|
|
|
| |
| | | |
2. Drukkerijen en uitgeverijen
John Leefmans was in Mamjo van
oktober 1962 over de kwaliteit van het drukwerk van de jonge generatie weinig te
spreken. Hij had zich laten vertellen
dat de Surinaamse drukkers voortreffelijk werk kunnen afleveren, als je
hen maar een goed ontwerp aanbiedt. Het moet dan wel aan het geringe aantal
goede ontwerpers liggen, (en ook aan het gering aantal opmakers en korrektors,
want de kranten zien er niet beter, zeker veel slechter uit), dat wij nog steeds
geen goede (pretentieuze) Surinaamse uitgave hebben gezien.185a
Hoe men ook over het tot dan toe verschenen literaire drukwerk mag denken, die
‘pretentieuze’ uitgaven kwamen er snel. Al
vóór de klacht van Leefmans was het tijdschrift Soela verschenen en in 1963 verscheen de bundel Anjali van Shrinivási. Beide
uitgaven waren verzorgd door Stuart Robles de Medina en beide waren gedrukt bij
Varekamp Co. Met hun royale formaat, hoge papierkwaliteit,
meerkleurenomslag en onberispelijke lay-out druk staken de uitgaven het drukwerk
van Nederland naar de kroon.
Anjali noch Soela waren overigens uitgaven
van Varekamp. Soela was een uitgave van W.L. Salm. Anjali werd op kosten van
Shrinivási zelf gedrukt, zoals het gros van de uitgaven in Suriname
altijd in eigen beheer verscheen, al werd aan menig boek een officieel tintje
gegeven door een uitgeversnaam op de titelpagina te zetten. Wel boden de
drukkerijen de auteurs regelmatig kredietruimte, zodat deze een deel van de
oplage konden verkopen alvorens de rekening te betalen.
Varekamp bleef zijn reputatie van kwaliteitsdrukkerij ook later met veel fraai
drukwerk gestand doen. Maar de drukkerij die nadrukkelijk haar stempel zou
zetten op de jaren 1957-1975 was Eldorado. Onder het strenge bewind van Coba
Cobelens rolden daar vele uitgaven van de persen, die er niet alleen
druktechnisch zeer verzorgd uitzagen, maar die ook tenminste wat betreft de
taalhantering onberispelijk waren. Eldorado drukte Moetete,
maar ook het werk van praktisch alle auteurs rond dit tijdschrift, alsook de
boeken die vanaf 1969 uitkwamen bij het Bureau Volkslectuur. Een enkele maal
trad Eldorado ook op als uitgeverij, maar er werd strikt vastgehouden aan een
commercieel uitgangspunt: toen in de jaren '80 de inflatie hoog opliep, werden
opdrachten voor het drukken van boeken geweigerd. Met het overlijden van Coba
Cobelens in 1996 hield het bedrijf op te bestaan.
Aan het laten drukken bij Varekamp of Eldorado hing ook een prijskaartje. Auteurs
die over minder financiële middelen beschikten, kwamen terecht bij
een van de andere drukkers. De grafische sector groeide in de jaren '60
exponentieel en opvallend veel javanen vonden er emplooi. Bij de overname van
het weekblad De Vrije Stem in 1962 begon Wilfred Lionarons een
drukkerij die werd ingericht door de Amsterdamse lettergieterij Tetterode.
Drukkerij Lionarons vond zijn zakelijke bestaansgrond overigens eerder in het
drukken van boeken (onder meer van Verlooghen) en het Gouvernements
Advertentieblad, dan in De Vrije Stem, dat pas begon
te renderen toen het - als dagblad - in de jaren '70 hogere oplages behaalde.
