terug  begin  verder
[p. 273]

6. Leespubliek en leesverenigingen

Harry Dilrosun, directeur van de Landsboekerij, zou, toen deze instelling in 1957 geliquideerd werd, op het Bureau Volksontwikkeling belast worden met de propaganda van het boek.246 Ongetwijfeld ging het om een snel verzonnen parkeerplaats voor een werkeloos geworden overheidsdienaar, want tenslotte was het CCS er al om met allerlei initiatieven te werken aan de leesbevordering. Hoe het ook zij, tastbare sporen heeft Dilrosuns aanstelling niet nagelaten.

Het leesmateriaal was rond 1960 nog altijd hoofdzakelijk van Nederlandse oorsprong. Bea Vianen herinnerde zich hoe zij zichzelf ‘een onvergetelijke tijd’ bezorgde ‘met het verhaal over Dreyfus, de spookverhalen van Grimm en de belevenissen van Pietje Bell’.247 Haar leeservaringen waren niet principieel verschillend van die van andere Surinaamse lezers. Volgens Corly Verlooghen bracht de schrijversgeneratie van het einde van de jaren '50 en het begin van de jaren '60 daar snel verandering in. Hij schreef in 1962: ‘Voor een klein land als het onze is het toch wel opzienbarend te konstateren dat binnen nog geen tien jaar zoveel gedichtenbundels zijn verschenen en dat de poëzie als fenomeen van de welvaart zich zo indringend in het bewustzijn van het volk heeft vastgezet.’248 De vraag is natuurlijk of de wens hier niet de vader van de gedachte was.

Close-up: Boeken voor het volk

Tastbare sporen als het ging om leesbevordering liet wel het in 1958 ingestelde Bureau Volkslectuur achter in de vorm van verschillende volksuitgaven die echter in onvoldoende mate grote groepen lezers bereikten, zoals eerder opgemerkt. Van het Bureau Volkslectuur verscheen in 1962 een artikel in De Ware Tijd, ‘De lezer en het boek’, waarin de leessituatie in Suriname onder de loupe werd genomen.249 Als we de boslandbewoners niet meerekenen is het probleem van Suriname niet het analfabetisme maar het half-alfabetisme, stelde het artikel. Surinamers lezen moeilijk en daarom lezen ze niet. Daarom ook is de eigen boekproductie zeer gering, wat weer de leeslust niet bevordert. De eenvoudige lezer wordt het best tot lezen geprikkeld, wanneer de eigen wereld te herkennen is in de tekst. Maar de wereld van de boeken in de boekhandel, als die lezer daar al komt, herinnert vagelijk aan de vreemde wereld van de boeken uit de drie of vier jaren lagere school. Als de lezer vijftien of meer jaren later als volwassene deelneemt aan de ontwikkeling van het eigen land, is de leesvaardigheid blijven steken op het peil van de derde klas lagere school met haar vreemde boeken.

Verder wijst het Volkslectuur-artikel op de gebrekkige taalkennis. De graad van leesvaardigheid vertoont een zekere evenredigheid met de beheersing van het Nederlands. Buiten de schoolpoort spreekt de gewone man niet in de eerste plaats het Nederlands, en drie of vier jaren schoolonderricht zijn niet voldoende om hem de taal van het boek bij te brengen. Maar zelfs boeken in de eigen talen worden niet of moeilijk gelezen omdat ze niet zijn afgestemd op de half-alfabeet of de zwakke lezer. (Deze observatie werd in 1972 bevestigd in een onderzoekje onder 150 ondervraagden, van wie er 128

[p. 274]

aangaven het Nederlands te prefereren als literaire leestaal.250)

Daarom beveelt Volkslectuur aan, de boekproductie af te stemmen op het publiek van half-alfabete en zwakke lezers. Het artikel beperkt zich verder tot de presentatie van de tekst, die belangrijk is om de leeslust van zwakke lezers te bevorderen: boekomvang, illustraties, lettertype, opmaak en boekuiterlijk komen aan de orde. Ook worden enkele inhoudelijke wenselijkheden aangegeven: voorlichtingslectuur, boeken over actuele vraagstukken, de inrichting van de staat, 's lands financiën, rechtspraak, onderwijs, hygiëne enz. Half-alfabetisme is in zeker opzicht een gevaarlijker kwaad dan analfabetisme, besluit het opstel, want zoals een oud Indisch gezegde luidt: ‘Onwetendheid is goed, grondige kennis is beter, maar oppervlakkige kennis is gevaarlijk.’

