|
|
|
| |
| | | | | |
10.0 Inleiding
Hugo Pos schrijft in
Reizen en stilstaan
over de jaren waarin Helman zijn eerste
boeken publiceerde:
Een of twee boeken die in Suriname spelen, ook al zijn ze
geschreven door een Surinamer, betekenen nog niet dat er zoiets als een
Surinaamse literatuur bestond. Daartoe heb je een follow-up nodig, een
literair klimaat van schrijvers en lezers.474
De vraag is of deze imperatief de grenzen niet te nauw trekt, maar hoe dan
ook: na 1957 was dat literaire klimaat er opeens wél. De ene na
de andere boekuitgave verscheen, er waren literaire tijdschriften, de
literaire kritiek speelde zijn rol, schrijvers ondernamen gezamenlijk
acties, de bibliotheken floreerden en in het literatuuronderwijs kwam
geleidelijk aan meer aandacht voor teksten uit de eigen regio.
Het vorige tijdvak, 1923-1957, vond zijn beginpunt in een belangrijk gegeven:
het ontstaan van een overzeese migrantenliteratuur met de eerste werken van
Albert Helman. Die tweesprong had onder meer tot gevolg dat een heel scala
aan migrantenthema's en -motieven zijn intrede deed in de Surinaamse
letteren. De tweedeling zou zich hoe langer hoe scherper aftekenen toen
steeds meer schrijvers zich definitief in Nederland gingen vestigen.
Maar de periode tot aan de onafhankelijkheid vertoonde in dit opzicht een
merkwaardig diffuus beeld: tal van auteurs verbleven jarenlang overzee, maar
repatrieerden (Shrinivási, Slory, Slagveer, Ferrier) of bleven pendelen (Trefossa, Rellum, Verlooghen, Kross, Vianen, Marlee, Benny Ooft). Zij maakten hun debuut in Nederland om
later belangrijk werk in Suriname te publiceren (Slory), of omgekeerd:
debuteerden in Suriname maar publiceerden het grootste deel van hun werk in
Nederland (Rellum, Vianen). Slechts enkelingen vestigden zich definitief
elders (Defares, Ashetu, Leefmans). In het werk van veel schrijvers is de
verplaatsing ook thematisch te volgen. Bij auteurs die het hart vormden van
de schrijvende nationalistische gemeenschap als Jozef Slagveer, Thea
Doelwijt en Benny Ooft, worden karakteristieke migratiemotieven
aangetroffen. Voeg daar nog aan toe dat Shrinivási en Leefmans
niet in het land waren toen hun debuutbundels in Paramaribo uitkwamen, en
dat iemand als Julius Defares zijn poëzie al in Suriname
geschreven had toen die tien jaar later in Nederland uitkwam, en het
historische ordeningsprobleem dat zich hier voordoet, zal glashelder zijn.
Zou Trefossa op grond van de thematiek van sommige gedichten als
migrantenauteur behandeld worden, dan zou dus het merkwaardige
geschiedverhaal ontstaan dat de grote inspirator van een hele generatie,
zelf op grond van de in het vorige deel aangehouden
geografisch-linguïstische indeling helemaal achteraan ter sprake
kwam. Dat is niet erg wenselijk.
Er is bovendien nog een ander belangrijk argument om in deze periode een
andere ordening aan te brengen: praktisch alle auteurs van de jaren
1957-1975 schreven in twee talen, en in enkele gevallen in meer talen. De
behandeling van hun oeuvre opgesplitst naar taal zou een onaanvaardbare
versnippering van het literair-historische beeld opleveren. Aangezien het
overgrote deel van de schrijvers zowel poëzie als proza schreef,
biedt ook | | | | een genre-indeling hier geen soelaas.
Om deze redenen wordt in het navolgende een algemeen beeld geschetst van de
literaire situatie in Suriname (§ 10.1.0), gevolgd door een
paragraaf (10.1.1) waarin de auteurs behandeld worden die in het Nederlands
en het Sranan schreven; omdat het hier gaat om praktisch alle toonaangevende
auteurs, is deze paragraaf ingedeeld volgens literaire tijdschriften,
waarbij een behandeling van het tijdschrift telkens voorafgaat aan de
Profielen van de auteurs die tot dat tijdschrift kunnen worden gerekend -
zelfs al heeft dat periodiek soms maar heel kort bestaan. Dan volgt een
paragraaf over teksten in andere talen (10.1.2 tot en met 10.1.4). In 10.2
wordt eerst een algemene paragraaf over de Surinaamse literatuur in
Nederland gegeven, gevolgd door een schets van het belangrijkste overzeese
literaire tijdschrift Mamjo met enkele auteurs die daarbij
horen (10.2.1). Vooral onder de migrantenauteurs waren er die zich praktisch
geheel afzijdig hebben gehouden van welk tijdschrift of welke groep dan ook,
maar van wie wel werk werd geselecteerd in de bijzondere Surinamenummers die
enkele Nederlandse tijdschriften deden verschijnen; zij worden behandeld in
§ 10.2.2. Twee auteurs van wie het debuut
vóór 1975 viel maar die een groot oeuvre ná
1975 op hun naam brachten, Edgar Cairo en Astrid Roemer, zijn ondergebracht
in deel IV over de geschreven literatuur van de jaren 1975-2000. Hetzelfde
geldt voor enkele dichters: Mechtelly, Albert Mungroo, S.
Sombra en Frits Wols.
| |
10.1 Teksten in Suriname
| |
10.1.0 Inleiding
| |
Creolisering
‘Creolisering is het antwoord van de creatieve mens op de
onmenselijkheid van deportatie, slavernij en culturele
onderdrukking,’ schrijft Geert Koefoed.475 De ruimte voor dat
antwoord was in de naoorlogse jaren in de letteren
gecreëerd door Koenders, Bruma, Redmond, Velder en
anderen en het antwoord zelf werd voor de eerste maal luid en
duidelijk geprononceerd door de dichter met de zachtste stem:
Trefossa, met zijn bundel Trotji. Hij, en in zijn
kielzog verrassend veel andere dichters, transformeerden oraal
cultuurbezit en de verworvenheden van een Europees
georiënteerde vorming tot een nieuw communicatiemiddel:
de geschreven Surinaamse literatuur. Zij zorgden ervoor dat talen,
gedachten en uitdrukkingswijzen een emancipatie konden ondergaan en
het eerste plan van de Surinaamse samenleving bereikten. Kernwoorden
om die nieuwe cultuur te benoemen waren zelfrespect, trots en eigen
identiteit. Met Trotji, schrijft Koefoed,
‘ontstond in één keer, op eigen
kracht, geschreven autonoom-Surinaamse literatuur.’476
Die autonomie was natuurlijk relatief. Johann Gottfried Herder had al
in zijn Abhandlung über den Ursprung der
Sprache (1772) betoogd dat taal noch een bewust product van
het menselijk verstand, noch een geschenk van God is, maar het
resultaat van het menselijk geestesvermogen om het door de zinnen
beleefde en waargenomene vast te houden en te onderscheiden van
andere waarnemingen door er een benaming aan te ge- | | | | ven.
Maar dat benoemen is beperkt door de historische ontwikkelingsgang
die beschaving en kunst hebben doorgemaakt.477 En dit is precies wat er gebeurde binnen de
generatie van Trefossa. Er werden nieuwe benamingen gegeven aan de
werkelijkheid en dat benoemen in poëzie was een Urerlebnis, maar de taal zat vol historische
connotaties. Schrijven betekende een nieuw begin, maar daarom nog
niet het schrijven vanaf een tabula rasa. Misschien het meest
gebruikte adjectief van deze schrijversgeneratie was het woord
‘zwart’ (Sranan: blaka), maar
hoe complex was alleen dit woordje al niet in zijn combinatie van
historische beladenheid en de nieuwe lading die het kreeg.
De schrijvers van het einde van de jaren '50 en begin jaren '60
bevochten hun autonomie op een eeuwenlang van buitenaf opgelegd
normenstelsel. Zij ‘schreven’ zich niet
‘in’ in een traditie, maar vormden met
fragmenten van bestaande en met nieuw-gecreëerde
elementen het begin van een eigen literaire traditie, bijna ex
nihilo. Of zoals Koefoed het scherp omschrijft, zij waren
‘ware creoliseerders’: ‘Zij hebben
zich een westers uitdrukkingsmiddel toegeëigend en er een
eigen uitdrukkingsmiddel van gemaakt. Zij hebben hun taal en cultuur
gepresenteerd in een geschreven literaire vorm die aan de
schriftculturen is ontleend, maar zijn erin geslaagd de band met de
creoolse orale cultuur te bewaren.’478
De karakteristieke toon van de besten van het tijdvak 1957-1975 is
inderdaad een opmerkelijk gegeven. Maar ook zij schreven niet met
een blanco lei. Hugo Pos noteert in zijn
autobiografie over de invloed die die generatie heeft ondergaan:
Ofschoon ik vrijwel al die dichters persoonlijk heb gekend
en sommigen hunner tot mijn vrienden rekende, weet ik tot op de dag
van vandaag van de meesten niet welke boeken ze gelezen hadden en
welke schrijvers invloed op hen hadden uitgeoefend. Ik acht het niet
aannemelijk dat zij meer dan een oppervlakkige notie hadden van de
grote dichters van de négritude zoals Aimé
Césaire, de surrealistische dichter uit Martinique, wiens
Retour au pays natal terecht
wereldvermaardheid kreeg (maar zonder gebruikmaking van een
vertaling moeilijk te lezen is). Op een enkeling na kenden ze geen
Spaans, ze moeten hun kennis dus uit het Engels en het Nederlands
hebben geput. Dat is natuurlijk meer dan voldoende, maar het geeft
geen uitsluitsel op de vraag welke heilzame fee achter hen heeft
gestaan toen zij de eerste regels op papier zetten. Alleen Trefossa
heeft de namen van Albert Verwey en Guido Gezelle genoemd, maar er
niet bij gezegd of hij die ging lezen voor of nadat hij de negentien
gedichten van Trotji had geschreven. Van
Shrinivási vermoed ik dat hij door Rabindranath Tagore is
beïnvloed479 en van
Michaël Slory die in Nederland Spaans ging studeren,
vallen misschien Garcia Lorca en Nicolas Guillén aan te
wijzen, maar van de anderen?480
Inmiddels tekent zich een iets duidelijker patroon af, waarbij in
algemene zin een onderscheid gemaakt kan worden tussen de auteurs
van 1957 tot circa 1962 en de latere schrijvers.
Hele schoolgeneraties waren opgegroeid met de Tachtigers, en ook de
schrijvers van de jaren '50 en '60 kregen door fraters en
EBG-onderwijzers deze gecanoniseerde Neder- | | | | landse
dichters met de paplepel ingegoten.481 Helman heeft er van
getuigd dat hij juist om die Tachtiger-invloed zijn debuutbundel,
De glorende dag, het liefste geheel zou
vergeten. Maar Bernardo Ashetu, Shrinivási en Frits Wols
waren gefascineerd door het werk van Willem
Kloos en in zijn heroriëntatie op het
Nederlands na 1982 greep Michaël Slory terug op Van Eeden en Gorter.482 In haar
autobiografisch getoonzette verhaal ‘Verbinding’
uit de bundel
Vrouwvreemd
(1994) beschrijft Ellen Ombre
hoe de verzen van Frederik van Eeden deel uitmaakten van de
zondagsrust in het grootouderlijk huis.483 Een tweede
belangrijke invloedsfactor is het werk van Guido Gezelle geweest:
hij liet de taalgevoeligsten in de schoolbanken voelen dat het
Nederlands niet enkel de taal van koopman en planter is, maar dat
die taal ook kan zingen. Vooral in het vroegste
werk van de Nederlandstaligen (De Rooy, Shrinivási,
Verlooghen) heeft de Vlaamse priester-dichter als richtinggever
gefungeerd. Trefossa vertaalde Gezelle's
‘Moederken’ in het Sranan.
