|
|
|
| |
| | | | | |
1.1 Algemeen
In alle uitingen van afro-Caraïbische cultuur, zo zegt Michiel Baud in de bundel opstellen Cultuur in beweging, spelen twee elementen een centrale rol: zij
waren uitdrukking van een per definitie ongelijke relatie tussen blanke
planters en zwarte slaven, en zij waren het resultaat van een
creoliseringsproces.1 Hieronder verstaat hij dan dat die culturen
niet simpelweg een afgeleide waren van Afrikaanse culturen, maar dat via een
proces van creatieve aanpassing en vernieuwing nieuwe
culturen ontstonden. Dit geldt niet enkel voor dans, muziek, literatuur,
maar evengoed voor economische systemen (de kleinhandel van de hosselaars), voor sociale systemen (de matrifocale gezinsstructuur
waarin de vrouw de spil van het gezin vormt), en voor religies (voodoo in Haïti, santería
in Cuba, candomblé in Brazilië, winti in Suriname). In de 19de eeuw werd dat
creoliseringsproces sterk gestimuleerd toen de slavernij werd afgeschaft,
toen nieuwe vormen van economische bedrijvigheid opkwamen en de stedelijke
bevolking groeide. Met de verschuivingen in de machtsverhoudingen, groeiden
ook het prestige en de sociale acceptatie van afro-Amerikaanse
cultuuruitingen. De Aziatische culturen ontplooiden zich en voegden hun stem
aan het koor toe. Kortom: in de 20ste eeuw was het Caraïbisch
gebied een regio met een geheel eigen signatuur geworden.
In het proces van creolisering van de Surinaamse maatschappij zijn de jaren
'50 en '60 cruciaal geweest, de jaren waarin de culturele
oriëntatie op Nederland plaats maakte voor een verkenning en
herwaardering van het eigene. Zo schetste Jan Voorhoeve hoe rond 1960 veel
van het oude spinrag werd weggeveegd:
De mentaliteit van Eddy Bruma maakt
school. Ze zijn niet allemaal even intelligent uiteraard, maar er zit
hetzelfde gevoel van eigenwaarde in. De Hindostanen komen snel vooruit, maar
schrikken van de zeer duidelijke en nietsontziende formulering van de
Creolen als het om kwesties gaat die de Creolen raken. De oude generatie
wordt door deze jonge mensen volkomen onder de voet gelopen. Lespeki no de
moro [Er is geen respect meer]. Al heet je Wessels of Lichtveld of Smit, als ze vinden dat je zit te kletsen, fluiten
ze je van het podium. Er zit iets van een eerlijkheid zonder pardon in de
jonge generatie, een bijzondere overgevoelige waakzaamheid om niet door
mooie woorden bedonderd te worden of door een mooie sociale positie.
Wetenschap maakt ze ziek. Ze lachen om professoren, spotten met traditie.
Het is erg boeiend. Want ze ontdekken inderdaad grote en ingrijpende
waarheden, namelijk het voze van alles wat het kolonialisme hen had willen
laten geloven over taal, godsdienst, huwelijk, ras, cultuur,
enzovoorts.2
In de jaren 1958-1967 werd Suriname bestuurd door coalitiekabinetten van de
creoolse NPS en de hindostaanse VHP, waarmee aan de
‘verbroederingspolitiek’ van Jagernath | | | |
Lachmon invulling werd gegeven.3 De sterke politieke man achter deze kabinetten was
Johan Adolf Pengel, zelf minister-president van 1963 tot 1969. Hij was een
van de architecten van het Statuut van 1954 geweest en wist dat Suriname
zijn zelfbeschikking bijna onbeperkt kon uitoefenen; enkel de
landsverdediging en de buitenlandse politiek werden aan Nederland
overgelaten. Pengel, aanvankelijk het idool van de arme, donkergekleurde
creolen, trok in de loop der jaren steeds meer macht naar zich toe, en
aarzelde niet politieke tegenstanders en kritische journalisten de voet
dwars te zetten. Op 14 april 1959 werd een - overigens nogal amateuristische
en totaal mislukte - aanslag op hem gepleegd. Als hoofdverdachten werden in
een van de weinige politieke strafzaken die Suriname heeft gekend, Arthur
Blom en Pieter Polanen aangewezen. De laatste zou onder de naam Kwame
Dandillo naam maken als dichter.4 De aanslagplegers
kwamen uit de kringen van Eddy Bruma's Wie Eegie Sanie, al werd de
betrokkenheid van Bruma zelf nooit bewezen.
In april 1959 werd aan de politieke ideeën van Bruma krachtiger
invulling gegeven met de oprichting van de Nationalistische Beweging
Suriname (NBS) en in september 1961 de Partij Nationalistische Republiek, de
PNR. Deze partij zou een beslissende rol spelen in de
onafhankelijkheidswording van Suriname, maar haar electorale aanhang bleef
altijd beperkt. De kiezers kozen voor de zekerheid van de traditionele
partijen. De bomaanslag op Pengel in 1959 door mannen uit de PNR had de
reputatie van Bruma's partij aangetast en de PNR had, niet in de laatste
plaats door toedoen van Pengel, het etiket
‘communistisch’ opgeplakt gekregen.
Toen in 1963 het eeuwfeest van de afschaffing van de slavernij werd gevierd,
vroeg premier Pengel Lou Lichtveld de feesten te organiseren en de
herdenkings- en feestrede voor hem te schrijven. De toespraken verschenen,
zonder vermelding van de auteursnaam, als Honderd jaar
menswaardig leven en De toekomst van onze
vrijheid - bizar genoeg gedrukt in Amsterdam op kosten van de Sticusa.
De nationalisten - dichter R. Dobru voorop -
vonden Lichtveld de slechtst denkbare keuze voor de hem opgelegde taak. Ze
zagen hem als vertegenwoordiger van de Surinaamse koloniale elite en
verweten hem dat hij in hooggestemde volzinnen alleen maar naar een gedroomd
Suriname keek en voorbijging aan het slavenverleden en de nog altijd
bestaande klassentegenstellingen.5 Die aantijgingen zijn op grond van de tekst
van de twee redes moeilijk vol te houden, want daarin schreef Lichtveld wel
degelijk over de slavernij. Maar waar was wel dat anno 1963 nog veel van de
koloniale sfeer was blijven hangen, zoals Jozef
Slagveer beschreef:
100 jaar na de Afschaffing beheersen Nederlandse maatschappijen nog
steeds het economische leven (Nederlandse Handel-Mij., Billiton, Bruynzeel)
en zij prefereren Nederlanders voor hun kader. Wonend in eigen villawijken,
bezoeken de blanken hun eigen zwembaden (‘Dolfijn’,
‘Oase’), en mevrouw kan haar dag doorbrengen op de
buitensociëteit Het Park, dank zij een overvloed aan laagbetaald
en met weinig sociale voorzieningen bedacht huispersoneel (een dienstmeisje
krijgt 30 Surinaamse guldens per maand). Bovendien: een blanke verricht geen
handenarbeid. In deze ouderwetse tropensfeer is het belangrijk of een
overigens capabele sollicitant ‘goed haar’ of
‘slecht | | | | haar’ heeft (sluik of kroes).6
Toch was er een verandering ingetreden: het regeringsapparaat was niet meer
Nederlands, de premier en ministers waren Surinamers en in 1963 trad met
Archibald Currie ook de eerste gouverneur van Surinaamse afkomst aan. Frits
Moll, in 1963 sociologie-student in Amsterdam en een van de drijvende
krachten achter de vereniging Ons Suriname, drukte die verandering, die wel
eens ‘zwart neokolonialisme’ is genoemd, zo uit:
‘De laatste twee jaar donder ik niet meer tegen de Nederlanders,
want die zijn wel bereid ons vrij te laten. Het is een intern probleem
geworden.’7
De jaren '60 zagen een geleidelijke hervorming van het kiesstelsel. Maar van
een economische hervorming was geen sprake. Vanaf 1965 ging de Suralco ook
aluinaarde en aluminium produceren en exporteren; de bauxietsector was de
kurk waar de Surinaamse economie op dreef. Integratie in politiek,
economisch of cultureel opzicht binnen de Caraïbische regio was
tot aan de onafhankelijkheid ver te zoeken.
Van een heldere cultuurpolitiek hebben de achtereenvolgende regeringen geen
blijk gegeven; de regering-Emanuels (1958-1963) stelde de nationale
symbolen, vlag, wapen en volkslied, vast, kondigde een eerste
officiële spelling van het Sranantongo af en deed via het Bureau
Volkslectuur een Sranan woordenlijst verschijnen, maar van een groter
concept van cultuurpolitiek bleek weinig.8 In ieder geval
heeft de coalitiepolitiek van creolen en hindostanen verhinderd dat een
verdere emancipatie van het Sranan als te onderwijzen taal werd doorgezet,
wat tot een patstelling leidde: ook de andere volkstalen verkregen van
overheidswege geen aandacht.9 Cultuur werd nooit een grote
post op de begroting: twee jaar voor de onafhankelijkheid was er niet meer
dan sƒ25.000,- op jaarbasis beschikbaar voor
cultuurbevordering.10
Centraal in de cultuurbeleving van de verschillende groepen stonden hun grote
feesten. De socioloog Urwin Vyent meent zelfs dat de centrale positie van
het informeel circuit en van feesten in de samenleving de oorzaken zijn
geweest van het uitblijven van ernstige etnische conflicten. Hij analyseert
dat de voortgaande urbanisatie van na de oorlog, de ruimere participatie in
het politiek bestuur, de toegenomen welvaart, het ontstaan van een
intellectuele klassencultuur en de westerse invloeden, hebben geleid tot
etnische toenadering, klassenvervaging en commercialisering van de
feestcultuur.11 Concreter aangeduid: dat steeds meer mensen leerden dansen op
niet-traditioneel-etnisch-gebonden afro-Amerikaanse en
Caraïbische muziekgenres heeft beter gewerkt voor de ontwikkeling
van het Surinamerschap dan alle broederschapsspeeches van Lachmon en Pengel
bij elkaar.
In 1969 viel na wekenlange stakingen van leerkrachten en ambtenaren het
laatste kabinet-Pengel. Een van de gevolgen daarvan was dat in Nederland een
omslag plaatsvond naar een opener opstelling tegenover de onafhankelijkheid
van Suriname. Peter Meel geeft daarvoor drie factoren aan: het oproer op
Curaçao met het ingrijpen van Nederlandse ma- | | | | riniers, de aanhoudende emigratie van Surinamers naar Nederland en de
problemen die daaruit voortvloeiden, en het groeiende inzicht dat het
Statuut zichzelf had overleefd en een anachronisme dreigde te worden.12
Het einde van de periode-Pengel betekende allerminst dat de zeventiger jaren
konden worden ingegaan met sociale rust. Het gistte in allerlei sectoren van
de maatschappij. Jongeren kwamen op voor een vrijere seksualiteit. Vrouwen
eisten een volwaardige plaats in de samenleving, verenigden zich en
publiceerden tijdschriften als Oema [Vrouw], Victorien en Sranan Oema Opo [Surinaamse vrouwen
zijn opgestaan]. Sociaal en politiek nam het onbehagen toe, wat al te zien
was aan de diverse roofdrukken die aan de officiële herdruk in
1971 van De Koms Wij slaven van Suriname voorafgingen. De
ergernis over de bestuurlijke wantoestanden en het gebrek aan ontwikkeling
omdat deskundigheid het moest afleggen tegen corruptieve praktijken, leidde
tot stakingen, brandstichtingen en vernielingen in 1971. Het einde van het
bewind Pengel markeerde het begin van de grote dans om de politieke macht
die werd uitgevoerd op het podium van de raciale tegenstellingen. Wie de
analyses leest van Rudi Kross in Rebel op de valreep
(1972), krijgt een goede indruk van de sfeer van politiek
geïntrigeer die zo kenmerkend is geweest voor de zeventiger
jaren. De scherpte van die analyses blijkt wel uit de irritaties die Kross
bij de regering opriep, wat uiteindelijk leidde tot ingrijpen van
overheidswege.13 Overigens kreeg niet alleen Kross het aan de stok
met de gevestigde orde: ook de journalisten Rita
Rahman, Jozef Slagveer en Humphrey Keerveld werden in die beginjaren '70 door
een boycot van overheidswege getroffen. De linkse beweging werd intussen
breder, of in ieder geval: steeds actiever.
| |
Close-up: Links en lectuur
De linkse beweging groeide en splitste zich als een niet te stoppen vorm
van celdeling, elke factie met zijn eigen drukwerk: pamfletten, affiches
en tijdschriften. Henk Herrenberg, afkomstig uit de PNR, richtte samen
met Humphrey Keerveld in 1970 de Surinaamse Socialistische Unie op, die
samen met de vereniging Ons Suriname het maandblad Rode
Ster uitgaf. Keerveld koos al spoedig zijn eigen weg en begon
het Marxistisch-Leninistisch Centrum Suriname (Mlcs).
Het gaf het ‘socialisties volksblad’ De
Rode Surinamer uit en werkte samen met de stichting
Progressieve Lectuur Suriname; beide organisaties namen op 30 januari
1971 aan de Dr. Nassylaan 23 een centrum in gebruik dat ook als
verspreidingspunt voor linkse lectuur fungeerde.14 In 1971 werd de Organisatie
van Surinaamse Kommunisten (Oskom) opgericht,
uitgeefster van het blad Manifest, met Edward
Naarendorp en Frank Ranada als spilfiguren. Naarendorp was een
vertegenwoordiger van de Surinaamse intellectuelen die hun opleiding in
Nederland hadden genoten, evenals Ruben Lie Pauw Sam die in 1973 het
Democratisch Volks Front (DVF) oprichtte. Oskom en
DVF gingen na 1975 op in de Volkspartij; uit deze kring kwam het
weekblad Pipel [Volk] voort en was al eerder De
Volksboekwinkel opgezet. Een andere repatriant, Winston Caldeira, wendde
zich af van de Oskom en sloot zich aan bij de
Progressieve Arbeiders en Landbouwers Unie (Palu)
gelanceerd | | | | met een vlammend Manifest in
1977 door Iwan Krolis en anderen die zich van Keerveld hadden afgewend.
Uit het Mlcs groeide de Kommunistische Partij
Suriname, waarbinnen Humphrey Keerveld en Bram Behr na verloop van tijd
ieder weer hun eigen richting kozen. Behr en anderen gaven vanaf 1979
het blad Mokro [Moker] uit. Overigens zou geen van
deze partijtjes ooit één zetel in de Staten van
Suriname behalen, met uitzondering van de Palu die
vooral na 1980 nog een rol zou spelen.
De politiek onrustige beginjaren '70 zagen een geweldige aanwas van
bladen en blaadjes, bijna alle sterk politiek geëngageerd.
Sommige was een zeer kort leven beschoren zoals Frie
Sranan [Vrij Suriname], Njoeng Grontapoe [Nieuwe
Wereld], Onze Natie, Het Front en Power; andere als De Rode Surinamer, Pipel en
Mokro verschenen jarenlang.15 De cultuur van het politieke gedicht
bloeide in al die bladen en blaadjes als nooit tevoren. In de stortvloed
aan linkse lectuur viel Kern op, voor het eerst (en
het laatst) verschenen op 12 augustus 1971. Het blad van
‘linkse intellectuelen’ als Frank Naarendorp en
Frank Ranada analyseerde in degelijk marxistisch jargon de Surinaamse
samenleving. Als ‘Culturele Editie Kern’ verscheen
in 1972 een dubbeluitgave waarin de beide genoemden Het
antagonistisch karakter in het Surinaams kultuurpatroon
bespraken en Riet Tjon A Hie-Knops Toneel als
zelfbewustwordingsekspressie (De functie daarvan in de ontwikkeling
van de surinaamse maatschappij).16
Jules Chin A Foeng bracht kort een ‘onafhankelijk kultureel
maandblad voor Suriname’ uit: Koeltoeroe,
waarvan het eerste nummer verscheen op 13 februari 1971.17
Reflektor, dat vanaf 1972 verscheen onder redactie van
C.R. Biswamitre, S.A. Jadoenathmisier en K. Ramsundersingh, was eerder
breed maatschappelijk georiënteerd. Er verscheen onder meer
een zeer kritisch stuk in van Bhai over het eeuwfeest van de
hindostaanse immigratie. Hij hekelt daarin de hindostaanse
volksvertegenwoordigers, de ‘opperpriester, assistentpriesters
en prelaten’, die uit zelfverheerlijking en winstbejag de arme
immigranten als niet meer dan brandhout zien. Maar de oude grootmoeder
‘kent de woekeraars, deze hyena's en wolven, de glimlachers,
de ja-en-neen-knikkers en de holle praters’.18
De combinatie van toenemend maatschappelijk onbehagen, groeiend
zelfbewustzijn van de vakbonden en links-politieke activiteit leidde tot
een reeks van stakingen. In het roerige jaar 1973 werd bij acties op 26
en 27 februari de bosneger-arbeider R. Abaisa door de politie
doodgeschoten; zestien journalisten en vakbondsmensen werden
gearresteerd.19 De Nederlandse essayist en politiek
commentator A.L. Constandse schreef over de maatschappelijke
beroeringen: ‘De bedoeling was te onderstrepen dat gebroken
moest worden met de dienstbaarheid aan de economische en ideologische
kolonisatie, doorgevoerd door de multinationale concerns van de
Atlantische wereld, ondersteund door haar militaire apparaat.’
Constandse waarschuwde dat het doorsnijden van de koloniale banden kon
leiden tot een militaire dictatuur, maar het vooruitzicht in de eigen
regio te integreren kon ‘aan een revolutionaire voorhoede
misschien meer hoop en toekomst bieden dan het bestendigen van de banden
met een Nederland dat zelf deel uitmaakt van het Atlantische kapitalisme
en zijn militaire organisaties.’ De kernvraag was volgens
Constandse hoe het Ne- | | | |
derlandse volk zich zou kunnen emanciperen uit een koloniale
situatie.20
Maar structurele veranderingen bracht 1973 niet. ‘De regering
houdt het vetbehaarde been strak en wij missen de geestkracht om het te
breken’, berichtte de schrijver René de Rooy in Verworpen vaderland.21 De roep om onafhankelijkheid bleef echter
doorklinken. Overigens verwachtte niet iedereen daar het heil van: de
hindostanen waren niet principieel tegen de onafhankelijkheid, maar wel
fel gekant tegen het te vroeg doorsnijden van de band met Nederland en
tot op 't laatst heeft de VHP onder leiding van Jagernath Lachmon zich
tegen de datum van Surinames onafhankelijkheid verzet.22 Maar de wilskracht en
onderhandelingsbekwaamheid van Henck Arron en de politieke pressie van
Eddy Bruma brachten Suriname de onafhankelijkheid op 25 november 1975.
De voorzitter van de Tweede Kamer, Anne Vondeling, gaf het historische
moment cachet door een drietal gedichten van Shrinivási voor te lezen in het Nederlandse
parlement.23 Het oude Rāmāyana schoot oppositieleider Lachmon
te hulp om zijn aanhangers troost te bieden: hij zou hen verdedigen
zoals zijn naamgenoot Lakshmana diens broer Rām had geholpen
om Sītā te redden uit de klauwen van de
demonenkoning Rāvana.24 De twee belangrijkste dichters die uit de
nationalistische tijd naar boven waren gekomen, maakten de
onafhankelijkheidsjubel in het Suriname-stadion overigens niet mee:
Shrinivási verbleef in India en Michaël Slory
herinnerde zich later: ‘Die mensen hebben me niet uitgenodigd.
