: o-grynne / A-S, grund-leas / by ons Grondelóós, non habens fundum, abyssus; en A-S, grundlinga / funditus; by ons Grondelyk, funditus, penitus; en Grondig, profundus, intimus; en † Grond-dief, † Grondige dief, furax natura & indole; en M-G, grundu-waddju / en A-S, grund-wealle / fundamentum; waer van het A-S, grund-weallan / I. CL: fundare; by ons Gronden, I. CL: en Grond leggen, H-D, grunden / I. CL fundare, fundum tangere; en ons † Vergronden, I. CL: Te gronde gaen, Na de grond stryken, sidere, subsidere, pessum ire; en overdragtelijk ons Gronden, I. CL: en met een Walschen staert Grondèren, I. CL: H-D, grunden / I. CL: perquirere, fundum vel fontes rei scrutari; Ysl: grunda / I. CL: meditari; als na den grond der zaken zoeken, en ons Doorgronden en † Vergronden, I. CL: H-D, durch-grunden / I. CL: perscrutari; als den grond der zaken uitvinden. Verder mede hier toe het Vlaemsche Gronden, I. CL: waden, vadum transire; en Grondagtig, vadosus; en ons Grondel, Grundel, m: H-D, gründel en gründling / M. piscis, gobius fluviatilis, vulgo fundulus; als laeg by den grond ascende en zig onthoudende, enz.

De Wortel-deelen.

GROEY en GROEN, &c, in 't Ysl: grooa / grere / grooenn / in 't Praes: eg grae / Onreg: No. 3, germinare. De terminate enn by 't Praet: Part: bewijst de oorspronkelijke Ongelijkvloeijendheid, en 't Imperf: grere zijn ongeregeld verloop: zulks dat de nette overdragt van Dialect hier op t'zoek is; zijnde egter buiten twijffel, dat onze Wortel-deelen GROEY en GROEN daer toe behooren. Eng to grow / crescere; i grew / crevi; grown / cretum.

 

Tot het Wortel-deel van den Infin: ons Groey, m: vigor, incrementum augmentum; waer van ons Groeyen, I. CL: F-TH, gruoian / I. CL: A-S, greowan / growan / I. CL: crescere, germinare, &c; en, met den uitgang SEL, ons Groeisel, n: germen; met SE, het Vlaemsche Groese, f: vigor, augmentum; en met da / het A-S graedas / gramina; en verder met den uitgang EN of N, om het soort aen te wijzen, ons Adject: Groen, † Gruen, A-S, groen / grene / graene / Ysl: graenn / Angl: green / grene / H-D, grün / viridis, & tr: nondum maturus, crudus; A-S, groes-groen / by ons Gras-groen, gramineus, herbidus, fron-

[p. 641]origineel

dens; en ons Subst: Groen, n: herba, olus, gramen; waer van ons Groenen, I. CL: F-TH, gruonan / I. CL: H-D, grünen / I. CL: virere, virescere, germinare; en ons Groente, f: Groensel, n: herba, olus, viridia gramina; A-S, grennys en grownys / viriditas; en Groen-drave, haedera; een klim-op, die 's winters ook groen blijft: en Groen-ziekte, cachexia; een quade gesteltheid, waer door ymarid groen-deluwig 'er uitziet: en Spaensch-groen, n: chalcanthum, vitriolum; een verwe vankoperroest of vitriool toebereid; en uit Spanjen veel herwaerts gezonden: en Groensel, Groenling, Groenvinke, chloris; als groen gepluimt; en Groenink, m: mali genus viride; & juvenis temerarius; gelijk ook by ons † Groense, en † Groese, caespes viridis, caespes gramineus; en ook met A, in beantwoording van de Ysl: en A-S, ae / ons † Graze, caespes viridis, caespes gramineus; en verder Ysl: grioon, N. Angl: graine / fruges; en by ons weder met AE en EI, ons Graen en † Grein, n: fruges, frugum semen, &c; indien 't Latijnsche granum, of Gall: grain, Ital: grano, slegts maegschap en geen mdeder van het onze zy.

 

In 't A-S, hebben we hier doorgaends de ae en e / in beantwoording van de Ysl: ae uit het Praes:, en de Ysl: e uit het Praeter:, gelijk ook de A in ons bovengemelde † Graze, caespes viridis, gramineus. Hier door worden we van zelf gewezen tot een gevoeglijken oorspronk van het M-G, gras / N, herba, olus, beteekenende alle moes en groente; maer in een enger zin by ons Gras, n: en, by verschuivinge van R, ook † Gars, † Gérs en † Górs, H-D, gras / N. Ysl: gras / N, F-TH, en AL;: gras en cras / A-S, graes en gaers / N, Angl: graffe / gramen; Graec: γραςιϛ vel κραςιϛ, gramen, à γραω, comedo; en Grasmussche, f: H-D, grose en grasmück / curruca; en 't Oud-Friesche gers-fallich / manus abscissa; waer van Siccama in Leg: Frision: p: 130 gedenkt, namelijk wanneer in 't vechten of andersints ymands hand zoodanig werd afgehonwen dat ze op den grond of in 't gras valle; waer toe mede verder ons † Górs, Zeelandsch Garze, f: viridis gramme ripa; en ons Grazig, ook † Garzig, gramineus, herbidus; en 't Vlaemsche Garzinge, pascua herbosa viridantia; en ons Verbum Grazen, I. CL: depascere gramina; & gramine aspergere; en A-S, grasian / I. CL: pasci; en ons Gras-boter, Grazeboter, butyrum gramineus; als van koeijen, die in 't gras te weiden gaen, en niet gelijk des Winters, met hooi gespijst worden. Grasduinen, colles sive aggeres graminosi; en daer van de spreekwijze van In grasduinen gaen, exhilari; ontleent van 't vee dat in versche grashoopen zig vermaekt, of van de kinderen die spelende zig daer in omwentelen; en Gras-angelieren, caryophyllus; als zijnde grasagtig van bladen en stelen, en dunder en kleinder dan de gewoone; en Gras-hópper, locusta, cicada; als rijkelijk in 't gras zig onthoudende; en Gras-lóók, porrum; met smalle en korte bladen als 't gras; en Gras-worm, bruchus, eruca; als het gras op-etende; en Gras-maend, mensis Aprilis; in welken het gras in kragt wederom aengroeit; en by Kiliaen vind ik ook Gras-dier, hyaena; maer dewijl 't een vreemd uitlandisch dier is, Wolf- en Vos-agtig van stal, en wreed van aerd, verscheurend en vleeschvretend, zo weet ik niet hoe 't aen dien Nederduitschen naem zou gekomen zijn, even of het by uitstek gras at, 't gene ik onder de beschrijving van dat dier nog niet gevonden heb. Wijders ook het F-TH, grast / N. gramen, & foenum; en dus de R, hier mede verschoven zijnde, schijnt ook daer uit gesproten te zijn ons Garst, Gérst, f: A-S, gerst / H-D, gärst / gerst / F. hordeum; als 't voornaemste graen en groente-gewas onzer Voorouderen, waer van hunne drank wierd toebereid.

