terug  begin  verder
[p. 5]

1. Inleiding

1.1 Algemeen

C.H. de Goeje verbleef als jong luitenant in Suriname van 1903 tot 1908 en keerde er na twintig jaar, in 1928, terug. Of er veel veranderd was?

Ja, hier en daar leek het iets minder landelijk en ouderwetsch gemoedelijk dan voorheen. Het Gouvernementsplein is niet meer zoo vrij als vroeger, aan den Waterkant verdwenen boomen en verrezen loodsen; de wegen kregen nette goten; de auto verscheen. Maar nog altijd zijn er de houten huizen die een zoo zachte stemming geven, het heldere zand der wegen, het groen, de kwetterende vogels; en de koto-missies met hun wijde rokken en heel de verdere bonte bevolking. Overdag het weelderige tropengevoel; 's avonds op de rivier weldadige stilte; en dan met het aanbreken van den dag hoog boven ons het getjirp der groene papegaaien, die paarsgewijze uit het Oosten komen overvliegen.1

Wat uit dit idyllische stemmingsbeeld echter niet naar voren komt is de godgeklaagde armoede die in Suriname geleden werd. Huisgezinnen leefden van een paar gulden per week, in 1925 was 80 procent van de bevolking besmet met de wormziekte anchylostomiasis en 1 tot 3 procent met lepra, de gemiddelde leeftijd van de Surinamers lag op 32 jaar.2 Die situatie werd nog schrijnender na de New Yorkse beurskrach van 1929. De werkloosheid steeg met sprongen en de trek naar de hoofdstad van velen die door de landbouwcrisis getroffen waren, vergrootte nog de verpaupering van de Paramaribose stadsbevolking.3 Potentieel was het land rijk aan wat mijnbouw, akkerbouw en bosbouw zouden kunnen opbrengen, maar die rijkdom werd nauwelijks benut. In zijn Gedachten in gedichten (1924) schreef A.W. Marcus:

 
Bij 't koloniën-ministerie
 
smeert men ons steeds op het brood,
 
Dat wij arm zijn en armlastig
 
en geduriglijk in nood.
 
Dan bezorgt men ons commissies,
 
theorie, maar geen praktijk,
 
En als uitslag der commissie:
 
‘'t Volk is arm, maar 't land is rijk.’

Zekere Isor Hagani klaagde in De Banier van Waarheid en Recht de ‘broodmagnaten’ aan in een acht strofen lang gedicht, waarvan de eerste vier het opschrift ‘Blomprijs ƒ45,00 per zak’ droegen en de laatste ‘Blomprijs ƒ17,50 per zak’.4

Van een land dat ooit blaakte van de bedrijvigheid, werd Suriname een landerige uit-

[p. 6]

hoek van het Caraïbisch gebied. Er gebeurde weinig spectaculairs in dit deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat door het ‘moederland’ bijna vergeten werd. Een auto met radio leverde al krantennieuws op.5 Het isolement werd enigermate verkleind met de totstandkoming van een snelverbinding per boot met Curaçao in 1931.6 De luchtvaart kwam op, maar een eendagsverbinding met Nederland bleef vooralsnog buiten bereik: de heer J.S.C. Kasteleyn, voorzitter van het Surinaams Studie Syndicaat, deed er in 1936 met het vliegtuig nog acht dagen over.7 De binnenlandse verbindingen waren nog veel problematischer: het vroeg twaalf dagen om van Paramaribo naar het dorp Ligorio aan de Boven-Suriname te komen.8

Tussen 1920 en 1940 waren koffie en suiker de voornaamste exportgewassen van Suriname, maar het bleef tobben met de landbouw. De jaren '30 waren voor duizenden een guyabaten (goejavetijd): een periode die men probeerde door te komen op een stukje groene goejave of manja met zout. Het grote debâcle van de rubberplantage Slootwijk die in 1936, na veel overheidssteun en inspanningen met verschillende cultures, opnieuw in handen kwam van het gouvernement, gaf de dichter Sonja (pseudoniem van R.D. Simons) de regels in:

 
En 't Land werd kooper voor - één gulden!
 
Zoo zit het dan opnieuw met de plantage daar,
 
Weer van zijn oud bezit - gedwongen! - eigenaar.
 
De vraag is: ‘En wat nu, hoe zal het verder gaan?’
 
Wel wisselvallig is, o Slootwijk uw bestaan.9

Bauxiet zou de kurk worden waarop de Surinaamse economie vanaf de jaren '30 bleef drijven. In 1916 werd de Surinaamsche Bauxite Maatschappij NV opgericht en op 6 januari 1922 vond de eerste bauxietverscheping vanuit Moengo plaats. Blijkbaar werd het belang van dat feit niet direct door iedereen onderkend, want eerst twintig jaar later herinnerde de eerdergenoemde Sonja eraan in een gedicht van zestien vierregelige strofen in De West .10 In 1939 kreeg ook de Billiton Mij een vergunning tot onderzoek naar het voorkomen van bauxiet.11 Vanaf de jaren '30 werd de bauxietsector de belangrijkste deviezenverdiener.

Honger en radeloosheid leidden in de jaren 1931-1933 tot werklozenonrust, waar het Koloniaal Bestuur repressief en krampachtig op reageerde. Toen Anton de Kom in 1933 in Suriname terugkeerde, werd hij door vakbondsman Theo de Sanders in De Banier van Waarheid en Recht begroet als ‘De Messias van het Surinaamsch proletariaat’ die iets wil

[p. 7]

doen ‘ter voorlichting en opheffing van zijne verdrukte domgehouden landgenoten’.12 Met zijn grote charisma wist De Kom grote groepen arbeiders te mobiliseren, vooral van javaanse afkomst. In de prozaschets ‘Reminiscenties uit Kroonenburg’ heeft Shrinivási een beeld gegeven van de broeierige sfeer onder de arme javanen in het district Commewijne en de opleving van hoop die De Kom hen bracht.13 Indringender misschien nog waren de brieven die Bok Sark in De Banier van Waarheid en Recht publiceerde in de jaren 1932-1935. Deze javaanse contractarbeidster van de plantage Mariënburg trad in haar brieven naar buiten als een bijzonder kritisch denkend activiste. In 1992 onthulde Klaas Breunissen dat het ging om een man, Salikin Hardjo, die in 1910 te Malang, Java, was geboren, in 1920 naar Suriname was gekomen waar zijn vader in de bauxietindustrie werkte, en die zelf na zijn schooltijd als zetter bij de drukkerij van De Banier werk had gevonden.14 Dankzij zijn stilistische gaven heeft hij niet enkel kans gezien de identiteit van Bok Sark zestig jaar verborgen te houden, maar vooral ook de erbarmelijke omstandigheden van de javaanse contractarbeid zo beeldend neer te zetten dat het voor de lezer helder wordt waarom De Koms roep om rechtvaardigheid zoveel weerklank kon vinden. Uiteindelijk liep de situatie op 7 februari 1933 uit de hand en vielen er twee doden en 22 gewonden in de straten van Paramaribo. De Kom werd door het Koloniale Bestuur op de boot gezet naar Nederland. Hugo Pos over de nasleep:

Het optreden van de ‘communist’ Anton de Kom was, na een paar dodelijke schoten en het daarop volgend uitbundig feest in het politietehuis, een schimmig verhaal geworden en in de doofpot gestopt. Suriname was als een kind met een pathologische moederbinding, het had geen weet van een andere wereld dan Nederland en het miste daardoor elke vorm van dynamiek, stuwkracht, originaliteit in denken en doen.15

De rellen rond De Kom hebben wel een extra stimulans gegeven aan de organisatie van de Surinaamse arbeiders. Er kwamen vakbonden die actief werkten aan verbetering van de leefomstandigheden van haar leden; een enkeling dacht al na over dekolonisatie, maar de ideeën daarover zouden eerst in de naoorlogse vakbeweging en onafhankelijkheidsbeweging worden uitgewerkt.16 Hoezeer de gebeurtenissen het land beroerden, bleek wel uit een encyclopedie van Zuid-Amerika die de publicist Chas Douglas samenstelde, en die hij liet beginnen met Columbus in 1492 en eindigen met de rellen rond De Kom; de encyclopedie is helaas nooit in druk verschenen.17

 

Met het aantreden van gouverneur J.C. Kielstra in 1933 moest het Nederlandse gezag in de kolonie versterkt worden. Kielstra wilde de hoge bestuursuitgaven met kracht terug-

[p. 8]

dringen, de overbevolking van Paramaribo een halt toeroepen en de ontvolking van het platteland tegengaan door de kleine landbouw te stimuleren. Door zijn bezuinigingspolitiek verslechterde de situatie van brede lagen van de bevolking, al ging de kleine landbouw er inderdaad aanzienlijk op vooruit. Kielstra luidde de ‘verindisching’ van Suriname in: een versterking van de culturele en sociale banden van de rurale groepen ter ondersteuning van de landbouwpolitiek. In de praktijk gold deze enkel de hindostanen en javanen18, zodat Kielstra vooral vanuit creoolse hoek verweten is een koloniale verdeel- en heerspolitiek te bedrijven die de eenwording van de Surinaamse bevolking dwarsboomde. Historicus Hans Ramsoedh merkt daarover op: ‘Aan de “verindisching” lagen niet zozeer een koloniale verdeel- en heerspolitiek of ethische motieven ten grondslag, als wel Kielstra's preoccupatie met ruralisatie als oplossing van het “Suriname-vraagstuk”.’19 De Staten van Suriname, voornamelijk bestaande uit lichtgekleurde creolen, verzetten zich furieus tegen de politiek van Kielstra, mede ook omdat hij creoolse ambtenaren nogal eens verving door Nederlandse indologen. In de opwaardering van de Aziatische bevolkingsgroepen zagen de creolen een aantasting van hun dominante positie die zij als geassimileerden aan de Nederlandse taal en cultuur in de loop der jaren hadden verworven. Het autocratische optreden van Kielstra dreef de Staten - afgezien van vijf door hemzelf benoemde leden - tot een soort Cabale tegen de gouverneur.20

In de Tweede Wereldoorlog werd de bauxietontginning van cruciaal belang voor de Amerikaanse vliegtuigbouwers en werden Amerikaanse troepen in Suriname gelegerd om de aanvoerlijnen naar de aluminiumindustrie in de Verenigde Staten te beschermen. Het is hierop dat Sonja, de huisrijmer van De West, doelde met de strofen:

 
Nooit, dat ons Suriname
 
zoo in een centrum stond.
 