Ik heb zo hard gewerkt voor die mensen. Oké, is niet erg. De
vlag wappert, de pagara's worden afgeschoten, vuurwerk allemaal, en wat
doet Slory thuis? Slory knielt gewoon en bidt uit de
Bijbel.’25
| |
1.2 Demografie
Bij de volkstelling van 1964 had Suriname 324.211 inwoners en hoewel er
sprake was van een geboorteoverschot, zou dat aantal in de jaren '60 maar
langzaam groeien. In 1962-1967 vertrokken elk jaar gemiddeld tweeduizend
Surinamers naar Nederland, waarmee in het laatste jaar het aantal
‘Surinaamse Rijksgenoten’ aan de Noordzee op naar
schatting 20.000 was gekomen. Tegenover 3.466 emigranten konden in het jaar
1966 overigens nog 1.790 Surinamers genoteerd worden die naar hun
geboorteland terugkeerden. In 1971 zou 10 tot 15 procent van de Surinaamse
bevolking in Nederland leven, maar de grootste exodus kwam
vóór de onafhankelijkheid: in 1975 werd het totaal
aantal Surinamers in Nederland op 100.000 geschat.26
Die trek naar Nederland kaderde overigens in een veel bredere mensenstroom
van het | | | | Caraïbisch gebied naar de
geïndustrialiseerde metropolen in Noord-Amerika en Europa.27
Bovendien was die exodus alleen naar schaal een nieuw verschijnsel. Al in
het tijdschrift Vox Guyanae van september 1956 had zekere
G.Azn. Smallerode in een satirisch gedicht,
‘Valedictum’, de creolen uitgewuifd die het land
verlieten omdat ze geen vertrouwen hadden in zijn toekomst:
Je wil dus weg? Goed, lazer dan maar op,
maar leuter niet meer zulke dikke woorden
als ‘eigen land’ en ‘opbouw’ of
‘ons volk’,
die wij tot brakens toe al jaren hoorden.
Creoolse kletsmeneer, net als tienduizend meer
met oratorische oude-wijven-praatjes!
Het is zo gemakkelijk te zeggen: ‘Ik ga weg,
de mensen deugen niet, ze struikelen over gaatjes;
het is zo moeilijk hier...’ Natuurlijk, vod,
dit is een land voor pioniers en niet voor klieren.
Er moet gewerkt, gedragen en gedaan,
meer dan de houtluis doet, de wespen en de mieren.
De druk schept drukte, er is zovéél te doen,
een heilig ongeduld bezielt en laat niet vluchten.
Er moet gerooid, gespit, gezaaid, geplant,
al rijpen pas na generaties vruchten.
Maar jij hebt steeds gepraat en anders niet,
praat nu in Holland bij de mooie-woorden-kramers.
Je hebt gelijk. Je hoort hier niet meer thuis
bij ons die blijven, - echte Surinamers.
Varianten op wat hier verwoord wordt, zijn in latere jaren altijd met zekere
regelmaat te horen geweest in ingezonden brieven en artikelen in de kranten.
Achter de dichtersnaam Smallerode verborg zich iemand die zelf al eerder
Suriname de rug had toegekeerd, die was gerepatrieerd en enkele jaren later
opnieuw, en nu definitief, het land zou verlaten: Lou Lichtveld/Albert Helman. Hij was niet de enige schrijver die
blijkbaar vooral de demon in zichzelf bestookte om later schielijk het
hazenpad te kiezen.
In de bundel De Vlucht, verschenen in 1968, werd het
verschijnsel van de alsmaar massalere migratie in beschouwingen en verhalen
behandeld door Benny Ooft, Thea Doelwijt, Henk Herrenberg, Henny de Ziel (de dichter Trefossa) en Robin Raveles (R. Dobru). Inzet van hun bijdragen
was: ‘Hoe kan men de stormloop van Surinamers op Nederland tot
staan brengen?’ (p. 15) Zij besteedden aandacht aan de
kolonialistische | | | | cultuurpolitiek van Nederland, aan de
discriminatie en de mythe van het paradijs Nederland die uit schaamtegevoel
door geëmigreerde Surinamers in stand werd gehouden, en aan de
eigen identiteit die overzee ontdekt wordt maar waarvoor de voedingsbodem in
het eigen land ligt. In de korte schets ‘Faja lobi’
opende Thea Doelwijt een interessante gender-problematiek:
de keuze van Surinaamse meisjes voor Nederlandse mannen verraadt niet een
gebrek aan nationalisme, maar een afkeer van de ‘slechte
manieren’ van de Surinaamse promiscue man.
Doordat velen met een hogere opleiding wegtrokken, vloeide ook een deel van
het intellectuele potentieel weg. Henk van
Teylingen schreef in 1972:
Toen in 1969 het bericht kwam dat het gedaan was met de sprongen
van Pengel, de omhooggevallen volksjongen die de grote stoot heeft gegeven
tot het nepotisme en de corruptie die elk in Suriname opduikend idealisme
verlammen, reikhalsden de Surinamers in Nederland over de oceaan.28
Een van die remigranten was Rudi Kross; Van Teylingen gaf aan hoe het hem en
vele anderen verging:
Er zijn in Nederland heel wat Surinaamse intellectuelen die het ook
zouden willen proberen. Het geval van Kross - en dat van tientallen andere
repatrianten wier progressiviteit en werklust het hebben moeten afleggen
tegen de eigenbelangpolitiek van de Surinaamse regeerders - wettigt hun
aarzeling om passage te boeken.29
Dat Suriname voor de remigranten de vlag uitstak, kan ook niet gezegd worden.
Premier Arron riep vlak voor de onafhankelijkheid de Surinamers in Nederland
wel op om terug te keren en het land ‘mee op te bouwen’,
De Ware Tijd noemde tezelfdertijd remigranten
‘dwaze Surinamers’ en zette zich fel af tegen alle
aandacht voor de praatjesmakers die ooit vertrokken en nu wilden
terugkeren.30 Na 1975
zou de brain drain overigens nog veel grotere proporties
aannemen.
De enige bevolkingsgroep die nog via immigratie groeide, was de chinese: in
de jaren '60 nam het aantal immigranten vanuit de Britse kroonkolonie Hong
Kong toe.31
| |
1.3 Culturele oriëntatie en organisatie
In 1957 was Suriname nog in sterke mate een land waar de stadsgrens van
Paramaribo de scheidslijn markeerde tussen het traditionele leven van de
districten en het steedse leven dat in contact stond met het buitenland. Het
stadsleven had wel een zekere uitstraling naar regionale centra als
Nieuw-Nickerie en Moengo, maar het districtsleven voltrok zich in zijn eigen
tempo en grotendeels verstoken van de culturele en onderwijsfaciliteiten die
de hoofdstad bood. De groepen die nog het sterkst geïsoleerd
bleven waren de inheemsen en marrons. Een indicatie daarvoor geeft het feit
dat pas in 1961 de eerste twee hulponderwijzers van inheemse origine - uit
Washabo en Powakka - hun akte behaalden.32
Suriname maakte nog altijd deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden en
Nederland | | | | bleef voor het leven in de stad het belangrijkste
internationale oriëntatiepunt. De voornaamste instituties die tot
1957 die oriëntatie geschraagd hebben waren de Sticusa en het CCS
- hun functioneren en de kritiek daarop is uitvoerig beschreven in het
vorige hoofdstuk. De kranten schreven over Anna Blaman, Willy Corsari, Ed.
Hoornik, Alfred Kossmann en Max Dendermonde.33 De Alliance
Française, al actief in Suriname sinds 1891, stelde haar
bibliotheek ter beschikking, organiseerde causerieën over Franse
literatuur34 en haalde in 1975 de Parijse
Compagnie Dramatique de L'Aquitaine naar Paramaribo.35 In januari van datzelfde jaar richtte Harry Bakboord
een Duits-Surinaamse culturele vereniging op, de Goethe Verein.36 De westers
georiënteerde boven- en middenklasse van Suriname kwamen
cultureel goed aan hun trekken. Vooral de Sticusa zorgde voor een continue
toestroom van Nederlandse toneel- en cabaretgezelschappen en schrijvers
(voor een overzicht zie bijlage XIV). Veel auteurs publiceerden na terugkeer
fictief proza of reisverhalen over Suriname. Hun reportages gingen niet
altijd onopgemerkt aan Suriname voorbij. De reacties op wat Simon Carmiggelt en Willem
Frederik Hermans schreven, maken duidelijk dat de wind
niet meer zuid-zuid-west waaide.
| |
Close-up: Herijking van de ‘moederlandse’
literatuur: geen applaus voor Carmiggelt en Hermans
De Amsterdamse schrijver Simon Carmiggelt (1913-1987) bezocht in juni
1959 het overzeese gebiedsdeel.37 Samen met Leo Uittenbogaard, hoofdredacteur van Het Parool, maakte hij een reis over de Surinamerivier
naar het binnenland, waarvan Uittenbogaard een verslag maakte voor de
Wereldkroniek dat door De Ware
Tijd in vijf afleveringen werd overgenomen.38 Carmiggelt zelf wijdde in Het Parool enkele van zijn
‘Kronkels’ aan Suriname39, die werden
overgenomen door De Ware Tijd en - misschien
onverwacht - felle reacties losmaakten. In De Ware
Tijd van 29 juli 1959 schreef Carmiggelt over het verschijnsel van
‘bijvrouwen’, over de schoonheid van de vrouwen als
gevolg van het ‘erotisch improviseren’, over het
uiterst gezellige publiek, de onbelemmerde vrolijkheid met
‘Musik in Bauch’, de lichtheid van het bestaan en
over
al die mooie naïeve mensen die met de volgende
advertentie naar een doodgewone Amerikaanse film gelokt worden:
‘De directie van Bellevue maakt hierbij officieel bekend dat
zij onder geen voorwaarde enige verantwoordelijkheid kan aanvaarden voor
hartaanvallen, bezwijmingen, stuipaanvallen of schade aan bloedvaten of
het zenuwsysteem voor de bezoekers van dit weekeinde aan
Bellevue.’
| | | |
In de editie van 1 augustus 1959 reageerde iemand onder de evidente
schuilnaam K. Nots met een stukje, getiteld ‘Onder de
Loupe’. Hij ageert daarin tegen het
‘kronkelbrein’ van Simon
Carmiggelt en de ongelukkige greep van degenen die hem hier
naar toe brachten of stuurden. Carmiggelt is kennelijk zeer slecht op de
hoogte van Surinaamse aangelegenheden, meent de scribent, en grossiert
in vooroordelen:
Alle Surinamers hebben een of meer bijvrouwen. Het Surinaamse
volk kent geen sexuele beperkingen. Surinamers zijn verslaafd aan muziek
en liever lui dan moe. Suriname is een stukje ‘vervaalde
pracht’, ouderwets, bouwvallig, en heeft alleen oude huizen
met pittoreske pilaartjes ervoor.
Daarmee was de storm nog niet gaan liggen. In de rubriek
‘Vandaag’ werd twee dagen later ingegaan op de
verontwaardiging die Carmiggelts columns in Suriname hebben
opgeroepen.40 Die stukjes hebben een humoristische
inslag, maar dan nog: het zijn halve waarheden die naar de mensen worden
gebracht en die blijven hangen. Daarbij komt dat er in Nederland weinig
wordt gedaan om Suriname bekendheid te doen krijgen.
‘Officiële instanties in Nederland weten soms niet
eens op welke breedte van Zuid-Amerika zij Suriname moeten
zoeken’ en ‘Een andere funeste indruk over Suriname
in Nederland is dat dit land bewoond wordt door een groepje zwartjes die
voor het leeuwendeel nog in de bomen leven. [...] Vooral van hem
[Carmiggelt] zou verwacht kunnen worden dat hij de diepgang van zijn
artikelen kan peilen.’
Willem Frederik Hermans (1921-1995) bezocht in
januari 1969 Suriname en de Nederlandse Antillen en gaf nog hetzelfde
jaar zijn reisverslag De laatste resten tropisch
Nederland het levenslicht, eerst in het tijdschrift Avenue (juli-augustus), vervolgens in boekvorm.41 Voor zijn doen is Hermans
uitermate mild; hier spreekt de Hermans ‘ver van de boze
wereld en haar opwinding’ zoals hij het zelf formuleert (100).
Om deze reden, en ook omdat het om een reisverslag gaat, neemt het boek
in zijn oeuvre een uitzonderingspositie in.42 Hermans is
spits in zijn formuleringen (‘Het verkeer houdt links, maar
doordat er overwegend slordig wordt gereden, moet je het weten om het te
kunnen zien.’ - p. 17), maar hij bijt nergens echt venijnig
dóór. ‘Ik zal later bemerken dat zoveel
in Suriname mij op den duur vertedert,’ stelt hij al op pagina
15 en later voelt hij zich zelfs gelukkig. De enige grauwen die hij
uitdeelt, gaan richting organiserend ambtenarenapparaat: de Nederlandse
Sticusa. Verder is er niets in staat Willem Frederik werkelijk uit zijn
tent te lokken. ‘Wat er ook gebeuren mag’, stelt hij
vast op pagina 67, ‘Suriname is een land om veel van te
houden, dat vind ik nog steeds.’ Ook in het hoofdstuk over de
Surinaamse schrijvers beperkt hij zich tot het registreren van hun
opvattingen; hij constateert dat zijn waardering voor Leo Ferriers roman
Atman gedeeld wordt door de Surinaamse schrijvers
(hij noemt Doelwijt, Shrinivási, Dobru, Slagveer, Wols,
Verlooghen).
Blijft het gebruikelijke cynisme waarmee Hermans mens en wereld bekijkt,
achterwege, zijn conclusie luidt wel dat er geen enkel nut of genoegen
in zit dat Nederland met Suriname en de Antillen in
één koninkrijk verenigd is, behalve voor de
enkelingen die de rijksdelen kunnen bezoeken. Sceptisch commentaar laat
hij verder over aan sprekend ingevoerde Surinamers. Niettemin zorgde
Hermans' boek voor opschudding. R. Dobru, vlaggendrager van de
nationalisten onder de schrijvers, zocht de nuance niet:
Wat een negativist is dat. Je had de perskommentaren hier
moeten lezen, man. Ze hebben de vloer met 'm aangeveegd. Je weet dat hij
gestuurd was door Sticusa | | | | (Nederlandse Stichting voor
Culturele Samenwerking met Suriname en de Nederlandse Antillen). Laat ze
een jonge vent sturen zoals Harry Mulisch maar geen ouwe zoutzak. Er is
hier een schrijversgroep in ontwikkeling en we hebben echt wel behoefte
aan mensen van buiten, desnoods Nederlanders, maar die Hermans heeft de
boel verziekt.43
Dat Mulisch maar zes jaar jonger was dan
Hermans, ontging Dobru vermoedelijk, of werd minstens gecompenseerd door
het gedeelde enthousiasme over Cuba. Rudi
Kross meende dat
De laatste resten tropisch Nederland
bijzonder waardeloos is als poging om een literaire reportage
te schrijven over iets dat door de schrijver gezien en ervaren is. Als
Hermans onder de douche van zijn pension in Paramaribo staat, ergert hij
zich tot zwetens toe over de schrielheid van het waterstraaltje - in
plaats van zich erover te verbazen dat die douche er is, en nog water
geeft ook. Die dingen komen alleen voor in beschavingen die zich aan hun
geboortemoment hebben ontworsteld, en dat is toch wel het laatste wat
men over Suriname zou kunnen zeggen.44
In een kort essay in De Groene Amsterdammer beschreef
Anil Ramdas hoe er in Suriname tegen
Hermans' reisverslag werd aangekeken:
Een van de mildste reacties in Suriname op De
laatste resten tropisch Nederland (1969) was dat het beter was
voor de gezondheid van Willem Frederik Hermans dat hij voorlopig niet
naar Paramaribo kwam. En dat stond dan in de krant voor Surinaamse
zendelingen!
Nog een citaat:
De laatste resten werd niet vaak uitgeleend,
bleek uit de bibliotheekstempels, het zag er nog nieuw uit, terwijl alle
andere boeken van Hermans beduimeld waren. (Hermans is in Suriname
altijd de populairste geweest van de ‘grote drie’.
Met Reve had men niets omdat hij homo was, en met Mulisch had men al
helemaal niets omdat niemand in de tropen iets van die man
begrijpt.)45
Een passage als de volgende uit Reve's De taal der
liefde (1972) zal in ieder geval niet in goede Surinaamse aarde
gevallen zijn:
Nu moeten we nog van die Surinaamse en Curaçaose
Antilliaanse troep af. Ik ben er erg voor, dat die
prachtvolken zo gauw mogelijk geheel onafhankelijk worden, en ons niks
meer kosten, zodat we ze allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen
op de tjoeki tjoeki stoomboot kunnen zetten, enkele reis Takki Takki
Oerwoud, meneer! (71)
En de opvatting van Harry Mulisch dat derde wereld-literatuur
derderangsliteratuur is, want ‘het licht doet het daar toch
ook nooit?’46, zal de handen in
Suriname ook niet op elkaar hebben gekregen.
Anil Ramdas las De laatste resten tropisch Nederland
als scholier en ‘Wat ik er onmiddellijk van leerde was hoe je
naar hetzelfde met andere ogen kunt kijken.’ Maar als hij het
boek in 1993 herleest ziet hij toch ook hoe Hermans worstelt met the white man's burden en niet de moed heeft kritiek
en commentaar te uiten. Hij vergelijkt het boek met The
middle passage (1962) van V.S. Naipaul (waarvan het vierde
hoofdstuk | | | | over Suriname gaat) en vindt dat W.F. Hermans
het niet haalt bij de auteur van Trinidad. Waarom De
laatste resten tropisch Nederland in Suriname veel commotie
veroorzaakte? Hermans zei ware dingen die men niet plezierig vond. Maar
volgens Ramdas maakte één enkele zin de Surinamers
kwaad, deze over ex-minister, directeur Algemene Zaken en prozaschrijver
Coen Ooft: ‘Ooft zit met z'n
handen onder de rokken van de beeldschone Chinese.’ (81)
Mensen met naam en toenaam in het openbaar noemen is in Paramaribo en
wijde omgeving een flagrante schending van een ongeschreven code.
[Zie over herijking van de Nederlandse literatuur ook § 10.4.]
In 1957 werd binnen Suriname vooral in de groep rond Wie Eegie Sanie
gedebatteerd over een nieuwe koers voor Suriname. Onder leiding van de
onbetwiste voorman Eddy Bruma kwamen mensen
als R. Dobru, Hugo
Overman, Julius Defares, Guillaume Pool, Kwame
Dandillo en anderen op maandagavonden bijeen om zowel vooruit
te kijken naar een Suriname zonder knellende neokoloniale banden, als
achterom te zien naar de culturele bagage uit de eigen historie die
hoognodig aan herwaardering toe was: verhalen, liedjes, mythen - eerst
en vooral in het Sranantongo. Hoewel een overwegend creools gezelschap,
trachtte Wie Eegie Sanie principieel nationaal te werken: zo
organiseerde de groep een alfabetiseringscampagne in de javaanse
nederzetting Koewarasan.
Van 1 tot 8 juli 1957 organiseerde Wie Eegie Sanie bij gelegenheid van
haar eerste lustrum een cultureel congres in Paramaribo. Gedelegeerden
van twee organisaties met vergelijkbare doelstellingen als die van Wie
Eegie Sanie waren uitgenodigd: de Friese beweging rond het tijdschrift
De Tsjerne en de Starlights uit Brits-Guyana,47 maar die gaven geen van
beide acte de présence. Op de openingsdag hield Eddy Bruma
een toespraak, waarin hij ervoor pleitte ‘de Surinaamse
taal’ naar een academisch niveau te tillen. De culturele
uitwisseling met Nederland had alleen maar
‘horizontaal’ plaatsgevonden, zei Bruma, van een
uitwisseling van hogere en lagere culturen was nooit sprake geweest. Hij
wees er voorts op dat Wie Eegie Sanie het culturele zwaartepunt bij de
creolentaal legt, omdat die uniek is in de wereld en geheel gevormd in
Suriname. Hij deelde mee dat een Surinaamse vertaling van Jacques
Roumains Dauwdruppels op Haïti in druk was,
en dat er Afrikaanse sprookjes en volksvertellingen vertaald werden (van
geen van beide projecten werd later nog iets vernomen).48
Op 2 juli was er een parade waarin bevolkingsgroepen zich met muziek,
zang en dans presenteerden. Twee dagen later werd in Thalia een Bonte
Avond gegeven waarop onder meer Bruma's ballade ‘Boni
doro’ door Guillaume Pool werd voorgedragen.49
Het tweede congres van Wie Eegie Sanie vond plaats van 15 tot 23 februari
1960 op Curaçao. Inzet van debat waren de culturele
verhoudingen tussen de koninkrijksdelen onderling en de koninkrijksdelen
met hun buurlanden. De Surinaamse regering werd in enkele resoluties
aangespoord de ‘bestudering, uitwisseling en veredeling van de
Surinaamse Cultuur in ruime mate te
subsidiëren’.50 Culturele missies uit Ghana, Pakistan,
India, Indonesië en Haïti zouden worden
uitgenodigd voor een bezoek aan Suriname, maar ook | | | | van die
mooie voornemens zou niets komen.
