terug  begin  verderprepost
[p. 70]

Het leven een hangmat
(over Trudi Guda, Vogel op het licht)

Bij de titel van Trudi Guda's tweede dichtbundel, Vogel op het licht, komt de lezer een beeld voor ogen van iets zwevends, iets licht, iets geluidloos. Een vogel die in de lucht drijft, onhoorbaar. Van de wind merkt men niets, er is alleen een ruimte van licht en daarin die vogel. Een vredig schouwspel, zo vredig dat men het bijna niet opmerkt. Maar het is er. Zweven en stilte: twee centrale begrippen in Vogel op het licht.

Het boek, uitgebracht in 1981 in voorbeeldige vormgeving van drukkerij Eldorado, geeft een afwisseling van gedichten onder een algemene noemer: ‘Land’, ‘Vrouw’, ‘Dichter’, en gedichten die concrete gegevenheden aanduiden: ‘Strand bij Coronie’, ‘Klaaskreek - Transmigratiedorp’, ‘Klaaglied om Paramaribo’. Die twee typen zijn niet los te zien van elkaar: Guda's beelden en situaties zijn bijna altijd - al of niet uitgesproken - aan Suriname gebonden, door Surinaamse situaties geïnspireerd; anderzijds kent ook het meest concrete gedicht een algemene strekking. Guda's poëzie is dus nooit beperkt tot lezers van Surinaamse origine, maar deze zullen wel in haar taalwegen extra dimensies ontdekken.

Concreet en abstract zijn bij Guda twee verschijningsvormen van dezelfde kern. Nu eens is de invalshoek het anekdotische, dan weer het beschouwende. Maar wie goed leest, stuit op hetzelfde hart. Zo zijn alle gedichten commentaren op elkaar, vullen elkaar aan, verbeelden hetzelfde langs alternatieve wegen.

Het gedicht ‘De tuin’ (hierna weergegeven) is exemplarisch, dunkt me, voor Guda's werkwijze: het gaat over Suriname, het gaat over het leven, de invalshoek is het veralgemenende, de zijweg het concrete, de uitkomst: Guda's kijk op het bestaan. Het gedicht:

[p. 71]
De tuin
 
Hoe vindt de jager
 
het hart van de duif,
 
trillende schaduw,
 
 
 
Heeft hij
 
een vuurstenen gordel,
 
een ijzeren vuist,
 
 
 
Heeft de jager een sleutel?
 
 
 
De hardste jager,
 
de zwartste
 
 
 
(Hoor het hert in de struiken
 
de verschrikte hagedis)
 
 
 
Heeft de jager
 
de dood
 
geblinddoekt,
 
 
 
de snelste,
 
de zwerver,
 
met naakte handen,
 
 
 
de felste,
 
zijn wapen
 
een wentelend woord
 
 
 
Is hij een dichter,
 
een tovenaar,
 
redder van het land,
 
wachter van dijken,
 
 
 
Heeft hij
 
een hart
 
van glas en koraal,
 
een spiegel:
 
 
 
Kijk
 
 
 
de tuin van steen,
 
grijzende kloosters
 
op zondag,
 
zondag,
 
 
 
Zongen de stenen,
 
lang geleden?
 
marmeren orgels,
 
granieten klepels,
 
 
 
de tuin van steen,
 
stervende pleinen
 
op zondag,
 
zondag
 
 
 
Kijk
 
 
 
het gebruinde kind
 
verdwaald in Europa,
 
in Europa,
 
het verstoten kind,
[p. 72]
 
het kind uit de rimboe,
 
het blinde kind
 
in koude verward
 
 
 
Nooit komt het winterse land
 
meer in bloei,
 
de tuin van steen,
 
verloren glimlach
 
 
 
Had de jager
 
een sleutel
 
van spinrag,
 
een ring
 
van rozen
 
 
 
en zweeg hij,
 
zweeg hij,
 
 
 
zijn lach
 
een lila lint,
 
een bos
 
van gouden regen
 
 
 
zo diep
 
heeft de jager
 
gezwegen
 
de hijgende zwerver,
 
de zwarte,
 
 
 
ruisende moesson,
 
vlammende ruiker
 
 
 
Duizend harten
 
heeft hij,
 
de hardste,
 
de zwartste,
 
 
 
zijn oog
 
en ronde regenboog,
 
 
 
zijn sleutel
 
een ring van pijn
 
 
 
Zijn tuin van stilte
 
berstende bloesem
 
dansende keerkring
 
van de kolibri

Men kan moeilijk beweren dat het gedicht reclame maakt voor de bundel: het is daarvoor te gesloten, de elementen van het gedicht zijn te heterogeen om direct, gemakkelijk aan te spreken. Het beroep op de lezer om de associatieve keten mee te volgen is nogal

[p. 73]

groot. Het taalexperiment - de onafgemaakte zinnen, de ongebruikelijke woordrangschikking - vergt evenveel inzet bij het lezen als de dichter heeft gegeven aan inzet bij het schrijven. Als het gaat om de toegankelijkheid zijn er betere gedichten uit de bundel te selecteren. Maar misschien is het mogelijk om enkele kanttekeningen bij het gedicht te maken die het zicht erop iets kunnen verhelderen. Die kanttekeningen hebben het geheel van poëzie uit Vogel op het licht als voedingsbron en een interpretatie van ‘De tuin’ kan omgekeerd op haar beurt enige klaarheid brengen in de bundel als geheel.