Nooit, dat het in den vreemde
 
zoo'n interesse vond.
 
 
 
Nu zijn wel droeve tijden
 
de oorzaak van dit feit:
 
wij hebben ook ons aandeel
 
in dezen wereldstrijd.21

Oorlogsschermutselingen op Surinaams grondgebied hebben nooit plaats gevonden - tenzij men het zinken van het Duitse koopvaardijschip Goslar op 10 mei 1940 zo zou willen noemen. Een bekend lied van die dagen, vermoedelijk geschreven door de straatzanger Goedoe Goedoe Thijm, herdenkt dit feit met de regel: Goslar drai, watra lon na mi ai [De Goslar is gekapseisd, mijn ogen vullen zich met tranen].22 Zoiets als een ‘oorlogslitera-

[p. 9]

tuur’ is in Suriname niet ontstaan. Onophoudelijke rijmelaars als Ph.A. Samson en R.D. Simons en grapjassen als J. Kloot, G.L. Limon en Geenis schreven wel met regelmaat in het ‘soldatenblad voor Suriname’ Raak, maar het maandblad schijnt buiten de kazematten niet gelezen te zijn.23

Over het algemeen leefde Suriname intens mee met het bezette ‘moederland’. Hugo Pos schreef in 1943 in het gedicht ‘Voor de Joden’:

 
Vraag niet: ‘Wat heb ik misdaan?’
 
Wat kan het ze schelen.
 
Het enkele feit, dat je leeft,
 
is een blaam voor de velen.24

Er zijn ook Surinamers in de Tweede Wereldoorlog gesneuveld en 78 joden kwamen om als gevolg van de Duitse terreur.25 Als symbool voor de Surinaamse gevallenen werd Harry Frederik Voss gekozen. Op initiatief van Wim Bos Verschuur en frater M.F. Abbenhuis werd aan hem een brochure gewijd: Harry Voss: een Surinaamse held (1950).26

In economisch opzicht maakte Suriname in de oorlogsjaren een opleving door. Dank zij de bauxietinkomsten had Suriname in 1941 voor het eerst sinds vijfenzeventig jaar een sluitende begroting. De plantagelandbouw ging wel verder bergafwaarts, maar de Amerikaanse oorlogsmachine bracht soelaas voor de werkgelegenheid. Het internationale vliegveld werd uitgebouwd, wegen, barakken en bunkers werden aangelegd, de ravitaillering van tweeduizend manschappen bracht leven in de brouwerij - en dat zelfs in letterlijke zin want de amusementssector bloeide als nooit tevoren. Afgesneden van het bezette ‘moederland’, voerde gouverneur Kielstra een eigen veiligheidskoers. Een ieder die de Duitse nationaliteit bezat werd geïnterneerd. Later misbruikte Kielstra de situatie om onwelgevallige lieden als het Statenlid Wim Bos Verschuur achter het prikkeldraad te doen verdwijnen. Kleine criminelen, souteneurs en prostituees die de verleidingen van de Yankee dollar niet hadden kunnen weerstaan, trof hetzelfde lot (een episode die Clark Accord in zijn roman De koningin van Paramaribo (1999) zou terugroepen).27

In een toespraak op 6 december 1942 tot het Amerikaanse congres en een rede voor Radio Oranje de dag daarop, beloofde koningin Wilhelmina een reorganisatie van de staatkundige structuur van het gehele Koninkrijk der Nederlanden.28 Van een nationalistische of anti-Nederlandse beweging van enige betekenis was echter voor noch na de rede van Wilhelmina sprake.29 De in maart 1943 opgerichte Unie Suriname, spreekbuis van

[p. 10]

de lichtgekleurde creolen, stond de leuze ‘baas in eigen huis’ voor en was ‘een exponent van het elite-nationalisme, dat in wezen meer antibestuurlijke dan antikoloniale kenmerken vertoonde’.30 Voor het algemene kiesrecht bijvoorbeeld ijverde zij zeker niet, omdat zij er een bedreiging van haar geprivilegieerde positie in zag. Het hoofd van de gouvernementspersdienst, Johan van de Walle, schreef in zijn grote rapport Suriname: ‘Laat men dus trachten om deze rechten [algemeen kiesrecht en bestuursdecentralisatie] niet in de eerste plaats in handen te laten van een intelligentsia, die, lang niet altijd blijk gaf, in staat te zijn om aan de wenschen en verlangens der bevolking gestalte en inhoud te geven.’31 Toen over deze woorden beroering ontstond, koos hij razendsnel voor repatriëring naar Nederland.32

De bekendste man van de Unie Suriname was het Statenlid Wim Bos Verschuur. Hij hield op 1 juli 1943, tachtig jaar na de slavenemancipatie, een grote rede in Bellevue, waarin hij aan de orde stelde dat er altijd de nadruk was gelegd op de eenheid onder de negers, maar dat daardoor uiteindelijk het volk in groepjes uiteenviel.33 Hij sprak van een strijd tussen Sparta en Athene om de macht en meende dat er een eind moest komen aan deze ‘tachtigjarige oorlog’. Hij bracht hulde aan de neger-strijders, pleitte ook voor een monument voor Boni en Barron, maar vond dat de emancipatie los moest komen van groepsemancipatie, van 1863 en de herdenking van gruwelen en moorden. Hij pleitte voor een nationale dag voor alle bevolkingsgroepen, één Suriname, ‘ook tot glorie van het Rijksverband.’ Daarmee ging Bos Verschuur met beide voeten staan op het eksteroog van de ‘Indische’ gouverneur Kielstra.

 

Koningin Wilhelmina, de verpersoonlijking van dat Rijksverband, bleek na de oorlog niet meer zo'n vaart te maken met de door haar toegezegde staatkundige hervorming. Terwijl de Belgische koning Boudewijn bij zijn eerste naoorlogse bezoek aan de Congo de mensen toesprak in het Lingala, bleef het Nederlandse vorstenhuis in stijf protestantisme op afstand.34 Maar de Surinamers hadden Wilhelmina's woorden zeker niet vergeten. Lou Lichtveld sloot aan bij het gedachtegoed van de Unie Suriname en herinnerde in zijn essay Suriname aan de tweesprong (1945) aan de nieuwe koers zoals Wilhelmina die had aangeduid voor de overzeese Rijksdelen. Hij bepleitte met een beroep op het Atlantic Charter een structuur die nog het meeste weg had van een Gemenebest, los van de ‘koloniale windsels’. Bij zijn bezoek aan Suriname kort na de oorlog hield Helman een lezing in Bellevue op 8 december 1946 voor een groot aantal verenigingen, waarin hij nog eens uitvoerig op de problematiek inging. De Surinamer reageerde enigszins geprikkeld op de directieven van de emigrant: ‘'t Is wel merkwaardig, dat de heer Lichtveld op de valreep de Surinamers aanspoort, om onmiddellijk aan hun vrijheid te werken, terwijl hij zelf

[p. 11]

naar het gesmade Nederland terugkeert.’35 Wie ook terugkeerde - maar dan onvrijwillig - was Simon Sanches, die een couppoging voorbereidde en het beeld van Wilhelmina door dat van Anton de Kom wilde vervangen. Het complot werd verraden en Sanches ging dezelfde weg als De Kom dertien jaar eerder.

In een niet onder zijn naam verschenen brochure van de Federatie van Verenigingen van Surinamers buiten Suriname, Suriname en de toekomstige Rijksstructuur (1947), werkte Lichtveld zijn ideeën over de nieuwe Rijksordening verder uit.36 En opnieuw bezon hij zich op de staatkundige toekomst van Suriname en een alomvattend ontwikkelingsplan in een brochure die hij in 1951 schreef en twee jaar later publiceerde: Suriname's nationale aspiraties.37 Lichtvelds literaire alter ego, Albert Helman, schreef in 1947 een ‘Anansi-tori voor een nieuwe tijd’ waarin hij Anansi afschildert als iemand die profiterend leeft bij een oude vermolmde awara-boom (die natuurlijk voor het Koninkrijk der Nederlanden symbool staat), tot alle mieren in eendracht samenwerkend de boom doen vallen naar de kant waar Anansi met zijn vrienden feest zat te vieren.38

Suriname leefde sterk mee met bezet en na 1945 herbouwend Nederland. Maar tegelijkertijd hadden de oorlogsjaren het besef gebracht dat Suriname het ook zonder het ‘moederland’ zou kunnen redden. De eenzijdige oriëntatie op Nederland was aan het wankelen gebracht, de kiem voor het autonomiestreven gelegd. Het proces van dekolonisatie - losmaking van Nederland en de constitutie van een zelfstandige staat - was daarmee op gang gekomen. In de naoorlogse jaren vond de partijvorming plaats, overwegend langs etnische lijnen: de hindostanen verenigden zich in de VHP, de javanen in de KTPI, de bosnegers in de Bosneger Partij en de creolen in de NPS met Johan Adolf Pengel als leider van het donkergekleurde deel van de aanhang en David Findlay als voorman van de mulatten. Het proces van denken over autonomie zou een krachtige stimulans krijgen binnen een beweging van studenten en arbeiders die rond 1950 in Nederland ontstond: Wie Eegie Sanie [Onze Eigen Dingen, of Onze Eigen Zaak]. Wat Parijs had gezien in de jaren '30, toen de zwarte Franse ‘onderdanen’ zich organiseerden rond de tijdschriften Légitime défense en L'étudiant noir, kreeg nu ook Amsterdam te zien: een groep die nadrukkelijk manifesteerde anders te zijn, en niet alleen op basis van huidskleur.39

 

Staatkundig zouden het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, afgekondigd in 1954, en de rondetafelconferentie van 1961, belangrijke stadia zijn op de weg naar de Republiek Suriname van 1975. Met het Statuut verkreeg Suriname de status van autonoom rijksdeel binnen het Koninkrijk; het kon zijn eigen belangen behartigen met uitzondering van de landsverdediging en de buitenlandse politiek.40 De relatie tussen Suriname en Ne-

