Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 680]origineel

R.

RA.

De Wortel- of Zakelijke Deelen.

RAUW of ROUW of RIEUW, in het A-S, rawan / findere, infindere; en ge-raewen / segmentatus; agter de III. CL: geplaetst. Hier van zijn 'er in 't A-S, takken met eo of y / die tot het Praeter: behooren. De terminatie en in Praet: Part: bewijst dat dit Verbum onder de Ongelijkvloeijenden was; en de overeenkomst tusschen de accent-vocalen a en ae geven aen de hand, dat het van die Classis was, welke niet anders dan in Praet: Imperf: van vocaelverwisselde; zo dat volgens onze Dialect hier tegen past Rauw of Raeuw of Rouw, en uit het Praeter: Rieuw, gelijk by die van onze III. CL: 6.

 

Hier toe, onder den zin van 't ruuw-afscheuren, ons Róuw, Ruuw, en † Rauw, H-D, rauw / rudis, & asper; & tr: praeceps & immoderatus; even als 't gene van eengescheurt is; en met den uitgang ST, dog Euphonicè met agterlating van de W, ons † Roest, rudis, impolitus; & tr: praeceps, immoderatus; waer by voegt, om de rouwheid, ons † Roest, m: & f: H-D, Sic: en Angl: rost / Sax: en A-S, rust / AL: rosom / rubigo; waer van ons Roesten, I. CL: rubiginem contrahere. Verder ons Raeuw, A-S, hreaw / crudus; namelijk ongekookt, gelijk het wilde gevogelte den roosverscheurt en opvreet; en ons Raeuw, Angl: rawe / immaturus; gelijk wanneer men de vrugten, voor ze rijp zijn, al te gratig van den boom scheurt; en zo 't my toeschijnt, ook Rauweler, m: olla fictilis; om de grofheid der potten van onze pot-aerde gebakken, in tegenstelling van andere fijne aerde, als porcelein &c; en Rouw, A-S, hreow / hreowlic / crudelis; even als de verscheurvogels; wijders, gelijk men het ruuwe laken kemt en toebereid met de opkrabbende haekpunten der distel-kaerden, zo is ook hier van ons Róuwen, I. CL: rudem pannum in villos attollere; en A-S, rawe / capillamenta. En, met den uitgang CH of G, mooglijk ook hier toe, in plaets van ruwig / ons Ruig, Ruich, Sax: ruch / rho / M-G, rihs / A-S, rig / rug / ruh / Dan: rug / Angl: rough / AL: ruher / rudis, impolitus, hirsutus, asper, hispidus, villosus; en A-S, hruh / hruhge / scaber; waer van ons Ruichte, Ruigte, f: ruditas; & tesqua; & locus hispidus spinis, herbis, aut fruticibus.

 

Maer uit de zinspeling op de afzienlijkheid van het rouwe, of op 't scheuren van kleederen of uittrekken van hoofdhaeren by zware droeffenisse, schijnt niet ongevoeglijk ontleent te zijn ons Róuwe, Róuw, f: F-TH, ruowo / ruwe en riuwa / AL: hriwe / A-S, hreowe / luctus, poenitentia, dolor; en A-S, reowa / reowe / contritio; en reowlic / miser; en Róuwe, Róuw, f: funus, & pompa funebris; A-S, hrawlic / funebre; en hrywlic / funestus; en A-S, reowa / reowe / by ons Rouw-klééd, laena; dus is men al van ouds in 't rouw-dragen gewoon geweest, zig niet vrolijk nog aenminnig op te tooijen, maer met een droevig, morsig, en onoogzienlijk kleed te overdekken; en by de Oostérsche of Asiatische Volkeren, die op de uiterlijkheid der gebaerden nog meerder agt geven, had men, by groote bedroeftheid en leedwezen, 't gebruik van baerd, hairen en kleederen te rukken en te scheuren, te vasten, met een zak zig te bedekken, en 't hoofd met assche te bestrooijen, gelijk ook onze Zaligmaker hierom van Tyrus en Sidon getuigt, daf ze zig zouden in zak en assche bekeert hebben, ter zake van 't leedwezen over hare zonden, indien aldaer die wonderdaden waren geschied, als in Chorazin en Bethsaida, Matth: XI. 21, Van dit tweederhande Róuw, komt nu ons

[p. 681]origineel

Róuwen, I. CL: † Geróuwen, I. CL: poenitere; & deflere, lugere; & pullatum incedere, vestes lugubres gestare; AL: hriwon / I. CL: en A-S, hreowan / hrywan / reowsian / riowsian / hreowsian en hrywsian / I. CL: poenitere, deflere, lamentari; en ons Beróuwen, I. CL: poenitere; waer toe ons Róuw-kóóp, m: poenitudo; & tr: pretium sive mulcta rescissae emptionis; dus Róuwkóóp hébben, se poenitere emptionis; en Rouwkóóp geven, rescindere emptionem certo pretio; nog ook hier toe A-S, raew / hraew / hreaw / cadaver; en by Ons, in gelijke Dialect als by 't A-S, ons † Rééuw, † Rééuwsel, nu Brééwsel, n: by anderen ook † Freyssel, n: spuma lethalis; en daer van † Rééuwen, I. CL: cadavera curare; pollincere; & curare peste infectos.

Op dit voorgemelde afgrijslijke rouw-bedrijven past ook zeer wel, met het voorwerpsel G voorop, ons Gróuw, m: Gróuwel, Gruwel, m: horror; waer van ons Gróuwen, Gruwen, Gróuwelen, en Gruwelen, I. CL: horrere; en mooglijk ook (even als ons Grys, canus, van Gryzen, flere, & horrere), alzo ons † Gróuw, Graeuw en † Grauw, H-D, graw / Angl: graye / color cinereus, pullus, fuscus; canus; als voornaemlijk ziende op het afschouwelijke be-aschte hoofd en gewaed, waer van ons † Graeuwen, I. CL: canescere; waer toe verder ons Gróuw, Gróuwken, Graeuwken en Gróuwtken, apuaminutula, pisciculi minuti, elixatiles; en Graeuwken, asellus minor; om de graeuwigheid; en Graeuw papier, charta coloris cinerei; en 't Vla: † Graeuw-wérker, peilio; alzo 't meeste bontwerk graeuw valt; en Graeuwe monnik, monachus cinereo veste, leucophaeus, Franciscanus; hebbende die orde zulk een grof en graeuw kleed aengenomen, om dat het geringste volk in dien ouden tijd zo meest gekleed ging, gelijk ook nog het graeuw de gemeenzaemste kleur is, by de lage en slegte gemeente, vermits de slegte grove wol zonder verwen dien kleur uitlevert; waer op dan ook past ons Graeuw, n: popellus, faex plebis; als doorgaends in 't graeuw gekleed, maer daerenboven ook nog, vermids graeuwend van ommegang en levenswijze, of vermids grouwelijk als hunne woede gaende is; welk Graeuwen of † Gróuwen, I CL: procaciter lacessere, expostulate, & verbis protelare, op deze levenswijze van 't graeuw past, of anders ook uit een klanknabootsing zou konnen gesproten zijn; gelijk ook verder tot Graeuw, faex plebis, ons † Graeuw, Graeuwken, carcer plebeius. Maer, met V in plaets van W, op 't end, en in den zelfden zin als het gemelde Róuw (rudis & c:) of anders, als ziende op de grofheid van 't rouwgewaed, of op de afzienlijkheid van 't grove, schijnt ook hier te voegen ons Grove, Gróf, rudis, asper, impolitus, densus, crassius; & tr: stolidus, insulsus, hebes; en Grove stemme, vox gravis, rudis; waer van weder ons Groven, Vergroven, Vergróvven, I. CL: crascescere, ingradescere.

