|
|
|
| |
| | | | | |
8.1 Organisatie
Toneelgezelschappen waren tot ver in de 19de eeuw een aangelegenheid van
mannen. De incidenteel bewaard gebleven rolverdelingen maken duidelijk dat
de meeste vrouwenrollen door mannen zijn gespeeld; actrices waren in de
kolonie moeilijk te vinden en werden soms uit Nederland aangetrokken. Om een
gezelschap goed te laten functioneren was geld nodig, waartoe een zogenaamd
‘plan van negotiatie’ werd opgesteld; deelnemers konden
daarin aandelen nemen.300 De gezelschappen kenden spelende en aanschouwende leden.
De toeschouwers konden zich laten begeleiden door hun dames: voor hen,
alsook voor militairen, zeeofficieren, plantagebewoners en vreemdelingen
werden op de speeldag kaartjes uitgeloot - geen loge, enkel balkon.301 Die uitlotingen
moeten frequent aanleiding hebben gegeven tot ongeregeldheden, want al van
vroeg in de eeuw hebben de verenigingsbesturen maatregelen getroffen om de
toegang ordelijker te laten verlopen.302
Boroman - binnensluipers - hebben menig toneelbestuur
onaangename avondjes bezorgd. Slaven mochten in de theaters niet komen:
niemand zou ‘barrevoets’ worden toegelaten, heet het
geregeld in de kranten. In 1825 werd met zoveel woorden gesteld dat het de
‘voeteboys’ (de loopjongens) waren die voor
wanordelijkheden zorgden.303
Een theaterplaats kostte aan het begin van de eeuw ƒ12,10 voor de
loge of het balkon en ƒ7,10 voor het parterre. De koers was
ƒ1,82 Surinaams voor één Hollandse gulden,
maar een theaterplaats bleef exorbitant duur; ter vergelijking: een
logeplaats in de Amsterdamse stadsschouwburg kostte aan het begin van de
eeuw ƒ2,02 en in het parterre ƒ1,05.304 Liefhebbers tekenden in voor een heel seizoen, dat in de
regel tien voorstellingen omvatte. Aan het einde van elk seizoen werd een
voorintekening geopend voor het volgende seizoen; wilde men geen lid blijven
dan moest dat volgens het reglement vóór de laatste
voorstelling aan de secretaris bekend gemaakt worden.305 Er werd in de kranten
geadverteerd voor deze voorintekeningen en voorts één
of tweemaal voor elke voorstelling. Aanplakbiljetten en soms ook
strooibiljetten zorgden voor verdere reclame. De titel van het op te voeren
stuk scheen te volstaan; de auteur werd zelden of nooit vermeld. De
opbrengst van de opvoeringen ging in de kas van het gezelschap, maar het
kwam geregeld voor dat die ter beschikking werd gesteld aan de weduwe van
een overleden acteur of aan behoeftigen in of buiten de kolonie. Zo speelde
het Thespische Militaire Liefhebbery | | | | Genoodschap in 1811 voor
‘de ongelukkige Schuldenaaren thans in de Gevangenissen, binnen
Fort Zeelandia in hegtenissen’ en in 1815 gaven drie verschillende
groepen voorstellingen ten bate van het Fonds tot Aanmoediging en
Ondersteuning van de Gewapende Dienst in de Nederlanden.306 Vaak is er gespeeld voor de Maatschappij van
Weldadigheid en het Armenfonds der
Nederlandsch-Portugeesch-Israëlitische Gemeente.
Vaste dagen voor de opvoeringen waren er niet; de gewoonte om voorstellingen
te geven in de weekends dateert pas van ver in de 20ste eeuw. In de regel
begon het spektakel om 19.00 uur, maar dat uur werd wel eens vervroegd
wanneer het om een lang stuk ging. Tot in de jaren '90 van de 19de eeuw was
het gebruikelijk dat de reguliere toneelgezelschappen slechts
één uitvoering van een stuk gaven; slechts enkele
malen is hiervan op verzoek van het publiek afgeweken. Dit gold niet voor de
rondtrekkende gezelschappen die hun reis rendabel moesten zien te maken door
gedurende hun verblijf in het land zoveel mogelijk opvoeringen te verzorgen.
In het begin van de eeuw was het nog gebruik om te acteren met het script in
de hand.307 Als de lyrische
tragédienne Madame Inez Fabbri en haar gezelschap in 1862 in twee
maanden tijd achttien voorstellingen geeft met dertien maal een andere,
loodzware programmering, dan is het onwaarschijnlijk dat zij zonder
gerafelde stembanden de kolonie verlaten heeft.
De reglementen van de negentiende-eeuwse toneelgezelschappen die
vóór Thalia bestaan hebben, zijn niet bewaard
gebleven. A.F. Lammens deelt mee dat het de leden
van het toneelgezelschap aan de Gravenstraat op straffe van zeer zware
boeten verboden was op elk ander dan dit toneel te verschijnen.308 Niet-residerende gezelschappen
konden alleen optreden met bijzondere vergunning van de koloniale overheid.
In hun advertenties stond dan ook bijna altijd: ‘Met permissie van
Zijne Excellentie den Gouverneur Generaal der Nederlandsche West-Indische
Bezittingen’, soms ook met: ‘benevens het Gemeente
Bestuur dezer Kolonie.’
| |
8.2 Gezelschappen en theaters
Het toneelleven van het begin van de 19de eeuw werd gedragen door een drietal
gezelschappen. Een oude bekende is het gezelschap De verreezene Phoenix aan
de Saramaccastraat, opgericht in 1785 en waarvan, zoals eerder vermeld, de
vroegst bekende opvoering dateert van 20 november 1788. Op 27 augustus 1805
verzorgde het gezelschap een opvoering van het treurspel
Jacob Simonszoon de Ryk
van Lucretia Wilhelmina van Merken, een
spektakel dat werd besloten met ‘een aangenaam ballet’.
De schouwburg zou in 1832 wegens bouwvalligheid worden afgebroken.
In 1806 bleek het in 1798 opgerichte genootschap Door Yver Bloeid de Kunst
nog te bestaan; de van zijn leermethode Neger-Engelsch bekende G.C. Weygandt was er de secretaris van. Het voerde
op 24 april 1806 het heldenspel
't Ontzet van Bergen
op, gevolgd door het ‘Vaderlandsch klugtspel’
Vrijheid, gelykheid en broederschap
. Waarschijnlijk heeft het gezelschap met zekere regelmaat gespeeld,
maar door het ontbreken van kranten uit de tussenliggende jaren bestaat
daarover geen zekerheid.
| | | |
Voorts was er in Suriname, zoals ook elders in het Caraïbisch
gebied309, een militair gezelschap: Oeffening Kweekt Kunst,
of eenvoudigweg het Militaire Theater genaamd. Het had zijn gebouw op de
hoek van de ‘Keyzer en Klipstene straat’, en speelde
voor het eerst op 28 november 1808.310 Op het programma stonden
Deugdzame armoede
, een door J.J. Hartsinck uit het Frans
vertaald blijspel van Louis Sébastien Mercier, gevolgd door het
zedige Franse blijspel
De schoorsteenveger prins
.
De gezelschappen bleken overigens niet tot ieders tevredenheid te
functioneren. In 1809 diende zich een ‘nieuw Toneel Genootschap De
verreezene Phoenix aan de Graavestraat’ aan, dat een
intekeningsplan presenteerde en een ‘gedrukt Exemplaar van de
Werken en inrichtingen betreffende aanschouwende Leden, eigenhandig
ondertekend door S.Z. Soesman.
Secretaris’.311 Het nieuwe
genootschap speelde op 2 augustus 1809
De Caravaansche kuypers of De bedrooge Pirroo
, gevolgd door ‘Een Extra Fraaye Ballet’.
Wat het conflict inhield dat leidde tot een splitsing binnen De verreezene
Phoenix, blijft duister. Wél duidelijk is dat het oude gezelschap
zich niet op de kop liet zitten, want het reageerde al drie dagen na de
dissidente voorstelling:
Naamens het nog Existeerende Genoodschap De verreezene Phoenix,
word tot voorkooming van alle Misverstand en wel hoofdzaaklyk, dat zy nog
bestaat en haar Toneel Oeffening op nieuw Eerstdaags zal vervangen,
Geadverteerd, dat zy geen Betrekking heeft, met een ander Genoodschap, welke
zig onder den naam van 't nieuw Toneel Genootschap De verreezene Phoenix in
de Graave Straat heeft bekend gemaakt; - teevens tot Narigt diend, dat de
Inteekening geschied voor zes Stukken, in de Loge a ƒ60, en de
Bak ƒ30 ieder Persoon, en dat niemand dan die Ingeteekend is, als
Aanschouwend Lid Ingang worde verleend. Paramaribo den 2 Augustus 1809,
Mesquita. Secretaris.312
Het nieuwe De verreezene Phoenix had een gebouw gevonden aan de Gravenstraat,
dat plaats bood aan acht- tot negenhonderd bezoekers313, terwijl het oude nog
aan de Saramaccastraat zijn opvoeringen bleef geven. Het zal wel geen toeval
zijn geweest dat de aanvankelijk voor 30 september 1811 geplande opvoering
waarmee de oude Phoenix uit zijn as wilde herrijzen, werd uitgesteld tot 17
november, dezelfde dag waarop het nieuwe gezelschap zijn laatste
voorstelling van dat seizoen gaf. Of er ook nog pesterij gezeten heeft in de
titel waarmee het gezelschap terugkwam, Armoede en
grootheid, blijft gissen.
De nieuwe Phoenix deed het intussen goed. Al een week na haar eerste
opvoering, bericht zij dat er zo goed op het plan van intekening is
gereageerd, dat er een nieuw balkon zal worden aangebracht in het gebouw om
een ieder te gerieven.314 Het
oude gezelschap kon niet achterblijven en kwam met een tegenzet: de
verbouwing van gebouw en toneel aan de Saramaccastraat. Zo hoopte het
genootschap zich ‘niet tegenstaande alle | | | | ondergaane
verwisselingen, tegenkantingen, en gezogte vernielingen derzelve, in stand
te houden.’315 De onderlinge naijver schijnt op het toneelleven
dus geen slechte uitwerking te hebben gehad.
Intussen rommelde het ook bij Oeffening Kweekt Kunst. Er hadden zich
wanordelijkheden voorgedaan bij de voorstellingen van 1809 en daarom besloot
de vergadering van het genootschap degenen die daartoe aanleiding hadden
gegeven voor altijd de entree tot het genootschap te ontzeggen.316 Vervolgens verdween het gezelschap
letterlijk een tijd van het toneel, om in februari 1811 terug te keren met
advertenties waarin een nieuwe telling van intekeningen werd aangehouden.
Blijkbaar was het gezelschap dus eind 1810 heropgestart onder dezelfde naam.
Op 15 januari 1813 wilde het gezelschap zijn toneelgebouw verkopen317, wat niet scheen te lukken, want
‘exploicteur’ P.C. Roepel bood het gebouw in november
ten openbare verkoop aan.318 Het gezelschap was in
liquiditeitsproblemen gekomen, waardoor het de bijnaam ‘Oeffening
kweekt schuld’ verwierf.319 1813 was een moeilijk jaar voor het toneelwezen, want
dezelfde vendumeester bood in dezelfde advertentie ook het gebouw van het
gezelschap De verreezene Phoenix aan de Saramaccastraat aan. Vermoedelijk
zijn geen van beide gebouwen daadwerkelijk verkocht. Beide gezelschappen
bleven in ieder geval opvoeringen geven, maar spoorden hun crediteuren ook
aan hun schulden te delgen, opdat de groepen aan hun verplichtingen konden
voldoen.320
Oeffening Kweekt Kunst speelde met zekere regelmaat tot 1818. Het
toneelgebouw werd gedurende de jaren 1817-1819 ook gebruikt door andere
toneelgroepen, maar ging verloren bij de grote brand van Paramaribo in
1821.321 Met vergelijkbare problemen kampte de hele regio:
Throughout the 19th century attempts were made to establish
permanent playhouses in Caribbean towns. Theatrebuildings that were erected
or converted from existing halls after much of debate and fund-raising were
often destroyed by fire, storm or creeping decay, then painfully
rebuilt.322
In 1922 speelde het Oeffening Kweekt Kunst nog wel in een andere ruimte. In
1840 dook een toneelgezelschap van dezelfde naam op, maar het bleef bij een
eenmalige voorstelling.
