Voor je ligt een literatuurkatern met enkele 18e-eeuwse teksten die gemeenschappelijk hebben dat ze over hetzelfde onderwerp gaan: de negerslaverij, waarin ook Nederland in het verleden zijn aandeel heeft gehad.
Je zult je misschien afvragen waarom we hier slavernij bespreken aan de hand van twee historische teksten die op het eerste gezicht, ook door het andere taalgebruik, nogal ver van ons af lijken te staan, terwijl er toch zoveel andere, moderne literatuur over bestaat die ons over 't algemeen meer aanspreekt en als ‘mooier’, ‘leuker’ of ‘gemakkelijker’ ervaren wordt. Toch kun je wel degelijk iets aan deze teksten hebben. Ze laten je zien hoe mensen twee eeuwen geleden over de onderdrukking van hun medemensen dachten. Door de opvattingen van toen te vergelijken met die van nu krijg je misschien een duidelijker inzicht in de vraag hoe onze tijd en onze ideeën zich ontwikkeld hebben tot dat wat ze nu zijn, wat er veranderd is en of er wel zoveel veranderd is.
Slavernij als instelling is namelijk wel verdwenen, maar de problemen van rassenhaat, discriminatie, vooroordeel zijn nog steeds aan de orde van de dag. Het verband tussen slavernij en racisme is in de geschiedenis altijd erg nauw geweest: alle slaven die de Spanjaarden, Portugezen, Engelsen, Fransen en Hollanders in Amerika, Azië en Afrika er sinds de 16e eeuw op nahielden, hadden een donkere huidskleur. De scheidslijn tussen slaaf en meester liep meestal in de geschiedenis parallel aan die tussen blank en ‘gekleurd’. In de teksten kom je enkele argumenten tegen waarmee de blanken van toen hun superioriteit verdedigden. Sommige ervan worden ook nu nog gebruikt, bijvoorbeeld in de apartheidspolitiek van Zuid-Afrika, die tegen gelijke rechten voor blank en zwart gericht is.
Terug naar de teksten.
Een ervan is een gedicht dat geschreven werd door de Amsterdamse koopman-dichter Paul François Roos (1751-1805) die zich in Suriname gevestigd had en daar op een van de honderden Nederlandse plantages de baas was over een aantal slaven. Hij beschouwde Suriname als zijn tweede vaderland, waarvan hij 't eeuwig tropische groen voor geen goud meer zou willen ruilen voor de kale Hollandse wintertakken. Als planter kon je in Suriname het leven leiden van een vorst; Roos had het er best naar zijn zin en dat is dan ook duidelijk uit zijn gedichten op te maken. Je kunt je hem voorstellen als iemand die, genoeglijk een pijpje rokend, geniet van de zorgen waarmee zijn slaven en slavinnen hem omringen, terwijl hij ondertussen berekent hoeveel winst de suikeroogst hem deze keer weer zal opleveren. Dat zijn fortuin, net als dat van vele andere Hollandse planters in Suriname, over de ruggen van de slaven werd gemaakt, dat dezen aan hun werk niets anders overhielden dan mishandeling en onderdrukking, kom je in dit gedicht niet tegen. Wél een visie op de
slavernij die duidelijk bepaald werd door de machtspositie van Roos in de koloniale samenleving: de slaaf heeft het er zo slecht nog niet. Roos laat - heel gewiekst - in het gedicht Myn Neger-Jongen Cicero een slaaf zélf deze mening verkondigen.
De tweede tekst in dit katern geeft een heel andere kijk op slavernij. Het is een zogenaamd ‘spectatoriaal vertoog’ uit 1764. In de 18e eeuw bestonden er verschillende soorten tijdschriften, waar de spectator er een van was. In hoofdstuk 3 gaan we hier dieper op in. Het is een brief van de neger Kakera Akotie die door een Hollands slavenschip vanaf de kust van Guinea in Afrika ontvoerd is en in ‘America’ (en dat kan Zuid-, Midden-, of Noord-Amerika geweest zijn) als slaaf werd verkocht. Of de brief echt door hem zelf is geschreven, laten we hier even in het midden. Kakera Akotie schrijft aan zijn broer over de onmenselijke behandeling die hij, en allen die als slaaf door de blanke Europeanen uit Afrika weggevoerd worden, moeten ondergaan. Zijn verhaal is in feite één grote aanklacht tegen de slavernij.
Twee teksten over slavernij, geschreven vanuit een zelfde standpunt: dat van de slaaf zelf, die over zijn ervaringen vertelt. Maar... twee zeer verschillende visies op hetzelfde onderwerp. De negerjongen Cicero en Kakera Akotie, en hun geestelijke vaders Paul François Roos en de schrijver van de spectator, staan hier lijnrecht tegenover elkaar.
Hoe kwamen ze tot hun visie? Welke boodschap wilden de schrijvers uitdragen, waarom en aan wie? In welke vorm verpakten ze die boodschap en hoe was de situatie in de 18e-eeuwse Nederlandse, maar vooral Surinaamse samenleving waar deze betrekking op had? Hoe kwamen de Nederlanders eigenlijk in Suriname terecht? Dit zijn de vragen die we in dit tekstboek aan de orde willen stellen, vragen die te maken hebben met vorm en inhoud, met literatuur en samenleving. Of je overal een pasklaar antwoord op zult vinden is een tweede. Probeer in ieder geval tijdens het lezen ook je eigen vraagtekens te plaatsen!
Iets over de indeling van dit boek.
In hoofdstuk 1 staan de teksten. De betekenis van woorden die bij het lezen moeilijkheden zouden kunnen opleveren, staat ernaast. Woorden en zinnen die een uitgebreider commentaar nodig hebben, zijn aangegeven met een *; dat commentaar vind je dan onder de tekst. Het zal duidelijk zijn dat 18e-eeuwers anders schreven en spelden dan wij tegenwoordig. In de teksten vind je bijvoorbeeld een s geschreven als s, maar ook als ʃ !
Hierna volgt wat meer achtergrondinformatie over de onderwerpen die met de tekster in verband staan, zodat je ze beter kunt begrijpen. Zo geven de hoofdstukken 2 en 3 letterkundige informatie over de kolonistenpoëzie en de spectators. Je kunt daar bijvoorbeeld ir lezen dat de manier waarop het onderwerp aan de lezers werd gepresenteerd veel te maker had met de literaire spelregels die toen golden.
Hoofdstuk 4 geeft informatie over de werkelijkheid achter de teksten, een historisch, overi gens nogal treurigmakend uitstapje naar de Surinaamse slavenmaatschappij, waardoor za ken in de tekst duidelijker kunnen worden, maar waardoor je waarschijnlijk ook een bete oordeel kunt geven over de bedoeling die de schrijvers hadden.
Werktips, vragen en opdrachten vind je tenslotte in hoofdstuk 5.