[p. 12]

derland werd er door gestabiliseerd, al zag Suriname het Statuut als het begin van verzelfstandiging, terwijl Nederland vond dat Suriname daar bestuurlijk, politiek en economisch nog lang niet aan toe was. Het in 1954 door de Staten van Suriname geaccepteerde Tienjarenplan zorgde dankzij de Nederlandse ontwikkelingshulp wel voor een verbetering van de infrastructuur, maar hielp de binnenlandse economie nauwelijks vooruit en maakte de afhankelijkheid van Nederland alleen maar groter.41

1.2 Demografie

Met het stoomschip Dewa was in 1916 de laatste groep Brits-Indische contractanten in Suriname gearriveerd; de Kota Gede bracht in 1939 de laatste javaanse contractarbeiders. In totaal 67.266 Brits-Indiërs en javanen zetten tussen 1873 en 1939 voet aan land in Suriname; van de eersten repatrieerde 33 procent, van de laatstgenoemden 20.42 In 1940 telde de Surinaamse bevolking, inheemsen en bosnegers niet meegerekend, 142.225 zielen: 68.006 (48%) creolen en anderen (chinezen, blanken, libanezen), 42.538 hindostanen (30%) en 31.681 javanen (22%).43 De laatste twee bevolkingsgroepen alsook de bosnegers bleven voorlopig een aparte positie behouden, maar leden van de overige groepen gingen steeds gemakkelijker onderling relaties aan. Verbintenissen van chinezen, creolen, libanezen, boeroes, joden, inheemsen en Nederlanders stuitten gewoonlijk op weinig verzet. In een lang gedicht over de creolen, begonnen in 1912 maar pas gepubliceerd in 1928, schildert A.W. Marcus - zelf een halfbloed - de historische rasvermenging en geeft hij ook aan dat daaruit een psychologische gespletenheid voort kan komen, die op de eenheid van de natie funest kan uitwerken:

 
De halfbloed heeft geen volle eigenschap
 
Van wat een natie aan elkander bindt;
 
Hij heeft zijn eigen doen en eigen nukken,
 
Verheft den vreemd'ling, volgt hem iedren stap,
 
Dewijl zijn wezen is: het vreemd'lingskind,
 
Dat door geen stamgetrouwheid zich laat drukken,
 
Is vrij van dwang en aan geen stam verkleefd,
 
Is eenling, die in zich geen rasgevoelen heeft.44

Men hoeft Marcus' analyse niet te delen, om te beamen dat de thematiek die hij aansnijdt de gehele 20ste eeuw door aanwezig is gebleven in de politiek en literatuur van Suriname. Rasvermenging werd in de loop der jaren zelfs voor sommigen synoniem met Surinamisering - zeer ten onrechte volgens die ‘raszuiveren’ die zich evengoed Surinamer voelden.

[p. 13]

Suriname heeft een hele sorteerkast aan termen ontwikkeld om elke vorm van menging in te kunnen opbergen: karboeger, citroenneger, mulat, mesties, kasties, poesties, testies, dogla, sambo, bonkoro, boomkool of moksi watra.45 Feit is dat de groep Surinamers van wie bijna onmogelijk meer is vast te stellen in welk etnisch vakje men ze zou moeten situeren, in de loop van de 20ste eeuw enorm groeide en nog altijd groeiende is. De verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen vormen een constante in de Surinaamse literatuur.

Hoe gevoelig die in het interbellum lagen, blijkt wel uit de veelvuldige advertenties in De Banier van Waarheid en Recht voor een boek van C.M. Hamaker met de titel De raswaan in het interraciaal verkeer. Wat die rassenwaan teweegbracht, maakte Hitler-Duitsland op huiveringwekkende manier duidelijk. Ongetwijfeld heeft paus Pius XI het nazisme op het oog gehad toen hij in zijn encycliek Mit brennender Sorge van 1937 benadrukte dat Gods wet ‘geen voorrechten en uitzonderingen’ kent. Het was aan deze encycliek dat de Surinaamse onderwijzer Jacques Smeulders refereerde in een lezing voor de Surinaamse Katholieke Kring ‘Sint Aloysius’ op Curaçao op 22 september 1943. De lezing verscheen vroeg in 1944 in druk onder de niets verhullende titel De opperste tragedie van den neger is schaamte over het ras en ondervond zoveel bijval dat die al binnen een maand werd herdrukt. Het racisme leidde in het Caraïbisch gebied uiteraard niet tot de macabere gevolgen die het in Europa in dezelfde jaren had, maar wat Smeulders wel duidelijk maakt is hoezeer de neger in sociale appreciatie onderaan de ladder stond, hoe dat inwerkte op het minderwaardigheidsgevoel en het gebrek aan eenheid onder de negerbevolking. Smeulders hield zijn publiek voorbeelden voor van zwarte Noord-Amerikanen als de uitvinder George W. Carver, verzekeraar Charles C. Spaulding en politicus Booker T. Washington om te laten zien dat de zwarte mens tot grote prestaties in staat is, en hij noemde in dat verband ook de Frans-Guyanese staatsman Félix Eboué en de Surinaamse bacterioloog Paul Christiaan Flu.46 Smeulders besloot:

Die kentering zal komen in de sociale toestanden, en zullen de gekleurden volkomen gelijkgerechtigd worden aan de blanken. Dan zal er eens een tijd komen dat de Negerwijk van New York, Harlem, per hoofd niet meer verreweg het grootste afzetgebied is van haarvaseline in de Verenigde Staten, die dan gebruikt wordt in de talloze schoonheidssalons en privé kaptafels voor het gladstrijken van het negerhaar. [p. 31]

1.3 Culturele oriëntatie en organisatie

De in 1876 ingezette Neerlandocentrische taal- en cultuurpolitiek had haar werk grondig gedaan: de neuzen wezen massaal noord-noord-oost. De herrnhutters stelden in 1928 vast: ‘Mèt de taal dringen Hollandsche literatuur en kultuur hier zoo kracgtig binnen, dat wij Duitschers ons onmachtig gaan voelen, om de menschen te geven, wat zij in dit stadium noodig hebben.’47 Dat beeld is althans het beeld dat de midden- en hogere klassen van Suriname hadden, zij die schoolgegaan waren, die kranten en boeken lazen en deelnamen

[p. 14]

aan het theater- en muziekleven. Maar intussen was de Nederlandse cultuur als beschavingsmodel voor grote segmenten van de Surinaamse bevolking van nul en generlei waarde. De stemmen van die groepen klonken nauwelijks door in de gedrukte media van die dagen: de creolen uit de volksklassen die nog met één been stevig in de orale cultuur stonden, de marrons en inheemsen die hun eigen leven leidden ver weg van het centrum van de niet-orale cultuur Paramaribo, de chinezen van wie een groot aantal nog in China geboren was, en natuurlijk: de meerderheid van de jongste immigranten: de hindostanen en javanen.

Factoren van betekenis in de culturele oriëntatie op Nederland waren de missie en zending48, het onderwijs, de Nederlandstalige media en enkele organisaties: vóór de Tweede Wereldoorlog vooral het Algemeen Nederlandsch Verbond, de Vereniging Oost en West en de Surinaamsche Kunstkring. Het ANV, Afdeling Suriname, bleef tot ongeveer 1948 actief met allerlei activiteiten ter propagering van de Nederlandse taal en cultuur (zie het Profiel in de periode 1890-1923).

De Vereniging Oost en West vervulde in Nederland een informerende functie over zaken van Oost- en West-Indië. Daartoe gaf zij boeken uit als Onze West (1910) van Frederik Oudschans Dentz en M. Victor Zwijsen, en sinds 1901 ook Het Koloniaal Weekblad (later Oost en West geheten), dat met zijn berichten en boekbesprekingen een belangrijke bron van informatie was in Suriname. De vereniging behartigde de belangen van mensen uit de Nederlandse koloniën en beheerde daartoe bijvoorbeeld een studiefonds en organiseerde exposities (o.m. in 1939 van het werk van Nola Hatterman die voor de naoorlogse Surinaamse kunst grote betekenis zou krijgen49). In 1929 werd ook een Afdeling Suriname van de vereniging Oost en West opgericht. Ze maakte bekend dat zij beoogde ‘het onderhouden en versterken van den band tusschen de Europeesche en Overzeesche delen van het Rijk der Nederlanden, door het bevorderen van hun zedelijke en stoffelijke gemeenschappelijke zoowel als byzondere belangen.’50 Voor vijf gulden per jaar werd men lid en ontving men het Koloniaal Weekblad. De vereniging organiseerde enkele culturele avonden51, maar zou toch altijd diep verborgen blijven achter de plooien van de Volendammer broeken van het ANV. Het tijdschrift Mamjo schreef in 1962 dat Oost en West nooit had kunnen overtuigen ‘dat het atavisme dat de naam uitbraakt ook niet haar aktiviteiten en mentaliteit aankleeft.’52 Tien jaar later gaf het blad Oost en West de geest.53

In 1934 werd op initiatief van Willem van der Veer, leider van het bezoekende gezelschap De Dietse Spelers, de Surinaamsche Kunstkring opgericht die actief zou blijven tot de komst van het CCS in 1948. In Nederland waren de kunstkringen tegen het einde van

[p. 15]

de 19de eeuw opgebloeid, in Oost-Indië werden er vroeg in de 20ste eeuw verschillende gesticht, terwijl Curaçao er in 1935 een zou krijgen.54 Het eerste doel van de Surinaamsche Kunstkring was fondsen te verwerven om bezoekende kunstenaars te kunnen contracteren.55 Die doelstelling werd gauw verbreed: ‘In de eerste plaats is het streven erop gericht naar voren te brengen wat in eigen omgeving kan worden gepresteerd en in de tweede plaats het bevorderen van de overeenkomst met buitenlandse kunstenaars, om ons te doen genieten van vreemde cultuur.’56 In drie weken tijd bedroeg het aantal leden niet minder dan 350 en enkele jaren later zelfs 500, waarmee zelfs het ledental van de bloeiendste jaren van Nederlandse kunstkringen werd overtroffen.57 De Kunstkring was minder multidisciplinair dan de Nederlandse kunstkringen, en ook minder dan die in de Oost waar veel aandacht bestond voor beeldende kunst. De Surinaamsche Kunstkring organiseerde concerten, bonte avonden en toneelopvoeringen, tot aan de jaren '40 praktisch altijd in Theater Bellevue. Mogelijk verklaart het utilitaire doel haar populariteit onder Surinaamse ingezetenen: ze heeft zich vooral ingespannen om gezelschappen uit Nederland te halen die het Europese repertoiretoneel speelden - Ibsen, Shaw, Heijermans, Fabricius. Om de hoge kosten verbonden aan zo'n overkomst te bestrijden, moest er actief aan ledenwerving gedaan worden.58 Toen een tournee van het Hofstadtoneel in 1937 een tekort van ongeveer 250 gulden opleverde, werd er voorgesteld bij wijze van fondsvorming ‘een of meer leuke avondjes van inlandse kunst’ te geven.59 Een opmerkelijke stimulans voor de nationale kunstbeoefening is er van die avondjes niet uitgegaan. De kranten vroegen er ook niet om: het kon ze niet Nederlands genoeg zijn.