Kort na Lionarons kwamen er verschillende nieuwe drukkerijen bij: Dubois
Dubois drukte voor Beitler en Verlooghen, drukkerij Paramaribo
tekende voor menige nationalistische bundel onder meer van Benny Ooft, bij
West- | | | | fort klopten Chin A Foeng, Heyde en Pakosie aan, bij
Atlas: Celliano, Juanchi en Mendoņça. De oudere drukkerij
Van den Boomen trok traditioneel de katholieke auteurs als Coen Ooft en Paul
Marlee, bij J.J. Buitenweg werden praktisch alle dichtbundels van Slory gedrukt,
D.A.G. drukte voor onder meer Slagveer en Sluisdom. Op zijn debuutbundel na,
liet Shrinivási al zijn boeken bij Eldorado drukken, maar weinig
auteurs kenden een vergelijkbare ‘drukkerstrouw’. R. Dobru
bijvoorbeeld liet zijn boeken drukken bij Van den Boomen, D.A.G., Eldorado,
Buitenweg, Vaco, Lionarons, Paramaribo, Inalca, Westfort en Afri-kofi - ook in
dit opzicht was hij een ‘nationaal’ dichter.
Wie zijn werk niet in het Latijnse schrift wilde laten drukken, had niet veel
keuze. Hindi dichters weken uit naar India, tot Saraswatie Press, in 1957 als
boekhandel begonnen aan het Pad van Wanica, de beschikking kreeg over een
drukpers voor het Devanagari. Het drukwerk dat van die pers kwam, was overwegend
van religieuze aard. Overigens werden en worden deze uitgaven soms door
hindostanen ook gerekend tot de letteren, wat gezien de nog altijd wijdverbreide
verhalen uit de oude Indiase hindoeïstische boeken wel begrijpelijk
is.186a Saraswatie Press drukte voorts onder meer de
dichtbundels van Chandramohan Randjitsingh. De chinese vereniging Kuo Min Tang
kreeg in 1958 een volledig geoutilleerde Chinese drukkerij uit Taiwan.187a Mij is niet bekend
dat daar ooit iets anders is gedrukt dan kranten of pamfletten.
Surinaamse uitgeverijen kampten met een moeilijke situatie: een beperkte
omloopsnelheid van het boek, gebrekkige distributiemogelijkheden, geen
gegarandeerde continuïteit in aanlevering van goede manuscripten, een
jonge traditie van boeken kopen, de precaire vertrouwensband met de auteurs en
de concurrentie van kapitaalkrachtiger uitgeverijen in Nederland.188 Niettemin heeft Suriname een aantal uitgeverijen in
eigenlijke zin gekend.
W.L. Salm (1901-1963) was al
vóór de oorlog naar Nederland gegaan waar hij als uitgever
onder meer boeken van Surinaamse auteurs uitgaf: Suriname: het
vergeten land van Tj. Arkieman, Suriname aan de
tweesprong van Lou Lichtveld, Suriname nu en straks van
J.A.E. Buiskool. Die activiteit zou hij na zijn repatriëring in 1947
opnieuw opvatten: hij gaf Spanhoek van Coen Ooft uit en Moesoedé [Ochtendkrieken] en Kren/
Klim van Eugène W. Rellum.189 Het lag in de
bedoeling dat Wim Salm ook de uitgever zou worden van Slory's eerste bundel,
maar dat ging uiteindelijk niet door.190 Zijn overlijden verhinderde voorts
dat hij het literaire tijdschrift Soela kon voortzetten; na
drie nummers werd het overgenomen door het Bureau Volkslectuur (zie het Profiel
van Salm in het vorige hoofdstuk).
Kersten Co bracht een aantal non-fictieboeken op de markt, vooral
gericht op het onderwijs, zoals aardrijkskundige publicaties van H.N. Dahlberg
en de Woordenlijst Nederlands-Surinaams van Rediman. Voorts
bracht Kersten een reeks uitgaven met kin- | | | | derliedjes onder de titel
Surinaamse kwikstaartjes, samengesteld door pater A. de
Groot, en bij het tweehonderdjarig bestaan van de firma in 1968 de
geschiedschrijving Zaken, zending en bezinning van de hand van
Albert Helman. Door het in consignatie nemen van boeken, of met directe
financiële steun, hielp Kersten aankomende auteurs, zoals Glenn
Sluisdom met zijn dichtbundel 2223, 2224, 2225, 2226, die
uitkwam in 1975.
