|
|
|
| |
| | | | | |
9.1 Teksten in het Nederlands
Achttiende-eeuwse dichters hadden geen verpeste jeugd nodig om hun emoties
aan het papier toe te vertrouwen en het waren niet de jonge slaplantjes die
hun poëtische verbazing opriepen. Wat in de 20ste eeuw de reuk
zou krijgen van oppervlakkigheid, en afgedaan zou worden als amateurisme,
was in ieder geval in de eerste helft van de 18de eeuw een respectabel
genre: het gelegenheidsgedicht. Op de ‘liefhebbers’ werd
niet met dédain neergekeken. Een gewonnen zeeslag, het jubileum
van een genootschap of zelfs maar de jaardag van een vooraanstaand burger
maakte al dat het dichtersbloed door de geopende sluisdeuren klotste. Toch
was de situatie aan het einde van de 18de eeuw in Suriname niet geheel
identiek aan die van het land waarvan het letterkundige leven zo getrouw
gekopieerd was: Nederland. In de Republiek vond men gaandeweg de eeuw steeds
sterker dat de poëzie over persoonlijk lief en leed afbreuk deed
aan het patriottisme, en de dichtgenootschappen legden hun leden zelfs een
verbod op gelegenheidspoëzie op.178 In de kolonie Suriname vormde het
gelegenheidsgedicht intussen het bloeiendste aller genres.
Een van de vroegste teksten uit de kolonie was een lofzang in het Hebreeuws
en Nederlands door J.J. Rudelsom bij de
inauguratie van Jan Gerhard Wichers op 2 juni 1785:
Lof op de blyde dag der inhuldiging van zyn weledele
gestrenge den heer mr. Jan Gerhard Wichers gouverneur generaal over
de colonie Suriname
.179
Veel teksten van het einde van de 18de eeuw zijn overigens niet bewaard
gebleven. Behalve de Letterkundige Uitspanningen heeft de
kolonie in de 18de eeuw nog het werk van Roos voortgebracht en een handvol
verspreide verzen. Dat is het dan. Het gebruik om in de kranten
poëzie te publiceren zou pas in de 19de eeuw opkomen.180 Het
palet aan emoties is in wezen nogal beperkt, veel wordt in vormelijkheid of
ironie gestikt. Zo zijn maar weinig verzen bekend die iets loslaten van het
heimwee dat de Hollandse migranten in de West gekend moeten hebben. Er is
een anoniem planterslied van ca. 1780 waarin een koloniaal zich beklaagt
over het veraf-zijn van vaderland, vrienden en beminde, met scabreuze
toespelingen als
't Zwarte Volk, 't gansch geslagt,
Juicht hier vrolyk dag en nacht [...]
Terwyl 't myn niet mag gebeuren
U te omhelzen als welëer 181
Paul François Roos heeft wel twee
gedichten geschreven waarin hij zich overgeeft aan melancholisch gemijmer
over zijn geboorteland. In het lange gedicht
‘Tuingedachten’ | | | | denkt hij terug aan het
dorpje Diepeveen waar hij ritjes met de koets maakte en ging vissen en hij
genoot van vogeltjes, boter en kaas. Maar dan slaat hij de ogen op en kijkt
om zich heen:
'k Dacht, hier leef ik als een koning
Daarom, wat verlang ik meer! 182
Wat hij nog meer verlangde, zal in de volgende Close-up en in het Profiel van
Roos worden geschetst.
| |
Close-up: Letterkundige Uitspanningen
De
Letterkundige Uitspanningen
van het Genootschap zijn de voornaamste bron om de koloniale
dichtkunst aan het einde van de 18de eeuw te leren kennen. In de jaren
1785-1787 verschenen er vier bundels, alle vier gedrukt te Paramaribo
bij W.H. Poppelmann (zie voor een index ervan bijlage VI).183 Mogelijk zijn er meer
van deze genootschapsbundels verschenen, maar die zijn dan niet bewaard
gebleven; wel zijn er gedichten van ná 1787 van de hand van
Roos bekend die het genootschap tot
onderwerp hebben.184 Volgens de ‘Toewyding’ van de hand
van Hendrik Zwartenhoff waarmee de eerste bundel opent is er een zestal
lettervrinden die de bundel aanbieden aan de ‘Surinaamsche
Burgerschaaren’. Vice-President P[aul] F[rançois]
R[oos] stelt in zijn ‘Voorreede’ - opgesteld volgens
de klassieke regels van de ars dicendi - vast
dat er jegenswoordig in ons Land zig Minnaars van Geleerdheid
genoeg bevinden, die door hunne Kennis in Konsten en Weetenschappen,
door een groot denkend vernuft, en door ervaarnis in Taalen, vermoogens
genoeg bezitten om den Opbouw en de Aankweeking daar van te onderneemen
en uit te voeren.
Ongetwijfeld zijn deze regels opgesteld als een exordium om het publiek voor zich te winnen. Paul Hollanders ziet
er ook een verweer in tegen de laatdunkende opmerkingen die over
Suriname zijn gemaakt door onder meer Mauricius, Van Winter en Le Francq van Berkhey185 en ook in die zin zal het voornamelijk
uit planters bestaande publiek de woorden met welgevallen hebben
gelezen. Het gezelschap wil het vaderlandse genootschap Felix Meritis
van verre navolgen in het beoefenen van verschillende takken van
wetenschap, zoals de dicht-, landbouw- en natuurkunde en de kunst van de
koophandel, maar
Vermits de Hoofdsmaak van de thans werkende leeden dichtkonst
en Letteroefening is, zoo zal deeze eerste bundel geen andere voorwerpen
dan die Beide bevatten.
Direct daarop barst Roos uit in een laudatio aan de natuur:
Natuur leeraart hier op de Kruinen der schat bewaarende bergen,
onderwyst in de | | | | altyd groene valeien en deelt haare
heilzaame lessen uit in Hemel hooge Bosschadien, Vrugtvoortbrengende
gronden, en Rykgeschubde Rivieren, aan alle kanten toont Zy een nimmer
eindigende overvloed aan. Hoe uitgebreid is hier toe niet de
onderzogt wordende Landbouw, die Moeder onzes welvaarts? de Pyramidale
Coffyboom, het Sappig Suykerriet, de Vette Cacao de Vlok-Ryke en Mensch-Kleedende Catoenboom, en
zoo veele andere kostelyke voortbrengselen van dit Land, verdienen
immers wel het onderzoek onzer inwoonderen, en de aandagt en
oplettendheid der verafgeleegene Vreemdelingen; de Vetagtige Kley, het
Swarte Veen, het Bittere Mangron en Parwa, de Verheevene Schulpritsen,
en verschillende soorten van zanden, verbergen die niet in zig de
kostelykste schatten van een naauwkeurige uytvorsching?
Vervolgens wijdt Roos nog uit over de tweede tak van het bestaan in de
kolonie, de koophandel die evenzeer waakzaamheid verdient.186 En daarmee zijn de programmatische
coördinaten uitgezet, niet alleen voor Roos' eigen tijd, maar
voor nog zeker anderhalve eeuw: het voornaamste object van de
literatoren zal een land zijn waarin alles en iedereen beheerst wordt
door ploeg en koopmansgeest.
De eerste bundel Letterkundige Uitspanningen is bijna
een complete collectie gelegenheidsverzen. Maar liefst negen gedichten
hebben de begroeting van de nieuwe gouverneur Wichers tot onderwerp. Dat
van Roos refereert direct aan zijn Redevoering over de
oorzaaken van 't verval en de middelen tot herstel der volksplanting
van Suriname (1784) en daarmee is al genoeg gezegd over wat de
verwachtingen waren ten aanzien van de nieuwe landvoogd: hij moest de
marrons te lijf, of in de woorden van Hendrik Zwartenhoff:
‘Zoo zien wy ons eerlang bevryen/ Van trotsche
Neger-Dwing'landyen’ (p. 12). De bundel telt ook nog een
gedicht op de beeltenis van Wichers' voorganger Texier en een
grafschrift voor dezelfde. Voorts telt de bundel twee grafschriften,
vier klinkdichten, waarvan drie van Hendrik Schouten, een
‘Morgengebed’, een gedicht van Lemmers, en twee
verzen bij wijze van ‘Aanspraak’: een van Voegen van
Engelen aan het kunstgenootschap Pro Excolenda Eloquentia en een van
Schouten aan het genootschap De Surinaamsche Lettervrinden. Met
uitzondering van dit laatste gedicht en de klinkdichten, zijn alle
verzen euforisch van toon en gesteld in breed uitgewerkte
classicistische metaforen waarin het hele muzengezelschap de revue
passeert: Apollo, Melpomene, Thalia enz. Lemmers waagt zich ook aan het
hoogstandje van een acrostichon op de naam Wichers.
Dezelfde N.C. Lemmers draagt ‘De
wysgeer in zyn stervuur’ bij. In het aangezicht van God vraagt
een op sterven zijnde filosoof zich af of God op hem verbolgen zal zijn
Om dat ik Menno, noch Armyn;
Nog Luther in zyn Leer wil volgen,
Of nimmer Roomsch gezind kon zyn.
En in de laatste van de tien strofen neemt de
‘verteller’ het woord:
Zegt Dweepers word door U die Wysgeer, zo beroemd,
Wyl hy niet dagt als gy, om zyn geloof verdoemd?
Of denkt gy, dat het Opperwezen,
Zig aan Geloov's verschillen stoort?
O Neen, zyn Goedheid nooit volprezen,
Word door de Deugd Alleen bekoord.