Het oude De verreezene Phoenix behaalde in 1813 een morele, misschien ook een
justitiële overwinning op de jonge honden die er met zijn naam
vandoor waren gegaan. Vanaf 29 december dat jaar gebruikte het afgescheiden
gezelschap niet meer de oude naam, maar het noemde zich nog uitsluitend
‘Theatre Graave Straat’.323 Op 28 augustus 1815 speelde | | | | het oude De verreezene Phoenix zijn laatste voorstelling.324 Gebouw en goederen van het gezelschap werden
opnieuw onder de hamer gebracht325, maar het lijkt
alsof het lot voor het gebouw alleen een toekomst als komediehuis had
voorzien. Gedurende 1816 was het in gebruik door enkele
gelegenheidsgezelschappen, maar in 1817 stond er bijna elke maand weer een
vast gezelschap op de planken, zich noemende ‘Theatre Saramacca
Straat’. Dit gezelschap hield het bijna twee seizoenen vol. In de
jaren die volgden werd er wat ‘op het stijve en slappe
koord’ gedanst in het gebouw en een gezelschap onder aanvoering
van de weduwe P.J. Kroon, geboren Hilverdink gaf
er een reeks van voorstellingen gedurende de jaren 1822-1826.326 Vervolgens herrees ten derde male het niet weg te
branden De verreezene Phoenix. Om het geschiedkundig toneelspel
Tékéli of Het beleg van Mongatz
van R.C. Guilbert de
Pixerécourt op de planken te brengen, presenteerde het
zich zelfs met een ‘Orchest met Stryk Instrumenten’. De
weduwe Kroon - eerder ook spelend bij de concurrent aan de Gravenstraat -
vervulde weldra de rol van primadonna in het gezelschap. Onder verschillende
benamingen en in verschillende samenstellingen bleef het bestaan, tot het op
23 april 1831 definitief zijn laatste voorstelling speelde aan de
Saramaccastraat.
Het Theatre Graave Straat bleef na zijn naamswijziging met grote regelmaat
opvoeringen brengen. Maar ook daar was niet altijd alles koek en ei. In 1820
nam het gezelschap maatregelen om ongeregeldheden te voorkomen. De kranten
reppen met geen woord over wat daarvan de oorzaak kan zijn geweest, maar een
anonymus suggereerde dat die binnen de spelersgroep gezocht moest worden:
een sober bericht in de Geprivilegeerde Surinaamsche
Courant meldde dat de voorstelling van Het
visschersmeisje ‘door Indispositie van eene der Speelende
Leeden’ moest worden uitgesteld, maar in het exemplaar van 's
Lands Archief te Paramaribo heeft iemand met inkt geschreven:
Weerspannigheid.327 Aan
het einde van dat seizoen stelde het genootschap vast dat de bijdragen van
het publiek zo gering waren, dat het in zijn bestaan bedreigd werd; de
prijzen voor loge en parterre werden opgetrokken tot het forse bedrag van
ƒ20,-, resp. ƒ15,-.328
Bij de grote brand van Paramaribo van 21 januari 1821 bleef het toneelgebouw
gespaard. Maar het gezelschap had toen wel al zijn langste tijd gehad. Op 22
mei 1822 speelde het zijn laatste voorstelling: het treurspel
Maria van Lalain of De verovering van Doornik
van Jan Nomsz. Het toneelgebouw aan de
Gravenstraat bleef echter nog door andere gezelschappen bespeeld worden. Het
is niet onmogelijk dat uit het vaste, ‘oude’ gezelschap
een nieuwe vereniging is voortgekomen, want nauwelijks vier maanden na de
laatste voorstelling van het Theatre Graave Straat stond in hetzelfde
toneelgebouw het genootschap Tot Nut en Vermaak. Na zes voorstellingen wordt
niets meer van deze groep vernomen. Nadat ‘Eenige
Liefhebbers’ het blijspel
De nieuwe eeuw
van August von Kotzebue en het zangspel
Meester Vink of De vermiste diamant
van M.A.M. Desaugiers heb- | | | | ben opgevoerd op 20 augustus 1823, is het afgelopen met het gebouw aan de
Gravenstraat als toneelruimte. Op 24 maart 1824 werd het erf met de gebouwen
voor sƒ70.000 (toen nƒ24.000) verkocht aan de
rooms-katholieken die het tot kerk verbouwden, en op dezelfde plaats in 1883
begonnen met de bouw van de nog altijd bestaande kathedraal.329
De periode van het Engels tussenbestuur kende twee Engelstalige
gezelschappen: het Private Theather of Liefhebberytoneel, waarvan een
vijftal opvoeringen uit 1806 bekend is, en het Thespische Militaire
Liefhebbery Genoodschap/ Thespain Military Amateur Society, waarvan slechts
gegevens over twee voorstellingen uit 1811 zijn overgeleverd.
Opvoeringen door gelegenheidsgezelschappen en rondtrekkende groepen330 zijn er altijd geweest in de kolonie;
voor hun voorstellingen huurden ze een van de bestaande theaters af. Uit de
samenwerking van liefhebbers ontstond in 1818 een nieuwe toneelgroep, De
Eendracht, spelend in het gebouw van Oeffening Kweekt Kunst aan de
Keizerstraat. Tot zijn opheffing begin 1822331 wist het
gezelschap met regelmaat toneelstukken te brengen. Enkele leden ervan zetten
vervolgens een andere groep op: Hony soit qui mal y pense, die het tot zes
voorstellingen bracht (1822-1823).332
Het is gissen hoe de acteurs van deze groepen hun acteerprestaties
neerzetten. Gezien de overheersende invloed van het Europese theater, zal
ook het spel wel een afspiegeling zijn geweest van wat er in Europa te zien
was. In Nederland ging veel invloed uit van de
Theoretische lessen over gesticulatie en mimiek
uit 1827-1830 van Johannes Jelgerhuis.
Aan de hand van 93 afbeeldingen gaf hij aan wat de juiste manier was om een
bepaalde emotie uit te drukken. Jelgerhuis propageerde de
Frans-classicistische speelstijl. Lichaamshouding, beweging en
gelaatsuitdrukking stonden voorop, de historische kostuums deden de rest.
Noch het ensemblespel, noch de interpretatie van de tekst kwam aan de
orde.333 Spelleiders
gaven aanwijzingen; het vak van regisseur zou pas tegen het einde van de
19de eeuw in Europa opkomen. De eerste Surinaamse toneelleider werd vermeld
toen ‘eenige jongelieden’ op 20 augustus 1889 de klucht
Jocrisse, de vondeling
van A.V. Pineux Duval opvoerden: Richard
O'Ferrall.
In de jaren '30 van de 19de eeuw maakte het toneel een crisis door: er kwam
een circus langs, A. Muller vertoonde in een lokaal op de Knuffelsgracht
zijn ‘Groot Kunsttooneel van Physische-, Mechanische en Optische
Instrumenten’ en S.H. Boas zijn
goocheltoeren, het Theatre of Varieti's trok langs met
variété en acrobatiek en Thomas Palen met zijn
menagerie van zeldzame dieren. Dat was het dan. Jarenlang was er niet
één theateropvoering. Tenzij men zou willen geloven
dat de ‘Groote, Muzikale, Declamatorische, Pantomimische
Voorstelling’ die de Surinaamsche Courant
aankondigt voor 2 november 1839 in het bos van Picorno werkelijk heeft
plaatsgevonden. Daar zouden de | | | | heren ‘Toeval,
Verdienst en Gunst en de beroemde Cantatrice, Mevrouw de Weduwe Peu, geb.
Gril, onder medewerking der groote kunstenaars’ onder meer een
gezelschap industrie-ridders ten tonele voeren en een in ongenade gevallen
keeshond zou er een zeer aandoenlijke aria zingen.334
Intussen was wel de grondslag gelegd voor een legendarisch gezelschap: op 20
januari 1840 zette het ‘Tooneel-Genootschap Thalia’ voor
het eerst zijn deuren open. Die deuren zijn periodiek wel eens dichtgegaan,
omdat allerlei ongedierte het gebouw tot een levensgevaarlijke bouwval
verknaagde, maar Thalia bestaat tot de dag van vandaag. De geschiedenis van
het genootschap wordt dan ook uitvoerig verhaald in twee Profielen,
één hieronder en de andere in § 7.1 van de
periode 1923-1957.
Overigens was het toneelgebouw Thalia niet de enige speelruimte in Paramaribo
na 1840. Het Militaire Theater gaf voorstellingen in het Fort Zeelandia voor
een beperkt publiek (137 zitplaatsen). Het bood globaal dezelfde
programmering als de andere gezelschappen, zij het tegen een aanzienlijk
lager entreegeld: van een gulden tot een kwartje. In de zaal boven de Waag
aan de Waterkant traden ‘prestidigitateurs’ op:
wichelaars, alchimisten, magiërs, buiksprekers en goochelaars.
Professor Himan's Vereeniging gaf in 1875 in een tent aan de Keizerstraat
haar spektakelvoorstellingen met onder meer ‘Dr Soden, met zijn
wondervol opgeleid varken, genaamd Pompeij, aan welks vermogens eene zoo
eigenaardige rigting gegeven is, dat het de Engelsche taal
verstaat’.335
| |
Profiel: De geschiedenis van Thalia I
De beginjaren: 1837-1853
Het ‘Tooneel-Genootschap Thalia’ werd opgericht op 27
april 1837.336 Eerste voorzitter
werd N.G. Vlier, toneelmeester Joh. Helb, thesaurier H.J.
Blancke en secretaris H.F.
Wesenhagen. De vier bestuursleden - die overigens ook zelf
acteerden337 - speelden in het culturele leven van
Paramaribo een actieve rol: Vlier was drukker van zijn vak en opziener
bij twee vrijmetselaarsloges; Helb had al deel uitgemaakt van de
toneelgezelschappen De Eendracht en Hony soit qui mal y pense; Blancke
zou later als penningmeester van de Italiaansche Opera optreden; en
Henri François Wesenhagen, procureur van professie, was
bestuurder en boekbewaarder van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
(waar ook Vlier en Helb lid van waren). Daarmee is ook een indicatie
gegeven binnen welke kringen de leden van het genootschap werden
gerecruteerd: ze bekleedden bijna allemaal belangrijke functies in de
samenleving. Het ging deze ‘achtenswaardige
Ingezetenen’ om ‘de uitbreiding van Beschaving en
Verlichting’ en daarom wilden ze ‘gaarne een
gedeelte van hunnen tijd ten offer brengen [...] aan de bevordering van
zoodanige openbare vermakelijkheden, | | | | waar het nuttige zoo
zeer met het aangename wordt vereenigd.’338
De toneelmeester kreeg het beheer van het toneelgebouw en het
‘oppertoezigt voor het Luistervolk’ toebedeeld, de
penningmeester moest zorgen voor de invordering van de
‘Acten-Aandeelen’ en andere financiële
zaken. Twee toegevoegde commissarissen werden belast met de verdeling
der rollen. Elk lid moest berusten in de hem toebedeelde rol, op straffe
van ƒ10,- boete; wie voor een voorstelling niet kwam opdagen
kreeg ƒ50,- boete en zou ‘aan het Publiek worden
tentoongesteld.’ Leden die geen rol te vervullen hadden,
moesten bij toerbeurt assisteren bij de kaartverkoop, aldus de Reglementaire Bepalingen.339 Die bepalingen werden door 49
mannelijke leden ondertekend, velen van hen van joodsen huize. Het
genootschap zou tot ver in de 20ste eeuw een chique gezelschap blijven;
eenmaal maakte er zelfs een latere gouverneur deel van uit: J.H.A.W.
baron van Heerdt tot Eversberg. Voor de vrouwelijke hoofdrollen werden
soms dames ingehuurd. De eerste jaren werd een contract afgesloten met
mevrouw A.W.I. Alberdingk.340
Om een toneelgebouw neer te kunnen zetten, werden 400 aandelen van
ƒ50,- uitgeschreven. Drukker-uitgever J.S. Morpurgo nam
alleen al 39 aandelen voor zijn rekening.341 Van de ƒ20,000,- die
de burgerij zo bijeenbracht, zou een houten schouwburg worden neergezet
op een erf aan de Wagenwegstraat, tegenover de Zwartenhovenbrugstraat,
dat voor ƒ800,- was aangekocht.342 Na veel strubbelingen werd
stadsarchitect Johan August Voigt, ontwerper van het torentje aan het
Gouvernementsplein, bereid gevonden de opdracht te aanvaarden. Op 9 juni
1838 sloeg voorzitter N.G. Vlier de eerste spijker in het hout.343 Er werd - onder
meer door scheepstimmerlieden - met voortvarendheid gewerkt, want het
gebouw was al begin 1840 gereed.344 De schouwburg was geheel
opgetrokken uit hout. De zaal, die twee gaanderijen telde, bood plaats
aan 700 toeschouwers. Het publiek had kunnen intekenen voor tien
voorstellingen in 1840, tegen betaling bij elke representatie van
ƒ5,00 voor een logeplaats, ƒ3,50 voor een
balkonplaats en ƒ2,50 voor een plaats in het parterre;
‘Kinderen beneden de zeven jaren en Slaven, alsook degenen
welke blootsvoets verschijnen, worden niet toegelaten.’345
Op 20 januari 1840 ging de allereerste Thalia-voorstelling in
première. Het valscherm met het wapen van Suriname ging op en
het kersverse gezelschap speelde
De Oost-Indien varer
, een toneelspel in vier bedrijven van C.G.H. Arresto, dat uit het Duits was vertaald door J.W.J. Steenbergen-van Goor, gevolgd door
Het kamertje van een waschmeisje
, een door C.A. van Ray uit het Frans
vertaald blijspel met zang in één bedrijf.346 De
Surinaamsche Almanak
van 1841 zegt ervan dat het ‘getal aanschouwers
talrijk’ was, en dat men eenparig van mening was dat
‘de voordragt in de algemeen veel beter was geweest dan men
zich had durven beloven van een gezelschap van liefhebbers, van welke de
meeste nog nimmer de zoo moeilijke toneelkunst praktikaal hadden
beoefend.’ Toch is deze beoordeling minder objectief dan men
van een almanak wellicht zou verwachten. De historische context kan dat
duidelijk maken.
| | | |
In de Surinaamse krant De Telegraaf verscheen op 24
januari 1840 een bespreking van de eerste Thalia-voorstelling.347
De anonieme criticus, die signeert met ‘Een
Kunstminnaar’, merkt daarin op dat een der acteurs speelde in
de trant van een redenaar, maar ‘wanneer wij in aanmerking
nemen, dat de meeste werkende leden voor het eerst het toneel betraden,
dan moeten wij betuigen, over de uitvoering op zich zelve min of meer
voldaan te zijn.’ Hij wilde geen vonnis vellen of het geheel
behoorlijk in elkaar zat en noemde zichzelf
‘toegefelijk’. Wel was hij getroffen door het
valscherm, de hoogst nette klederdracht en de voortreffelijke orde.