De schrijvers die na 1962 debuteerden konden al voortbouwen op de
reeks debutanten die hen waren voortgegaan. Zij bewonderden hun
durf, maar die durf gaf hun ook de moed vérder te
springen. Zij wisten dat de sterkst geprononceerde beweging in de
Nederlandse letteren ná de Tachtigers, die van de
Vijftigers was geweest, en Kouwenaar, Schierbeek, Lucebert: dat
waren hún eigen tijdgenoten. Het zijn met name de auteurs
die lang in Nederland verbleven (Leefmans, Kross, De la Parra) die in hun vormtaal
schatplichtig aan de Vijftigers zijn geweest. (Opmerkelijk was dat
René de Rooy in 1957, toen hij de stand der letteren
opmaakte in het gedenkboek bij het tienjarig bestaan van het CCS, al
voorspeld had, dat de eerste belangrijke verzenbundel in het
Nederlands zou aansluiten bij de Vijftigers: ‘het zal in
hoofdzaak moderne, haast experimentele
poëzie-om-de-uiting zijn, met Suriname, zo het vaderland
er al in geproefd wordt, als bijzaak.’) Daarnaast hebben
Nederlandse dichters die niet direct tot de kern van Vijftig worden
gerekend, maar die in dezelfde tijd iets traditioneler werk
publiceerden - Hans Lodeizen, Ellen Warmond, Nico
Verhoeven, Ankie Peypers,
Paul Rodenko - belangrijke impulsen
gegeven aan het werk van Bernardo Ashetu,
Corly Verlooghen, Trudi Guda en Bea Vianen.
Voor verschillende Surinamers die rond het midden van de jaren '60
debuteerden, hebben bovendien de Franse existentialisten veel
betekend: Paul Marlee, Rodney Russel en opnieuw Rudi Kross hebben de
boeken van Sartre en Camus zeker gelezen.
Op individueel niveau zijn allerlei invloeden bij de schrijvers van
dit tijdvak aan te wijzen: het werk van Slory is sterk verwant aan
dat van Spaanstalige dichters als Lope de Vega en
Jiménez; Corly Verlooghen heeft zeker de invloed
ondergaan van de Zweed die hij vertaalde: Artur Lundkvist; Rellum en
De Rooy tonen verwantschap met de dichters van de négritude. Kortom: Surinamers konden, evenmin
als schrijvers van welke andere nationaliteit dan ook, zich
onttrekken aan de wetten die Johann Gottfried Herder twee eeuwen
eerder had uitgetekend.
In het tijdvak 1957-1975 ging de literaire communicatie zich hoe
langer hoe meer langs schriftelijke weg voltrekken. Vanaf de
oprichting van de Algemene Middelbare School | | | | (1950)
tot het midden van de jaren '60 geschiedde de literaire presentatie
goeddeels op een wijze die men een moderne variant op de orale
literatuur zou kunnen noemen: dichters droegen voor uit hun werk bij
tal van bijeenkomsten, werk werd besproken op avonden van kringen
van literair geïnteresseerden en op de radio.
In de loop van de jaren '60, met de toename van
onderwijsmogelijkheden en de politisering van het onderwijs, won de
geschreven literatuur terrein op de orale. Het bespreken van
literatuur op de radio vond opvolging in een literaire kritiek op
papier met de krantenrecensies van A.J.
Morpurgo, Thea Doelwijt en
anderen. Er kwamen literaire tijdschriften, het boekhandelswezen
breidde zich expansioneel uit, de bibliotheken gingen gouden tijden
tegemoet, de oplages van de kranten groeiden en er verschenen
culturele pagina's.
Dit alles betekende niet dat het orale element verdween. Het
volkstoneel zou alleen nog maar in populariteit groeien en waar tien
Surinamers bij elkaar waren, sprong de tiende op een stoel om een
gedicht te declameren. Het waren met name R. Dobru en S. Sombra die
in de jaren '70 met hun voordracht het orale element bleven
vertegenwoordigen, duidelijker dan ooit in dienst van politieke
idealen. En in de Surinaamse partijcultuur zou het element
‘cultuur’ bijna altijd aanwezig blijven: toneel
en dans, maar vooral: muziek, liederen en politieke gedichten
vormden de vaste entourage van het Surinaamse politieke
gebeuren.484
| |
Talen
Albert Gérard, die de opkomst
van Afrikaanse literaturen bestudeerde, wijst in de Europese
situatie een convergentie aan tussen de opkomst van democratische
staten en nationale literaturen: ‘Die convergentie is
logisch: op het politiek-administratieve vlak streeft de staat een
eenheid van bestuur na die gemakkelijker gerealiseerd kan worden als
ze kan steunen op de eenheid van het volk; en de individuen die
samen de nationale bevolking uitmaken, voelen zich des te
gemakkelijker solidair als ze dezelfde taal verstaan en
spreken.’485 In Afrika hebben de overheden er altijd voor
gewaakt dat het schriftelijk gebruik van de Afrikaanse talen zich
niet ontplooide. Toen de Keniaan Ngugi wa Thiong'o van het Engels
overstapte op het Kikuyu, belandde hij onmiddellijk om zijn kritiek
op de regering in het gevang.486
Dat in Suriname in de aanloop naar het onafhankelijkheidsjaar de
eenheid van de bevolking thema nummer één was,
is onmiddellijk duidelijk voor wie ook maar een handvol van de
tussen 1957 en 1975 verschenen dichtbundels openslaat. Maar het
spiegelbeeld van de situatie die Gérard schetst geeft ook
direct aan waar in Suriname de schoen wrong: de eenheidstaal was een
opgelegde taal, de taal van het gezag - het Nederlands. De tweede
‘eenheidstaal’, het Sranantongo, werd door met
name de hindostaanse bevolkingsgroep teveel geassocieerd met de
creoolse bevolkingsgroep om de status van nationale, officieel
erkende taal te kunnen verkrijgen. Uiteindelijk leidde deze situatie
tot een status quo met | | | | een passieve overheid die geen
onderricht in de volkstalen aanbood, en een dichtersschare die zich
sterk maakte voor die volkstalen, maar die anders dan op orale
wijze, het publiek amper kon bereiken. Het gebruik van de volkstalen
was eerst en vooral een affirmatie van eigen identiteit, niet een
pragmatische weg naar een leespubliek toe.
Zo geldt in sterke mate voor Suriname wat Gérard stelt
voor de Afrikaanse naties: ‘ik heb het gevoel dat als in
een orale maatschappij een beduidend aantal individuen vastbesloten
is om te gaan schrijven, dit een teken is van culturele vitaliteit,
van intellectuele energie en ook van geestelijke soepelheid,
kwaliteiten die op zijn minst even bepalend zijn als de wettelijke,
administratieve of financiële steun die door de
machthebbers verleend wordt. Zodanig zelfs, dat het bestaan van een
geschreven literatuur in de volkstaal de aanwijzing zou kunnen zijn van een sterke
groepspersoonlijkheid en tevens een werkende
kracht die een collectieve zelfaffirmatie tot stand
brengt.’487
In Suriname gaf de nieuwe schriftcultuur aanvankelijk de meest
spectaculaire resultaten te zien in de poëzie in het
Sranantongo. Van een verguisd volkstaaltje vlak na de oorlog, werd
het Sranantongo (nog bijna altijd: ‘het
Surinaams’ genoemd) een respectabele taal voor de
schrijvers van na 1957. De inzet van Papa
Koenders, van de intellectuelen rond Wie Eegie Sanie en
van de mensen die zich bezig hadden gehouden met het creoolse
volkstoneel in de jaren '50 had vrucht afgeworpen. In de acceptatie
van het Sranan hadden ook de nieuwe kranten en radiostations hun rol
gespeeld, zoals al eerder beschreven. Na Trefossa met Trotji, volgden al
spoedig Eugène Rellum met
Moesoedé
in 1960, Michaël Slory een jaar later met Sarka/Bittere strijd, Kwame
Dandillo met Reti feti, Edmundo met
Boskopoedron
en Titjari met Mamanten, alledrie in
1962, en tenslotte Johanna
Schouten-Elsenhout met
Tide ete
in 1963. Deze resultaten mogen des te opmerkelijker worden
genoemd, daar de positie van het Sranan altijd veel zwakker was dan
die van bijvoorbeeld het Papiamentu op de Antillen en Aruba, waarvan
de positie nog eens versterkt zou worden na de volksopstand en grote
brand van Willemstad van 30 mei 1969. Met de dichterlijke stemmen
van Trefossa en van die na hem kwamen, werd het Sranan de draagster
van authentieke, volwaardig literaire oeuvres en een heel volksdeel
hervond in die poëzie zijn waardigheid. De aarzeling en
zelfrelativering in de poëzie van Trefossa: ‘mi
a no mi’ (‘ik ben niet ik’), werd bij
de dichters die na hem kwamen een nadrukkelijk bevestigen van het
eigen ik: ‘mi na mi’ (ik ben ik). De
belangrijkste erfgenaam van de eerste generatie was vermoedelijk
Edgar Cairo die in 1969 debuteerde met de novelle
Temekoe
[Kopzorg], het jaar daarop zijn eerste dichtbundel, Kra [Geest], het licht gaf en in de jaren die
volgden een groot oeuvre opbouwde in het Sranan en
Surinaams-Nederlands.
Het elan van die eerste Surinaamse schrijversgeneratie is met
geestdrift geschilderd door René de
Rooy in zijn boek
Verworpen vaderland
(1979):
Het schijnt dat wij aan het begin staan van een nieuw
gebeuren. En er bestaan meer mogelijkheden dan wij vermoed hadden.
[...] Het heeft enige tijd geduurd, maar het tijdschrift is
tenslotte een feit geworden. Wij hebben er een klinkende naam voor
bedacht en wij zoeken contact met alle jonge schrijvers die iets te
zeggen hebben. En wij ontdekken nieuw talent. Nog herinner ik mij de
eerste verzen van Miguel Cornian [bedoeld is: Michaël
Slory - MvK] die hij aan flarden scheurde om zich te geven aan | | | | de uitdrukkingswijze die hem altijd na aan het hart
zou blijven: de landstaal. En na de verzen die wij van hem
publiceerden was de stroom niet meer in te dammen. [p. 67]
Dichters die het Nederlands als hun schrijftaal kozen, moesten een
eigen poëtisch universum zien te creëren in
een taal die al een oude poëzietraditie kende; hun
vormentaal zou onvermijdelijk geijkt worden aan die van de
Nederlandse dichters. Corly Verlooghen
waagde de eerste poging in 1959 met
Kans op onweer
, waarover Jan Voorhoeve schreef:
‘De gedichten waren voor de Surinaamse lezer tezeer
geïnspireerd op de Nederlandse poëzie en
misten een eigen Surinaamse toon.’488
Bernardo Ashetu volgde met
Yanacuna
in 1962, Shrinivási
debuteerde met
Anjali
in 1963.
Corly Verlooghen oordeelde zelf in 1962
over de jonge dichtersgeneratie die na Trefossa was opgestaan:
Niet altijd is echter de kwaliteit der dichtvoortbrengselen
van dien aard, dat zij au sérieux kunnen worden genomen.
Het spreekt vanzelf dat snobistische grootdoenerij om ook te mogen
meetellen de drijfveer is van diverse matige en ondermaatse
talenten, die zich in het koor der Surinaamse dichters mengen.489
En:
De in het Nederlands geschreven gedichten der
woordkunstenaars vertonen soms nog sporen van een niet geslaagde
linguïstische aanpassing, waarbij soms van koeterwaals
kan worden gesproken. Vooral de syntactische opbouw van het
poëtisch taalwerk wil bij menig Nederlands schrijvende
Surinaamse dichter nogal eens hinderlijke tekortkomingen opleveren.
