|
|
|
| |
3. Liederen, dansen en spelen
| |
3.1 Inleiding
Bij bosnegers noch creolen kan een genre-indeling helemaal recht doen aan de
verschillende vormen van orale cultuur. Een onderscheid tussen profaan en
sacraal negeert dat beide aspecten zich vaak in één en
dezelfde tekst verenigen. Een onderscheid zelfs naar muziek, dans en verbale
kunst fragmenteert het multimediale gebeuren van de prei,
de spelen. Terminologische verwarring dreigt bovendien doordat dezelfde
termen gebruikt worden voor zowel een dans, het lied dat daarbij hoort als
een geheel dansfestijn. Hier zullen eerst de bekendste vier dansen die
stammen uit de periode van de slavernij worden voorgesteld, met de
aantekening dat bij elk van die dansen ook bijzondere liedteksten behoren.
Al deze dansen komen zowel in een sacrale als in een profane context voor.
Daarom wordt na de vier dansen eerst het sacrale dansritueel beschreven, de
wintiprei, daarna de profane spelen: banya, susa, lobisingi en laku.
Van oudsher waren de bekendste dansen van de negerbevolking banya, susa, laku en kanga, die ook wanneer ze
als sociale, wereldlijke dansen werden uitgevoerd, pas konden worden gedanst
wanneer de Gronmama (de godin van de aarde) om toestemming was gevraagd: de
prisi doti. Dat het om oude dansen gaat, blijkt wel
uit het feit dat ze door Dirk Valkenburg werden afgebeeld op een schilderij
uit 1707-1709.533 Alhoewel ze West-Bantu namen dragen, vertoonden
zij een mengeling van dansvormen uit alle cultuurgebieden waar de negers
vandaan kwamen, aldus Wooding.534 Van Stipriaan wijst er echter
op dat nog tot aan het begin van de 19de eeuw de etnische verdeeldheid een
belangrijke rol speelde bij de dans.535 De liederen waren functioneel verbonden met de
negergemeenschappen: activiteiten werden bezongen, protest geuit, sociale
controle uitgeoefend. Het kon daarbij evengoed gaan om liederen waarin
slaven hun meester aanklagen - waarbij hij zelf soms aanwezig was zonder er
iets van te verstaan - als om de raadgeving aan een man of vrouw de geliefde
niet te verlaten. Ieder lied draagt dan ook een element van de gezamenlijke
geschiedenis.536
| | | |
Banya-liederen kennen behalve de gebruikelijke kenmerken
eigen aan elke liedvorm als herhaling, parallellisme, variatie en (soms)
eindrijm, een karakteristiek kenmerk: hun semantische gelaagdheid. Er zijn
de twee lagen die elke metafoor bezit: die van het beeld en van het
verbeelde, maar dan is er altijd nog de laag van de historische context
waarbinnen een tekst ontstond, soms daarin zelfs twee lagen: die van de
empirische werkelijkheid van een gemeenschap, plus die van een specifiek
individueel geval. Een lied over een boom met wortels kan nog herleid worden
tot een boodschap over een man die zich niet kan losweken van óf
zijn kettingen, óf zijn roots. Maar de
verwijzing naar wat de schepper van het lied heeft meegemaakt, is niet meer
te reconstrueren. Zijn de eerste twee lagen van de metafoor nog redelijk te
interpreteren, over de empirische laag of lagen tasten wij bijna altijd
geheel in het duister. Zo functioneren deze liederen als gecodeerde
boodschappen voor goede verstaanders (die er nu niet meer zijn), als vorm
van machteloos protest en uiting van smart:
Springiwatra nyan ala mi lutu kaba.
So mi no kan meki bigi moro na grontapu.
Hoeveel zal ik vandaag nog kunnen opscheppen
Want ik ben een parwaboom geworden.
De springvloed heeft al mijn wortels al opgegeten.
Dus ik kan niet meer opscheppen. 537
De term banya werd voor het eerst vermeld door M.D. Teenstra in 1835.538
H.C. Focke vermeldt dat de liedteksten hoogst
zelden geïmproviseerd worden. De woorden vallen de trokiman ‘in ledige oogenblikken, vaak ook onder haar
werk, tegelijk met de melodie in’ en worden eerst eindeloos
gerepeteerd, aleer het nieuwe danslied wordt opgevoerd. De banya-dans werd vooral door vrouwen, maar ook wel door vrouwen
én mannen gedanst. De dansers stellen zich ieder aan een zijde
op, naderen elkaar paarsgewijs tot op een kleine afstand, gaan uit elkaar en
vervolgens opnieuw naar elkaar toe. Soms voegt zich bij het danspaar een
derde danser om het paar aan te moedigen. De liederen worden telkens
aangegeven door een trokiman, een voorzangeres, waarna de
strofe door het koor van vrouwen (pikiman) wordt
nagezongen. Dit wordt een groot aantal keren herhaald tot het de beurt is
van de mannen. Het zingen wordt begeleid door verschillende trommen, kwakwabangi (een houten plank waarop met stokjes wordt
geslagen)539, de saka (een met
pitjes gevulde kalebas) en de yoroyoro (een | | | |
snoer van rinkelende zaadjes).540
Susa werd voor het eerst vermeld door Stedman in 1796.541 Het gaat om een dans die met handgeklap en gezang wordt begeleid
en uitsluitend door mannen wordt uitgevoerd. Twee mannen, soms ook meer
paren tegelijkertijd, voeren een soort strijd op waarbij het de bedoeling is
dat de ene danser de andere exact volgt. Eén danser brengt zijn
voeten in telkens andere posities en de andere danser moet hem daarin zien
te volgen, totdat de tegenspeler een fout maakt en verliest. Daarop betreedt
een andere tegenspeler de dansvloer totdat uiteindelijk de meest behendige
danser als eindoverwinnaar overblijft.542 Aan het
einde van de 18de eeuw schijnt het er soms zo gewelddadig aan toegegaan te
zijn, dat, naar Stedmans getuigenis, verschillende dansers er de dood bij
vonden.
De teksten van de susa zijn kort en worden eindeloos
herhaald. Focke geeft een voorbeeld dat weinig uitleg behoeft:
O Soesa, majombe! nakki dà boi, joe go, trawan de.
Klop dien jongen af en ga heen; er zijn er meer. 543
Laku is een dans die veel op de banya
lijkt, zij het dat ze met de hielen wordt gedanst (en daarom ook bakafutu-banya, letterlijk: hielen-banya, wordt genoemd).
Omdat het een dans voor de doden was, direct geassocieerd met de
‘heidense’ winti, werd ze door de koloniale overheid
verboden.544
De kanga tenslotte is een dans voor zowel jongens als
meisjes waarbij de nadruk wordt gelegd op gymnastische oefeningen voor de
lenigheid van het lichaam. Als religieuze dans in de wintiprei werd de kanga ook gedanst door
volwassenen.545 In de slaventijd stond een groep kinderen
onder leiding van een oudere vrouw, de krioromama, die de
kleintjes verschillende liedjes leerde met de daarbij behorende bewegingen.
Bekendste van deze kanga is ongetwijfeld:
- Agen masra Jantje e kiri suma pikin.
Vuursteen, brand me niet,
- Weer vermoordt heer Jan iemands kind. 546
| | | |
Het liedje wordt gezongen bij een behendigheidsspel, waarbij een door wrijven
heet gemaakte steen snel moet worden doorgegeven. De tekst refereert aan de
koloniale tijd toen weggelopen slaven die gepakt waren, met een hete steen
werden gebrandmerkt.
De meeste geschiedschrijvers konden voor de negerdansen weinig waardering
opbrengen. J.J. Hartsinck noemt de muziek
onaangenaam en ‘het Geluid niet streelende’ en
waarschuwt tegen de onzedigheid van de dansen:
Deeze Dansen, gelyk men ziet, zyn zeer wulps en dertel; maar de
andere beweegingen, die men niet, zonder in de zaak kundig te zyn, bespeurt,
zyn het nog ongelyk meerder.547
Hij geeft zijn auditieve observatie overigens wel in commissie, want hij had
ze zelf nooit gehoord. G.P.C. van Breugel in 1842
daarentegen wel, maar zijn waardering is weinig groter:
het was alsof ik hoorde dorschen en te gelijk een rommelpot met
erwten in een ledig vat rammelen [...] dat men wel een baal katoen van
nooden heeft om de ooren te stoppen, om alzoo dat Artem Musicum te
verdoven.548
Philip Fermin laat echter een ander geluid horen:
In de naeuwkeurigheid van deze oneindige beweegingen bestaat bij
hen de kunst van danssen. Om hen daar in na te kunnen volgen, diende men ook
zoo gezwind en slap van leden te zijn als dit volk is.549
De kunstenaar Gerrit Schouten (1779-1839) heeft een aantal negerdansen
afgebeeld in negen van zijn diorama's.550
| |
3.2 Sacrale spelen
De oudste vorm van prei is ongetwijfeld de wintiprei, een groots ritueel van zang, dans en muziek voor goden
en geesten waarin sociale, profane en sacrale aspecten van de creoolse
cultuur samenkomen, en waarin de goden hun aanwezigheid tonen door bezit te
nemen van in trance geraakte personen.
Verschillende auteurs uit de koloniale tijd hebben er gewag van gemaakt, dat
de religieuze rituelen van de negers niet door blanken kunnen worden
bijgewoond. Gouverneur Jan Nepveu schreef in het
midden van de 18de eeuw:
alle deeze Ceremonien van Afgodendienst en Tovereyen houden zy voor
de blanken zo geheym als het hun mogelyk is, en niet dan door geheyme
navorschingen kan men daar van iets te weten krygen.551
Reiziger en tekenaar P.J. Benoit maakte er
daarentegen in 1839 melding van hoe hij in het holle van de nacht een
wintiplechtigheid bijwoonde in het Pikorno-bos, vlakbij de stad. Hij
vermeldt een dans die op zaterdag om middernacht onder een kankantri (de
grote en als heilig beschouwde kapokboom) wordt uitgevoerd. Hij vermeldt dat
deze religieuze dans bekend staat onder verschillende namen: mama, wenti, watermama, mapokora en ajaini.