Vanuit Thalia-kring reageerde men als door een adder gebeten.348 Het publiek werd
gevraagd zich niet te storen aan het ongepaste geschrijf van De Telegraaf. Er werd op gewezen dat de gouverneur
alvorens de zaal te verlaten aan de heren commissarissen verzocht had de
werkende leden zijn dank te betuigen voor het genoegen dat de
voorstelling hem had verschaft. Hij had daarbij verzekerd dat hij zeer
voldaan was en dat de voordracht in het algemeen veel beter was geweest
dan hij van liefhebbers had durven verwachten. De auteur van het stuk -
hoogstwaarschijnlijk een bestuurslid van Thalia - meende ‘dat
deze algemene geheugenissen wel zullen kunnen opwegen tegen het
geschrijf in de Telegraaf, dat... niet te pas kwam, en waarvan
“men” de motieven liefst niet wil
opsporen.’
Het zijn deze bewoordingen die een jaar later zullen terugkeren in de Surinaamsche Almanak. Dat verwondert niet: de almanak
werd in die jaren uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't
Algemeen en drie van de vier bestuursleden van Thalia en een flink
aantal werkende leden waren lid van de Maatschappij. De felheid van
reageren op een recensie die toch getuigde van welwillendheid, is een
fenomeen dat in de wereld van de Surinaamse schone letteren altijd zou
blijven terugkeren. De weinig elegante suggestie dat er oneigenlijke
motieven aan het oordeel ten grondslag liggen, is een vorm van
argumentatie die ook school zou maken. De
‘Kunstminnaar’ reageerde overigens nuchter: hij had
niemand willen beledigen en het was hem er alleen maar om te doen
geweest, zo verdedigde hij zich, ‘de algemene kunstkennis uit
te breiden.’349 Er
zijn aanwijzingen dat een later, in 1843, (door dezelfde criticus?)
ingestuurde bespreking van het stuk
Kom hier
door de redactie is geweigerd350, waarmee een eerste geval van boycot van een
literatuurcriticus in de Surinaamse letteren is geboekstaafd.
Het nieuwe toneelgenootschap zette er het eerste jaar flink de pas in:
keurig werd elke maand een nieuw stuk op de planken gebracht. Voor de
keuze van de stukken was naar Nederland gekeken (‘met succes
opgevoerd in Nederland’ zal nog lang de beste aanbeveling
blijven) en het repertoire week dan ook nauwelijks af van wat in
Nederland op de toneelplanken werd vertoond. De topschrijvers van Europa
waren ook de topschrijvers van Suriname: C.G.H. Arresto, W. Vogel, R.C.
Guilbert Pixerécourt, B. Pelletier Volméranges,
W.A. Iffland en natuurlijk August von Kotzebue. De eerste intekening van
Thalia telde maar liefst acht blijspelen van deze Duitse succesauteur.
Interessant is voorts het programma van de vierde voorstelling, waarop
als toegift het blijspel
De vertrouwden
van A. Müllner figureerde, dat door een lid van
Thalia in het Nederlands was vertaald.
De publieksbelangstelling was in de begintijd zo groot dat er blijkens
Almanak van 1841 over het gebrek aan zitplaatsen
geklaagd werd. Thalia ging niet in op verzoeken van het publiek om | | | | opvoeringen te herhalen351, en
zo kon het gebeuren dat de prachtvolle kostuums en decors meer geld
gingen kosten dan verantwoord was: in de Surinaamsche
Courant van 28 maart 1841 verscheen een advertentie van H.N.
Levy waarin hij meedeelt dat hij voor de voorstellingen van Thalia niets
meer zal leveren zonder dadelijke voldoening in baar geld.
Dat jaar kreeg Thalia concurrentie van Polyhymnia dat op 22 maart 1841 de
eerste van een reeks voorstellingen gaf, die qua programmering van
dezelfde aard waren als die van Thalia: vooral geschiedkundige tragedies
gevolgd door blijspelen. Het gezelschap had een gebouw vertimmerd
‘staande op het Erf van den WelEdelen Heer Jos. Lyon, aan de
Saramacca Straat’, speelde elf voorstellingen, en verkocht
zijn inboedel na de voorstelling van 20 augustus 1842.352
Het succes van Thalia hield intussen aan. Na de opvoering van het
treurspel
Montigni
van Herman Harmsz Klijn, trok een
anoniem dichter zijn harp uit de kast om de schrijver te bejubelen:
Maar 't meest heeft mij verrukt, dat ik in iedre trek
Van uwen Montigni, een Hollands hart ontdek:
De stoute en fiere taal, die gij den held laat uiten,
Past waarlijk in den mond van Bato's vrije spruiten; 353
Wel spreekt er enige zorg uit de oproep voor nieuwe intekenaren van
secretaris H.F. Wesenhagen in 1843: ‘Het Bestuur hoopt op een
ruime intekening, ‘tot bestrijding der menigte kosten van de
representatien, daar het, zonder dezelve, in de hoogst onaangename
verpligting zoude zijn, eene instelling te doen vervallen, welke thans
binnen deze Kolonie, de eenige is, welke voor het
algemeen, genoegelijk en nuttig kan genoemd worden.’354 Thalia had toen weer
het rijk alleen, want Polyhymnia was alweer verdwenen. Wesenhagens
oproep had niet direct succes, want de inschrijvingstermijn werd
verlengd.355 In
1846 gingen de abonnementsprijzen omlaag en in 1849 nogmaals.356 Blijkbaar om het gebouw rendabel te maken357, werd het in 1843 ook opengesteld voor
muziekuitvoeringen: op 5 juli gaf M.H. Pos, geassisteerd door Heeren
Liefhebbers er een ‘groote soirée musicale, gevolgd
door eene groote scène, zijnde de eerste Acte uit de opera
De barbier van Seville van Rossini’. In
1845 kreeg het gebouw er een tweede vaste bespeler bij: de Italiaansche
Opera onder directie van de heer Alessandro Galli en met Stefano Busatti
als chef. In amper twee jaar tijd verzorgde het gezelschap veertig
avondvullende programma's met dertien complete opera's; in 1852 keerde
het terug met negen voorstellingen. Het tekende ook voor de opvoering
van het enige negentiende-eeuwse toneelstuk dat ooit in Suriname werd
gedrukt, Il trionfo della giustizia/De zegepraal der
geregtigheid, dat in een Close-up in § 8.4 zal
worden besproken.
In 1848 zette Thalia opnieuw zijn deuren open voor een buitenlands
gezelschap: La Compagnie Française onder directie van Madame
Ancelle. De groep was afkomstig uit Frans-Guyana en speelde natuurlijk
al haar stukken in het Frans. In de twee maanden tijd dat de groep
zestien voorstellingen bracht, kwam het genootschap Thalia even op adem.
Hetzelfde gold voor het jaar | | | | 1853 toen het Gezelschap
Italiaansche Operisten voor twaalf kostuumconcerten bezit nam van het
gebouw. Gezien de bezetting ging het om een andere groep dan de
Italiaansche Opera.
| |
Zorgen voor Thalia: 1853-1880
In 1853 kwam er bij het toneelgenootschap Thalia na tien seizoenen de
klad in. Of dat samenhing met de vervallen staat van het toneelgebouw,
is niet helemaal duidelijk. In het Surinaamsch
Weekblad vroeg Spectator zich af hoe dat was gekomen, maar hij kon
er geen oorzaken voor vinden: ‘Trots hunne betrekking en stand
in de maatschappij’ hadden de bestuurders, met de reizende
gezelschappen geprobeerd er iets van te maken. Tevergeefs. Spectator
riep op tot spoedige herrijzenis.358 Maar het genootschap was gaan vergrijzen. Een
‘oud-geabonneerde’ schreef in 1855 dat
‘het jammer is, dat het Bestuur van Thalia van den beginne af
niet genoegzame kwekelingen heeft opgeleid, die nu daar de heren
acterende leden geen lust meer hebben hen hadden kunnen
remplaceren’.359
Een bonte stoet trok in de jaren '50 over de toneelplanken: S.H. Boas vertoonde zijn goochelkunsten en
harlequinades, Daniel Vogel verzorgde met een
groep van liefhebbers enkele toneelvoorstellingen, de Amerikaansche
Ethiopische Minstrels gaven een serie shows, evenals de acrobatenfamilie
Ravel, en mevrouw Caecilia Saemann-De Paez, ‘eerste zangeres
van Berlijn, München enz.’, gaf een reeks
concerten. In 1857 keerde het genootschap Thalia terug met drie
voorstellingen waarvan de opbrengst bestemd was voor de reparatie van
het gebouw. Verval en herstel van de schouwburg zouden het pad van
Thalia blijven markeren.
In 1858 was de reparatie van het Thalia-gebouw zo ver gevorderd dat de
intekening op een nieuw abonnement werd opengesteld.360 De voorstellingen vonden weer met regelmaat plaats, en dat
zou zo blijven tot 1880, toen er opnieuw representaties kwamen tot
herstel van het toneelgebouw. De schouwburg was overigens ook onderdak
blijven bieden aan reizende gezelschappen.361
Wat was het artistieke niveau van wat Thalia in deze jaren bood? Erg veel
getuigenissen zijn daarvan niet bewaard gebleven. Het Surinaamsch Weekblad publiceerde in 1862 twee reacties op de
opvoering van het Franse toneelstuk De Groot-Baljuw van
Chambéry. In een ingezonden bespreking werd het stuk
van begin tot einde de lucht in gestoken; in een tweede bijdrage spraken
‘Eenige geabonneerden’ hun erkentelijkheid jegens
Thalia uit. De bespreking was klaarblijkelijk doordrenkt geweest met
ironie, want een week later reageert namens Thalia secretaris W.P.
Kaersenhout op de bespreking. ‘Vermeenende dat dergelijke
kritiek den grond kan leggen tot ondermijning van het
genootschap’ heeft hij er behoefte aan ‘openlijk den
wensch uittedrukken dat, in het belang der goede zaak, dusdanige
beoordeling, in dagbladen, vermeden worde.’362 Gezien
deze reactie is het niet onwaarschijnlijk dat de andere ingezonden brief
bij wijze van ‘tegenwicht’ uit de koker kwam van de
redactie van het Surinaamsch Weekblad die aan haar
advertentie-inkomsten moest denken.
| |
| | | |
Close-up: De financiën van Thalia
In 1862 verscheen in het Surinaamsch Weekblad een
ironische ‘Zamenspraak tusschen twee muzikanten’,
ondertekend door H. v.d. E. en A.H.D., en gericht tegen de heer M. die
met zijn operavoorstellingen zoveel geld in zijn zakken steekt. Deze M.
was R. Mulder, ‘Pianist en Componist van H.M. de koninginne
Moeder der Nederlanden’ onder wiens muzikale leiding het
operagezelschap van Madame Fabbri stond:
Piet: Den laatsten keer zongen de choristen Ernani
pen soso maar zij hadden een voorgevoel dat zij niets zouden
krijgen en zongen daarom Ernani vo soso [Sranan:
Ernani voor niks].363
In hetzelfde weekblad vroegen enkele arme aandeelhouders van Thalia in
een ingezonden brief zich af of zij hun geld, dat zij hard nodig hadden,
de zaterdag erop wel zouden ontvangen. Deze zorg is wel merkwaardig,
want de eerste drie voorstellingen van dat seizoen werden afgesloten met
een batig saldo van ƒ813,-, resp. ƒ601,25 en
ƒ772,50, afgezet tegen de recettes in sommige andere jaren
een meer dan behoorlijk resultaat. In 1875 deelde het bestuur mee dat
leden die hun abonnementsgeld niet hadden voldaan, van de lijst zouden
worden geschrapt, omdat de recettes ver beneden ‘billijke
verwachting’ waren gebleven en de gewone kosten niet konden
worden voldaan.364
Hoe zag de financiële begroting van een gezelschap als Thalia
eruit? Het best zijn we geïnformeerd over het laatste kwart
van de 19de eeuw, waarover de notulen van het genootschap bewaard zijn
gebleven. Aan inkomsten verkreeg het gezelschap natuurlijk allereerst de
abonnements- en entreegelden. Tussen 1875 en 1900 schommelde de recette
meestal tussen de 300 en 800 gulden. Dan waren er de inkomsten uit de
verhuur van het theatergebouw. Het eerdergenoemde gezelschap-Fabbri
betaalde ƒ35,- per avond.365 Het ging hier om
een serie voorstellingen, zodat de prijs vermoedelijk lager lag dan bij
een eenmalig afhuren van de zaal. Voorts waren er - althans tegen het
einde van de eeuw - de inkomsten uit verpachting van het recht van
verkoop van dranken en verversingen. In het seizoen 1895-1896 bedroegen
die ƒ100,25.366 De boetes waarvan in de Reglementen sprake was, werden
ook daadwerkelijk opgelegd. Zo werden in 1885 boetes uitgeschreven van
ƒ1,- tot ƒ6,- wegens het niet bijwonen van
repetities en in 1876 werd de kwekeling E.R. van Eyck afgeschreven omdat
hij de hem opgedragen rol niet wenste te accepteren.367 Belangrijk waren voorts de
intekenlijsten; de gouverneur, die altijd beschermheer was, kreeg de
intekenlijst voor een productie altijd als eerste aangeboden en tekende
in voor het forse bedrag van ƒ50,-; het prestige dat op het
spel stond, gebood de notabelen van de stad dan om hun spaarvarken te
slachten.