 

Dog wederom, in den eersten zin van kraben, afscheuren, vertoont zig mede, met eene Allemannische voorwerping van K, in steê van ons GE, ons Krauwe, Króuwe, f: vibex, incisura; zijnde een inhaking en opscheuring van 't vel door een nagel of iet ander rouws; waer van ons Krauwen, Króuwen, I. CL: scabere, scalpere, radere unguibus; & tr: harpagare; en Krauwel, m: unguis, ungula; & fuscina; als een werktuig om mede te krauwen; en Krauwstéén, n: puimsteen, pumex; alzoo men daer mede van ouds het eelt onder van de gewassene voeten afkrawde; wordende ook nog veel tot afschuering van metaelstoffen enz:, gebruikt; wijders ons Krauwsel, n: of met een Franschen basterstaert, gelijk 't eene Fransche ziekte is, Krauwagie, f: scabies, prurigo.

 

Voorts, met eene voorlassching van B in steê van BE, schijnt ook hier toe betrekkelijk, ons Braeuw, f: funis, vel stupa obsoleta, & detricata; &, defectu hujus, musci coma, ad navium commissuras reparandas; waer van ons Braeuwen I. CL: commissuras navium ferruminare, stupâ detricatâ vel musci comâ. En, of ook ons † Braeuw, † Bróuw, Wenk-braeuw, Wenk-bróuw, A-S, braewe / brewe / bruwe / H-D, brauen / braue / supercilium, van de gelijkheid aen de braeuw, of aen iets dat uitgerafelt is, ontleent

[p. 682]origineel

zy, dunkt my twijffelachtig te zijn. Desgelijks is 't ook van oude tijden af tot nu toe in gebruik geweest de zoomen van kleederen of behangsels voor een ofschik gerafelt of met rafelige franje of bont te maken, waer op dan past ons Braeuwe, Brauw, ora, extremus ambitus, ora è pelle lanata, limbus pelliceus; gelijk ook † Brauwe, area in hortis; als ziende op de franje-agtige palm-trekken in de bloemperken; en verder overdragtelijk, als ziende op al dien cierlijken opschik, mooglijk ons † Brauwe, Braeve, Braef, comptus, bellus, ornatus, unde Gall: brave; waer van weder ons † Brauwen, I. CL: ornare, comere; dog zie ook hier van by DER, in de I. Proeve.

RE.

De Wortel- of Zakelijke Deelen.

REEK, REK of RAEK en ROEK of RóCHT, in 't A-S, reccan of recan / rohte / geroht / IV. CL: curare, regere; AEstimare; enumerare, supputare & narrare; of nu in alle deze beteekenissen het A-S, reccan / recan / zig Ongelijkvloeijend vertoont, is my nog niet genoeg gebleken om te kunnen verzekeren. By ons op het Land, en in Zuid-Holland gebruikt men ook nog Raken, in Praet: Rócht, in Praet: Part: Gerócht, tangere, attingere; attinere; waer in my dunkt dat de eerste grondbeteekenis nog te bespeuren is; terwijl de andere verscheidenen, die in 't A-S, en ook in eenige takken by ons, gevonden worden, overdragtelijk daer van kunnen ontleent zijn, want ymand, die iet bezorgt, bestiert, waerdeert, rekent, en verhaelt, moet de onderlinge aengelegentheid en 't belang der dingen overwegen en verhandelen: gelijk ook de vrage, Wat raekt dat u? den zelfden zin vervat, als waer mede bekommert gy u? Wat is u daer aen gelegen?

 

In den zin van zorgen komt ons † Roek en † Ruke, f: F-TH, en AL: ruoh en ruah / cura, attentio, consideratio; waer van ons † Roeken, en in een Allem: DialectRochten, † Ruchten, I. CL: F-TH, ruorhan / I. CL: curaere, procurare, attendere, considerare, aestimare; en ons nog gebruikelijke Roekelóós en Ruekelóós, A-S, recceleas / AL: ruahhaloso / inconsiderans, temerarius, negligenter; waer van 't AL: ruah-haloson / I. CL: by ons Verroekeloozen, I. CL: negligere. Nog ook 't Zeeuwsche Roek, m: delator, lictor, praetorianus minister; als wien dat oppassen is aenbevolen. Dog ons Roekkoeken, I. CL: korren, columbarum more vocem edere; & tr: ineptè garrire, schijnt my een klanknabootsend woord te zijn.

 

Maer, gelijk de zin van beklagen over iet dat hem raekt (als by 't Zeeuwsche Roek) uit het ampt van oppassen vloeit, zo schijnt ook hier van gekomen te zijn, ons oude † Roegen, of met W voorop, ook Wroegen, I. CL: M-G, wrokjan / I. CL: 1. A-S, wregan / wreian / wroegan / I. CL: F-TH, ruogan / I. CL: H-D, rugen / rügen / I. CL: olim Accusare, & nobis nunc, Conscientiâ torqueri, morderi, vellicari; waer van het A-S, wroht / accusatio; en ons Wroeginge des gemoeds, vellicatio conscientiae; zijnde een innerlijke zorg, rekening en aenklate rakende onze eigen gemoeds gestalte: ook AL: ent-rahhon / I. CL: excusare; en M-G, frawrohjan / I. CL: 1, diffamare; als door beschuldiging in een quaden naem brengen: op welk rugtbaer maken, of anders of de gemeene achting 't oordeel en 't verhael der meeste menschen, zinnespeelt ons Gerucht, n: en † Rucht, f: en in een Allem: DialectGeruft, n: Ysl: rikte / N. ook H-D, rucht / F: en gerucht / N, fama, rumor; & olim accusatio; waer van ons Ruchtbaer, Rugtig, H-D ruchtbar en rüchtig / famosus, rumore disparsus; waer van het H-D, rüchtigen / I. CL: famam dissipare.