Een reden te meer om aan te nemen dat de ontdekking van het
Surinaams de dichters welkom is om hen uit hun letterkundige armoede
te verlossen.490
Coen Ooft, die met
Spanhoek
(1958) een eerste Nederlandstalige verhalenbundel met
literaire pretenties publiceerde, worstelde niet minder met de stijl
die hem in jaren frateronderwijs was aangereikt. Toch zou het
Nederlandstalige proza misschien nog eerder dan de Nederlandstalige
poëzie, spoedig zijn eigen toon vinden, en dat was niet
in het minst te danken aan de eigen taalkleuring van het
Surinaams-Nederlands - een lokale variant die de Antillen nauwelijks
gekend hebben.491
| |
| | | |
Profiel: Coen Ooft
Leven en werk. Cornelis Desiré Ooft,
geb. 21 oktober 1920 te Paramaribo, was lid
van Spes Patriae, medeoprichter van de katholieke Progressieve
Surinaamse Volkspartij, Statenlid (1958-1969), minister (1963 en
1973-1977), hoogleraar staats- en administratief recht aan de
Universiteit van Suriname en medeopsteller van de Surinaamse
grondwet van 1987. Hij schreef na de oorlog beschouwingen voor Het Nieuws. Zijn verhalenbundel Spanhoek werd in augustus 1958 voor een verkoopprijs van
ƒ2,- op de markt gebracht door W.L.
Salm, met een omslag van Erwin de Vries. De bundel bevat
één lang verhaal, ‘De rode
paloeloe’ en een collectie van 51 korte teksten die de
lengte van een column niet overschrijden; ze waren geschreven voor
de eveneens ‘Spanhoek’ geheten rubriek van het
rooms-katholieke weekblad Omhoog en door Salm
geselecteerd.
‘De rode paloeloe’ is een liefdesgeschiedenis die
zich afspeelt op een van de stadserven van Paramaribo.492 Op
een feest komt het bijna tot een vechtpartij tussen de jongemannen
Max en Joel die beiden om de hand van Jannette dingen. Max heeft
haar een bos paloeloes bezorgd, rode bloemen met de puntigheid van
een dolkmes; het meisje ziet er zelf in haar rode jurk ook als een
paloeloe uit. De gasten kunnen een handgemeen voorkomen, maar de
feestvreugde is voorbij. Die nacht bedrinkt Max zich, maar als hij
bijkomt, ziet hij opnieuw Joel. Hij trekt zijn mes, maar daar
verschijnt Jannette als een paloeloe-fee die hem afhoudt van een
snode daad; Joel druipt af. Dit eenvoudig verhaalgegeven heeft
vooral zijn kleur gekregen door de beschrijvingen van de omgeving
die met de openingszin zo wordt neergezet:
Keek je over die zinken schutting, waarvan de rode verf in
de loop der jaren werd overmeesterd door ijzerroest, dan zag je ze
zwierig en gracieus zwenken en buigen, zigzaggen en scheren over het
gele zand, op de maat van muziek. [p. 5]
Al zou men gezien de titel verwachten dat het gelijknamige plein
centraal staat, het erfleven blijft ook in de andere schetsen van
Spanhoek een voornaam object. De figuren die
erin optreden zijn eenvoudige mensen uit het volk, die door de
omstandigheden bloot staan aan veel verleidingen, maar die juist
daarbinnen ook bijzonder veel fermheid van karakter kunnen tonen.
Maar het is nog niet het erfleven zoals dat in veel realistisch
proza uit de jaren '60 naar voren komt. Coen Ooft schrijft minder
‘rauw’ en wat plechtstatiger dan zijn jongere
collega's van een decennium later. Hij observeert als een journalist
(schrijvend in de ‘wij’-vorm, zoals ook Jacq.
Samuels die aan het begin van de eeuw hanteerde) die er niet op uit
is een reportage te schrijven, maar een lichte column, een schetsje,
een volkstafereeltje, een Anansitori soms. De stukjes hebben niet
meer pretentie dan even de sfeer van het beschrevene aan te stippen,
een concrete situatie uit te lichten en kort van commentaar te
voorzien. De observator is duidelijk geëngageerd en laakt
armoede en mistoestanden, maar de situaties verkrijgen in bijna alle
schetsen een opgewekte toon, een idealistische wending of een
nadrukkelijke opvoedende boodschap. Niet geschreven als stukken met
een memoires-karakter zoals Bartelink, Spalburg, Samuels en anderen
vóór hem te boek stelden, was Coen Ooft
daarmee de eerste die het eenvoudige volksleven van zijn dagen in
proza neerzette, onmiskenbaar - gezien menige dialoog in het Sranan
- geschreven voor een Surinaams publiek.
Op nog andere wijze zou Coen Ooft zich onderscheiden van schrijvers
als Dobru, Mungroo, Slagveer en Bradley: in vele passages maakt de
auteur duidelijk dat hij schrijft vanuit een katholieke achtergrond
(‘Preek’, ‘Schepping’ en
‘Dopeling’); die katholieke achtergrond heeft
bij de vorming van veel latere schrijvers weliswaar ook een rol
gespeeld, maar zij stelden zich in hun schrijven niet als een
exponent van het katholicisme op.
Spanhoek
vond een warm onthaal in De Ware Tijd die
van een goed product van eigen bodem sprak. De ‘vaak
scherpe, maar steeds verantwoorde beschrijving van zuiver Surinaamse
toestanden is van die aard, dat het iemand warm om het hart wordt
door de eerlijke eenvoud, de gevoeligheid | | | | en soms de
humor.’493
William Man A Hing oordeelde in Mamjo dat het boekje ‘een interessant
beeld en een goede indruk van het leven in Suriname’ gaf,
maar noemde proza en taal ‘vrij matig’494 en ook Hein Eersel vond het literair
‘niet volwaardig’.495
Hans Samson schreef:
Jammer dat de moraal er zo duimendik bovenop ligt. Dit is
natuurlijk bedoeld voor de lezers van het weekblad, die men tot
nette burgers wil vormen, maar buiten die lezerskring zal dat een
zekere verveling kunnen wekken.496
Johan van de Walle sprak enkele jaren
later van ‘een kostelijk boekje’ waarvan hij het
betreurde dat het in Nederland volslagen onbekend was.497 In Suriname
verheugde Spanhoek zich in een grote populariteit.
Van een vergelijkbare sfeer waren enkele later verschenen verhalen,
afkomstig uit de collectie columns die Ooft tien jaar lang wekelijks
voor
Omhoog
schreef.498
‘De rode paloeloe’ werd door het CCS bekroond om
er een ballet op te choreograferen. Eddy Vervuurt schreef de muziek
die varieerde van klassieke invloeden tot kaseko, Maria Huisman
maakte met klassieke danstechniek een choreografie, Nola Hatterman
zorgde voor de decors. Zo kwam het eerste Surinaamse verhalende
ballet tot stand. De succesvolle première vond plaats op
4 juli 1958; later volgden nog zeven uitvoeringen.499
In 1964 werd Oofts blijspel in vier bedrijven Na
gootoe boei (De gouden armband) gebracht onder
regie van Henk Zoutendijk, als eenmalige opvoering voor de
parlementaire delegaties van Nederland en de Antillen.500 Ooft
schreef voorts liedteksten die onder meer werden uitgevoerd bij het
onafhankelijkheidsfeest in het Suriname-Stadion op 25 november 1975.
Bijna alle dichters van rond 1960 vonden hun weg naar de eerste twee
literaire tijdschriften van Suriname:
Tongoni
(1958-59) en
Soela
(1962-64). Een generatie van jongere auteurs bundelde de
krachten in
Moetete
(1968), terwijl
Kolibri
(1971-72) een nieuwe tendens aangaf: het kritisch volgen
van ontwikkelingen in het eigen land. In Nederland vormden
Mamjo
(1961-63) en
Fri
(1963-71) kernen van Surinaams-literaire creativiteit.
Overigens hebben maar zeer weinig auteurs uitsluitend in
één taal geschreven; de meeste publiceerden
bundels met poëzie zowel in het Sranan als in het
Nederlands, sommige ook gedichten in het Engels of Spaans, terwijl
enkelen experimenteerden met meertalige gedichten.501 Deze
‘natuurlijke’ veeltaligheid gaf uitdrukking aan
de multilinguale omgeving waarin de schrijvers leefden. De
toekenning van een prijs door het Prins Bernhardfonds in 1960 aan de
dichter Michaël Slory bracht
Johan van de Walle tot een opstel waarin hij inging op de vraag in
hoeverre een in het Nederlands schrijvende Antilliaanse of
Surinaamse letterkundige een West-Indisch, Antilliaans of Surinaams
| | | | schrijver is.502 In het gehele Caraïbisch gebied
overheerst de letterkunde geschreven in een van de
officiële talen, Engels, Frans, Spaans of Nederlands. Men
maakt er geen punt van en beschouwt auteurs die in die talen
schrijven als zuiver West-Indische of Caraïbische
schrijvers. ‘Het probleem der twee- of meertaligheid
speelt in vele West-Indische of Caraïbische landen
eigenaardig genoeg op letterkundig terrein een minder belangrijke
rol dan op andere terreinen des levens.’ Meer dan de taal,
wordt de geboorteplaats van de schrijver of het onderwerp van zijn
boeken als criterium genomen om iemand al dan niet tot de regio te
rekenen. En Slory, daarnaar gevraagd, is het daarmee eens. Slory
schrijft uitsluitend in het Sranan omdat hij op die wijze
‘een bijdrage hoopt te leveren aan de zich ontwikkelende
eigen Surinaamse beschaving’. Voor Suriname constateerde
Van de Walle een benijdenswaardige situatie, waarin naast een
letterkunde in de officiële taal ook een literatuur in de
volkstaal zal opbloeien. Zijn opstel gaf zo een paradoxale
ontwikkeling aan: dat het meertalige schrijven iets nieuws en ook
iets unieks was in het Caraïbisch gebied, én
dat het schrijven in zowel volkstaal als officiële taal
tezelfdertijd een logische optie was waarover de Surinamers geen
ophef maakten.
Opvallend is niettemin hoezeer schrijvend Suriname tussen 1957 en
1975 toch eerst en vooral een creoolse aangelegenheid was.
Shrinivási was de enige hindostaan die werkelijk actief
deelnam aan de meeste schrijversactiviteiten van die jaren; voorts
hebben Sad Darshi en Bhai verspreid enig werk gepubliceerd in
tijdschriften. Zij hanteerden wel lexicale elementen in Indiase
talen, maar alleen Shrinivási schreef ook hele gedichten
in het Hindi en Sarnami. Uit de periode 1957-1975 is er maar
één Surinaams-hindostaanse dichtbundel bekend
die geheel in een Indiase taal was gesteld (zie §
10.1.3). De bosnegers deden hun intrede in de geschreven letteren
(10.1.2), de javanen volgden aarzelend (10.1.4).
| |
Thematiek
In de jaren '60 en de eerste helft van de jaren '70 lijkt het
merendeel van alle schrijvers - en zeker van alle dichters - er zich
terdege rekenschap van gegeven te hebben dat hun inzet een ernstig
en concreet realiseerbaar doel diende: de strijd voor de
onafhankelijkheid van Suriname. De maatschappelijke betrokkenheid
van auteurs was altijd groot, maar vanaf het einde van de jaren '60
zijn alle maatschappelijke ontwikkelingen praktisch van dag tot dag
te volgen in vooral de poëzie. De auteurs identificeerden
zich met hun land in de meest letterlijke zin. Eugène Rellum:
In dit opzicht was de literatuur van Suriname helemaal in lijn met de
massa van niet-westerse letteren; de Keniaan Ngugi Wa Thiong'o
drukte dit eenduidig uit met zijn credo ‘a writer's
subject matter is history’.504 Die politieke betrokkenheid
kan ook een verklaring zijn voor het veelvuldig gebruik van
pseudoniemen: van de 27 auteurs die de | | | | jaargangen van
Soela volschreven bijvoorbeeld, gebruikten er
13 een schuilnaam. Tegelijk geeft dat gebruik van schuilnamen een
indicatie voor een literaire gemeenschap die nog tastend was en waar
voorzichtigheid geboden leek.