Vooral het onderhoud van het toneelgebouw heeft altijd zwaar op de
Thalia-begro- | | | | ting gedrukt. Daarnaast waren er de
honoraria en de gewone uitgaven.368 Uitbetaling van honoraria was alleen voor dames
een normale zaak, omdat het om professionele krachten van buiten het
gezelschap ging. Al in het eerste jaar van het bestaan van Thalia, werd
contractueel bepaald dat mejuffrouw Alberdingk ƒ1000,- 's
jaars zou ontvangen voor maximaal twaalf voorstellingen, plus de helft
van de zuivere opbrengst van een benefice-voorstelling.369 In 1878 werd het honorarium per voorstelling vastgesteld
op ƒ50,- maximum en ƒ25,- minimum en voor
nieuwkomers ƒ15,-.370 Maar daarnaast waren er de benefice-voorstellingen
waarvan een deel van de opbrengst ten goede kwam aan de actrices, en die
opvoeringen konden zeer lucratief zijn: in 1875 werd na de opvoering van
De Grootbaljuw van Chambéry de recette
vastgesteld op ƒ696,- en de kosten op ƒ280,-,
zodat er aardig wat voor de acteurs overbleef.371
Kosten en baten liepen per voorstelling sterk uiteen. Zo bracht de
voorstelling Lazaro de veehoeder, of Misdaad en wraak
in 1875 ƒ1007,- op, terwijl de kosten slechts
ƒ180,- bedroegen. Misschien omdat het om een buitengewone
representatie ging ‘tot instandhouding van het
genootschap’. Maar tien jaar later, toen de situatie niet veel
rooskleuriger was, bracht de buitengewone representatie van De beschermengel ƒ298,- op, terwijl de kosten
ƒ400,- bedroegen.372 Vermoedelijk speelde de geheel nieuwe kostumering
van het gezelschap daarin een rol. De opbrengst was voor de helft
bestemd voor de acterende dames, en voor de andere helft ter verbetering
van de verlichting van het toneelgebouw, maar het resultaat was
rampzalig. Toch heeft Thalia geregeld kans gezien
weldadigheidsvoorstellingen te spelen.373
Toen Thalia in 1880 opnieuw de noodklok luidde over de miserabele staat
van het gebouw, brak een crisis aan die nog tot ver voorbij de eeuwwende
zou voortduren. Thalia telde in dat jaar nog negen leden. De fut was
eruit, acteurs woonden de repetities niet bij of kwamen te laat,
onderwierpen zich niet aan de rolverdeling en zetten zich niet in voor
hun taak. Op een vergadering met zes acterende dames werd beterschap
beloofd,374
maar van een regelmaat in de programmering zou geen sprake meer zijn.
[Het
tweede deel van deze Thalia-geschiedenis in Deel IV, periode
1923-1957, § 7.1.]
| |
Opleving van andere groepen: 1880-1890
Allerlei gelegenheidsgezelschappen en rondtrekkende troepen bevolkten na
1880 tijdelijk | | | | de Thalia-schouwburg.375 Elders werd
voornamelijk spektakel gebracht. In de sociëteit L'Union
‘aan de Joodebreedestraat’ bijvoorbeeld trad in
maart 1885 op: ‘Het Afrikaansche wonder. N.B. Barrows, Zoeloe
man, oud 41 jaar, groot 33 duim, geboren zonder armen. Bijzondere
behendigheid met de voeten.’
Maar ook Thalia moest om economische redenen denken om zijn
zaalbezetting. Vanaf 1886 kwamen er nieuwe Surinaamse gezelschappen bij
die de schouwburg gingen bespelen. In dat jaar werd Melpomene
opgericht376 dat zijn
eerste opvoering,
Emma Berthold
van J.J. Cremer, speelde op 24 mei
1887. Waarschijnlijk is het gezelschap geboren uit de malaise die bij
Thalia heerste: verschillende van de bestuursleden van Melpomene waren
ook bij Thalia actief. Ruim drie jaar later, op 3 juli 1890, speelde
Melpomene de laatste van een achttal opvoeringen, waaronder die van
Ibsens Nora in 1889.
Dan was er het gezelschap Oefening Baart Kennis dat vanaf september 1887
speelde in het benedenlokaal van de Loge Concordia, een zaal die plaats
bood aan 250 toeschouwers en waar in de loop der jaren verschillende
gelegenheidsgezelschappen voorstellingen hebben gegeven, al leende het
toneel zich niet voor stukken met grotere bezetting.377 Oefening Baart Kennis bracht eveneens veel
Thalia-acteurs op de planken en speelde evenals Melpomene zijn laatste
voorstelling in 1890; in 1893 werd het ontbonden, om in 1902 te
herrijzen.378 Het moet niet verward worden met Oefening Baart
Kunst, dat een militaire vereniging was (en dat op zijn beurt weer niets
te maken had met Oeffening Kweekt Kunst, uit de eerste decennia van de
19de eeuw).
Het ligt nogal voor de hand dat het bestaan van drie gezelschappen die
hun acteurs recruteerden uit hetzelfde reservoir, het
financiële rendement van de groepen niet ten goede kwam.379
Er gingen dan ook rond 1890 stemmen op de drie gezelschappen te laten
samengaan. Thalia-commissarissen W.L. Loth en C.H. van Meurs schreven
een brief aan Thalia om een samengaan te bewerkstelligen, die werd
besproken op de vergadering van 18 maart 1890. Voorzitter S.D. Fernandes
was niet tegen ‘doch op den voet als de belangen van Thalia
medebrengen’. Het zou er echter niet van komen. Integendeel
werd volgens nieuw reglement een bestuursfunctie bij een andere
vereniging onverenigbaar geacht met het lidmaatschap van Thalia.380 Otto Stolting, sinds 1886 directeur-commissaris van
Melpomene381 maar
vroeger zeer actief bij Thalia, bedankte staande de vergadering van 18
maart 1890 als lid.
| |
| | | |
8.3 Theaterpubliek
Het theaterpubliek was praktisch uitsluitend samengesteld uit lieden van de
witte en lichtgekleurde bovenlaag van de samenleving, burgers die de
koloniale samenleving schraagden - anderen konden de dure plaatsen ook niet
betalen. De aanwezigheid van de gouverneur werd met regelmaat in de kranten
vermeld, maar verder werd het publiek zelden gespecificeerd. Pas tegen het
einde van de eeuw zou het publiek bij
variétévoorstellingen breder van samenstelling worden,
wat niet wegnam dat theaterbezoek nog zeker tot aan de tweede helft van de
20ste eeuw het privilege van de betere klassen bleef.
We tasten lange tijd in het duister over wat dat publiek van de
voorstellingen heeft gevonden. De secretaris van De verreezene Phoenix aan
de Gravenstraat haalde in 1809 alles uit de kast om het publiek uit te
leggen hoezeer het gezelschap zijn best had gedaan om de decorwisselingen
sneller te doen plaatsvinden, zodat het publiek zich niet zou vervelen.382 Iets valt af te leiden
uit dit tekstje uit 1816 (dat natuurlijk ook als reclame bedoeld was):
Mykel Salomons, betuigd hier mede zyn hoogste dank, aan het
Geëerd Publiek, voor hun Edelens gunst bewyzing by zyn laatste
Representatie en zal (op verzoek van een gerespecteerd gezelschap) hetzelve
repeteeren op aanstaande Woensdag.383
Het publiek genoot tijdens de voorstelling trouwens niet de vrijheid om zijn
emoties de vrije loop te laten. Het genootschap Thalia bepaalde in zijn Reglement van orde dat het niet geoorloofd was
‘de acterende leden te siffleren of door andere teekenen zijn
openlijke afkeuring te bewijzen en in het algemeen verpligt zijn, gedurende
de vertooning, zich in of buiten het gebouw bevindende, zich stil en rustig
te gedragen en geene stoornis en moeijenis te veroorzaken.’384 Maar het plebs van
het parterre bleef zich roeren. In 1806 lukte het dansmeester Machiel
Salomons niet om tijdens een voorstelling het geschut te doen afgaan, omdat
‘kwaadzugtige lieden’ het kruit hadden nat gemaakt.385
Als na 1880 met steeds grotere regelmaat toneeluitvoeringen worden besproken
in de kranten, wordt het zicht op de publieksreacties beter: geregeld is er
dan sprake van een ademloos publiek, toejuichingen of stormachtig applaus,
opvallend genoeg zelden of nooit van negatieve publieksreacties. Bij gebrek
aan veel vergelijkingsmateriaal zal het publiek niet al te kritisch geweest
zijn. Willem Elout van Soeterwoude schrijft in 1884 in zijn boek Onze West:
Openbare vermakelijkheden zijn niet talrijk en wat in hoeveelheid
ontbreekt wordt juist niet door de hoedanigheid vergoed. Er is een
liefhebberij-tooneelgezelschap, waarvan de opvoeringen waarschijnlijk niet
zoo laag staan als sommigen, die mogelijk nooit iets beters zagen,
verklaren, maar misschien evenmin recht hebben op de verheven loftuitingen,
die in de couranten hun worden toegezwaaid. Op zeer verwijderde tijdstippen
laat | | | | een reizend gezelschap van met weinig zorg saamgeraampte
sujetten zich hooren of vertoont een verdwaalde prestidigitateur
[goochelaar] zijn kunsten. In den allerlaatsten tijd heeft zich in de stad
een inheemsch acrobaten-corps gevormd, waarvan de voorstellingen waarlijk
nog zoo kwaad niet waren. Maar aan al deze genoegens is het in dit klimaat
niet te ontkennen nadeel verbonden dat men ze in een besloten ruimte moet
bijwonen.386
Misschien lag het aan de laatste omstandigheid dat het publiek zich niet
altijd comme il faut gedroeg. Vooral in het parterre wilde
men graag de zaak op stelten zetten. Rang en stand was er ook bij de
uitdeling van de biljetten: die voor loge en amfitheater of balkon waren
vooraf beschikbaar, terwijl de kaartjes voor het parterre op de speeldag
zélf moesten worden afgehaald.387 Maar alle maatregelen ten spijt: in
1883 merkte een verslaggever op dat het prettig was dat de Schutterij in de
pauze voor muziek zorgde, omdat dat wat afleiding bezorgde in verband met de
nu en dan ontstane geschillen in het parterre.388
Kort daarop schreef Thalia-voorzitter J.P.W. van Eyck in de
West-Indiër
een ingezonden stuk, waarin hij memoreerde dat de gouverneur, die
de restauratie van het gebouw financieel ruim had gesteund, een concert van
prof. Jesserun voortijdig had verlaten, omdat een zeker deel van het publiek
in het parterre zich ‘vuil gedroeg’.389 In 1894 liep een
voorstelling van zekere Professor Anderson lelijk uit de hand: er gebeurde
‘daar zooveele baldadigheid van kwadejongens als wij hier zelden
hebben gezien en waarbij Prof. A en zijne menschen blootgesteld
waren.’390
Blijkbaar waren de kwadejongens niet geamuseerd door de serpentina-dans van
Mademoiselle Blanche, de grappige talenten van de fakir van Ava en de
vliegende engel Dottie Sylvo.
