Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

O.

De Wortel-deelen.

ÓCH, ÓG, of UCH, in 't M-G, ogan / ohta en uhta / V. CL: 4, metuere.

Op het Wortel-deel OG of OCH past in zin en gedaente ons Och! en Ach! vah, vae, heu! Maer deze klankvorming is een zo algemeene uitroep van elk, die door eene verbaezende vreeze bevangen word, dat men met goed regt dit Óch! of Óg! voor een klanknabootsend Wortel-deel mag aenzien; in welken gevalle dit M-G, ogan voor een afgeleiden tak te houden zou zijn, die Euphonicè V. CL: 4 in steê van I. CL: geworden ware. Dog wat 'er van sy, of ons Óch van ogan kome of dit van dat, het is egter klaer genoeg, dat tot het laetste behoort het A-S, oga / terror, metus; Ysl: oogn / terror vehementissimus; en 't Kimbr: ugga / timere; en uggur / metus.

[p. 675]origineel

Maer in een ander Dialect-verloop ontmoet men ook met e en i en a het gelijk aerdige A-S, ege / egenys / egesa / egsa en egsung / AL: eniso / F-TH / egison / Ysl: iggur / M-G, agis / terror, metus, horror; waer van en waer toe het A-S, acian / on-egean / egesian / en egsian; I. CL: AL: of F-TH, egison / I. CL: M-G agjan / I. CL: 1, metum habere, terrere, timere; en M-G, us-agjan / I. CL: 1, gravi timore percuti; en in agjan / I. CL: 1, comminari; gelijk ook M-G, alstan / I. CL: 2, revereri. En, in navolging van dezelfde Dialect, mits Euphonicè El voor EG (volgens onze vijfde Dialect-regel, wegens de EI), kan ook hier uit gekomen zijn ons † Eizen, † Eisen, I. CL: voor † égsen of † Igsen, of nu meest met Y (in overeenstemming met het Ysl: iggur / metus) ons Yzen, I. CL: horrere, terrere; en † Ver-eizen, I. CL: abominari; waer toe ons Yslyk, † Eislyk, A-S, egeslice / F-TH, egeslich / terribilis; en † Yze, wonde, Sax: en Geld: Eis hulcus; en Yzenkruid, † Eizenkruid, n: verbenaca, putrida ulcera mitigans. En, om 't akelige gevaer, komt ook hier zeer toepasselijk ons Ys, n:Yze, A-S, is / isa / isé / Ysl: is / M, Angl: ice / H-D, elfz / N, glacies; waer van ons † Yzen, I. CL: glaciare, gelare; & rampere glaciem; en † Ver-yzen, I. CL: conglaciari; en Ys-vogel, alcedo, aloyon, glaciali hieme pullos excludens; & Ispida, avis circa aquarum ripas glacie conretas degens, vide Kilian:; en Ys-bóut, pyrum acidulum, post-antumnale; als een late herfst-peer, die kil en koud als ys in de maeg valt. Het Leuvensche Ys-dóp, trochus missilis; als een drijftol met welken men op het ys speelt, om een effene baen te hebben daer hy lang op draeijen kan; en Yzel, † Hyzel, m: en n: pruina glacialis; en daer van Yzelen, † Hyzelen, I. CL: pluere pruinam glacialem.

 

Dog wederkeerende tot het Wortel-deel OCH of UCH, zo schijnt ook hier toe betrekkelijk het A-S, uht / tempus matutinum, manè; en met End, den uitgang van een Particip:, agteraen, ons Ochtend, Uchtend, m: Ochtend-stond en Uchtend-stond, m: & f: tempus matutinum; en ons' Sogtends, A-S, uht-tide / M-G, uhtwo / manè, aurora; en Kimbr: ottu-stund / dilucuculum; en otta / vigilia matutina; en A-S, uhtican loffang / matutina laus; en uhtfang / laudes nocturnae; als ziende voornaemlijk op den tijd, in welken de Geestelijken hunne gewoonlijke morgen-gebeden, en Loffangen waernemen; behalven dat het ook by alle welgemanierden onder 't Kristendom een gebruik is van in den morgenstond eenige oeffening omtrent zijnen Godsdienst te onderhouden, waer van de vreeze des Heeren de grondslag is. En dewijl men deze Godsdienstigheid voor 't nuttigen van spijs en drank waerneemt, zo sproot hier uit, met een voorwerping van N, ons Nochter, Nuchter, jejunus; en transl: Een nuchter man, vir sobrius, non vino deditus; immers dit komt my alzo waerschijnlijk te voren dan de afleiding van 't Lat: nocturnum, by anderen gebruikt.

De Zakelijke Deelen.

ÓÓK, OEK en EIK, in het M-G, aukan / aiauk / aukans / IV. CL: 2, augere; Graec: ἄνξω, in Praet: ἠἠξξξξ; zijnde van die M-Gottische Classis, die op de Grieksche wijze eene gelijkaerdige voorsilb in Praeter: aenneemt; dus ook M-G, ana-aukan / IV. CL: 2, adjicere; en bi-aukan / IV. CL: 2, augere. Dog minder vervalscht komt het ons te voren in het Ysl: eik / augeo; in Praet: iook / in Infin: auka / augere; III. CL: 2.