Referentiële, non-fictionele elementen spelen in de
Surinaamse letteren altijd een rol, zelfs binnen werken die als
fictionele eenheden goed interpretabel zijn. Anders dan in veel
Zuid-Amerikaanse literatuur waarin het fantastische prominent is
(men denke aan een Mulata van Miguel Angel
Asturias, aan de verhalen van Gabriel García
Márquez en de romans van Isabel Allende), overheerste het
realisme in de Surinaamse literatuur.505 De betrokkenheid
van schrijvers bij het strijden en lijden van hun volk is zelfs zo
wezenlijk voor Suriname, dat auteurs die dat engagement niet direct
(!) naar buiten brachten, een geïsoleerde positie innamen
(Ashetu), of geïsoleerd dreigden te worden (Verlooghen).
De turbulente geschiedenis van Suriname na de val van Pengel heeft
diepe sporen getrokken in de letterkunde. Bij de beteren brachten
deze jaren de evocatieve kracht tot grote hoogte, bij de mindere
goden bleek de verbeeldingskracht niet in staat de woorden tot iets
méér dan een politiek pamflet te doen
uitgroeien en bleef de waarde van het boek beperkt tot die van
tijdsdocument. Maar wat de uitkomst van het gevecht met de woorden
ook geweest moge zijn, de inzet van de strijd is bij zowat alle
schrijvers dezelfde geweest: het onder woorden brengen van hoop,
verwachting, liefde, leed, verdriet en teleurstelling rond de
historische weg die het Surinaamse volk af te leggen had. Op de weg
naar de onafhankelijkheid zijn de val van Pengel in 1969 en de
stakingen van 1973 duidelijke bakens geweest. De val van Pengel, de
man die volgens Dobru ‘op elk stuk toiletpapier een wet
kon schrijven, die zonder gelezen te zijn, door de bende werd
aangenomen’506, liet
een vacuüm achter waarin plots de maatschappelijke
onvrede zich kanaliseerde in talloze bewegingen, facties en
partijtjes. In zo uiteenlopend literair werk als dat van R. Dobru,
Leo Ferrier, Rita Rahman en Ludwich van Mulier dreunde de val na. De
onrust van '69 gaf Orlando Emanuels zijn Onze misdaad
van zwijgen in en de stakingen van '73 hebben in de
literatuur zelfs een golf van reacties opgeroepen. De door een
politiekogel gedode Abaisa werd het symbool van de Surinaamse
onverzettelijkheid in de strijd tegen onrecht.507 S. Sombra
spreekt in Tarta (1974) over de gebeurtenissen van
die dagen als ‘Blaka februari’ [Zwarte
februari]. Tweemaal ging hij in 1973 in hongerstaking uit protest
tegen de ‘Lachmon-Sedney-kliek’, tegen het
onrecht in de maatschappij, jeugdwerkloosheid, krotwoningen, ellende
en armoede van het volk, corruptie en wanbeleid. Zijn pamfletten Ik ben 24 uur in hongerstaking en 1973: Jaar van strijd voor lotsverbetering van de werkende
klasse getuigen ervan.508 Faceless X (ps. van Eddy Pinas)
brengt het gestencilde bundeltje Krawasi uit,
waarin onder meer een testament van een bedelaar die zegt zijn
wandelstok na te laten aan de politie, zijn eergevoel aan de
regering | | | | van Suriname.
Als de vloed van stakingen en protesten tussen 1969 en 1973 weinig
oplevert, verandert de toon van de literatuur. Zijn de jaren '60 de
jaren van het eenheidsgevoelen, het geloof in het alles-kan-anders,
het idealistische geloof ook in de kracht van het woord, in de jaren
'70 komt de terugslag, het realiteitsbesef dat het om structurele
problemen gaat die niet met poëtische woorden zijn op te
lossen, het sarcasme, het cynisme soms zelfs. In plaats van Dobru's
‘Wan bon’, de ‘verwachting’
uit Shrinivási's eerste bundels en de eenheid-belijdenis
van Ferriers
Atman
(1968), dicht Kwakoe-Montri (ps.
van André E. Naarden): ‘Al spuw je nog zoveel
woorden van verzet/ de geweren die maken het pas
echt’.509 En Shrinivási schrijft in 1974 de bekende
regels:
Want in woord zijn wij surinamer
maar in daad nog steeds neger
hindoestani, javaan of chinees. 510
Ook in andere bundels van Shrinivási uit de zeventiger
jaren maakt idealisme plaats voor realisme. Rodney Russel, Bea Vianen en
anderen laten zich in hun werk zeer kritisch uit over de Surinaamse
samenleving.
Maar de roep om onafhankelijkheid bleef luid doorklinken in vooral de
poëzie. Het was R. Dobru die
al vroeg zijn stem liet horen en zich de voorman in de zaak van een
onafhankelijk Suriname betoonde. Tegen 1975 komt er een stroom van
dichtbundeltjes uit die zich niet enkel naar inhoud, maar zeker ook
naar de vorm schatplichtig tonen aan Dobru. Slechts een enkele
bundel wist het niveau van epigonisme te overstijgen. Heeft de
literatuur een niet weg te cijferen rol gespeeld in de eerste
nationalistische golf waarin Eddy Bruma
een centrale positie innam, zo mogelijk een nog belangrijkere rol
heeft de literatuur gespeeld in de tweede nationalistische golf in
het begin van de jaren '70, in het creëren van een
klimaat waarin de stap werd gezet naar de proclamatie van de
onafhankelijke republiek Suriname op 25 november 1975. Het is
tekenend dat een poëziebloemlezing als
Suriname 1975 Fri
(1974), samengesteld door George
Deul, werd uitgegeven door de Werkgroep voor Opvoeding en
Vorming met betrekking tot de Voorbereidingen op de
Onafhankelijkheid van Suriname.511
Het engagement dat zij in hun teksten legden, leek voor de meeste
dichters bijna een natuurnoodzakelijk gegeven. Een van de weinigen
die ook een literatuurtheoretisch fundament voor zijn
poëzie aangaf, was Blaw-Kepanki, schrijversnaam van Oscar Ludwig Kemble (geb. 13 maart 1942 te
Paramaribo). Hij had na het Mulo (Froweinschool)
en de Kweekschool-B, Suriname verruild voor Nederland, waar hij de
Kweekschool doorliep en aan de Vrije Universiteit politicologie
studeerde. Hij werkte als maatschappelijk werker en docent.
Blaw-Kepanki was de auteur van de bundels Poewema foe
Blaw-Kepanki (ca. 1972) en Wroko bari
(gente) (1973) - zie § 10.6 - en van Gedichten (1975) en Poëzie als
middel: naar een maatschappij kritische poëzie
(1979). In de laatste bundel nam hij een | | | | uitvoerige
positiebepaling op, waarin hij zich beriep op de opvattingen van
criticus Jacq Firmin Vogelaar. Deze had
in Kunst als kritiek geschreven:
Wanneer de bedoeling is Kunst te beoordelen naar de mate
waarin ze hulpmiddel kan zijn tot bevrijding, is de konsekwentie
hieruit dat het uiteindelijke belang niet in de Kunst ligt maar
erbuiten, bij degenen voor wie ze een middel tot politieke
emancipatie zou kunnen zijn. Dit betekent dat Kunst niet alleen een
nieuw publiek zal moeten zoeken maar ook zichzelf zal moeten
herzien. De politieke kwaliteit van de zo gedefinieerde Kunst
hangt af van de verbinding van de emancipatoriese mogelijkheden van
Kunst met de praktijk van verandering op ekonomies, politiek en
sociaal nivo.512
Blaw-Kepanki bleef zeer dicht bij deze
ideeën, en stelde dat kunst deel is van de klassenstrijd,
zeker op het ideologische vlak. Hij maakte een onderscheid tussen de
positivistische, statische, elitaire kunstrichting die
niet-emancipatorisch is, en de emancipatorische
maatschappijkritische kunstrichting.
Welaan, de in deze bundel vervatte poëzie wil
hulpmiddel zijn tot bevrijding van de massa (m.n. Surinamers en
Antillianen hier en thuis), een aanzet tot maatschappijkritische
poëzie zijn; bewustwording van de massa bevorderen en
oproepen tot politieke mobiliteit. Kortom: Poëzie van,
voor en uiteindelijk door het Volk. ‘Van’ waar
wordt gepoogd de levende gevoelens van het volk te verwoorden.
‘Voor’ waar poëzie een bijdrage
levert aan en stimuleert tot bevrijding van de massa.
‘Door’ waar poëzie leidt tot
bevordering van de mondigheid van het volk.513
Hiermee werd impliciet gezegd dat maatschappijkritische teksten zich
ten principale onttrokken aan een artistiek oordeel, om de
eenvoudige reden dat zo'n oordeel voorbijging aan het wezen van die
teksten.
Ter gelegenheid van de onafhankelijkheid bracht het Surinaams
Antilliaans Schrijvers Kollektief in Amsterdam de bloemlezing Tesi f'i (Proef het) uit. De bundel geeft een mooi
tableau de la troupe van een generatie dichters van politieke
poëzie en hun vormentaal. De titel van de bundel was
ontleend aan de naam van een van de marronforten uit de tijd van
kolonel Fourgeoud. Het Sask zag, aldus het
voorwoord, voor zichzelf ook een
‘marron-functie’ weggelegd, ‘in die
zin, dat zij ook een stuk guerrillastrijd voert tegen het
Neo-Kolonialisme en Imperialisme, in een tijd, waarin het
Kapitalisme de mens een soort “Neo-Slavernij”
oplegt en waarvan hij bevrijd dient te worden’ (p. 14). In
de structuur van de bundel blijkt de positiebepaling van het
collectief, aldus het voorwoord: vreugdevol bezingen van de vrijheid
naast bezorgdheid over de toekomst. De bundel wil ‘een
aansporing zijn tot mentaliteitsverandering bij de Surinamer in een
periode waarin 49% van de ondervraagden [...] geen geloof schijnt te
hebben in een toename van de welvaart van Suriname na 25
november.’514 Hoop,
vastberadenheid, nederigheid, en vooral eenheid zijn de
sleutelbegrippen voor de toekomst. In een inleidend stuk bazuinde
Rudy Bedacht:
Terwijl bekrompen en opportunistische politici zich op het
stuk van de Onafhanke- | | | | lijkheid in allerlei drogredenen
wrongen, arbeidden de literaire woordvoerders van het land
onverdroten, met een vaderlandsliefde die in haar onversaagdheid
uniek mag worden genoemd in de historie van de toenmalige
Nederlandse kolonie Suriname. [5-6]
Wat volgt is een bloemlezing van 158 pagina's proza en vooral
poëzie van Surinamers en een
‘solidariteitsbijdrage’ van 55 pagina's
Antilliaans werk. Op enkele na zijn alle vooraanstaande dichters van
de generatie vóór de onafhankelijkheid
aanwezig. Bovendien bevat de bundel ook gedichten van andere leden
van het koor van die dagen, leden die eerder hebben bijgedragen aan
het volume dan aan de polyfonie van het vrijheidslied. Een
willekeurige greep uit de titels van de jaren direct voorafgaand aan
de onafhankelijkheid verhult niets over het engagement van deze
politieke dichters, waarvan er vele - het verbaast niet - in Tesi f'i stonden: Fri Sranan
1975 [Vrij Suriname] van Chinua Afanti (ps. van John Doornkamp), Bloeddruppels op mijn kussensloop van Gerrit
Barron, Eenheid tot elke prijs! van Guno Denz en
Imro Plein, Aan jou de bloemen, voor mij het
geweer van Rudolf Isselt, Matapinti van
Luciën Maynard, Opete [Aasgier] van
Kwakoe-Montri, Bezinning en strijd van Alphons
Levens, Wan njoen dé [Een nieuwe dag]
van Baltus A. Millerson, Pe Sranan bigin [Waar
Suriname aanvangt] van Albert Mungroo, Morgen zullen we
wel zien van Jules Niemel en Fri Sranan
dron [De trom van het vrije Suriname] van Luciën
Pinas.