 

De grondbeteekenis van aengelegen zyn, en aenraken, vertoont zig in ons Raek, Attactus; waer van ons Raken, Geraken, I. CL: en Reiken, Toereiken, I. CL: AL: zuo-ke-reihhan / I. CL: attingere, attinere; en Geraektheid, f: apoplexia, sideratio; als van de hand Gods geraekt; en érgens aen geraken, conquirere aliquid; en Reiken, I. CL: Angl: rea-

[p. 683]origineel

che / A-S, raeccean / I. CL: AL: rehhan / I. CL: porrigere, extendere, & tendere; en Bereiken, I. CL: A-S, raecan / pertingere, attingere; enz. Dog in den zin van Bezorging, byeenen in orde-houding, ons † Reke, † Rake f: collectio, reparatio, instructio, dispositio, ordo, series, versus, linea; en † Gereke, Gerék, orantus, apparatus, cultus; & instrumentum, armatura, arma; en † Geréklik, decens, ornatus; probus, gravis, severus; en † Huis-gerék, n: supellex, utensiliae; en Zyn geŕak en gemak hébben, utensiliae quotidiana in promtu habere; waer mede overeenkomt ons Reekse, Reekś, f: dispositio, ordo, series; en A-S, recc / cura; en race / ratio, allegatio, tractatus; waer toe ons † Reken, I. CL: reparare, reficere, instruere, aptare; en † Ont-reken, I. CL: destruere; en † Reken, † Raken, nu Rèkenen, Inrekenen het vier, I. CL: condere sive occultare ignem cineribus; en † Raek-kuil, † Raek-dóbbe, scrobicalus in quo ignis conservatur. Voeg hier by ons Reke, Rake, en † Reike, f: A-S, racu en rechen / H-D, räche / en rechen / M, rastrum; & pecten; en Ysl: reka / F, ligo; als om de dingen te havenen, en in orde te schikken; en 't Vla: Raek-roeyen, I. CL: altercari, lites movere; zo als men nu ook zegt, elkander leelijk havenen, of hekelen; waer van ons † Reken, † Roken en Raken, I. CL: A-S, racian / I. CL: H-D, rechen / rechenen / I. CL: Angl: rake / colligere rastro, corradere, verrere, & radere humum; & gramen resectum colligere; beneffens ons Rakel en Rokel, m: Angl: rake / rastellum, & rutabulum; waer van ons Rakelen en Rokelen, I. CL: sarculare, abradere, unde Gall: racler, Angl: rake. Dog op het byeenschrapen schijnt te zien ons Rekel, m: canis rusticus, minime generosus; & tr: homo avarus, euclio: Maer 't Ysl: raekall / M, vetus enlumniator, satana, schijnt my van andren oorspronk te zijn, en te samengezet van het Ysl: kall / M. senex, en mooglijk van 't Ysl: rae / remigo; als of het een ouden roeiboef zeide. Wijders ons † Reken, H-D, rechen / collectio, series, ordo rerum; A-S racu / ratio; AL: racha / rachon / causa, res; waer van ons Rekenen, I. CL: A-S, reccan / M-G, rahnjan / ga-rahnjan / I. CL: computare, enumerare, supputare; dat is de orde en schikking der dingen beschouwen; en Toe-rekenen, I. CL: imputare; en F-TH, recking / ratio; en ons Rekening, f: Ysl: reiknungur / computatio, dica, & rationes; gelijk ook tot den zin van 't AL: racha / causa, res, te betrekken is het bovengenoemde Vla: Raek-roeyen, lites movere. En gelijk ons Vertéllen, narrare, van Téllen, numerare, ontleent is, zoo mede A-S, race / racu / bistoria; en ons † Verreik, narratio; en † Raek, eventus, casus rerum, waer van ons † Wan-raek: casus fortuitus: en ons † Geraken, I. CL: contingere, provenire, succedere; en het A-S, reccan / racegan / I. CL: narrare; F-TH, arrekan / arreckan / I. CL: exponere, interpretari; en F-TH, rechida / expositio; en ons † Verreiken, I. CL: narratione liquidè probare, exponere; en AL: chi-rahhon / ar-rahhon / I. CL: enarrare; dat is, de zaken verhandelen, zo als ze aen elkander geketent en gebeurt zijn geweest; en Verreikt van schuld, convictus debiti; en Verreikt en Uitgewonnen goed, bona in nexu, possessionemque jure data. Dog van een ander Rake, rumen, zie by WREEK, in de I. Proeve.

 

Eindelijk voegt ook by het bovengemelde Raken, † Roken, colligere rastro; & gramen resectum colligere, en Rokelen, sarculare, het A-S, hreac / meta, strues; als ziende op het byeenschikken; zoo mede ons † Roke, contr:Rók, cumulus, acervus, meta faeni; waer van de Plur: Roken nog zeer gemeen in gebruik is, als zijnde elk bekent wat het zeit, Het hooy op roken stéllen, faenum in metas struere; gelijk weder hier toe, niet alleen om de byeenvergadering, maer ook om de gelijkheid van gedaente, toepasselijk is, ons Rók, m: en Róksel, n: pensum, lanae linive manipulus colo aggestus, qui in fila carpitur; en Rókken, Spinrókken, m: f: & n: H-D, racken / spinrocken / M. Angl: rocke / colus, unde vulgò rocca, Ital: Rocca, Hisp: rueca; en daer van ons Rókken, I. CL: pensum struere, aptare colo pensum; en als gelijke form vertoonende, ons Rók, Vróuwenrók, m: amiculum ventrem imum pedesque

[p. 684]origineel

obvelans; en Rókkeling, Rókkelin, koorkleed, amiculum linteum, tunicella, apud Ecclef: vulgò Rochetum, unde Gall: en Angl: rochet, Ital: rochetto, quin etiam Gall: roquet, supparus; en verder mede, om de gelijkheid van ouds, vermits men eertijds de mans rokken zo ruim als nu een linnen kiel droeg, ons Rók, Mansrók, m: F-TH, rokche / H-D, rok / M, A-S, rocc / rooc / tunica, amiculum truncum corporis circumdans; en Graec: ομκος, pannus crassus & vilis, & vestis pannosa; en Borst-rók, m: tunica pectoralis, pectus ut lorica muniens.

RI.

De Wortel- of Zakelijke Deelen.

† RIES, RUIS of † RIER, en † ROOS of † ROOR &c, in 't A-S, hreosan / hesan en hreoran / in Praet: hreas en hrear (in Subj: u voor ea) / in Praeter: Part: gehrosen en gehroren / II. CL: 1, en ook zonder h voorop, reosan / ruere, cadere, irruere, elabi, & desolare. BY dezen komen s en r / ten einde van de accentsilb overschillig, dat meer in 't A-S gebeurt; gelijk ook by ons Kiezen en † Kieren, Verliezen en † Verlieren, enz. De onzen van de II. CL: 2 en 3, hebbende in Infin: IE en UI, en in Praeter: O, beantwoorden die van deze A-S, Classiś.

 

Tot het Wortel-deel van den Infin: is betreklijk ons † Ries, temerarius, inconsideratus, effrenus; en † Riesheid, temeritas; en † Riezen, I. CL: temerè agere; om den geweldigen of onbezonnen aenval; 't en ware dezen tot ons Wortel-deel RYS mogten behooren, alwaer wy deswegen ook gedacht hebben. Verder het A-S, hryre / ruina; waer toe het A-S, hryran / gehrysan / gehrieran / en gehryran / I. CL: movere, agitare, coagitare, nutare; M-G, reiran / I. CL: 2, movere, tremere.