Een nieuwe kern van culturele activiteit in de geest van Wie Eegie Sanie
was het Comité Vrijheidsmonument Boni - onder voorzitterschap
van R. Raveles - dat ijverde voor een monument voor enkele
marronleiders.51 Uiteindelijk zou,
nadat dit comité al ontbonden was, in 1963 een
vrijheidsmonument van Kwakoe worden gemaakt door Jozef Klas, een
leerling van Nola Hatterman.
Een andere gistketel van volkscultuur was de buurtvereniging Wie Na Wie
[letterlijk: Wij zijn wij], opgericht op 1 september 1959 door onder
meer Jozef W. [Sep] Tam en Emilio Meinzak. Zij stelde zich ten doel
‘om ontspanning te verschaffen aan hare leden zoals recreatie,
filmvoorstelling, dansen als ook culturele opleidingen.’52 De vereniging zorgde
voor een bibliotheek en leeszaal en telde bij haar tienjarig bestaan
maar liefst 1350 leden.53 Later gaf de vereniging
poëzie uit van Kwakoe Montri.
Creoolse jongeren vonden elkaar in de discussiegroep Kra, opgericht in
januari 1959. Zij hadden de naam ‘Kra’ (Ziel)
gekozen omdat zij enkel jongeren wilden toelaten die bezield waren met
het elan om de Surinaamse natie vorm te geven. Eens per week vond een
discussieavond plaats, Kra verzorgde een radiorubriek en organiseerde
Bonte Avonden met muziek, klederdrachten, dans en literaire
voordrachten. In 1959 en 1960 belegde de groep studieconferenties,
waarbij samenwerking werd gezocht met andere jongerenorganisaties als
Spes Patriae en de rooms-katholieke Brutusclub.
Op 3 juni 1960 organiseerde de groep een ‘avond met het accent
op de neger’ in Thalia. Otto
Sterman trad op, Emanuel van Gonter
bracht het drumgedicht ‘Ojeje-Ajoemba’ van Hugo Pos, André
Conrad droeg poëzie voor van onder meer Trefossa, maar het klapstuk van de avond was de
opvoering van Lobie na bun datra, een toneelbewerking
van Albert Helman van L'amour
médecin van Molière, gespeeld door een
groep Kweekschool-leerlingen onder regie van Eva [Essed-]Fruin. De
opbrengst van de avond was bestemd voor een borstbeeld van Sophie Redmond.54
Kra bouwde na 1960 zijn activiteiten langzaam af. Het politieke
gedachtegoed van de groep vond zijn bedding eerst in de Nationalistische
Beweging Suriname en vervolgens in de Partij van de Nationalistische
Republiek. Verschillende schrijvers - R.
Dobru, Kwame Dandillo, Ané Doorson, Benny Ooft, Ewald Sluisdom -
konden aan het einde van de jaren '50 en begin jaren '60 worden
aangetroffen in kringen van Kra, NBS en PNR.55
| |
Close-up: Drie nationalistische geschriften
Drie geschriften geven een beeld van de nationalistische ideologie van
deze jaren: Het vraagstuk van Surinames kulturele
welvaart (1962) van Corly Verlooghen,
De opmars van het nationalisme (1963) van Eddy
Bruma en Wan monki fri [Een stukje bevrijding] | | | | (1969) van R. Dobru.
De brochure van Verlooghen is een journalistieke documentaire over het
‘kultureel konflikt’, waarmee hij bedoelde de
‘raciale controverse, die de opmars naar nationale welvaart op
z'n minst vertraagt’. Verlooghen schetst de opkomst van
verschillende nationalistische organisaties onder de creolen, het
antwoord daarop van de hindostaanse jongeren en de instituties die de
culturele oriëntatie op Nederland bevorderen. Hij besteedt
een paragraaf aan de massacommunicatiemiddelen die volgens hem alle
‘Creools bezit’ zijn, interviewt twee voormannen van
het culturele leven, geeft een kort overzicht van Surinaamse
kunstenaars, laat twee architecten aan het woord en wijdt vervolgens nog
beschouwingen aan de politieke cultuur en de ‘culturele
welvaart’ waarbij hij vooral Surinames geïsoleerde
positie in de regio belicht.56
In zijn eerste paragraaf had Verlooghen al opgemerkt ‘dat de
polemische hoedanigheid van dit geschrift de schrijver hoegenaamd niet
ontgaat’. Zeker zal er vanuit kringen van de creoolse
nationalisten met argusogen naar zijn gekeken. De verschijning van het
boekje moet namelijk gezien worden tegen de achtergrond van de felle
discussie die was losgebarsten over de vraag wie er zitting moesten
nemen in de Adviesraad voor Culturele Samenwerking, beschreven in het
vorige deel. Verlooghen had het verzet van Wie Eegie Sanie tegen de
Adviesraad aangeklaagd als getuigend van ‘opportunistisch,
weinig planmatig inzicht in het verloop van de akties en dus van de
kulturele processen’57 en had vooral
venijnig commentaar geleverd op een letterkundige avond van Bruma's
groep:
Elk streven om de jonge Surinaamse letterkunde in wijder kring
gehoor te doen vinden, kan bijdragen tot de kulturele bewustwording van
het Surinaamse volk. Maar wanneer dit streven gekenmerkt wordt door en
uitgaat van de veronderstelde suprematie van de Creoolse kultuur, is hij
eenzijdig en verwerpelijk, niet alleen omdat er in Suriname ook andere
mensen wonen dan Creolen, maar ook omdat een zo universele en boven
partijen staande materie als de kunst nimmer als funktionele propaganda
voor een ideologie kan worden gebezigd zonder de indruk te vestigen van
diskriminatie. De kulturele organisatie Wie Eegi[e] Sanie heeft
zaterdagavond toch de prestatie kunnen leveren kunst als
nationalistisch-politieke propaganda naar voren te schuiven...58
Conferencier van de avond was Eddy Bruma die
werk aankondigde van zichzelf, Trefossa,
Hein Eersel, Michaël Slory, Marcel de
Bruin en Rudi de Bruin. Werk van
literatoren als Coen Ooft en Corly Verlooghen werd vermeden, merkte
laatstgenoemde op. Verlooghen deed een oproep tot bundeling van
krachten. Er is geen enkele Surinamer, meende hij ‘die zijn
artistieke prestaties niet in dienst wil stellen van een
gemeenschappelijke kultuurpolitiek. Door de provocatieve houding van de
nationalisten ten aanzien van de Creoolse macht [...] verspelen zij de
kansen voor de oprichting van een Surinaamse Penclub.’
De opmars van het nationalisme verscheen als anonieme
brochure; de auteur was Eddy Bruma. De tekst is eerst en vooral een
politiek manifest dat het Surinaamse nationalisme in zijn historische
context wil plaatsen. Bruma ziet vooral op cultureel gebied een
belangrijke rol voor het nationalisme weggelegd. Tegenover de door het
kolonialisme gepropageerde superioriteit van de westerse cultuur, wil
het nationalisme de | | | | mens respect voor zijn eigen cultuur
bijbrengen. Het besef dat die eigen cultuur gelijkwaardig is aan de
cultuur van de koloniale overheerser is de mentale bevrijding die
voorafgaat aan staatkundige vrijwording.59
Dobru's Wan monki fri: bevrijding en strijd is
goeddeels het autobiografische relaas van een man die het gedachtegoed
van Bruma tot het zijne heeft gemaakt, en vanuit die optiek de
maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren '50 en '60 beschrijft.
Anders dan Verlooghen en Bruma doet Dobru dat vanuit een strikt
persoonlijk standpunt. Hoewel het boekje in bepaalde passages trekken
krijgt van een politiek manifest en ook eindigt met politieke
aanbevelingen, is het met name door de meer verhalende passages zonder
twijfel het meest ‘literaire’ van de drie hier
vermelde brochures. In aansprekende anekdotes vertelt Dobru over de
miskenning van de negercultuur in zijn jeugdjaren en zijn eigen
ontwaken, over politieke scholing en de strijd die gevoerd werd in de
nationalistische organisaties.
Hoewel de cultuurstrijd van Wie Eegie Sanie, NBS en PNR eerst en vooral
een nationale strijd was, werd er ook onder Surinamers
met meer dan gemiddelde interesse gekeken naar wat er buiten de eigen
regio gebeurde. De onafhankelijkheidsgedachte die onder Surinamers in
Nederland vooral leefde bij de vereniging Ons Suriname, werd volgens
Rudi Kross, geuit ‘onder voortdurende, vaak dwepende
verwijzing naar “de historische bevrijdingsstrijd in de Derde
Wereld”, het revolutionaire marxisme, internationale
solidariteit - kortom naar de denkstromingen die in die jaren de
boventoon voerden.’60 In 1960 namen Otto Huiswoud, zijn vrouw H.A. Dumont en Frits
Moll namens Ons Suriname deel aan het tweede congres van The Society of
African Culture in Rome.61 De bijeenkomst, gefinancierd vanuit bronnen binnen de
Amerikaanse Black Movement, legde de afstand bloot die de Amerikaanse
negerbeweging scheidde van de francofone beweging voor antikoloniale
strijd in Afrika; verschillende van de latere Afrikaanse leiders waren
in Rome aanwezig, zoals de Angolees José Eduardo dos Santos.
De dekolonisatiegolf, die na de Tweede Wereldoorlog was begonnen in
Azië (India, Pakistan, Indonesië), trok eind jaren
'50 en begin jaren '60 door het Afrikaanse continent.62 Die wereldwijd
bejubelde ontvoogding ging niet ongemerkt aan Suriname voorbij. Het
waren vooral de charismatische Afrikaanse leiders van het eerste uur
waarvoor de dichters hun uitroeptekens uit de kast haalden: Kwame
Nkroemah, Kasavoeboe en Loemoemba, Nyerere, Senghor, Ferhat Abbas en
Jomo Kenyatta. Het neerschieten van 69 zwarte Zuid-Afrikaners tijdens
een vreedzame betoging op 21 maart 1960 in Sharpeville, deed een
schokgolf door de wereld gaan, waarvan de trillingen ook in Suriname
voelbaar waren.63 De strijd in Afrika inspireerde Julius Defares,
Michaël Slory, Eugène Rellum, Jozef Slagveer, R.
Dobru en Kwame Dandillo, al zorgde de moord op Loemoemba voor een eerste
ontnuchteringsmoment onder de euforische bewonderaars van zwart Afrika.
Wie Eegie Sanie en de Nationalistische Beweging Suriname organiseerden
een herdenking in Bellevue, waar Eddy Bruma hem als bevrijder van zijn
volk gelijkstelde aan Mahatma | | | | Gandhi.64
Tegen 1960 nam in Suriname ook de belangstelling voor de Amerikaanse
negerbeweging toe. Toen bij rassenonlusten in Little Rock (Arkansas, VS)
in 1957-58, de federale troepen het vuur openden en er vele doden
vielen, riep dat grote afschuw op. Hugo Pos inspireerde het tot zijn
hoorspel Black and White (zie § 9.5). De
grote protestdemonstraties van de Amerikaanse negers hielden aan. Op 28
augustus 1963 liepen honderdduizenden in de grote mars naar Washington
om rassengelijkheid op te eisen, met Martin Luther King aan kop van de
stoet. De Ware Tijd nam strijdbare verzen op van Johan
Pont als ‘Ik haat u niet’ tegen de Yankees die de
rassenhaat propageerden en ‘Geen tijd voor lijdelijk verzet;
voor de kleurlingen (negers) waar ook ter wereld in het bijzonder het
Zuiden van de Verenigde Staten en Zuid-Afrika’.65 Louis Burleson
en Leo Ferrier bezochten in 1969 het Pan-Afrikaans Kultureel Festival in
Algiers en deden er uitgebreid verslag over in de Surinaamse media.66 Burleson publiceerde
in het dagblad Suriname een groot, vierdelig interview
met Stokely Carmichael, de voorman van Black Power.67 Aan het begin van de jaren '70 begonnen twee
jonge regisseurs die bevlogen waren geraakt van het Black Movement
Theatre, Franklin Lafour en Henk Tjon, hun werkzaamheden in Suriname
(zie § 7.3.1).
Journalist Cyrill Karg bezocht in 1970 The Congress of African People in
Georgia en wilde een vergelijkbare Black Power-beweging in Suriname
opzetten onder de naam Afro Sranang. Hij noemde zich een tijdje
Aboebaekarimi, afgeleid van het Sranan: De huid roept mij. Karg wilde de
zwarte man bevrijden van zijn blanke opvoeding. De Ware
Tijd schreef daarover: ‘Met de ons niet bekende
Republic of New Africa is de heer Karg een
“coalitie” aangegaan voor sociaal-culturele en
politieke steun. Indien geen andere weg open blijft om het gestelde doel
te bereiken, schuwt Afro Sranang geweld niet.’68 De krant waarschuwde
dat de strijd in de Verenigde Staten niet vergelijkbaar was met die in
Suriname, en scheen daarin gelijk te hebben: de voedingsbodem voor Afro
Sranang was niet van dien aard, dat de beweging van enige betekenis
werd, en zo verging het ook andere soortgelijke ondernemingen van Karg.
Een ander initiatief nam George Günther rond dezelfde tijd met
Krikomaka (Krioro kon makandra, Creolen komen samen), een
‘beweging’ die beoogde de creolen tot een
eenheidsgroepering te brengen. Krikomaka werd bestreden door Robin
Raveles die onder invloed van marxistische denkbeelden meende dat het
beter was te komen tot een klasse-eenheid, een bundeling van jonge
progressieven.69 Dat het juist de dichter van het
Surinaamse eenheidsbeleven was, die tegen de Krikomaka-gedachte inging,
laat zich | | | | verklaren uit het feit dat Günther
vroeger Eddy Bruma, de Godfather van Raveles, had verweten uit te zijn
op een ‘fascistische dictatuur’.70 Uiteindelijk bleek Krikomaka niet meer te zijn
dan een motregentje in een land dat gewend is aan tropische slagregens.
Wie Eegie Sanie had zijn hindostaanse tegenhanger gevonden in Hindustani
Nauyuwak Sabha, maar de aanhang en invloed van deze vereniging liep na
1960 snel terug.71 In 1958 richtten hindostaanse
jongeren de studiegroep Barhantie (Vooruitgang) op, als tegenhanger van
Kra.72 Binnen
Kra ventileerde André Haakmat de mening dat de hindostanen de
‘koloniale gesel’ niet gevoeld hadden en daarom ook
geen nationalist konden genoemd worden zoals de creolen, en Hein Eersel
sprak van het ‘hindostanisme’ dat hij als een
separatistische bedreiging zag voor de eenwording van Suriname.73 De hindostaanse
jongeren dachten daar anders over: zij waren met behoud van hun eigen
cultuurgoed evenzeer volwaardige Surinamers en propageerden het door
J.H. Adhin op schrift gestelde principe van de ‘eenheid in
verscheidenheid’. De stelling over het Sarnami die deze opnam
in zijn proefschrift van 1961, gaf een indicatie voor het groeiende
zelfbewustzijn van de hindostanen als Surinaamse ingezetenen en toonde
in haar antagonistische formulering ook een duidelijke afwijzing van de
creoolse claim op het alleenrecht zich Surinamer te noemen. Stelling xv:
Het in Suriname gesproken Hindostaans (Sarnāmī
Hindustānī) is op dezelfde gronden een
Surinaamse taal als het Creools (het z.g. Neger-Engels). Het verdient
dan ook aanbeveling het Creools niet te beschouwen als hét
Surinaams, daar een eventuele taalstrijd licht zou kunnen leiden tot
allerlei ongewenste verwikkelingen in de potentiële
ontbindingsverschijnselen vertonende segmentarische maatschappij van
Suriname.
Stelling xviii voegde daaraan toe:
Een agressieve cultuurpolitiek van welke groep dan ook moet als
hoogst schadelijk voor de kwetsbare samenleving van Suriname worden
afgewezen. Met de Nederlandse taal en cultuur als bindmiddel dienen de
diverse Surinaamse culturen het eigene tot ontplooiing te brengen en
daarbij een open oog voor het andere te hebben.74
Aan een studiegroep als Barhantie was blijkbaar wel behoefte, want de
Nederlandse hoogleraar J.H. Bavinck die op
verzoek van Barhantie een studie schreef over de hindostanen,
concludeerde dat het culturele erfgoed van de hindostanen zich in een
ernstige crisis bevond, vooral onder de jeugd: ‘Verschillende
malen bleek mij, dat de jongeren slechts uitermate weinig belangstelling
bezitten voor de literaire, artistieke en religieuze produkten van
India. Ook hun kennis van het Hindi is niet zelden slechts zeer
gebrekkig.’75 In hoeverre hierin een indicatie kan worden gevonden dat
de jongeren zich niet langer op India maar op hun eigen land richtten,
is niet helemaal duidelijk. Aan India lag het niet. All India Radio
bleef een veelbeluisterde zender.76 Na Indonesië was India het tweede land met een
| | | | cultureel attaché in Suriname: Mahatam
Singh, die al naar Trinidad en Guyana was uitgezonden door de
‘Indian Council for Cultural Relations’ (een
instelling vergelijkbaar met de Sticusa) kwam in 1960 naar
Suriname.77 Hij opende een kantoortje, liet
dansgroepen overkomen, was actief op theatergebied (zie §
9.4.3) en bij de bevordering van de hindoecultuur, zorgde voor
scheepsladingen boeken en organiseerde exposities.78 Sommige creolen zagen zijn
activiteiten met lede ogen aan en waarschuwden dat hij ertoe bijdroeg de
hindostanen ‘steeds meer afhankelijk te maken van het Indische
moederland’.79
Barhantie organiseerde bijeenkomsten en lezingen ter bestudering van met
name de hindostaanse sociaal-economische en historisch-culturele
positie. In samenwerking met de vrouwenorganisatie ‘Amar
Jotie’ (Onsterfelijk licht) werd op 2 oktober 1961 de 92ste
geboortedag van Gandhi herdacht. Het belangrijkst programmaonderdeel was
het gedicht Een Requiem voor Gandhi van
Henriëtte Roland Holst.80 Op 2 oktober 1967, de 99ste geboortedag
van Mahatma Gandhi, werd het Hindoe Cultureel Centrum (Hindoe Sanskritik
Kendre Sabha) geopend. Hoofddoel van het centrum was de bevordering en
verspreiding van de hindoecultuur, waartoe drie afdelingen werden
opgericht: het Mahatma Gandhi Instituut (Mahatma Gandhi Sabha) dat de
leerstellingen van Gandhi wilde uitdragen, het Hindi Instituut Suriname
(Hindi Vidyalay Suriname) dat het gebruik van het Hindi wilde propageren
en de School voor Hindostaanse muziek (Hindustani Sangit Vidyalay).81 In
de loop van de volgende jaren ontwikkelde zich een heel netwerk van
hindostaanse sociaal-culturele verenigingen die veelal over een eigen
centrum beschikten en die met regelmaat culturele manifestaties met
zang, dans en toneel organiseerden.82 Maar liefst
24 verenigingen sloten zich in 1970 aaneen in de Culturele Unie Suriname
die in het bijzonder de hindostaanse cultuur wilde bevorderen, wat eerst
en vooral betekende: conserveren.83 Progressiever geluiden
waren er soms te horen bij de jongerenvereniging Nauyuga.
De javanen werden zich langzaam bewust van hun eigen oorsprong in de
cultuur van Java en er kwam een tegenbeweging tegen de
oriëntatie op Indonesië, des te sterker nadat
Soekarno in 1965 van het politieke toneel verdween. Een kleine groep van
intellectuelen, georganiseerd in vereniging De Pionier, nam het voortouw
bij de heroriëntatie. Het Indonesisch consulaat probeerde de
band van de javanen met Indonesië vitaal te houden door
middel van seminars, filmvoorstellingen, radio-uitzendingen via radio
Apsara, de verspreiding van een maandelijks blad en het organiseren van
feestelijkheden bij Indonesische hoogtijdagen. In 1967 werd het
handelsimportbedrijf Surindo opgericht, dat zich | | | |
specialiseerde in de import van Indonesische producten als houtsnijwerk,
batik, films en specerijen.