Als uitgeverij bracht Varekamp vooral non-fictie-boeken voor een breed publiek,
zoals kookboeken, samen met Volkslectuur de Woordenlijst van het
Sranan-Tongo en de fotoboeken Suriname van Willem van
de Poll en Spiegel van Suriname. Verder publiceerde zij een
beperkt aantal wetenschappelijke uitgaven. Wat bellettrie betreft legde Varekamp
zich toe op uitgaven voor de jeugd, als de vertellingen Ondrofeni
sa leri ju [De ervaring zal het je leren] van Ahlbrinck en Donicie, Jorka-Tori [Spookverhalen] van A. de Groot en Thea Doelwijts
Sis en Sas de ruziestrooiers.191 Literaire
boeken voor het volwassen publiek waren de uitgave van het Caraïbisch passiespel van Albert Helman en Benny Oofts Avonden aan de rivier.
Het in 1958 in het leven geroepen Bureau Volkslectuur kwam met een reeks
eenvoudige uitgaven waarmee werd gepoogd voor een weinig onderlegd leespubliek
de kloof te dichten naar ‘normale’ boeken (zie §
1.4). Toen deze onderneming geen doorslaand succes bleek, legde het Bureau zich
toe op literair belangwekkende, maar commercieel moeilijk te realiseren uitgaven
als de novelle Temekoe en de poëziebundel Kra, beide in het Sranan, van Edgar Cairo, een odo-boek van Johanna Schouten-Elsenhout, de verzamelde gedichten van
Trefossa en de memoires van M.Th. Hijlaard. Voorts bracht zij baanbrekende
bloemlezingen als Wortoe d'e tan abra [Woorden die
overblijven] van Shrinivási en Kri, kra! en Geen geraas of getier van Thea Doelwijt. De eerste twee
bloemlezingen haalden ieder vier drukken en een totaaloplage van meer dan
15.000. De Stichting Volkslectuur bekommerde zich voorts om de heruitgaven in
1980 en 1995 van de woordenlijst Sranantongo.
Kenneth Madarie en René Mungra startten in 1972 met een kapitaal van
ƒ2000,- Granma. Ze wilden ‘alles uitgeven wat met Suriname
te maken heeft en wat niet remmend werkt op het bewustwordingsproces van de
Surinamer.’192 Uit dit enthousiasme werden nog hetzelfde jaar twee
dierenboekjes van H. Heyde geboren en de dichtbundel Wan
anoe/Handreiking van René Mungra. Of toen het kapitaal, de
animo of het bewustzijnsverruimende werk op was, is niet bekend.
In 1974 startte Frank Ranada in Den Haag met Pressag; deze uitgeverij gaf boeken
uit van Johan Evert Benjamin, Nell. Bradley, Astrid Roemer, Corly Verlooghen,
Jules Wijdenbosch, Sig.W. Wolf, Zaïre 't Jones (ps. van Johan Edwin
Hokstam) en het tijdschrift
Oro
, maar na negen maanden was het gedaan met het bedrijfje. Op 15 november
1976 heropende de uitgeverij annex grafisch productiebedrijf haar deuren, nu in
Paramaribo onder de naam Bolivar Editions. Volgens een nogal ronkend artikel in
het huisblad
Oro
kwamen al direct tien manuscripten van bekende en onbekende auteurs
binnen.193 Feit is dat de uitgeverij binnen de
twee jaar dat zij actief was interessante nieuwe boeken en | | | |
heruitgaven op de markt bracht van A.C. Cirino, Ané Doorson, Nola
Hatterman, Joruno, Ruud Mungroo en Tecumseh.