De titel ‘De tuin’ roept direct de associatie op met de Hof van Eden, het Aards Paradijs. De titel geeft ons dus al te kennen dat er een poging ondernomen wordt tot het vaststellen van een ideaal, het ideale leven. Het gaat om een poging en dat weerspiegelt zich in de zinsbouw: driekwart van het gedicht bestaat uit zinnen in de vraagvorm (de vooropgeplaatste persoonsvormen), ook daar waar er geen vraagtekens staan.

Degene die centraal staat is de jager, metafoor natuurlijk voor de mens. In de eerste drie regels staat dan meteen een merkwaardig contrast: de jager is op zoek naar het hart van de duif, de vredesverstoorder zoekt naar de vredesvogel-bij-uitstek. Deze jager wil dat hart vinden, er staat niet: hoe raakt de jager het hart. De rusteloze jager is op zoek naar zijn doel dat omschreven wordt als iets weinig tastbaars: een trillende schaduw.

Vervolgens worden drie (historisch geordende) wegen genoemd langs welke een oplossing van het contrast jager-duif (lees: mens - harmonisch leven) gevonden kan worden: vuurstenen gordel, ijzeren vuist, sleutel. Deze trits van drie is puur associatief opgebouwd en past als zodanig in het aftastende dat het gedicht wil oproepen.

De jager die het hardst zoekt, is de zwartste jager. Ook hier weer moeten we langs intuïtieve weg de verteller volgen: juist de donker gekleurde mens heeft de meeste moeite zijn positie in het

[p. 74]

krachtenveld van het leven te bepalen.

Heeft de mens de dood geblinddoekt door voor het leven te kiezen, vraagt het gedicht zich af. Hetzelfde kwamen we al eerder tegen in het gedicht ‘Geboorte’: Wanneer ik voor leven kies moet ik verliezen.../Wel dan, ik verlies. Dit is een belangrijk punt. Leven betekent per definitie de onvolkomenheid. Zonder leven geen liefde, maar in het leven is volledige liefde niet te verwezenlijken: Mijn liefste nabij./het leven een hangmat/tussen ons in. Volledig geluk is niet realiseerbaar. Maar toch wordt de keuze voor het leven gemaakt. In dat leven kan de mens met naakte handen staan of zijn woord gebruiken om op dat leven greep te krijgen. Dan zijn we bij de dichter, wiens poëzie ordening aanbrengt in een wereld die als verwarrend overkomt. Die dichter zweeft, zoekt:

Dichter
 
Een bij
 
boven de bloesem in de manjeboom
 
 
 
Een visser
 
hurkend op zijn vlot
 
de monding uit naar zee
 
 
 
zoekend, peilend
 
het zuiverste
 
helderste
 
vruchtbare
 
woord

De dichter is bij uitstek de leven-schepper. De ultieme stilte is natuurlijk de dood. Waar geen stilte is, waar de woorden van de dichter zijn, is er leven. Er moet ook stilte zijn, want zonder de dood,

[p. 75]

is er geen leven. Het contrast schept de wereld tot aanzien. Tegelijkertijd zit in het contrast van leven en dood de probleemstelling: de dood legt zijn schaduw vooraf over het leven. Dood en leven zijn onverzoenbaar, zoals woorden en stilte dat zijn. Waar die twee elkaar raken, is de ouderdom, zoals het prachtige laatste gedicht uit de bundel laat zien. Daarin wordt van een oude man gezegd: Zijn boek van stilte/spiegelt de strijd/van wolven en schapen/Levensgroot.

Wat we in het hart van de jager van ‘De tuin’ kunnen zien, is een zich oriënteren: op het verleden en op Europa (de twee dalen die met ‘Kijk’ aanvangen). Maar het verleden biedt enkel een verstening van de tijd en Europa biedt de koude die voor het gebruinde kind ook niet meer dan verstening kan zijn. Beide zijn het contrast van het leven zoals het geleefd moet worden. Beide zijn representanten van een stilte die niet gewenst is. En zo diep heeft de mens gezwegen, verzucht de verteller.

Wat dan - in bevestigende zinnen, niet meer in vraagzinnen - als concreet wordt aangeduid, is direct geassocieerd met de eigen werkelijkheid: moesson, ruiker, keerkring, kolibri. Waar de harmonie van het leven voor de kleurling ligt, kent de kleurling duizend verschijningsvormen (harten regenboog) en zijn oplossing van de disharmonie zal niet zonder pijn zijn. Zijn tuin van stilte, zijn werkelijkheid waarin paradijs en dood elkaar tot een sluitend geheel aanvullen, zal een dynamische werkelijkheid zijn: een bloesem die openbarst, een keerkring die danst voor de razendsnelle kolibri. Het leven zal bewegend zijn, de woorden zullen niet nodig zijn om het leven als leven, als niet-dood te bevestigen, want de dynamiek van het leven zal zichzelf genoeg zijn. Dan zal er harmonie zijn van leven en dood, beweging en geruisloosheid, het leven een hangmat.

prepostterug  begin  verder