Tot het Wortel-deel uit den Infin: ons Óók, A-S, eac / ac / AL: auh / F-TH, ouch / M-G, auk / etiam, & adde, & olim quippe, enim, sed; beteekenende in den grond zo veel als bygevoegt, daerenboven, te meerder; waer van het A-S, eacan / aecan / I, CL: AL: auchon / auhhon / I. CL: F-TH, ouh-hon / I. CL: augere; en F-TH, zuo-gi-ouh-hon / I. CL: adjicere; en 't A-S, eaca / praesidia, usura; gelijk ook A-S, aecne / foecumdus; en eacane / foetus; waer van 't A-S, eacnian / I. CL: concipere in utero.

Dog beantwoordende onze zagte O of OE (even als by 't Ysl: Praeter: iook) het Dan: og en Angl: eke / etiam, &; en 't A-S, ecan / ican / iecan / ycean / I. CL: augere;

[p. 676]origineel

het Ysl: ykia / I. CL: exaggerare; en ons † Oeken, I. CL: augere; waer van ons † Oeker, nu Woeker, m: en n: H-D, wucher / M, olim fructus, usura, faenus; nunc Usura plusquam debita; en Flandr: Woeker, usurarii taberna; F-TH, wocher / AL: wachar / N, A-S, wocor / wocre / fructus autumnalis, fruges; faenus, & usura; en daer van ons Woekeren, I. CL: faenerare olim, nunc illicitam usuram facere. Ook vind men by Kiliaen met H, in plaets van W voorop het oude Hoeker, n: faenus; waer toe het Geld: Hoeker, Hukker, m: Angl: houkester / hucster / caupo, propola; en ons Uit-heukeren, I CL: in exiguas partes distrahere merces, majoris lucri causâ. Verder het oude Geldersche † Oker nu Aker, f: glans; als de vrugt waer van de eerste Voor-ouderen leefden; dus ook M-G, akran / N. fructus; en ons Oker-noot en † Oekernoot, f: juglans, nux basilica, regia; om hare uitstekende grootheid; waer toe het ouder Vlaemsche † Okeler, m: by ons Okernotebóóm, m: arbor juglandes ferens.

Dog het Angl: oke / A-S, ac / eac / aec / quercus, waer voor wy en andren (even als by 't Ysl: Praes: eik) de EI of onze gelijkwaerdige éé hebben, als by ons Eik, éék, m: & f: H-D, eych en eik / M. Ysl: eike / F. quercus, Jovis arbor, en Ysl. eik / F, arbor, past mede hier toe, om des booms byzondere kloekheid, of ook om zijne akervrugten, waer van de Voor-ouderen bestonden, en zig niet alleen tot spijze, maer ook in den drank bedienden; waer van het A-S, ac-draenc / en ac-drinc / potus ex glandibus. Wijders van Eik, éék, komt ons Eikel, Eekel, en † Akel, m: en f: en Aker, f: Sax: ecker / glans; en Aerd-aker, f: Aerd-eekel, m: & f: bulbocastanum, terraeglandes, lathyris repens tuberosus; als mede het A-S, acwern / scirra, sciurus; van 't A-S, ar quercus en cwern / mola (by ons ook † Quérne, een handmolen), als of men zeide eikel-kraker; zijnde bekent dat de Eikhorens voornaemlijk van de akers en noten leven, en die tegens den Winter in voorraed vergaderen: waer omtrent vry wel gegrond is de gissing van Junius, dat ons Eik-horn, m: AL: eikhorn / Dan: eggern / sciurus, by eenig verloop, en Euphonicè, gekomen zy voor Eik-quern.

 

Daerenboven schijnt met den uitgang ST, ons Oegst, m: messis, voor † oekst gekomen te zijn, als een landgewin en woeker van 't veld; of met de harde óó, even als by 't Wortel-deel van den Infin: ons óógst, m: messis; van welke beiden ons óógsten, en Oegsten, I. CL: fruges colligere, Gall: aouster. Hoewel ook, met geen minder goeden schijn, dit óógst van 't Latijnsche augustus mensis, Gall: aoust, by ons óógstmaend, gelijk ook Ysl: haust / autumnus, en Ysl: haustar / I. CL: aestas adolelcit, kan afgeleid worden. Dog met ons Oegst, dewijl op de Latijnsche au onze óó past, schijnt men dan verlegen te staen, 't en ware dit door het Fransche Kanael van aoust gekomen zy geweest.

Eindeling kan ook, onder een voorwerping van N, zonder dat die eenige zin-verandering toebrengt (zie daer van onze Grondsl: II. Verhand: §. XXXIV) hier uit op een gevoeglijke wijze ontleent zijn, in den zelfden zin, als het voorgemelde toevoegend woordtje óók, etiam, ons Nóch, Nóg, M-G, nauh / nauhtau / AL: noh / nu noh / inti-noh / adbuc, etiamnum, atque, en ons Nóchmaels, etiaemnum; hebbende den uitgang CH of G, in plaets van K, even als 't AL: auch / en F-TH, ouch / etiam; &c. Dog ons Negativum Nóch, Nóchte, A-S, nocht / nocht / M-G, nih / AL: noh / nohni / indinoh / H-D, noch / nec, neque, non, komt van het oude NO, A-S, en Angl: no / non, nec, neque; met den uitgang CH of G en TE.

 

1717 9/m