Vanaf 1968 tekende zich een duidelijke trend af: prozaschrijvers die zich in
ernst wilden toeleggen op het schrijversvak, zochten hun heil bij Nederlandse
uitgeverijen. De romans die na dat jaar nog in Suriname verschenen, zijn op de
vingers van één hand te tellen. Leo Ferrier beet het spits
af bij De Bezige Bij in 1968, Bea Vianen volgde het jaar daarop bij Querido.
Volgens Wim Rutgers konden Ferrier en Vianen profiteren van een literair klimaat
in Nederland, waarin voor het Caraïbisch gebied belangstelling was
ontstaan:
Cola Debrot's Antilliaanse Cahiers die vanaf 1955 bij
De Bezige Bij uitkwamen, hielden in 1967 op te bestaan. In datzelfde jaar
richtten op Curaçao echter P.T.M. Sprockel en Jan Beaujon de
‘Stichting voor Antilliaanse literatuur’ op, die het
weliswaar niet langer dan een lustrum zou uithouden, maar die enkele belangrijke
uitgaven bij De Bezige Bij wist onder te brengen, zoals in 1967 Tip Marugg's In de straten van Tepalka, in 1969 Guillermo Rosario's E rais ku no ke muri en in 1970 nog Elis Juliana's Echa cuenta. Dat is kwantitatief gezien niet veel, maar
kwalitatief bepaald niet mis. Het is niet onwaarschijnlijk dat Ferrier van deze
aandacht van de uitgever voor werk uit de West heeft geprofiteerd.194
Rutgers' veronderstelling is niet onaannemelijk. Opvallend is wel dat De Bezige
Bij altijd veel meer belangstelling heeft gehad voor de Antillen dan voor
Suriname.195 Edgar Cairo bracht twee boeken bij het Bureau Volkslectuur, en
beproefde vervolgens zijn geluk bij verschillende uitgeverijen in Nederland.
Zijn naam komt voor in een lijst van namen van schrijvers die door De Bezige Bij
werden geweigerd ‘ook al toonden zij enig talent te
bezitten’.196
Surinaamse schrijvers in Nederland konden de gebraden eenden bepaald niet van de
straat plukken. Het leespubliek voor boeken in andere talen dan het Nederlands
was klein en niet via de traditionele distributiekanalen bereikbaar, maar ook
diegenen die in het Nederlands schreven, vonden niet gemakkelijk onderdak bij
uitgeverijen. Edgar Cairo schreef daarover in de Volkskrant:
De Nederlandse uitgever is, vooral om economische motieven, primair
niet geïnteresseerd in cultuurgoed uit de West. [...] Wanneer een
uitgever in dit land werk van zo'n auteur uit de West publiceert, dan is dat
primair voor de Nederlandse markt. Suriname, of de Antillen, hangt er zo'n
beetje bij. Dit is je reinste vorm van neo-kolonialisme.197
Cairo vergat in zijn woede dat er geen enkele infrastructuur bestond om in
Nederland uitgegeven boeken in de West te distribueren, en dat de groeiende
populatie van Surinamers in Nederland vooralsnog de verkoopcijfers van
Surinaamse boeken niet spectaculair | | | | had doen groeien. Hij had wel
gelijk in wat hij zei over het effect van die situatie: dat auteurs gedwongen
waren af te zien van het gebruik van de volkstalen en teksten aan te leveren
‘in voor Nederlanders zoveel mogelijk verstaanbare taal.’
Cairo pleitte voor de aanstelling van landgenoten bij de uitgeverijen die dan
het Surinaamse werk konden beoordelen, en hij brak een lans voor een landelijke
stichting met een commissie die op grond van literaire kwaliteiten al of niet
tot publicatie van een werk zou overgaan. Vooralsnog zou het daar niet van
komen.