In belangrijke mate bleef de javaanse groep nog een in zichzelf besloten
bevolkingsgroep. Van 1957 tot 1970 zijn er nauwelijks vermeldingen in de
Surinaamse kranten dat de javanen in de hoofdstad optraden, anders dan
binnen het verband van brede nationale manifestaties waar alle
bevolkingsgroepen zich presenteerden. Dit feit bewijst vooral dat de
javanen geen behoefte gevoelden aan publiciteit in de landelijke
dagbladen, niet dat ze weinig actief zouden zijn. Hun culturele leven
speelde zich voornamelijk af in de districten, waar sociaal-culturele
verenigingen Indramaju en Krido Suworo - beide in 1958 opgericht - en de
vereniging voor jonge intellectuelen Ikatan Pemuda Indonesia van 1965,
Pasar Malams organiseerden. Bij die gelegenheden werden voordrachten
gegeven, kon krontyong-muziek worden gehoord en werden
vormen van toneel en dans beoefend waaronder de wayang
en de paardendans, jaran kepang.
Als Naks in 1970 een prijsvraag uitschrijft voor een
toneelstuk ‘in het negerengels, nederlands, hindoestaans of
javaans’ gaan de enige prijzen naar werk in het Nederlands en
Sranan.84
Teken van een veranderende tijd was wel dat er in 1972 een javaanse
groep meeging naar het festival Carifesta.85
Twee jaar later komt de eerste dichtbundel uit van een javaan: Megar, de
schrijversnaam van F.K. Martodihardjo (zie
§ 10.1.4).
De chinezen bleven nationaal zo mogelijk nog sterker naar binnen gekeerd
en onderhielden altijd stevige banden met nationalistisch of
communistisch China. Hun verenigingen, Kong Ngie Tong Sang, Chung Fa
Foei Kon, Kuo Min Tang en voor de jongeren Tsang Ngen Foei86, waren goed georganiseerd, beschikten over eigen
ruimtes voor samenkomsten en eigen kranten en zetten hun eigen culturele
activiteiten op, waaronder lessen in de Nederlandse taal, muziek, dans
en kunstexposities. Op 5 september 1959 trad het CCS Ballet voor de
verenigingen Kong Ngie Tong Sang en Kon Nien Tong (i.e. Kuo Min Tang)
op; het was de eerste maal dat dit gezelschap exclusief voor
vertegenwoordigers van de chinese gemeenschap danste.87 Maar buiten de nationale
manifestaties waar de chinezen hun drakendans (kilin)
vertoonden, bleef de chinese gemeenschap gesloten. De toenemende
immigratie uit Hong Kong had volgens Paul Tjon Sie Fat tot gevolg dat er
‘een steeds groter verschil [ontstond] tussen de oudere,
gevestigde groep Surinaamse Chinezen en de nieuwkomers, die er vaak de
voorkeur aan gaven om zichzelf te identificeren als Cantonees-sprekers
en dus “modern”, in tegenstelling tot de
plaatselijke en “boerse”
Kejia-sprekers.’88 Volgens hem zijn chinese scholen in Suriname
er niet in geslaagd om een chinese literaire en culturele traditie in
stand te houden of te creëren.
De inheemsen richtten in het midden van de jaren '60 de sociaal-culturele
vereniging Wara Kuma op.89 Eerst tegen het onafhankelijkheidsjaar zou
de graad van organisatie van de inheemsen substantieel toenemen.
De belangstelling voor de bosnegercultuur nam toe met de studies van twee
Nederlandse | | | | wetenschappers die beiden in 1965 met
onderzoeksresultaten naar buiten kwamen: H.U.E. Thoden van Velzen sprak
op 30 juli in het CCS over religie en politiek in de
bosnegermaatschappij90, Silvia de Groot publiceerde op 18 augustus een
groot artikel in De Ware Tijd, ‘Rondom de
Broko-Dé der Aucaners: ceremonie om de geest der overledene
rust te geven’. Beiden zouden kort daarna hun proefschrift
publiceren.91
De gestage aanwas van bosnegers in Paramaribo leidde tot een nieuw
stadsproletariaat. De overheid bekommerde zich nauwelijks om een groep
jongeren die, slecht behuisd en zonder middelen om voortgezet onderwijs
te genieten, zich hadden afgewend van hun traditionele cultuur, maar ook
geen aansluiting vonden bij de stadscreolen.92 In de loop van de jaren '60 begonnen
de bosnegers in de stad zich te organiseren in verenigingen als Gastuv
(Ganse Studenten Vereniging) en Ahala (het Saamaka woord voor een gaffel
om de bananenboom te ondersteunen); Ahala werd in 1970 omgedoopt tot
Dufuni - de naam van een bron bij Ganzee die nooit heette op te drogen.
De vereniging telde veel saamaka onder haar leden, maar behartigde de
belangen van alle bosnegers. Van 1966 tot 1972 gaf zij het eerste
maandblad van bosnegers uit: Buca [Boodschap;
bericht]. Ook de organisatie Akifonga - Strijder - zette zich in voor de
bosnegercultuur in brede zin en begon na het verdwijnen van Buca met de uitgave van Busi Stem [Stem uit
het Binnenland]; in 1974 werd de naam van Busi Stem
veranderd in Siboga [Gids; wegwijzer] met
André Pakosie als hoofdredacteur. Deze drie bladen fungeerden
als de stem van de binnenlandbewoners en stelden sociale wantoestanden
aan de kaak. De Stichting Tembe, een inkoopcoöperatie die
zich bezighield met de promotie van de bosnegerkunst, opende in 1975 in
Paramaribo een winkel met houtsnijwerk en andere nijverheidsproducten
uit het binnenland.93 Studenten bundelden
hun krachten in de Bond van Bosneger Studenten, die zich richtte op de
politieke en culturele bewustwording van de bosnegers. In 1974 werd voor
het eerst de ‘Dag van de Marrons’ ingesteld, om de
strijd van de voorouders te gedenken.
De joodse gemeenschap participeerde volop in het culturele leven van de
hogere klassen. Radio Avros had aan het einde van de
jaren '50 nog een wekelijks ‘Joods kwartiertje’,
waarin bijvoorbeeld op 12 december 1957 het hoorspel Matitjahoe werd uitgezonden94, en in 1965 leverde rabbijn Moshe Amine een
reeks artikelen over joodse feesten aan De Ware
Tijd.95 Maar cultureel gold
voor de joden hetzelfde als voor de libanezen: zij gingen langzaam maar
zeker op in de café au lait van de beter
gesitueerde creolen.
Nog op verschillende andere gebieden nam de organisatiegraad toe. De
vrijmetselaars, nog altijd bijeenkomend in het aloude Concordia, kregen
er vanaf de jaren '60 verschillende loges bij. Maar zo publiek als de
loges in vroeger eeuwen opereerden, zo besloten werkten de nieuwe loges;
aan het openbare culturele leven droegen zij niet meer bij. De
Rozenkruisers - Amorc: Ancient Mystical Order Rosae
Crucis - kregen in het begin van de jaren '60 hun eerste pronaos (klein organisatieverband) aan de Gravenstraat,
groeiden spoedig uit tot | | | | een chapter en
vervolgens tot een loge, die in het begin van de jaren
'80 haar eigen gebouw in Egyptische stijl aan de Rozenbergstraat betrok
(de orde ziet Egypte als de bakermat van de beschaving). De leden hebben
er de beschikking over een bibliotheek met overwegend mystieke
literatuur, van de oudste mystici tot Tolkien. Het aantal Surinaamse
Rozenkruisers wordt op circa 700 geschat. Schrijvers Paul Marlee en
Albert Mungroo zijn Rozenkruiser, maar de Amorc-leden
treden niet als Rozenkruiser naar buiten.
Binnen de regio bleef Suriname een geïsoleerde positie
behouden, ten opzichte van de Latijns-Amerikaanse landen nog sterker dan
tegenover West-Indië, want Spaans en Portugees werden op de
scholen niet onderwezen. Er was een ‘Circulo Latino
Americano’ die bijeenkomsten over Spaanstalige literatuur
organiseerde96, maar van een nauwer aanhalen van de
banden met de Spaanstalige regio was in het geheel geen sprake, zeker
niet tot in april 1969 het Surinaams-Venezolaans Cultureel Centrum
geopend werd. De ingekeerdheid van de Franstalige gebieden en de
‘British insularity’ garandeerden dat daarin van die
kant ook geen verandering zou worden gebracht.97 Dat isolement was des te opmerkelijker daar de
Caraïbische landen bij alle verschillen, toch zoveel
gemeenschappelijks hadden. Over doorbreking van dat isolement werd
overigens wel nagedacht. In twee lezingen die Albert
Helman op Curaçao gaf rond de jaarwisseling
1957-58 ging hij uitvoerig in op de historische, etnische, sociale en
politieke parallellen.98 Helman vroeg zich
af in hoeverre West-Indië een besloten geheel is. De
West-Indiër weet één groot ding: hij
weet wat de vrijheid waard is omdat hij haar gemist heeft, aldus Helman,
en cultuur ontstaat alleen in vrijheid. Er zijn mogelijkheden voor een
West-Indische cultuur, de West-Indiër heeft behoefte aan
uitwisselingsmogelijkheden, maar, zo dreigde het vingertje van Helman,
hij moet een meer progressieve in plaats van traditionele,
materialistische instelling vertonen en hij moet zijn zelfwerkzaamheid
opvoeren. Niet alleen de jongeren moeten omgevormd worden, ook de
ouderen, zodat er geen generatie verloren gaat. Haast achtte Helman in
dezen een slechte raadgever.
Afgezien van de socioloog Harry Hoetink, was een van de weinige kenners
van het Caraïbisch gebied de journalist Johan van de Walle.
In artikelen in de Surinaamse kranten en voor de microfoon van Radio
Nederland Wereldomroep wees hij voortdurend op de gemeenschappelijkheid
van het gebied. In 1962 schreef hij over een rede die dr John Philip
Sherlock, plaatsvervangend rector van de University of the West Indies,
op Jamaica had gehouden voor Radio BBC. Sherlock betoonde zich
optimistisch over de onafhankelijkheid van de landen in het
Caraïbisch gebied, die van elkaar geïsoleerd waren
door historische oorzaken. Hij achtte de vermenging van de Afrikaanse en
Europese bevolkingselementen evident, wat niet wegnam ‘dat
ondanks alle vermenging rassengevoelens een rol spelen’. Dit
illustreerde hij aan de hand van verschillende recente gedichten
waaronder verzen van Derek Walcott. De Caraïbische dichters
bezingen daarnaast ook het eigene, de eigen | | | | schoonheid,
aldus Sherlock. Hij noemde de dichter Telemaque uit Trinidad die vertelt
‘dat er op zijn eiland geen arenden wonen, maar, zegt hij, de
zwarte vogels van ons eiland en de kippen spreken onze dromen uit... Men
maakt de wereld duidelijk, dat Aziaten en Afrikanen, als West
Indiërs, samen kunnen werken en elkaar niet de hersens
inslaan’. Dat ieder eiland het liefst op eigen benen wil
staan, zag Sherlock als een positief element, ‘want eerst als
men onafhankelijk is zal men natuurlijkerwijze tot de gewenste
samenwerking komen’.99
Hij lijkt met deze laatste echo van wat Helman eerder zei, de spijker op
de kop geslagen te hebben: de contacten van Suriname met de regio bleven
zeer beperkt. Auteurs als Helman, Verlooghen, Shrinivási en
vooral Dobru maakten wel tournees door de regio, maar van
geïnstitutionaliseerde schrijverscontacten was tot 1972 geen
sprake.100 Op 25 augustus van dat jaar ging de eerste
Carifesta van start in Georgetown (Guyana), een groot
Caraïbisch festival waaraan 31 landen deelnamen. Voor
Suriname werden onder meer de dichter Dobru, choreograaf Arthur Leuden,
kunstenaar Jules Chin A Foeng, drummer Balli Brashuis en een javaanse
groep afgevaardigd.101 Bij
gelegenheid van het festival verscheen in Guyana de bloemlezing New writing in the Caribbean samengesteld door A.J.
Seymour, waarin werk van Surinaamse auteurs voor het eerst ruim was
vertegenwoordigd in een Caraïbische anthologie.102 Voor de schrijvers betekende Carifesta ook
het begin van intensievere contacten met de regio. Zo bezocht in 1972
George Lamming van Barbados Suriname, in 1973 kwam de Frans-Guyanese
dichter Elie Stephenson naar zijn buurland103 en het jaar daarop de Guyanees Jan Carew,
schrijver van Black Midas.104
Ook de contacten met de Nederlandse Antillen zijn altijd sterk
afhankelijk geweest van persoonlijke initiatieven. De toestroom van
Surinamers naar de olieraffinaderijen op Curaçao en Aruba in
de eerste decennia van de eeuw, kon de kloof tussen de Antilliaanse
gemeenschap en de ‘twaalfde provincie van Nederland’
niet dichten. Ook de sterkere nadruk op het cultureel-eigene van het
naoorlogse Suriname heeft niet direct geleid tot een intensivering van
contacten. Shrinivási, René de Rooy en later Trudi
Guda verbleven jarenlang op het grootste eiland der Nederlandse
Antillen. Dichters deden op tournees de eilanden aan en traden op bij de
Surinaamse vereniging JPF (Helman, Dobru, Verlooghen),
Antilliaanse auteurs als Elis Juliana, Cola Debrot en Stanley
Cras kwamen naar Suriname en Frank Martinus
Arion woonde er geruime tijd, maar culturele samenwerking op
struc- | | | | turele basis is er nooit geweest.105
| |
1.4 Taalpolitiek en onderwijs
Identiteit wordt volgens de taalsocioloog Fishman
bepaald door drie factoren: wat in de traditie van geslacht op geslacht is
doorgegeven, de normgeving door wet en cultuur en tenslotte de attitudes en
houdingen die aan een groep gemeenschappelijk zijn.106 In de
Surinaamse situatie vormen alledrie deze factoren extreem complexe
begrippen, en zeker als het gaat om de taalsituatie. Dat
‘identiteit’ een centrale problematiek is geweest in de
Surinaamse bellettrie is dan ook even voor de hand liggend, als dat
schrijvers altijd geworsteld hebben met taaldilemma's. Die worsteling met de
talen is door Edgar Cairo verwoord:
Het vreemde ik, altijd verwoord, ma' nooit
anders gezegd dan in geschonden talen. Zijn enigste taal nu, is gevoel.107
Een situatie van ‘geschonden talen’ betekende anno 1957
in Suriname dat voor geen van de volkstalen een officiële
spelling was afgekondigd en dat geen van deze talen op de scholen werd
onderwezen. Voor de eigen variant van het Nederlands, het
Surinaams-Nederlands, bestond geen normering en er was nooit een lexicale
inventarisatie van gemaakt. Alles wat taalkundig eigen was aan de Surinamers
was eeuwenlang, althans als het ging om overheidspolitiek en
onderwijsbeleid, met minachting bejegend. De enige meetlat die de
onderwijzer ter beschikking stond was die van het Algemeen Beschaafd
Nederlands. Met het inzicht hoe cruciaal de rol van het onderwijs is in de
vorming van een nationale identiteit en de enpowerment van
de bevolking, is het zonneklaar hoe het onderwijs in Suriname daar lange
tijd geen rol in speelde.108
Naar Nederlands stramien was het onderwijs in sterke mate verzuild. Die
verzuiling is fraai af te lezen aan de Mulo's in de Gravenstraat en hun
leerlingen die zich in de jaren '50 en '60 als literator aandienden. De
Hendrikschool stond bekend als ‘neutraal’; ze bracht
schrijvers voort als Pos, Bos
Verschuur, Redmond, Bruma, Adhin, Ashetu, Emanuels, Dandillo. In de Graaf von Zinzendorfschool galmden
de herrnhutter gezangen en werden Bilderdijk en
de Duitse Romantici er door de Evangelische Broeders ingeheid bij de
pupillen: Trefossa, Doorson, Dobru. Door de Paulusschool
scandeerden fraters door hun sigarenrook heen de katholieke verzen van Gezelle, Schaepman,
Van Duinkerken en Aafjes: De Kom, Helman, Shrinivási, Leefmans, Slory, Verlooghen, Kross, Slagveer, Ooft, Marlee, Venetiaan, Bhai, Wols, Russel, terwijl de nonnen toezicht hielden op de
katholieke | | | | meisjes van de St. Louiseschool, waarvan Bea Vianen een pupil was.109 Uit dit overzichtje blijkt dat vooral van het
frateronderwijs, waarin de humaniora een belangrijke plaats kregen
toebedeeld, invloed uitging op jonge Surinamers om zich als schrijver en
dichter te ontplooien, al was er eerst een Trefossa nodig om te laten zien
dat dat ook kon in een andere taal dan het Nederlands. Het frateronderwijs
op Nederlandse leest heeft sterk zijn invloed doen gelden op beeldvorming en
stijl van de eerste generatie schrijvers, zoals de vroege verzen van De Rooy, Shrinivási en Titjari laten
zien, en evenzo heeft de evangelische vorming in sterke mate de
poëzie van Trefossa meebepaald. Wat verder ook de implicaties
geweest mogen zijn van het confessionele onderwijs dat nog in sterke mate de
erfgenaam van de volle koloniale tijd was, feit is dat de eerste generatie
schrijvers een voortreffelijke taalbeheersing kende en het pleit voor de
ernst waarmee deze generatie haar taak opnam, dat zij die ook opbracht voor
het Sranan.
Rond 1950 waren de scholingsperspectieven uitgebreid met Rechtsschool,
Kweekschool en Ams. Om een dam op te werpen tegen de
invloed van missie en zending, openden hindoes en moslims eigen scholen en
internaten, waar bovenop het gewone lessenpakket Hindi werd gegeven. Dat
neemt niet weg dat Lila Gobardhan-Rambocus over de jaren tot aan de
onafhankelijkheid zó karakteriseert: ‘Èn
door de cultuurpolitiek van de overheid èn door de veel grotere
verbreiding van het onderwijs kan de periode 1948-1975 beschouwd worden als
dé periode waarin het Nederlands een dusdanige plaats heeft
verworven dat deze taal niet meer weg te denken valt uit de Surinaamse
maatschappij.’110
Op de Ams maakten de leerlingen kennis met de modernste
literatuur - toen: de Vijftigers - waarvan de sporen bij verschillende
dichters zeker terug te vinden zijn. Tegelijk raakten sommige Nederlandse
leerkrachten met hun confronterende opstelling tere snaren, met het gevolg
dat creatieve geesten aan het werk togen en lieten zien wat ze konden.111 In de eerste jaren
behaalden verschillende leerlingen het Ams-diploma die
later in de letteren een rol zouden gaan spelen: Michaël Slory,
Ronald Venetiaan, Pim de la Parra en Robin Raveles (Dobru). Laatstgenoemde
en ook Theo Uiterloo roerden zich in de vereniging van studenten van de
Rechtsschool, ‘Labor Omnia Vincit’.
Na de vernieuwingsgolf aan het begin van de jaren '50 brak er een nieuwe tijd
van hervormingen aan in de tweede helft van de jaren '60. In 1966 ging het
Didactisch Instituut van start als avondopleiding, zodat het voortgezet
onderwijs niet langer meer afhankelijk hoefde te blijven van krachten uit
Nederland. Deze instelling, later genoemd het Instituut voor de Opleiding
van Leraren, begon met lo- en mo-a-opleidingen en in 1972 met een programma
mo-b-Nederlands.112 Met de medewerking van gastdocenten uit Nederland
als Garmt Stuiveling, Geert
Koefoed, Enno Endt, Bert Paasman, Wim
Rutgers en na 1975 ook de Antilliaan Frank
Martinus werd een stevige basis gegeven aan het letterkun- | | | | de-onderwijs.113
In oktober 1966 kreeg Suriname een zesjarig lyceum, dat voorbereidde op alle
typen van hoger en voortgezet middelbaar onderwijs. Anil
Ramdas schreef er later over:
Het lyceum stond het hoogst in aanzien. Het was de deftigste
opleiding die je in Suriname kon krijgen, het was eigenlijk een enclave in
Paramaribo, een stukje Holland. De boeken kwamen uit Nederland, de leraren
kwamen uit Nederland (en hun kinderen gingen dus naar de ‘Vrije
School’), je kon er Grieks en Latijn leren en je moest van hogere
komaf zijn of familie in Nederland hebben om er op de juiste wijze gekleed
te gaan.114
Op 1 november 1968 werd de Universiteit van Suriname geopend met een oratie
van prof. Rudolf van Lier, Universiteit en maatschappij in het perspectief der
ontwikkeling.115 De universiteit startte met een juridische faculteit, het jaar
daarop gevolgd door een medische faculteit, vanaf 1975 volgden de
sociaal-economische, natuurtechnische en technische wetenschappen.116 Een letterenfaculteit
kende de universiteit niet; voor letterenstudies kon men alleen aan het IOL
terecht. Drie dagen na de opening van de universiteit werd het eerste
Surinaamse talenpracticum in gebruik gesteld, Audio-Visueel Talen Instituut
geheten. De 700 cursisten die zich inschreven kregen les in Frans en Spaans.