De allesoverheersende problematiek in het werk verschenen tussen 1957
en 1975 was de vraag naar de Surinaamse identiteit, naar het eigene
van Suriname en de Surinamers. Binnen het alomtegenwoordige
maatschappelijk engagement kunnen de nationalistisch-idealistische
motieven onderscheiden worden van de motieven die uitdrukking gaven
aan een kritische blik op Suriname.
In een studie van de Moetete-dichters heeft Linda
Asin een tweedeling gemaakt in de nationalistische
themata: zij onderscheidt het oen wiki-motief, het
ontwaakt-motief oproepende tot protest, waakzaamheid, revolutie; en
het loekoe-lontoe-motief, het
kijk-om-je-heen-motief, het aandacht vragen voor de schoonheid van
de Surinaamse mens en het eigen land.515 In beide
categorieën gaat het dus om een bewustwordingsproces en
in tal van maatschappelijk geëngageerde uitgaven komen ze
dan ook in combinatie voor. Als die tweedeling wordt aangehouden als
motievenclusters, dan kan er een specifieker
onderscheid naar motieven worden gemaakt. Onder loekoe
lontoe vallen dan de natuuradoratie en de trots op de
Surinaamse mens (in dit tijdvak is dat eerst en vooral de neger en
alles wat met het negerschap geassocieerd wordt: Afrika, winti,
jazzmuziek, marronage, Anansi enz.). Onder oen
wiki kunnen worden onderscheiden: de (groei naar) eenheid van
het Surinaamse volk; het verzet tegen kolonialisme, neokolonialisme
en imperialisme; de roep om zelfstandigheid en vrijheid; de
historische bevrijdingsstrijd; de beleving van de groepsidentiteit;
en tenslotte de trots op de persoonlijke identiteit. Van dit gehele
cluster geven de twee bekroonde verhalen van de Van der Rijn-prijs,
hierna te bespreken in § 10.7, een fraaie demonstratie.
Zeker niet de minst belangwekkende van deze motieven was de
historische bevrijdingsstrijd. Herschrijving van de geschiedenis in
de vorm van historische verhalen of odes werd voor velen bijna een
waarmerk van nationaal zelfbewustzijn. Marronleiders als | | | | Boni, Barron en Jolicoeur, een slavenleider als Tata Colin of de
‘brandstichters’ Codjo, Mentor en Present, waren
wel bekend uit oudere historische bronnen als Stedman, Hartsinck,
Benoît of Wolbers, of uit de romans van Rikken, maar op
zijn gunstigst werden zij daarin geprezen om hun duivelse slimheid
en toch in alle gevallen in een verhaalcontext waarin de crux lag
bij hun gevangenneming en berechting. Die koloniale optiek moest
radicaal worden omgebogen naar een wijze van beschrijven waarin het
engagement lag bij de opstandelingenleiders. Zo ontstonden teksten
over de tijdgenoten Barron, Boni en Jolicoeur als het toneelstuk
Boni nanga kolonel Fourgeoud
[Boni en kolonel Fourgeoud] (1958) van Jacques Lemmer en het stuk
Amba, de vrouw van Boni
(1971) van Jo Dompig, de novelle
De dood van Boni
(1972) van André
Pakosie, en tal van gedichten: van Trefossa, Schouten-Elsenhout,
Slory, Alwin
Uhlenbeck, Shrinivási enz. Over de Coroniaan Tata Colin
ontstonden het toneelstuk
Tata Kolin
(1960) van Bruma, het hoorspel
Het vonnis van Tata Kolin
(1960) dat vermoedelijk van Ané Doorson is, het gedicht ‘Krin
mi prakseri’ [Zuiver mijn gedachten] van Edmundo in
Boskopoedron
(1962) en ‘Tata Kolin’ in Slory's
Bonifoto
(1971), en de korte roman
Tata Colin
(1982) van Ruud Mungroo. Jo
Dompig was met zijn stuk over de wrede plantersvrouw Susanna Duplessis zo succesvol in 1963, dat hij het jaar
daarop
De laatste dagen van Susanna Duplessis
op de planken bracht. Voor schrijvers van hindostaanse
origine - in deze periode vooral toneelschrijvers - reikte de
overtocht vanuit India de belangrijkste historische stof aan (zie
§ 7.3.3). In een breder regionaal verband werd de
historische stof overigens zelden of nooit geplaatst. Toussaint
Louverture, Simon Bolívar, Henri Christophe, Victor
Schoelcher: hoogstzelden vindt men deze Caraïbische
figuren terug in de letteren van Suriname.
Evenzeer nationalistisch was de venijnige manier waarop ‘de
achterblijvers’ schreven over de migranten. Ze
constateerden enigszins merkwaardig: ‘ik blijf’,
zoals Glenn Sluisdom in zijn bundel
Oen kondre e kré watrai
[Ons land schreit tranen] (1973)516 en Eddy
Pinas portretteerde de ‘helden overzee’
in het cynische
Te koop wegens vertrek
(1975).
De kritische blik op Suriname werd geschraagd door de motieven: de
verdeeldheid van de etnische groepen, het protest tegen corruptie,
de armoede, het verzet tegen de gevestigde orde, de weerstand tegen
traditioneel bepaalde cultuurpatronen, de vrouwenemancipatie en de
benardheid en uitzichtloosheid van het land.
Niet-nationalistische motieven die soms in samenhang met de
voorgaande, soms afzonderlijk voorkwamen, waren de liefde, de
metafysische verhouding van de mens tot het bovennatuurlijke, de
beleving van de religie, erotiek en seksualiteit en de macht van het
woord. Een karakteristieke combinatie voor de dichtbundels van dit
tijdvak was die van liefdeslyriek met strijdpoëzie; bij
alle vooraanstaande dichters wordt die combinatie
teruggevonden.517
Rond de christelijke feestdagen hebben creoolse schrijvers voor een
gestage stroom gedichten en verhalen in de kranten en hoorspelen op
de radio gezorgd. De andere godsdiensten begonnen eerst in een vrij
laat stadium met voorlichtende stukken over hun religieuze feesten;
creatief werk verscheen er nauwelijks uit die hoek.
| |
| | | |
Close-up: ‘Nationale’ literatuur: de jonge
generatie versus Albert Helman
De generatie die in de jaren '60 het woord nam, was er zich helder
van bewust dat zij bezig was een geheel nieuwe literatuur te
creëren, en dat die nieuwe creatie deel uitmaakte van een
maatschappelijk proces dat zou moeten leiden tot eenwording van het
Surinaamse volk en de totstandkoming van een onafhankelijke natie.
De nestor van de Surinaamse letteren, Albert Helman, had de
gedachtevorming hierover in Suriname meegemaakt in de jaren '50 en
had ook op zijn wijze - even energiek als eigenzinnig - het proces
van Surinamisering van toneel, onderwijs, taalstudie en volkslectuur
impulsen gegeven. Maar de nieuwe generatie was uit ander hout
gesneden. Helman was voor haar teveel een representant van de
cultuurpolitiek zoals de Amsterdamse Sticusa en haar lange arm in
Suriname, het CCS, die probeerden te realiseren.518
Michaël Slory schreef in een
brief aan Jan Voorhoeve in 1960:
‘Ik heb het idee dat hij niet van Suriname en de
Surinamers houdt.’519 Zelfs
Shrinivási, die toch altijd vrij genuanceerd over hem
sprak, benoemde in de bloemlezing Wortoe d'e tan
abra uit 1970 de tijd tot aan Trefossa ‘een veelal Hollandse periode waarin
Albert Helman de alleenheerschappij voerde’ en hij nam
geen gedicht van Helman op, noch in het Nederlands, noch in het
Sranan.
In een opstel ‘Over “nationale”
letterkunde’, gepubliceerd in Sticusa-Journaal van 1974 ontvouwde Helman zijn visie op
de vijf ontwikkelingsfasen in het ontstaan van een eigen literaire
productie in de dekoloniserende landen.520 Om de
essayistische inkleding van zijn woorden recht te doen, volgt hier
integraal wat hij over die fasering zei:
Wel is het een opmerkelijk verschijnsel dat bij het
prijzenswaardig en gelukkig ontstaan van een
‘eigen’ literaire productie in de
ontwikkelingslanden, in het bijzonder van die der ex-kolonies met
een dominante cultuurtaal die de lokale talen in een
inferioriteitspositie gedrongen, en om zo te zeggen de
‘moedertaal’ gedegradeerd heeft, men in verloop
van tijd de volgende ontwikkelingsfasen kan onderscheiden, waarvan
de ene fase met de nodige overlapping natuurlijk, organisch uit de
andere volgt: 1e. De wil van enkelingen zich een goede plaats
te verwerven in de algemene letterkunde van het cultureel
‘voorbeeldige’ moederland. Zo ongeveer onder het
motto ‘anch'io son' pittore’ - wij zijn d'r ook
bij. Met daarnaast sporadische uitingen in een der volkstalen
(vernaculars) en beschrijvingen voorzien van enige lokale kleur en
lokale uitdrukkingen, teneinde hun oude milieu te tonen, dat zij
ondanks het ‘vreemd gaan’ toch niet ontrouw zijn
aan hun milieu-van-herkomst. Zoals bloementuiltjes voor de bedrogen
echtvriendin. 2e. Er begint zich een heel kleine lezers- en
waarderingskring te ontwikkelen in dat milieu van herkomst, die tot
imitatie van de pioniers prikkelt; hetgeen uiteraard maar
gedeeltelijk gelukt, maar toch ook leidt tot meer eigen, originele
productie, sterker geladen met ‘couleur locale’
en vernaculaire expressie, teneinde genoemde kleinere kring directer
aan te spreken. Wij krijgen dan meer en meer
‘Heimatskünstler’. 3e. Er
ontstaan sterker op het lokale milieu betrokken gedichten en echte
streekverhalen en streekromans, al dan niet in de algemeen gangbare
cultuurtaal of in een van de ‘vernaculars’.
Gemakshalve worden beide taalsoorten vaak dooreengemengd, of
opzettelijk, terwille van de lokale kleur, incidenteel of exclusief
gebruikt. De gedichten zijn meest van lyrisch-protesterende aard of
illustreren populaire slogans ‘Black is beautiful... we
are the underdogs... my s.o.b. father was a white
bloke’... (Met | | | | opzet geef ik slechts Engelse
voorbeelden.) Wat het proza betreft, dit is meest van serieuze,
lyrisch-beschrijvende aard: protestliteratuur vaak, ernstig en met
zin voor de lokale problematiek, maar zelden in staat om
‘afstand’ te nemen van het plaatselijke, direct
waarneembare of actuele. Daarnaast komt echter ook verdieping voor
in de historische anekdotiek, vooral ter adstructie van het
heden. 4e. Er wordt meer afstand genomen van zichzelf en zijn
omgeving. De humor doet zijn intrede en de
zelfspot. Een bewijs van rijping, van literaire volwassenheid. Men
begint te relativeren, de eigen situatie te plaatsen op een meer
algemeen menselijk vlak. Zodoende ook toegankelijker te worden voor
een niet-lokaal, algemener lezerspubliek, maar is dan tegelijk bezig
in toenemende mate weerstanden te wekken bij de meer huisbakken
lezers en hun meepraters. Lokale banvloeken worden over en weer
geslingerd, blijven buitenslands echter nauwelijks waarneembaar.
Generatieverschillen beginnen een steeds grotere rol te spelen.
5e. De ‘eigen’ ontwikkeling raakt meer en meer
opgenomen in de grote stroom van algemene, mondiale literaire
evolutie; de werken worden meer en meer vertaalbaar en
vertalenswaardig uit niet alleen hun oorspronkelijke
‘vernacular’ in de meest voor de hand liggende
cultuurtaal, maar ook in meerdere andere talen. Hiermee is dan de
evolutie voltooid. Soms, te zelden, lukt het reeds een enkeling (men
denke bijvoorbeeld aan Mittelholzer, Naipaul, St. John Perse, enz.),
vooral wanneer zij bij hun begaafdheid ook hun eigen cultuurtaal mee
hadden. Zelfs bij dezulken laat intussen hun waardering in eigen
land van herkomst veel te wensen over. Meestal echter zijn er met
het doorlopen van al deze fasen ettelijke generaties gemoeid.