 

Het interbellum gaf een groeiende maatschappelijke en culturele differentiatie te zien. De katholieke en protestantse denominaties organiseerden zich op allerlei vlak: in het onderwijs, de sport, de pers, de sociale instellingen, de gezondheidszorg, de jeugdzorg enz.60 De Evangelische Broedergemeente zag de katholieke expansie met lede ogen aan en getroostte zich veel moeite om met drukwerk in het Sranantongo en vormingsavonden in de Stadszending de creolen aan zich te binden. Herrnhutters en katholieken hadden al in het begin van de eeuw de degens gekruist met een theologisch debat in het Sranantongo. In 1932 kwamen evangelischen en katholieken opnieuw met elkaar in botsing. In dat jaar werd een openluchtuitvoering gegeven van het mysteriespel Elckerlyc onder leiding van

[p. 16]

Anton Verheyen, een van de acteurs van de Dietse Spelers, en met muzikale begeleiding van frater Anselmus. Vanuit niet-Roomse zijde werd er actie ondernomen om te verhinderen dat het stuk op de planken kwam. Daarop werd een comité opgericht met onder meer de gouverneur om het alsnog opgevoerd te krijgen. Het katholieke dagblad De Surinamer beviel het echter helemaal niet dat het mysteriespel in die kringen werd afgeschilderd als een spel voor allen die God zoeken, en nog minder dat in het comité dat de opvoeringen wilde realiseren drie dominees zaten die fel gekant waren tegen de invloed van de rooms-katholieke missie: ‘Als dit roomsche kunstwerk door deze drie predikanten aanbevolen kan worden, dan is het bij uitnemendheid geschikt voor farizeeërs en tollenaars.’ Het nieuwsblad Suriname nam stelling tegen deze Roomse annexatiedrift, bijgevallen door de regisseur die zich verweerde tegen de ‘kleinzielige kritiek en laffe hetze, verdachtmaking over Roomsche dienerij’.61 In dezelfde krant deed cabaretier J.C. Kruisland er nog een schepje bovenop: de voorstelling was ‘Als reklame voor Rome, geweldig.’ Over de drie dominees en de zoet dommelende protestanten merkte hij op:

Wat ten aanzien van die zieleherders gezegd is, draagt zeker de instemming van een ieder, en zou men al hun tekortkomingen op papier zetten, deze zouden uitdijen tot een rij dikke folianten. Maar ik geef van veel de meeste schuld aan de, jong verouderde, vroeg-versleten, eigenbelangdienende, Roomsgezinde ja-broers in de Kerkeraden en de laat-maar-waaienden in de Kiescolleges.

Wij als herrnhutters waren trots dat wij buiten het comité bleven, schreef Kruisland, tot bleek dat de dochter van H. Bielke, praeses van de Evangelische Broedergemeente, zelf meespeelde:

En mijn lieve, goede, zachtaardige praeses waarschuwt zo krachtig in zijne mooie preken tegen bioskoop, danspartijen en publieke vermakelijkheden, doet zich fors horen om wakker te zijn om niet verslonden te worden door de roomsche wolf... Maarten Luther, Calvijn, Zwingli, ach...62

Waren de Aziatische bevolkingsgroepen in de eerste decennia van hun immigratie voornamelijk in de districten geconcentreerd, steeds meer begonnen zij ruimte op te eisen in het stedelijke leven van Paramaribo en hun graad van organisatie nam snel toe. A.W. Marcus spotte in 1925 over de een jaar eerder opgerichte hindostaanse vereniging Nawa Yuga Oeday (Aanvang van een nieuw tijdperk):

 
Nawa Yuga, jong en vurig,
 
is nogal zeer licht geraakt:
 
Elk adres aan de immigranten
 
wordt gehekeld en gelaakt.
 
Voor het recht van hare leden
 
houdt zij dikwijls hoogen raad,
 
Zonder dat betrokk'nen zelve
 
weten waar het over gaat.63
[p. 17]

Die spot zou weldra elke grond missen. De Surinaamsche Immigranten Vereeniging, opgericht in 1910, nam in 1924 de veelbetekenende naam Bharat Oeday (Opkomend India) aan.64 Samen met de eerder genoemde vereniging Nawa Yuga Oeday vormde zij een kern van hindostaans sociaal-cultureel (hindoe) leven; in samenwerking met de Arya Dewaker zorgde zij ook voor een school waar Hindi werd onderwezen.65 De kranten deden vooralsnog weinig moeite tot die hindostaanse wereld door te dringen. De Banier van Waarheid en Recht meldde over een vergadering van Bharat Oeday: ‘De beraadslagingen werden in het Hindostansch gevoerd, waarom geen verslag kan worden gegeven.66 Toch wijzen de tekenen des tijds erop dat India ook in Suriname langzaam serieuzer werd genomen door niet-hindostanen: zo werden ‘Hindostaansche avonden’ georganiseerd in de lokalen van de EBG.67

In 1929 werd de Shri Sanatan Dharm Maha Sabha Suriname opgericht, die zou uitgroeien tot de grootste hindoe-organisatie.68 In 1943 kwam daar de vereniging Djagaran (Het ontwaken) bij en in 1946 de Liga van Hindostani's. Ook binnen de hindostaanse groep nam de differentiatie hand over hand toe. De moslims hadden in 1929 de Surinaamsche Islamietische Vereeniging in het leven geroepen, en twee jaar later Khilafat Anjuman. Via Trinidad en Brits-Guyana bereikten religieuze hervormingsbewegingen Suriname en droegen het hunne bij tot een culturele heroriëntatie op het Indiase erfgoed: de Ahmadiya's zouden al spoedig de Sunnieten van de Surinaamsche Islamietische Vereeniging domineren. De Arya Samaj vond haar bedding toen in 1930 de Arya Dewaker [Arische Zon] werd opgericht.69 Een prediker van de Arya Samaj, Jiamini Ji, had op 31 juli 1929 in de loge Concordia gesproken over Indiase cultuur en theosofie.70 De stichter van de Arya Samaj, Dayanand Saraswati (1824-1883), droeg ideeën uit die de immigranten bijzonder aanspraken. Hij was ten strijde getrokken tegen de misstanden in de Brits-Indische maatschappij en het kastenstelsel en propageerde een betere positie voor vrouwen. Bovendien bepleitte hij het recht op reizen om het heil elders in de wereld te zoeken, een recht dat hij in zijn belangrijkste werk, Satyarth Prakash, verdedigde met een beroep op het Mahābhārata.71

De meeste ‘Aziatische’ organisaties deden moeite de band met het land van herkomst te bewaren. De andere bevolkingsgroepen hebben die oriëntatie vaak genoeg willen interpreteren als een desinteresse voor Suriname, maar dat is een misvatting. Steeds grotere groepen immigranten en zeker ook hun in Suriname geboren kinderen voelden zich landskinderen, zonder hun loyaliteit ten opzichte van de cultuur van India of Indië op te geven.

[p. 18]

Voor de bevolking van de hoofdstad betekende de legering van Amerikaanse troepen gedurende de Tweede Wereldoorlog méér dan het spectaculaire motor-jumpen aan de Waterkant. De Surinamers kauwden chewing-gum, dansten op jive en swing, dronken Coca-Cola en Pepsi, de dames droegen nylonkousen, kortom: de Amerikaanse leefwereld die tot dan toe voornamelijk op het witte doek te zien was geweest, had concrete gedaante aangenomen in het leven van Paramaribo. Maar al kwam Coca-Cola en bleef Coca-Cola, dat wilde nog niet zeggen dat ook cultureel het roer helemaal om was. Met het Statuut was nog geen einde gekomen aan de assimilatiepolitiek. Terwijl de zwarte bevolking van Franstalige gebieden in de West op school leerde dat zij afstamde van de Galliërs72, leerden de Surinamers nog altijd dat de Rijn bij Lobith ons land binnenstroomt - veel schrijvers hebben het feit aangehaald. Onderwijzer en Sranan-voorvechter J.G.A. Koenders schreef:

Doctor Benjamins heeft school gemaakt: mensen, die meer Europeaan (willen) zijn dan de Europeaan, hier geboren en getogen, volbloed Negers en halfbloed Europeanen, die hun ijver voor het Nederlands het best menen te moeten manifesteren met verdoeming van het ‘vulgaire’ Negertaaltje, dat in Suriname maar zo spoedig mogelijk plaats moet maken voor het Nederlands, ongeacht het onrecht, het kwaad, dat het grootste deel van de Surinaamse bevolking werd aangedaan.73

Als Lila Gobardhan-Rambocus het naoorlogse Suriname schetst, horen we daarin de echo van de woorden die al vroeg in de eeuw bij het Algemeen Nederlandsch Verbond gehoord werden: ‘Suriname werd wel het meest Nederlandse deel van het koloniale bezit genoemd en iedere bezoeker werd getroffen door het uitgesproken Nederlandstalig karakter van de gemeenschap.’74 Peter Meel concludeert dat de verhoudingen tussen Nederland en Suriname ook op cultureel gebied werden gecontinueerd:

Vóór de Tweede Wereldoorlog was het beleid van Nederland - met uitzondering van de periode-Kielstra - erop gericht Suriname om te vormen tot één ongedeelde Nederlandse taal- en cultuurgemeenschap. Onder het Statuut werden de Nederlandse taal- en cultuur ingezet als middel om de Surinaamse deelculturen naar elkaar toe te laten groeien en het proces van acculturatie te bevorderen.75

In en na de oorlog ontstonden verenigingen waaruit later politieke partijen zouden groeien. In die verenigingen hebben voordracht in de volkstaal, muziek, zang, dans en toneel altijd een belangrijke identiteitsbevestigende rol gespeeld, terwijl de nationalistische ideeënvorming hier haar voedingsbodem vond. Vooralsnog zou dat nationalisme verschillende cultureel-etnisch gebonden gedaanten aannemen, eerder dan dat werkelijk van één, algemeen verbreid nationalisme gesproken kon worden.