Wolbers merkt naar aanleiding van deze
‘zeer vrijgeestige denkbeelden’ op, dat bij het | | | | genootschap ‘de meer en meer veldwinnende
deïstische gevoelens eene voorname plaats’ schenen
in te nemen.187
Deze veronderstelling is niet onwaarschijnlijk: de remonstrantse Paul François Roos bijvoorbeeld
huwde een gereformeerde vrouw.188 In het
Conventus Deputatorium werd er over Lemmers' vers geklaagd, omdat er
veel strijdig was met de gereformeerde leer. Gouverneur en Raden werd
verzocht om politiek in te grijpen, maar omdat de auteur geen lidmaat
van de Gereformeerde Kerk was en het stuk toch al was gedrukt, werd er
deze keer niet ingegrepen. Dit leidde ertoe dat voortaan alles wat
gedrukt werd eerst ‘geapprobeerd’ moest worden door
de gouverneur, en wat van theologische aard was zou worden voorgelegd
aan de oudste predikant van Paramaribo. Gevolg hiervan waren de
censuurzaken betreffende de Surinaamsche Spectator, de
Nieuwsvertelder of zamenspraak tusschen Louw en
Krelis en Hans en 't Schaduwbeeld die al eerder
werden besproken.
De tweede bundel Letterkundige Uitspanningen is minder
dik bezaaid met gelegenheidsverzen, al ontbreken ze niet. Zo zijn er
twee verzen op het overlijden van het vijfjarige dochtertje van J. Voegen van Engelen, waarvan het eerste - van
Paul François Roos - opvalt door zijn lichte toon. Roos en
Hendrik Schouten nemen het leeuwendeel van de tweede bundel voor hun
rekening: 33 van de 45 pagina's. De enige nieuwe stem is die van P. Malmberg die conform de conventie vooral de
lof van het genootschap zingt. Roos zit weer hoog op de Parnassus,
behalve de letterkring prijst hij deze keer ook het huwelijk. Het lijdt
weinig twijfel dat deze tweede bundel vooral zijn belang ontleent aan de
verzen van satiricus Hendrik Schouten. Hij
maakt in ‘Een tal Surinaamsche ondeugden’ zeer
kritische opmerkingen over bedriegerij, woekerzucht en onkuisheid in de
kolonie, maar redt zijn eigen positie door tot slot te verzuchten: waar
is er een plaats waar die dingen niet gebeuren. Toch meende Paul
François Roos de handdoek te moeten opnemen en zo schreef hij
een vers over de Surinaamse deugden: de gastvrijheid, armenhulp,
godsdienstvrijheid enz.
Opmerkelijker nog zijn twee andere verzen van Schouten, ‘De geele vrouw’ en
‘Een huishoudelyke twist’ die in het Profiel van
Schouten worden besproken.
De derde bundel Uitspanningen komt nog in hetzelfde
jaar 1786 uit en opent met de lange redevoering van Paul
François Roos over de tegenwoordige staat van kunsten en
wetenschappen, die we al eerder hebben besproken. Daarna tekent David
Isac de Cohen Nassy voor het eerste prozastuk in de Letterkundige Uitspanningen. Zijn ‘Dichtkundige
bijspraak van een nieuw lid’ is een parabel naar
classicistische snit, met niettemin enkele opmerkelijke trekken.189 Bij het krieken van de morgen zien we de
‘God der Dichtkunde’, Apollo, die vertoornd is omdat
hij alleen ‘Inwoonders van de oude wereld’ zich ziet
laven aan de ‘Hengsten-bron’. Hij vraagt zich af
waarom de invloed van de Muzen niet ook bij de inwoners van de Nieuwe
Wereld merkbaar is:
Ik begeer niet, dat zij zich altoos van vreemde Werken
bedienen, om hunne begaafdheid te vercieren, neen! mijne Offerhanden, uw
Wierrook, moeten uit de breinen van hun, die zulks voortbrengen,
vloeijen.
De God Genius wordt gezonden om iets aan de situatie te doen en ziedaar:
er ontstaan leesgenootschappen - hier stapt Nassy uit de parabel - en de
Dichtkunst steekt het hoofd op. Momus, de God die iedereen doet lachen,
eist een lid op - een duidelijke toespeling op satiricus Hendrik Schouten - maar Apollo beslist dat hij
voor de helft aan Thalia en voor de helft aan Momus toebehoort. Nassy
eindigt met de bede aan ‘die lieflijke Maatschappij’
hem in zijn schoot op te nemen, en blijkbaar uit angst niet begrepen te
worden, geeft hij ook nog uitleg over wie er met die Maatschappij
bedoeld is.
| | | |
Naar genre is de bundel verder op een vergelijkbare wijze samengesteld
als de tweede, zij het dat Hendrik Schouten kwantitatief minder
prominent aanwezig is. Hij maakt wel opnieuw toespelingen op zijn eigen
situatie, deze keer in een gros versregels onder de titel ‘Het
vrouwelijk avond gezelschap’, waarin hij een aantal vrouwen
ten tonele voert die smalen
Dat Chams geslagt geen eer behoort:
Moet men 't gekleurde menschdom achten? [...]
Kan 't kleurig vel de deugd betrachten?
Als de ikfiguur ertegenin gaat dat niet de huidskleur telt -
‘Vormt men 't weldenkend hart door vellen?’190 - ligt de repliek dan
ook voor de hand: ‘Zijn eigen wijf is immers geel!’
En prachtig beschrijft Schouten het statige afscheid:
Toen zag men neigende elk verdwijnen,
Zoo als men neigend binnen kwam.
Paul François Roos zet met het
refrein van zijn ‘Lierzang’ de toon voor de taaie
traditie van het nationalistische vers:
Ik, Ik zing Suriname's strand!
Mijn heil, mijn lust, mijn levensstand!
Een ander zing het Vaderland een Lied ter eere!
Dichtend in conventionele versvormen en metafora steelt Roos niettemin
gunstig af bij zijn collega's die grossieren in gemeenplaatsen en het
leven het liefst van zijn zonnigste kant zien, zoals Lemmers in zijn ‘Avond gebed’:
'k Zie ginds mijn Slaaven afgezwoegd,
Geen zorgen vreezend', vergenoegd,
Hun afgematte leen verkwikken.
Niets stoord die heilrijke oogenblikken
Niettemin is dit gedicht interessant, omdat het reflecteert op de dood -
een weinig gezien verschijnsel in de koloniale poëzie.
Kwantitatief het meest opmerkelijk in de vierde en laatst bekende bundel
Letterkundige Uitspanningen zijn een reeks
gedichten van C. Smit op de geboorte, het
lijden en de kruisdood van Christus, en een referaat van David Nassy waarin hij de etymologie van de
woorden ‘roman’ en ‘romance’
naspeurt. Bij de andere bijdragen gaat het hoofdzakelijk om
gelegenheidswerk. Het zijn weer Roos en Schouten die de lezers wakker
houden. In het openingsgedicht van de bundel verrast Roos met een
tournure van belang. In ‘Surinaame aan Demerary en
Essequebo’ roept de kolonie haar zusterkolonies op om
gezamenlijk het dwangjuk van het ‘moederland’ van
zich af te schudden:
Hoe! zyn we in 't West dan niet dan slaaven,
Die werken, wroeten, zwoegen, draaven,
Tot voordeel van ons Nederland?
Vanzelfsprekend is ‘slaaven’ hier een metafoor die
met de wérkelijke slaven niets van | | | | doen heeft.
Roos toont hier wel hoezeer hij zich met Suriname identificeerde - een
manifestatie van kolonie-nationalisme zogezegd - door zich af te zetten
tegen Nederland.
Hendrik Schouten mocht zijn satirische kruit verschieten in een
‘Rouwklacht’ op de dood van de kruidendokter Quassie
van Timotibo, uitvinder van het koortswerende quassi-bitter.
Wilt Uw Banannen zwarter roosten,
Ten blyk dat gy niet zyt te troosten
zo roept hij de ‘Zwartinnen’ op, en hij eindigt de
klaagzang met de regels
Men schenk' zyn Graf ter eer een zuil van zwart Albast,
En bytele daar op, hier rust een groote
quast.
Drie auteurs zullen we hier nog nader bekijken, J. Voegen van Engelen,
Hendrik Schouten, en Paul François Roos.
| |
Profiel: Jacobus Voegen van Engelen
Leven en werk. Jacobus Voegen van
Engelen werd als zoon van de dichter Cornelis van Engelen
geboren in Harlingen in 1755 of 1756.191 Hij studeerde letteren en
medicijnen en werd stadsgeneesheer in Leiden,
uitgever van
Het Genees-, Natuur- en Huishoudkundig Kabinet
(1778-1784) en vertaler van een boek over schijndood. Op 23
juni 1784 werd hij benoemd tot lector in de vroedkunde aan 's-Lands
Hospitaal in de kolonie Suriname.192
Kort na zijn aankomst moet hij in een opera gespeeld hebben.193 Hij werd in 1785 de
eerste voorzitter van De Surinaamsche Lettervrinden, maar gaf de
voorzittershamer al gauw over aan Roos, vermoedelijk omdat hij bezig was
met de voorbereidingen van het blad
De Surinaamsche Artz
. Het lijkt mij niet onmogelijk dat ook het overlijden van zijn
dochtertje een rol in dezen heeft gespeeld. Het eerste nummer van De Surinaamsche Artz kwam op 18 september 1786 uit en
het tijdschrift zou in de dertien nummers die over twee jaar verschenen
aandacht besteden aan onderwerpen als thermometer en barometer, weer,
klimaat en bodemgesteldheid en de uitwerkingen die deze hebben op de
gezondheid van de mens. Het blad was een teken van de intellectuele
nieuwsgierigheid van zijn tijd, maar tenslotte toch de resultante van de
ambities van één individu die ook het blad
volschreef: dr. Jacob Voegen van Engelen. Deze betoonde zich overigens
een snaakse geest, toen hij de schrijfster van een ingezonden brief over
venerische ziekten bij negers waarschuwde:
Ik ken onze Surinaamsche Spotboeven: ik Vrees
dat zy onder elkander anders hun voorhoofd ontfronsen zouden, om eens
hartelyk eene Dame uit te lachen die het gewaagd zoude hebben om
diergelyk eene Proef-ondervindelyke Natuurkundige aanmerking te laten
drukken.194
Het was weer Voegen van Engelen die in 1788 de voorzet gaf voor een nieuw
genootschap, het | | | | eerder vermelde De Surinaamsche Landbouw.