GU.

De Wortel-deelen.

GUNN en GON, in het A-S, unnan / in Prater: uththe / in. Praes: ic an / V. CL: 6, concedere; dare, donare; en mede Ysl: unna / in Praet: unne / in Praes: eg ann / Onreg:

[p. 642]origineel

No. 2, savere, amare; en ook A-S, ge-unan / concedere. Ze hebben beiden van 't onregelmatige verloop; dog het zekere, in onze Dialect overgebragt zijnde, maekt de Wortel-deelen UN en ON, en met.GE voorop, ons Gun en Gon; en ook uit het Praes: AN; even als by ons Konnen en Kunnen, Kon, Gekonnen, in Praes: Ik kan posse, scire ook A-S, runnan / ruthe / in Praes: ic can / V. CL: 6, scire; en Ysl: kunna / kunne / in Praesens eg kann / Onreg: No. 2.

 

Uit het Praes: met den uitgang st / het M-G, anst / F-TH, en AL: anst / enst / Ysl: aast / F, gratia; en AL: ab-anst / invidia; en AL: ab-anstiker / invidens homo. In. welk an of ans ook te vinden is de beteekenis der Oud-Duitsche Namen Ans-frid / paci favens; Anserik / en met g voorop, Genserik / gratiae dives; Ans-prand / gratia fervens; enz: gelijk ook, met het zelfde regt de Gotthen hare Regenten Anfes / volgens Jornandes, noemden, even als men in onze Eeuwen de Vorsten Genadige Heeren noemt.

En mooglijk ook hier van met eene voorwerping van H, onze spreekwijze van Groote hansen, Domini praepotentes; als uitdeelers van gunst en genade. En ons † Hanse, f: societas en † Hanse-steden, civitates liberae & mutuo associatae ad mercaturam propagandam, waer van ons † Hansen, † Hénsen, I. CL: in numerum civium aut sociorum recipere & satisfacere juri societatis, schijnt hier toe mede betrekking te hebben, Vermits deze verbintenissen een onderlinge genegentheid en voorregt van gunst tot onderwerp hebben: Egter schijnt ook dit woord Hanse wel eer by 't F-TH, slegts voor een enkele verzameling of hoop volks gebruikt geweest te zijn, als F-TH, alla thia hansa / universam cohortem; Tat: Harm: p: 200. als mede in 't M-G, hansa / cohors; En uit het Vlaemsche Ver-gansen, I. CL: inaugurari societati aut collegio, blijkt dat H en G beiden als voorwerpsels te schatten zijn.

 

Maer wederom uit het Wortel-deel UN, het : A-S, unne / licentia, venia, libertas, permissio; he AL: unst / favor; gelijk ook Zw: af-und / AL: ab-unst / invidia; en met het voorvoegsel GE of G, ons. Gunnen, Gonnen, I CL: voor Ge-unnen, ook oul: † Onnen, I. CL: en in 't Vlaemsch Jonnen, I. CL: ook A-S, ge-unnan / H-D, gunnen / I. CL: favere; en Vergonnen, Vergunnen, I. CL; favere & concedere en oulinks met Ver, in een quaden zin, † Vergunnen, I. CL: invidere, malè favere; en Gunst, gonst, f: in 't Vlaemsch Jonste, H-D, gunst / F, favor, gratia; en ons Af-gunst, Wangunst, invidia; Ongunst offensio; en Gunstig, H-D, günstig / favorabilis propitius; waer van on begunstigen, I. CL: H-D, gunsten / begunsten / begunstigen / I. CL: favore complecti.

 

Dog uit AN of EN schijnt mede gesproten te kunnen zijn ons † Gént, Jént, en met den Walschen staert Gentiel, Jéntiel (de G of J op zijn Fransch uitgesproken) amabilis, concinnus, elegans, unde vulgò Gentilis, Gall: gent, gentil, Hisp: gentil, Angl: gentle en ons † Verjénten, I. CL; concinnare; hoewel het ook niet qualijk past by 't oude Gentiles, als zijnde by de Romeinen geweest de voornaemste geslachten der Patricii of Edelen.

Deze Wortel-deelen schoon eigentlijk of U behoorende, zetten we, tot gemak van 't zoeken, hier onder G, om dat die met het Wortel-deel tot eene silbe ineensmelt, en om dat onze takken nooit zonder deze G zig vertoonen.

 

1716 11/m