En met UI, ons † Ruisch, Geruisch, n: strepitus ruinâ excitatus; waer van ons Ruisschen, I. CL: en uit het Praeter: 't Saxon: ruschen / I. CL: H-D, rauschen / I. CL: Angl: rusche / fragorem edere; & olim irruere, grassari, impetum facere; waer van ons † Ruischer, grassator; en, om 't geluid, ons Ruisch-pype, tibia utricularis; en Ruisselen, I. CL: en Ruis-muizen, I. CL: strepere, perstrepere; en Ruische, Ruisse, † Ruesche, H-D, reusche / alveus apum, unde Gall: ruche; om 't geruis der byën: en Ruissen, I. CL: catulire; 't zy om de ruischende beweging van 't heen en weerloopen, 't zy om den hevigen aenval van drift: en, met BE of B, of P voorop, zou ook ons Bruischen, I. CL: en Flandr: Pruischen, I. CL: exaestuare, strepere, & tr: lascivire, hier uit niet ongevoeglijk konnen voortgekomen zijn: dog zie daer van mede iets by BROUW, in de I. Proeve.

 

Het Praeter: met de zagte O, of hare gelijkwaerdige OE of U of EU, vertoont zig in ons Roes, m: potio immodica; als door onmatigheid den roes-drinker doende vallen, of anders om 't geruisch, geraesch en gerammel, dat de dronkaerts maken als ze eenen roes weg hebben; en Roezie, Ruzie, Ruizie, f: strepitus, altercatio, & molestia; waer mede overeenkomt het Ysl: raus / verborum prodigalitas; en ons Roeze-boezen, I. CL: excitare strepitum magnum; A-S, hrifcan / hriftlan / strepere. Verder het Saxon: rusch / en M-G, raus / en Angl: rushe / A-S, risc / en risca / en Fris: Ruisch, by ons met R, † Roer, ook AL: rorriun / Ysl: reir / arundo, juncus; vermits ruischende by de minste windbeweging; waer toe ons Rusche, Ruische, nassa, ex viminibus vel juncis contexta; en Rusch-klééd, incerniculum junceum sive linteum; en 't Geld: en Sax: Rusch-dyk, arundinetum junceum; en Ruisse, bleye, alburnus; vermits veel onder de biezen en 't riet zig onthoudende. En verder met R. ons Roer, n: Roerpype, f: rietpijpe, tubus, tubulus, & canalis; om de holligheid van 't riet: en Roer, n: Schietroer, n: Zéng-roer, n: sclopus, fistula ignivoma; en Roer-domp, m: ardea stellaris: verkeerende onder 't riet, en met zijn bek een sterk geluid makende, gelijk men ook noemt Roer-domp, m: onocrotalus, een andren breedbekkigen vogel, die mede den bek in 't water stekende een geluid maekt als 't

[p. 685]origineel

geloei van een Ezel. En, in den zin van het reetsgemelde A-S, hryran / I. CL: movere, agitare, komt niet ongevoeglijk ons † Roere, f: motus, commotio, perturbatio; waer van ons Roeren, I. CL: † Rueren, I. CL: F-TH, ruoran / I. CL: A-S, hreran / I. CL: movere, agitare; Aen-roeren, I. CL: tangere, attingere; Beroeren, I. CL: F-TH, bi-ruoran / I. CL: commovere, turbare, & attingere; en AL: chi-hruoran / I. CL: commovere; en Op-roer, n: tumultus; waer toe mede ons Roer, n: clavus, gubernaculum; om de heen- en weêr-beweging; en Roer-stichter, m: auctor, fax seditionis; en Beroerte, f: commotus tumultus, turba, & seditio; en Beroerte, Beroertheid, † Beroernisse, en † Roer, apoplexia; als doende den genen, die 't overkomt, nedervallen, met een naesleep van schuddinge der leden; en ons Roervink, m: author turbarum, homo inquietus; gelyk 'er ook een Vogeltje van dien naem is. Verder 't Geld: Roer, by ons Roering, lienteria; om de beweging in de ingewanden; en Roer-kruid, n: gnaphalion; als zeer dienstig tegen de roode loop; en Roere, † Ruere, f: esca accipitrum, quae à venatore movetur; en Roerende goederen, res mobiles, mobilia: Dog al dit Roeren schijnt ook met gelijk regt tot het Ysl: rooa / remigare, betrekkelijk te zijn; waer van we by 't volgende ROEY, in deze Pr: spreken zullen.

Uit dezen tak met S, is mooglijk mee ontleent ons Reus, Reuze, en † Rueze, m: gigas; om de geweldige beweging en den kragtigen aenval; en zo dit wel getroffen is, zou het Vriesche Ries, gigas, uit dezen tak van 't Praesens immers zo wel, als van ons Wortel-deel RYS, alwaer we 'er ook van gesproken hebben, konnen genomen geweest zijn.

Dog buiten twijffel behoort tot dit A-S, Praeter: reas / het A-S, reasan / I. CL: ruere; be-hreasan / I. CL: corruere; beneffens het gemelde Ysl: raus / verborum prodigalitas; en 't M-G: raus / arundo; gelijk ook 't H-D, rauschen / I. CL: fragorem edere.

Tot het Praeter: Partic: het A-S, hroren / delapsus; gehroren / desolatio vel potius desolatus; ofhroren / obrutus; to-hroren / destructus.

De Wortel- of Zakelijke Deelen.

RIET of RUIT, en ROOT, &c, in 't Ysl: hrioota / hraut / hrotenn / II. CL: 2, in Praes: eg hryt / cum impetu aliquo ferri; en F-TH, riuzan of riozan / rouz of ruoz / giruzan of girozan / II. CL: 2, flere, dolere, lugere, pangere. De kragtige beweging, die 't Yslandsche uitdrukt, agt ik de grondbeteekenis te zijn; en de F-TH, een overdragtelijke zinspeling op 't onmatige misbaer van sommige rouw bedrijvenden. Dit Verbum nu in onze Dialect overgebragt zijnde maekt † Rieten of † Ruiten, † Root, † Geroten, II. CL: 2 en 3.