Voegen van Engelen werd er de eerste president van. In 1798 werd hij
bovendien voorzitter van de vrijmetselaarsloge Concordia.195
Hij vervulde verschillende overheidsfuncties: Raad bij het Hof van
Justitie, ad interim secretaris van de Kolonie en ‘Eerste
Exploieteur’ (deurwaarder). Voorts had hij aandelen in
verschillende plantages en in 1787 adverteerde hij ook met
‘Een Party Nieuwe Kust Slaaven, onlangs aangebragt met het
schip Vergenoegen, Kapitein R. Goodwill, zynde allen
gezond!’.196 In 1801 gaf hij samen met J. Embricqs te
Paramaribo een Verzameling van alle losse stukjes,
in de Surinaamsche couranten, enz. verschenen,
betreffende het verschil tussen de Heeren P.F. Roos en J.C.
Windhorst, enz. uit.197 In 1804 werd zijn drukkerij nog vermeld als uitgever
van de Surinaamsche Courant198, maar hij overleed zelf vermoedelijk eind
1803.199
| |
Profiel: Hendrik Schouten
Leven. Hendrik Schouten werd
in Amsterdam geboren en op 6 oktober 1745
gedoopt in de nederlands hervormde Zuiderkerk. Hij zette in 1769 koers
naar Suriname.200 Hij werd werd secretaris van de
Weeskamer, en nog hetzelfde jaar ‘adsistent notul schrijver in
den hoove’.201 Hij werkte zes jaar als
klerk in gouvernementsdienst, onder meer bij de gouverneurs Wichers en
Beeldsnyder Matroos. In 1785 verzocht hij tot ‘Boekhouder van
de Classis van 't Hospitaal’ te worden benoemd; onbekend is of
het verzoek ook is ingewilligd.202 In 1786 werd hij
provisioneel aangesteld tot ‘Coffijweeger’, het jaar
daarna tot waagmeester - een functie die hij volgens de Almanach voor 1793 nog in dat jaar vervulde.203 Blijkbaar fungeerde hij
tegelijkertijd als ‘Copiist der Notulen van de Respective
Hoven’.204 Schouten was
bovendien Commissaris van Kleine Zaken.205 In 1793 opende hij een herberg aan
de Waterkant, in het huis ‘eertyds bewoond door de Weduw J.
Grospoil’.206
Op 20 maart 1772 trouwde Hendrik Schouten met de kleurlinge Suzanna
Johanna Hansen, een achternichtje van de vermogende Elisabeth Samson die
in 1764 als eerste vrije negerin een wettig | | | | huwelijk met
een blanke had gesloten.207 Uit het huwelijk van Hendrik en Suzanna
werden twee dochters en drie zoons geboren; de oudste van deze zonen,
Gerrit Schouten, zou als tekenaar en ontwerper van diorama's de
geschiedenis ingaan als de eerste Surinaamse kleurling-kunstenaar.208 De
tweede zoon, Philip, werd in Suriname een bekend jurist en klom op tot
een hoge rang in het gouvernement.
Schouten heeft een actieve rol gespeeld in het culturele leven van
Paramaribo: in 1773 werd in zijn huis het toneelstuk
Sabina en Eponia
opgevoerd (hij moet dus toen in goede doen zijn geweest,
vermoedelijk dankzij de handel in wisselbrieven209) en hij speelde ook
zelf toneel. In 1785 tilde hij het genootschap De Surinaamsche
Lettervrinden mee van de grond, in 1796 was hij de uitgever van de
Nieuwsvertelder of zamenspraak tusschen Louw en
Krelis
. Hendrik Schouten overleed op 27 september 1801 en ligt in
Paramaribo begraven op de Nieuwe Oranje
Tuin.210
Werk. Er is weinig dat het spottend oog van Schouten is
ontgaan. Voor zover bekend zijn al zijn gedichten, op een grafschrift
voor Quassi van Timotibo na211, verschenen in
de vier bundels
Letterkundige Uitspanningen
en hij dichtte even gemakkelijk over de rijmelaars onder de
dichters, als over de flessentrekkers onder de kooplieden, de windbuilen
onder de speculanten, de quasten onder de kruidendokters, en de
kwaadspreeksters onder de vrouwen.
Het sonnet ‘De geele vrouw’, opgenomen in de tweede
bundel Letterkundige Uitspanningen, schetst een
portret van een deugdzame vrouw die nochtans versmaad, veracht en
belasterd wordt, en de laatste regel geeft de reden van deze
‘schendaad’: ‘Die braave Vrouw in plaats
van Blank te zijn was Geel!’. Het tweede opmerkelijke vers is ‘Een
huishoudelyke twist’.212 Het is een
tweespraak tussen een man en een vrouw - hoogstwaarschijnlijk een blanke
kolonist en zijn zwarte vrouw of zijn favoriete huisslavin die de rol
van huisvrouw speelt. De vrouw geeft telkens op bijzonder ongezeglijke
wijze antwoord aan de man, en belaagt hem zelfs met allerlei
scheldwoorden. Haar - cursief gedrukte - verzen zijn in het
‘Neeger-Engelsch’ oftewel het Sranantongo gesteld,
en daarmee hebben we het vroegste voorbeeld van een schriftelijke, literaire bron van deze taal. De eerder ter sprake
gebrachte samenspraak van Pieter van Dyk (rond 1768) is enkel opgesteld
als didactisch instrument voor Nederlandse kolonisten en
‘maakt zulk een onwaarschijnlijk naïeve indruk, dat
het moeilijk is aan een authentiek relaas te blijven
geloven’.213 De samenspraak van
Hendrik Schouten is opgesteld in gekruist rijm (abab) zodat de
versregels van elke persoon op elkaar rijmen, en er dus per
taal sprake is van gepaard rijm:
Kind lief, laat voort de Coffij geeven!
Tan Baija, jusno a sa kom.
Maak met de Slaaven dog geen leeven!
Den booijs den de toe moessie dom!
214
| | | |
Er is duidelijk sprake van een hiërarchische verhouding, want
de man straft de vrouw met de bullepees, maar zij krijgt wel het laatste
woord en stelt zélf voor om maar uit elkaar te gaan.
Natuurlijk heeft Schouten het gedicht een sterk satirisch element
meegegeven, maar de lezing wordt in een ander licht geplaatst als we
weten dat Schouten zelf met een gekleurde vrouw getrouwd was. Wat dit
aangaat: zowel Ursy Lichtveld en Jan Voorhoeve als Cynthia
Mc Leod hebben het onbegrijpelijk gevonden dat Schouten zich
zo druk kon maken over de discriminatie van zijn eigen, gekleurde vrouw,
terwijl hij wel het toneelgezelschap Pro Excolenda Eloquentia steunde
dat joden niet in zijn kring toeliet.215 Verder maakte John
Gabriël Stedman in zijn
Reize naar Surinamen
melding van het geval van een christelijk mulattenmeisje dat
door Schouten voor de rechtbank gesleept werd, omdat zij weigerde
slavenwerk te verrichten.216 Als dat dezelfde Hendrik
Schouten is, dan is er alle reden om niet veel principes te
zoeken achter zijn slavernij-kritiek, laat staan een vorm van
abolitionistisch denken.
Zouden zijn verzamelde verzen amper een bundel vullen, Schouten heeft
altijd veel lof geoogst - ongetwijfeld om zijn eigenzinnigheid, zijn
tegendraadsheid en waarschijnlijk ook om de afwezigheid van de krullen
en tierelantijnen die zoveel van het werk van zijn tijdgenoten
ontsieren. Schouten was tegen de esthetiek en vóór
het kritisch denken, een poëtica die hij indirect verwoordde
in deze regels van het gedicht ‘De wangunst’:
Een zwier van taal maar zonder zaaken,
Dat weinig brein of vinding heeft,
Zal dat het sneedig oor vermaaken,
Daar het geen stof tot denken geevt? 217
De Surinaamse essayist en dichter John
Leefmans noemde Schouten ‘de grootste
satiricus’ van zijn tijd en ‘buitengewoon
interessant’.218 Moge Schoutens scherpste gedichten misschien ingegeven zijn
door opportunistische overwegingen, hij zéi het toch maar.
Met Leefmans' karakteristiek is dan ook zeker niet teveel gezegd.
| |
Profiel: Paul François Roos
Leven. Paul François Roos werd geboren op 6
maart 1751 te Amsterdam en gedoopt in de Nieuwe
Waalse Kerk.219 Van moederszijde
stamde hij uit een Frans Hugenotengeslacht, de Sebille's, dat onder meer
een bankier en een hofschilder telde, en dat na de herroeping van het
Edict van Nantes uitweek - zoals gebeurd is met verschillende
plantersfamilies die we in romans van Helman en McLeod tegenkomen. Van
vaderszijde stamde Paul François Roos uit een
koopmansfamilie. Paul François was de tweede van vier zonen.
Op achttienjarige leeftijd ging hij scheep voor Suriname waar hij op 24
oktober 1769 aankwam. Hollanders noemt als ‘waarschijnlijk
oudste gedicht’ ‘Ter | | | | Intreede van het
jaar 1773. Gevierd in de Motkreek, op de Plantaadje De Goede
Verwachting’.220 Op deze
plantage is Roos vermoedelijk als blankofficier begonnen en heeft hij de
‘sierlykheên’ van de
‘koffidreeven’ en ‘de kunst des
landbouws’ leren kennen die hij in zijn ‘Lof der
Motkreek’ zou bezingen.221 Vervolgens leerde hij op de plantage Santa
Barbara ook de suikerbouw kennen waaraan hij een ode zou wijden in de
twaalf zangen van ‘De suikerbouw’. Vanaf 1779 werkte
hij als directeur op de plantage De Jonge Byekorf, het jaar erna op La
Recherche. Aan al die plantages wijdde hij gedichten; op de laatste
schreef hij zijn ‘Schets van het
Plantaadjeleven’.222 Landbouw, koophandel,
dichtkunst: ziedaar de triade waarop Roos' activiteiten berusten.