Overigens had het theaterpubliek in de laatste decennia al duidelijk meer
pigment in de huid gekregen. Dat valt af te leiden uit een van de zeldzame
keren dat een verslag ook het publiek scherp in beeld bracht: rond 1881 deed
een verslaggever van de Nieuwe Rotterdamsche Courant het
relaas van zijn bezoek aan Thalia en hij besloot aldus:
Zoo hebben wij onzen eersten avond te Paramaribo doorgebracht en
ons zelfs geamuseerd. Niet zoozeer met de voorstelling als wel met het
publiek. Hier hadden wij dadelijk een vue pittoresque op
de inwoners in hun talrijke variëteiten van blank tot zwart of
roodbruin: geen denkbare schakeering van huidskleur of men vindt haar hier
vertegenwoordigd. Slechts volbloed blanken en volbloed negers en indianen
zijn | | | | zeldzaam.391
Het is duidelijk dat het theater niet langer meer het exclusieve bezit was
van de blanke bovenlaag van de koloniale maatschappij en de lichtgekleurde
elite daar direct onder. Maar men vergisse zich niet: een groep als Thalia
bleef nog tot lang in de 20ste eeuw een exclusief gezelschap, met de lichte
huidskleur van het betere speenvarken.
| |
8.4 Repertoire
In zijn boek
Ons rijk Suriname
(1883) citeert A.J. Riko een jeugdig
schrijver die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant een
schets had gegeven van een bezoek aan de Thalia-schouwburg. Het levendig
verslag geeft een goed inzicht in hoe een avondje-uit in Paramaribo eruit
zag:
Des avonds komt de kapitein ons afhalen om een comedie-voorstelling
in Thalia bij te wonen, een groote bijzonderheid in deze
plaats. De voorstellers behooren tot een Braziliaanschen rondreizenden
troep, die, zooals gewoonlijk, uit alle denkbare elementen is samengesteld
en niet zoozeer een comedie als wel een acrobaten-gezelschap blijkt te zijn.
De met twee gaanderijen voorziene comedie-zaal is alleszins voldoende en
dient doorgaans tot het geven van de voorstelling van het
liefhebberij-gezelschap Thalia, waarvan de landmeter Loth
de ziel is. Ik had geen gelegenheid een representatie dezer club bij te
wonen, doch ik hoorde er algemeen met lof van gewagen. Deze avond
moeten wij ons dus tevreden stellen met de exploten van Senor Zenardo's
trawanten. Dit zijn voornamelijk nog zeer jonge gedresseerde kinderen,
waaruit ik het besluit trek, dat in deze kolonie de Nederlandsche wet
omtrent kinderarbeid niet bestaat. Verder danst er een dikke juffrouw in
mannekleeren, die viermaal teruggeroepen wordt. Doch het glanspunt van den
avond zijn ongetwijfeld de werkzaamheden van Senor Buitelommio op de
schommelende trapeze. Na een poos geslingerd en geturnd te hebben, wordt hem
een stoel toegereikt. Doodelijke stilte onder het publiek, want het is
duidelijk, dat hij nu, op dien stoel gezeten, op de trapeze zal gaan
schommelen: de kans op nekbreken is dus aanmerkelijk gestegen. Vooral de
muzikanten, boven wier hoofd hij hangt, staren met zulk een volharding
omhoog, dat zij dreigen een stijven nek te krijgen. De kunstenaar zelf vindt
echter dezen toer ook een beetje gevaarlijk en probeert voordat hij er in
eigen persoon op gaat zitten, of de stoel wel zoo aan het schommelen op een
trapeze gewend is, dat hij dit reeds alleen kan doen. De stoel blijkt
evenwel aan duizeligheid onderhevig te zijn, want nauw losgelaten, valt die
naar beneden, juist terecht komende op de eerste viool en den
orkestdirecteur, die ook al geen acrobaat is, en op zijn beurt van zijn
verheven zitplaats op den bassist tuimelt. De bas valt met dreunend gebrom
tusschen het publiek. Tableau. De acrobatische stoel of de
gevallen orkestdirecteur! Applaus uit de gaanderijen, schrik onder de
muzikanten, woede van den te voorschijn schietenden heer Zenardo in zijn
onderbroek, want hij was juist bezig zich te verkleeden. Senor Buitelommio
alleen zit al schommelende en leuk | | | | op de woelige menigte onder
hem neer te zien; slechts de herinnering aan zijn gevallen schommelkameraad
roept een gemengden trek van blijgeestige melancholie op zijn gelaat te
voorschijn. De voorstelling wordt eindelijk besloten met een pantomime,
die niemand begrijpt, doch algemeen wordt toegejuicht, en waarin zes
personen geschoren, twee opgehangen en één geworgd
worden. Drie laten zich het haar knippen. Ten slotte wikkelen allen zich in
een vuil laken met gaten en dansen een polka. Het scherm valt. Het houten
gebouw dreigt in te storten onder de toejuichingen.392
Riko leidt deze schets in met de opmerking dat de schouwburg in de regel druk
bezocht werd, ‘om 't even wat er te zien is’. Stukken
werden uiteraard gebracht om enig vertier te bieden in een kolonie die vaak
- en niet alleen tijdens de hete middaguren - slaapverwekkend was. Maar
vermaak ging in de meeste gevallen samen met ernst, zoals blijkt uit de
tekst van een advertentie van veel vroeger in de eeuw - uit 1811 - voor het
toneelspel
Rykdom en billykheid
van Scipion Henri Vernede:
de naam van den Autheur, en niet minder die van het stuk zyn
genoegzaam om hetzelve stuk met alle gerustheid aan te beveelen; als
hebbende den autheur zig meest all toegelegd, de Harten der Menschen tot
weldoen optewekken, eerlykheid en Deugd haare waarde toetekennen, en zo als
den autheur zig uitdrukt ‘Schoon uit Vergulde Paleizen gestooten,
egter in de schaamele Hutten der Armen veilige Schuilplaatsen te
vinden’; en eindelyk dat Rykdom moet strekken om goed te
doen.393
Tragedies werden bijna altijd gevolgd door een luchtig blijspel of een
harlequinade. Deze combinatie van ernst en luim zou de gehele 19de eeuw
favoriet blijven bij de meeste gezelschappen, al overheerste ook vaak de
luim in de combinatie van een blijspel gevolgd door een klucht.
De absoluut populairste toneelauteur van het negentiende-eeuwse Suriname is
August von Kotzebue (1761-1819) geweest: maar liefst 191 maal werden stukken
van deze Duitser opgevoerd, verdeeld over 68 verschillende titels van zijn
hand.394 Gemiddeld zijn zijn stukken dus drie maal in
productie genomen. Hij was ook een van de weinige toneelschrijvers van wie
de naam wel in advertenties werd vermeld (volgens F. Boulangé,
gebeurde dit veelal niet, omdat het niveau van de vertalingen/bewerkingen zo
bedroevend was395). Het waren vooral blijspelen en kluchten die Kotzebue populair
maakten, zoals
De huisselijke twist
dat acht maal werd geënsceneerd,
Het landhuys aan den groote weg
dat zeven keer werd gebracht, en
Het avonduur
en
De dronkaart
die beide zes maal op de rol werden gezet. Maar ook zijn ernstige
toneelspelen genoten populariteit:
De kluyzenaar op het eiland Formentera
werd zeven maal opgevoerd, Robert Maxwell
en De papegaai
| | | | zes maal en zijn treurspel in vijf bedrijven
De Spanjaarden in Peru, of De dood van Rolla
zeven keer in de 19de eeuw en ook nog eenmaal in 1903. De
navolgende kenschets van Kotzebue verklaart mogelijk zijn populariteit:
Kotzebue schreef meer dan 200 oppervlakkige sentimentele, deels
pikante toneelwerken, die op zeer handige en virtuoze wijze op de
toneelmogelijkheden afgestemd en op succes bij het grote publiek berekend
waren. Hij is naar aanleg een komisch talent, streefde er echter bij gemis
aan een zedelijke grootheid en verantwoordelijkheidsbesef als dichter niet
naar de burger van zijn tijd een spiegel voor te houden.396
Daar kwam nog bij dat de toneelpersonages van Kotzebue vaak Europeanen waren
die wegvluchtten naar de exotische tropen:
Kotzebues Zivilisationsflüchtlinge suchen die
‘Wildnis’, die Südseeinsel, die exotische
ferne. Stücke wie Die Indianer in England
(1788) mit einer jungen Inderin, einem unschuldig-naiven Naturkind, als
Protagonisten [...] oder La Peyrouse (1798) mit der
Liebesidylle eines schiffbrüchigen französischen
Aristokraten auf einer Südseeinsel waren es, die diese Art
Fluchtphantasien bedienten.397
Kortom, Kotzebue was de ideale toneelschrijver voor een publiek dat niet
lastiggevallen wilde worden met het eigen gebrek aan ethiek - in Nederland
trouwens evengoed als in de Oost (Batavia) en Suriname. Overigens nam
Kotzebue's populariteit na het midden van de eeuw sterk af: van de 191 keer
dat zijn stukken werden opgevoerd, gebeurde dat in de tweede eeuwhelft
slechts 22 keer.
De tien populairste stukken van andere auteurs waren: een groot, uit het
Frans vertaald toneelspel, Hariadan Barbarossa, Groot Admiraal
van Soliman II mogelijk van Ch.S. Favart (voor het eerst opgevoerd
in 1816, voor het laatst in 1867), en het blijspel van D.W. Stoopendaal De drie minnaars, of De uiterste wil van den overledenen
(1817-1858); beide stukken werden tien maal opgevoerd. Lazaro,
de veehoeder of Misdaad en wraak (1843-1887) van J. Bouchardy werd
zeven maal geënsceneerd. Elk zes maal gespeeld werden John of De klokkeluider van de St. Paulus kerk
(1850-1889), eveneens van J. Bouchardy, De bravo en de
Venetiaansche vrouw (1848-1883) van Anicet Bourgeois, het Franse
blijspel met zang Het kamertje van een waschmeisje
(1829-1863), het treurspel in vier bedrijven Julius van
Sassen (1813-1870) van H. Zschokke, de grote vaudeville Mr. Vink of De vermiste diamant (1817-1869) van M.A.M. Desaugiers
en het treurspel in vijf bedrijven van Jan Nomsz Maria van
Lalain of De verovering van Doornik (1819-1843). De ruime
tijdspanne waarin bijna al deze stukken werden opgevoerd, maakt dat ze het
repertoiretoneel van het negentiende-eeuwse Suriname genoemd kunnen worden.
Populaire toneelschrijvers waren voorts Eugène
Scribe van wie twaalf stukken en zeven libretti werden opgevoerd,
A. Ruysch met tien stukken, Marten Westerman (zeven), Justus van Maurik (zes) en W.A.
Iffland (vijf). Het aanbod week nauwelijks af van dat wat in
Nederland werd geboden en de eerste Surinaamse opvoering volgde in de regel
zeer spoedig na de Nederlandse première. Historische treurspelen
bleven de gehele 19de eeuw door bijzonder populair. Een aantal ervan was van
onversneden patriottistische strekking, waarbij ten overvloede zij opgemerkt
dat met patria altijd Nederland bedoeld was. Zo werd in 1815 door het
Theatre Graave Straat het treurspel Claudius Civilis, of De
grondlegging
| | | |
der Bataafsche Vrijheid van W.
Haverkorn Wz. gespeeld en voerde Thalia op 30 maart 1843 bij
gelegenheid van het afscheid van gouverneur J.C. Rijk het treurspel Michiel Adriaansz de Ruyter van Jan
Nomsz op, dat zich afspeelt op de kust van Guinee, waar de
vlootvoogd genade schenkt aan iemand die een manslag heeft begaan (een goede
keuze want de gouverneur was eerder schout-bij-nacht geweest).398 Hetzelfde gezelschap
bracht op 5 maart 1895 De wees van Brussel of Alva in de
Nederlanden van A. Ruysch en oogstte daarmee zoveel succes dat een
week later nog een opvoering werd gegeven. De vereniging Oefening Baart
Kennis voerde in 1887 op Gewichtige dagen 1830-1833: episode
uit de Belgische Omwenteling van Justus van Maurik Jr. en F.A.
Buis.
Hoe conservatief de programmering van de Surinaamse gezelschappen was, valt
af te leiden uit toneelkritische opmerkingen uit het laatste decennium van
de eeuw. Toen Thalia in 1890 het Franse drama De
goochelaar speelde, verzuchtte de recensent van De
West-Indiër:
Was het de gewoonte van dit genootschap steeds uit zijn verleden te
putten, en schonk [het] zijne opvoeringen daardoor weinig
vertrouwen, de groote opkomst, trots het slechte weer, is een
verzoek om niet meer in herhaling te treden.399
Aan toneelschrijfkunst van lokale herkomst is Suriname in
de 19de eeuw niet rijk geweest. Op 23 augustus 1813 voerde De verreezene
Phoenix Kotzebue's stuk La Peyrouse op, gevolgd door het
blijspel De menschen vriend, of 't Eind kroond het werk
van L. Gouttierre.400 Deze Louis Gouttierre was een
Surinaams ingezetene van vermoedelijk Franse afkomst. Hij was
beëdigd vertaler in het Frans, Italiaans en Spaans401 en opende in 1813 een ‘nieuwe
Fransche school’ voor een klein aantal leerlingen.402 Mogelijk
werd dit geen succes: twee jaar later verkocht hij een verzameling Engelse,
Franse en Hollandse boeken waarvoor hij zelfs catalogussen liet
drukken.403 In 1821 blijkt hij een Hotel de Toutes les Nations
te beheren.404
Gouttierre schreef ook het kluchtig zangspel De
schoenlapper, waarmee De verreezene Phoenix zijn voorstelling van 17
februari 1814 besloot.405 Het was een
benefietvoorstelling waarvan de opbrengst aan Gouttierre ten goede kwam.
Omdat hijzelf ook degene was die de advertentie ondertekende, is het
waarschijnlijk dat hij ook een vooraanstaande functie bij het
toneelgezelschap uitoefende. Over de stukken die hij schreef zijn geen
gegevens overgeleverd; ze werden slechts eenmaal opgevoerd. Buiten Suriname
schijnt hij niet actief te zijn geweest.