 

Tot het Praes: met IE of UI vooreerst mooglijk ons Riet, n: arundo, juncus; als sterk door den wind geslingert en bewogen wordende; dog dewijle men hier voor met D, in plaets van T, vind het A-S, red / reod / en hreod / N, H-D, ried / Sax: reth / Angl: reede / arundo, juncus, calamus, carex, zo twijffel ik, of dit niet beter by ons Roede, virga, 't gene wy van 't volgende Wortel-deel ROEY, in deze Proeve afleiden, behooren zou; immers de zin is 'er niet tegen, en her verschil van T en D, vermits elk byzondere terminatien, hoewel van gelijken zin, vind dan daer zijn oplossing. Wijders, ziende op de snelle vervoering en overvalling van de ruitery, ons † Ruiten, I. CL: H-D, reuten / I. CL: destruere, vastare, eruere; runcare, sarculare; en 't Lovensche Ruiter, m: scarabeus cineraceus; gisse om 't afknagen van 't groen, of om 't gonzen in het vliegen: en Ruiten en rooven, praedari, populari, grassari, vastare, diripere; waer van ons Ruiter, m: H-D, reuter / M. eques, miles. Zo dat deze onze naem meer schrik als lof verdient, en 't ruiterlijke leven slegtjes afschildert: verder van dit Ruiten, transl: Ruiter, homo scitus & bellus; en Ruiters-kruid, n: sedum aquatile, militaris Aizoides, stratiotes; als by den Krijgsman veel in gebruik tot verfrissing; en Ruiters blank, elf penningen, om dat de ruiters voor haer maeltijd, uitgezondert den drank, niet meer betaelden, schoon Keizer Karel Ao. 1544

[p. 686]origineel

gestatueert had, dat een Ruiter op 't Land 2 grooten of 1 st. en in Stad 2½ groote Vlaems, dat is 1¼ st: of een braspennink geven moest: Voorts Ruiterlyk, militaris; more militum; & strenuè; & liberaliter; en ons Ruitink, machaera, gladius longus ab altera tantum parte acutus; en Ruitink, lamina gladii; als zulk een vernielend krijgsgeweer; gelijk ook, om de wonden daer van komende, uit het Praeter:, het A-S, rotung / ulcus.

 

Op de sterke beweging past ook, uit het Praeter: met O of U, het Ysl: tot / N, ictus; en rutur / hrutur / aries; en A-S, rot-hund / molossus; en ons Rótte, Ratte, m: mus major; hoewel dit met A, ruim zo wel voegt by ons RYT, in de I. Pr:; en mooglijk ook ons Rótse, † Rootse, † Roetse, † Rutse, f: rupes, Gall: roche; als waer van men ligtelijk, om hare brokkelige steilte, van boven af geworpen word; welke zin ook heerscht in 't daer van afgeleide VerbumRótsen, † Rutsen, I. CL: labi, prolabi. Wijders, gelijk de menschen by groote blijdschap woelig en sterk van beweging worden, zo voegt ook hier toe het A-S, rott / hilaris; en rotlice / hilariter; en uit het Praes: ons Ruiten, I. CL: modulari, garrire more avium; en wederom uit het Praeter: ons Rotel, m: crepitaculum; als passende by dat gewoel en geraes; waer van ons Rotelen, Reutelen, I. CL: garrire, movere aut quatere cum sonitu, crepitare; en, dewijl die vrolijkheid makkers begeert, of anders ziende op de Ruiterlijke benden of op 't sterke of hevige gewoel, ons Rót, n:Rote, f: grex hominum; & turma militum, decuria; waer van het Wals-Vraemsche Conrote, multitudo, congregatio, frequentia hominum; en ons Rótgezél, n: contubernalis; Rótmééster, m: dux militum, ductor ordinum; & decanus, decurio; waer van ons Rótten, Samen-rótten, I. CL: congregari, colligi in contubernia; en met een Walschen staert Róttèyen, I. CL: concursare, pervagari terras.

 

Dog van droevigen uitzicht zijn 'er takken, even als by de F-TH, beteekenis, daer de jammerzang doorsteekt: als A-S, ret / tristis; beantwoordende de A-S, e / ook onze OE: en Ysl: rot / N, deliquium animi; en ons † Rotel, Reutel, f: grunnitus ac reciprocus moribundi sonitus; waer van ons † Rotelen, Reutelen, I. CL: grunnire, murmillare ut moribundi.

 

We hebben ook wel de Zakelijke Deelen Rót, Roet en Root, in ons Rót, n: Ysl: rot / A-S, rot / putredo, marcor, caries; en 't Adj: Rót, putris; en ons Rótte, Rootte, fossa in qua linum maceratur; waer van ons Rótten, I. CL: A-S, rotan / rotian / I. CL: Angl: rotte / putrescere; en ons Rótten, Roten, I. CL: macerare linum, ut comprutescat cordex; en verder ons Roet, n: H-D, rusz / fuligo; A-S, hrot / sordes, colluvies; aller welker gedaentens net genoeg op dezen stam vlijen: Dog de overeenkomst van zin weet ik nog niet ongewrongen uit te vinden; de naeste neem ik uit het Ysl: rot / deliquium animi; om dat ook het rottende in gestalte bezwijkt en vervalt; of anders uit de zinspelinge op de vuiligheid en drek, waer mede wel eer de misbaermakenden harerouw-kleederen mogten bemorsen, om de F-TH, beteekenis van het rouw-bedrijven: ondertusschen behoort tot Roet, fuligo, ons Roetaerd, m: pica glandaria, garrulus; om zijn roet-koleurige borst; gelijk weder hier van, om 't gesnater van dit soort van Exters, ons Roetaerden, I. CL: garrire instar graculi, obstrepere; & tr: inania profundere verba.

Wijders, in den eersten zin van kragtige beweging, vertoont zig insgelijks, dog met V of W voorop, ons Vroeten, Wroeten, I. CL: suffodere rostro humum, scrutari rostro; & tr: operosè in aliqua re versari; welke beteekenis veel gemeenschap heeft met het reetsgemelde † Ruiten, runcare, sarculare; gelijk ook A-S, wrotan / I. CL: subigere, versare rostro.

De Wortel- of Zaek-deelen.

RYN en RÉÉN of REIN, in 't A-S, rinan en hrinan / ran en hran / gerinen en hrinen / III. CL: 1, tangere; zoo mede A-S, gerinan en gehrinan / III. CL: 1, tangere; en gerinan / III. CL: 1, contingere;

[p. 687]origineel

en on-hrinan en aet-hrinan / III. CL: 1, attingere; 't gene in onze Dialect maekte † Rynen, † Réén of † Rein, † Gerenen, II. CL: 1.

Tot het Wortel-deel van den Infinit:, of anders het A-S, Praeter Subj:, want dit voermede meê de i / het A-S, hrine en hrinesesse / tactus.

Tot het oude Praeter: met EI of éé het Geldersche, Saxon: en ons † Rein, † Réén, m: H-D, rain / M. limes, terminus, confinium; als de afscheiding alwaer de Landen of Landerijen van verscheiden eigendom of gebied elkander aenraken; en † Réénbóóm, Saxon: reinboom / arbor terminalis, finalis; en Rééngenóót, m: conterminus, confinis in agris; en Réén-stéén, m: lapis terminalis; en daer van † Reenen, I. CL: conterminum esse, & terminum constituere.