Roos leidde een vrolijk plantageleven:
Ik zelv heb meenig Bal gegeeven,
En op 's Lands Welzijn glas en kan
Doen vliegen over hals en kop,
Mij dagt het geld kon nimmer op. [LU II, 1786, 19]
Niettemin raakte hij in 1782 betrokken in een conflict op de plantage De
Jonge Byekorf, waarvan we de precieze aard niet kennen, maar dat
blijkbaar zo ernstig was dat Roos de plantage moest verlaten.223 Dat de
slavenmacht daar de hand in gehad moet hebben, blijkt overduidelijk als
hij in zijn ‘Vaarwelgroet aan de Plantaadje de Jonge Byekorf,
in 't jaar 1782’ fulmineert:
Een drom van monsters, van vervloekte Negerschaaren
Weêrstrevers van Natuur en van het Redenlicht,
Bezitters van een ziel, die niet dan gruuwlen sticht;
Dees zyn het, die uw hoofd door droefheid neêr doen
bukken.
Zoals we al eerder zagen, ging het in de jaren '70 van de 18de eeuw rap
bergafwaarts met de kolonie: planters werden vervangen door
administrateurs, de reële waarde van plantages vond geen
uitdrukking meer in de wisselbrieven die steeds meer een windhandel
werden, er werd bezuinigd op onderhoud van beplanting, gebouwen en
machinerieën en niet te vergeten: op de slavenmacht. Dit
leidde weer tot een toename van het aantal weglopers en die weer tot een
verhoging van het aantal aanvallen door marrons. In 1784 - Roos was toen
vijftien jaar in de kolonie - analyseerde hij deze situatie in zijn
Redevoering over de oorzaken van 't verval en middelen
tot herstel der volksplanting van Suriname
. Scherpe kritiek leverde hij op het wanbeheer van veel
administrateurs, maar in zijn poëzie merkt men van dat
‘verval’ weinig.
Roos is enkele malen naar Nederland met verlof geweest, voor 't eerst in
1783-84, vervolgens weer in 1784 zoals zijn
‘Zeezangen’ getuigen.224 Die tweede keer was hij, evenals Mauricius 33 | | | | jaar eerder, op de vlucht voor de laster en hoon van de zijde van de
planters die hem zijn redevoering over het verval van de kolonie niet in
dank afnamen. Maar hij keerde nog hetzelfde jaar 1784 terug, werd met
kanongebulder onthaald en vestigde zich als administrateur van
verschillende plantages en koopman van aanzien. Hij kreeg de beschikking
over de slaaf Cicero over wie hij het gedicht ‘Myn
negerjongen, Cicero’ zou schrijven. Vanaf dan vervulde hij
verschillende publieke functies: ‘Commissaris van Klyne
Zaaken’, regent van 's Lands Gasthuis, suikerkeurmeester.225 Vanaf het begin is Roos betrokken geweest bij de oprichting
van het Kollegie van Natuur-Onderzoekinge en het genootschap De
Surinaamsche Lettervrinden.
In 1785 huwde Roos met Johanna Francina Seonnet; zij zou hem
verschillende liefdesgedichten ingeven. Zij overleed in 1796, het
huwelijk was kinderloos gebleven, maar als de aanname van Hollanders
juist is, dan heeft Roos bij zijn slavin Prinses twee kinderen
verwekt.226
De laatste jaren van zijn leven bracht Roos door op de plantage Landzigt
aan de Motkreek. Financieel was het hem voor de wind gegaan en hij
bekleedde belangrijke functies: Raad in den Hove van Politie en
Crimineele Justitie, en Ontvanger van het Comptoir der Modique
lasten.227 Op
1 november 1805 overleed Roos; hij was ten offer gevallen aan zijn
vrolijke leven, of zoals Teenstra het uitdrukt, als ‘martelaar
der wellust’.228 Jaren vroeger al had hij zijn eigen grafschrift ontworpen.
Het tekent hem ten voeten uit:
Hier rust het lyk van Roos, die na veel ongelukken,
Het vergenoegen mogt op deeze Lustplaats plukken:
Die uit dees Byekorf vaak de zoetste honing zoog,
Tot dat zyn ziel gerust van de aard' ten Hemel vloog. 229
Zijn Surinaamsche Lettervrind Hendrik
Zwartenhoff schreef bij zijn overleden een naamvers met
acrostichon voor hem:
Plukt dan de Hand des Doods, het Roosje van zijn
stam!
Flankeert die Bloem niet meer in 't Perk der
Dichtren Rijen!
Rust waardig Sterveling; terwijl Uw vrienden
schrijen,
Ontmoet gij hem die U reeds zalig tot zich nam.
Ofschoon de Maatschappij een Menschenvrind moet
derven,
Steld elk zijn hoop op God om als een Roos te
sterven. 230
Of Roos de verlichte vorst is geweest zoals hij zich graag toonde in zijn
verzen, heeft onderzoek niet aan het licht kunnen brengen. Humaan was in
ieder geval zijn postume gebaar: testamentair had hij bepaald dat na
zijn overlijden in totaal zestien slaven zouden worden vrijgekocht;
velen legateerde hij bovendien een flink geldbedrag.231
Werk. Roos heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten. In
1783 verscheen het eerste deel van zijn | | | |
Eerstelingen van Surinaamsche
mengelpoëzy
bij zijn vaste uitgever: Hendrik Gartman te Amsterdam. In 1787
zou een tweede deel volgen, in 1789 het derde deel. Als verzameledities
van zijn werk zijn te beschouwen de twee naar samenstelling grotendeels
identieke delen Surinaamsche mengelpoëzy
van 1802 en 1804 - de laatste door de auteur zelf als een soort
‘definitieve keuze’ geredigeerd. In 1783 heeft hij
dan nog het eerder vermelde toneelspel
Suriname verheugd, bij de aankomst der Nederlandsche
Vloot, op den 11 Juny 1782
het licht doen zien - overigens in slechts 25 exemplaren.
Voorts meldt een advertentie in de Weekelijksche
Woensdaagsche Surinaamsche Courant van 19 maart 1788 (nr. 611)
dat Roos ‘morgen’ zal uitgeven Vaderlands Kabinet 2 deelen met fijne
plaaten. Deze uitgave is nergens traceerbaar gebleken en ook geen
der Roos-studies maakt er melding van.232 Evenmin traceerbaar zijn het
te Paramaribo in octavo gedrukte Surinaamsche
buurtpraatjes dat Roos vermeldt in zijn Surinaamsche
mengelpoëzy (1804, p. 167) en dat Hollanders dateert
tussen 1783 en 1791233, en de te
Paramaribo in 1801 verschenen Verzameling van alle
losse stukjes, in de Surinaamsche couranten, enz.
verschenen, betreffende het verschil tussen de Heeren P.F. Roos en
J.C. Windhorst, enz.234
Zowel naar vorm als naar inhoud is zijn werk zeer gevarieerd. We vinden
er odes in, hymnen235, pastorales, elegieën, liederen,
heldendichten, ballades, romances, brieven in dichtvorm (alleen de
satire liet hij over aan zijn confrater Hendrik Schouten). Toch is er
eenheid in die veelvoud: hoe lyrisch het genre ook, en hoe geestdriftig
de toon ervan, de dichter neigt gauw naar het epische en het is zijn
verhalende talent dat de gedichten een grote aanschouwelijkheid
meegeeft. Roos heeft Suriname bezongen als een
‘lustplantaadjen’ en Paramaribo is voor hem
‘de paerel van het grootsch America’, zoals hij het
uitdrukte in ‘Suriname verheerlykt’.236 Er zijn
maar weinig gedichten waarin Suriname geen rol speelt. Het reilen en
zeilen in de kolonie heeft hem een waaier van onderwerpen aangereikt:
huwelijksgedichten, afscheidsgroeten, toejuichingen, treurzangen,
grafschriften, lierzangen, zeezangen, een bergzang en een oorlogszang,
tuingedachten, bedgedachten, plantagegedichten en niet te vergeten
klinkdichten en gastronomische verzen: ‘Wat is de bloemkool
malsch! Wat is het kalfsvleesch vet!’237 Het oeuvre van Roos telt tal van
gelegenheidsgedichten: op gebeurtenissen bij de vrijmetselaarsloges (met
de bijbehorende terminologie van ‘morgenoosten’,
‘bouwheer’, ‘passer’ enz.), het
eeuwfeest van de Joodse synagoge te Jodensavanne, het aantreden van
nieuwe gouverneurs, de Engelse oorlogen, de jaardagen van De
Surinaamsche Lettervrinden enz. De meeste van die gelegenheidsversjes
heeft hij zelf weggesaneerd in zijn Surinaamsche
mengelpoëzy van 1804.
Ook veel voorvallen in het leven van Roos zelf zijn te reconstrueren aan
de hand van referentiële elementen in de poëzie.