Voorbeelden te over zijn hiervoor in Afrika te vinden, en iedere
fase op zichzelf heeft zijn interessante verschijnselen, is de
moeite waard om nauwkeurig gevolgd en bestudeerd te worden. Elk
ongeduld hierbij is ongemotiveerd - on ne peut pas brûler
les étappes. Maar evenzeer is het geboden zich kritisch
op te stellen, niet te gauw tevreden te zijn, niemand (tenzij de
aperte knoeiers) te ontmoedigen, maar ook niet overmatig te prijzen
wat binnen de fase waarin de ontwikkeling
verkeert, beneden de redelijke normen blijft. En vooral: niet
uit het oog te verliezen, dat elke fase slechts een overgang naar
een betere, hogere is. En dat ‘nationalisme’
niet alleen is ‘the last refuge of a scoundrel’
(zoals het klassieke gezegde luidt) maar ook een uiterst flauw
smoesje om onkunde en onmacht te camoufleren achter dikke of minder
dikke woorden.
Zoals in alles wat hij schrijft, hanteert Helman een kader dat sterk
bepaald is door zijn persoonlijke ervaringen en daarmee is de
fasering impliciet ook een apologie van zijn eigen
ontwikkelingsgang. Zijn eigen vooroorlogse activiteiten in Nederland
vormen het begin van dit schema: met de
‘enkelingen’ heeft hij zichzelf, De Kom en Van
Lier op het oog gehad. De tweede fase heeft zich in Suriname
voltrokken na de oorlog met bijvoorbeeld
Viottoe
van Kees Neer en de eerste
dichters van de jaren '50 rond
Foetoe-boi
en Wie Eegie Sanie. De derde fase is de periode van eind
jaren '50 en jaren '60: veel protestliteratuur, volop ontplooiing
van de volkstalen, verdieping in de historische anekdotiek. De
literaire volwassenheid treedt volgens Helman pas in met fase 4; in
Suriname zou die dan gezocht moeten worden rond de grimmige en
sarcastische schrijvers van het tijdschrift Kolibri in 1972 waarin inderdaad ‘locale
banvloeken’ over en weer werden geslingerd, terwijl in
Nederland hetzelfde al eerder was gebeurd door de auteurs van het
tijdschrift
Mamjo
aan het begin van de jaren '60. Het opgaan in de brede
internationale stroom (fase 5) is eigenlijk alleen aan de orde voor
de prozaschrijvers die naar Nederland zijn gegaan en die inderdaad
in de laatste decennia van de 20ste eeuw vertaald zijn: Roemer, Pos,
Cairo, Ramdas.
Interessant is het om de eerste drie fasen te leggen naast de
driedeling die Frantz Fanon heeft gemaakt: 1. de fase dat de
intellectueel bewijst dat hij de cultuur van de bezetter in zich
heeft opgenomen: integrale assimilatie, 2. de periode van verwarring
en | | | | zich verdiepen in het verleden, herinneringen,
periode van angst, algemene walging, 3. periode van strijd,
engagement met het volk, strijdliteratuur, revolutionaire
literatuur, nationale literatuur.521 Deze driedeling komt met enige goede wil
overeen met de fasering die in de onderhavige literatuurgeschiedenis
is aangehouden: de periode 1890 tot 1923 (of nog iets langer) waarin
het Nederlandse model gevolgd werd; de periode 1923 tot 1957 waarin
men zich verdiept in het eigen verleden, wat inderdaad tot
verwarring leidde (zoals velen hebben getuigd die naar Nederland
gingen en zich daar rond Wie Eegie Sanie schaarden voordat ze
repatrieerden) en tenslotte de periode 1957-1975 die in het teken
stond van het engagement met het volk, de strijdliteratuur en de
nationale of nationalistische literatuur. Daarbij kan overigens
worden aangetekend dat ook deze periode verrassend veel werk
opleverde dat een kwart eeuw later als gecanoniseerd zou gelden.
Helman gaat met zijn fasering uit van een lineair
ontwikkelingsconcept. Die lineariteit is in de postkoloniale
theorievorming als te westers van de hand gewezen.522 Helmans model
doet geen recht aan de complexe processen die op gang worden gezet
door de wisselwerking tussen de literatuur van migranten en de
thuisblijvers, evenmin aan de discontinuïteit van
ontwikkelingen in Suriname, noch aan de bijzondere impuls die met
zekere frequentie van eenlingen is uitgegaan (men denke aan
Koenders, Bruma, Trefossa).
Een belangrijk element van Helmans model is de apologie die hij in de
vijfde fase inbouwt: over wie zou hij het - binnen de Surinaamse
context - anders kunnen hebben wanneer hij spreekt over
‘begaafden die in eigen land niet gewaardeerd
worden’ dan over zichzelf? Hij heeft eens beweerd dat hij
zelden gelezen werd in Suriname523, en hoeveel op die bewering ook af te dingen
valt, vast staat dat de appreciatie voor zijn werk aan sterke
schommelingen onderhevig is geweest. In de jaren '50 legden toen nog
jonge auteurs als Bea Vianen, Shrinivási en Corly
Verlooghen hun eerste werken aan hem voor, maar daar kwam later een
einde aan. De voornaamste reden dat hij in de jaren '60 tot kop van
jut van de jongste generatie werd524, is in zijn ontwikkelingsmodel
ook al gegeven: hij gaat ervan uit dat een nationalistische
literatuur niet bestaat. Dat hem deze mening door de mensen van Wie
Eegie Sanie niet in dank werd afgenomen, werd al eerder beschreven.
R. Dobru zei over hem: ‘Lichtveld is geen exponent van de
Surinaamse cultuur. Hij is een van de grootste reactionairen, de
mensen die behoren tot de zwarte koloniale elite.’525 Jozef
Slagveer schreef in 1966 in het Suriname-nummer van Contour een gedicht over de Surinamers die meer
Nederlander wilden zijn dan de Nederlander zelf, met verachting van
alles wat Surinaams is. Verwijzend naar Albert
Helman en Corly Verlooghen
richtte Slagveer een brief tot de
nationalistische voorman Eddy Bruma:
Daarom beste Eddy is
Alcobert Helverlogenman
geen
uitzondering. Hij is het product van de z.g. moederlandse
cultuur en een goede Nederlandse schrijver, maar voor de
Surinamer niet aanvaardbaar
| | | | als exponent van de Surinaamse cultuur; hij
heeft geen positieve bijdrage geleverd tot de
Surinaamse literatuur.
En in de slotregels haalt hij letterlijk Dobru's woorden aan.526
Twee jaar later, in 1968, kreeg Helman er
opnieuw van langs, nu in de toch zo milde
‘verzoeningsroman’ Ātman van Leo Ferrier.
Dobru had geroepen dat de neger in De stille
plantage geen persoon is, maar object is gebleven527 en Ferrier viel
hem bij:
Ook waren we het met vele anderen eens, idem Baldwin contra
Beecher-Stowe, dat het boek, dat Helman over Suriname heeft willen
schrijven, maar niet verder gelezen moest worden. Daar leven Negers
in die slaven zijn en dat ook blijven, Hindostanen die panie [water]
uitdelen aan wandelaars en dan ook nog strofen uit de klassieke
Indiase literatuur reciteren terwijl de slokjes water door de
Europese keel van deze wandelaar, luisteraar, naar binnen glijden.
In dat boek bestaan er geen Javanen en is Suriname een land vergeten
door de god van de schrijver.528
Over de antikoloniale epiloog van Zuid-Zuid-West
repte Ferrier met geen woord. De scherpzinnige scribent Rodney Russel schreef in het tijdschrift
Kolibri in 1972, eigenlijk tamelijk mild nog
voor zijn doen: ‘Helman, the grand old man of Surinam
letters, tot nu toe onze grootste schrijver; helaas.’529
Na 1975 zou het er niet beter op worden voor Helman. Prozaschrijver
Ruud Mungroo, kort voor hij zelf naar
Nederland trok: ‘Zo'n Albert Helman die zijn mond vol
heeft over het gebrek aan heldhaftigheid van de Surinaamse
schrijvers, maar intussen na 1975 geen poot meer in Suriname heeft
gezet, daar worden we hier niet goed van.’530 Een prozaschrijver
van de generatie van ná 1975, Rappa, verklaarde Helmans impopulariteit aldus: het is
‘begrijpelijk dat velen de werken van Albert Helman niet
zien als deel van de Surinaamse literatuur. Hij is misschien wel
afkomstig uit hier geboren en getogen ouders, hij is zelfs hier
geboren, maar een belangrijk deel van z'n vorming heeft onder
Hollandse invloed in Holland gestaan. Al schrijft hij vaak heel
deskundig over Suriname, hij doet dat duidelijk niet vanuit onze
tegenwoordige bril.’531 Ook Moestafa
Nurmohamed, die Helmans Cultureel
mozaïek van Suriname besprak, hield niet van
Helmans bril: ‘O Christelijk bril van Helman, val en breek
zodat Uw meester beter kan zien!’532 En Edgar Cairo meende:
Helman schreef op latere leeftijd wel vóór de
Surinamers, maar ‘vanuit een Hollandse
geest.’533
In al deze gevallen wordt impliciet een set van normen en waarden
gehanteerd die ‘Surinaams’ heet te zijn, zonder
dat duidelijk wordt wat die set inhoudt. Het gaat om een
‘bril’ of het gaat om een
‘geest’. Iedereen die zich niet aan die set
houdt, valt buiten de Surinaamse letteren en is dus per definitie geen Surinamer meer. Dat is een
karakteristiek uitsluitingsmechanisme van een kleine gemeenschap,
zoals dat ook door | | | |
Aart G. Broek herhaaldelijk voor
Curaçao scherp aan de kaak gesteld is: een onafhankelijke
geest is een Hollandse geest, weg ermee.534 Een dergelijk mechanisme doet liever
een beroep op een mythisch begrip van
‘eigenheid’, dan dat het een psychologisch en
literair complexe persoonlijkheid op haar juiste merites zou
beoordelen.535
In het Profiel gewijd aan Helman in het vorige deel is uiteengezet
dat het karakteristieke aan Helman juist zijn ambivalentie is
geweest: dat hij zich bij wijlen Surinaamser opstelde dan de
Surinamers, maar op andere momenten (bijvoorbeeld in het boven
aangehaalde opstel over nationale literatuur) weer schrijft: ik
schrijf in het Nederlands en behoor dus tot de Nederlandse
literatuur. Die ambivalentie is waarschijnlijk even karakteristiek
voor de migrant, als voor de man die zelf exponent is geweest van de
verschillende ontwikkelingsfasen die hij
hierboven beschreef: zich adapterend aan de Nederlandse
overheersende cultuur, experimenterend met de Surinaamse volkstalen,
aansluiting zoekend bij de wereldliteratuur.536 Maar het was juist die ambivalentie -
motor toch ook van Helmans rusteloze werkzaamheid - die hem voor de
nationalistisch denkende generatie van de jaren '60 niet acceptabel
maakte.
In de laatste jaren van zijn leven heeft Albert
Helman overigens aanzienlijk meer krediet van Surinaamse
zijde gekregen, ook van sommigen die hem vroeger verguisden. In 1983
besprak Leo Ferrier Helmans
Avonturen aan de Wilde Kust
, en hij memoreerde Helmans mening dat het moeilijk is de
geschiedenis van een volk te schrijven dat nog nauwelijks bezig is
geboren te worden. Ferrier kon alleen lof voor het boek
opbrengen.537
Orlando Emanuels memoreerde de enorme indruk die de eerste
bladzijden van De stille plantage op hem
maakten538 en Michaël Slory
eerde Helman in het gedicht ‘Albert Helman in mijn
jongelingsjaren’, gedateerd 17 juli 1996:
die ons onszelf leerde kennen,
de stilte van dit stuk aarde
Zo eerde Slory - ooit zelf het poëtisch hart van de
nationalistische beweging - de man van wie blijkbaar meer invloed is
uitgegaan dan de nationalisten van de jaren '60 wilden doen geloven.