 

Het zal niet vaak voorkomen dat het ontstaan van een nationalistische beweging met adres en huisnummer kan worden aangeduid. Voor wat betreft het nationalisme van de Surinaamse creolen kan dat wel: Gravenstraat 168 te Paramaribo. Daar stond het grote huis van mevrouw Charlotte Amelia Eleonora Wijdenbosch-Monkau (1903-1989), moeder van

[p. 19]

het Statenlid Jane Wijdenbosch en minister-president Jules Wijdenbosch. Alle figuren die een rol hebben gespeeld in het vroege nationalisme - dat een kwestie was van middenstandscreolen uit de onderwijzersstand - kwamen op het adres Gravenstraat 168 bijeen. Oud-onderwijzer J.G.A. Koenders gebruikte er zijn maaltijden, gaf er op informele wijze zijn inzichten door aan jongeren en schreef er zijn teksten. Eddy Bruma, de latere nationalistische voorman, en zijn broer Armand werden opgevoed bij de familie Wijdenbosch. De belangrijkste initiatieven werden in het grote huis aan de Gravenstraat genomen. Rond 1943 werd er door vrouwen Praktama (afkorting van het Sranan ‘Prakseri tamara’, Denk aan morgen) in het leven geroepen, een vereniging die kinderen wilde leren sparen en daartoe spaarbankboekjes opende. Vanuit deze groep werd op 18 maart 1944 het Comité Pohama (van ‘Potie hanoe makandra’, Sla de handen ineen) opgericht, waar ook mannen bij betrokken waren en dat met zijn culturele manifestaties de aandacht zou gaan trekken.76 Pohama kende een handwerkclub en bood hulp aan blinden. Om kinderen aan het lezen te krijgen, werd in het huis van de familie Wijdenbosch een bibliotheek ingericht, die beheerd werd door Alice Wijdenbosch en waar overigens ook kinderen buiten de kring van Pohamaleden een beroep op konden doen. Op het diepe erf van het huis, doorlopend tot aan de Sommelsdijckse kreek, werden bazars georganiseerd. Pohama riep in 1946 het maandblad Foetoe-boi [Loopjongen] in leven. Drijvende kracht achter het Comité Pohama en het maandblad was Papa Koenders. Het was in deze kring dat de studie van het creoolse cultuurgoed met grotere ernst dan ooit tevoren ter hand werd genomen en de emancipatie van de creoolse cultuur een belangrijke stoot voorwaarts kreeg (zie § 8.1.1).

De creoolse jongeren organiseerden zich in 1946 in Spes Patriae (De hoop des vaderlands).77 Deze vereniging stelde zich ten doel de zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van haar leden te bevorderen, zowel door ontspanningsactiviteiten als door lezingen, debatten, cursussen, de opbouw van een bibliotheek en de uitgave van het maandblad Spes Patriae . Auteurs als Eddy Bruma, Rudy Bedacht, Julius Defares, Orlando Emanuels en Ewald Sluisdom publiceerden hun vroegste werk in het tijdschrift. Als jongerenplatform zou de discussiegroep Kra in 1959 de functie van Spes Patriae overnemen. De vaderlandslievende geest van Spes kreeg een meer politiek-culturele invulling in Wie Eegie Sanie en een sterker politiek-ideologische in de Nationalistische Beweging Suriname en de Partij Nationalistische Republiek.

De vereniging Contact, een jaar na Spes Patriae opgericht door jonge onderwijzers, vervulde een vergelijkbare functie. De bijdragen in haar blad, Energie , waren er niet minder op gericht de belangstelling en liefde voor het vaderland te versterken. Voor de vooruitgang verwachtte Contact echter meer van de Nederlandse taal dan van het Sranantongo. Dat bleek bijvoorbeeld uit een prijsvraag in 1948, waarbij de inzenders aan de hand van de eerste twee regels van gedichten titel en dichter moesten zien op te geven.

[p. 20]

Alle teksten waren afkomstig uit de Nederlandse letterkunde.78

De Stadszending bleef het belangrijkste centrum van evangelisch geïnspireerde cultuur.79 De katholieke Brutusclub werd in september 1948 opgericht door frater Guibert (bijnaam: Brutus), hoofd van de St. Paulusschool, ‘ter verheffing van oudere jongens en meisjes’. In 1951 kreeg de club zijn eigen zaal: de benedenverdieping van de oude Paulusschool aan de Gravenstraat 22. De Brutusclub nodigde sprekers als socioloog Rudolf van Lier, antropoloog Willem Ahlbrinck en schrijver Albert Helman uit, organiseerde in 1952 de tentoonstelling ‘Het Goede Boek’80, had een eigen toneelclub en gaf vanaf 1949 een rijkelijk geïllustreerd maandelijks orgaan uit: De Ploeg .81 Na het vertrek van frater Guibert in 1967 was de Brutusclub geen lang leven meer beschoren.

Enkele jaren na de Brutusclub werd voor de afgestudeerden van de rooms-katholieke Ulo-scholen, de St. Willibrordusschool en de St. Margarethaschool, een sociaal-culturele vereniging opgericht, de Herman Sno-club. De vereniging had haar lokaal aanvankelijk aan de Pontewerfstraat, maar toen zij uitgroeide tot een ledental van 350 verhuisde ze naar een lokaal van de fraters aan de Wulfinghstraat. De activiteiten van de Sno-club waren vergelijkbaar met die van de Brutusclub. Twee schrijvende leden bekleedden het voorzitterschap en schreven ook toneelstukken voor de culturele avonden: Titjari en Edmundo.82 De Sno-club heeft bestaan tot in de jaren '70.

Verschillende jongerenverenigingen bundelden zich eind jaren '40 in de Ojo (Overkoepeling van Jeugd Organisaties). Het Surinaams Studenten Corps, de Surinaamse Analisten Vereniging, de Surinaamse Onderwijzers Bond en de Organisatie van Juridische Studenten ontplooiden daarin gezamenlijk activiteiten. De Ojo organiseerde concerten, vakantietochten, maar ook avonden waarop cultuurdragers als Albert Helman, Rudie van Lier, taalkundige Jan Voorhoeve en pedagoog Johan Ferrier voordrachten hielden.83

Geleidelijk aan bouwden ook de ‘Aziaten’ hun verenigingsleven uit. Haar sociaal-culturele functie heeft bestaan in een complex amalgaam van versterking van de eigen groepspositie, vergroting van de maatschappelijke inbreng van de groep en bijdrage aan de Surinaamse natievorming. De naoorlogse ideoloog van de Verenigde Hindostaanse Partij, Jnan Adhin, drukte dit amalgaam uit in een aan de Rig-Veda ontleende filosofie van de ‘Eenheid in verscheidenheid’, titel tevens van zijn opstel dat bij het tienjarig bestaan van het Cultureel Centrum Suriname in 1957 bekroond werd.84 Adhin geloofde in een ‘cultuursynthese, waarbij verschillende tradities en godsdiensten naast elkaar bestaan, echter geschraagd door een diepere eenheid’. Hij zag geen heil in de ‘uniformiteit van godsdienst en cultuur’ maar in de culturele verscheidenheid: ‘Laat elke groep haar taal behouden en tot ontwikkeling brengen, waarbij als eenheidstaal het Nederlands fungeert.’ Deze cultuurpolitieke visie werd vooral vanuit de creoolse groep gezien als een gebrek

[p. 21]

aan nationalistisch gevoelen. E.E. Sluisdom schreef reeds in 1949 in Spes Patriae: ‘Wij moeten gaan begrijpen dat wij momenteel in Suriname ons niet kunnen veroorloven, dat de Oosterling zich krampachtig blijft vasthouden aan de cultuur zijner vaderen, evenmin als een afstammeling van een Afrikaan dat kan doen.’85

Als geestverwant van de groep rond J.G.A. Koenders, bundelde Eddy Bruma in Nederland een aantal mensen in Wie Eegie Sanie, die in 1952 ook een Surinaamse afdeling kreeg. Omdat Wie Eegie Sanie als exponent van de creoolse groep werd gezien, richtten hindostaanse leerlingen van de Mulo, de Algemene Middelbare School en de Kweekschool in datzelfde jaar 1952 de jongelingenvereniging Hindustani Nauyuwak Sabha op. Zij zag niets in het nationalisme dat als een ‘bekrompen creolisme’ en ‘een pathetische overwaardering van de eigen groepscultuur’ werd gezien en kwam op voor behoud van de eigen hindostaanse cultuur en identiteit.86 De vereniging verzette zich tegen het idee dat het Sranantongo ooit als nationale taal zou kunnen fungeren; zij gaf een stimulans aan de studie van de eigen taal en cultuur, zette zich in voor de jaarlijkse immigratieherdenking op 5 juni, de herdenking van de honderdste geboortedag van Tagore87 en de oprichting van een beeld voor Gandhi in Paramaribo.