Eerst later werden daar ook de Surinaamse volkstalen onderwezen.117
Het aanvankelijk leesonderwijs kreeg in 1968 een nieuwe methode met Lien en Wim, een reeks die zeven deeltjes zou tellen en
die in een persbericht werd aangekondigd als ‘voor Surinaamse
jongeren een “lees-feest”.’ De eerste oplage
bedroeg circa 10.000 en de methode werd later herhaaldelijk herdrukt.118 Hoewel de boekjes slechts bij zeer hoge uitzondering
in de taal iets karakteristiek Surinaams uitdragen (als in de subtitel van
deel 5: Frijari [Verjaardag]), was het toch vooral door de
tekeningen van Jenny Dalenoord dat de jonge lezers hun eigen werkelijkheid
konden herkennen. In 1971-1973 verscheen een andere methode: Plaatjes voor een praatje van J.H. Adhin en anderen.
Het literatuuronderwijs aan de middelbare scholen was in sterke mate
georiënteerd op Nederland. In het prachtige gedicht
‘Pikinboi kragi’ [Klacht van een kleine jongen] in de
bundel Bonifoto (1971) voerde Michaël Slory een
jongetje ten tonele dat zich erover beklaagt dat ze hem op school alleen
maar over de blanken vertellen; hij besluit naar huis te gaan om te
luisteren hoe zijn oom hem ‘den tori foe Kongodifa/ den kownoe foe
Groenspansi Se’ zal vertellen. Daarmee refereerde Slory aan twee
oude verhaalgenres: de verhalen van Anansi, en de fantastische verhalen over
koningen die onder water wonen en die paarden bezitten die met
één stap de afstand Paramaribo-Coppename kunnen
overbruggen.
Suriname: volk en geschiedenis van J.
Meijer was in 1955 een vernieuwend leesboek | | | | voor
het voortgezet onderwijs geweest119, en Suriname: spiegel
der vaderlandse kooplieden, samengesteld door Ursy Lichtveld en Jan Voorhoeve,
bracht in 1958 veel nauwelijks bekende historische teksten binnen het bereik
van het onderwijs. Daarna verscheen er jarenlang geen enkel boek waarin
ruimte was vrijgemaakt voor de Surinaamse letteren, wat nog niet betekende
dat ze geheel genegeerd werden in het literatuuronderwijs. In 1968
publiceerde frater Anton van Oirschot Letterkundig varia,
voor het literatuuronderwijs aan de RK Mulo-scholen.120 Het is waarschijnlijk het eerste schoolboek waarin
ook een hoofdstuk wordt gewijd aan de ‘Nederlandse letterkunde in
Suriname’. Veel respect voor die literatuur hoeft de leerlingen
blijkbaar niet te worden bijgebracht: de poëzie van J.J.
Mauricius is ‘zielloos’, genootschappen als De
Surinaamsche Lettervrinden zijn ‘van nog minder
betekenis’ en brachten ‘louter kreupele
rijmsels’ voort, ‘Een zeker heer Roos [...] is het lezen
niet waard’ en aan wat daarna kwam ‘kunnen we gevoeglijk
zonder meer voorbij gaan’. De enige die ‘werkelijk
prestaties’ leverde was Albert Helman, een katholiek. Zijn romans
worden relatief uitvoerig behandeld, en ook met kennelijke waardering. Het
wekt weinig verwondering dat de frater bij zijn bespreking van het latere
werk van Helman opmerkt dat het ‘geen jeugdlectuur’ is;
hij hanteert zelfs het woord ‘gevaarlijk’. Andere
Surinaamse schrijvers worden niet genoemd. Voor het literatuuronderwijs op
scholen boven Mulo-niveau was het Nederlandse Literaire kunst, waarvan de eerste druk verscheen in 1955,
tientallen jaren lang het voornaamste instructieboek.
Dichter R. Dobru merkte in 1970 enigszins
chargerend tegenover Sipke van der Land op:
Ik ken hier mensen die manuskripten hebben liggen maar niet durven
te publiceren omdat ze de toon en de vormen van Bilderdijk in hun hoofd
hebben zitten! Dat literatuuronderwijs verandert overigens wel de laatste
jaren. Mijn werk mogen ze nu hier en daar zelfs op de lijst zetten!121
Op de boekenlijsten voor de eindexamens Vwo en Havo was voordien al Caraïbische en
wereldliteratuur toegestaan. De bloemlezing West Indian
Stories (1960), samengesteld door de Jamaicaan Andrew Salkey, werd ook
in het Surinaamse onderwijs gebruikt.122 Met de verschijning van bloemlezingen als Wortoe d'e tan abra in 1970 en Kri, kra!
in 1972 ging ook Surinaams werk behoren tot de literatuur die in de klassen
werd behandeld. Er werd zowaar nu en dan enig door krijtjesstof gedempt
Sranan gehoord.
Vanaf het einde van de jaren '60 deed de invloed van nieuw aangekomen
Nederlanders en teruggekeerde, afgestudeerde Surinamers - gevormd in de
politiek roerige jaren '60 in Europa - zich steeds sterker gelden. Het
onderwijs politiseerde, wat manifest werd met de stakingsacties van 1969.
Met de grote onderwijsacties van 1973 werd de strijd aangebonden voor een
betere kwaliteit van het onderwijs. Toen dat jaar een nieuwe minister van
onderwijs en volksontwikkeling aantrad, R.R. Venetiaan, werden de tijdens
veel vakbondsdebatten ontwikkelde ideeën in praktijk gebracht.
Geschiedenis, aardrijkskunde en het | | | | taal- en rekenonderwijs
werden op Surinaamse leest geschoeid. Na de onafhankelijkheid zou aan de
hand van Unesco-programma's als ‘Education for work’ die
vernieuwing versneld worden doorgezet.
In maart 1958 richtte de Sticusa de Stichting Volkslectuur op met het doel
technische bijstand te verlenen bij het voorbereiden, ontwerpen,
vervaardigen, uitgeven en distribueren van volkslectuur, die de lezers de
weg zou moeten wijzen naar de bibliotheek, naar betere leesgewoonten en
langs die weg naar zelfontwikkeling.123 Onder
‘volkslectuur’ werd leesstof verstaan voor hen die
aanvankelijk leesonderwijs hadden genoten, maar voor wie de kloof naar
‘gewone’ boeken, kranten en tijdschriften nog
onoverbrugbaar was. De Surinaamse overheid zag voor zichzelf een
coördinerende functie weggelegd, omdat er een grote achterstand
was ten opzichte van landen waar de lectuurvoorziening langdurig en
geleidelijk was gegroeid. Directeur werd Lou Lichtveld (Albert Helman) die nog in het oprichtingsjaar kwam met een
woordenlijst Basis Nederlands voor Suriname. In 1960
verscheen een Woordenlijst van het Sranan Tongo met
spellingsregels, in 1963 - J.H. Adhin had
Lichtveld inmiddels opgevolgd - een Ontwerp voor een
geromaniseerde spelling van het Surinaams-Hindostaans. Lichtveld
schreef ook anoniem een hele reeks informatieve boekjes. In de serie Surinames culturele achtergronden verschenen Onze oude banden met Afrika en Mens en leven in
India en in de serie Onze grote voorbeelden boekjes
over George W. Carver, Gandhi en Simon Bolívar. Die boekjes
hebben, volgens Hein Eersel, zelf verbonden aan het Bureau, niet de functie
vervuld die zij moesten vervullen; het bereiken van een groot publiek liep
door een gebrekkige distributie in het honderd.124 Toen Volkslectuur dreigde te worden opgeheven werd het
per 1 december 1964 ondergebracht bij het Taalbureau. Rond 1970 ging het
Bureau Volkslectuur een tweede leven in met het uitgeven van belangwekkende
boeken die wél een groot publiek bereikten, vooral dankzij
verspreiding via de scholen (zie § 3).
Op voorstel van de Adviesraad voor Culturele Samenwerking werd in 1961 door
de Sticusa en de Surinaamse regering de Stichting Taalonderzoek opgericht.
Het stelde een Taalbureau in dat het jaar daarop met zijn werkzaamheden
begon: het moest fungeren als documentatie-, studie- en researchcentrum voor
multilinguale gebieden. Een van de doelstellingen was om de beheersing van
het Nederlands door brede lagen van de bevolking met meer spoed door te
zetten. Het bureau, waarvan drs Hein Eersel de eerste directeur werd,
verrichtte belangrijk werk op het gebied van de Surinaamse talen; eind 1968
beschikte de bibliotheek over 3384 boekwerken waarvan er ongeveer 1000 in
bruikleen waren afgestaan.125
Het Taalbureau organiseerde in 1963 en 1964 het Congres van Taalleraren, waar
verschillende sprekers de Surinaamse taaleigenheden aan de orde stelden.
Henny de Ziel pleitte er voor een normering van wat toen nog de
‘Surinaams-Nederlandse idiotismen’ heette, en hij beriep
zich daarbij op de ‘volle mens die tot zijn recht komt door
intense wissel- | | | | werking met zijn eigen omgeving’.126 Hij sloot daarmee aan bij de
opvatting van de Nederlandse linguïst W.Gs.
Hellinga dat de overheid ernstige sociaal-culturele problemen
creëerde met haar taalbeleid.127 Dat was Hellinga door A.J. Morpurgo, minister van onderwijs
van 1958 tot 1963, niet in dank afgenomen; deze meende dat hij als
voorstander van het Surinaams-Nederlands niet verder bij het taalonderzoek
in Suriname betrokken moest worden.128 Deze oude tegenstelling tussen het
vasthouden aan de standaardnorm en het definiëren van nieuwe
normen die recht doen aan de eigenheid, heeft altijd het taaldebat in
Suriname bepaald. In onderwijskringen en onder literatoren bleef de
discussie over het Surinaams-Nederlands nog lang woeden; het gemis aan
normering maakte velen terughoudend.129 Door gebrek aan personeel en het ontbreken van een
opleiding voor veldonderzoek heeft ook het Taalbureau hieraan weinig kunnen
doen.130
Het taalonderzoek in Suriname resulteerde onder meer in belangrijke studies
van J.J.M. Echteld en Jan
Voorhoeve over het Sranan en van B.J.
Hoff over het Karaïbs. Het Saramakaans vond bestudering
door Voorhoeve en pater Donicie. Het was vooral deze Antoon Donicie (geb. in Vinkeveen, NL,
26 maart 1912, overl. in Naason aan de Marowijne, 9
juni 1968), die als ‘rivierpater’ veel materiaal
verzamelde.131 In 1962 publiceerden
Donicie en Voorhoeve De Saramakaanse woordenschat. Drie
jaar later werd een onderzoek naar het Aukaans verricht door Eersel en
Donicie afgesloten. De bestudering van het Sarnami zou eerst rond de
onafhankelijkheid van de grond komen.
In 1968 begon het Summer Institute of Linguistics zijn werkzaamheden in
Suriname. Na besprekingen met boslanddignitarissen werd een aanvang gemaakt
met de studie van het Karaïbs, Aukaans en Saramakaans.132 Er
werd een begin gemaakt met het vaststellen van de orthografie van deze
talen, waarna er gewerkt werkt aan grammaticale studies en de vervaardiging
van eenvoudig leesmateriaal, veelal met Nederlandse en Engelse vertalingen.
Uiteindelijk doel was het vertalen van het Nieuwe Testament in de
volkstalen. Al spoedig breidde het Summer Institute zijn werkzaamheden uit
tot praktisch alle volkstalen van Suriname; de naam van de organisatie werd
gewijzigd in Instituut voor Taalwetenschap.
| |
1.5. Kunst en vermaak
Het kunstleven en de vermaaksindustrie namen in de jaren 1957-1975 zo'n grote
vlucht, dat zelfs een partiële beschrijving ervan aan hun
veelvormigheid geen recht kan doen. De theaters presenteerden een breed
aanbod en langzamerhand groeide het uitgaansleven zo geweldig uit, dat er
nauwelijks een avond meer voorbijging dat er niet ergens een voorstelling te
zien was: behalve theatervoorstellingen waren er met regelmaat ballet- en
concertuitvoeringen, goochelshows, miss-verkiezingen, gymnastiek- en
bodybuildingdemonstraties en tal van optredens van muziekbands. Emile de la
Fuente zorgde voor optredens van | | | | kwalitatief bijzondere
dansensembles in Theater Star, dat in 1957 was verrezen op de hoek van de
Wagenwegstraat en de Zwartenhovenbrugstraat, de plaats waar sinds 1883 de
persen van de drukkerijen H.B. Heyde en Eben Haëzer hadden
gedraaid.133
Indiase dansgroepen deden Suriname aan en de Sticusa zorgde voor een gestage
stroom optredens van Nederlandse artiesten van Frans Brüggen tot
en met het Nederlands Dans Theater.134 Meer dan een aantal grote lijnen aangeven en
bijzondere gebeurtenissen eruit lichten, is hier niet mogelijk.
Film werd voor de grote massa het voornaamste vermaaksgebeuren. In het
stadscentrum van Paramaribo golden de theaters Bellevue, Tower, Luxor en
Star als de toonaangevende bioscopen waar de grote producties uit Hollywood
en Bombay werden vertoond. Aan de rand van de stad en in de districten
verrezen verschillende bioscopen die in hun programmering vooral het
hindostaanse publiek bedienden (met De Paarl, in 1957 geopend aan de
Wanicastraat, als populairste), of die genres als kung fu-, action- en
erotische films vertoonden. De invoering van televisie in 1965 betekende een
duidelijke teruggang van het aantal bioscoopbezoekers, maar niettemin waren
er in Suriname tegen het onafhankelijkheidsjaar maar liefst 38
bioscopen.135
De in 1952 opgerichte Filmliga telde na vijftien jaar 850 leden, maar zag
geen kans leden te werven buiten een groep geïnteresseerde
Europese Nederlanders.136 Liefhebbers van de hindostaanse film hadden inmiddels de
Vereniging Filmi Doenia opgericht die in 1961 zelfs korte tijd met het
maandblad Filmspiegel uitkwam.137 In datzelfde jaar bood het uitgaansleven een
interessant aanbod: terwijl in de bioscoop de film A raisin in
the sun van Lorraine Hansberry werd vertoond, bracht Thalia onder
regie van Frits Pengel hetzelfde ‘karakterspel over de
tegenwoordige neger’ op de planken, in een vertaling van Wim
Salm.138
De filmproductie in Suriname bleef lange tijd een aangelegenheid van
Nederlandse documentairemakers. Peter Creutzberg, uitgezonden door de
Sticusa, leidde een groep cineasten op en draaide zelf een twaalftal
documentaires.139 Herman van der Horst maakte met
zijn Faja lobie [Vurige liefde] in 1961 een
commentaarloos, sterk esthetiserend portret van Suriname, Daan Hillen
hanteerde een conventionelere beeldtaal in Spang Makandra
(1967).140 Tot de eerste lichting
documentairemakers van Surinaamse | | | | afkomst behoorde schrijver
Benny Ooft die in 1970 samen met Gerard van der Meijden de film Corly Verlooghen, dichter bij de mens maakte, en in 1971 Erwin de Vries. De eerste speelfilms van Surinaamse bodem
waren Lei hati moro soro [Leugen is pijnlijker dan een
wonde] van Bellamy uit 1957, Gebri doro [De tijger is
gekomen] van Frank Zichem en Operation Makonaima van
Rahman Abdoelrahman, beide uit 1972.141 De twee laatste
cineasten tekenden tevens voor een reeks documentaires en lieten een ander
Suriname zien dan de ‘witte ogen’ gezien hadden. Zichem
liet in zijn films Gerda Havertong liedjes van Armand Baag zingen die niet
langer getuigden van een nostalgische Switi Sranan-sfeer.
Vlak vóór de onafhankelijkheid maakten Henk Tjon en
Thea Doelwijt samen met het Doe-theater de speelfilm Land in
zicht - Mijn land in zicht (1975), terwijl in dezelfde tijd de
camera's snorden voor de nog altijd beroemdste Surinaamse speelfilm: Wan pipel van Pim de la Parra. Nog maar twee jaar eerder
was De la Parra's Blue Movie afgekeurd voor vertoning; er
werden nog altijd gescheiden vertoningen voor dames en heren gegeven als het
om erotische rolprenten ging. Het was een teken van de veranderende tijd dat
De Ware Tijd de preutsheid van justitieminister Jnan
Adhin, die met een beroep op ‘orde en rust’ het
vertoningsverbod had goedgekeurd, fel op de korrel nam.142
Ook in het muziekleven veranderde veel. Nadat Eddy Wessels in 1962 naar het
buitenland vertrok, werd het Surinaams Philharmonisch Orkest tot een
strijkorkest teruggebracht. Onder Eddy Vervuurt leefde het orkest na 1968
weer op, onder meer met een concert waarop Fo lobi tori
[Vier liefdesverhalen] van Eddy Snijders (1923-1990) werd uitgevoerd. In
1971 werd het orkest opgeheven. Eddy Vervuurt (1928-1988) had zelf de muziek
geschreven bij theaterproducties als De geboorte van Bonie
(1956) en Watramama (1956) en balletten als De rode paloeloe (1958), Sranang printjie boekoe
[Surinaams prentenboek] (1959) en Opus I (1960).143 Hij kreeg in 1962 een opdracht van de Vrije Universiteit
van Amsterdam voor een lustrumstuk: Drie Surinaamse
gerechten.
De componiste Majoie Hajary (geb. 1921) verwierf bekendheid met haar Perun-Perun, variaties op een bekend kinderliedje. In 1973
werd op basis van de muziek van haar oratorium Da tori fu
Judas [Het verhaal van Judas] een choreografie gemaakt door Ymme
Dahlberg, die in een voorstelling in Thalia werd uitgevoerd door Ilsemarie
Hajary, Marlène Lie A Ling, Percy Muntslag en Henk Tjon met
leerlingen van de Surinaamse dansscholen. Het jaar daarop werd haar
oratorium Da Pinawiekie [De Lijdensweek] uitgevoerd, met
teksten in het Sranantongo.144
Bijzonder was voorts de opvoering van de opera De wondere
kerstnacht van Anton op 18 december 1966 in het CCS. De tekst was
van Ané Doorson op basis van Amahl and the night
visitors van Gian Carlo Menotti. De Surinaamse
Kamermuziekvereniging, het Jeugddienstkerkkoor, de Werkgroep Theater en de
Balletschool van het CCS werkten samen om het stuk muziektheater op de
planken te brengen.
In de populaire muziek danste iedereen rond 1960 op Cubaanse muziek en de uit
En- | | | | gelssprekend West-Indië, met name Trinidad,
overwaaiende calypso's, maar ook die hadden hun langste tijd gehad. De
belangstelling voor de eigen muziek, gezongen in de volkstalen, nam toe.
Muziekbands schakelden over op bigi-poku. Met verscheidene
harmonieën en orkesten kon geput worden uit een enorm reservoir
aan blazers. In het instrumentarium kregen zij een bijzondere rol en met een
nieuw arrangement voor de blaaspartijen kwam de kaseko op,
die mateloos populair zou worden als dansmuziek.145 In het ‘gouden
decennium van de Surinaamse muziek’ schoot Lieve Hugo (Hugo
Uiterloo) als een komeet naar boven en ook de oceaan over, en al snel kreeg
hij een volgepakt Amsterdams Concertgebouw aan zijn voeten. ‘Een
zanger met de uitstraling van Lieve Hugo wordt maar
één keer per eeuw geboren,’ schreef Marcel
Weltak.