Tot slot: werd er in 1975 nog direct gereageerd op Helmans opinie dat
nationale | | | | literatuur niet bestaat? Het was nota bene
de man die eerder door Jozef Slagveer op
één hoop met Helman was gegooid, die een
antwoord formuleerde: Corly Verlooghen.
Hij wees in Sticusa Journaal op de felle epiloog
van Helmans Zuid-Zuid-West en noemde die
‘nationalistisch’. Hij wees erop dat een van de
kenmerken van nationalistische literatuur juist is dat die gemaakt
wordt wanneer een land in juridische zin nog geen natie is en dat de
schrijvers vooruitlopen op de natievorming. Voorts wees hij erop dat
geografische en linguïstische grenzen niet hoeven samen
te vallen en dat Helmans stelling dat in het Nederlands schrijvende
auteurs Nederlandse schrijvers zijn, dus irrelevant is.539 Het
waren steekhoudende argumenten van iemand die met graagte zichzelf
nationalist noemde. Vier jaar later gaf dezelfde Corly Verlooghen
met zijn bundel Juich maar niet te vroeg zijn
eerste getuigenis van een poëzie die verre wilde blijven
van elk nationaal, laat staan nationalistisch etiket.
| |
Vorm
Op de barricaden, de vijand binnen schootsafstand, wordt nooit veel
gelachen. Het verwondert niet dat in de strijdpoëzie de
hortativus, de aansporende wijs, frequent wordt gehanteerd:
‘Op! Op nu naar de Vrijheid’ dichtte Kwame Dandillo in 1962 en
Titjari in 1975.540 En ook verschillende
boektitels uit de jaren vóór de
onafhankelijkheid bevatten aansporingen:
Broko den skotoe
(1974, Breek de scheidsmuren af) van Mechtelly (ps. van Mechtelli Tjin-A-Sie) of
Broko na boei
[Verbreek de ketenen] (1973) van Marac (ps. van Marcel H. Accord, geb. 10 juni 1957 te
Paramaribo). Evenzeer kenmerkend voor strijdpoëzie is dat
niet de subtiliteit van het detail gezocht wordt, maar het dik
aanzetten van de contouren, zoals bij Kwame Dandillo:
Aan hun handen kleeft negerzweet,
in hun grachten stromen tranen van Javanen.
Om hun landgoederen houden hekken de wacht,
gesmeed uit versleten slavenboeien,
zwart geverfd met geronnen negerbloed 541
Karakteristieke vormverschijnselen van de politieke poëzie
waren verder de herhaling (repetitio en parallellisme), de dialoog
met een al dan niet genoemde andere partij, de onomatopee (specifiek
in de Sranan poëzie), de registerwisseling (zowel
mengingen van | | | | ‘hoog’ en
‘laag’, als het switchen tussen verschillende
talen), de inzichtelijkheid van de metaforen (uitbuiters zijn
‘aka's’ (roofvogels) of parasieten, de negerin
is een blaka rowsu, een zwarte roos enz.).
Misschien de meest gehanteerde metafoor in de Surinaamse letteren
werd Mama Sranan. In de négritude is
een veel voorkomend beeld ‘Mama Afrika’.542 Daar
legt de metafoor een directe relatie met het stamland van de negers
en krijgt dus een panafrikaanse dimensie. In het gebruik van
‘Mama Sranan’ is dat zelden of nooit het geval,
al is de oorsprong van de metafoor op zich wel diep afro-Surinaams.
In de winti-cultuur is Aisa of Mama Aisa de grondmoeder, de
belangrijkste aardgodin. Zij wordt veelal als allereerste
aangeroepen bij winti-rituelen en ook dichters als Trefossa en
Johanna Schouten-Elsenhout spreken haar veelvuldig aan. Door een
identificatie van Aisa met Suriname krijgt het geografische begrip
Suriname dus een sacraal aspect. Kort na de Tweede Wereldoorlog
hanteerde Albert Helman de metafoor
‘Mama Sranan/Moeder Suriname’ in enkele
gedichten543 en hij vertaalde Cicely
Waite-Smiths toneelstuk The Creatures in het
Surinaams-Nederlands als Watra Mama (1956). Later
kwam het beeld terug bij tal van auteurs.544
Thea Doelwijt maakte de Watermoeder tot
de centrale toneelfiguur in verschillende van haar stukken545, en Jo Dompig schreef het toneelstuk Wan
watramakankan (De kam van een meermin) (1968). Op een
verhaal van Niza Akrum maakte
Marlène Lie A Ling haar ballet De kam van
Watramama (1977). Intussen had het motief zich allang
onttrokken aan een gebruik door uitsluitend creolen. Annel de Noré maakte er gebruik
van in haar debuutroman die in 1999 verscheen onder de titel: De bruine zeemeermin.
Voor satire en humor was in die jaren niet veel plaats gereserveerd.
Cabaretgroepen hekelden wantoestanden, en dichter Eddy Pinas haalde de knoet over die
Surinamers die Nederland als hun vluchthaven verkozen. In zijn
gedicht ‘Synthetische Nederlander’ uit zijn
bundel Te koop wegens vertrek schetste hij met
sarcastisch genoegen een portret van de immigrant die in Nederland
aankomt, gestempeld met de jaren van de slavenemancipatie en het
Statuut:
importprodukt uit de west invoerrechten vrij
statistiekrecht en KLM verplicht handelaar exclusief BTW
copyright Den Haag 1863 wandelende synthetische
ik in 1954 te Paramaribo (of elders)
| | | | gefabriceerd in licentie binnenkort
importbeperking - of verbod - te verwachten546
Het tijdschrift Bank Notes drukte kort voor de
onafhankelijkheid onder de hilarische kop ‘Grote
uitverkoop eind 1975’ een fake-advertentie af, waarin
vendumeester ‘Onafhankelijk Suriname’ onder meer
ter openbare verkoping aanbood: het Statuut voor het Koninkrijk der
Nederlanden, Koninginnedag, de Bijlmer Express, het standbeeld van
Wilhelmina en voorts ‘alle andere kolonialistische
affectaties, herinneringen, denkwijzen, naweeën,
nabloeiers’.547
| |
Tegenstemmen
Wat hier ten aanzien van motieven en vormkenmerken is opgemerkt,
bezit geldigheid voor het gros van de poëzieproductie van
het tijdvak. Maar de besten onder de dichters wisten authentieke
metaforen te creëren, hielden zich aan geen door de waan
van de dag voorgeschreven model en kunnen dan ook naar vorm en
thematiek alleen individueel gekarakteriseerd worden. In de loop der
tijd zijn er ook verschillende stemmen geweest, die protesteerden
tegen het stalen korset van het maatschappelijke engagement dat de
schrijvers min of meer verplicht moesten dragen.
Corly Verlooghen publiceerde in 1960-62
een reeks grote artikelen in De Ware Tijd over de
jonge literaire ontwikkeling van Suriname. Hij stelde vast:
‘Het letterkundig leven in Suriname bezit, afgemeten aan
de moeite die het onderwijs doet om ons op een behoorlijk
beschavingsniveau te brengen, een zwakke bloedarmoedige
konstitutie.’ Hij drong aan op solidariteit onder de
schrijvers, een grotere productiviteit om de aanzetten van Trefossa,
Ooft en hemzelf van opvolging te verzekeren: ‘Alleen
wanneer wij dicht bij huis blijven, zal de carrière van
onze letterkunde reële bestaansmogelijkheden hebben,
anders niet. Want een volk zonder kunstenaars, is een leeg
volk.’ Maar hij brak wel een lans voor absolute artistieke
vrijheid en voor tolerantie jegens hen die een
‘internationalistisch standpunt’ innamen. Hij
plaatste zelfs vraagtekens bij het verschijnsel van de
verzetspoëzie en de culturele dominantie van de creoolse
groep. Hij vroeg zich af of de propaganda voor het alleen maar
schrijven in de Surinaamse taal niet zou leiden tot isolement, vond
dat daarover te veel geredetwist en gezwetst werd en pleitte ervoor
de meertaligheid van het land, inclusief het Nederlands, in alle
vrijheid te benutten. Hij signaleerde ‘letterkundige
verwildering, nu er in Suriname sprake is van met name een
poëzierage’ en pleitte voor meer zelfkritiek,
het wegzuiveren van oppervlakkige dikdoenerij, het dienstbaar maken
van het verstand aan de vooruitgang en het aangaan van buitenlandse
culturele betrekkingen.548
| | | |
Verlooghen werd van repliek gediend. Het antwoord op de vraag van
Verlooghen waarom zoveel dichters de slavernij tot onderwerp nemen,
is volgens zekere N.H. dat het nog in de mensen voortleeft:
‘Het volk dat deze lijdensweg had te gaan, is begonnen er
zich niet meer voor te schamen, het erfelijk beleefde niet meer te
verdringen, het tot op de draad te verwerken en dat uitte zich
tevens in de kunst.’ Maar Verlooghen was er niet van onder
de indruk: ‘De uiteenzetting van N.H. raakt mijn
probleemstelling nauwelijks. Ik had er nl. op gewezen dat bepaalde
Surinaamse dichters alleen maar oog hebben voor de slavernij als
bron van inspiratie. En dit, terwijl modern Suriname toch heel wat
meer te bieden heeft (zie mijn beide bundels).’549 Merkwaardig genoeg hield Corly
Verlooghen enkele jaren later, in 1965, voor het Surinaams Verbond
een lezing, waarin hij zei voor de schrijvers ‘een
dienende taak ten aanzien van de nationale idealen van het
volk’ te verwachten. Zijn pleidooi werd vanuit de zaal
becommentarieerd door iemand die dat vergeleek met de taak die in
fascistische en communistische landen aan een kunstenaar wordt
opgelegd, wat slechts tot artistieke onvruchtbaarheid heeft
geleid.550 Dat was dan aan dovemansoren gezegd, want geen
dichter liet zo'n radicaal nationalistisch geluid horen als Corly Verlooghen in 1970 met zijn
De glinsterende revolutie
(hij woonde toen zelf in Zweden). Het wegzuiveren van enige
dikdoenerij zou zijn poëzie geen kwaad gedaan hebben.
Rudi Kross ging in 1971 - toen de eerste
exodus richting Nederland al goed op gang was gekomen - nog een stap
verder in zijn essay ‘Nestvlieders in transito’.
Hij meende dat het kolonialisme er alles aan gedaan had om van
Suriname maar vooral geen ‘sociaal-economisch geordende
bijeen-leving’ te maken, en de schrijvers - eerst de
buitenlandse, later de Surinaamse - hadden de mythe in stand
gehouden dat die samenleving wèl bestond:
Het Surinamerschap wordt dan ook in de meest volledige zin
(dus zowel nu als in de toekomst) opgevat als een fictie, en van
ficties kunnen alleen dichters, schrijvers en andere parasieten
leven.551
Vooral voor repatriërende auteurs kon de nationalistische
overmacht een benauwend keurslijf worden. Leo
Ferrier in 1973: ‘Ik kon het niet meer
opbrengen, ik vrees dat ik te veel individualist ben. Moet ik per se
horen tot een nationalistische groep? Ik verdien de kost in het
onderwijs en dat is ook al behoorlijk vermoeiend.’552
De auteurs van Kolibri ageerden in 1970 tegen
‘een maatschappij waar alles maar kritiekloos wordt
aangenomen (zelfs geslikt nadat het voorgekauwd is)’553 en
vooral Rodney Russel schepte er genoegen
in iedereen die ook maar de kleinste reputatie had opgebouwd, tot
maaiveldhoogte terug te brengen. Veel later, in de jaren '90, zou
Anil Ramdas vanuit de knusheid van de
Amsterdamse grachtengordel scherp uithalen naar de nationalistische
schrijversgeneratie (gemakshalve scheerde hij allen maar over
één kam).
| |
| | | |
10.1.1 Teksten in het Sranan en het Nederlands
| |
Auteurs rond
Tongoni
Nadat Suriname verschillende breed-culturele tijdschriften had
gekend, zag in februari 1958 het eerste literaire tijdschrift het
licht: Tongoni. Eerder hadden de namen Anansi-tetee (spinnenweb) en Kula (korjaalstok) gecirculeerd554, maar het werd Tongoni. Bij het vertellen van de saamaka
bosnegers is ‘tongoni’ de eerste antwoordformule
(zoiets als: vertel op!). Tegelijk speelde natuurlijk ook het Sranan
woord tongo mee, dat ‘tong’,
‘taal’ en ‘nog niet ontplooid
blad’ betekent. Het verscheen als bijzondere editie van
het door Radhakishun Co uitgegeven Vox
Guyanae. Dit ‘tweemaandelijks tijdschrift voor
wetenschap en cultuur’ was voor het eerst uitgekomen in
mei 1954 met een vierkoppige redactie: Lou
Lichtveld, Hugo Pos, Lucien Rens en Wim
Salm. Het viertal werd bijgestaan door een brede redactieraad
waarin onder anderen de paters W.