Benoit schrijft dat | | | | er een voorganger is die als een Afrikaans
stamhoofd is gekleed. In de ene hand houdt hij een gebogen mes, in de andere
een twijg, de sangrafoe. De plechtigheid gaat gepaard met
offerandes, handgeklap, kreten en hartstochtelijke lichaamsbewegingen. Hij
noemt het gedrag ‘wreder dan dat van beesten. Op die momenten
wordt dan ook de haat tegen de blanken of andere inwoners hernieuwd en
opgestookt. Welgestelde planters die bevreesd zijn voor de gevolgen van deze
haat laten uit voorzorg regelmatig verfrissingen aanvoeren en zij tonen vaak
grote eerbied voor de boom.’552
Geen van de auteurs uit de 18de en 19de eeuw heeft tot de kern van de
creoolse muziek, zang en dans weten door te dringen: de sacrale functie van
de ‘talking drums’553 en de religieuze lading van de teksten
ontging hen ten enen male.
Anderhalve eeuw na Benoit en buiten de koloniale context hebben studies
duidelijk gemaakt hoezeer de wintiprei een hecht
geconstrueerd ritueel is, verankerd in de creoolse kosmologie, maatschappij
en traditie die tot Afrika herleidbaar zijn. Er zijn verschillende vormen
van prei, elk nauw luisterend naar een specifieke volgorde
van dansen/liederen die op zich weer elk hun eigen slaginstrumentarium
hebben.554 Een uitgebreide
beschrijving van een wintiprei op een erf in Paramaribo
gaven Melville en Frances
Herskovits, terwijl C.J. Wooding het
ritueel in al zijn aspecten beschreef voor het district Para en daartoe ook
goden interviewde (!).555 De beschrijving van Wooding wordt hier in enkele
hoofdlijnen weergegeven. Het gaat om een brokodei (lett.:
(aan)breken van de dag), dat wil zeggen een ritueel dat 's avonds om acht
uur aanvangt en duurt tot zes uur 's ochtends. Wooding beschrijft een
ritueel dat wordt opgevoerd voor verschillende goden, maar het is ook
mogelijk dat er een prei wordt gehouden uitsluitend voor
één god.
Het muziekinstrumentarium bij een wintiprei bestaat uit een
groot aantal slaginstrumenten, die spreken in toontalen en daardoor
bovennatuurlijke wezens kunnen aanroepen en uitnodigen om aan het
dansfestijn te komen deelnemen.556 Doden en levenden feesten dus als
één sociale gemeenschap. Elke wintiprei wordt onderverdeeld in een prei voor de
yorka (de vooroudergeesten) en een prei voor de wenu of winti (de
goden). Ter opening van de voorouderverering (de yorkaprei) worden sokopsalmen gezongen. De tekst van
deze a capella gezongen liederen gaat vermoedelijk terug op een Afrikaanse
taal en wordt door de zangers niet of nauwelijks verstaan. Ze zijn een
voorbeeld van religieus syncretisme want zowel moslim-, winti- als
christelijke invloeden hebben de uiteindelijke vorm ervan bepaald.557 Volgens Louis Blaaspijp worden ze alleen gezongen voor de niet-gedoopte
voorouders, de profen. Uit de teksten die hij en Stephen
noteerden, blijkt dat deze altijd zeer kort van lengte zijn, en ook in het
Sranan kunnen worden gezongen.558 In ieder
geval kon niemand een vertaling geven van de | | | | navolgende twee
sokopsalmen, die Blaaspijp noteerde:
Ovrena, Ovrena, Maria boetmi, Ovrena
Abiamba, tobiamba, abiamba bentoema. 559
Wanneer de yorka verschijnen, spreken zij Sranan met een
nasale klank, of wanneer zij al lang zijn overleden de algemene taal voor
bovennatuurlijke wezens, hun oorspronkelijke Afrikaanse taal en gebrekkig
Sranan. De yorka-liederen kunnen weer worden opgedeeld
volgens het bekende kwartet: banya-, susa-, laku- en kanga-liederen, zij het dat de laatste meer en meer in de
vergetelheid raken.560
Yorka-liederen zijn moeilijk te begrijpen, omdat ze
verhalen over lang geleden, en ook omdat ze vaak in odo-vorm zijn gesteld, dat wil zeggen in de vorm van beeldrijke
spreekwoorden. Een voorbeeld:
Te y' e wan nyan' a famiriman,
Tye langa lo, tye i baka m'e b'o.
Lange rij, ach lange rij,
Ach, je rug moet stevig zijn.
Lange rij, ach lange rij,
Ach, je rug moet stevig zijn,
Wanneer je wilt eten met familieleden
Ach lange rij, ach je rug moet stevig zijn. 561
Dit lied lijkt eenvoudig van woordkeuze, structuur en zeggingskracht. Het is
bestemd voor de profen, de oudste, niet-gedoopte
voorouders van een bere (alle familieleden die afstammen
van dezelfde stammoeder); met ‘langa lo’ doelt men hier
op de hele keten van generaties vanaf de oudste voorouders. In het geval van
een purificatieritueel voor deze profen, staan alle leden
van een bere naar leeftijd in een rij, zij vormen een
‘langa lo’. In de tweede regel wordt tegen de stamgeest
gezegd dat hij een sterke rug heeft, een metafoor om aan te geven dat hij de
generatieketen draagt. Hij is de beschermer van de nakomelingen. De laatste
twee regels herinneren deze oudste vooroudergeest eraan dat als hij
aanspraak wil maken op een offermaaltijd van de nakomelingen, hij ook de
plicht heeft zijn nakomelingen te beschermen.
De structuur van het versje blijkt opvallend evenwichtig: in de herhaling van
de eerste twee regels, binnen de eerste regel die is opgebouwd uit twee
componenten verbonden door ‘tje’, in de ritmisch twee
gelijke accenten van alle regels, in het binnenrijm van zowel de voorlaatste
als de laatste regel. Zo blijkt een op het eerste oog simpel versje een
schijn-eendimensionaliteit te zijn. De bedrieglijke eenvoud van variaties op
hetzelfde thema verbergt een historisch-religieus diepe inhoud in een
uitgebalanceerde structuur.
De variëteit aan religieuze liederen is enorm groot, omdat ze per
dorp verschillend zijn. De grootste drummer van de Para vertelde tegen
Wooding: ‘Deze liederen zijn exclusief voor deze winti en als men
ze elders zou zingen voor een andere Aisa en gronwinti
[aardgoden], | | | | komen ze niet op het dansritueel, want ze hebben
meestal hun eigen liederen die hen roepen.’562
Daags nadat de vooroudergeesten gedanst hebben, is het de dag van de prei voor de goden. Daartoe is er geld ingezameld, het
dorp schoongemaakt en ritueel gewassen, de geesten die het dorp bewaken zijn
gevoed en ziektes als gevolg van sociale disharmonie (fyofyo) zijn ritueel weggewassen. Op de dag van de prei neemt iedereen een kruidenbad. Het dansritueel wordt geopend met
een lied voor Aisa, godin van de aarde. Grond- en bosgoden worden
aangeroepen, later ook de boomgeest Loko, echtgenoot van Aisa, en de
Watramama (watergodin). Voor elke god zijn er verschillende liederen. Hierna
zijn de Tapu Kromanti aan de beurt, gevreesde luchtgoden als Tata Yaw, Opete
en Awese die alle oorlogsgoden zijn en spreken in het geheime Kromanti.563 Gezelliger zijn de Indji-winti, de indiaanse goden, die iedereen vermaken met
grappen, obscene moppen en bedelarijen. Voor de liederen voor deze Indji gebruikt men een mengelmoes van Sranan, Afrikaanse
en inheemse woorden, maar veel ervan - mogelijk in enkele gevallen
onomatopeeën - zijn ook voor de creolen duister. Zo zijn regel 2
en 4 van dit lied voor de Indji-winti vermoedelijk
klanknabootsingen van belletjes:
Ik kom van de bodem van de rivier,
Men kan mij niet meer aan,
Apuku en Akantasi zijn winti die etherische en magische ziekten genezen en
worden obia genoemd (ook de geneesmiddelen zelf worden zo
genoemd). Hun dans kent een stokkend ritme, omdat de drummers stoppen om de
dansers te beschermen tegen de wild dansende obia die zich
meester van hen heeft gemaakt. Hillary de Bruin
noteerde het volgende Apuku-lied, dat werd gezongen door duman (genezeres) Elly Purperhart in 1999:
Gi m' a patu di y' e bor' en
Gi m' a pat' o di y' e bor' en
Gi m' a pat' Apuku di y' e bor naobya
Ef' yu wan'a patu, dan y'mu kon anga m'o
Ef' yu wan'a patu, dan y'mu kon anga m'o
Ef' yu wan'a patu, dan y'mu kon anga m'o
Geef mij de pot waarin jij het kookt
Geef mij de pot waarin jij de obya kookt
Geef mij de pot Apuku, waarin jij de obya bereidt
Als je de pot wil moet je met mij mee
Als je de pot wil moet je met mij mee
Mijn kennis is in het bos
Als je de pot wil moet je met mij mee 565
| | | |
Tussen de eerste en de tweede strofe vindt een vraaggesprekje plaats. In de
eerste strofe wordt de Apuku geprezen om zijn kennis van de obia en gevraagd om die kennis over te dragen. Bij het
samenstellen van de geneesmiddelen, worden soms amuletten meegekookt in het
kruidenwater, bijvoorbeeld een sieraad. In de tweede strofe antwoordt Apuku,
dat de vrager mee het bos in moet om daar de obia te
zoeken.