In 1956 kwamen vooraanstaanden van verschillende inheemse stammen bijeen, wat resulteerde in de oprichting van de eerste Surinaams-inheemse vereniging. Zij verkreeg een dubbele naam met de betekenis ‘Wordt wakker landgenoten’: in het Karaïbs Ajoe Paka Soko, in het Arowaks Hanaba Lokono. Het doel van de vereniging was om het materiële en geestelijke welzijn van haar leden te bevorderen en meer bekendheid te geven aan de Surinaamse inheemsen, zowel in Suriname zelf als in het buitenland.88

Aan de culturen van de bosnegers werden in het interbellum enkele indringende boeken gewijd. John W. Vandercook publiceerde in 1926 zijn ‘Tom-Tom’, een met veel empathie en bewondering geschreven verslag van zijn reizen onder de bosnegers.89 Het boek werd vertaald door Albert Helman en kwam in 1935 uit als Tam-Tam: een oerwoud-staat in Suriname en haalde binnen korte tijd drie drukken. De antropologen Frances en Melville Herskovits kwamen in 1934 met hun boek Rebel destiny: among the bush negroes of Dutch Guiana, dat samen met hun Suriname folk-lore van twee jaar later, voor decennia de meest gezaghebbende wetenschappelijke studie over de afro-Surinaamse cultuur was. Tot sociale emancipatie van de marrons leidde dit vooralsnog niet. In het stedelijk leven van Paramaribo waren de bosnegers natuurlijk wel zichtbaar, maar het duurde nog een hele tijd aleer ze zich daar ook nadrukkelijk cultureel manifesteerden. In 1956 formeerde zich een ‘Saramaccaanse Culturele Groep’ onder leiding van Otti Jozefzoon en Arthur Licht. Het ging om een kern van jongeren van saramakaanse origine die een westerse opvoeding gekregen hadden. De groep organiseerde een lezing, gaf een sarama-

[p. 22]

kaanse culturele avond met zang, dans, toneel en declamatie en wilde een boek in het Saramakaans uitgeven.90 Genoemde Arthur Licht komt in het tijdvak 1957-1975 nog ter sprake.

In het interbellum waren maar bijzonder weinig javanen (toen nog veelal Indonesiërs genoemd) op de hoogte van het reilen en zeilen in hun geboorteland.91 Eerst na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië in 1945 en het Akkoord van Linggadjati het jaar daarop (waarbij Nederland de Republiek Indonesië erkende met Sumatra en Java als grondgebied) betoonden zij zich in steeds sterkere mate betrokken bij hun land van herkomst. De nieuwe ontwikkelingen leidden tot de oprichting van de Pergerakan Bangsa Indonesia Suriname (PBIS) [Beweging van de Indonesische Bevolking in Suriname].92 Groter nog werd de betrokkenheid toen Indonesië in 1951 een officiële vertegenwoordiging in Suriname kreeg, die ook filmvertoningen, culturele optredens en lessen in de Indonesische taal verzorgde.93 De javanen zagen zichzelf als Indonesiërs en velen begonnen het Indonesisch als hun taal te beschouwen. Dat laat zich aflezen aan de naam Perwani, de ‘Vereniging van Indonesische vrouwen in Suriname’, een organisatie met exact dezelfde naam als de vereniging die in 1945 in Indonesië was opgericht. Eerst aan het begin van de jaren '60 zou de culturele oriëntatie van de javanen gaan verschuiven.

De chinezen kregen naast Kong Ngie Tong (sinds 1931: Kong Ngie Tong Sang) verschillende andere verenigingen, als eerste in 1928: Chung Fa Foei Kon. Als gevolg van de chaotische situatie in China voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, stopte de immigratie bijna geheel. Daarmee was de chinese gemeenschap afgesloten van taalkundige en culturele ontwikkelingen van het land van herkomst. Omdat vrijwel alle chinezen Hakka waren, was chinese cultuur in Suriname per definitie ook Hakka cultuur.94 Ook onder hen groeide het zelfbewustzijn: in 1932 boycotten ze Bellevue, omdat deze bioscoop ondanks hun protesten een film bleef vertonen, waarin Chinezen als bandieten werden afgeschilderd.95 (Van een vergelijkbare reactie door de hindostanen een jaar eerder bij de vertoning van In de klauwen van den Hindoe is niets bekend.96)

De chinezen die de zijde kozen van Tsjang Kai Sjeks Kuo Min Tang openden in 1945 een clubgebouw aan de Dominéstraat, dat gelegenheid bood tot het houden van vergaderingen, lezingen, toneelopvoeringen en filmvoorstellingen.97 Op 18 augustus 1945 vierde de vereniging de overwinning van China op Japan met een grote optocht van tweeduizend chinezen die vanaf het Kuo Min Tang-gebouw door de stad trokken, gevolgd door een vuurwerk en 's avonds een bal.98 Na de communistische machtsovername in China in 1949 splitste de chinese gemeenschap zich voorgoed: er was een op het communistisch China van Mao georiënteerde groep, en een groep die zich op het nationalistische China van Tsjang Kai Sjek oriënteerde.

[p. 23]

Rond en na de Tweede Wereldoorlog waren er verschillende andere chinese verenigingen.99 Kooy Tjien Foei, een in 1937 opgerichte vereniging voor en van in Suriname geboren chinezen, was gevestigd in Paramaribo aan de Heerenstraat tegenover de Kromme Elleboogstraat. Zij stelde zich ten doel de ‘stoffelijke en zedelijke verheffing’ van haar leden (onder wie ook vrouwen) en organiseerde daartoe cursussen, lezingen en ontspanningsavonden. Kooy Tjien Foei was, anders dan de andere chinese organisaties, eerder een intellectueel gezelschap, dan een vereniging van zakenlieden. De vereniging Li Tsi Sa, omstreeks 1940 opgericht, was gevestigd op de hoek van de Stoelmanstraat en de Gravenstraat, en was een culturele vereniging waar danslessen werden gegeven.100

De joodse gemeenschap heeft zich cultureel altijd sterk gemanifesteerd in de elitecultuur van het genootschap Thalia, de Surinaamsche Kunstkring en de aloude loge Concordia. Op religieuze basis hadden de joden zich verenigd in verschillende verenigingen die zich ook cultureel actief betoonden. De jongerenvereniging Tikwat Jisrael [De hoop van Israël] was op initiatief van C. Emanuels, opgericht op 7 tammoez 5693/2 juli 1933, om ‘den Surinaamschen Jood krachtig bewust te maken van zijn Jood-zijn’.101 De vereniging organiseerde lezingen, spreekkoren, tableaus vivants en voerde joodse toneelstukken op. L. Benjamin vervaardigde het ‘Tikwat Jisrael-lied’, een tekst die geen indicatie geeft dat er in hem een groot dichter verloren is gegaan:

 
Wij willen in ons Suriname
 
Een eenheid van Joden, groot en klein:
 
Spaansen, Fransen, vromen, vrijen -
 
Als het maar Joden zijn.102

Tikwat Jisrael werd in 1943 ontbonden. De Surinaamsche Zionisten Bond was op 2 december 1941 opgericht op initiatief van J.D. Oppenheim om het gedachtegoed van Theodor Herzl levend te houden. Vanuit deze verenigingen en vanuit de joodse gemeenten zijn er in de loop van de 20ste eeuw ook verschillende malen liederen gedrukt.103

Toen de Duitse laars Europa verpletterde, gaf dat opeens ook de joodse gemeenten in Suriname scherpere contouren. Hugo Pos, langs de andere kant van de aardbol om, Nederland ontvlucht, sprak op 1 juli 1941 in Theater Bellevue voor de Nationale Vereeni-

[p. 24]

ging ‘Suriname Waakt’ over zijn oorlogsimpressies104 en later voor de loge Concordia over de oorlog en het jodendom onder de titel ‘De laatste der Mohikanen’.105 Godsdienstleraar en voorzanger I. Agsteribbe hield op 23 oktober 1941 een rede over de geschiedenis van de joden in Suriname, die hij besloot met de verdraagzaamheid van Suriname te prijzen.106 Kristallisatiepunt van de joodse cultuur werd het blad Teroenga (zie § 5). Na de oorlog zorgde de vereniging Zichron Matitjahoe [Herinnering aan Matitjahoe (leider van de Makkabeeën)] bij joodse feesten als Poerim of Chanoeka voor toneelvoorstellingen.

 

Na de Tweede Wereldoorlog hebben vier instituties veel bijgedragen aan de permanente culturele uitwisseling met Nederland. Het Prins Bernhardfonds Suriname werd opgericht op 2 november 1955 om bij te dragen tot de geestelijke weerbaarheid van het Koninkrijk der Nederland door het bevorderen van de wetenschappelijke, kunstzinnige en andere culturele zelfwerkzaamheid van de Surinaamse bevolkingsgroepen.107 De stichting, die tot 1970 bestond, betoonde zich vooral ijverig in het uitschrijven van prijsvragen en zou zorgen voor de financiële basis van enkele uitgaven, waaronder die van de tijdschrift Soela en Mamjo. Het Cultureel Centrum Suriname (CCS), de Sticusa en de Raad voor Culturele Samenwerking (Racusa) hebben veel krachtiger hun stempel gezet op het culturele leven, overigens niet tot ieders enthousiasme.

Profiel: Sticusa, CCS en Racusa

Op 21 juni 1947 kwam het Cultureel Comité Suriname tot stand, dat aan het culturele leven een georganiseerde structuur wilde geven. Het stond onder leiding van musicus Eddy Wessels en organiseerde onder meer een grote tentoonstelling van boeken uit en over de Guyana's en een lezing van Rudie van Lier.108 Op 18 oktober 1948 werd het comité omgezet in de stichting Cultureel Centrum Suriname.109 Dat zou in de jaren '50 en '60 een centrale rol gaan spelen in het culturele leven van Suriname.

Op 26 februari 1948 werd te Amsterdam de Stichting voor Culturele Samenwerking tussen Nederland, Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen opgericht. Deze Sticusa stelde zich ten doel

met een beroep op het hele cultureel vermogen van Nederland, te geraken tot harmonische ontwikkeling in democratische zin van de onderlinge samenwerking op cultureel terrein tussen
[p. 25]
Indonesië, Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederland, op basis van wederkerigheid.110

Voor het beleid ten opzichte van Suriname, heeft ongetwijfeld een rapport gediend van Lou Lichtveld uit 1948: Een cultureel werkplan voor de West: enkele beschouwingen en suggesties. Hij stelde daarin onder meer dat het beleid vooral gericht moest zijn op de creolen, omdat zij het meest toegankelijk waren voor de westerse cultuur, gezien hun goede beheersing van het Nederlands, het geringe percentage analfabeten onder hen en het feit dat uit hun groep een nieuwe Surinaamse intelligentsia groeide.111

In 1955 wijzigde zich de structuur en richtte de Sticusa zich enkel nog op de West. Het waren oud-gouverneur Hein de Vries, de socioloog Rudolf van Lier, rechter Hugo Pos en diplomaat Siegfried Werners - de laatste drie ook schrijver - die in Amsterdam de Surinaamse zaken behartigden.