In 1958 richtte het CCS een tentoonstelling in van Jo Rens, ‘de
eerste beroepskunstenaar van eigen grond als beeldhouwer’.146 Enkele jaren later zou
Rens naar Nederland gaan, om daar als decorontwerper te werken. Het feit
geeft al aan dat het niet echt gemakkelijk voor beeldende kunstenaars was om
in Suriname van hun werk te leven. Schilder Erwin de Vries lukte het, maar
Rudi Getrouw en Stuart Robles de Medina verdienden de kost met voltijdse
betrekkingen bij het onderwijs. Inmiddels diende er zich een jonge generatie
aan die met veel schwung haar eigen plaats opeiste. Er vormden zich
verschillende facties, ieder met eigen kunstopvattingen en ook eigen
kunstopleidingen. Nola Hatterman bestierde de CCS-School voor Beeldende
Kunst, waar zij leerlingen onderrichtte in streng traditionele technieken om
het eigen negerbeeld realistisch adequaat neer te kunnen zetten en goed
voorbereid te zijn op een opleiding in het buitenland. Glenn Fung Loy,
Alphons Maynard, Paul Woei en Jules Chin A Foeng zetten in 1966 de
Surinaamse Academie voor Beeldende Kunsten op, aansluiting zoekend bij
internationale bewegingen die de autonomie van het kunstwerk en het
abstracte niet schuwden.147 Chin A Foeng begon samen met Rudi de la Fuente het jaar
daarop een eigen opleiding: het Nationaal Instituut voor Kunst en Kultuur.
Zijn socialisme verbond hij met een fel nationalisme: Nederlanders waren
niet welkom als docent en hij had de naam zijn leerlingen in Suriname te
willen houden; kunst was uitdrukking van solidariteit met het verarmde
Surinaamse volk. Het realisme van Hatterman en haar klassieke vormbeginselen
verwierp hij.148 Het was een wonder dat het niet eerder gebeurde:
Nola Hatterman, 72 jaar oud, werd in 1971 ontslagen bij het CCS en startte
haar eigen Nieuwe School voor Beeldende Kunst. Aangezien er ook nog een
lerarenopleiding bestond, waren er op dat moment dus vijf kunstopleidingen
in Paramaribo.
Veel van het talent toonde zich vanaf 1966 op de jaarlijkse Nationale
Kunstbeurs. De beeldende kunstenaars zochten contact met de schrijvers en
deze verkregen hun eigen stand op de beurs (zie § 10.6). Het werd
traditie dat bij manifestaties van beeldende kunstenaars | | | |
dichters kwamen voordragen; politiek en kunst gingen voor beide groepen
bijna altijd samen. Verschillende kunstgaleries in Paramaribo en vier
musea149 ondersteunden
dit wervelende kunstklimaat. In Nederland presenteerde Quintus Jan Telting
de expositie De grote schijtstorm, een provocerende
aanklacht met schilderijen in felle kleuren tegen het Nederlandse
kunstestablishment en de neokoloniale mentaliteit.
| |
Close-up: Veranderend schoonheidsideaal
Hoezeer de tijden veranderden bleek ook uit de discussie die in 1964
loskwam naar aanleiding van de zo populaire Miss Suriname-verkiezing.
Het was R. Raveles die in een stuk in De Ware Tijd de toestand aanklaagde dat Surinamers hun
schoonheidsideaal altijd in Europa zochten. Hij zag het als een taak van
de kunstenaars het eigen ideaal te definiëren.150
Nola Hatterman viel hem bij, stelde dat er
geen schoonheidsnorm voor alle rassen bestond en vergeleek de negers van
de Ife met het Griekse ideaal.151
Hatterman zat twee jaar later samen met Wie Eegie Sanie-man
Eugène Gessel in de Miss Ebony-verkiezing. Blijkbaar was de
smaak van het publiek niet wezenlijk veranderd, want het liet luidkeels
zijn afkeuring over de jurykeuze blijken.152 Een jaar later kozen de hindostanen hun
eerste eigen schoonheidskoningin: Miss Saree.153 Weer later protesteerden het Komitee Fri Srenang
en de Chinese Jongerenvereniging tegen de Miss Ebony-verkiezing, omdat
die de raciale polarisatie bevorderde: blanken en chinezen mochten niet
meedoen.154
Suriname kende verschillende balletscholen, elk veelal met een eigen
groep, maar de enige groep die de hele periode nadrukkelijk aanwezig
bleef was die van het CCS. Vanaf 1952 had de Sticusa Nederlandse
balletleraren uitgezonden, maar gaandeweg kwamen er ook steeds meer
Surinaamse krachten die het ballet in Surinaamse richting stuwden.155 Maria Huisman, in
1956 naar Suriname gekomen, streefde ernaar de klassieke danstechniek in
dienst te stellen van een Surinaamse choreografie, onder meer met de
balletten De rode paloeloe naar het gelijknamige
verhaal van Coen Ooft (1958), Sranang printjie boekoe [Surinaams prentenboek] (1959) en Anansie Torie (1959) op een tekst van Henny de Ziel.156 Op haar vierde avondvullende balletprogramma in 1960
voerde zij Zaterdag in Paramaribo op, alsook Opus I van Ben Douglas op muziek van Eddy Vervuurt en
Tango classique, een choreografie van Percy
Muntslag op muziek van August Meye.157 Munt- | | | | slag zou als acteur, danser en choreograaf vanaf de jaren '60 geregeld
van zich laten horen. Samen met Gerda Zaandam presenteerde hij in 1966
het ballet Swietie [Lief] op muziek van Eddy Snijders,
dat zoals een criticus zei, ‘niet dik opgelegd Surinaams was,
omdat het zo nodig moest, maar dat gewoon vanzelfsprekend Surinaams was
omdat het niet anders kon’.158 Percy Muntslag startte
in 1968 zijn eigen balletstudio die onder meer een programma van dansen
op basis van zijn verhalen bracht. Later werkte hij met regelmaat mee
aan de producties van het Doe-theater en choreografeerde hij de
afro-Surinaamse folkloreshow Mekoenoe [Kastijding]
(1978). Gerda Zaandam bracht met het CCS Ballet in 1969 Matoeki op een verhaal van de veertienjarige Annette de Vries
en muziek van Eddy Snijders, en Jaw nanga den apoekoe
[Jaw en de bosgeesten], een door Dobru opgetekend verhaal van Baltus
Brashuis met muziek van de groep Maisa. De verhalende choreografie van
Zaandam met elementen op basis van Apuku winti, werd als vernieuwend
ervaren.159 Ilsemarie Hajary
voegde aan het Surinaamse ballet haar kennis van de oosterse
bewegingskunst toe. Marlène Lie A Ling, choreografe van een
kindermusical en danseres in het totaaltheaterstuk Libi
span van Thea Doelwijt, zou na 1975
nadrukkelijk in de balletwereld aanwezig blijven.
In 1958 dook het Circus Sila in de pers op, een groep geformeerd uit
hindostaanse en javaanse jongemannen van de Plantage Kroonenburg in
Commewijne. Het circus trad niet zonder succes op: toen het in
oktober/november 1960 op het Bronsplein in Paramaribo voorstellingen gaf
van equilibristische toeren op trapeze en koord, trok het maar liefst
veertienduizend toeschouwers.160
De Avros kreeg na 1957 concurrentie van verschillende
nieuwe radiostations, achtereenvolgens Rapar (Radio Paramaribo),
Apintie, Rani (Radio Nickerie), Radika en de SRS (Stichting Radio-omroep
Suriname).161 In 1964 zou de Avros verdwijnen. De SRS bezat een bijzonder statuut: voortgekomen
uit de Rijks Voorlichtingsdienst Suriname, gold zij als het
publiciteitsverlengstuk van de overheid. Het zwaartepunt van de
programmering van alle andere zenders lag bij de muziek, die werd
afgewisseld met nieuwsuitzendingen, overlijdensberichten,
kinderprogramma's en programma's met een religieus, educatief of
cultureel karakter. De radiozenders speelden een belangrijke rol in het
culturele leven; als luistermedium vervulden zij een wezenlijke functie
in een samenleving waarin de traditionele orale cultuur nieuwe gedaantes
kreeg in de verhalen van radiovertellers en - vooral in de tijd
vóór de komst van de televisie - met de uitzending
van hoorspelen (zie § 9.5). In het proces van Surinamisering
van het radiowezen heeft Wilfred Lionarons, de Avros-directeur die in 1957 met zijn eigen station Rapar begon,
een stimulerende rol vervuld.
Radio Apintie bracht in 1960-61 het culturele programma Nanga opo doro (zie § 10.4). Rond dezelfde tijd
zond de Avros het maandelijkse programma
‘Zwerftocht door de poëzie’ uit,
geredigeerd door Mr J. van Gorkom, en aan het begin van de jaren '60 het
veel beluisterde programma Koeltoeroe her'herie [Vrij
vertaald: Culturele pot] van Harold | | | | Braam en
Ané Doorson. Rapar kwam elke zondagmiddag met een
poëzieprogramma: Dichter bij dichters.
Apinti, Rapar en Rani (later: Radika) brachten vanaf 1961 wekelijks het
programma ‘Het ABC der cultuur’,
radiocauserieën waarin de stemmen waren te horen van o.m.
Harry Mulisch, Cees
Nooteboom, Harriët
Freezer en J. Bernlef.162
De emancipatie van de volkstalen heeft van de radiozenders ongetwijfeld
een flinke duw voorwaarts gekregen. Op de van oudsher bijna geheel
Nederlandstalige Avros kon in de loop van de jaren
'50 steeds meer Sranan gehoord worden, waaronder vanaf 1955 het Sranan njoensoe [Surinaamse nieuws]. Met programma's
over het Sranantongo en de creoolse volkscultuur wist Rudi de Bruin veel
luisteraars aan zich te binden. Rudolf Harry de Bruin (1929-1984) werkte
van 1954 tot 1958 voor de Avros als omroeper, werd
programmamaker en hoofd van de nieuwsdienst bij Rapar (1958-1965), was
vervolgens tien jaar lang hoofd van de nieuwsdienst van de Stvs en na 1975 programmamaker bij de Srs.163 De Stadszending bracht in 1958 een boekje met kerstverhalen
van hem en Jan Voorhoeve uit onder de titel Foe meki wan
troe kresneti [Om een echte kerst te maken].164 De Bruin en andere
virtuozen van het Sranan als Julius Defares, Harry Jong Loy, Aleks de
Drie, Willy Cromwell, Adriaan Turnim en Harold Braam, hebben met hun
uitzendingen voor de acceptatie van het Sranan minstens zoveel betekend
als de schrijvende kulturuman.
Het in 1958 in Nieuw-Nickerie opgezette radiostation Rani en het station
Radika (Radio Dihaat Ki Awaaz [De stem van het district]) van iets
latere datum - vanaf 1962 uitzendend vanaf het Pad van Wanica -,
richtten zich voornamelijk op de hindostaanse bevolkingsgroep.
Uitzendingen werden verzorgd in het Hindi en het Hindostaans (dat
aanvankelijk nog niet Sarnami genoemd werd), soms afgewisseld met Sranan
en Nederlands. Als iets bepalend geweest is voor de hindostaanse dromen,
dan zijn het wel de liedjes van Indiase topzangers als Mukesh, Rafi,
Lata Mangeshkar en Asha Bhonsle geweest. De populaire zanger Hemant
Kumar werd in 1964 op het vliegveld Zanderij ontvangen door de grootste
menigte daar ooit gezien. De metaforen in het liedrepertoire van deze
zangers hebben ook de taal van vele hindostaanse dichters bepaald.
De radiozenders maakten een breed luisterpubliek vertrouwd met de stemmen
van de dichters, die vooral bij nationale manifestaties, op feestdagen
en bij het overlijden van bekende persoonlijkheden werden uitgenodigd om
voor de microfoon hun werk te laten horen.
Verder verzorgde Radio Nederland Wereldomroep sinds 1951 op Suriname
gerichte programma's, aanvankelijk twee uur per week, gaandeweg met
grotere frequentie. Behalve een nieuwsbulletin en overzicht van de
dagbladen, gaf de zender reportages over de actualiteit in Nederland,
concerten, klankbeelden en voordrachten.165 Tot 1
januari 1976 werden de programma's ondersteund door de Sticusa. Ze
voorzagen niet alleen in een behoefte aan informatie over het wel en wee
van Surinamers in Nederland, maar speelden ook een actieve rol in de
stimulering van jonge auteurs. Het hoofd van de Caraïbische
afdeling, Johan van de Walle, haalde jonge Surinaamse en Antilliaanse
auteurs voor de | | | | Hilversumse radiomicrofoons in reportages,
debatten en vraaggesprekken en gaf hun opdrachten voor klankbeelden en
hoorspelen. Zo werden auteurs als Eddy Bruma, Cola Debrot, Boeli van
Leeuwen, Luc Tournier, Trefossa, Michaël Slory, Corly
Verlooghen, Rudi Kross en Benny Ooft in de Caraïbische
uitzendingen voorgesteld aan het publiek. Bovendien zorgde Van de Walle
voor een constante stroom van informatie over praktisch alle
Caraïbische landen - informatie die in het nog sterk
geïsoleerde Suriname langs andere weg zelden of nooit
doordrong. Van 1951 tot 1968 werden door de Wereldomroep 1593 op
Suriname gerichte programma's geproduceerd.166
Op 20 oktober 1965 kwam de Surinaamse Televisie Stichting (Stvs) voor het eerst in de lucht. Als staatszender bood de Stvs educatieve en informatieve programma's in de
officiële taal, het Nederlands; buitenlandse programma's -
meest afkomstig uit de Verenigde Staten - werden zonder ondertiteling
overgenomen. In 1975 zond de Stvs gemiddeld 35 uur
per week uit, in zwart-wit. Van het programma-aanbod was 45% gericht op
ontspanning, 25% bestond uit nieuws, actualiteiten en sport, 17% uit
educatieve en culturele programma's, 10% van de zendtijd werd besteed
aan kinderprogramma's en 3% aan religie.167 De schrijverswereld profiteerde van het medium dankzij
de talkshow van Jozef Slagveer en korte documentaires
over onder meer Corly Verlooghen, Anton de Kom en het Doe-theater. Voor
de eerste Surinaamse speelfilm die voor televisie gemaakt werd, Grootvaders klok van Sally Blik uit 1965, schreef Thea
Doelwijt het scenario. De in 1969 opgerichte particuliere omroep Apsara
stelde zich ten doel de bevolkingsgroepen meer informatie over hun
diverse culturele achtergronden te bieden, en klassieke muziek uit te
zenden. Ze begon met een uur per dag via het televisiekanaal van de Stvs, maar maakte een nogal ongelukkige start door op
Emancipatiedag de vijfde symfonie van Beethoven uit te zenden. Apsara
was geen lang leven beschoren.
Wie aan dit alles geen boodschap had en zijn tijd liever doorbracht met
drank en kout kon altijd terecht in een van de sociëteiten,
waarvan Het Park nog altijd de reputatie bezat de meest elitaire te
zijn; in vele verhalen van Hugo Pos en anderen speelt de, toentertijd
tegenover het gouvernementspaleis gelegen club een rol.
Laten we bij deze eruptie aan stedelijk kunstleven in de jaren '60 en '70
overigens niet vergeten dat een flink deel van Surinames artistieke
potentie zich nog altijd bevond op grote afstand van de hoofdstad, aan
de oevers van de grote rivieren diep in het binnenland. Oude plaatwerken
als Voyage à Surinam van P.J. Benoit uit
1839 en Les habitants de Surinam van de prins Roland
Bonaparte uit 1884 lieten al zien welke verfijning de binnenlandbewoners
in hun kleding, opsmuk en leefomgeving konden bereiken. Recentere
studies van vooral antropologen hebben de inzichten in de artistieke
bekwaamheid van inheemsen en marrons enorm verdiept.168 De
pottenbakkerstechniek van de inheemsen, het houtsnijwerk, het textiel,
de geraffineerde dansen en de superieure drumtechniek van de bosnegers
| | | | worden vaak op een ander plan gezet
(‘kunstnijverheid’, ‘folklore’,
‘volkscultuur’), maar deden in virtuositeit niet
onder voor wat de kunsttempels in Paramaribo te zien en te horen
gaven.
| |
1.6 Surinamers in Nederland
In zijn essay ‘Heimwee’ schetst Anil
Ramdas de Surinamers, opgegroeid met een op Nederland
georiënteerde literatuur, als het kind dat verkeert in de laatste
fase van wat Lacan het spiegelstadium noemt.169 Jacques Lacan ziet het kind als een
corps morcelé, een vergruizeld lichaam,
niet in staat om de afzonderlijke delen tot een eenheid te smeden. Lacan
speculeert dat die eenheid pas tot stand wordt gebracht, wanneer de
buitenwereld het kind een beeld van zichzelf aanreikt. Met dit spiegelbeeld
kan het kind zich identificeren. De ontwikkeling van het
‘ik’ berust dan echter niet op de innerlijke
authenticiteit van het kind, maar op een afbeelding aangereikt van buitenaf,
de Ander. Het kind leert zich te identificeren met die Ander; die
identificatie wordt compleet wanneer het kind toetreedt tot de orde van taal
en cultuur, tot de wereld van de symbolen: het kind begrijpt betekenissen
zonder de dingen te zien en kan daardoor zichzelf geheel identificeren met
een Ander die zelfs uiterlijk niet op hem gelijkt. Die gespletenheid wordt
ernstiger in een koloniale situatie: de zwarte mens leert zich te
identificeren met een spiegelbeeld dat hem is aangereikt door de witte mens,
‘het gekoloniseerde individu leert zichzelf begrijpen via de taal
van de blanke overheerser.’170
Vanuit de lacaniaanse theorie wordt de migratie van zovele Surinamers die
werden opgevoed met een Nederlandse cultuurpolitiek inzichtelijker. Die
theorie verklaart ook waarom voor veel migranten de oversteek uitliep op een
schokkende ervaring: het aangeboden identificatiebeeld bleek overzee niet
meer te kloppen. Veel auteurs hebben onder woorden gebracht hoezeer de
eerste blanke vuilnisman, straatveger of dienstmeid de gekende
hiërarchie op haar kop zette. Maar er was natuurlijk veel meer.
De eerste indrukken van een Surinaams ingezetene die voet aan wal zet in
Holland zijn beschreven door Gerda Havertong in haar korte verhaal
‘Besmettelijk’: de gewaarwording dat er nauwelijks zand
is te zien en dat alles bestraat is, het gebruik om binnenshuis schoenen te
dragen, de vitrages voor de ramen, de rozenperken waaruit je geen bloem mag
plukken en de witte wintermantels die ‘besmettelijk’
waren.171 Niemand
beschreef Nederland scherper als object van valse dromen als Bea Vianen in haar roman
Het paradijs van Oranje
(1973). De ‘in vervulling gegane droom’ groeide
in sommige gevallen uit tot een pathologie. Voor de meest sensitieve
migranten betekende de verhuizing soms een ernstige psychische crisis tot de
complete schizofrenie toe.172
‘In het algemeen verkeren groepen of individuen in een
grenssituatie wanneer de | | | | omgeving het vertrouwde, veilige
karakter heeft verloren en zij daardoor in een toestand worden geplaatst,
waarin zij het gevoel van een bevredigende aanpassing missen’,
zegt Rudolf van Lier in zijn studie
Samenleving in een grensgebied
.173 Deze opmerking
waarmee hij Suriname als een ‘grensgebied’ wil
verklaren, kan evengoed worden gebruikt als aanduiding van de migranten in
de Nederlandse samenleving. Van de koloniale (en ook post-koloniale, maar
politiek nog niet onafhankelijke) maatschappij die Van Lier op het oog had,
belandden de Surinaamse migranten in een nieuwe
‘grenssituatie’ die - in ieder geval psychologisch -
voor velen niet veel aantrekkelijker was. Dat dat overigens ook vaak
meeviel, daarover zwegen de schrijvers in alle talen, minstens tot Anil
Ramdas.
Had Rudi Kross Lacans Écrits (1966) gelezen toen
hij in zijn essay over de Surinaamse migratie ‘Nestvlieders in
transito’ schreef dat de migratie ‘op een bijzondere
manier normaal’ was?