De wintiprei wordt besloten met muziek, dans en korte
liederen voor de Djebri Kromanti, lagere bosgoden die in
de Para ‘sport obida’ worden genoemd, omdat ze altijd
demonstreren tot welke geweldige daden zij in staat zijn. Het zijn
oorlogsgoden die om ijzeren houwelen vragen wanneer zij bezit van iemand
hebben genomen, zij slaan zichzelf ermee zonder dat de dansers daarbij
worden verwond.
Bronnen. Banya-teksten bij Voorhoeve
& Lichtveld 1975: 22-39. Voorts verschillende bij De Drie 1984:
41 e.v. Een banya-tekst met Nederlandse vertaling in de
Spiegel 54-55. Tien sokopsalmen bij
Blaaspijp 1983a: 24, twee bij Stephen 1992: 38, één
sokopsalm bij Voorhoeve & Lichtveld 1975:
58 (nr. 12). Enkele yorka-liederen bij Stephen 1992:
38-40. De verschillende teksten die bij wintiprei worden
gezongen zijn inmiddels vastgelegd door Herskovits & Herskovits
1936/69: 629-685 (met muzieknotatie), Wooding 1972: 280-363 (met uitvoerige
toelichtingen), Voorhoeve & Lichtveld 1975: 56-75 (beknopt
toegelicht), Stephen 1987: 109-116 en Stephen 1992: 40-42. Uitsluitend in
het Sranan in Blaaspijp 1983a, 1983b en 1988. Sranang
koeltoeroe singi foe banja soesa, lakoe kanga (1983) van Louis
Blaaspijp geeft een mooie demonstratie van het harmonieus samengaan van
winti en christendom: christelijke en wintiliederen staan naast elkaar, en
zelfs wordt de prei bejubeld op een christelijke melodie.
Stephen 1992: 78-111 neemt christelijke liederen in het Sranan en Nederlands
op, evenals Stellema 1998. Een selectie van 157 liederen bij overlijden,
begrafenis en rouwverwerking van afro-Surinamers geeft Nanga
palm... (1999). Liederen uit de praktijk van de duman geeft De Bruin 1999, waar ook een voorbeeld wordt gegeven van
een melodie uit een zangbundel van Johannes de Heer, waarvan een vertaling
in het Sranan is gemaakt.
| |
3.3 Profane spelen
| |
3.3.1 Banya en Du
In ieder geval tweemaal per jaar, met nieuwjaar en rond de 1e juli (al
vóór de Emancipatie op de grotere plantages een
van de twee halfjaarlijkse feestdagen), kregen de slaven de gelegenheid
om feest te vieren; soms mochten zij bovendien nog enkele malen per jaar
‘spelen’, als de oogst was binnengehaald of als er
een nieuwe administrateur of directeur op de plantage verscheen.566 Zo althans zag de
‘optimale’ situatie eruit; in de barre werkelijkheid
sloegen de slavenmeesters wel eens een feest over en zelfs is het op
bepaalde plantages voorgekomen dat er enkele jaren niet
‘gespeeld’ werd. De slaven ontvingen bij hun feesten
geschenken als lappen stof, pijpen, tabak en messen, en kregen - als het
werk dat toestond - vrijaf om hun feesten te organiseren. Die duurden in
de regel drie dagen: twee waarop van 's middags tot de volgende ochtend
werd doorgedanst, een derde dag om uit te rusten. Slaven van naburige
| | | | plantages stroomden toe als deelnemers of
toeschouwers.567 De leiding lag normaal gesproken in handen van de Sisi, de negerin die het huishouden van de
plantagedirecteur bestierde (en ook hierom een bijzondere positie
bekleedde, dat zij niet zelden in concubinaat met hem leefde). De
plantagedirecteur maakte vaak als eregast een deel van het festijn mee.
Deze danspartijen vonden dus niet zoals de religieuze rituelen, in het
bos plaats, maar op de plantage zelf. Lammens beschrijft een
dansopvoering die hij zag tijdens een uitstapje naar de plantage
Bergendaal in 1816, waarbij de slaven zelfs de vrijheid kregen in de
galerij van het woonhuis te dansen.568
J.D. Herlein beschreef de danscultuur van de
slaven in 1718:
De Slaven in de Stad Paramaribo gaan
Zondags aan de Waterkant, of lopen na de Savana Baaljaren, zijnde een
zeker zoort van Danssen, alzo by haar genoemt; maar dit is verboden, om
dat ze te veel verstand met malkander hielden, en al zingende haar
zaken, die d'eene d'ander toe wilde te weten, ontdekten, zomtijds daar
onder ook wel fluitende met de mond.569
De koloniale overheid hield het baljaren (van het
Portugees: bailar, of Spaans: baillar) nauwlettend in de gaten. Op 6 mei
1698 werd het ‘alle roode en swarte slaaven en
slaaffinnen’ aangezegd dat zij ‘des sondags of
andere heylige dagen niet vermogen te trommelen ofte danssen dan met
voorgaande permissie van den Heer Gouverneur.’570
Hartsinck vermeldt dat de slaven ten tijde
van gouverneur Temminck (dus 1722-1727) in
Paramaribo nu en dan toestemming kregen om op het plein voor het
Gouvernement te dansen ‘om hen des te beter in 't oog en in
toom te houden’.571 Maar allengs werd hun bewegingsvrijheid ingedamd: in
1733 werd het de ingezetenen van Paramaribo verboden ‘vreemde
slaeven’ op hun grond te laten dansen, in 1750 werd ook het
‘baljaren’ na een begrafenis verboden en op 17
december 1759 decreteerde gouverneur Crommelin dat het helemaal
afgelopen moest zijn met het baljaren binnen de stadsgrenzen van
Paramaribo.572 Gouverneur Jan Nepveu echter begreep dat
dat tot een onhoudbare situatie zou leiden en kwam op 15 augustus 1777
met de regeling dat een ‘vrolijkheid off spel’ met
toestemming van de planter en de raad-fiscaal gegeven mocht worden, daar
een verbod
zeer groote verbittering doorgaants in het gemoet van deselve
veroorsaakt door dien men hen in hun slavernij en na den arbeid nimmer
eenige ontspanning [gunt] (daar alle menschen van nature daartoe
geneegen zijn) en dat het een overmaet van Tirany schijnt die
gantschelijk te willen weeren te meer wijl het omstrent [sic] de doode
ook een religieuze ceremonie is die zij vast meenen niet te mogen
versuymen zonder haar eindelijk alle | | | | ongemak van hun
afgestorvenen nabestaande op de hals te haalen.573
Focke spreekt van de banya
als de ‘algemeene dans’ van de creolen.574 Ging men de hele nacht door met
dansen, dan werd er van een banyaprei gesproken. Aleks
de Drie, belangrijk twintigste-eeuws leider van banyaprei, zegt dat banya een woord is dat uit
Afrika komt en dat het een spel is van ‘afstammelinge fu
Etopia’, waarmee hij bedoelt: van Afrikaanse origine.575
Al naar gelang de functie kunnen die prei worden
onderscheiden in prodo-banya (waarbij vooral personen
of toestanden zoals de wrede slavernij worden gehekeld)576, de lanti-banya (gespeeld voor een bepaalde plaats), de borgu-banya (die de overtocht van Afrikaanse slaven
verbeeldde), de yorka-banya (uitgevoerd om de
voorouders te eren), bakafutu-banya (de al eerder
vermelde laku, die in feite een vorm van wintiprei was, en weinig voorkwam577).
En dan was er nog de partij-banya: uit de banya-opvoeringen in de stad groeide een georganiseerde en
gedramatiseerde wijze van opvoeren, de Du. Met de term
Du wordt het dansfeest zelf - eigenlijk dus de banyaprei - aangeduid, maar meestal ook het gezelschap
dat die prei opvoerde; partij is een
term die later in zwang kwam.
Er zijn aanwijzingen dat de naam Du niet alleen met banya werd geassocieerd, maar voor elke culturele
groep werd gehanteerd.578 De benaming Du wordt voor het eerst
gevonden in het Essai historique sur la colonie de
Surinam (1788):
Zelfs heerscht [in Paramaribo] werkelyk eene buitenspoorige
weelde en overdaad onder de slaaven; hebbende zy onder elkanderen eene
soort van order ontworpen, waar aan zy den naam geeven van Dou; by voorbeeld, Dou d'or, Bigie dou, Dou de
diamant; 't geen zo veel wil zeggen als gemaakt van goud, van
edelgesteenten enz.579
Zowel slaven als vrije gekleurden maakten deel uit van deze Du-gezelschappen, die geleid werden door Sisi. De Du als georganiseerd verband
verplaatste zich later weer van de stad naar de plantages, vooral langs
de Beneden-Commewijne en de Beneden-Surinamerivier.580
De gedramatiseerde banya zoals de Du
die opvoerden is een muzikale komedie gebaseerd op een eenvoudig verhaal
met vaste karakters. De belangrijkste acteurs zijn Aflaw en Datra. Aflaw (letterlijk: ze valt
flauw) is het personage dat zo gechoqueerd wordt door de allusies die in
de liederen gemaakt worden, dat ze flauwvalt. Datra is
de dokter die haar met veel Hollands misbaar, en soms bijgestaan door
een zuster, bijbrengt. De andere personen zijn | | | | vooral
zangers: Afrankeri verdedigt de moreel hoogstaande
waarden, maar is ook ijdel en pronkzuchtig581; Asringi wordt heen en weer geslingerd tussen goed en kwaad en
looft de muziekband; Abenitanta en Momoi geven kritisch commentaar op de handelingen; Temeku verklaart de verborgen toespelingen in de liederen.
Allen spelen op blote voeten: als slaven is het hun immers niet
toegestaan schoenen te dragen.