Over andere stukken van de hand van Surinaamse ingezetenen geeft de
geschiedenis evenmin veel informatie. Het Muzijk-Genootschap Cecilia bracht
op 14 april 1852 binnen een zogenaamd ‘Dames-Concert’
het declamatorium De stalboef. Exemplaren van de tekst | | | | waren verkrijgbaar bij de drukkerij van het Surinaamsch Weekblad, à 25 cent.406 Of de tekst, hoogstwaarschijnlijk
in Paramaribo gedrukt, van Surinaamse herkomst was, is niet duidelijk en ook
over de inhoud tasten we volledig in het duister. Evenmin is iets bekend
over het toneelstuk in één bedrijf De
schilderij van F.J. Kenswil, dat in 1877 in Paramaribo zou zijn
verschenen.407
Het toneelgenootschap Thalia heeft enige malen gebruik gemaakt van lokaal
vervaardigde vertalingen van toneelstukken. Het historische toneelspel Lodovico of Het verraad uit ouderliefde van Jacob van David Mendes werd tussen 1827 en 1889
maar liefst acht maal op de planken gebracht. Het ging om een bewerking van
een Duits origineel. Van Mendes is enkel bekend dat hij in 1817 deel
uitmaakte van het Theatre Saramacca Straat en in 1822 een aantal
voorstellingen verzorgde met een groep kinderen tussen de 8 en 13.408 Hij was luitenant van politie en speelde
als assistent van het Commissariaat voor de Inlandsche Bevolking in 1834-35
een belangrijke rol bij de afzetting van het grootopperhoofd der
saramakaners Kofi Gbosuma.409 In 1863 voerde Thalia het blijspel
in één bedrijf Het vreemd onthaal
op, dat door Mendes uit het Frans was vertaald; mogelijk was het vroeger in
de eeuw ook al geënsceneerd. Op 27 april 1840 speelde het
genootschap De vertrouwden, een blijspel in twee
bedrijven, naar het Duits van A. Müllner, ‘Onlangs door
een’ onzer geachte Stadgenooten voor het Nederlandsch Tooneel
overgebragt, en aan de werkende Leden van het Genootschap
opgedragen’.410 Gedrukte exemplaren van het stuk waren bij de uitgever van de
Surinaamsche Courant, J.J. Engelbrecht, te koop voor
één gulden per exemplaar. In 1844 meldde Thalia bij de
opvoering van het blijspel in twee bedrijven Ook ik ben
schilder!, dat het uit het Frans was vertaald door een der
leden.411 Het werd slechts eenmaal geënsceneerd.
Dat gold niet voor De Groot-Baljuw van Chambéry, of
Vader, regter over zoon en vorst, een toneelspel in vijf bedrijven
dat uit het Frans werd vertaald door ‘onzen stadgenoot’
J.H.G. Muller.412 Niettegenstaande het feit dat het erg slecht werd
ontvangen in 1862 - daarover later meer - hield het tot 1889 repertoire
(Muller was toen overigens al overleden).413 Muller was drukker van zijn
vak414, had eveneens
getekend voor de vertaling van De bloedvlek, of De zegepraal op
het vooroordeel, een toneelspel in drie bedrijven van Maillan en
Boulé dat door Thalia op 12 juli 1848 en later opnieuw op 16
april 1863 werd opgevoerd.415
| |
| | | |
Close-up: Een allegorische voorstelling voor de gouverneur
Il trionfo della giustizia/De zegepraal der
geregtigheid, ‘opéra allegorica’,
werd op 6 januari 1846 opgevoerd in theater Thalia om, zoals het
titelblad in het Italiaans vermeldt, de gelukkige aankomst te vieren van
Renier Fredrick baron van Raders als gouverneur in Suriname; deze had
drie maanden eerder, op 13 oktober 1845, zijn ambt aanvaard.416 De Italiaanse tekst van het stuk
was voor deze gelegenheid geschreven door Abbondio Lombardi en Stefano
Busatti had de muziek geschreven. Het libretto was daags
vóór de voorstelling en op de speeldag voor 50
cent verkrijgbaar aan de schouwburg, en bevatte ook een - zeer vrije -
vertaling in het Nederlands van R.J. Gollenstede.417
Reinhard Johan Gollenstede was een Surinaams
ingezetene, een in 1822 geboren kleurling. Hij is ongetwijfeld een zoon
van de man met exact dezelfde naam, R.J. Gollenstede (1794-1841), die in
1838 had behoord tot de ondertekenaars van de Reglementaire
Bepalingen van Thalia.418
Gollenstede junior was van beroep koopman.419 Hij was evenals zijn vader lid van de Maatschappij tot Nut
van 't Algemeen en gaf daar ook wel eens een lezing.420 In 1842 had hij enkele gedichten gepubliceerd
(zie § 9.1) en bij de aankomst van Van Raders schreef hij ook
een welkomstlied.421 Gollenstede
jr. overleed in Paramaribo op 30 mei 1861.
Lombardi is een naam die in het Surinaamse theaterwezen nooit eerder was
opgedoken en die daar ook nooit meer gehoord zou worden. Stefano Busatti
daarentegen zou in het muziekleven van Paramaribo een belangrijke plaats
gaan innemen. Voor het eerst had hij een jaar eerder van zich doen
horen, in 1845, als chef van de Italiaansche Opera. Busatti ontwikkelde
zich tot wat we de Surinaamse hofcomponist zouden kunnen noemen: in
1852, toen de opvolger van Van Raders aantrad, componeerde hij een
lofzang op de behouden aankomst van de nieuwe gouverneur.422 Die
lofzang moet ook gedrukt zijn, maar er is geen exemplaar van bewaard
gebleven. In hetzelfde jaar opende Busatti een zangschool in zijn huis
aan de Wagenwegstraat.423
Van hem, noch van zijn operagezelschap wordt na dat jaar 1852 nog iets
vernomen.424
De kranten vermeldden dat de voorstelling van Il trionfo
della giustizia was ‘Versierd met nieuwe Costumes,
Machinerien en verder theatraal toestel’.425 Het 23 pagina's
tellende tekstboekje meldt voorts: ‘Deze Voorstelling is wat
den fabelkundigen inhoud betreft, met de meeste juistheid
versierd.’ Dit laatste moet dan betrekking gehad | | | |
hebben op het decor en met name op de bustes van de verschillende
optredende goden. De allegorische voorstelling omvat
één bedrijf met vier scènes en speelt
zich af in de tempel der Gerechtigheid. De eerste scène toont
een altaar met het standbeeld van de godin der Gerechtigheid, met aan de
rechterzijde een gedenkzuil toegewijd aan de Roem, beschaduwd met
laurieren, olijven en mirten. Priesters zijn in gebed verzonken en een
koor van priesters en krijgslieden bezingt God die de landsbestuurder
naar dit oord heeft geleid. De opperpriester treedt binnen en heft zijn
vreugdezang aan; hij smeekt de gouverneur het deugdzaam volk zijn
bescherming te bieden.
De tweede scène brengt De Overvloed ten tonele. Terwijl deze
zingt
ontbloot de opperpriester borstbeeld en naam van de gouverneur Van
Raders; hij lauwert het beeld met een kroon van olijf- en mirtentakken.
In de derde scène komt De Dapperheid met getrokken zwaard het
toneel op, de laatste scène tenslotte voert De Gerechtigheid
ten tonele. De vier deugden zingen samen met de opperpriester een
kwintet:
Qui 'l mando con pace e amor.
Tot hen, als liefde's tolk.
Zware donderslagen klinken, bliksems vallen uit de hemel en het toneel
wordt schitterend verlicht bij de laatste scène wanneer allen
in een luid vreugdegezang uitbarsten.
De kolonie had wel eerder classicistische stukken gezien, maar een
allegorische voorstelling van dit kaliber speciaal geschreven voor een
landvoogd bleef een unicum. Er was alles voor uit de kast gehaald. Het
libretto meldt: ‘Het werktuig waarmede de Geregtigheid
nederdaalt is van de uitvinding van den Heer Abbondio, die hetzelve voor
de eerste maal in deze Hoofdstad zal in werking brengen.’ Hoe
de voorstelling is ontvangen, is niet bekend. Ongetwijfeld zijn
tekstschrijvers, componist en uitvoerenden in een fakkeloptocht naar
huis begeleid, zoals gebruikelijk was. Gouverneur Van Raders bleef zich,
ook na zijn terugtreden in 1851, zeer intensief met Suriname
bezighouden, met talloze geschriften over de afschaffing van de
slavernij en nieuwe mogelijkheden tot kolonisatie van het land.
| |
8.5 Toneelkritiek
Literatuurkritiek in de 19de eeuw was toneelkritiek. De schaarse besprekingen
van boeken betroffen voornamelijk non-fictie426: aan bellettrie van elders werd
nauwelijks aandacht besteed en literatuur van eigen bodem was er nauwelijks:
die moest nog van de grond ko- | | | | men.
Een allereerste vorm van toneelkritiek in de 19de eeuw, gaf de Surinaamsche Courant van het jaar 1811. Het is een bespreking van
een Engelstalige voorstelling van het Thespische Militaire Liefhebbery
Genoodschap/ Thespain Military Amateur Society op 27 mei 1811 in het theater
aan de Gravenstraat. Opgevoerd werden de tragedie The Heir at
Law en de ‘low comedy’ All the
World's a Stage. De kolonie voer op dat moment onder Engels bewind
en de krant verscheen tweetalig. Of de onderstaande tekst de oorspronkelijke
is, of de in de tweede kolom afgedrukte Engelstalige, valt niet meer te
achterhalen
| |
Thespische militaire liefhebbers
Onverdienden lof, en zelfs vleyery, is dikmaals niet
ongevallig, aan de geenen wien men zulks toekend, maar verkreegen, en
verdienden lof, is even zoo aangenaam voor den geever, als voor den
ontfanger van hetzelve, zodanig shynt [sic] den aard geweest te zyn, van
de toejuiching, waarmeede de uitvoering van het stuk, op laatst leden
maandag avond The Heir at Law ontfangen wierd. Het groote Toneel in de
Grave Straat, was volkomen aangevuld, en de Representatie by te woonen,
bestaande de aanschouwers, uit circa 8 a 900 Persoonen, welkers luide en
herhaalde tekens van goedkeuring, by 't nedergaan van het Gordyn (daar
hetzelve, hun genoegen te kennen gaf) niet dan hoogst aangenaam zyn kan,
voor die geenen, Wiens oogmerk by deze Representatien is, om hun lieden
te voldoen. Onze geringe goedkeuring, kan niets toebrengen, aan dat,
hetwelk zo klaarblykelyk was, egter mag het ons vergund zyn hierby te
voegen, dat deze Representatie in veelen opzigten, de vorigen
overtroffen heeft, hebbende teffens eene grooter verscheidenheid van
Characters voortgebragt, wy hebben bespeurd dat den held der
Treurspellen, even gelukkig slaagd, in het boertige Blyspel. Om
enkelden lof te vermelden, daar alleen [sic] het zoo wel verdiend
hebben, zoude ongepast zyn, egter kunnen wy niet af zyn, aan te stippen
met hoeveel Toneel kunde, de Rol van Doctor Pangloss is uitgevoerd, den
Autheur zelve, ware hy tegenwoordig geweest, moest ten hoogsten voldaan
zyn; te zien dat zyne oogmerken, ten opzigte van deze rol zoo
verwonderlyk wel gecoat [sic] waren, en vertoond wierden. Het
nastuk van All the World's a Stage besloot de vertooning, daar het reeds
vry laat was.427
Wie de auteur is geweest van deze bespreking is niet bekend; gezien de
propagandistische toonzetting ging het mogelijk om een lid van het
gezelschap. Daarmee is tevens de richting aangegeven van
één van de twee belangrijkste tendensen in
toneelkritiek: een deel van de critici heeft recensies vooral gezocht in
het maken van publiciteit.
De tweede belangrijke tendens diende zich aan toen in 1813 iemand, zich
noemende ‘Een Vriend’ een ingezonden brief schreef
over de opvoering van het treurspel
Barbarossa of de Tyran van Algiers
door enige Engelse liefhebbers op het toneel van het gezelschap
De verreezene Phoenix aan de Saramaccastraat. De brief begint poeslief
met de opmerking dat het vertoonde ‘verre de verwachting der
Aanschouwers heeft overtroffen’. Maar dan staat er:
‘De vervalling van de Rol van Barbarossa, zoude zelfs een
Acteur geen schande | | | | aangedaan hebben.428’ Met andere woorden:
het zou voor een acteur niet erg zijn geweest als de hoofdrol van het
stuk niet bestaan had! Daar zat venijn in, want de jonge
toneelliefhebbers reageerden furieus:
Myn Heeren de Uytgevers De Courant van gepasseerde
Woensdag door lezende ontwaarden wy een gekrabbel opgesteld door een
boosaardige onbekende onder de verdigte naam van een Vriend der
waarheid. Zo draa een diergelyke ondertekening verschynt, verwagt het
Publiek ook, dat de Straalen der waarheid in ieder lyk [?], overtuyging
moeten schieten.