In Suriname was het vooral via het Cultureel Centrum Suriname dat de Sticusa haar invloed deed gelden: het CCS werd de ‘zusterinstelling’ van de Sticusa in Nederland. Bedroeg de subsidie die de Sticusa naar het CCS doorsluisde in 1949 nog rond nƒ51.000,-, in 1969 was dat bedrag al opgelopen tot boven de nƒ300.000,-.112 De bijdrage aan de begroting zijdens de Surinaamse overheid was zo gering, dat de potsierlijke toevoeging ‘op basis van wederkerigheid’ al na vier jaar uit de doelstelling van de Sticusa geschrapt werd.

De Sticusa-steun gaf het CCS de armslag om over een zeer breed terrein initiatieven te ontplooien. Het ging van start op de bovenverdieping van het pand Wagenwegstraat 47, maar betrok op 13 februari 1954 een nieuw gebouw aan de Gravenstraat met een gehoorzaal en bibliotheek. Dat jaar startte ook de Volksuniversiteit (zie § 1.4). Het gebouwencomplex werd in 1963 uitgebreid met ruimtes voor de muziekschool, de balletschool en de school voor beeldende kunsten.113 Op 2 juli 1955 werd ook het Cultureel Centrum Nickerie geopend; het zou in 1969 in een nieuw gebouw worden gehuisvest met bibliotheek, leeszaal, onderwijsruimten en theaterzaal.114 De regionale spreiding van culturele activiteiten werd verder voortgezet door de opening van culturele centra in Coronie (1961), Moengo (1961) en Wageningen (1964).

Voor het culturele leven in Suriname is er geen andere instelling in de tweede helft van de 20ste eeuw geweest die zoveel ondersteunend werk heeft verzet. Directe steun aan schrijvers werd verleend middels het aankopen van hun werk, dat door de Sticusa vervolgens onder instellingen en bibliotheken werd verspreid. Zo werden aantallen variërend van enige tientallen tot honderden aangekocht van werk van zo goed als alle publicerende auteurs van na Trefossa (opmerkelijk genoeg ook nog nadat Suriname uit het Sticusa-verband was gestapt in 1975). Werk van veel auteurs - meest overdrukken - verscheen in Sticusa Journaal. Voorts subsidieerde de stichting alle culturele tijdschriften die verschenen. Leo H. Ferrier verkreeg van de Sticusa een stipendium om te werken aan zijn romandebuut Átman en er waren ook beurzen voor Bea Vianen, Michaël Slory, Edgar Cairo en Rodney Russel. De Sticusa stelde ook pogingen in het werk om meer aandacht in Nederland voor Surinaamse auteurs te verwerven, door hun boeken in commissie-verkoop aan te bieden bij de Amsterdamse boekhandel Joachimsthal en ervoor te adverteren in bepaalde pers-

[p. 26]

organen. Dobru, Doelwijt en Shrinivási werden in de gelegenheid gesteld een tournee door Nederland te houden. In 1973 stelden Jules de Palm en Hugo Pos een kleine bloemlezing samen: Kennismaking met de Antilliaanse en de Surinaamse poëzie , met werk van dertien Antilliaanse en dertien Surinaamse dichters. De brochure werd in een oplage van 100.000 verspreid onder leerlingen van middelbare scholen en opleidingen-Nederlands in de drie rijksdelen.

Het CCS heeft ook het boekwezen in bredere zin ondersteund. Vanaf einde 1948 maakte het middelen vrij om belangrijke boeken over Suriname in feuilletonvorm in de vier dagbladen te doen verschijnen: zo bereikten de werken van Stedman, Fermin, Hartsinck en het gezelschap van geleerde joodse mannen een groot publiek.115 De boekenweken werden door het CCS met allerlei activiteiten ondersteund. Met regelmaat werden exposities over het boek georganiseerd, met altijd bijzondere aandacht voor het kinderboek. Enkele malen werd een literaire prijsvraag ingesteld, drie maal voor toneel (zie § 7.3). Bij een wedstrijd in 1956 kwamen enkele prijswinnaars naar voren die zich later nadrukkelijk in de letteren zouden manifesteren: Bea Vianen en Cynthia Ferrier. De heer R. Raveles kreeg van de Sticusa een troostprijs, achteraf bezien een opmerkelijk feit in het leven van de nationalistische dichter die als R. Dobru bekend zou worden.116

Lezingen werden met grote regelmaat gehouden: Lou Lichtveld bijvoorbeeld sprak op 20 december 1949 over Goethe's betekenis voor Suriname117 en Hugo Pos op 25 juli 1968 over ‘Van Helman tot Ātman’. De laatste lezing viel overigens niet in goede aarde bij Thea Doelwijt die verontwaardigd was dat hij niets zei over de literatuur van de laatste twee jaar en niets over het tijdschrift Moetete, maar wel over het tijdschrift Skwala dat nog niet eens was verschenen, ‘alleen maar omdat er zoveel Surinamers in Nederland zijn.’118 De CCS-bibliotheek werd binnen betrekkelijk korte tijd de belangrijkste publieksinstelling van Suriname met een groeiende collectie Caraïbische en Surinaamse literatuur (zie § 4). Verschillende projecten op het gebied van taalbeleid werden door de Sticusa geïnitieerd en gefinancierd. Van belang voor het letterkundige leven waren zeker het door de Sticusa in 1958 opgerichte Bureau Volkslectuur en het in 1961 opgerichte Taalbureau.119

Voorts organiseerde de Sticusa tournees naar Suriname van een groot aantal Nederlandse schrijvers, van Johan Fabricius en Anton van Duinkerken tot W.F. Hermans en Harry Mulisch.120 Die bezoeken creëerden natuurlijk de mogelijkheid voor Surinaamse auteurs om hun Nederlandse collega's te ontmoeten, maar de vraag is of het niet veeleer ging om goed gesubsi-

[p. 27]

dieerde snoepreisjes dan om een gericht beleid van culturele ontmoetingen. Van Duinkerken bijvoorbeeld was dan wel ondervoorzitter van de Raad van Bijstand van de Sticusa, hij had behalve van Albert Helman die hij uit zijn tijd bij De Gemeenschap kende, in zijn jarenlange carrière als literatuurcriticus nooit Surinaams werk besproken.121 Willem Frederik Hermans was gehuwd met de schoonzus van Rudie van Lier, maar ook hij had nooit van enige affiniteit met Suriname blijk gegeven en hij kon zich van een ontmoeting met schrijvers in sociëteit Het Park later alleen de naam Shrinivási herinneren.122 Ook de connectie van Willy Corsari met Suriname hield op bij het feit dat haar familienaam gelijk is aan die van een marrondorp met de betekenis ‘Kom zo ge durft’.123 Het CCS verzocht de Sticusa om zwarte regisseurs uit de Verenigde Staten en om schrijvers als Hella Haasse en Hugo Claus, maar daar ging de Sticusa niet op in. Om financiële redenen werden alleen die auteurs uitgezonden, die er zelf om verzochten.124

Het werk dat Nederlandse schrijvers na hun tournee over Suriname publiceerden, heeft vaak aanleiding gegeven tot irritatie aan Surinaamse zijde. Storend werd het gebrek aan affiniteit gevonden met een land dat de collega's gastvrij had ontvangen en duidelijker nog openbaarde zich een cultuurverschil in de geringe appreciatie van Surinaamse kant voor stukken die als te openlijk kritisch werden ervaren. De vraag is dan ook of er enig wezenlijk rendement voor het schrijven in Suriname werd overgehouden aan deze schrijversontmoetingen, en zo ja, hoe groot dat rendement dan wel geweest is. Slechts een enkele maal kan verondersteld worden dat het werk van een uitgezonden auteur een duidelijk raakvlak met de Surinaamse situatie vertoonde. Dat was bijvoorbeeld het geval met Jan Boon (Vincent Mahieu/Tjalie Robinson) die in 1961 sprak over ‘De Indische bellettrie als onderdeel van de Nederlandse literatuur’ en ‘De culturele bagage van de tropen-Europeaan’125; dat was ook het geval met Bram de Swaan die in 1968 sprak over ‘De rassenstrijd in de Verenigde Staten’.126 Een directe zin kan ook verondersteld worden van de uitzending van een Curaçaose schrijver als Elis Juliana en van voordrachtskunstenaars als Otto Sterman en Judith Allard-de Kom die voordrachten gaven uit de literatuur van de USA, het Caraïbisch gebied en Suriname.127

Het CCS heeft een zwaar stempel gedrukt op het toneelleven van de jaren '50 en '60.128 Het had zijn eigen toneelgroep - vaak in ad hoc-samenstellingen - maar sluisde ook geld door naar andere gezelschappen. De groepen Naks en Mamio trokken profijt van de theatercursussen en het laatste gezelschap kon dankzij financiële ondersteuning door de Sticusa in 1967 zijn eigen microtheater betrekken. Nadat het CCS herhaalde malen toneelcursussen had georganiseerd, startte in 1965 de School voor Dramatische kunst. De Sticusa zond bovendien een reeks van professionele regisseurs uit die moesten zorgen voor producties waarbij scholing en opvoering gelijk op gingen (zie § 7.1). Zij tekenden voor een reeks van opmerkelijke producties (besproken in § 7.4).