Ook mag men dunkt my eenigsints hier toe betrekken, ons Rein, † Réén en † Reinig, M-G, hrains / Kimbr: en Ysl: hreinn / F-TH, en AL: rein en hrein / A-S, en H-D, rein / purus, mundus, castus; vermits onbesmet, en dat van de Heiligsten mag aengeraekt worden; waer van ons Reinigen, I. CL: M-G hrainjan / gahrainjan / I. CL: 1. F-TH, reynon / ge-reynan / I. CL: H-D, reinigen / I. CL: mundare, purificare, purgare, & expiare; en AL: hreinan / I. CL: castigare; en un-hreinan / I. CL: violare; en uit een tak van 't Praes: het A-S, hrinan / I. CL: ornare; dog weder uit het Praeter: ons Reinsch, purus, sincerus, absque dolo; en ons Rein-varen, n: H-D, rein-farn / parthenium mas; als heilzaem geschat om de ingewanden van wormen te reinigen, en Rein-wilge, Rein-weide, ligustrum; als tot reiniging van den mond, waerom het ook mondhout heet; en Rein-bloem, eliochryson; vermits openend en reinigend; en Rein-beziën, Angl: reinberries / spina infectoria, rhamnus catharticus, solutivus Recentiorum; om haer zuiverende en ontbindende kragt. Van welk Rein we ook iets gemeld hebben by ons RYG, in de I. Proeve.

De Wortel- of Zaek-deelen.

RIND, RAND of ROND, in 't Ysl: hrinda / in Praet: Euphon: hratt (voor hrand) in Plur: hrundum; en volgens de anderen van die Classis in Praet: Part: hrundenn / II. CL: 3, pellere, propellere. Dit Euphon: verloop van att voor and in 't Praeter: heeft ook plaets by 't Ysl: binda / batt (voor band) bundenn / II. CL: 3, ligare; en zoo nog meer anderen by die Classis nae te zien. Het A-S, hrendan / lacerare, en rendan / succidere, en hrond sparwa / passeris genus, geven wel uit de gedaente eenigen schijn, of dit A-S, Verbum ook Ongelijkvloeijend geweest zy; dog 't zou zekerder wezen, als de beteekenis van het A-S, hrond-sparwa ons netter beschreven was; en andere voorbeelden tot vervullinge van dat gebrek ontberen my.

Om het geweldig aenstooten en toedringen van stier, koe, of os, zou hier uit konnen ontleent geweest zijn onze geslachtnaem Rind en Rund, n: H-D, rind / Taurus, bos, & vacca; waer toe Rind-, Rund- en Flandr: Rénd-vléésch, caro bubula; dog zie ook hier van by ons REN, in de I. Proeve.

Met het Praeter: Rand komt in gedaente overeen ons † Rand uit hébben, en † Randen, I. CL: immittere institutum opus, supersedere opere; als of het zeggen wilde, zijn werk den schop geven, om te gaen rinkelroyen, gelijk ook op dien zin past het Vlaemsche Randen, I. CL: nugari, ineptire; & insanire, delirare; en † Randuinen, I. CL: currere cum impetu, effusè vel confusè currere, unde Gall: Randonner; en nog allernetst met den Yslandschen zin gelijkvormig ons Ymand aen-randen, I. CL: aggredi, invadere, impetere, lacerare aliquem; gelijk ook met SCH voorop, by 't gemelde A-S, hrendan / lacerare, past ons † Schrandse, f: fractio, comminutio, ruptura, scissura; en daer van Schrandsen, Schrantsen, I. CL: olim frangere, frendere, rumpere; dentibus frangere; nunc heluari; en ziende op de scherpe punten van 't hakige paelwerk by de schantsen, het Vlaemsche Schrant-

[p. 688]origineel

se, f: munimentum, vallum; en daer van 't Vlaemsche Schrantsen, I. CL: emunire; als mede om de scherpzinnigheid het Geld: en Fris: Schrand by ons Schrander, acer, subtilis, ingenio acutus. Dog van deze takken met Rand zie ook by ons Wortel-deel REN, in de I. Proeve.

 

Met SCH voorop (zie onze Grondslags II. Verhand: §. XXIX) schijnt vry wel te sluiten op de beteekenis van het A-S, hrendan / lacerare, ons † Schrinde, † Schrunde, † Schronde, f: rima; waer van † Schrinden, † Schronden, I. CL: rimas agere, findi.

 

En wederom op den zin van aendryven, met een voorlassinge van ST (zie daer van by onze Grondsl: II. Verhand: §. XXX) mooglijk mede ons Strand, m: f: & n: H-D, strand / M. A-S, strand / streond / Angl: strand / Ysl: strønd. F, litus, litoris ora, acta; naemlijk de landzoom waer op de dingen uit zee worden aengeworpen; ook noemt men aen eene Rivier het Strand die zijde aen welke, van wegens de kromte, de winst en aenspoeling van grond komt, terwijl de andere zyde daer hy steil afneemt het Schoorland genaemt word. Zie Simon Stevins Wiskonstige werken, I. Deel in zyn Eertklootschrifts 2 boek, elfde Voorstel, p: 64: gelijk ook in dien zin ons Stranden, I. CL: H-D, stranden / I. CL: appellere ad littoris oram, & facere naufragium. Hoewel insgelijks ST, gevoegt zijnde voor ons Rand, margo, gelijk ik zulks by ons Wortel-deel REN gedaen heb, mede geen quaden zin oplevert.

De Wortel- of Zaek-deelen.

RING en RANG of RONG, in 't A-S, ringan (hringan) / rang (en hrang) / rungen (en hrungen) / II. CL: 2, tinnire, sonare, campanare, pulsare; Angl: to ring / rang rung / pulsare.

'T is twijffelachtig of niet ons Ring, m: Rink, m: H-D, ring / M, Angl: rynge / annulus, circulus, enz: ook hier uit gesproten zy, vermits weleer tot rammeling in gebruik, en ook nog wel op vele plaetsen aen de deuren voor kloppers of schelle verstrekkende: hoewel de beteekenis van hare gedaente en omloop zig beter vlijt met onzen stamwortel REN, RIN, by 't welke wy daer van mede gesproken hebben. Dog ook voeren de platte en hoekige snippels van blik, met een spijkergat doorslagen, by ons den naem van Ringkel, Rinkel, m: bracteae ramentum, op welker gedaente de zin van omloop niet te pas komt; maer, haer rammelgeluid, om welks wille de kinderen hunne hoepels daer mede beslaen, maekt hen eigen voor dezen stam: gelijk ook ons † Ringkel, † Rinkel, m: nola, tintinnabulum, crotalum, crepitaculum; waer van ons Rinkel-royen, I. CL: discurrere cum crotalis, nolis, crembalis aut annulis; als mede ons † Ringen, I. CL: Ringelen, I. CL: sonare, pulsare, tinnire. Van een verder Ring, Gering en Omringen &c, zie by REN, in de I. Pr:, en van † Ringer, luctator, en Ringplaets, palaestra, zie by VRING, mede in de I. Pr.

Tot het Praeter: mooglijk ons Ronge, f: trabale; de balk die 't voorste en agterste deel van den wagen aeneen verbind, als ziende op de kopere rammelschalen by de Landwagens onder aen dien balk gehecht.

RO.

De Wortel- of Zaek-deelen.