Nogal wat kanttekeningen bij Roos' plantersleven plaatst De
West- | | | |
Indische klapper, anoniem
verschenen rond 1783, mogelijk in Suriname.238 Het is een parodie op
veel passages uit de ‘Schets van het
Plantaadjeleven’, al is het naar de vorm ook sterk
schatplichtig aan Pieter van Dyks
Het leeven en bedryf van een Surinaamsze directeur
(ca. 1768) zoals Ingrid van Trier-Guicherit heeft laten
zien.239
De West-Indische klapper
voert onder meer een zwarte maîtresse ten tonele
die, evenals Roos' favoriete negerin, de naam
‘Prinses’ draagt:
Des morgens, als de zon reeds lange heeft geblonken,
Dan legt deez' Koning nog gerust op 't dons te ronken
Vermoeit, wyl heel de nacht, zoo dapper braef en sterk
Door hem besteed is in het zwarte Venus werk,
Waer voor een Sodom zelfs zou yzen en verschrikken! 240
Bert Paasman oppert dat Roos' gedwongen
vertrek van plantage De jonge Byekorf de aanleiding tot het schrijven
van de parodie is geweest.241 Ook in de minnebrief van directeur Slimhoofd aan juffrouw
Graeg Geport, voor wie de timmerman een riant ledikant moet timmeren om
de ‘brand’ van de gelieven te
‘bluschen’, ziet Paasman een mogelijke parodie op de
liefdespoëzie van Roos.242 Het werkje is in ieder geval een interessant
voorbeeld van een koloniale tegenstem, die overigens meer vragen oproept
dan beantwoordt. In hoeverre kan de auteur gezien worden als de
stemgever aan een groep die (althans langs deze weg) geen stem had?
Moeten we de auteur zien als iemand die een zekere mate van
ambiguïteit niet vreemd was, omdat hij toch ook binnen het
koloniale circuit opereerde, of heeft hij zich met zijn parodie
‘vrijgepleit’? En tenslotte, om op Roos terug te
komen: in hoeverre representeert De West-Indische
klapper de algemene opinie in de kolonie over de wijze waarop Roos
het plantersleven neerzette?
Roos deed zelf bescheiden over zijn werk. In de voorrede tot zijn
debuutbundel Eerstelingen van Surinaamsche
mengelpoëzy merkt hij op dat hij zijn werk niet aan
ervaren dichters heeft kunnen voorleggen en ‘dat eene leerzame
aanwyzing van gebreken, welke ontegensprekelyk in myne Werkjes zullen
invloeyen, my niet alleen tot een nuttige aangenaamheid zal verstrekken,
maar ook tot verbetering aanleiding zal geven’. Later schrijft
hij ‘Myne vaerzenmaakery’, een lichtvoetig gedicht -
light verse zouden we nu zeggen - dat hij
niettemin toch goed genoeg vond om het in zijn Surinaamsche
mengelpoëzy van 1804 op te nemen.243 Mits de
geestige zelfrelativering van het gedicht niet uit het oog wordt
verloren, kan er een voorzichtige poging tot poëtica in
gelezen worden. Het schetst de dichter die zich aan zijn tafel zet om
verzen te maken, omdat het Genootschap (van Lettervrinden) de volgende
dag bij elkaar komt. De ikfiguur stopt eens een pijp, maakt een aanzet
maar verwerpt die. Eerst een glas bier, dan aan het werk met vernieuwde
krachten, want: ‘Men moet als president zyn pligten toch
betrachten’. Dan maar een gedicht tot eer van 't land over een
fikse herderskwant die een lied zingt. De laatste vier verzen:
‘ô Frische beemden, die op malsche boterbloemen,
En vette klaver, tot in eeuwigheid moogt roemen!’
| | | |
Dat 's mis! die zyn hier niet: zo sprak myn geest tot my;
'k Zocht toen iets anders, maar myn dichtluim was voorby.
Mét alle scherts: de dichter geeft hier toch aan, dat dichten
vaak een kwestie is van een verplichting waar niet onderuit te komen
valt (het Genootschap schijnt in die zin dus stimulerend gewerkt te
hebben). Van een getourmenteerde geest die kost wat kost in
poëzie moet worden uitgedrukt, is geen sprake. Het slot, hoe
abrupt ook, is toch heel aardig: het is in de Surinaamse letteren
misschien de vroegst bekende uitdrukking van het worstelen om de
Surinaamse werkelijkheid adequaat te verbeelden.
De historicus frater M.F. Abbenhuis zag in
1944 in Roos ‘zelfs geen dichter, maar slechts een
verdienstelijke verzenschrijver, of rijmzegger’. Dat de kreten
van de slaven nergens uit zijn verzen opklinken, degradeert Roos voor
hem tot een ‘gekunsteld natuurvereerder’ die kwijnt
van heimwee naar ‘doperwtjes, slaatjes, aardbeien en dies
meer’.244
R.D. Simons, onderwijzer, jurist en zelf ook
dichter en essayist, was in 1952 veel positiever. Hij sprak niet over de
slavernij, maar dichtte Roos profetische gaven toe op grond van diens
verwachting dat de berg Ro-Rac metalen zou bevatten - een verwachting
die bleek te kloppen. Hij zei van Roos dat die bekend stond als
‘de Surinaamse dichter’, waarmee Roos impliciet een plaats kreeg binnen de Surinaamse
letteren.245 De
Surinaamse essayist en dichter John Leefmans
trok die lijn door; hij beaamde wat Voorhoeve had gesteld, dat Roos
‘de pastorale poëzie van zijn tijd op een geheel
eigen wijze [heeft] overgeplant naar Suriname en in dit
materiële wingewest de pastorale schoonheid
ontdekt.’ Leefmans concludeerde:
Roos is eigenlijk een van onze klassieken. Wij, Surinamers,
horen onze middelbare scholieren van zijn werk op de hoogte te brengen,
en tot dat doel een geannoteerde bloemlezing uit zijn werk samen te
stellen.246
Leefmans' tijdgenoot Corly Verlooghen had daar
geen oren naar en roerde de revolutionaire trom in zijn bundel
De glinsterende revolutie
(1970). In het gedicht ‘Aan kollega Paul
Roos’ laakte hij diens regel ‘De vuige slaaf is
loom, genegen om te liegen’. ‘Hoe hebt gij U vergist
in Suriname's zonen’, roept Verlooghen Roos toe:
‘Weg met de koloniale uitbuiterskliek/ Leve de
nationalistische republiek!’
Roos is de optimist onder De Surinaamsche Lettervrinden. De wijze waarop
Roos de werkelijkheid - om het met een vriendelijk woord te zeggen -
geretoucheerd heeft, heeft gemaakt dat een zekere mate van
onbenulligheid zijn werk niet ontzegd kan worden. Abstraheren we van die
retouches, dan openbaart zich in zijn bucolische poëzie een
misschien weinig diepgravend, maar zeker vaardig dichterstalent. Dat hij
als planter-dichter een soort archetype werd, bleek
nog maar eens in 1862 aan de vooravond van de afschaffing van de
slavernij, toen in het Surinaamsch Weekblad (nr.
36/7-9-1862) op verzoek van lezer N. een gedicht van Roos uit 1783 over
de neergang van de kolonie werd overgenomen: ‘Wie komt dit
avonduur mijn ziel in droefheid baaden?’
| |
Close-up: Plantageverbeelding: twee gedichten van Paul
François Roos
Het 204 verzen lange gedicht ‘Schets van het
Plantaadjeleven’ is opgedragen aan Roos' jongere broer
Cornelis Sebille, schilder en kunsthandelaar te Amsterdam, en is opgezet
| | | | met de bedoeling hem een beeld te geven van hoe goed
het leven in de kolonie Suriname wel was.247
Met zijn regelmatige alexandrijnen, gepaard rijm en referenties aan
klassieke goden heeft het gedicht de classicistische versvorm verkregen
die in die dagen zo populair was voor epische poëzie. Het
refereert ook aan
Germanicus
, een classicistisch heldendicht uit 1779 van Lucretia Wilhelmina van Merken, echtgenote van
de eerdergenoemde Nicolaas Simon van Winter
met zijn treurspel
Monzongo
.248 Roos hanteert soepel een betrekkelijk eenvoudige taal,
waardoor hij niet de indruk geeft dat het classicisme een strak
keurslijf voor hem vormt. Op het moment dat het gedicht geschreven werd
(ca. 1780), heeft Roos geen gemakkelijke tijd
achter de rug, maar de migrant laat zich van zijn beste zijde zien. In
het gedicht geeft een plantagedirecteur een rondleiding over zijn
plantage. Om te beginnen wordt de ruimte in pastorale tinten geschetst:
‘besproeid van waterstroomen’, ‘vol van
vermaaken’, ‘loof- en bloemwaranden’,
‘een waassem van verkwikkelyke geuren’,
‘een zacht gestreel van tedre gorgels’. De
rondleiding begint bij de moestuin, de directeur geeft de tuinman
instructies, dan gaat het naar de eendenvijver, het hoenderhok, het
varkenskot en de verblijven van het andere vee. Daarna komt er een stoet
van zieke slaven voorbij: de directeur vervult zijn functie van
geneesheer. Vervolgens gaat het naar de ‘luie kuipers en [...]
traage timmerliên’. Het gaat er vlijtig aan toe,
‘Maar, zet ik voet van honk, dan staan de hamers
stil’. In de koffieloods is het een drukte van belang. Door
dan maar naar de vruchtbare velden, lettend op elk detail, want:
De vuige slaaf is loom, genegen om te liegen,
En acht het fraai als hy zyn' meester kan bedriegen.
Daarna neemt de landman ons mee op een jachtpartij, waarna de
vermoeidheid vergeten kan worden aan een welgevulde dis. Er is tijd om
een boek te lezen en een bezoek af te leggen bij een van de naburige
plantages. Zo ziet het middagmaal eruit:
Een stoet van meisjes staat geschaard rondom den disch,
Terwyl de voetebooi 249 met schenken bezig is.
Gegeeten, tracht dit volk op zynen pligt te passen:
De een geeft my 't bekken om de vingren af te wassen,
Terwyl een ander, met den handdoek voor de borst,
Op zy' staat. Ja, myn vriend! Ik leef gelyk een vorst:
De slaaf past op myn' wenk; myn woorden zyn bevelen.
Een landman zou de rol van koning kunnen speelen.