In het welvarende Suriname van het laatste kwart van de 18de eeuw, werd
de Du opgevoerd in prachtig uitgedoste
‘tenten’ (afdaken). Henri
Rikken geeft er in zijn roman
Ma Kankantrie
(1907) een uitgebreide beschrijving van:
Even voor bij het Militair Hospitaal lag een grote tuin, die
dikwijls voor dit doel gebruikt werd. Hier werden enige palen in de
grond geslagen, het dak met zeildoek bedekt en aldus het aanzijn
geschonken aan een tent van 20 voet breedte bij 40 voet lengte. In de
breedte, naar de straat gekeerd, was zij eveneens met zeildoek
afgeschoten, terwijl vlaggen aan enige staken, op de vier hoeken
geplaatst, lustig in de lucht wapperden. Bezijden van de tent kwam
men in een voorportaaltje van de binnenruimte, door een kleurig doek,
bij wijze van portière, afgescheiden. Binnengetreden zag men
rechts in de lengte der tent, die geheel met palmtakken afgezet was,
enige sofa's benevens enige stoelen en lage bankjes, waarvoor een stuk
tapijt op de grond gespreid lag. Links waren enige planken op de blote
grond gelegd. Het middengedeelte was netjes aangestampt. Hier stond een
klein 2 voet hoog mahoniehouten tafeltje met fraai bewerkte poten en
keurig gepolijst. Dit tafeltje, dat kwa-kwa-bangi heette, doch niet
als speeltuig diende, was als het symbool van het Doegezelschap en werd
als zodanig in hoge ere gehouden. Het bezat ter rechterzijde een lade
die uitgetrokken en met een stukje fijn damast bedekt was. Hierop werden
de giften van de danseressen en der overige deelnemers gelegd. Op
de hoeken stonden gueridons met zilveren voetstukken, fraaie bouquetten
waartussen allerlei beeldjes van ruiters, schutters en leeuwen.
Guirlandes en kransen van groen en bloemen slingerden zich met
vlaggendoek langs de zijde der tent. De gebinten waren met anjisa's
(hoofddoeken), tapoe-skien-panjie's (lange brede doeken over de schouder
gedragen) en groen bekleed. Vier grote spiegels met brede vergulden
lijsten hingen in de 4 hoeken, terwijl nog twee andere tegenover elkaar
in de lengte der tent geplaatst waren. Acht patent-olielampen met
kaarsen-kronen hingen op bepaalde afstand. Tussen de spiegels en een
zestal schilderijen vonden zestien candelabers met fijn geslepen glazen
reflectoren nog een plaats. Aan het benedeneinde der tent was een groot
buffet opgeslagen.582
Inwoners van de stad hielden er vaak een legioen huisslaven en
huisslavinnen op na, zoveel zelfs dat verschillende gouverneurs zich
over hun overbodigheid en losbandigheid beklaagd hebben.583 De
slaven zochten vertier in de Du-gezelschappen, die,
via de Sisi gelieerd aan bepaalde vooraanstaande
personen of huizen, krachtige financiële steun kregen en
inzet werden van het prestige van vermogende blanke stadsbewoners. Theod. Comvalius zag er | | | | zelfs
georganiseerde politieke kringen van blanken in.584 Kostbaar aangekleed moesten de elegantste
negerinnen de pracht en praal van hun eigenaren uitdragen. Terwijl de
Du bij uitstek deel uitmaakte van de orale cultuur
van de creolen, is het veelzeggend genoeg voor hun doorgevoerde
organisatiegraad dat in 1817 een bericht in de Surinaamsche
Courant kon verschijnen als het volgende:
De Leden van den onvergelyklyken en uitmuntenden Barnsteen Doe
door Dankbaarheid bewoogen, vinden zig verpligt, aan hunne
Agtingswaardige Begunstigers en Begunstigsters opentlyke Hulde te
bewyzen, voor derzelver persoonlyk Byzyn, waar door zy den Luister van
hun laast Feest zoo gullhartig hebben doen vermeerderen. Uit aller
Naam Modestus. Secretaris585
De koloniale bovenlaag stond ambivalent tegenover het verschijnsel.
Rechters en gouverneurs zijn beschermheer geweest van de Du, maar toch werd hun activiteit niet zonder wantrouwen gevolgd.
Niet alleen omdat het gouvernement wantrouwig stond tegenover
samenscholingen van slaven en samenwerking van slaven en vrijen, maar
ook omdat zij geregeld tot ‘dieveryen’ en
ongeregeldheden aanleiding schijnen te hebben gegeven. A.F. Lammens verklaarde de dieverij uit het
feit dat slaven als leden tot zware bijdragen verplicht waren, die zij
bijna niet konden opbrengen.586 En rumoer was er: de Foto-doe meende dat alle luister van de
kolonie op het conto van de stad Paramaribo moest worden geschreven. Zij
werd de antagoniste van de Pranasi-doe die betoogde dat de bloei van de
kolonie te danken was aan de plantages.587 Steeds sterker kregen de opvoeringen een karakter
van competitie zoals de Rederijkerskamers in Nederland die gekend
hebben; de leden kregen uit Holland zinnebeeldige ornamenten die zij
moesten dragen, al was dat verboden. Op verzoek van hun Europese
beschermheer hekelden de gezelschappen zijn politieke tegenstanders in
hun liederen. Maar antagonismen groeiden uit tot bittere rivaliteit en
dat resulteerde erin dat de Du herhaaldelijk verboden
werden, eerst bij gouvernementele publicatie van 8 december 1794,
nogmaals op 19 november 1828 en opnieuw op 21 mei 1833. Vrije lieden die
ze toch bijwoonden, konden gestraft worden met een boete van 200 gulden.
Slaven ontvingen honderd zweepslagen en een boete die hun eigenaar moest
opbrengen.588
Met schriftelijke toestemming van de koloniale overheid werden de Du toch toegelaten, maar dan onder de naam van
baljaar- of zangpartijen (een verwarrende benaming, want die werd ook
gebruikt voor de feesten die slaveneigenaren voor hun slaven
organiseerden).589 De dualistische houding van de koloniale
overheid tegenover de Du, bleek duidelijk in 1835 toen
Prins Hendrik als adelborst Suriname bezocht en er voor hem een Du werd georganiseerd, een Gouden Du, Na
Gowtu Du. De dansers zongen de gouverneur toe: ‘Yoe
sorrie hin da boen,’ Yoe moessie sorrie hin da ogrie
toe!’ [Je laat hem het mooie zien, laat hem ook de lelijke
kant | | | | zien]; de gouverneur liet Prins Hendrik natuurlijk
niets van die kant zien.590
Tegen het midden van de 19de eeuw was het normaal gesproken altijd op een
zaterdag in de maand januari dat de Du met hun
opvoeringen naar buiten traden. De nieuwe dansen die zij dan
presenteerden waren vaak toepasselijk op de naam of het motto van het
gezelschap. Focke geeft als namen: Foto-doe
(Stad-du), Pranasi-doe (Plantage-du), Sipi-doe (Scheepsdu) en Goutoe-doe
(Goud-du) en noemt als zinspreuken: ‘Hatti tja'
hebi’ (Het hart kan een zware last dragen),
‘Pori-nem no de poeloe geluk’ (Een belasterde naam
staat geluk niet in de weg), ‘Ondervinding foe lobi no habi
kabà’ (In de liefde is de ondervinding oneindig) en
‘Lobi konkroe’ (De liefde zit vol streken).591 Lammens noemt de
Biggy Doe, de Gouddoe, Vertrouwd op God, de Barnsteen Doe, Kaneeldoe en
Monnij principale.592
Henri Rikken vermeldt in zijn historische roman Ma
Kankantrie (1907) de namen Boen nem de gi grani (Een goede naam
is eervol), Boen nem na wan sani (Een goede naam is een goede zaak),
Misgeene (Afgunst), Falsi lobi (Valse liefde), Vertrouwminsi, soema no
de moro (Vertrouwde mensen bestaan er niet meer).593
De Du bleven ook later voor opschudding zorgen. In 1895
plaatste de Nieuwe Surinaamsche Courant een ingezonden
bericht waarin protest werd aangetekend tegen een gewelddadige overval
door politiebeambten in uniform op een huis waar mensen zaten te
kaarten:
[wij spraken] over een ‘Doe’, een
danspartij waaraan verbonden is een ‘Kwakwabangi’,
en wel wat ieder naar den rang, wat hij in die dansvereeniging bekleedt,
aan contributie betalen moet. Dit doen wij elk jaar en wanneer wij gaan
dansen, doen wij dit onder het oog der politie, want behoorlijk betalen
wij p.m. ƒ12,- voor de politie.594
Het beklag bij de Procureur tegen de overval haalde overigens niets uit,
want de commissaris van politie werkte het onderzoek tegen.
Een van de laatst bekende opvoeringen vond plaats in 1913 ter gelegenheid
van de vijftigste verjaardag van de afschaffing van de slavernij.
Zangers en dansers die bekend waren met het spel, werden zeldzaam. Dit
betekent niet dat de Du helemaal verdween.