‘To drive and scatter all the Brood of Lies
And chace the varied falsehood as it Flies’
Deze harde Taal spyt ons byzonders, maar, wanneer zulke
tastelyke valschheid ten voorschyn komt, word het ons onmogelyk, onse
regtvaardiging intehouden. De acteerende Leden, waren niet uyt
hoofde van voordeel bewoogen, zich op het Toneel te waagen, en het
smertte hun, aan eenige Persoonen van het auditorium niet te hebben
kunnen voldoen, maar men hadde moeten in overweeging neemen, dat het hun
eerste proef was, en dat wel tot onderstand van hunnen mede Mensch - Wy
hebben de grootste reden, te veronderstellen, dat die opstelling uyt de
Familie der Liars of een diergelyke naam, afkomstig is; waarlyk het doet
ons nu byzonders leed, dat de Roll van Zaphira niet aan een zekere
Vriendin is aangeboden, terwyl onze gissingen ons doen veronderstellen,
dat het boosaardig opstell in de Courant van gepasseerde Woensdag is
ontstaan vermits wy haar belett hadden in haare Roll op het Toneel te
mishaagen.429
Misnoegen over de rolbezetting heeft dus vermoedelijk ten grondslag
gelegen aan de venijnige brief van de waarheidsvriend. De
‘familie der Liars of een diergelyke naam’ zou een
toespeling kunnen zijn op een bekende naam uit die tijd als Lyons, maar
zekerheid daarover is er niet. Belangwekkender is dat de briefschrijver
- wat diens of haar motivatie ook geweest moge zijn - een rudimentaire
‘recensie’ had geschreven waarin het kritische
oordeel prevaleert. Daarmee staat het stuk haaks op de eerder
aangehaalde bespreking die uit een oogpunt van publiciteit geschreven
leek. Ook de reactie van het gezelschap is karakteristiek voor het
verloop van veel latere reacties op gepubliceerde kritieken: de
verdediging luidt dat het om een eerste artistieke proef ging die niet
streng beoordeeld mag worden.
Deze besprekingen waren incidentele gebeurtenissen.430 Continuïteit was ver te zoeken. Eerst
in de jaren '80 van de eeuw zouden toneelopvoeringen met enige regelmaat
besproken worden.
De voornaamste reden van het zo lang ontbreken van enige vorm van
kunstkritiek in Suriname laat zich raden: in de kleine gemeenschap van
krantenlezers ontmoet men 's | | | | middags de persoon die men 's
ochtends recenseert. Van het povere aantal van zeven besprekingen
verschenen tussen 1830 en 1878, waren er vijf gewijd aan opvoeringen
door buitenlandse groepen, slechts twee - die van 1840 en 1862 - aan
opvoeringen van een Surinaams gezelschap, in beide gevallen was dat
Thalia en in beide gevallen veroorzaakte de bespreking grote commotie,
zoals al eerder beschreven.
Wie de negentiende-eeuwse critici waren, weten we niet, want hun stukken
werden nooit gesigneerd, of enkel ondertekend met een schuilnaam als
Spectator of Donatus. Welke literair-kritische opvattingen zij waren
toegedaan wordt uit hun besprekingen niet erg helder. Van reflectie op
het bedrijf van de kunstkritiek is zelden sprake geweest. Eerst in de
jaren '90 verschenen de eerste teksten die getuigden van het overdenken
van de (toneel)kritische activiteit (zie § 9.6 van de periode
1890-1923).
|
300Bijvoorbeeld het Theatre
Graave straat meldt in SC 10/2-2-1814 en GSC 10/3-2-1814: ‘De
Respective Deelnemers op 't Plan van Negotiatie worden Verzogt in 't
Toneel Gebouw te Compareeren op Vrydag den 4' dezer 's Morgens ten 9
uren ter Uitlooting der Vierde Termyn van 10 stuks Obligatien volgens
Aanneeming.’ GSC 11/7-2-1814: De uitloting heeft
plaatsgehad.
301Althans bij Theatre Graave straat zoals secretaris
S.Z. Soesman waarschuwt in GSC 93/18-11-1816.
302In SC
3-5-1806 adverteert het ‘Liefhebberytoneel’ dat
verschillende heren hun entreebiljetten niet hebben laten zien en dat de
‘Deurwaarders’ voortaan niemand zonder biljet zullen
laten passeren (Archief Samson port. 11, nr. 11).
303SC 100/14-12-1825 e.v.:
Voor betere daarstelling van order, zullen er geenen voeteboys meer
worden toegelaten.
304De Surinaamse prijzen zijn gebaseerd op een voorstelling in
1821 door De verreezene Phoenix van het treurspel Alzire of
De Amerikanen van Voltaire (GSC 16/12-3-1821, SC 17/13-3-1821).
Andere prijzen van de Amsterdamse stadsschouwburg in 1802: balkon
ƒ2,12, amfitheater ƒ2,00, 2e amfitheater
ƒ1,00, gaanderijen 14 cent; parterre heet daar: bak (cijfers
van het NTI). De oudste prijzen in Suriname in de 19de eeuw zijn van
1804: loge ƒ10,00 en bak ƒ5,00, maar heb ik niet
in de tekst vermeld, omdat de koersverandering ten opzichte van de
Nederlandse gulden toen zeer onduidelijk was, en zich eerst na 1816
stabiliseerde (ENW 487, waar ook de koers van 1821 vermeld
wordt).
306SC 15/20-2-1811, resp. GSC 57/17-7-1815 & GSC
59/24-7-1815.
309Verg. Banham e.a. 1994. Mesters 1998
heeft mij op het spoor gezet van verschillende titels betreffende het
Caraïbische theater. Ik ben haar daarvoor erkentelijk. Haar
scriptie is helaas gebaseerd op te weinig en te weinig betrouwbare
bronnen, om haar conclusies over het Surinaamse toneel te
rechtvaardigen.
310GSC
2/7-1-1813, GSC 3/11-1-1813 en GSC 4/14-1-1813. In Amsterdam was een
gelijknamig dichtgenootschap opgericht in 1786 (De Vries 2001:
266).
311SC 60/29-7-1809.
Vermoedelijk gaat het om een Samuel Soesman.
312SC 62/5-8-1809, opnieuw SC
63/9-8-1809.
313Aldus een later te citeren bespreking in SC 44/1-6-1811.
Straatnamen werden op verschillende manieren gespeld; ik houd de moderne
spelling aan, tenzij het om citaten gaat.
315SC 19/6-3-1811 en SC/SG
21/12-3-1811.
317GSC 2/7-1-1813 [vermeldt abusievelijk 1812], GSC
3/11-1-1813 en GSC 4/14-1-1813.
318GSC 88/4-11-1813
& GSC 89/8-11-1813.
319Aldus Lammens
1982: 41.
320SC 26/1-4-1814 en GSC 29/11-4-1814
(Oeffening kweekt kunst). In SC 29/12-4-1814 dreigt de secretaris de
intekenaren ‘door Rechtsmiddelen tot betaaling te
constringeeren’. Ook De verreezene Phoenix spoorde haar
crediteuren aan tot spoedige betaling (SC 58/22-7-1814).
321Lammens 1982: 41 vermeldt dat het door
brand verloren is gegaan; ik veronderstel in 1821 omdat het gebouw stond
binnen het deel van de stad waarvan bekend is dat het door brand werd
verwoest.
322Banham e.a. 1994: 146.
323Nog
eenmaal duikt het onder de naam De verreezene Phoenix op bij een
voorstelling op 15-3-1821.
324In GSC 29/8-4-1816 adverteren ‘Amatheurs
op het Toneel van het Geexisteerd hebbende Genootschap De verreezene
Phoenix’.
325GSC 9/29-1-1816
Roepel biedt ter openbare verkoping aan o.m. ‘Een Huys en Erf,
staande en gelegen aan de Saramacca Straat, bekend onder La. E.,
aankomende 't Genootschap De verreezene Phoenix. GSC 15/19-2-1816 en GSC
16/22-2-1816: idem, ‘Diversche Goederen’. GSC
21/11-3-1816: Isaac Abendanon biedt te koop of te huur aan het huis en
erf aan de Saramaccastraat ‘eertyds behoord hebbende aan 't
Genootschap de verreezene Phoenix’.
326Zij vertrok uit de kolonie op 23 september 1828 (SC
77/24-9-1828).
329Temminck Groll 1973: 86. De tekst van Oudschans Dentz 1972:
46 over deze overdracht kan aanleiding geven tot misverstand. De koers
in ENW 487.
330Stone 1993: 9 meldt dat het eerste rondtrekkende
gezelschap in het Caraïbisch gebied een Britse groep was die
in 1733 Jamaica bezocht.
331GSC
39/16-5-1822 maakt melding van ‘het bestaan hebbende
genootschap de Eendragt’. Onjuist is, zoals de ENW 683 meldt,
dat zij een eigen zaal aan de Keizerstraat had.
332SC 11/5-2-1823:
het stuk Maria van Lalain, opgevoerd op 6-1-1823, is
kort tevoren, op 5-7-1819, opgevoerd door De Eendracht, en de
advertentie wordt ondertekend door dezelfde: Johs. Helb. In 1820 is er
nog sprake geweest van een drietal opvoeringen door een groep
‘Jonge Liefhebbers’ aan de Joodebreestraat, waar zij
blijkbaar een mogelijkheid tot het opvoeren van toneel hadden weten te
creëren.
335SCGAB 23/20-2-1875, SCGAB
24/23-2-1875.
336Voor deze paragraaf heb ik gebruik
gemaakt van alle in de noten genoemde bronnen, maar ook van het
Thalia-archief te Paramaribo (ATT) waarin zich o.m. bevinden de
notulen over de jaren 1874-1914 en twee, niet-gesigneerde
typoscripten over de geschiedenis van het gezelschap; uit een ervan
valt af te leiden dat Ph.A. Samson de samensteller ervan moet zijn.
Van gegevens daaruit is kritisch gebruik gemaakt, want de teksten
bevatten ook vele vergissingen. Zijn aantekeningen zijn ook te
vinden in het KIT, collectie Samson, Hug. 017-7832. Een schets van
de vroegste geschiedenis is Anoniem 1841.
337Zoals we weten uit een zeldzaam
geval waarin de rolverdeling bewaard is gebleven, te weten die van
de voorstelling Celina, of Het kind des geheims
van 27-4-1840 (ATT).
338Surinaamsche Almanak 1841:
217.
339Deze bepalingen zijn ontleend aan de Reglementaire
Bepalingen van het Tooneel-Genootschap Thalia, vastgesteld
op 18 mei 1838 (zie SC 40/18-5-1838), waarvan het handgeschreven
afschrift zich bevindt ATT.
340Het contract voor
het tweede seizoen, gedateerd, 1-12-1840, waarbij zij zich
verplichtte maximaal twaalf voorstellingen te spelen, bevindt zich
in het ATT. Haar zus, L. Alberdingk, had op 27 april 1840 een
dubbelrol gespeeld, haakte daarna als actrice af (zie Anoniem 1841:
219-221, waar overigens geen namen worden genoemd).
341SC
13/15-2-1838, SC 14/15-2-1838, SC 14/16-2-1838, DST 31/16-2-1838
e.v. Aanmaning in SC 88/4-11-1839 en SC 89/5-11-1839. ATT: Morpurgo
schonk ze in 1900 aan Thalia.
342Nummer: La. B. No. 113. Geregtshof van de Colonie Suriname,
Protocol 8, folio 116, dd. 16-4-1838. Andere bronnen melden
ƒ846,- (Van Hinte-Steenwijk & Van
Steenderen-Rustwijk 1996b: 135).
343NSC 45/6-6-1838 e.v. Samson 1954: 156 en
Tjoe-Nij 1990: 13 vermelden onjuiste data.
344Een jaar
later verrees op het erf nog een gebouw. SC 27/4-4-1841 e.v.
Advertentie voor de aanbesteding.
345SC 100/14-12-1839 (waarin nog werd gemeld dat
de eerste voorstelling op 16-1 zou plaats hebben).
346Dat overigens al in 1829 in Paramaribo te zien
was geweest.
347DT 24-1-1840: Eerste Toneelvoorstelling
350In ANLB
44/2-6-1843 verschijnt het volgende bericht in de rubriek
‘Correspondentie’: ‘De Redactie
verwijst den schrijver van het stukje over de laatste Representatie
van het Tooneel-Genootschap Thalia, naar de gevoelens, uitgedrukt in
het slot van het artikel betrekkelijk de beoordeeling der eerste
voorstelling van dat Genootschap, voorkomende in de Courant van
Zondag den 26sten Januarij 1840.’ [= SC
8/26-1-1840.]
351Bijvoorbeeld in een ingezonden brief in SC 36/5-5-1840.
352NSC 21/13-3-1841. SC 84/20-10-1842: Vendumeester M.A.
Keiser zal morgen om 9 uur verkopen: Provisien, stukgoederen, wane-
en kopie planken; - alsmede: planken, vierkant hout en schermen, van
het Tooneel-Genootschap Polyhymnia.