De schrijver van het Volkslectuur-artikel was naar alle waarschijnlijkheid Lou Lichtveld. Een kwart eeuw later schetste diens literaire alter ego Albert Helman een bijna identiek beeld van de leessituatie. Slechts circa 20% van de Surinamers tussen tien en veertig kon in het geheel niet lezen of schrijven, wat vergeleken met andere ontwikkelingslanden een positief gegeven was. Maar alleen oudere kinderen en ‘volwassenen die voor hun carrière met de een of andere studie bezig zijn’ hadden een vaste leesgewoonte ontwikkeld, al groeide die gewoonte wel snel bij de jeugd, meende hij.251 Het is een van de tamelijk wilde slagen in de lucht van Helman in zijn Cultureel mozaïek van Suriname; immers, in 1976 noteerde de bibliotheek van het CCS maar liefst 47.650 uitleningen per maand!252

 

Leesverenigingen zijn in de regel geen gezelschappen die de openbaarheid zoeken. Van de periode 1957-1975 is alleen bekend dat de aloude Keur van Letteroogst nog altijd actief was en dat er eind jaren '50 ook een leesportefeuille rondging van de joodse vereniging Moksie Watra die geleid werd door Hans Samson.

Pas uit een gedrukte lijst van Keur van Letteroogst, daterend van circa 1960 kan voor het eerst worden opgemaakt wat er in de leestrommels circuleerde: de lijst vermeldt 13 weekbladen van Autokampioen tot Punch, 24 maandbladen van De Gids tot Geographic Magazine, voorts 35 Nederlandstalige boeken, 22 in het Engels, 2 in het Frans en 1 in het Duits.253 Het boekenaanbod bevat veel actuele titels, Nederlandse bellettrie van Haasse, Hermans en Mulisch evengoed als Böll, Sagan en Somerset Maugham. De Caraïbische regio is vertegenwoordigd met Weekendpelgrimage van Tip Marugg, The mystic masseur van V.S. Naipaul en Latticed Echoes en A tale of three places van Edgar Mittelholzer. In grote lijnen blijft de samenstelling van het aanbod de daaropvolgende decennia gelijk. Een rondschrijven van 16 januari 1969 meldt (voor 't eerst?) een boek dat op Suriname zelf betrekking heeft: de Voyages Surinames (sic) van Benoit is te kostbaar om in de normale roulatie te worden opgenomen en kan gereserveerd worden. Enkel een lijst van 1970 bevat een Surinaams boek: Obia a no f' joe no spit na ini [Bemoei je met je eigen zaken] van Nel Bradley. Circa 35 leden van Keur van Letteroogst ontvingen in het begin van de jaren '70 de leestrommels om hun letters te oogsten.

246DWT 67/18-11-1957. De naam Dilrosun wordt in het bericht ten onrechte gespeld als: Dilrosum.
247Vianen 1972: 87.
248Corly Verlooghen, ‘Eigen literair tijdschrift Soela bundelt jong talent’, in DWT 1349/3-2-1962.

249DWT 1523/31-8-1962.
250Het laatste hoofdstuk uit Kanhai 1972.
251‘Het lezerspubliek’, in Helman 1978: 426-428.
252DWT 5825/12-10-1976. Misschien een wat geflatteerd cijfer: over het hele jaar 1978 werden 350.000 uitleningen genoteerd, volgens de Bibliotheekstatistiek in Suriname 1978 (1979: 115).
253De lijst is niet gedateerd, maar gezien het voorkomen van boeken uit 1959 als Billard um halb zehn en Eenzaam maar niet alleen van Wilhelmina vermoedelijk van 1960 of kort erna.
terug  begin  verder