De meeste Surinamers, maar in sterkere mate de Aziatische, hebben
over de exodus dezelfde opvatting als de Indiërs, Pakistani,
Caribiërs, Afrikanen etc. die de overbevolking, de economische
stagnatie en de beperkte levenskansen in hùn landen ontvluchten
en hun heil zoeken in het ‘moederland’. Dat is een
normaal gevolg van het kolonialisme, niet alleen veroorzaakt door de
sociaal-economische factoren, maar ook door educatieve en mentale. Onderwijs
en vakontwikkeling in het koloniaal gestigmatiseerde land zijn van een wrede
doelmatigheid geweest: ze leidden op tot koloniale onderhorige en vinden hun
vervolg nog steeds uitsluitend in het moederland. De zelfidentificatie, die
tenslotte afhankelijk is van de genoten educatie, ontwikkelt zich als gevolg
van deze ontwikkeling.
De existentiële betekenis hiervan:
men heeft zichzelf redenen gegeven om een niet zelf uitgezocht
leefgebied te verlaten (vaak met een panische drang), en zich voor beperkte
of onbeperkte tijd (vaak een moeilijk te onderscheiden zaak boordevol
zelfverontschuldiging) naar een ‘geëigende’
vluchthaven te begeven. [...] Velen van hen hebben hun vlucht betaald door
het enige wat ze hadden, prijs te geven: de illusie dat hun identiteit
méér was dan die van een transito-passagier.174
Met zijn laatste opmerking plaatst Kross de
migratieproblematiek binnen het kader van de historische vorming van
Suriname als een volksplanting die nooit is uitgegroeid tot een werkelijk
samenhangende natie. Hij refereert zo aan de bekende antithese die als vast
motief in de Surinaamse letteren van de jaren '60 opdook: die tussen
verdeeldheid en eenheid.
Kernen van cultureel leven in Nederland bleven de verenigingen, en dan met
name het politiek activistische Ons Suriname en het politiek minder
geprofileerde Surinaams Verbond. Van de schrijvende Surinamers die voor hun
opleiding aan het einde van de jaren '50 en het begin van de jaren '60 naar
Nederland gingen, zocht een enkeling aansluiting bij het Verbond (Julius
Defares). Het sinds 1952 bestaande Surinaams Verbond hield zich statutair
buiten elke partijpolitiek en was organisatorisch vooral op dreef bij
busuitstapjes en | | | | feestpartijen.175 De meeste schrijvers
‘joinden’ echter de studenten en arbeiders van Ons
Suriname. Deze vereniging werkte aan de uitdieping van de
historisch-culturele achtergrond van haar leden en heeft voor velen
bijgedragen aan de versterking van het besef als Surinamer een unieke
identiteit te bezitten. Traditiegetrouw bleven de emancipatievieringen van
Ons Suriname manifestaties van zelfbewust Surinamerschap, verzet tegen het
Statuut, kritiek op de neokoloniale macht en strijd voor een onafhankelijke
natie. Muziek, toneel en voordracht maakten daar altijd deel van uit.
Voordrachtskunstenaar Otto Sterman trad er op en jonge schrijvers als Michaël Slory, John
Muller, Wati Deets en Rudi Kross lieten zich er horen. Ons Suriname zocht
ook frequent contact met gelijkgezinde organisaties als de progressieve
studentenverenigingen en het Suriname-comité, en was
vertegenwoordigd in het Permanent Surinaams Congres voor Eenheid, dat alle
progressieve Surinaamse verenigingen in Nederland wilde bundelen.176 Dit Psce organiseerde in 1965 een groot politiek congres met gasten uit
het Caraïbisch gebied, die zich in Londen bezighielden met de
dekolonisering van het British Empire. Voor arbeiders en studenten betekende
het congres een belangrijk moment, zoals Hugo
Kooks het formuleerde ‘een keerpunt, het verlaten van een
eng nationalistische visie en het plaatsen van de Surinaamse problematiek in
wereldverband.’177
Kernen van links engagement werden gevormd in Amsterdam, Wageningen, Delft en
Nijmegen. In Nijmegen studeerden in 1959 slechts 18 Surinamers, maar dat
aantal bleek voldoende om een aparte afdeling van de Surinaamse Studenten
Vereniging op te richten. Na het officiële gedeelte van de
oprichtingsvergadering, werden er gedichten voorgedragen en daarop mochten
de longen worden volgezogen voor een door Marcel Kross gecomponeerd lied
over de arbeid in de rijstvelden.178 De
Leidse afdeling bleek behoudender; Johan van de Walle sprak over hun
gedachtegoed als ‘meer van een naar binnen gericht, een soort
bezonnen nationalisme dan een nationalisme, dat direct opstevent naar de
onafhankelijkheid van Suriname.’179
In 1962 werd in kringen van de Sticusa de stichting Caribiton opgezet, ter
bevordering van het Caraïbisch toneel in Nederland.180 In samenwerking met de Natu, de Nederlandse Amateur Toneel Unie, organiseerde Caribiton
toneelcursussen in Nederlandse universiteitssteden.181 Na
een eerste opvoering in 1962 (zie § 9.8), wilde Caribiton in 1966
| | | |
Green pastures van Connelly in Helmans bewerking in
Nederland opvoeren, maar daar is het nooit van gekomen.182 De stichting werd nieuw leven
ingeblazen toen Hugo Pos in 1964 uit Suriname kwam, maar ze legde zich meer
en meer toe op het organiseren van lezingen.183
Het organisatieleven van Surinamers in Nederland speelde zich in grote lijnen
niet langs etnische scheidslijnen af en dat was ook
logisch: tot aan het begin van de jaren '60 was het merendeel van de
migranten creool. Toch voelden sommigen ook al vroeg de behoefte tot
etnisch-culturele bundeling. Zo herdacht op 1 juni 1963 de Surinaamse
Jongeren vereniging Manan in Den Haag, hoofdzakelijk bestaande uit
studerende jonge hindostanen, de dag dat de Lalla Rookh 90 jaar eerder in
Suriname aankwam met de eerste immigranten. Er waren hoge sprekers en
Michaël Slory gaf in dichtvorm zijn visie op de immigratie.184
Remigrerende Surinamers zouden vanaf het einde van de jaren '60 een rol van
betekenis spelen in de maatschappelijke beroeringen in hun
geboorteland.185 In
Nederland waren verschillende van hen actief geweest binnen het
Aluminium-comité, dat in 1970 werd omgedoopt tot
Suriname-comité. De actiegroep gaf de bundel De
uitbuiting van Suriname uit alsook het blad Suriname-bulletin. Samen met onder meer Opo
kondreman, De Rode Ster en Famiri zou het blad
een publiciteitsfront vormen van links denken over de neokolonie Suriname.
In 1970 maakten de ‘in een blauw spijkerpak gestoken Dobru en de in
kostuum geklede Shrinivási’
een tournee langs een aantal Nederlandse universiteitssteden om er lezingen
over de Surinaamse literatuur te houden en voordrachten te geven uit eigen
werk.186 Op 30 maart
van het jaar daarop zorgde Dobru in Amsterdam
voor opschudding. Hij was uitgenodigd door het Nederlands Komité
voor Internationaal Jongerenwerk en om die reden trok de Nederlandse
minister van buitenlandse zaken Joseph Luns de subsidie voor de manifestatie
Kolonialisme-Onafhankelijkheid in. De Surinamers onder leiding van Dobru
namen daarop de hele manifestatie over, zodat het thema het kolonialisme van
Nederland betreffende Suriname en de Antillen werd.187
|
1Zie ‘Creolisering
en Afro-Caraibische cultuur’, in Baud 1989: 9-16. Bolland
1992: 50-51 geeft een verwante definitie van creolisering, waarin de
notie centraal staat dat cultuurverandering leidt tot afscheiding van de
Oude Wereld. Een retrospectief van de complexe creoliseringsmaterie
geeft Price 2001.
2Brief Jan Voorhoeve aan Ursy
Lichtveld, eerste helft oktober 1960 (Voorhoeve 1997: 426).
3Meel 1994. Breeveld
2000: 174-241.
4Meel 1999: 111 doet
de aanslag uit de doeken. Zie ook het Profiel van Kwame Dandillo. Over
Pengel: Werners 1998 en vooral Breeveld 2000.
5Hierover Slagveer
1963a en Ooft 1963.
6Slagveer 1963a: 8. Zie de inventarisatie van
buitenlandse bedrijven bij Paërl 1971: 287-344.
7Gecit. bij Slagveer 1963a:
8.
8Over de
vlag: Essed-Fruin 2000b. Over het volkslied: de Close-up ‘Op
weg naar het Surinaamse volkslied’ in deel II, periode
1890-1923. Over de spelling: Meel 1997: 45-46.
9Op deze taalpolitieke
kwestie gaat Essed 1983a: 49-50 in.
10Vermeld door A.H. Loor,
hoofd Algemene Culturele Zaken van het Ministerie van Onderwijs en
Volksontwikkeling in Jungschleger 1973. Één
Surinaamse gulden was ongeveer gelijk aan twee Nederlandse
guldens.
11Vyent 1996: 84-89 en
passim.
12Meel 1990a: 77-78. De Nederlandse politieke inbreng
bij de onafhankelijkheid wordt beschreven door Jansen van Galen 2001 en
Oostindie Klinkers 2001, II. In het navolgende zijn enkele
passages ontleend aan Van Kempen 1987b: 101-103.
13Zie hierover ‘De
affaire Kross’, in Van Teylingen 1972: 45-52, en het Profiel
van Rudi Kross.
15Jaren van verschijnen en vindplaatsen in Van Kempen
Enser 2001.
16Verschijningsbericht van Kern in DWT
4239/13-8-1971. Vgl. Van Kempen 1987b: nrs. 0632 en 0633.
17Het blad organiseerde ook een ‘Nationaal
Kultureel Kongres’ op 9 mei 1971 (DWT 4156/6-5-1971). In
VS 1133/24-6-1971 stak Chin A Foeng een tirade af tegen de
‘kulturele marionetten’ van het blad Koeriers.
18‘Na honderd jaar’, in Reflektor, 1 (1973), nr. 2, juni. Herdrukt in Privé-Domein 44-47.
19Eén van hen was
Humphrey Keerveld, leider van het MLCS; zie het interview met
Keerveld: Wamelink 1973. Over de onrust van dat jaar: Jansen van
Galen 2000: 280-294.
20Constandse 1973, citaten van
resp. 128 en 132.
22Ooft 1985: 9-40 geeft een goed beeld van het
onafhankelijkheidsproces. Zelfs in oktober 1975 heeft de VHP nog een
ultieme poging ondernomen de datum van de onafhankelijkheid uit te
stellen (p. 38).
23[Anoniem],
‘Gedichten’, in de Volkskrant,
28-10-1975.
25Szulc-Krzyzanowski
Van Kempen 1992: 126.
26Cijfers in deze alinea ontleend aan Van Lier 1977: 297, resp. Doelwijt
Ooft 1968: 6-10, Van Amersfoort 1969: 51, Kross 1971: 116
en Oostindie 1997: 165, 212.
27Lamur Speckmann 1975: 1.
28Van Teylingen 1972: 47. Zie ook B., ‘De
Vlucht: Benadering van een probleem’, in VS
398/7-9-1968.
29Van Teylingen 1972:
52.
33DWT
955/18-10-1960, resp. DWT 1446/30-5-1962, DWT 1511/17-8-1962, DWT
1746/27-5-1963, DWT 2473/ 15-10-1965.
34B.v. op 12 juli 1959 in Thalia door
mej. Dr. [Mea] Veldkamp over de moderne Franse toneelkunst inz. Ionesco
en Beckett (DWT 566/11-7-1959).
35De groep speelde het blijspel Et Maintenant,
à la tour de Nesle, toneelbewerking van Raymond
Paquet en René Brant naar een gegeven van Alexander Dumas
(DWT 5265/10-1-1975, 5267/13-1-1975, 5288/6-2-1975,
5291/10-2-1975).
37DWT
543/15-6-1959 kondigt aan dat ‘de humoristische
schrijver’ op 19-6-1959 om 20.30 uur in het CCS-gebouw zal
spreken over eigen werk. Over ander twintigste-eeuws werk van
Nederlanders: Van Kempen 1990c en ter perse.
38DWT 633/28-9-1959: ‘In de geheimzinnigheid
van het achterland’. DWT 634/29-9-1959: ‘Het
mirakel van Brokopondo’. DWT 646/13-10-1959:
‘Ontmoeting met bosnegers’. DWT 661/30-10-1959:
‘Over 'n zwarte Apollo, pirengs en 'n mat vol
wespen’. DWT 674/14-11-1959: ‘Het werd een
moeilijk afscheid’.
39‘Lekkernij’ op 16-7-1959,
‘Hel’ op 17-7-1959, ‘Leuke
stad’ op 18-7-1959, ‘Woud’ op
20-7-1959, ‘Dorp’ op 21-7-1959 en
‘Slangen’ op 22-7-1959.
40‘Kronkel’,
in DWT 585/3-8-1959.
41Volgens S 15163/3-1-1969 S 15158/9-1-1969
bezocht hij Suriname van 9-1-1969 tot 20-1-1969. Hij zal lezingen
geven op diverse scholen en in het CCS; de laatste volgens DWT
3462/11-1-1969 S 15160/11-1-1969 e.v. op 13-1-1969 over
‘Wetenschap bedrijven en romans schrijven’. De laatste resten... verscheen in zes afleveringen
in De West, met redactioneel commentaar ( Sticusa Jaarverslag 1969: 46). Bespreking van het
boek: Martinus Arion 1969b.
42Het
boek blijft dan ook in praktisch alle overzichtsartikelen van
Hermans' werk buiten beschouwing. Men vergelijke bijvoorbeeld
Janssen 1980, Glaudemans 1983/88 en Janssen 1985.
43Van der Land 1970: 28-29. Zie
ook Benny Ooft, ‘Speldeprikjes voor Hermans’, in
VS 533/13-6-1969.
44Kross
1971: 117. Ellen Ombre meende in Vrij Nederland
van 2-2-2002: ‘Wil je iets van Nederland in de tropen
begrijpen, dan moet je dit gelezen hebben, het is nog altijd
actueel.’
45Ramdas 1993b. Hermans doet een
constatering die haaks staat op die van Ramdas: ‘Mij is
gebleken dat er onder de surinaamse jeugd ook veel belangstelling
bestaat voor Harry Mulisch.’ (77) Maar premier Pengel zou
een bezoek niet goedkeuren. ‘Harry, de Castro-vereerder,
Harry, die dag en nacht wakker ligt over het lot van de voormalige
koloniale gebieden, Harry zou slechts onder kolonialistische dwang
van het “moederland” zijn blijde boodschap in de
“kolonie” kunnen verkondigen’, hoont
Hermans, die zich overigens uitspreekt tegen deze
‘partiële censuur’ (77-78). Mulisch
zou Suriname in 1970 toch bezoeken - Jopie Pengel was toen al niet
meer.
46Gecit. bij Schipper
1989b: 5; ook in Schipper 1995: 24.
48HN 5208/4-7-1957. Over de politieke inbreng op die
congressen: Meel 1999: 201-202.
50Gecit.
bij Meel 1999: 202.
51Dit comité en de
hierna te noemen organisaties worden uitvoerig beschreven door Meel
1999: 205-216. Raveles schreef een artikel over Boni aan de hand van
gegevens uit Wolbers in DWT 287/11-8-1958.
52Uit de statuten in GAB 5/15-1-1960. Zie ook
Jansen van Galen 1995: 70-71, 80-82.
53Ter gelegenheid daarvan
werd een jubileumboek samengesteld met tekst van Cyriel Karg en een
omslag van Nola Hatterman (zie S 12658/14-11-1969, S 12675/4-12-1969
en S 12678/8-12-1969).
54Zie de
recensie in DW 8170/4-6-1960. Over Kra: Jansen van Galen 2000:
200-209.
55Van minder grote betekenis was de op 24 juli 1964 opgerichte
discussiegroep ‘Srenang’, die bijeenkwam in het
gebouw van Wie Eegie Sanie (DWT 2102/28-7-1964).
56In
‘Rassenwaan, een gevaarlijk precedent’ in DWT
1174/10-7-1961 richtte Corly Verlooghen zich tegen het pamflet De kern van de Surinaamse problematiek van Jaisi
(ps. van Jaipal Singh), ‘een figuur die de gespletenheid
van onze zo verwarde samenleving nog erger tracht te
maken’ (zie Meel 1999: 381-382).
57Corly
Verlooghen, ‘Heeft de kulturele muis een politieke
staart?’, in DWT 1043/30-1-1961.
58De avond was gehouden op 24 juni 1961 in het
IPV-clubgebouw. Rudy Bedacht, ‘Letterkundige avond WES:
Poëzie als nationalistische propaganda’, in DWT
1163/26-6-1961. Vergelijk ook wat Verlooghen schreef n.a.v. de
lezing van Tjalie Robinson, beschreven in de Close-up: CCS en
Sticusa in de periode 1923-1957.
59Uitgebreid over deze brochure: Meel 1999: 217-223.
61Mededelingen van Frits
Moll, Amstelveen. Verg. ook Jansen van Galen 2000: 240. Over
Huiswoud als internationalistische figuur: Blakely 1993:
265-270.
62Een volledig overzicht van de Afrikaanse ontvoogding in
Appiah Gates 1999: 576-578.
63Zie het gedicht
‘Sharpeville’ van Michaël Slory in
Vereniging Ons Suriname 70 (1990:
95-96).
64Jansen van Galen 2000: 240.
65DWT 1875/26-10-1963, resp. DWT 1924/23-12-1963. Verder
‘In de biechtstoel (gebed van een blanke
Amerikaan)’, in DWT 1924/23-12-1963. Hij publiceerde ook
gedichten in Soela 1 en 3.
66H.L. Burleson, ‘Pan-Afrikaans
Kultureel Festival: Een heel kontinent maakt zich vrij’,
in S 12622/1-8-1969. En Anoniem, ‘Een gesprek met Leo
Ferrier: Blij met culturele explosie’, in S
12700/7-1-1970. Radio Apsara maakte een vijf uur durende uitzending
over het festival (S 12661/18-11-1969).
67H.L. Burleson, ‘In gesprek met Stokely
Carmichael’, in S 12528/2-4-1969 S
12529/3-4-1969 S 12530/5-4-1969 S
12532/9-4-1969.
68DWT 3968/18-9-1970; zie ook DWT 4031/28-11-1970. Orgaan
van Black Power-aanhangers in Suriname was Onze
Natie (Jansen van Galen 2000: 291).
69Robin Ravales [sic],
‘Kreolen-Eenheid of klasse-Eenheid: Krikomaka of
wrokomaka’, in DWT 3968/18-9-1970. G. Günther
reageerde met ‘Ter verdediging van Krikomaka’,
in DWT 4129/31-3-1971.
70Günther 1963: 281. Zie hierover Meel 1999:
223, noot 134.
71Zie § 1.3 van het
vorige tijdvak; haar functie - vooral in politiek opzicht - werd
overgenomen door de in 1958 opgerichte Actiegroep van de VHP,
waarover Meel 1999: 344-347.
72Meel 1999: 110, noot 72.
74Stellingen bij Adhin 1961. Over het integratieproces van de
hindostanen: Adhin 1998: 233-240.
75Gecit. bij Verlooghen
1962b: 21. Over Bavinck ook: Gobardhan-Rambocus 2001:
425-426.
77Het dragen van de titel
‘cultureel attaché’ was overigens
niet onomstreden; India had immers nog geen ambassade in Suriname,
maar viel onder de Indiase High Commissioner in Trinidad. De
Indonesische commissaris was formeel geen cultureel
attaché, maar organiseerde wel veel culturele evenementen
(zie § 1.3 van de periode 1923-1957). Nationalisme en
propaganda, in de taakopvatting van de cultureel attaché
stammend uit de 19de eeuw, kleuren nog altijd diens taakstelling
(Ligtvoet 2001: 585).
78DWT 420/16-1-1959, resp. DWT 816/6-5-1960
(boekenexpositie in het CCS).
80In het CCS.
Verlooghen 1962b: 21.
81DWT 3074/4-10-1967. Directeur van het Hindi
Instituut werd (voor korte tijd) dr J.P. Kaulesar Sukul.
82Shanti Dal
aan de Anniestraat in Paramaribo, Jivan Jotie [Levenslicht] aan de
Magentaweg (Pad van Wanica), Hindostani Sanskritik Sabha die zetelde
in het centrum Mata Gauri aan de Kwattaweg, Sanskriti Saman Sanatan
Dharm aan het Pad van Wanica, Sarhind Sanskritik Sabha te Oldenburg,
de jongerenvereniging Nauyuga in Paramaribo enz.
83Op 26 juli
1970 opgericht (S 127866/1-8-1970).