Ik eisch een schoone pyp, tabak, een glaasje wyn:
Dit moet, zoras ik 't vraag, reeds in gereedheid zyn.
Er volgt nog een wandeling over de plantage, de hengel wordt even
uitgegooid - Roos overpeinst zijn vroegere vispartijen in Holland. Dan
staat de avondkoffie klaar.
Ik eisch myn nachtjapon, musquitenbroek en muilen,
| | | |
Om voor het ongediert' my in dit kleed te schuilen.
De instructies voor de volgende dag worden gegeven, de ikfiguur leest of
schrijft nog wat en gaat naar het slaapvertrek
Waar my een Venus in de koele hangmat wacht.
'k Ga slaapen, broeder! en wensch u een' goeden nacht!
In zijn schets van dit leven van een directeur-planter, hoe
aanschouwelijk ook voor de lezer neergezet, spiegelt de geest van de
welwillende planter zich in een decor van natuur en welgeordend
plantagebedrijf, zoals we dat kennen uit de pastorale literatuur.250 Natuurlijk
dringt zich de vraag op hoe realistisch deze schets was. In deze context
is het interessant dat Roos een gedicht heeft geschreven dat beschouwd
kan worden als een complement op ‘Schets van het
Plantaadjeleven’: ‘Mijn negerjongen,
Cicero’ dat dateert van ca. 1782.251 Het telt 120 verzen, niet in de
plechtige alexandrijnen maar in viervoetige jamben, en het is geschreven
vanuit het perspectief van een negerjongen - een zeldzaamheid in de
plantersliteratuur. In de titel en de motto-achtige aanhef van vier
verzen is nog de meester aan het woord, daarna is de negerjongen de
verteller/focalisator. Hij begint met te vertellen hoe hij vrij geboren
is en op dertienjarige leeftijd werd ontvoerd en als slaaf verkocht. Op
het slavenschip liep hij ‘vrank en vry’ rond,
‘ofschoon in slaverny’. Hij komt in Suriname aan:
Ik zag daar slaaven, vrolyk, bly':
Dit gaf my troost in slaverny.
Hij wordt aan een heer verkocht die hem een slaapplaats en een kleed
verschaft, zijn eerste werk was ‘Myns meesters jas hem na te
draagen’.
'k Was vry, maar niet voor slagen vry,
Zo min als thans in slaverny.
Hij begint schoenen te poetsen, de rok te borstelen, de parasol te dragen
en aan de slavernij te wennen. Hij leert de taal en krijgt een broek van
leer: ‘'k Wierd grootsch in myne slaverny.’ Quamina,
blijkbaar een oudere huisknecht die zelfs naar Nederland is geweest,
neemt het nu over als verteller/focalisator en legt uit dat vrijheid
maar een droom is: ‘op de kust [Guinea] is 't arme vry/ Zo
goed niet als hier slaverny.’ Er heersen daar roofzucht en
onbeschaafde wetten. En zelfs in het vrijheidminnend Nederland is de
vrijheid in armoede erger dan de slavernij. Men kan daar weliswaar
ophouden met werken, maar zegt Quamina: ‘wie niet wil werken/
Word aangezien gelyk een verken’. En in Polen worden mensen
zelfs doodgemarteld door de rijken. Cicero is nu overtuigd:
‘Laat ons, met dit ons lot te vreden,
‘Niet klaagen om den dag van heden,
‘Opdat het ons niet kwalyk ga. [...]
‘Ik vind, na 't doen der daagsche merken,
‘Nog tyd om voor myzelv' te werken;
‘Myn juk is zagt, myn last is licht; 252
| | | |
Dit zal hij ook zijn kinderen voorhouden:
‘Ja! 'k zal hen leeren, dat Bataafsche slaverny
‘Hunn' armen vryën staat verre opweegt in
waardy!’ 253
Het zal duidelijk zijn dat Paul François
Roos niet in de eerder geschetste traditie
Behn-Voltaire-Stedman thuishoort; abolitionistische stemmen als die van
G.Th. Raynal, Olaudah Equiano of Benjamin Frossard - toch alle vertaald
naar het Nederlands -: Roos is er doof voor.254 Hij is
de vrolijke Frans onder de planter-dichters, zijn agenda bestaat er
eerst en vooral uit een positief beeld van de kolonie te schetsen.
Daarin passen geen slavenmartelingen, geen marronoorlogen, geen
verkrachtingen.
Literair gesproken plaatst Roos ‘Myn negerjongen,
Cicero’ wél binnen een traditie, zij het dat hij
daaraan een bijzondere invulling geeft. Opmerkelijk in zijn verwoording
is de overeenkomst met een motief uit de zeventiende-eeuwse
(liefdes)emblematiek: dat van de ‘vrijwillige
slavernij’, een oxymoron dat al een vast ingrediënt
vormde in het petrarkisme. In de emblemen met als motto
‘Willighe vanckenis’ uit P.C. Hoofts
Emblemata amatoria
(1611) of ‘Amissa libertate laetior’
(‘Ik verheug me over mijn verloren vrijheid’) uit
Proteus ofte minne-beelden verandert in
sinnebeelden
(1618) van Jacob Cats, is de
ikverteller geen slaaf maar een papegaai, die ‘Bly, door
slaverny’ is en houdt van het ‘aengenaem
ghewelt’ van de kooi - dat wil zeggen de min. Een nog
duidelijker gelijkenis met de woorden van de negerjongen Cicero vinden
we in Cats' stichtende embleem ‘Bonorum servitus,
libertas’ uit dezelfde bundel Proteus, waar
de papegaai niet langer de horige minnaar verzinnebeeldt, maar staat
voor de ‘dienst-knecht’. Cats' vrolijke
papegaai/ikverteller houdt ons, zoals Cicero, voor dat hij dank zij zijn
gevangenneming is ontsnapt aan het onbeschaafde en onveilige oerwoud. De
subscriptio eindigt met een lofzang op de reine slaaf, die een
verwijzing inhoudt naar Rom. 6. 20. 22:
‘Dienst-knecht der gherechticheydt is vry van
sonde’.
Al vloogh ic in het wout, al sat ik daer verborgen,
Noch leefd'ic evenwel in veelderhande sorgen,
Het ruyschen van een riet, het drillen van een blat,
Dat bracht my inden schrick van, ick en weet niet wat:
Nu ben ick (naer het schijnt) en sooje meent gevangen,
Maer vrient, het is gemist; 'ken hebbe geen verlangen
te wezen dat ick was. een harde slaverny
Die maect oock inden dwangh een reine ziele vry. 255
De ‘Schets’ toont ons hoe het leven zich voor de
planter die zijn zaken goed bestiert, geheel en al naar hem toe plooit,
van de ochtend tot de avond, wanneer niet Morpheus, maar Venus - godin
van de vruchtbaarheid én de tuinbouw! - hem in de hangmat
wacht. De slaven zijn aan deze Zonnekoning in de tropen ondergeschikt,
natuurlijk, maar Roos gaat verder: ze hebben geen wil, of hooguit de wil
tot passiviteit en luiheid. Voor zijn huisknecht is het een kwestie van
tijd aleer hij tot het inzicht komt hoezeer hij het in wezen getroffen
heeft, en de oudere huisneger is zo goed hem bij die
‘verlichting’ | | | | een handje te helpen. De
focalisatie van ‘Myn negerjongen, Cicero’ is
natuurlijk bij uitstek vals: in wezen spreekt niet de
negerjongen, maar de planter (of Roos) die zijn ideeën
projecteert op een ideale huisknecht.256
Eigenbelang en koloniebelang liggen bij Roos direct in elkaars verlengde:
hij schrijft om het gebutste imago van het wingewest op te poetsen en
neemt in die kolonie zelf een vooraanstaande plaats in. Maar zijn hart
moet ook werkelijk naar Suriname zijn uitgegaan en zijn negerjongen
Cicero was voor hem geen abstract ideaalbeeld: het legaat dat Roos na
zijn dood voor hem achterliet omvat duizend gulden, zijn gouden horloge
en zijn degen.257 Roos
was geen passant - Paul Hollanders spreekt over ‘Suriname,
zijn tweede vaderland’.258 Om deze gedaante - die van de immigrant - is Roos
een echte ‘tussenfiguur’, maar ook om het
zuiver-koloniale perspectief waarmee hij de werkelijkheid literair
omvormt tot een geïdealiseerde wereld.
| |
9.2 Teksten in andere talen
De herrnhutters legden zich bij hun zendingspogingen in de 18de eeuw
aanvankelijk toe op de inheemsen, en met name op de arowakken in Berbice en
Suriname, een volk dat zij toen nog ‘veel verstandiger en
fatsoenlijker’ vonden dan de blanken.259 De
taalstudies die Theophilus Salomo Schumann
(1719-1760) onder de arowakken verrichtte met het oog op de verkondiging van
het woord Gods, leidden tot een woordenboek, een spraakkunst en een flink
aantal geestelijke liederen in het Arowaks. Maar de ontmoedigende
bekeringsresultaten deden de Moravische broeders zich al na enige decennia
concentreren op de zwarte bevolking van de kolonie. Het Essai
historique maakt er melding van dat zij vanaf 1779 preekten
‘in het Neger-Engelsch, dat een brabbeltaal des lands is, en van
order noch regel weet’. Behalve Bijbel- en liturgische teksten
zijn er ‘ook eenige Psalmen in die brabbeltaal vertolkt, en men
zingt dezelve, onder 't speelen op een Klavecimbaal, die hun voor orgel
dient.’260
Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw maakten de zendelingen van de
Moravische Broedergemeente werk van de bestudering van dit
‘Neger-Engelsch’ (pas in de loop van de 19de eeuw zouden
de benamingen Sranam-tongo en Surinaamsch opduiken). Die studie diende een drieledig doel: het
vergemakkelijken van de toegang tot de slavenbevolking, de zorg voor vaste
Bijbelvertalingen en de creatie van liturgische teksten in het Sranan. Zo
bevindt zich in Herrnhut een door Joh. Hafa
afgeschreven Liturgien Büchlein Zum Gebrauch bey der
Neger gemeine in Paramaribo, dat dateert van november 1814, maar
waarvan het origineel uit de 18de eeuw stamde, en een negerengelse
Psalmen-berijming uit | | | | 1795.261 De eerste woordenboeken
circuleerden in manuscriptvorm; belangrijkste was het
Neger-Englisches Wörter-Buch
(1783) van C.L. Schumann, zoon van
Theophilus Schumann.262
Christian Ludwig Schumann (1749-1794), geboren te
Pilgerhut, Berbice, had zich overigens aanvankelijk toegelegd op het
Saramakaans en zijn
Saramaccanisch Deutsches Wörter-Buch
van 1778 is hoogstwaarschijnlijk het eerste woordenboek dat ooit
van een Romaans-gebaseerde creolentaal is gemaakt.263 Voorts
vertaalde hij liturgische verzen in het Saramakaans in
Gesangbuch Saramacka Neger-Sprache
(1779).264 Kort na hem zou Johannes Andreas Riemer (1750-1816) een Saramakaans
woordenboek schrijven.265
|
178De
Vries 2001: 102-103.