356SC 27/4-3-1846: Loge ƒ4,00, Balcon
ƒ3,00 en Parterre ƒ2,00; prijzen buiten
abonnement onveranderd. ANAB 16/5-2-1849: Loge ƒ3,-
(buiten intekening ƒ4,-), Balcon ƒ2,-
(ƒ3,-), Parterre ƒ1,-
(ƒ2,-).
357Dit was volgens Art. 7 van de Reglementaire Bepalingen het bestuur toegestaan te doen
‘ten einde daardoor de Kas van dit Genootschap te
stijven’.
359Citaat uit een van
de historische schetsen in ATT. Nadere bron onbekend.
360SCGAB 19/13-2-1858 e.v. Een van de actiefste
Thalia-leden was Rudolf Bueno de Mesquita (1843-1934) die 90 rollen
vervulde (biografie in Tr 14 (1952-53), nr. 2, december
1952).
361Bijvoorbeeld dat van Madame Inez Fabbri dat in 1862 vanuit Puerto
Rico naar Suriname kwam, de groep van de monologist Wallack in 1870,
de Compagnie Lyrique Française die in 1874 acht
Franstalige programma's speelde, gezelschappen van marineschepen die
de kolonie aandeden en enkele
variétégezelschappen.
362SW 24/15-6-1862, resp. SW 25/22-6-1862.
363SW 36/7-9-1862. Het
navolgende in SW 37/10-9-1862.
364S 9/29-1-1875. Twee jaar later
bleek de intekening niet toereikend te zijn tot dekking der
allernoodzakelijkste kosten en riep het bestuur op tot algemene
intekening daar anders het gezelschap zou moeten worden opgeheven (S
13/13-2-1877 e.v.).
365Zo blijkt
uit een ingezonden brief in SW 37/10-9-1862.
366Cijfer uit de
begroting in S 59/12-7-1896. Advertentie voor verpachting in DS
14/16-2-1896. Aan Thalia rond 1900 hebben Van Hinte-Rustwijk
& Van Steenderen-Rustwijk 1996b een artikel
gewijd.
367Notulen Thalia 16-2-1885, resp. 24-2-1876. In 1899
ontstond er een rel nadat twee commissarissen er hun fiat aan hadden
gegeven dat B. Ezechiëls een rol niet accepteerde; alleen
het bestuur kwam die beslissingsbevoegdheid toe (Notulen Thalia
24-1-1899, 19-3-1899 en 2-7-1899).
368In 1882
bleken de gewone uitgaven te bedragen: ƒ20,- voor
verlichting, ƒ15,- voor muziek, ƒ25,- voor
drukwerk, ƒ30,- voor machines, ƒ20,- voor de
costumier, ƒ15,- voor de schilder, ƒ6,- (en
twee vrije parterrebiljetten) voor de brandspuitmakerbaas, de
billeteurs ontvingen ieder ƒ2,-, en de twee kappers
ƒ2,-, resp. ƒ1,-. (Notulen 5-3-1882. In de
getikte versie van Samson staat abusievelijk: Biletten i.p.v.
billeteurs.)
369Contract dd. 1-12-1840 in ATT. Dit contract gold voor
het tweede seizoen, maar zij speelde ook al in 1840 bij
Thalia.
370ATT, notulen
31-3-1878.
371ƒ160,- werd toegekend aan mevr. S. Brandon Wois,
ƒ80,- aan mej. S. Pauw, ƒ66,- aan I. Schmidt,
ƒ53,- aan L. Kaersenhout en eveneens ƒ53,- aan
K. Emanuels (ATT).
372Notulen Thalia
30-12-1885.
373In 1861
werd er gespeeld voor de slachtoffers van de watersnood in
Nederland, in 1871 bracht de groep ƒ114,75 bij elkaar
voor de noodlijdenden bij de vreselijke brand te
Point-à-Pitre, in 1877 werd de recette van een
abonnementsvoorstelling ter beschikking gesteld aan de noodlijdenden
op Curaçao en vijf jaar later werden er enkele
opvoeringen georganiseerd voor de uit Rusland verdreven joden (SCGAB
28/5-3-1861 e.v., resp. WI 74/10-9-1871 e.v., S 95/23-11-1877 e.v.
en S 72/1-9-1882 e.v.).
374ATT, Notulen 3-8-1880.
375De Compagnie Parisienne in 1881, het Surinaamsch
Acrobaten Gezelschap vanaf 1882, de Wallacks in 1884, Miss Josephine
Cameron en haar gezelschap in 1885, het Mc Dowell Dramatisch
Gezelschap en de Familie Sinclair in 1886.
376In S 95/26-11-1886 wordt gemeld
dat intekeningsbiljetten zullen worden rondgestuurd.
377NSC 1090/21-12-1902. In verschillende almanakken wordt
Oefening Baart Kennis een muziekgezelschap genoemd. In Concordia
speelde o.m. het toneelgenootschap Veredeling in 1878 (WI
86/27-10-1878, WI 87/30-10-1878) en werden geregeld concerten
gegeven. Bij de opvoering van Groote dagen in 1912
klaagde een toneelcriticus over het te kleine toneel (DS
81/3-10-1912).
378WI 12/5-2-1893 e.v.:
vergadering tot ontbinding bij de penningmeester Adolf Nassy,
Burenstraat.
379En dan laten we nog buiten beschouwing de
Dilettanten-Vereeniging die in de Surinaamsche
Almanak van 1888 vermeld werd, maar waarvan slechts
één voorstelling op 9-7-1887 bekend is.
380Notulen Thalia 18-3-1890, resp.
27-11-1890.
381Ook in de Surinaamsche Almanak voor het jaar 1890: 96.
383GSC
68/22-8-1816 en GSC 69/26-8-1816.
384ATT, Reglement van orde ter handhaving
ener goede policie, binnen en buiten het gebouw van het
toneelgenootschap Thalia, op de avonden der
representatiën, Art. 8.
385SC 29-11-1806; Samson 1950; Archief Samson port 11,
nr. 11.
386Elout van Soeterwoude 1884:
24.
387Verg.
GSC 22/16-3-1826 en ook KN 78/1-7-1867: HH. Geabonneerden op het
Parterre, gelieven op den Speeldag, hunne Billetten aan het
Tooneel-Gebouw af te halen.
388SCGAB 22-2-1883. Later dat jaar vestigde de Nieuwe
Surinaamsche Courant de aandacht op ‘ongeregeldheden,
uitbundig gejuich en wat dies meer zij, die vaak onder de toeschouwers
in 't bizonder in de Parterre, voorkomen en dikwijls zeer onaangenaam
zijn en het luisteren bemoeilijkt. [...] wij gelooven echter dat het
goed zal zijn, zoo men een geheele verandering in de zitplaatsen brenge
en wel om Parterre wat meer en beter te accommoderen van betere en
mooiere zitplaatsen voorzag en dan den prijs hooger stelde terwijl men
alsdan Balcon lager kan stellen m.a.w. men verwisselde ten aanzien van
den prijs Balcon met Parterre.’ (NSC 153/17-12-1893)
389Vermelding in een van de historische schetsen in het ATT,
datum niet bekend. De Procureur-Generaal M. Kalff wees in de zitting van
de Staten van Suriname van 10 juli 1893 op de lichtvaardigheid waarmee
klachten bij de politie werden ingediend. Hij las een relaas voor van
wachtmeester Koster bij wie aangifte van inbraak bij Thalia was gedaan,
maar uit onderzoek bleek niets daarvan.
391Aangehaald door Riko
1883: 88.
392Riko 1883: 86-88. Het stuk besluit met de eerder
aangehaalde alinea over het gemêleerde publiek. Een
gezelschap van senor Zenardo heb ik niet kunnen traceren. Mogelijk ging
het om de groep van Raymondo dos Santos die begin 1881 in Thalia
optrad.
394Bij de hier en later gegeven cijfers
moet bedacht worden dat het om minimumcijfers gaat; uit bepaalde jaren
(1801-1803, 1807, 1810) zijn geen bronnen bekend en van sommige
krantenjaargangen zijn enkele dagen, weken of soms zelfs maanden
verloren gegaan.
396Lemma van Th. Luykx en P.I.J.M. Binnendijk in: MEW, Deel 5,
p. 193.
397Brauneck 1993-1999,
II: 812. De genoemde stukken zijn ook in Suriname opgevoerd, in 1814 en
1817, resp. 1813.
398Aldus Worp 1908, II: 318.
399WI
39/11-5-1890. Cursivering van mij - MvK.
400SC/SG 63/6-8-1813, GSC
63/9-8-1813, GSC 67/23-8-1813.
401Surinaamsche Staatkundige Almanak voor den
jaare 1818: 26.
402SC/SG 43/28-5-1813 en GSC 41/31-5-1813.
403Op 16 en 17 mei van dat jaar. GSC
37/8-5-1815.
404Naast het Hof van Policie en
Crimineele Justitie, waar hij alle dagen koffiehuis en ‘Table
d'Hôte’ hield (SC 51/10-7-1821).
405SC 11/8-2-1814, SC
13/12-2-1814, SC 13/15-2-1814, GSC 14/17-2-1814.
407Aldus ENW 611. Ik heb de tekst
ervan nergens aangetroffen.
408GSC 102/19-12-1816 e.v., SC 4/14-1-1817. SC
56/12-7-1822 e.v., SC 63/6-8-1822, GSC 67/22-8-1822 e.v. SC 14/17-2-1827
e.v., GSC 16/22-2-1827.
409Oudschans Dentz 1948:
34-43; Scholtens 1994: 40-51.
410SC 32/21-4-1840 e.v.
Met ‘Nederlandsch Tooneel’ is hier bedoeld dat hij
het vertaalde naar het Nederlands, niet dat hij vertaalde in opdracht
van het gezelschap Het Nederlandsch Tooneel; dat bestond toen nog
niet.
411ANAB 15/3-2-1844 e.v. Misschien door
J.v.D. Mendes?
412SCGAB 77/28-6-1866 en WI
51/27-6-1866.
413S
45/4-6-1889 meldt: ‘uit het Fransch vertaald door wijlen onzen
stadgenoot J.H.G. Muller’.
415ANAB 80/5-7-1848 e.v.;
resp. SCGAB 46/16-4-1863. De eerste maal werd de vertaler niet
vermeld.
416ENW 326, 595-596. CatUBA 5436 geeft als
voornamen: Reinier Frederik.
417Ik combineer mijn archiefgegevens - vermeld in de noten
- met de aantekeningen over de zgn. ‘losse
Gollenstede's’, d.w.z. die mensen genaamd Gollenstede die
niet gerelateerd kunnen worden aan de familie Doelwijt (verzameld
door Doelwijt & Bol 1998: 129-134). Nr. 1 berust op een
verkeerde interpretatie van gotische letters, zoals vermeld in de
ENW 611; de voorletters H.J moeten zijn: R.J.
418Zijn vader
vervulde verschillende functies bij de koloniale overheid (o.m.
exploicteur bij het Geregtshof, Surinaamsche Almanak
1839: 17 & 1841: 22). Hij werd in 1823 lid van
de Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen ( Surinaamsche
Almanak 1841: 22). In de jaren '30 was hij lid van de
Commissie tot aanmoediging en ondersteuning van de gewapende dienst
in de Nederlanden. Op 14 december 1842 overleed hij.
419Hij
was luthers en gehuwd met de hervormde Agatha Sophia, zich noemende
Sophia Agatha de Bije. Ook hun zoontje heette weer Reinhard
Johan.
420Aankondiging van een lezing in SC
101/18-12-1843.
421Afgedrukt in De
Curaçaosche Courant van 6 december 1845; Rutgers
1986b: 191-2 neemt de tekst over; hij noemt niet de naam
Gollenstede, maar de tekst is ondertekend met G.
422KN 46/8-6-1852 e.v.; SCGAB 71/12-6-1852 e.v.
424In KN 105/31-12-1852 danken S.
Busatti en Mevr. Busatti het publiek dat aanwezig was op de
Soirée Musicale van 15 of 20-12-1852: ‘Mogt
hetzelve misschien in alle opzigten niet aan ieders verwachting
beantwoord hebben, men gelieve zich overtuigd te houden, dat het hun
alleen aan de vereischte middelen heeft ontbroken.’
425SC 1/2-1-1846; SC 2/5-1-1846.
426Maar
die konden wél venijnig zijn: over A voyage to
the Demerary (1807) van Henry Bolingbroke merkte de Essequibo en Demerary Courant van 3 september 1808 op:
‘De auteur is zo min een man van talenten als van de waarheid
in historieschrijven; dit boek heeft slechts eene goede hoedanigheid en
eene zodanige waarmede Bolingbroke niets te doen heeft, namelijk dat
hetzelve op dik, hard, glad papier wel gedrukt is.’ (Gecit.
bij Samson 1950: 86-87.)
430In 1835 verscheen er weer een toneelkritiek in een
Surinaamse krant, vervolgens weer een in 1840, in 1848 werden drie
uitvoeringen besproken, daarna was er weer een toneelrecensie in
1862 en vervolgens in 1878. Incidenteel werd er wel eens recensie
over een in het buitenland opgevoerd stuk overgenomen, zoals in SC
65/13-8-1840 dat een recensie uit de Avondbode van
3-6-1840 overnam, van het stuk Maria van Zweden en
Christina van Finland dat klaarblijkelijk in Nederland was
opgevoerd.
|
|