‘Coroniaan’, de correspondent van De
Banier van Waarheid en Recht in Coronie, maakte in 1930 gewag
van ‘“banja” en “doe”
partijen’ bij gelegenheid van 1 juli.595
Maar met de groei van het historisch besef, herleefde ook de gedachte de
Du nieuw leven in te blazen. Trudi Guda merkt op dat ze in januari 1977 een bijzondere
Du-opvoering bijwoonde, een zogenaamde fesa [lett.: feest], dat wil zeggen een prei waarbij een dier werd geslacht, waarvan het bloed werd
gedronken.596 Op initiatief van
Christine Henar werd het spel nieuw leven ingeblazen in 1998, zij het in
een meer modern-theatrale vorm. Na Gowtu Du werd
opgevoerd op basis van wat François Henri
Rikken in zijn roman
Ma Kankantrie
(1907) | | | | over de Du verteld
had.597 De opvoering
werd aangeduid als ‘volksopera’, al was gezien de
plot ‘volksoperette’ exacter geweest. Het verhaal
draait om de rivaliteit tussen Sisi Van Balen van de Du
‘Pranasi Prenspari’ (De plantage bovenal) en Sisi
Bouman van ‘Fotolibi gi ondrofeni’ (Stadsleven maakt
wijs). Voor de opvoering werd gebruik gemaakt van wat er nog bekend was
aan traditionele teksten, dansen en muziek, zij het aangevuld met nieuwe
teksten van Thea Doelwijt, nieuwe choreografie van Marlène
Lie A Ling en nieuwe muziekcomposities van Ruben Müringen.
En: zij werd gespeeld in theaters.
| |
3.3.2 Lobisingi
In de lobisingi (lett.: liefdesliederen, maar beter te
vertalen met: gezangen over de vroegere geliefde598) bleven bepaalde kenmerken van de Du bewaard, maar ze weken op twee belangrijke punten
af: de participanten waren enkel vrouwen, en wanneer ze niet a capella
werden gezongen, waren de begeleidende instrumenten Europees.599 Voor dit genre
geldt hetzelfde als voor de banya: er wordt een
liedvorm mee aangeduid, evengoed als een vorm van openluchtspel of
straattheater. Voor de liedvorm heeft Albert
Helman ‘madrigaal’ als equivalent
gebruikt.600
Lobisingi dateren van na de afschaffing van de
slavernij (1863). Vrouwen uit de hogere klasse huurden vrouwen uit de
volksklasse in om hun rivalen publiekelijk te kijk te zetten. Meestal op
zondagmiddag kwamen vrouwen bijeen op bepaalde favoriete plaatsen, zoals
de Saramaccastraat. Zij trokken op naar het huis van degene die bestookt
moest worden, en voerden daar een spel van liederen en theater op dat
uren kon duren.
Volgens de beschrijving die Comvalius heeft gegeven van lobisingi in de jaren '30 van de 20ste eeuw, bestond dit spel
uit drie elementen. Het opende met een langasingi
(lang lied), een episch-lyrisch lied bestaande uit coupletten van drie
regels. Dan volgde een - aan de Du ontleende -
theatrale scène waarin Aflaw de hoofdrol
speelde. Aflaw staat symbool voor de moreel hoogstaande vrouw. Ze kan
niet tegen roddel en achterklap en raakt dan ook overstuur door wat ze
in de langasingi heeft gehoord. Ze valt flauw en moet
door Datra (de dokter die bril en hoge hoed als vaste
attributen meekrijgt) bijgebracht worden. Soms wordt Datra bijgestaan door assistentes of verpleegsters. Een derde vast
element van de lobisingi vormen de kot'singi (letterlijk: snijlied), een kort lied waarmee
dezelfde zangeres die de langasingi zong en dus zorgde
voor het flauwvallen van Aflaw, de dokter oproept.
Terwijl de melodie telkens gelijk blijft, verandert de tekst
voortdurend.
Lobisingi zijn liefdesodes die gewijd zijn aan de god
Kibodo/Cupido. Melville en Frances Herskovits wezen op de
West-Afrikaanse herkomst van de lobisingi en
karakteriseerden deze | | | | liederen als een gevestigde vorm van
sociale kritiek door middel van het belachelijk maken van vrouwen met
laakbaar gedrag.601
Gloria Wekker legt sterker het accent op de
lobisingi als een uitingsvorm van liefde, jaloezie
en rivaliteit tussen mati, vrouwen die een
liefdesrelatie onderhielden. Dat lijkt het geval geweest te zijn bij een
huwelijksfeest waarvan de Nieuwe Surinaamsche Courant
in 1894 gewag maakte. Het merkwaardige van deze trouwpartij was, aldus
de krant, dat er alleen maar acht vrouwen aan deelnamen ‘allen
netjes gekleed in wit en “lobiesingie”
(liefdesliedjes) zingende. Dat hierin iets achter zitten moet in strijd
met de goede zeden, zullen wij nauwelijks behoeven te
zeggen.’602
Lobisingi bevatten geregeld onverhulde
scheldkanonnades, maar ook daarin maken zij vaak gebruik van een sterk
beeldende metaforiek. Hoe bedekt hun toespelingen ook waren, de
omstanders van het spektakel zullen de boodschap zeker niet misverstaan
hebben. In lobisingi duiken frequent odo (spreekwoorden) op, soms ontstaan in de liedcompositie, soms
al vroeger bestaand en voor de gelegenheid in de teksten opgenomen. Dat
de teksten veelal gebruik maken van de herhaling van bepaalde versregels
baart bij een liedvorm niet echt opzien. Maar de virtuositeit waarmee in
sommige teksten met woorden wordt gejongleerd, laat zien dat
liefdesijver en -naijver de tong scherpt en de verbeelding kracht bij
zet. Luister met welke beeldspraak deze vrouw de mannen op hun nummer
zet:
Mi e go pakti wan gron, ala misi,
fu mi kan prani mi aleisi na ini,
fu mi fowru kan feni bun nyanyan.
yere san tagotyakon-man de haksi mi:
te mi gi den fowru na nyanyan,
dan san mi e libi den fu soso?
Dan yu mu yere san mi e go piki den,
taki: opo go wroko, un lesiman,
dan un sa wei bigi koto leki mi.
Dan nun fowru tu sa feni bun nyanyan.
Ik ga binnenkort een stuk grond in erfpacht, dames, luisteren
jullie!,
en zal daarop mijn rijst planten,
zodat mijn kippen goed voer kunnen krijgen.
moeten jullie horen wat brengers-en-halers [profiteurs] tegen me
zeggen:
je geeft die kippen dat goede voer
en laat ze voor niemendal rondlopen, wat heeft dat voor zin?
Luister wat ik dan zal antwoorden:
ga werken, jullie luilakken,
dan kunnen jullie het ook breed laten hangen zoals ik.
Dan zullen ook jullie kippen goed voer te eten kunnen krijgen. 603
Werden lobisingi aanvankelijk vaak in opdracht van
beter gesitueerden opgevoerd (die zich niet op het slagveld vertoonden,
maar uiteraard minutieus op de hoogte werden gehouden), later vochten de
vrouwen uit de volksklasse hun onderlinge vetes langs dezelfde weg uit -
en het bleef in sommige gevallen niet bij een verbaal steekspel. Wanneer
lobisingi in een heteroseksuele context voor het
eerst zijn voorgekomen, valt niet meer te achterhalen (naar het | | | | schijnt heeft volksdichteres Christina
Loloba sterk aan die variant bijgedragen - en daarmee ook een
verbod van het genre uitgelokt604). Dat hun ontstaan in die context direct
gerelateerd is aan het creoolse familieverband, lijkt duidelijk.
Herhaaldelijk is al beschreven hoe creoolse mannen voor lange perioden
wegtrokken naar de binnenlanden om er in de houtkap of de balatawinning
de kost te verdienen. Bij afwezigheid van de man nam de vrouw de functie
van gezinshoofd over en deze matrifocale gezinsstructuur leidde weer tot
allerlei verhoudingen - waaronder ook lesbische - die buiten het
nucleaire model van man, vrouw en kinderen vielen.605 De
goldrush aan het begin van de 20ste eeuw met een toegenomen schaarste
aan mannen en grotere rivaliteit tussen minnaressen, heeft
hoogstwaarschijnlijk vers en kurkdroog kruit voor het genre aangevoerd.
Volgens Gloria Wekker worden lobisingi nog altijd opgevoerd, maar in compactere vorm (enkel
de kot'singi) en minder frequent dan vroeger. Daaraan
kan worden toegevoegd dat ze ook tot het repertoire behoren van
culturele verenigingen die zich toeleggen op het levend houden van de
creoolse erfenis, zoals de Paramaribose vereniging Naks. Overigens komen
ze ook voor in de Caraïbische literatuur van elders,
bijvoorbeeld in de vorm van de scheldtirades in
Blacks fauns
(1934) van de van Trinidad afkomstige Alfred H. Mendes.
| |
3.3.3 Laku
De laku is verwant aan het banya-spel
en brengt ook karakters als Afrankeri, Aflaw en Datra ten tonele, maar
het aantal spelers is veel groter en de intrige complexer. Laku moet al vóór 1863 ontstaan zijn,
waarschijnlijk in het Commewijne-gebied, van waar het spel zich heeft
verbreid naar de Beneden-Suriname en de Para. Niettemin zijn er
duidelijk elementen van ná de afschaffing van de slavernij in
aan te wijzen.606 Het stuk
begint met een opo dron (aanheffen der drums) met
liederen gericht tot Mama Aisa (de godin van de
aarde), gevolgd door enkele profane liederen over het plantageleven. In
de liederen is er een wisselwerking tussen de leidster, de trokiman, die de aanhef (troki) geeft en het
koor. Een nog altijd bekend lied bezingt op metaforische wijze het
trotse karakter van de neger, een van de getuigenissen dat wel het
lichaam maar nooit de geest te ketenen was:
Mi na kakafowru, kron de a mi ede
Mi na kakafowru, mi kron de a mi ede
Kaba wansi nefi 'a mi neki, mi kron de a mi ede.