179Een exemplaar van de tekst bevindt zich
in de Bibliotheca Rosenthaliana (UBA), signatuur Hs.Ros. 473.
180Lichtveld & Voorhoeve (1958: 164, resp.
1980: 175) maken melding van enkele gelegenheidsgedichten in de kranten
vóór 1800, en Hollanders 1984: 171 spreekt van
enkele publicaties van Hendrik Schouten in de kranten, maar alleen de
eerste bron geeft één voorbeeld (van Schouten) en
zelf heb ik slechts één vertaald gedicht
aangetroffen, het ‘Gebed van een rechtsgeleerde. Naar het
Engelsch’ en gesigneerd: P. in DSN 363/17-5-1792.
181Opgenomen
in de door D.F. Scheurleer samengestelde verzameling zeemansliederen
Van varen en vechten, dl. III ('s-Gravenhage
1914), pp. 389-391; overgenomen door Lichtveld &
Voorhoeve 1958: 162-164, resp. 1980: 173-175.
182Surinaamsche mengelpoëzy (1804), pp. 180-186.
Ook bij Lichtveld & Voorhoeve 1958: 200-204, resp. 1980:
213-217. Het heimweemotief behandelt Roos volgens hetzelfde stramien
in zijn ‘Lierzang’ (LU III, pp.
27-29).
183De enige bekende complete set bevindt zich in de UB
Leiden onder signatuur 1194 E 45-48.
184Het Essai
historique maakt, als het in 1789 gedrukt wordt, nog
melding van de verschijning van één
à twee delen 's jaars, maar dit zegt weinig aangezien het
boek geschreven werd in 1788; de Nederlandse editie verscheen in
1791, maar buiten de controle van Nassy om (Nassy e.a. 1788: 80;
Nassy e.a. 1791: 70). Voor Roos' gedichten terzake: Surinaamsche mengelpoëzy (1804), pp.
234-242.
185Hollanders 1984: 144. Ook in de ‘Redevoering’
waarmee Roos de derde bundel Letterkundige
Uitspanningen opent, moeten de drie het ontgelden (p.
[XVIII]). Tegen de laatste twee fulmineert Roos in zijn Surinaamsche mengelpoëzy (1804, p. 115-116):
Verschoont de stoutheid van een' leerling, dien gy doemt,/ Daar gy
hem slaavenbeul, tyran en wreedaart noemt./ Schoon ik den vuigen
slaaf voor my doe sidderend vreezen,/ 'k Doe echter met hem als ik
wil gehandeld weezen.
186Hollanders (1984: 144) meent dat het contact van Roos
met zijn broer Cornelis Sebille Roos die nauw bij ‘Felix
Meritis’ betrokken was, hieraan niet vreemd zal zijn
geweest.
187Wolbers 1861/1970: 419.
188Gereformeerd is
in die tijd overigens gelijk aan hervormd. Men vergelijke het
gedicht ‘Reden waarom men my belet met Rosinde in den Echt
te treeden’ uit Eerstelingen van Surinaamsche
mengelpoëzy (1783), p. 117.
189Herdrukt in Mama Sranan
89-91.
190Dit is een toespeling op enkele regels uit een
gedicht dat Roos voor het nichtje van Schouten, de kleurlinge
Nanette Susanna Peterse, in 1782 schreef: 't Is niet het vel, maar
wel het hart,/ Dat menschen vormt tot waare menschen’.
Gecit. bij Mc Leod (1993: 37), die ten onrechte vermeldt dat het
komt uit de bundel Surinaamsche
mengelpoëzy van 1804.
191De precieze datum is uit de archieven niet meer
te achterhalen. Ik baseer mij voor deze biografische informatie op
de inleiding van G.A. Lindeboom in Voegen van Engelen 1981: X-XXII,
op Hollanders 1984: 129-137, die Lindeboom op veel punten
corrigeert, en op Lindeboom 1987.
192ARA,
I.171/161/74/23-6-1784. Over Voegen van Engelens
uitgeversactiviteiten in Nederland: Baggerman 2001: 238-253.
194Voegen van Engelen 1981: 69. De
brief is herdrukt in Mama Sranan 92-93.
197Vermeld bij Van
Sijpesteijn 1854: 271 en bij Voorhoeve 1955: 202, maar
onvindbaar.
199Hollanders (1984: 276, noot 210)
vermeldt dat zijn testament werd geopend op 28 januari 1804. ARA,
Oud-Notarieel Archief, 84/2 en 3/28-1-1804.
200Zijn vader was Gerrit Schouten,
zijn moeder Hillegonda de Cock (Dopen in de n.h. Zuiderkerk, dtb
101, fol. 266v.) Achter zijn naam staat ‘17 1/1369 twee seegels’, wat kan betekenen dat hem
toen een doopbewijs is verstrekt in verband met zijn vertrek.
Daarmee komt de veronderstelling van Hollanders 1984: 172 - die zich
baseert op een stuk uit 1785 in het ARA I.171/161/75/102-103, waarin
wordt vermeld dat Schouten ‘bij de 18 Jaaren in de
Colonie’ is - dat Schouten in 1767 naar Suriname vertrok,
te vervallen. Schouten komt niet voor in de lidmatenboeken van de
hervormde gemeente waarin vermeld werd wanneer en waarheen de
lidmaten vertrokken.
201Voor de eerste functie
werd hij op woensdag 1 maart 1769 beëdigd (ARA.
I.171/206/1-3-1769), voor de tweede op 1 september 1769 (ARA.
171/161/1-9-1769). Deze biografische informatie steunt op eigen
onderzoek, maar Hollanders 1984: 170-179 is daarbij met verwijzingen
naar archivalia en bibliografische referenties van grote waarde
geweest. Vgl. ook Van Wel 1971b.
202ARA.
I.171/161/75/102-103. Schouten als eerste klerk bij Beeldsnyder
Matroos wordt vermeld door Nassy 1791: 138.
203ARA, I.171/161/76(413)/6-12-1786. ARA.
I.171/77(307)/31-10-1787.
204Surinaamsche Almanach 1789, p. 4.
205Dit
vermeldt Oudschans Dentz 1941-43: 32. Het ‘Collegie van
Klyne Zaaken’ behandelde gerechtelijke zaken die de
ƒ250,- niet te boven gingen; haar leden waren onbezoldigd
(Wolbers 1861: 165-166).
206WSC 19/7-11-1793
& 21/21-11-1793. Gecit. bij Hollanders 1984:
177-178.
207Mc Leod 1993: 26-35,
116. Mc Leod 1995.
208Over Gerrit Schouten: Lammens 1982: 96 en
uitvoeriger Kolfin 1997a: 55-59 en vooral Medendorp 1999 en 2001a en
2001b. Een zoontje dat acht dagen oud werd, wordt niet door Mc Leod
1993: 35 vermeld. Overlijdensbericht in DSN 163/17-7-1788.
209Hollanders (1984: 173) trof er bij toeval twee aan in
het Amsterdamse Gemeentearchief, dd. 4-2-1776 en 24-2-1776
(Notarieel Archief, 10884/502 en 469).
210Grafnummer 738. Grafschrift gecit.
bij Medendorp 1999: 16-17.
211‘Grafschrift voor de Neeger Quassi van
Timotibo’ in DSN 102/17-5-1787. Opgenomen in Lichtveld
& Voorhoeve 1958: 169, resp. 181.
212Ook uit LU II.
Ook in Lichtveld & Voorhoeve 1958: 181-183, resp. 1980:
193-195, en Spiegel 68-71.
213Lichtveld &
Voorhoeve 1958: 207, resp. 1980: 221.
214De Sranan regels vertaald: Stil maar, het
komt er direct aan/ Die jongens, ze zijn al te dom.
215Lichtveld & Voorhoeve 1958: 178, resp. 1980: 190; Mc
Leod 1993: 116.
216Stedman 1799-1800,
dl IV: 32-33.
219Ik steun voor deze biografische
gegevens op de uitvoerige doctoraalstudie die P.H. Hollanders aan
Roos heeft gewijd en die te raadplegen is op het Documentatiecentrum
Nederlandse Letterkunde van het Instituut voor Neerlandistiek van de
Universiteit van Amsterdam onder signatuur 3254 (Hollanders 1984).
Het uitstekende werkstuk heeft als enige nadeel dat het uitsluitend
steunt op zich in Nederland bevindende bronnen. Over Roos voorts
Leefmans 1963a, De Jong 1965b (ook in DW 18-6-1965), De Jong 1967,
Zuiderweg 1986: 6-16 en Simons 1952b: 16-19.