ROEY en ROER, in 't Ysl: rooa / in Praet: rere / in Praet: Part: rooenn / Onreg: No. 3, remigare; in 't Praes: eg rae. In 't A-S, rewan / rowan / remigare; en rownesse / en rowutte / navigium; dog van welke Classis dit A-S, geweest zy, is my nog niet gebleken.

Hier toe vooreerst het Ysl: rooa / cauda; als waer mede de visschen, vogels en andere gediertens zig bestieren in hare beweging. Voorts wanneer de accentsilb, gelijk hier by 't Ysl: roo / geen vaste consonant agter zig heeft, komt welluidenshalven gewoonlijk by Ons de D of Y, en by 't A-S, de w of th / of d / die plaets te vervullen; dus vind men

[p. 689]origineel

't ook by deze takken, als A-S, hroth / commotio; met th agteraen, en de grondbeteekenis van 't roeijen, namelijk de beweging, vervattende; en A-S, rod / rode / crux; een roede of staf tot stut en bestier: en, om de gelijkheid der gedaente tusschen den wandelstaf met een dwars handvat en tusschen het kruis, zo vind men ook in 't A-S, rod-galgan / crux, patibulum; en rode-hengenne / patibulum; en rod-tacn / crucis signum; dog ziende op de oogschijnlijke gestadige beweging of op 't bestier van het gestarnte des Hemels, het A-S, rodor / rodore / firmamentum, olympus; en rodorlic / coelistis. Voorts ons Roede, Roe, f: H-D, rute / ruthe / Sax: rode / Angl: rodde / virga, radius; als 't eerste werktuig om te roeijen of bewegen; en, vermits ook gebruikt tot straf-oeffening en ontzag, ons Roede, Roe, f: flagellum, verbera; waer toe het Brab: Roe- of Roede- of Roey-paerd, n: equus sinister in curru; mooglijk om dat men met de roede of zweep daer agter zit: en in een beschaefder gedaente ons Roede, Roe, virga, sceptrum imperii, & Justitiae signum; De Roode roe, Quaestor, Praetor rerum capitalium qui rubram virgam gerere solet; en Roe-drager, apparitor, qui Senatorum mandata ad alios transfert, cui moris erat gestare virgas; op welke overdragtelijk past ons † Roeden, † Roden, † Roeyen, † Royen, Uitroeden, Uitroeyen, en Uitroyen, I. CL:, en met een Walschen staert Royeren, I. CL: Saxon: roden / I. CL: extirpare, delere, expungere; als of 't zeide met de roede verdrijven, en AL: ur-riutto / exstirpator; mitsgaders Oproyen, † Oproden, ook met UI, Opruyen, I. CL: impellere, instigare; als of 't ware, met de roede aendrijven. Maer 't waren ook afgedeelde roeden, waer mede men de akkers en de inhouden van 't vaetwerk afmat, en daer van Roede, Roe, f: virga geometrorum decempeda, qua agros, & radius quo dolia metiuntur; waer van ons Roeden, Roeyen, † Roden, Royen, I. CL: radio sive virga capacitatem dolii tentare; en Royen, I. CL: mensurare; & tr: oculos in scopum intendere; en Rooy-mééster, Roedmééster, m: erfscheider, AEdilis. Nog ook overdragtelijk van ons Roede (virga) ons Roede, † Rode, f: virga virilis, penis; waer uit ontleent schijnt ons † Rode, Reude, Reu, m: canis mas; en daer van † Roden, † Reuden, † Royen, I. CL: catulire; pervagare terras; en Rinkel-royen, I. CL: circumcursitare & personare consussis nolis. Eindelink in den bezonderen zin, als by 't Ysl: ons † Roede, † Roey, f: riem, remus, tonsa, instrumentum quo navis agitur; waer van ons † Roeden, Roeyen, I. CL: A-S, rowan / rewan / Angl: rowe / remigare, remum agere; en daer toe ons Roeyer, † Roeder, m: Angl: rower / A-S, rothra / H-D, ruder-knecht / M, remex; en ons † Roeder, riem, H-D, ruder / A-S, rother / rothor / Ysl: roodur / Angl: rudder / remus; en ons † Roeder, m: nu Roêr, n: H-D, ruder / Sax: roder / Angl: rother / roder / clavus, gubernaculum; by welk Roer de R agteraen natuerlijk komt, welke 't Ysl: Praeter: rere niet dan by verloop gekregen heeft. En, aengezien dit Roer alleenlijk dient om te bewegen, en den voortgang te bestieren, zo kan even zo gevoeglijk hier van, als van 't vorige Wortel-deel † RIER worden afgeleid, ons Roeren, † Rueren, I. CL: movere, agitare; neffens ons Beroeren, Aenroeren, en de verdere Takken by 't vorige RIER of RIES bygebragt.

 

Wijders voegt by dezen stam nog ruim zo wel, als by 't vorige RIET, om redenen aldaer gemeld, ons Riet, n: A-S, hreod / reod / red / N. Sax:reth / H-D, ried / N. Angl: reede / arundo, calamus, juncus, carex; hebbende by ons den uitgang T, dog by de anderen de D, die van gelijke beteekenis is: En gelijk IE en UI gelijkstammig zijn, zo past de IE in dezen alzo wel by dezen stam als het voorgenoemde Opruiden. Ondertusschen komt deze gedaente van 't woord Riet, voornaemlijk als men D voor T neemt, zeer nae overeen met die van 't vorige Roede, even gelijk ook de zin by elkander gelijkt, het zy men zie op de gedaente van een roede, en die van 't riet, 't zy op de beweging. Verder hier toe ons Riet-kólve, Rietdódde, typha; als op een stevige rietsteel staende, Rietpype, calamus; Rietspiere, balbus arundinis; en Riet-meeze, parus palustris; Riet-musch, passer arundinaceus; Riet-snép, perdix cannitia; en

[p. 690]origineel

Riet-vórsch, calamita; als kiezende deze beestjes haer verblijf in 't riet te nemen; en Riet-peer, pyrum testaceum; zo ik vermoede, of om de graeuwe riet-koleur, of om de samentrekking, smakende iets na 't gene men door riet zuigt.

Maer de UI, by 't voorgemelde Opruyen voor Oproyen, doet my ook vermoeden, of niet Ruye voor Roeye (radius) gegolden hebbe; en dat alzoo, vermits men de ligtglazen in de vensters tusschen yzere of houtene roeden, kruis- of tralie-wijzig gevlogten, inzet, hier van met de terminatie TE, om 't generael te verbeelden, ontleent zy ons Ruite, f: tessella vitrea; rhombus; & figura quadrata; beteekenende ook het vierkante roede-spansel, dog voornamelijk het glas dat 'er in staet, gelijk mede overdragtelijk alle ruitwijzige figuer dien naem voert.

RU.

De Wortel- of Zaek-deelen.

RUY en RUIN, &c, in het Kimbr: en Ysl: rya / eruere, evellere; in Praet: Partic: ruinn / evulsus; en runing / evulsio; 't welk te vinden is in de Voorreden van de Edda Islandorum.

Eerstelijk vind men in dezen zin ook nog by Kiliaen ons † Ruyen, ruere, eruere, jacere.