Cairo vond uiteindelijk voor lange tijd onderdak bij In de Knipscheer. Astrid Roemer bracht in 1970 in eigen beheer haar
dichtbundel Sasa, in 1974 kwam bij het Algemeen Bureau voor de
Statistiek (!) haar roman Neem mij terug Suriname uit, die het
jaar daarop werd herdrukt door Pressag. Uiteindelijk vond ook zij, in 1982, een
warm nest bij In de Knipscheer. Enkele meertalige dichters werden uitgegeven
door Editorial Antiyano. Het in Amsterdam gevestigde eenmansuitgeverijtje van
Stanley Cras dat zich vooral op Antillianen richtte, bracht in 1973 Wroko bari (Gente) van Blaw-Kepanki, Matapinti van
Luciën Maynard en Gedichten van Eugène
Rellum. Een ander eenmansbedrijfje dat bijna uitsluitend literatuur van
Antillianen bracht, was het Rotterdamse Flamboyant van Andries van der Wal. In
1973 verscheen bij Flamboyant ook een kleine keuze uit de gedichten van Johanna
Schouten-Elsenhout: Surinaamse gedichten. Flamboyant hield het
vol tot 1980 toen Van der Wal zijn fonds overdeed aan In de Knipscheer.198
In Suriname werd de uittocht naar Nederlandse uitgeverijen met gemengde gevoelens
ontvangen. Er was bewondering dat deze schrijvers nu ook bij de
‘grote’ uitgeverijen meetelden, maar in de ogen van de
nationalisten was daarmee nog geen ‘bijdrage aan de opbouw van het
land’ geleverd. In Nederland gepubliceerde boeken konden ook nooit
meedingen naar prijzen in Suriname. Zo zit er toch meer achter een
ogenschijnlijk neutrale titel van een recensie als die van Thea Doelwijt over Ferriers Ātman:
‘Surinaams romandebuut in Nederland’.199
|
185aLeefmans 1961/62f: 27.
186aPandit Ramdoekhie Sheoratan Shastri
liet vanuit de behoefte aan havan-boeken [met de
dagelijkse ceremoniële hindoeteksten] bij Saraswatie Press
uitgaves in het Hindi en Nederlands drukken als Prāthanā Prakāsh [Het licht van
de bede] (1974) en Bhakti Prakāsh [Het licht
van de Bhakti] (1981). Zie voor ander drukwerk van deze aard de bibliografie
in Bakker 1999: 273-280.
188Uitvoerig ben ik op deze problemen ingegaan in Van Kempen
1987b: 66-67.
189Geen
van beide bundels vermeldt overigens de uitgeversnaam.
190Zie hierover de
correspondentie in Voorhoeve 1997.
191Hoewel de uitgave vermeldt: Druk NV Varekamp Co, was deze
firma ook de uitgever (verg. Van Kempen 1987b: nr. 0296).
192Harold A. Biervliet,
‘De meeste Surinamers kopen nooit 'n boek: Granma wil meer
waardering voor Surinaamse literatuur’, in DWT
4550/21-8-1972.
193‘Nieuwe Surinaamse uitgeverij
van start’, in
Oro
, 2 (1976), nr. 6, pp. 9-11.
195De Bezige Bij bracht Debrot, Marugg,
Martinus Arion, De Palm, De Jongh, Henriquez en het beschouwend werk van
Rutgers. Welke factoren in het uitgeefbeleid van de Bij precies een rol
hebben gespeeld, zou nader onderzocht moeten worden - van de genoemde
auteurs komt in De geschiedenis van De Bezige Bij door
Richter Roegholt (1972) alleen prinses Juliana
voor.
196Wennekes 1994: 219. Ook bij
De Arbeiderspers lagen geregeld manuscripten van Cairo op de deurmat,
volgens mededeling van hoofdredacteur Martin Ros.
197Edgar Cairo, ‘Uitgeverijen doen niet veel voor
Surinaamse schrijvers’, in de Volkskrant,
21-6-1975. Zijn tekst werd nog dezelfde dag op de Antillen geparafraseerd
overgenomen door de Beurs- en Nieuwsberichten, en enkele
dagen later in DWT 5405/25-6-1975. Herdrukt in Privé-Domein 111-112.
198Over beide uitgeverijen: Rutgers 1994: 286-287.
|
|