220Hollanders 1984:
20. Het gedicht is opgenomen in het eerste van de drie delen van
Roos' Eerstelingen van Surinaamsche
mengelpoëzy (1783), pp. 101-104.
221Opgenomen in
zijn Surinaamsche mengelpoëzy (1804),
p. 91-95. Zie daarin ook zijn ‘Schets van den
koffibouw’, p. 20-24. Verder ‘Aankomst voor de
derdemaal in de Motkreek, in 't jaar 1775’ in Eerstelingen van Surinaamsche mengelpoëzy
(1783), 65-66. Hij is dus verschillende keren op die plantage
weergekeerd.
222‘De
suikerbouw’ is opgenomen in zijn Surinaamsche
mengelpoëzy (1804), pp. 25-48.
‘Afscheidsgroet aan de Plantaadje De Jonge Byekorf, in 't
jaar 1781’ ( Eerstelingen (1783), pp.
74-76), ‘Vaarwelgroet aan de Plantaadje de Jonge Byekorf
in 't jaar 1782’ (idem, p. 80), ‘Aankomst op de
plantaadje La Recherche, gelegen in de Surinouws Kreek, in 't jaar
1776’ (ibidem, pp. 69-70). ‘Toestand van de
Plantaadje La Recherche, by den springvloed den maand Juny in 't
jaar 1777 (ibidem, pp. 91-92).
223Hollanders 1984: 46-48.
224Zie
Eerstelingen (1783), pp. 59-64 (ook in Surinaamsche mengelpoëzy (1804), pp.
105-110), Eerstelingen (1787), pp. 7-12 (ook in
Surinaamsche mengelpoëzy (1804),
pp. 124-128), pp. 13-24, pp. 34-35 (ook in Surinaamsche
mengelpoëzy (1804), pp. 141-151) en pp.
67-68.
225Surinaamsche Almanach 1789,
1798. Surinaamsche Staatkundige Almanach
1793.
227Bekendmaking van het eerste ambt
in SC 53/4-7-1795. Het tweede in Wolbers 1861: 164-168. Het Comptoir
was een van de vier belastingkantoren (Wolbers 1861: 169).
229Eerstelingen van Surinaamsche
mengelpoëzy (1783), pp. 74-76. Gecit. naar
Hollanders 1984: 44.
230Verschenen in de Binnenlandsche Surinaamsche Courant van 4 november
1805 (die niet meer traceerbaar bleek), geciteerd door Simons
1952c: 13-14 en overgenomen door Hollanders 1984: 235 en
Zuiderweg 1986: 16.
231Hollanders 1984: 224-232, die ook in bijlage de
complete tekst van de testamenten geeft: 295-307.
232De
Koloniale Bibliotheek bezat er noch in 1859, noch in 1911 een
exemplaar van. De Catalogus van 1859 vermeldt de
Surinaamsche mengelpoëzy in de
editie van 1804, de Catalogus van 1911 bovendien
de drie delen Eerstelingen in
één band.
233Hollanders 1984: 222. Een
exemplaar was aanwezig in de bibliotheek van E.A. van Emden, verg.
de inventaris daarvan in Van Sijpesteijn 1854: 271.
234Vermeld in SC
36/4-5-1805 alsook in Van Emdens bibliotheek (Van Sijpesteijn 1854:
271). Hollanders 1984: 223 vermeldt dat het mogelijk over een
administrateursconflict om de plantage
‘Kleinlust’ gaat.
235Als zodanig valt
bijvoorbeeld zijn bergzang ‘Roo-Rac’ te
beschouwen waarin hij de berg Roo-Rac aanspreekt als de Helicon ( Eerstelingen (1783), pp. 21-25, Surinaamsche mengelpoëzy (1804), pp.
11-14).
236Opgenomen in Surinaamsche
mengelpoëzy (1804), pp. 275-299. Volgens de Algemeene Vaderlandsche Letter-oeffeningen, 1e st.
voor 1796, p. 444, zou er ook een afzonderlijke uitgave van zijn
geweest, uitgegeven bij H. Gartman, Amsterdam 1796. Een fragment
eruit in Hoefte & Oostindie 1996: 41-45.
237Surinaamsche Mengelpoëzy
(1804), p. 119. P.G. Witsen Geysbeek vond dit soort verzen enkele
decennia later maar naïef en belachelijk (Witsen Geysbeek
1824: 80-81).
238Het enig bekende exemplaar, dat zich bevindt zich in de UBL, sign.
1015 F 8, geeft geen enkele aanduiding van uitgever, plaats of jaar.
Volledige titel: De West-Indische klapper, of het
leeven van sommige directeuren op de plantagien in de colonien
der Nederlandsche West-Indien.
239Van Trier-Guicherit 1991.
240P. 4. Over de parodie: Hollanders 1984: 58-68 en
Paasman 1995b: 397-403
243Pp. 250-252. Het verscheen eerder als bijdrage tot het
derde deel Eerstelingen van Surinaamsche
mengelpoëzy (1789), pp. 110 e.v.
244Abbenhuis 1944: 138, 172.
De waarderingsgeschiedenis van Roos' werk behandelt Hollanders 1984:
236-252.
246Voorhoeve 1955: 201. Leefmans
1963a: 31.
247De
‘Schets’ is opgenomen in Roos' Eerstelingen van Surinaamsche mengelpoëzy
(1783), pp. 36-46. Vervolgens ook in Surinaamsche
mengelpoëzy (1804), pp. 49-58 (waarnaar hier
wordt geciteerd). De laatste versie is overgenomen door Lichtveld
& Voorhoeve 1958: 190-204, resp. 204-213. Beide versies
naast elkaar geeft Zuiderweg 1986: 202-213 met uitgebreid
variantenapparaat (215-283). Dit is tegelijkertijd de uitvoerigste
studie van het gedicht, die het bovendien ook als hofdicht plaatst
binnen de Nederlandse literatuur. Beknopt is Paasman 1995a.
248Verg. over Van Merken: Meijer 1997.
Roos schreef bij haar overlijden een lijkzang ( Surinaamsche mengelpoëzy (1804), pp. 273-274.
Haar treurspel Jacob Simonszoon de Ryk werd in
1805 en in 1815 te Paramaribo door De Verreezene Phoenix
opgevoerd.
249Voetebooi: futuboi:
dienstknecht.
250Vgl. Van den Berg 1986a: 53.
251Opgenomen in Surinaamsche mengelpoëzy
(1804), pp. 214-221. Gereproduceerd bij Keijser 1985: 9-17 naar de
Eerstelingen van Surinaamsche
mengelpoëzy (1783). Herdrukt in Mama Sranan 85-88.
252Cicero refereert hier aan Mattheüs 11:
30 ‘want mijn juk is zacht en mijn last is
licht’.
253Deze regels zijn
een variant op regels uit Roos' gedicht ‘Wandeling
naar de plantaadje Ma Retraite’, die hij ook als motto
boven ‘Myn negerjongen, Cicero’ heeft gezet.
De dubbele aanhalingstekens komen overigens niet voor in de
versie opgenomen in de Eerstelingen van
Surinaamsche mengelpoëzy (1783).
254Wat overigens niet wegneemt dat de overeenkomsten tussen het
plantersbeeld in het tweede deel van Stedmans Narrative en de ‘Schets van het
Plantaadjeleven’ - bij alle verschil van toon - te groot
zijn om toevallig te mogen heten, zoals Hollanders (1984: 54-57)
heeft geanalyseerd. Abolitionistische niet-literaire teksten van de
genoemden en anderen behandelt Paasman 1984: 109-116.
255Andere voorbeelden ook bij Henkel &
Schöne 1996: 802-804.
256Ook in
een gedicht waarin hij zijn gegoede staat schetst voor zijn oom
Gerard Roos vermeldt hij met genoegen zijn negerslaaf Cicero:
‘Myne woning, by myn derde aankomst in Suriname, in den
jaare 1785; afgeschetst en toegewyd aan mynen oom, Gerard Roos, te
Deventer’ ( Surinaamsche
Mengelpoëzy (1804), pp. 141-151. Verg. p.
148.
259Uitspraak van Staehelin, geciteerd bij Lenders 1996: 109 die deze
vroege zending beschrijft (53-162). Van Baarle 1999 bespreekt de
taalkundige arbeid onder de arowakken. Van de achttiende-eeuwse zending
deed Quandt 1807/1968 al vroeg verslag; later Weiss 1919. De herrnhutter
zending in Suriname werd in wereldverband geregeld beschreven: Gareis
1901, Baudert 1931, Legêne 1932, Beck 1981. Ort 2000:
137-146, 217-235 behandelt die van hervormden en lutheranen. Perl 1995
bespreekt de taalkundige arbeid van de zendelingen.
260Nassy 1791/1974, II: 18.
Over het zendingswerk der herrnhutters: Lenders 1996: passim.
261UEBH
sign. NB VIII R3 10. Die Psalmen, negerenglisch
für Suriname: UEBH sign. NB VII R3. (Niet in
Voorhoeve & Donicie 1963.)
262Uitgegeven door Kramp 1983.
Het manuscript van 1783 is de zgn. editio tertia (Kramp 1983: 1).
Bespreking: Eersel 1984. Over Schumann: Staehelin 1913-1919, Price 1990,
Arends 1993.
263UEBH sign. NB VII R3 8a. Arends & Perl 1995: 246. Het
woordenboek werd uitgegeven door Schuchardt 1914. Over andere
saramakaanse Bijbelvertalingen: Jabini 1994: 11-13.
264UEBH sign. NB VII R3 8l. (Niet in
Voorhoeve & Donicie 1963.)
265Wörter-Buch zur Erlernung der Saramaka
Neger-Sprache. UEBH sign. NB VII R3 9g. Daarover Perl 1989. Het
woordenboek werd door Perl uitgegeven in Arends & Perl 1995:
243-374. In 1801 publiceerde Riemer zijn Missions-Reise
nach Suriname und Barbice.
|
|