Ik ben een haan, een kroon staat op mijn hoofd
Ik ben een haan, een kroon staat op mijn hoofd
| | | |
Al zet men mij het mes op de keel, mijn kroon staat op mijn
hoofd. 607
De vrouwen dansen bij deze liederen en enkele krijgen yorka-winti, wat wil zeggen dat een vooroudergeest bezit van
hen neemt. Na een pauze volgt een toneelstukje dat draait om een meisje
dat in verwachting is geraakt van een plantagedokter. Allerlei
toneeltjes spelen zich af en er valt voor het publiek heel wat te lachen
om de pikante opmerkingen. Verschillende figuren uit de plantagetijd
bevolken de speelplaats: de basya (de plantagevoorman
met strooien hoed en zweep608), de bemanning van
een boot en chinese en Brits-Indische contractarbeiders. De figuur van
de kuli-konsro, de Engelse consul die de belangen van
de Brits-Indische arbeiders behartigt, maakt aan het stuk een plots
einde door geld te geven en als een suikeroom geld onder de menigte te
strooien. Na weer een pauze volgt nog een lang gedeelte met allerlei
liederen, veelal over het plantageleven maar zonder veel samenhang, tot
het spel omstreeks vijf uur in de morgen eindigt.
Nog omstreeks 1880 werd door de creoolse arbeiders van suikerplantage De
Resolutie aan de Beneden-Commewijne een nieuwe vereniging opgericht
onder de naam Akademi Bigi Firma die onder leiding stond van Nicolaas
Wouter, bijgenaamd Yanga Krasi. Hij zorgde ervoor dat de laku zijn definitieve vorm kreeg, zijn vereniging legde zich
vooral toe op het spelen van dit genre. Toen in 1886 de plantage werd
opgeheven, trokken de arbeiders naar de stad waar de nakomelingen nog
tot ver in de 20ste eeuw de laku bleven spelen. Zo
werd door een kleindochter van de stichter van Akademi Bigi Firma in
1938 het gezelschap Pori Nem (Slechte reputatie) opgericht dat tot rond
1975 het zang-dans-toneelspel opvoerde, en waarvan ook Aleks de Drie
leider was.609 Op 25 juni 1993 verzorgde een groep
onder leiding van mevrouw Holband te Kwatta nog een laku-opvoering.
Bronnen. Aleks de Drie geeft in zijn Sye,
arki tori! (1984: 33-67) vele teksten die bij de banyaprei worden gezongen. Henk Tjon geeft enkele teksten in
Van de Klashorst 1990. Lobisingi zijn te vinden in
alle bovenvermelde studies over het genre. In de Spiegel
van de Surinaamse poëzie zijn er twee uit de laatste
bron overgenomen, met Nederlandse vertaling (pp. 58-59). Laku-teksten geven Van Renselaar 1959 en Voorhoeve
& Lichtveld 1975: 35-39. Daaruit drie in de Spiegel 56-57, met Nederlandse vertaling.
| |
3.4 Andere creoolse liederen
De slaven kenden wrokomansingi (werkliederen) die tijdens
het werk ontstonden op het ritme van de werkzaamheden, het roeien, het
planten, het oogsten, het roeren in de suikerketels. E.J. Bartelink heeft een beschrijving gegeven van de gang van
zaken in het midden van de 19de eeuw:
Bij mijn aankomst was men juist bezig met het afwerken van den
jongsten koffieoogst. Daarbij ging het vroolijk toe, onder gezang en dans.
In een langen houten blok waren er gaten gemaakt. Dat was de mat. In elk gat
werd een zekere hoeveelheid koffiebessen | | | | gedaan, en tegenover
elkaar twee mannen geplaatst met stokken met verdikte einden, stampers
genoemd, die om de beurt de bessen in het gat stampten. Zoo waren vijftig
man bezig te stampen. Een gaf de maat aan van het gezang, onder welks
begeleiding gestampt werd. Het was zwaar werk, dat stampen, en de mannen
werden geregeld vervangen door versche krachten. Het gezang hield de
opgewektheid bij het werk in.610
De meeste van deze liederen hadden de bekende call-and-response-zangstructuur: de voorzanger zingt een couplet dat
door de anderen herhaald wordt. Deze liederen verborgen niet zelden scherpe
kritiek op de slavenmeesters, evengoed als commentaar van de slaven op
elkaar.611 Ook na de
slaventijd werden werkliederen gecomponeerd, zoals het door de Herskovitsen
genoteerde visserslied.612
De kawina (ook kawna of kauna) is waarschijnlijk ontstaan aan het begin van de 19de eeuw
op plantages in Commewijne en heeft zich na de afschaffing van de slavernij
naar Paramaribo verplaatst. Een andere theorie wil dat de kawina pas ná de slavenemancipatie onder de creoolse
balatableeders (rubbertappers) en gouddelvers in het binnenland ontstond en
groeide uit susa en laku-dansliederen.613 Er bestaat de niet-religieuze prisir'-kawina (plezier-kawina)614, maar er is ook een vorm met
teksten uit de orale traditie (banya-, laku- en tuka-liederen) die op het kawina-ritme
worden gezongen: de winti-kawina. Deze vorm moeten Melville en Frances
Herskovits in 1928 of 1929 gezien hebben; zij benoemden die als een
rituele kawina bij de verschijning van een manatee (zeekoe). Zij beschrijven
de kawina als een dans waarbij handen en voeten de maat aangeven, het
lichaam ritmisch beweegt met schuddende billen en de dansers de bewegingen
van de coïtus nabootsen. Kawina zou in hun tijd worden gedanst
door mensen van ‘lagere komaf’ en het zou om
‘slechte dansen’ gaan.615 Van de
Walle meldt dat deze kawina tot aan de Tweede Wereldoorlog op achteraf
gelegen erfjes gespeeld werd, opdat de muziek niet de oren van controlerende
politieambtenaren zou bereiken.616 Dit alles heeft overigens niet verhinderd dat kawina ook
onder andere bevolkingsgroepen in de loop van de 20ste eeuw populair werd en
dat bijvoorbeeld arowakken en karaïben hun eigen kawina
ontwikkelden. De teksten bezingen vaak op bloemrijke wijze
man-vrouw-relaties, hier op te vatten als een metonymische term voor de
geslachtelijke vereniging, maar kunnen ook een maatschappelijke boodschap
bevatten.617 Metaforen worden niet
enkel gehanteerd om hun ornamentele functie, maar eerst en vooral om op
indirecte wijze te zeggen wat er gezegd moet worden. Zij maken zo deel uit
van ‘the art of indirect reference’, de kunst van het op
niet-direct confronteren die zo karakteristiek is voor de communicatie in
West-Afrika en het Caraïbisch gebied.
| | | |
Dit laatste is ook het geval met de kaseko-liederen die
perioden van grote populariteit hebben gekend. Kaseko (van
het Frans: casser le corps, lichaamsbreken) ontstond rond
1900 als instrumentale straatmuziek, werd in de jaren '20 en '30
beïnvloed door de New Orleans-jazz, en kwam in de jaren '60 sterk
op onder invloed van onder meer de calypso. Big' Jones (Marius Liesdek) -
aan wie Michaël Slory zijn lange
gedicht ‘Coronie kawina’ opdroeg618 -, Lieve Hugo (Hugo ‘Iko’
Uiterloo) en later Iwan Esseboom bezorgden het genre met zijn pakkende
teksten de eerste plaats binnen de muziek voor feesten en partijen. Hoewel
het om puur wereldse dansmuziek gaat, zijn er ook geregeld winti-liederen in verwerkt, zij het in een vulgaire variant. Vanaf
het einde van de jaren '80 verkreeg de kaseko in de kawina een serieuze concurrent.619
Kaseko-teksten zitten vol metaforen (die overigens snel
inzichtelijk zijn voor een groot publiek) en in hun beste varianten kan hun
zekere esthetische kwaliteiten niet ontzegd worden. Welke rol de muziek
speelt op een creools feest, schetste Ronald Snijders in het verhaal
‘Bigiyari, een grote verjaardag’ zijn gebundeld in Geef mij maar een Surinamer (1996).
In
Foetoe-boi
heeft J.G.A. Koenders de kondresingi (volksliedjes) ingedeeld in drie
categorieën: 1. liedjes van vóór 1866 (de
liedjes uit de slaventijd die zijn moeder al kende toen ze acht jaar was;
hij noemt er vijf van waaronder ‘Basia fon, mi taki fon’
[Bastiaan sla, ik zeg sla]); 2. liedjes ontstaan tussen 1866 en 1900 (hij
geeft er 26, waaronder ‘Alonki kon dansi’ [Alonki, kom
dansen], ‘Miss Helena, miss Helena, trin tran trin’ en
‘16 april mi boto lai’ [Op 16 april is mijn boot
geladen]) en 3. liedjes van na 1900 (12 stuks, waaonder ‘Te mi
sidon prakseri, mi lobi, watra e lon na mi ai’ [Als ik zit te
denken, mijn liefje, lopen de tranen uit mijn ogen]).620 Als
commentaar geeft Koenders daarbij:
Wij Negers zijn rhythme gek en laten daarom niets na wat het
rhythme genot verhoogt. Wij zijn geen kinderen van de ‘lauwe
Westerstranden’. Daarom zal de Europeaan voor zich nooit het
raadsel kunnen oplossen van de onvermoeid hetzelfde herhalende negerroeier
of Cawienazanger. Hij kan en zal het nooit kunnen begrijpen, omdat hij nu
eenmaal geen Neger is of, om het met Louis Armstrong te zeggen:
‘When you get to ask what it is, you'll never get to
know.’ Wat de inhoud dezer liedjes betreft, zijn het meestal
verhalen in een notedop uit het maatschappelijk of politiek leven: hekelingen, schimpscheuten, spotternijen, vaak aandoenlijk
- naïf of wel ook een duidelijk bewijs van achterlijkheid als
gevolg van verwaarloosde sociale opvoeding en gebrek aan economisch
inzicht.621
Veel van de uit de slaventijd overgeërfde liederen zijn, soms in
gewijzigde of aangepaste vorm, tot de dag van vandaag op orale wijze levend
gebleven, maar wat de oudere generatie daarvan nu nog op jongeren kan
overdragen is natuurlijk sterk de vraag. Dankzij het werk van historici en
antropologen zijn verschillende teksten gedocumenteerd vastgelegd.622 Een aantal groepen
heeft zich toegelegd op de afro-Surinaamse muziek, zang en dans, zoals
Alomijaba, | | | | Naks, Sabi Diri en Abaisa.