84DWT 3807/5-3-1970, S
127797/8-5-1970, S 127873/11-8-1970, S 127878/17-8-1970.
85‘Javaanse groep gaf eerste uitvoering op
Carifesta’, in DWT 4565/7-9-1972. Zie voor de
samenstelling ook VS 1537/6-9-1972. Foto's in DWT 4566/8-9-1972, DWT
4573/16-9-1972, DWT 4576/20-9-1972 en DWT 4577/21-9-1972.
86DWT 29-4-1964 (advertentie voor een filmavond op 29
april met vertoning van Satan lokt met
liefde).
88Tjon Sie Fat
1999: 123-125.
89Voorzitter P.H.
Sabajo, ondervoorzitter B. Jubitana, 1e secretaris A. Biswane (DWT
2712/30-7-1966).
91Thoden van Velzen 1966a
(besproken door J. van de Walle in DWT 2682/24-6-1966), De Groot
1969.
93‘Venetiaan opende
Tembe’, in DWT 5421/16-7-1975.
95In DWT 2323/15-4-1965 en DWT
2324/17-4-1965 over Pesach, in DWT 2751/14-9-1966 over Rosh Hashana,
het Joods nieuwjaar 5725 en in DWT 2758/23-9-1966 en DWT
2759/24-9-1966 over Grote Verzoendag.
96Bijv. op 27 juli 1958 toen
J.A. Vonsee sprak over de poëzie van Miguel de Unamuno
(DWT 273/25-7-1958).
97‘British insularity’ is een term van C.W.
Watson 1988/89: 21. Tijdschriften als Caribbean
Quarterly, Kijk-over-al en Bim namen
overigens wel vertalingen van Franstalig werk uit de regio op. Voor
de Nederlandse Antillen, waar nog in 1997 een schoolboek als Une branche emportée par le vent:
Franstalige literatuur uit de Cariben van Broek e.a. kon
verschijnen, was het isolement blijkbaar net iets minder
groot.
98Op 30-12-1957
‘Cultuur in het midden van onze eeuw’ en op
3-1-1958 ‘Cultuurvormen in West
Indië’. Een weergave, overgenomen uit de Beurs- en Nieuwsberichten, in DWT 105/4-1-1958.
Het opstel van Heesterman 1957 over Surinames plaats in
West-Indië komt niet veel verder dan een inventarisatie
van de potentiële exportcultuur.
99J.v.d. Walle,
‘De West Indische poëzie en de huidige
staatkundige ontwikkeling’, in DWT 1548/29-9-1962. Over de
culturele eenheid van de regio schreef van de Walle ook in DWT
1663/14-2-1963. Verg. ook de opvattingen van Corly Verlooghen 1962a.
Eddy Bruma en Walther Donner spraken over de vraag of Suriname tot
het Caraïbisch gebied behoort op de Derde Caribische
Conferentie voor Wetenschapsmensen van 4 tot 9 mei 1966 in Brits
Guyana (DWT 2626/16-4-1966).
100Dobru woonde in 1968 wel de
conferentie ‘Voor Caraibische Eenheid Tegen Kolonialisme,
Neo-Kolonialisme en Imperialisme’ op Barbados bij, maar
dat was een bijeenkomst van progressieve revolutionaire partijen.
Van een voorgenomen bloemlezing die Dobru met de Guyanees John Agard
zou maken, kwam niets terecht (DWT 4105/2-3-1971, S
128810/2-3-1971).
101De afvaardiging in VS
1537/6-9-1972. Een kort verslag van Dobru in DWT 4559/30-8-1972.
Over de schrijversoptredens: DWT 4570/13-9-1972 en DWT
4574/18-9-1972. Een nabeschouwing in DWT 4579/23-9-1972.
102De bundel bevatte poëzie van Dobru,
Doelwijt, Orlando, Rellum, Shrinivási, Slagveer, Slory en
Verlooghen en proza van Dobru. Zie de brichtgeving in VS
1383/10-3-1972.
104DWT 5164/18-9-1974, DWT 5168/23-9-1974.
105Wel werden Suriname en de Antillen al vroeg gezamenlijk
in de Nederlandse media gepresenteerd: de Avro
maakte in 1963 schrijversportretten in haar televisieserie Literaire ontmoetingen. H.A. Gomperts en Rudie van
Lier presenteerden het programma, waarin aan het woord kwamen Hein
Eersel, Trefossa, Eddy Bruma, Albert Helman, Corly Verlooghen en
John Leefmans (DWT 1649/29-1-1963). Uitvoerig verslag door Rudy
Bedacht in DW 12-3-1963. Rutgers 1986b en Van Kempen, ‘Van
ijskast en bromfiets’ beschrijven de literaire contacten
tussen Curaçao en Suriname.
106Appel Muysken 1987: 12-13.
107Koewatra djojo (1979), p.
210.
108Enpowerment is een term van Coombs 1968.
109Ook de rooms-katholieke internaten Rajpur en Ranipur, opgezet in het
begin van de 20ste eeuw, droegen bij aan de culturele vorming van
leerlingen van hindostaanse herkomst zoals Bea Vianen en Bhai (Vernooij
1994: 26-29, 37-38, 53-56). Over nationalisme en evangelie: Loswijk
1979.
110Gobardhan-Rambocus
2001: 500. Over het Hindi-onderwijs: Bakker 1999: 97-98 en
Gobardhan-Rambocus 2001: 494.
111Dobru in Wan monki fri (1969: 33)
en Pim de la Parra in Prins Pim (1978: 45) noemen in
dit verband de neerlandicus Kees Dubelaar.
112Interessant is dat H.F.
Hollander in het Antilliaanse studentenblad Kakina een
MO-opleiding Nederlands op de Antillen juist afwees, omdat de
taalsituatie daar zo afweek van die in Nederland (verg. ‘Les
in het Nederlands’ door J.v.d. Walle, in DWT
1938/11-1-1964).
113Over de geschiedenis
van het IOL: Essed-Fruin 2000a.
114Column ‘Bruine
scholen’ in NRC Handelsblad, 21-2-2000. Over
het lyceum: Gobardhan-Rambocus 2001: 461-463.
115Verslag in Surinaams Nieuws, 18 (1968), nr. 44, 16 november, pp.
1-6.
116Oostburg 1995: 1-4. Werners 1995: 18-22; hij
schetst ook de voorgeschiedenis, pp. 7-17.
117Verslag in Surinaams Nieuws, 18
(1968), nr. 44, 16 november, pp. 8-9.
118S 15089/17-10-1968. De in 1983 bij Kersten
verschenen herdruk vermeldt als auteurs: J. Algera, A. Arbman-Jurriaans,
W. Brinkkemper, Ch.H. Eersel, S.J. Nijdam, J.E. Wijdenbosch. De nummers
van CatUBA 0223 t/m 0234 vermelden als jaar van eerste uitgave 1971 tot
en met 1974. Een nieuwe Surinaamse taalmethode, Praten en
schrijven, verscheen in 1972 (anonieme bespreking in VS
1513/10-8-1972; bespreking door R.G. Blufpand in DWT
4585/30-9-1972).
119Meijers Sleutels tot Sranan (1957), een wegwijzer in de
Surinaamse geschiedenis met op praktisch elke bladzijde ook aandacht
voor bellettrie, heeft vermoedelijk eerder voor onderzoekers dan voor
leerkrachten gefunctioneerd.
120De door mij geraadpleegde editie vermeldt ‘Niet
in den handel’ en is met een omvang van 85 pagina's niet
gelijk aan het gelijknamige ‘Uittreksel voor Mulo’
van 26 pagina's dat Schalken 1985: 158 en Schalken 1989: 44 vermelden.
Mogelijk gaat het bij het door mij geraadpleegde boek om een
docentenboek.
121Van der Land 1970: 29.
122Volgens
Jerry Egger, ‘Caraibisch Literair Panorama’, in DWTL
462/18-1-1997.
123Gobardhan-Rambocus 1997: 243 en 2001: 442-445. Zij bespreekt ook het
taalbeleid van het bureau. Zie ook Gordijn 1970: 45-48.
124Eersel 1993: 65. Gobardhan-Rambocus 2001: 445 vermeldt bovendien dat
Sara Gudschinsky, expert op het gebied van alfabetisatiecampagnes,
meende dat de boekjes te weinig illustraties bevatten voor beginnende
lezers.
125Zie ‘Het nut
van een taalbureau’ door Bureau Volkslectuur, in DWT
1381/12-3-1962; Gordijn 1970: 48 e.v.; Gobardhan-Rambocus 2001:
448-452.
126Verslag van het congres van
taalleraren (1964: 13). Over het congres: Bruma 1964;
Gobardhan-Rambocus 2001: 476-479.
128Gobardhan-Rambocus 1997: 242.
129Over de
taalpolitiek in de jaren '60 en '70: zie Gobardhan-Rambocus 1997:
238-241.
131De Encyclopedie van
Suriname 159 meldt ten onrechte 9 juli als Donicies
overlijdensdatum (verg. DWT 3281/11-6-1968).
132DWT 3116/22-11-1967, DWT 3521/21-3-1969.
133In 1959 het Spaanse paar Susana y
José (dat voor het CCS te duur was), in 1960 het
Curaçaose paar Carlos Silie en Rita Gardeslen, in 1960 ook
het Indiase ensemble Shri Bhaskar (bespreking door Bea Beerman in DWT
913/30-8-1960). Over de opening van Star: DWT 89/13-12-1957.
134Zie daarvoor
Gordijn 1970: 65-77. De Pro Arte Kunstkring liet voor het eerst van zich
horen in 1969 en wilde de deelname aan het culturele leven stimuleren
zonder de Nederlandse overheersing van Sticusa en CCS. De kring was maar
kort actief.
136In de jaren 1967, 1968
vertoonde de liga ook enkele beroemde Hindi-films, bij gebrek aan
ondertiteling ingeleid door J.H. Adhin (de historische rolprent Jhansi ki Rani [Koningin van Jhansi] en de muziekfilm
Geet gaya pattharon me [De stenen zongen een
lied]).
138E.Th. Waaldijk vergeleek film en
toneelstuk in DWT 1244/29-9-1961 en DWT 1245/30-9-1961. Recensie van de
theatervoorstelling in DWT 1191/29-7-1961 en DWT 1192/31-7-1961. Pengel
besprak in DVS 1/2-4-1960 ook de film Orfeu Negro van
Marcel Camus, waarin de zwarte mens en het noodlot centraal staan in een
Braziliaanse setting.
139Een lijst ervan in EvS 208. Zie
voor de film ook Swinkels 1978.
140Bespreking in DWT 2057/4-6-1964 (Van
der Horst), resp. DWT 2974/8-6-1967 (Hillen). De eerste film is, naast
andere Suriname-films uit deze periode, aanwezig in de mediatheek van de
Rijksvoorlichtingsdienst, 's-Gravenhage.
141Gebri doro, uitgezonden door de KRO op 4-12-1972, is aanwezig
in NAA, sign. M47834. Operation Makonaima in het
Nederlands Filmmuseum. Over deze films: VS 1453/31-5-1972, resp. VS
1433/8-5-1972, 1526/24-8-1972 en 1555/27-9-1972.
142DWT 4623/15-11-1973; verg. ook DWT 4770/16-5-1973. Zie over
Wan pipel § 1.5 van de periode
1975-2000.
143Jaartallen en weergave van titels in de Encyclopedie van Suriname, p. 633 zijn
incorrect.
144In de Grote Stadskerk,
de RK Kathedraal en de Wanicakerk onder leiding van Hugo van Ams. Zie VS
1407/6-4-1972 en SJ, 4 (1974), no. 4, 1 juli. Over Hajary: Leefmans
2000: 100-101.
145Deze ontwikkeling wordt beschreven door Weltak 2000: 46-47 van wie ook
de twee volgende citaten afkomstig zijn.
147Van Binnendijk
Faber 1995: 14. Zie ook de artikelen van Chin A Foeng in VS
1133/24-6-1971 en VS 1143/7-7-1971. Deelonderzoek no.
14 (Bijlage A, Kd3, 14-A82) noemt 1965 als oprichtingsjaar. Ottes
1999: 37-40 noemt 1967 als oprichtingsjaar. Paul Woei, geb. 31 mei 1938
te Paramaribo, kreeg met zijn verhaal ‘Granbori (Een dag op de
Tapanahony)’ een eervolle vermelding bij de Van der Rijn-prijs
1970; opgenomen in I sa man tra tamara!? (1972:
131-148).
148Over het instituut zie Chin A Foeng
1967; over het conflict Ottes 1999: 36. Jules Chin A Foeng was ook de
eerste voorzitter van de in 1968 opgerichte Grafische Kring (DWT
3363/17-9-1968).
149Het Natuurhistorisch Museum te Zorg en
Hoop dat bestond tot 1972, het Surinaams Museum in het Fort Zeelandia,
het in 1967 geopende Openluchtmuseum Nieuw-Amsterdam, en de
Jodensavanne, in gebruik gesteld in 1973 na twee jaar restauratie van de
resten van de nederzetting rond de oude synagoge.
150R. Ravales [sic], ‘Wat is het
schoonheidsideaal van de Surinamer?’, in DWT
2170/15-10-1964.
151Nola Hatterman,
‘Voor elk ras gelden eigen schoonheidsnormen’,
in DWT 2171/16-10-1964. Zie ook DWT 2171/16-10-1964.
152‘Olga Esser Miss Ebony 1966’, in DWT
2821/5-12-1966.
153Carmen Bhaggan werd tot Miss Saree gekozen (DWT
2849/7-1-1967).
155Zie voor deze ontwikkelingen en de leiders van
de CCS-Balletschool: Gordijn 1970: 83-87.
156‘“Rode Paloeloe” sluit Maria Huismans
taak af’, in DWT 236/12-6-1958. Zie over de laatstgenoemde
voorstelling: Snijders 1998: 49-53, met weergave van de intrige.
Recensie in DWT 591/10-8-1959. Over Huismans opvattingen: Huisman
1957.
157Recensie
door G[er] D[ijs] in DW 8161/23-5-1960.
158Geciteerd bij Gordijn 1970: 84. Formeel is Muntslags voornaam:
Purcy, hijzelf schrijft altijd Percy.
159Recensies van T[hea] D[oelwijt]
in S 12518/21-3-1969; J.H. Slagveer in DWT 3530/2-4-1969; een
anonieme recensie in S 12525/29-3-1969.
161Zie EvS 522-524, Kensmil 1960
en Wolf 1978: 344-345.
162Sticusa Jaarverslag 1962: 19.
163Voorhoeve 1997: 245, noot
163.
164Over het ontstaan: Voorhoeve 1997: 291, 293, 333, 346,
348. In Voorhoeve Donicie 1963: 83 wordt De Bruin
overigens niet als mede-auteur vermeld.
165Eind
jaren '50 verzorgden Tom Paape en John Leefmans (opgevolgd door Sieg
Lochem) ook een vaste praatrubriek over de West.
168Zoals Africains de Guyane (1970) van
Jean Hurault, Paw a paw dindoe: Surinaamse
houtsnijkunst (1979) van F.H.J. Muntslag, Afro-American arts of the Surinam rain forest (1980) en
Maroon arts (1999) van Sally en Richard Price,
Gaama duumi, buta gaama (1992) van Ben
Scholtens en anderen, Sieges sculptures
chez les noirs-marrons des Guyanes (1995) van Paulin
Bruné en Indiens de Guyane (1998) van
Jean Hurault en Françoise Grenand.
169‘Heimwee’, in Ramdas 1992: 7-29. Verg. ook het
essay ‘De lege koffers van Jamaica Kincaid’ van
Marnel Breure (1995: 49-65).
171‘Besmettelijk’
verscheen in Buitenspiegels 1998: 65-68. Verg. ook het
getuigenis van Woody Brunings in Dümpel Brunings
2000: 67. Benny Ch. Ooft, ‘De mythe van Holland: Achtergronden
van de trek naar Europa’, in VS 380/27-4-1968.
172Over dit soort
schrijversgevallen schreef Hugo Pos het essay ‘Waarom?
Daarom’ (Pos 1988: 50-56). Verg. ook § 11, en de
getuigenissen in Jansen van Galen 2000.
174Kross 1971: 117, 119, 121.
175Een
feestavond van het Verbond op 29 mei 1965 zag er zo uit: onder leiding
van H.C. van Renselaar was een banya-dans
ingestudeerd, een combo van drie ‘exotisch aangeklede
jongelui’ bracht Zuid-Amerikaanse nummers, de dansschool van
Eugène Rellum presenteerde Zuid-Amerikaanse dansen,
‘zwierig en correct’, de jeugdige Ellen Ombre
declameerde gedichten van Surinaamse dichters, en tenslotte was er een
frijaroso, een verjaardagsfeest bij Misi Koosje
die door haar zangvereniging een aubade werd gebracht. ‘Daarna
werd op de tonen van de door Schermacher geleide band, tot 4 uur in de
morgen geanimeerd gedanst.’ Citaten uit een verslag in Djogo, 7 (1965), nr. 3, mei/juni, pp. 3-4, die
‘Scheermakers’ schrijft.
176Het was samengesteld uit afvaardigingen van Ons
Suriname (Hugo Olijfveld en Hugo Kooks) en Surinaamse
studentenverenigingen uit Amsterdam (John Muller), Leiden (John
Leefmans) en Nijmegen (Marcel Kross) en een delegatie van Surinaamse
vrouwen (Jane Wijdenbosch). Vooral tussen de sterker links
georiënteerde Amsterdamse delegatie en de behoudende Leidse
ontstond er een richtingenstrijd, waardoor het hele Psce een stille dood is gestorven.
177Vereniging Ons Suriname 70 (1990: 108); zie in dat
jubileumboek voorts pp. 92-94 en 122-125 over het Psce.
178Avond op
14-2-1959; de gedichten waren van Marcel Kross, Tjong A Fong en Harold
Slengard (DWT 448/18-2-1959). In mei bracht Otto Sterman er Surinaamse
volkssprookjes en droeg hij het gedicht ‘De recruut’
van Marcel de Bruin voor (DWT 528/28-5-1959). Over het sociaal-culturele
leven onder Surinamers in Nederland zie ook Slagveer 1968a.
179In een
bespreking van Mamjo in DWT 1181/18-7-1961.
180Onder meer Ed. Hoornik, Cees Nooteboom en Loet Steenbergen
speelden er een rol in.
181Sticusa Jaarverslag 1965: 57.
182Aldus een bericht in Djogo, 8 (1966), nr.
5, september/oktober, p. 6.
183Zo
hield Balli Brashuis op 15 januari 1971 een voordracht over de
winticultus, Frank Martinus Arion op 11 juni 1971 over poëzie
en cultuur in een ontwikkelingsland, Rodney Russel en Edgar Cairo
hielden op 17 september 1971 literaire voordrachten, Johanna
Schouten-Elsenhout op 18 februari 1972, Hubert Booi op 30 juni 1972,
Ch.J. Wooding sprak op 19 januari 1973 over winti, Cola Debrot op 11
februari 1974 over literatuur op de Antillen, Jan Voorhoeve op 23 april
1976 over het Surinaams na de onafhankelijkheid terwijl Vernie February
voordroeg uit Creole Drum (verslag in VS
2623/26-4-1976). Pim de la Parra hield op 25 maart 1977 een causerie
over zijn film Wan pipel. Vermoedelijk hield ook Bea
Vianen ooit een lezing voor Caribiton (Pos 1973b: 407 maakt er gewag
van, maar noemt de gelegenheid niet).
184Djogo, 5 (1963), nr. 5, mei/juni,
p. 2. Slory's tekst werd in het programma afgedrukt en herdrukt in Bhāsā 2 (1985), nr. 3, juni, p.
4. Er waren natuurlijk talrijke andere multi-etnische initiatieven,
zoals de formatie in 1960 van de popgroep Crazy Rockers
(Dümpel Brunings 2000).
185Michaël Slory
weigerde zijn studiebeurs terug te betalen en schreef een brief, dd. 23
augustus 1972, aan Rijksstudietoelagen in Nederland die hij per stencil
verspreidde onder de Surinaamse bevolking: ‘De prijs voor de
vrijheidsstrijd voor Suriname is heel hoog geweest.’ (Brief in
Privé-Domein 73-76.) Over linkse
remigranten zie ook Sedoc-Dahlberg 1971: 115-125 en 169.
|
|