Ten andere past op een tak met N agteraen, even als het Praet: Part: ruinn (evulsus), ons Ruin, equus castratus, cantherius; en daer van weder ons Ruinen, I. CL: castrare, evirare, emasculare; als ziende op de berooving. Gelijk ook wijders (dewijl men in de eerste oude tijden de letteren by inrijving of uitrijving maekte, waerom ook al de benamingen van schrijven, van diergelijke stammen ontleent zijn) zo wel tot dit Praet: Partic: als tot dat van ons REN by de I. Proeve kan betrokken worden het Kimbr: runar / vetus litteratura, item magia; en Ysl: run / F-TH, runstaba / A-S, runstafas / Kimbr: runa / occulti caracteres, Euglogiae, & incantationes; en ziende op de bygeloovige verborgene kragten, die men aen sommige letters en woorden, toe-schreef, en op 't bygaende mompelen der tooverzangen, ook daer toe het M-G, runa / F-TH, runa / A-S, rune / run / mysterium; en F-TH, en AL: geruni en caruni / A-S, geryne / mysteria; en daer van 't AL: runen / I. CL: A-S, runian / I. CL: en ons en 't Geld: † Reunen, † Ruenen, † Ruinen en † Roenen, I. CL: obscuro murmure aliquid loqui, susurrare, & incantare; en ons † Ruiner, AL: runazzari / susurro. Waer van verder te zien is by ons REN, in de I. Proeve.

De Wortel- of Zaek-deelen.

† RUIM, ROEM, ROM of RUM, in 't Ysl: rym / submissam & raucam vocem edo; in Praeter: ruinde / IV. CL: 2, zijnde van die verloopene soort, welker verwisseling van vocael ons van de oude Ongelijkvloeijendheid, en welks uitgang de in Praeter: van 't verloop berigt geeft. Waer tegen 't naeste past een Verbum van Ons uit de II. CL: 2 of 3, met UI of IE in Infin:, en met O in Praeter:, of met hare gelijkwaerdige OE of U: gelijk in 't A-S zig takken vertoonen met eo of y / die ook onze IE of UI, en met ea / die onze óó uit het oude Praeter: beantwoorden.

Dus A-S, reomend / mussitans; en hryman en ryman / I. CL: clamare; en hream / clamatio, ejulatio; en by ons Rommele, trochus; mooglijk om 't gonsgeluid: en Rommel, m: strepitus raucus, bombus; Ital: rombo; waer van ons Rommelen, I. CL: strepitum edere gravem, insonare, turbare; en Rom-bóut, f: libella, mordella; ook koorn-bouten genaemt, een soort van puiste-bijters, uit een watergewormte voortkomende, hebbende harde koppen, en scherpe tanden, en makende, als men ze wat te hard drukt of nijpt, eenig piepend geluid.

En met B, in steê van BE voorop, ons Brom, m: clangor gravis; en 't Geldersche en Sax: Brummen, Brummelen, I. CL: rugire, mugire; en by Ons † Broemen, nu meest Brommen, I. CL: clangorem edere gravem; & tr: parasitari. En, in gelijke overdragt van zin, zonder 't voorvoegsel B,

[p. 691]origineel

ons Roemen, I. CL: AL: hruoman / I. CL: parasitari; ostentare, gloriari; waer toe ons Roem, m: F-TH, ruom / M, AL: ruam / H-D, ruhm / M, gloria, jactantia; en Roemer, m: jactator; maer ook, zo 't my toeschijnt, ons Roemer, † Romer, m: calix, vas potorium; vermits onder den beker het roemen vlot gaet: of mooglijk hebben de kleine en gemeene roemers haren naem van de groote ontleent, die de drinkhelden uit ydelen roem elkander toebrengen.

Dog met eene voorlasschinge van T (waer van zie in onze Grondsl: II. Verhand: §. XXX) vind men ook het bromgeluid aengewezen in ons Trommel, m: H-D, trummel / A-S, drum / Angl: drumme / tympanum; waer van ons Trommelen, I. CL: tympanizare; en Trompe, f: H-D, tromme / F-TH, drumbo / trumbo / tuba, cornu venatorium; en F-TH, trumbare / tibicen; waer van ons † Trompen, canere tuba; & modulari crembalo; zoo mede Trompètte, f: H-D, trommette / trompete / Angl: trumpet / tuba bellica; waer van ons Trompètten, I. CL: H-D, trommetten / trompeten / I. CL: tubâ canere, clangere. En uit de overeenstemming van gedaente ons Trompe, f: Olijfants-snoet, proboscis; gelijk mede, om het trompettig geluid dat men met de neus kan maken, ons Tromp, nasus hominis; waer uit wederom overdragtelijk, als zinspelende op de spreekwijze van ymand by den neus te leiden, ons † Trompe, f: fallacia; en daer van ons Trompen verkoopen, † Trompen, Betrompen, I. CL: fallere, dare verba, fallaciis circumvenire, unde vulgò Trompare, Gall: tromper; alle welken nog ruim zo wel met dezen stamboom vlijen als met het vorige DRYM, alwaer 'er ook van te zien is.

Eindeling, met een voorlasch van G, in steê van GE, past ook hier toe ons Grommen, Grommelen, I. CL: en met een AL: Dialect Krummelen, I. CL: grunnire, murmurare, mutire, unde Gall: gromeler.

De Wortel- en Zaek-deelen.

RUK en ROK &c, in 't Ysl: hrøck / cum impetu quodam moveor; in Praet: Indi: hrøck / en in Praet: Part: hrøcktur / zijnde onder de Ongeregelden No. 4, welks verloop uit deze voorbeelden niet is op te maken, waerom dit alleen voor een aenwijzing van ons RUK en ROK kan verstrekken, hoewel ook het Ysl: hrekia / hrakte / hrakenn / IV. CL: jactare, in zin en gedaente hier mede vry wat gemeenschap heeft, 't gene ik egter by ons Wortel-deel WREEK voege.

Dus dan hier toe ons Ruk, m: H-D, ruck / M, attractus cum impetu quodam; waer van ons Rukken, I. CL: H-D, rücken / I. CL: movere & trahere cum quodam impetu; en † Rókken en † Oprukken, nu Rókkenen, Op-rókkenen, I. CL: instigare; en Rókvink, auctor turbarum; en Ruk-aerzen, I. CL: clunagitare, clunes movere; en Verrukken, I. CL: movere, vel dimovere loco, divellere, avellere, & luxare; en Op-rukken, I. CL: sustollere cum impetu; A-S, hreconlic / reconlic / citò; als of 't ware met een ruk. Maer dewijl dit Ysl: Verbum zo Ongeregelt is, dat 'er geen zekere oude Ongelijkvloeijendheid uit te besluiten is, zo twijffel ik of niet zo wel het Ysl: als 't Onze tot ons Wortel-deel van TREKKEN, TROK, GETROKKEN, mogte behooren, zie verder by TREK, in de I. Proeve.

 

1717 11/m