Verschillende uit de traditie voortgekomen liederen hebben ook buiten hun
oorspronkelijke culturele context een grote populariteit behouden. Dat geldt
voor de kawina die wel nog door velen met winti wordt
geassocieerd, maar voor veel anderen in Suriname èn Nederland ook
puur ontspanningsmuziek is geworden.623 Christelijke liederen die traditioneel bij
begrafenisplechtigheden werden gezongen, komen ook op het zangrepertoire van
koren voor. Een vergelijkbare contextverschuiving deed zich voor met veel
kinderliedjes die niet zelden van lang geleden dateren. Zo bevat de tekst
van ‘Alonki kon dansi’ een oproep, vermoedelijk aan een
kind, om te komen dansen voor de gouverneur en de koning. Kinderliedjes als
‘Fayasiton’ [Vuursteen], ‘Perum Perum mi
patron’ [Peeroom Peeroom mijn patroon]624 en ‘San y' e luku
mi?’ [Wat kijk je me aan?] hebben de slaventijd overleefd en een
steeds wijdere populariteit verkregen door opname in schoolboeken en
collecties als
Alonki
(1976) van de muziekpedagoge Mavis
Jaliens-Noordwijk. Ook sommige dodoi-singi of
boboisingi, wiegeliedjes, hebben een nieuwe bestemming
gezocht, ver van hun oorsprong.
Bronnen. Verschillende ‘wrokoman
siengie’ verschenen in het tijdschrift Foetoe-boi (1946-1956). Tekst en muzieknotatie van een botosingi (bootlied) bij Van Cappelle 1926/78: 225.
Volksliedjes van allerlei aard zijn te vinden in het maandblad Foetoe-boi (1946-1956), bij Van Panhuys 1933/34 en Abbenhuis
1935/36 en in Amo e.a. 1941. Kawina-teksten geven
Herskovits & Herskovits 1936/69: 685-693. Kinderliedjes zijn te
vinden bij Focke 1857: 102-106 (spreekt van
‘straatliedjes’), Van Panhuys 1936/37, Herskovits
& Herskovits 1936/69: 698 (nr. 252), Comvalius 1948/49 en
Voorhoeve & Lichtveld 1975: 64-69 (nrs. 26-30). Beschrijving van
de meeste kinderspelletjes en liedteksten in Kinderspel in
Suriname (1963: 10-42). Voorts bij Van Cappelle 1916a: 249-252.
René Vervuurt publiceerde een Dodoi-singi
(1960, CatUBA 7175). Moderne varianten van het genre zijn die van Albert
Helman 1994: 32-33, Hein Eersel en Eddy Bruma, beide in de Spiegel 200-201, resp. 210-213. Op de begeleidende cassette bij
Weltaks Surinaamse muziek in Nederland en Suriname (1990)
zijn diverse Surinaamse liedgenres te beluisteren. Snijders 1991 legde
teksten vast en Snijders 1996 noteerde 180 kaseko-melodieën.
|
533Zie het omslagschilderij van Kolfin
1997a en De Drie 1984: 90. Ook in Price & Price 1980: 166,
Fontaine 1985: 46, Kolfin 1997b: 8 en Price & Price 1999:
236. Guda beweert dat het hier om banya en susa gaat (Guda in De Drie 1985: 14). Over Valkenburg:
Van Eeghen 1946, Van Schendel 1963, Vandenbroeck 1992 en Kolfin 1997a:
23-24 en passim.
534Wooding 1972: 273.
Hij spreekt over ‘dorpen’, maar beperkt zich hier
klaarblijkelijk niet tot de Para.
535Van Stipriaan
1993b: 162.
536Zoals Wooding 1972: 457-458
opmerkt. Enkele van deze sociale liedteksten op pp. 458-459.
537Sranan tekst
in Voorhoeve & Lichtveld 1975: 28. Nederlandse vertaling
van Michel Berchem.
538Teenstra 1835, II: 191, Wooding 1972: 272-273. De term banya ook bij Focke 1857: 94-100. Een beschrijving van een
dans gaf ook J.J. Hartsinck al in 1770: 908 (overigens, zonder dat hij
de term gebruikt) maar hij deed dat overigens niet uit eigen ervaring,
en volgens Trudi Guda gaat het bij hem niet om een banya. De oudste betekenis van banya is
overigens die van een tokkelinstrument: oudste vindplaats in 1750 (zie
Schiltkamp & De Smidt 1973: 587), later ook bij Hartsinck
1770: 907 en Blom 1787: 334. Over de verschillende dansvormen: Comvalius
1948/49 (bespreking ervan door Helman 1949b).
539De kwakwabangi was
ook de benaming voor een rijk geornamenteerd buffetachtig meubelstuk
waarin de toeschouwers een bijdrage konden storten. Eén ervan
bevindt zich in het Museon in Den Haag en is afgebeeld op de achterflap
van Doelwijt e.a. 1998.
540J.G. Stedman
(1799-1800, III: 274-278 & pl. xxxvii)
heeft de instrumenten beschreven en afgebeeld, maar Focke 1857: 94-97
maakt daar kritische kanttekeningen bij. Verg. ook Price &
Price 1978-79 en Whitehead 1986. Teenstra 1835, II: 191-194 beschrijft
de banya-muziek en -muziekinstrumenten. Ook bij Benoit
(1980: 36, en plaat 38) komt een beschrijving voor, evenals bij
Boekhoudt 1874: 98-99. Historisch-comparatieve beschrijvingen geven
Gilbert 1940, Wooding 1979: 260-267 en Van Stipriaan 1993b. Over het
samengaan van zwarte en blanke muziek bij de Du
schrijft ook IJzermans 1987. Muzikale analyses door M. Kolinski bij
Herskovits & Herskovits 1936/69: 510-515 en Gilbert
1940.
541Volgens Van Donselaar
1989: 343. In de Nederlandse uitgave van Stedman 1799-1800, III:
273.
542Een
beschrijving ervan geeft Justus in de Berichten uit de
Heidenwereld, Zeist, nr. 7, 10-8-1916, pp. 135-136, gecit. in
ENW 771. Voorts Sedoc 1977: 8 en uitvoerig De Drie 1984: 67-75. Jacq.
Samuels heeft in zijn Schetsen en typen uit Suriname
(1946: 44-47) een levendige beschrijving gegeven van de susa zoals die rond 1900 werd gedanst. Kees Neer verwerkte een
beschrijving van een susa-dans (bij de bosnegers) in
zijn roman Viottoe (1949), pp. 8-11.
543Focke 1857: 106. Het woord
‘majombe’ is een onvertaalbare
uitroep.
545Wooding 1972: 270-271. Verg.
Comvalius 1948-49.
546Sranan
tekst in Voorhoeve & Lichtveld 1975: 66. Vertaling van
mij - MvK.
547Hartsinck 1770: 908.
Focke (1857: 101) bestreed deze onzedelijkheid voor zijn tijd.
549Fermin 1770, I: 128. ‘Slap’ hier te
lezen als: soepel. Verschillende andere bronnen geeft het lemma
‘Dansen’ in de ENW:
260-262.
550Alle
beschreven en sommige ervan ook met afbeelding in Medendorp 1999: 63-67
en 146-150.
551Nepveu 1765/66: 245, gecit. bij Van Stipriaan 1993b:
165.
552Benoit
1980: 64. Hij bedoelt vermoedelijk het Pikorni̱-bos.
553Van
Stipriaan 1993b: 147-148.
554Verg. b.v. Wooding 1972: 257-269,
Stephen 1986: 153 en Cotino 1999: 138-140.
555Herskovits &
Herskovits 1936/1969: 86-99; Wooding 1972: 257-292 beschrijft de prei voor de yorka, 293-364 voor de
goden (maakt melding van zijn interviews met goden op bijv. p. 157, 183,
277, 327); een beschrijving van een wintiprei ook bij
Sedoc 1979: 7-13, Stephen 1998: 87-92 en Schoonheym 1980: 138-140 (die
ook de benamingen kawina-presiri en kawina-prei hanteert en een lijst van prei
geeft die gedurende drie maanden in 1977 in de Para hebben
plaatsgevonden).
556Wooding 1972:
257-267 beschrijft 8 verschillende instrumenten die nog altijd in
gebruik zijn (plus 4 in onbruik geraakte). Ze komen globaal overeen met
het instrumentarium dat later bij de banya wordt
beschreven.
557Vgl. Voorhoeve & Lichtveld 1975: 54;
Stephen 1987: 88; O' Bryan 1990: 33.
558Blaaspijp 1983a:
24. Stephen 1992: 38. Voorhoeve & Lichtveld 1974: 4 en
O'Bryan 1990: 33 maken van het Sranan geen melding.
561Ontleend aan Wooding 1972: 284. Het eerste deel van de
interpretatie volgt Wooding.
563Wooding 1972: 323 zegt dat ze 's ochtends in de
schemering verschijnen zodat ze dan andere goden vermijden, Stephen
1987: 61 zegt daarentegen dat ze 's middags verschijnen wanneer de zon
het hoogst staat, waarmee de structurering van een prei bij hem dus anders uitvalt.
564Opgenomen en vertaald door C.J.
Wooding 1972: 338-339.
565De Bruin
1999: 146; de muzieknotatie op p. 149; toelichting op p. 150. Het
eerste couplet ook bij Wooding 1972: 346. De toelichting is ontleend
aan zowel De Bruin als Wooding.
566Stedman 1799-1800, III: 278 meldt dat elke
zaterdagavond ‘eene vrolykheid’ van zang en dans
plaatsvond en eens in de drie maanden ‘eene groote
dans-party’. Comvalius 1938: 291-292 bespreekt een
oogstlied van voormalige slaven waarin gouverneur De Friderici wordt
geëerd.