Overigens droegen deze voorstellingen veel minder sterk een Nederlands stempel dan wel eens gesuggereerd is. Voorzover het al niet om oorspronkelijk Surinaamse teksten ging, ging het bijna

[p. 28]

altijd om toneelbewerkingen die op het Surinaamse publiek waren afgestemd met nadrukkelijke aandacht voor het Surinaams-Nederlands en het Sranan (al nam men wel erg gemakkelijk Europees repertoire als uitgangspunt). Acteurs en technici waren voor 99% Surinaams en bovendien bijna altijd gerecruteerd uit alle maatschappelijke en etnische geledingen; decors, kostuums en muziek waren van de hand van Surinaamse kunstenaars. De kritiek vanuit ‘volksculturele’ hoek had een klasse-, zowel als een etnisch aspect: het was de stem van de volkscreolen die meenden te weinig te profiteren van de vleespotten van de middenklasse die het CCS bestierde - en geheel ongegrond was dat protest niet.129 Eerst tegen het einde van de jaren '60 verstomde die kritiek enigszins, toen uit Sticusa-gelden ook groepen financieel werden gesteund die naar repertoire, cast, technische en artistieke vormgeving geheel Surinaams waren, als Naks en het Doe-theater. (Dezelfde koerswijziging deed zich ook op de Antillen voor.130)

Anders dan bij de andere kunstvormen is er van een eigenlijk letterenbeleid bij de Sticusa/het CCS geen sprake geweest. Wat dit betreft hebben ook de twee jaren dat Henny de Ziel - de dichter Trefossa - directeur van het CCS was (1956-58), weinig gewicht in de schaal gelegd.131 Schrijvers en dichters hebben veelvuldig bij manifestaties van het CCS opgetreden en zij konden ook anderszins af en toe een graantje meepikken uit de Sticusa-ruif, zoals boven aangegeven. Maar gerichte schrijfcursussen zijn er enkel voor toneelschrijvers geweest, een beurzenstelsel voor schrijvers heeft nooit bestaan en het CCS gaf geen literair werk uit.

De Sticusa zocht naar een handvat om de jonge Surinaamse bellettrie ook kwalitatief te kunnen duiden. Het was karakteristiek voor de stichting dat daarvoor een Nederlandse criticus in de arm werd genomen: Aldert Walrecht. In 1970 verscheen diens boekje Het goud van Suriname - besproken in § 10.4 van het deel over de periode 1957-1975.

Ook film, ballet, muziek en muziekonderwijs, beeldende kunsten, museumwezen, monumentenzorg en radio en televisie vonden ondersteuning van de zijde van Sticusa. Een hele reeks Nederlandse artiesten, variërend van Daniël Wayenberg tot Frans Brüggen, werd naar de West gezonden, maar ook Surinaamse musici die in Europa verbleven als Majoie Hajary en John Helstone, profiteerden van de uitzendmogelijkheid.132 In 1968, op het hoogtepunt van zijn activiteiten, werden onder auspiciën van het CCS 194 culturele manifestaties georganiseerd, het centrum had dat jaar ongeveer 60.000 bezoekers geteld, 456 repetities en vergaderingen vonden er plaats, 30 opvoeringen van lokale groepen, 12 toneelstukken werden gebracht in totaal 140 opvoeringen waarvan 37 in de districten, er werd contact onderhouden met 300 instellingen, buurthuizen en scholen, 1200 leerlingen kregen er hun culturele vorming, de bibliotheek noteerde 212.000 uitleningen en 170 filmvoorstellingen trokken bijna 50.000 bezoekers.133 Cijfermatig is de activiteit van het CCS daarmee afdoende aangegeven. Maar wat is de inhoudelijke betekenis van het centrum geweest?

 

Al in een lezing in 1949 betoogde Sticusa-voorlichter Ed. Hoornik dat de stichting niet was opgezet als een cultuurimperialistisch instrument. De culturele centra, zo stelde hij, zijn democratisch en autonoom en de Sticusa legt zich bij hun besluiten neer.134 Dat klonk mooi, maar de manier waarop de Sticusa haar beleid in Suriname realiseerde stoelde uiteindelijk op een weinig doorzichtig samenspel van gecentraliseerd en lokaal besturen. Dat laat zich misschien nog het best

[p. 29]

illustreren aan het geval van Nola Hatterman.135 Deze Amsterdamse kunstenares had zonder twijfel al verdiensten voor het kunstenaarsleven toen zij in 1953 naar Suriname kwam. Als het aan de Sticusa had gelegen, zou zij de Amsterdamse grachten niet ontvlogen zijn, want zij werd geacht te dicht bij de Surinamers te staan en dus te weinig de Nederlandse cultuurpolitiek uit te dragen. Bovendien verdacht men haar, met voor de tijd kenmerkende bewustzijnsvernauwing, van communistische sympathieën.136 Eenmaal in Suriname begon Hatterman direct les te geven en zij kreeg daar ook de steun van het CCS voor. Zij bouwde de CCS-School voor Beeldende Kunsten op, maar kreeg per 1 januari 1971 op een weinig elegante wijze ontslag.137

Al vroeg heeft het beleid van Sticusa/CCS scherp afwijzende reacties ondervonden in de Surinaamse gemeenschap. Het was De West dat in een reeks artikelen in mei 1951 waarschuwde dat het CCS ‘niet bepaald sympathiek tegenover het streven op cultureel gebied van Surinamers’ stond: ‘in strijd met de bedoeling van de oprichters in Nederland is het CCS hier uitgegroeid tot een instelling die in hoofdzaak moet zorgen voor afleiding en amusement van de Hollandse kolonie in Suriname.’138 De Surinamer koos onmiddellijk partij voor het CCS en kantte zich tegen de ‘nogal hetze-achtige toon’ waarmee De West oorlog voerde tegen ‘het herlevend kolonialisme van het CCS’. De Surinamer meende dat de fout gezocht moest worden bij de mensen die vroeger verzuimd hadden te zorgen voor een gelijkwaardige opleiding voor Surinamers.139 Vanaf die eerste aanval van De West zou de oppositie tegen het CCS niet meer verstommen. Met het verschijnen van het nieuwe dagblad De Ware Tijd in 1957 nam de kritiek alleen maar toe.140 Opmerkelijk is wel dat De West de grootste afnemer bleef van door de Sticusa ter beschikking gestelde persartikelen.141

Op 1 februari 1957 belegden diverse culturele organisaties een contactavond om hun teleurstelling uit te spreken over het slecht functioneren van het CCS als overkoepelende cultuurorganisatie (een functie die het CCS de jure niet, maar de facto wel had).142 Het was vooral in kringen van Wie Eegie Sanie dat het verzet opklonk tegen een instelling die gezien werd als elitair en niet georiënteerd op de Surinaamse volkscultuur. Een eerste slag werd door Wie Eegie Sanie gewonnen bij het bezoek van prinses Beatrix in 1958. Voor die gelegenheid werd een commissie gevormd waarin zitting hadden Eddy Wessels en Arnold Smit van het CCS en Wim Salm van Thalia. Eddy Bruma protesteerde tegen het feit dat de ‘volksculturele’ stroming niet vertegenwoordigd was. De CCS-vertegenwoordigers legden hun functies neer, Salm kreeg de opdracht de manifestatie te organiseren en Bruma kreeg de regie van de avond, waarop onder meer zijn Anansi

[p. 30]

Tori werd gespeeld.143

In een in 1958 gepubliceerd memorandum, ondertekend door o.m. Lou Lichtveld, Hugo Pos, J.P. Kaulesar Sukul en Wim Bos Verschuur, werd de kritiek op het functioneren van het CCS helder geformuleerd. Er was geen weldoordachte meerjarenplanning, de activiteiten hadden te weinig spreiding in de breedte (over de etnische groepen) en de diepte (sociale lagen van de bevolking), de besteding van gelden geschiedde teveel ad hoc, het CCS schoot tekort als coördinerende instantie en er was geen forum waartegenover het bestuur zich te verantwoorden had.144 Scheve ogen leverde ook de situatie op dat het Sticusa-kantoor in Amsterdam maar liefst 22 medewerkers in dienst had, ‘zwaar gesubsidieerde culturele samenwerkers in de Viottastraat’ zoals W.F. Hermans ze noemde - overigens nadat die ‘culturele samenwerkers’ zijn reis naar de West hadden betaald.145 Wrevel wekte de armada aan Nederlandse kunstenaars en deskundigen die Suriname overspoelde, waar zeer weinig uitzendingen van Surinaamse krachten richting Europa tegenover stonden: over de jaren dat de Sticusa actief was in Suriname werd 113 maal een individu of groep vanuit Nederland uitgezonden en slechts 9 van Suriname naar de andere kant van de oceaan.146

In antwoord op de klachten werd er een structuur van commissies voor verschillende kunstsectoren opgezet, zodat bijna alle culturele verenigingen vertegenwoordigd zouden zijn. In november 1958 werd de Raad voor Culturele Samenwerking (Racusa) ingesteld onder voorzitterschap van W.L. Salm, waarin de voorzitters van de verschillende commissies zitting hadden. In de praktijk veranderde er echter weinig. Twaalf culturele organisaties verenigden zich daarop in 1959 tot het Volks Cultureel Centrum - waarvan later weinig meer werd vernomen.

Om een betere afstemming te bereiken van de culturele samenwerking tussen de Koninkrijkslanden werd op 2 februari 1961 in Den Haag een adviescollege geïnstalleerd: de Adviesraad voor Culturele Samenwerking.147 De voorzitterszetel zou telkens worden bezet door de minister belast met culturele zaken van het land waar een vergadering zou worden gehouden; daarnaast waren er negen leden voorgedragen door de regeringen van Nederland, Suriname en de Antillen. Van Surinaamse zijde hebben onder meer Lou Lichtveld en Hugo Pos er deel van uitgemaakt. Al vóór haar installatie vond de Raad oppositie. Op een vergadering op 19 januari 1961 distantieerden zich zeventien cultureel-nationalistische organisaties waaronder Wie Eegie Sanie, Kra, Wie Na Wie, Mofina, De Echo, Jong en Oud en De Vrolijke Jeugd van de Raad die zij als versterkend voor de positie van het CCS zagen.148 Zij verklaarden dat Lichtveld een vertegenwoordiger was van de geassimileerde creoolse elite, die zich alleen voordeed als Surinamer wanneer het hem uitkwam.

[p. 31]

Op de radio deed Jan Voorhoeve (die enkele jaren eerder op kosten van Sticusa naar Suriname was gereisd) een scherpe aanval op het CCS dat hij ‘koehandel met cultuur’ verweet; zijn tekst werd samen met een resolutie van de zeventien organisaties ook als Manifest verspreid.149

Dichter Corly Verlooghen was het met dat offensief niet eens. Hij waarschuwde voor het ‘gevaar van kulturele spoken bij dag zien’ en schreef dat niet alleen de creoolse bevolkingsgroep determinerend