567Aldus Van Renselaar 1963:
12. Toeschouwers overigens niet in al te strikte zin als
‘Publiek’ op te vatten. ‘Er was geen
scheiding tussen kunstenaar en publiek, allen waren deelnemers aan
dezelfde ceremonie’, schrijft Van Stipriaan 1993b:
159.
568Lammens
1982: 179. Bergendaal is Berg-en-Dal aan de Surinamerivier.
570Schiltkamp & De Smidt 1973: 221.
571Hartsinck 1770, II:
990.
572Verg. de decreten in
Schiltkamp & De Smidt 1973: 409, 593, 664, 926. Buddingh'
1995/1999: 103 meldt dat Crommelin op 23 december 1763 de
toestemming om te baljaren ‘geheel’ introk, maar
dit is niet juist.
573Nepveu 1765/66: 227, gecit bij. Buddingh' 1995/1999:
103-104. Het woord tussen vierkante haken is door mij toegevoegd -
een verschrijving van Nepveu of Buddingh'? Over de versie van
Nepveus manuscript: Boumann 1995: 73-75. Het decreet bij Schiltkamp
& De Smidt 1973: 928.
574Focke 1857: 95. Van de marrons kennen alleen de matawai
de banya.
575De Drie 1984: 33. Hij geeft een zeer uitvoerige
beschrijving van een banyaprei (pp. 33-67).
576O'Bryan 1990: 33. Stephen 1992: 34 daarentegen zegt dat
prodo-banya juist voor de vooroudergeesten
wordt opgevoerd. Hij noemt ook nowtu-banya,
bedoeld om familiale problemen op te lossen.
577Voorhoeve & Lichtveld 1975: 17. O'Bryan 1990: 33 stelt
bakafutu-banya en yorka-banya aan elkaar gelijk, ten onrechte zoals het
duidelijke onderscheid van Aleks de Drie 1984: 35 aangeeft.
578Voorhoeve &
Lichtveld 1975: 16. Als Aleks de Drie het woord Du
gebruikt, legt hij daarentegen het accent op het religieuze
karakter, terwijl hij spreekt van ‘partij’ als
het gaat om de muziek- en dansgezelschappen (De Drie 1984:
129).
579Nassy 1791/1974, II:
30-31. In de Franstalige editie: Nassy 1788/1968, II: 38.
580Van Renselaar 1963a: 12. De navolgende beschrijving is
ontleend aan Voorhoeve & Lichtveld 1975: 17. Henk Tjon
beschrijft een banyaprei in Van de Klashorst
1990.
581Althans volgens Doelwijt e.a. 1998: 8.
582Gecit. naar de herdruk in
Opbouw, 10 (1954), nr. 1, januari, pp.
40-41.
583J.F. Ludwig schrijft over deze overdaad in zijn Nachrichten von Suriname (1789), aangehaald bij
Benjamins 1924/25: 588-589; zie ook Nassy 1788, II: 38. Lammens
1982: 93-94 beschrijft de Du, evenals Teenstra
1842: 122-123, die ook een tekst in vertaling geeft.
584Comvalius 1935/36: 213-220 beschreef de Du.
588Schiltkamp & De
Smidt 1973: 1181. GAB 17/19-11-1828. GAB 10/21-5-1833. Een voorbeeld
van een planter die tegen een hem opgelegde boete protesteerde geeft
Beeldsnijder 1994: 132.
589Aldus G.G. 1839: 470. Hij
pleit ervoor, gezien de onvoegzaamheid van de schimpteksten van de
‘Does’, dat bij elke aanvraag bij de politie om
schriftelijk verlof tot het geven van een partij, een opgave van
deelnemers te eisen.
590Van
Hoëvell 1855: 79-81.
593In de herdruk in Opbouw, 10 (1954),
nr. 1, januari, p. 33.
595‘Brieven uit Coronie’, in BWR
107/8-7-1930. Hij maakte ook melding van een partij
‘roundass’ (rondas, een balspel begeleid met
muziek). Trudi Guda stelt dit gebeuren aan de orde in een te
verschijnen studie over drie eeuwen banya.
596De Drie 1984: 48/129. Gezien de
beschrijving gaat 't hier duidelijk om een banya,
niet om een laku.
597Het betreffende fragment werd
opgenomen door Doelwijt 1974: 9-22. Bespreking van Na
Gowtu Du door Els Moor in DWTL 534/6-6-1998. Radio-opnames
van 29 en 31-8-1998 waarin Doelwijt over het stuk vertelt, bevinden
zich in het NAA, sign. HAD10331, resp. HAD10330
598Hierin val ik Koenders bij die in Foetoe-boi Comvalius' vertaling van het woord met
‘liefdeszangen’ bestreed (zie F, jrg. 4, nr. 12,
april 1950, p. 2).
599Ik ontleen deze gegevens aan Gilbert 1940:
9-10, Wekker 1994: 160-163 en Comvalius 1939/40. Over de lobisingi
voorts Comvalius 1935, Herskovits & Herskovits 1936/1969:
23-32 (ook met muzieknotatie: 695-697) en Voorhoeve &
Lichtveld 1975: 18-20, 38-49 (nrs. 35-52).
600Helmans gedicht
‘Lobisingi/Madrigaal’ verscheen in Donicie 1954:
140, Helman 1994: 44-45 en Spiegel 116-117.
601Herskovits &
Herskovits 1936/1969: 23-24. Zij wijzen er ook op dat lobisingi gezongen kunnen worden door een man en een vrouw
die samenleven, waarbij niet de naijver maar het erotische voorop
staat.
603Ontleend aan Voorhoeve &
Lichtveld 1975: 40. De Nederlandse vertaling is van Michel
Berchem.
604Leefmans
1961/62b: 17. Heloïse Holband vertelt erover in Schouten
1994: 174-175.
605De bekendste sociologische studie is die van Buschkens
1973 & 1974. Recentere studies zijn die van Ellen
Klinkers 1997 die het creoolse gezin beschrijft in de overgangstijd
van slavensamenleving naar creoolse gemeenschap, die van Tijno
Venema 1992 die de creoolse sociale verhoudingen in Amsterdam
beschrijft, en die van Gloria Wekker (1994) die de seksuele
verhoudingen onder creoolse volksvrouwen analyseert.
606Van Renselaar 1959 geeft er een
uitvoerige beschrijving van (beknopter is Van Renselaar 1963a) met
alle spelers, de opstelling, opbouw van het spel en liedteksten. Het
navolgende is daarvan een sterk verkorte weergave.
607Sranan tekst in Voorhoeve
& Lichtveld 1975: 34. Vertaling van mij -
MvK.
608Over de basya: Hoogbergen 2001.
609Voorhoeve & Lichtveld
1975: 17 doelen waarschijnlijk op deze groep als de enige die in
1975 nog bestond. De Drie 1984: 75 vertelt erover. Zie verder
Voorhoeve 1997: 315, 344.
611Van Panhuys 1912 & 1936/37.
Comvalius 1948/49: 20-23. Van Stipriaan 1993b: 160-161.
612Herskovits &
Herskovits 1936/69: 697-698 (met muzieknotatie).
613Gieben 1985: 70. J.
Korsten zegt dat zekere visser Deugdzaam geboren in Commewijne in 1906
het genre zijn naam gaf, doordat hij zo goed drumde (F, jrg. 6, nr. 10,
februari 1952, p. 2).
614Maar
Schoonheym 1980: 138-140 beschrijft een wintiprei in
de Para waarvoor hij het synoniem kawina-presiri
gebruikt. In zijn lijst van rituelen (143-145) gebruikt hij telkens de
term kawina-prei.
615Herskovits & Herskovits 1936/69: 10-12. De sociale
stratificatie van deze muziek schijnt overigens in een halve eeuw niet
werkelijk gewijzigd te zijn, vgl. Sansone 1992b: 152.
616Van de Walle 1956:
261.
617O'Bryan 1990: 35-36. IJzermans 1987:
51-52. Van Stipriaan 1993b: 166-167. Informatief is voorts: Hillary de
Bruin, ‘ Naks Kawina Festival: terug van
weggeweest’, in DWT 7-5-1997.
618De film Alla pikinnengre, tot stand
gekomen met medewerking van Albert Helman, is een film over deze
kaseko-zanger.
619Over de ontwikkeling: Snijders 1991 en beknopter maar beter bereikbaar:
Gieben 1985: 71-74 en Weltak 1990: 72-76. Over kaseko
door bosnegers: Mosis 1994.
620Niet-ondertekende bijdrage in F, jrg. 6, nr. 4, augustus
1951, p. 4. Schrijfwijze volgt de huidige voorkeurspelling. Toelichting
in F, jrg. 6, nr. 5, september 1951 en nr. 9, november 1951.
621F, jrg. 6, nr. 5, september 1951, p.
3.
622Zo heeft historicus André Loor de
achtergrond beschreven van een kort lied waarin de Redimoesoes (het
korps der Zwarte Jagers die in de 18de eeuw tegen de marrons optrokken)
hun tevredenheid betuigden over hun weldoener, gouverneur Friderici, die
hun vruchtbaar land had geschonken aan de rand van het toenmalige
Paramaribo, Frimangron geheten (WS 16-9-1993).
623Sansone 1992:
150-156.
624Theodor Comvalius 1938: 293-295 licht het liedje toe. Derijck J.H.
Ferrier 1999 beproefde een andere interpretatie van dit liedje. Hij liet
zien dat het om een dialoog gaat tussen de bezadigde oudere negerslaaf
Peroem (Peeroom) die de leiding heeft over een suikerkokerij van een
suikermolen ( mirihoso) en een jongere, ietwat
opstandige slaaf Kodjo.
|
|