Ahlbrinck en A. Donicie,
antropoloog D.C. Geyskes en indoloog
J.P. Kaulesar Sukul zitting hadden.
Als vertegenwoordigers van het tijdschrift traden op Leo Lashley op
Curaçao, C.C.G. Philipszoon op Aruba en G.A. van Oorschot
in Amsterdam. In een uitvoerig en erudiet redactioneel in het eerste
nummer van Vox Guyanae - naar de stijl te oordelen
van de hand van Lou Lichtveld - betoogde de redactie dat de
‘wakkergestoten “onderontwikkelde”
gebieden’ nu de nieuwe Westerse wereld vormen:
Met de gretigheid van het kind, met het gebrek aan
stijlgevoel van de nouveau riche, met de wantrouwige ondeskundigheid
van ‘primitieven’ wordt in een pas-ontwaakte
wereld gegrepen naar de oude verworvenheden, wordt genomen zonder
dank, betast zonder eerbied, verworpen zonder schroom, gejuicht en
gekrakeeld in volstrekte argeloosheid. [...] Wat ons hier
bezighoudt, temidden van het groeiend bewustzijn van de West - dit
westelijker gedreven Westen ten opzichte van Europa - zijn onze
eigen problemen die, fortuinlijk genoeg, nog aan geen tragiek toe
zijn, maar omgeven door een sfeer van roekeloos optimisme.555
Toch liep het wakkergestoten volk niet direct warm voor het blad. In
een folder aan de abonnees bij gelegenheid van het laatste nummer
van de eerste jaargang - dat pas verscheen in februari 1956 - meldde
de uitgever (en weer verraadt zich de hand van Lichtveld):
Een verschijning, die we anders wel met enig tamtam zouden
hebben gevierd, omdat het ondanks moeilijkheden, ondanks lauwheid
soms en gebrek aan weerklank, toch maar gelukt is om in Suriname een
op internationaal niveau staand tijdschrift op cultureel en
wetenschappelijk gebied te scheppen en in leven te houden.
En passant kreeg drukkerij Van den Boomen ook nog
een schop:
Ja, wis en waarachtig, lang gewacht heeft de redactie op
het uitkomen van het laatste nummer, waarvan de drukker, om joost
mag weten welke redenen, maar niet bevallen kon. Nee, om de dooie
dood, als Brugman hebben we gepraat, en toen het allemaal niet
hielp, is de uitgever in de pen geklommen en heeft een ultimatum
gesteld.
De tweede jaargang begon met een andere (niet-vermelde) drukker.
| | | |
In de loop van dat jaar 1956 deed zich nog een ander conflict voor
rond de tekst Ojeje-Ajoemba van Hugo Pos
(beschreven in het Profiel over de geschiedenis van Thalia II):
Helman trad met ingang van het decembernummer uit de redactie.
Tot aan 1958 had Vox Guyanae zich een degelijk
tijdschrift betoond met bijdragen over een breed scala van
onderwerpen van tropenziekten tot politiek. Ook aan de letterkunde
was aandacht besteed met een vertaling van Jacques Roumain door
Albert Helman, met de ‘Proeve van
Surinaams-Nederlands’ van dezelfde, met een opstel van Pos
over het Antilliaanse tijdschrift Christoffel, een
gedicht van G.Azn. Smallerode (zie
§ 1.2), een vertaling van een gedicht van de Indiase
dichter Shaligram Mishra door J.H. Adhin,
en van de ‘Ballade van Canga’ van Eric Roach
vertaald uit het Engels van Tobago in het Surinaams-Nederlands door
Albert Helman.
Dat binnen het Vox Guyanae-programma het idee voor
een literaire branche van het tijdschrift hartelijk werd verwelkomd,
lag dan ook in de lijn der verwachting. Met ingang van de derde
jaargang van Vox Guyanae was er dan het geheel
literaire nummer, tot stand gekomen op instigatie van de drie
redacteuren: René de Rooy,
Henny de Ziel (de dichter Trefossa)
en Jan Voorhoeve. Voor de redactie van
Vox Guyanae betekende de verschijning een wel
erg opmerkelijke wending, gezien het ‘Ter
inleiding’:
Het uitkomen van dit nummer betekent, en wel zeer positief
en bewust, dat Vox er voortaan naar zal streven om leidinggevend te
zijn, niet alleen op wetenschappelijk maar ook op cultureel gebied.
Het betekent dat Suriname, na jaren van valse schaamte voor eigen
polsslag en uitingen, een eigen spreekbuis heeft gevonden tot het
lezend en denkend publiek, bestemd om binnen en buiten Suriname te
worden gehoord.
Ze ging nog verder:
Zij kiest partij. Voor de moderne expressie, die hier tot
uitdrukking komt, voor het verlaten der platgetreden paden, die geen
vergezichten meer te bieden hebben, voor het deelgenootschap met de
wereld van nu.
De Vox-redactie voorzag dus een avantgardistische
positie voor het tijdschrift. De redactie van Tongoni was voorzichtiger in haar voorwoord:
Wij vragen noch van onszelf, noch van onze medewerkers, dat
zij een speciale boodschap brengen, dat zij een bepaald litterair
genre vertegenwoordigen, en geen ander geloof, dan de onuitroeibare
overtuiging dat wij nú, hier, iets wíllen en
kunnen. Dit tijdschrift [...] wil slechts stimuleren en laten horen
wat er leeft en klinkt.
Hiermee was een programma ontvouwd dat mutatis mutandis
áltijd voor Surinaamse literaire tijdschriften zou
gelden: ze waren een reflectie van de productie van hun tijd, ze
hadden een bloemlezend karakter en deden geen poging een specifieke
literatuuropvatting volgens een welomschreven programma te
realiseren (met twee uitzonderingen: Kolibri in Suriname en Mamjo in Nederland).
Het eerste nummer van Tongoni opende met een
gedicht van Trefossa en bevatte verder nog een gedicht in het
Sranan, tien gedichten plus een poëziecyclus in het
Nederlands, twee prozastukken in het Sranan,
één verhaal in het Nederlands en
één essay. In een brief karakteriseerde
Voorhoeve dit geheel als: ‘“Maswa”
[van Eddy Bruma] is een boerenroman, dan heb je hypermoderne
gedichten naast zeer conventionele (die nog niet lelijk hoeven te
zijn). Het is een mooi ratjetoe.’556
A.J. Morpurgo begroette het blad met | | | | waarderende woorden in Het
Nieuws.557 In grote lijnen betoonde Tongoni zich de erfgenaam van Wie Eegie Sanie.
Shrinivási, die zich op
het moment van verschijnen op Curaçao bevond, had contact
gelegd met het tijdschrift via René de Rooy; verder waren
alle bijdragen van creolen. Dat zegt iets over de
oriëntatie van de drie redacteuren, evengoed als over de
dan nog bestaande groepsbeslotenheid waarbinnen de andere
bevolkingsgroepen hun cultuur beleefden. Eind 1957 sprak Voorhoeve
van een verhaal van ‘een Chinese jongen, die geen
Surinaams en geen Nederlands kent en wiens verhaal dus uit het
Chinees vertaald moet worden’558, maar daar is verder niets
meer van vernomen. Dat Voorhoeve poëzie van zichzelf
opnam, is een opmerkelijke manifestatie van zijn identificatie met
Suriname (het spreken over ‘één
meisje/ met donkere borsten’ werd hem overigens door de
EBG niet in dank afgenomen559). Feit is dat het eerste
nummer alleen al met Trefossa, Slory en Shrinivási drie
dichters presenteerde die tot de belangrijkste van de Surinaamse
letteren worden gerekend, en dat de verhalen van Bruma en De Rooy
inmiddels als gecanoniseerd worden beschouwd.
Het tweede nummer van Tongoni was ruim een half
jaar later geheel gereed560 maar zou pas in oktober
1959 verschijnen. Het voorwoord is niet bepaald helder over de koers
van de redactie. Eerst stelt het dat de redacteuren slechts kunnen
mee-experimenteren en dat zij de vrije ontwikkeling van de inzenders
niet mogen sturen door hun persoonlijke normen op te leggen. Een
alinea later heet het dat de redactie ‘poogt leiding te
geven aan het zoeken naar eigen literaire normen’. Vanwege
dit laatste wijst de redactie op de inspiratieve mogelijkheden van
de volkskunst en wijst erop hoe die bij componisten als
Béla Bártok, Zoltán
Kodály en Modest Moessorgski tot nieuwe zeggingskracht
heeft geleid:
Ook de Surinaamse kunstenaars zijn het eigen volk ontgroeid
en als gevolg daarvan in een normencrisis gekomen. Ook wij moeten
trachten de kloof tussen volk en elite op enigerlei wijze te
overbruggen.
Niet alleen met het beschouwende proza werd aan het redactionele
directief vruchtbaar inhoud gegeven: De Rooy experimenteerde met
zijn gedicht ‘Haika mi sten’ [Luister naar mijn
stem] met poëzie die Saramakaans en Sranan combineerde,
Kappel gaf een variant van een orale vertelling, Trefossa varieerde
met zijn gedicht ‘Mi go m'e kon’ [Ik ga ik kom]
en zijn verhalen ‘Oorukuku ben kari’ [De uil
riep] op creoolse vertelformules en Aleks de Drie gaf een
traditionele vertelling in het Sranan. Weer valt op hoezeer het
creatieve werk werd aangeleverd door auteurs die nadrukkelijk hun
stempel zouden zetten op de literatuur van de jaren '60: Trefossa, Shrinivási, Rellum. Daarnaast was er werk van radiopresentator Rudi de Bruin (1929-1984) en vliegenier
Rudi Kappel (1926-1959). Kappel kwam
om bij een vliegtuigongeluk, waarmee zijn gedicht
‘Crash’ uit Tongoni 1
profetische kwaliteiten bleek te hebben gehad.561
| | | |
Maar de nieuwe oproep om kopij zou niet meer gehonoreerd worden. Er
was wel een vervolg gepland: het derde nummer zou poëzie
van Trefossa en Hein Eersel bevatten, proza van Eddy Bruma en Willy
Dost en een recensie van Kans op onweer van Corly
Verlooghen; het vierde nummer zou geheel gewijd zijn aan de
poëzie van Michaël Slory.562
Maar Vox Guyanae ging op in de Nieuwe
West-Indische Gids en om zakelijke redenen is er van een
voortzetting niets gekomen. Mogelijk heeft ook een rol gespeeld dat
de redactie te weinig flexibel kon samenwerken, doordat
René de Rooy naar Curaçao was verhuisd en
Henny de Ziel naar Nederland.
| |
Profiel: Trefossa
Leven. Henri Frans de Ziel werd op 15 januari 1916
geboren als eerste zoon van Johanna Charlotte Francis de Ziel.563 Hij verkreeg een streng christelijke
opvoeding, volgde de Comeniusschool van de EBG, ging naar het
internaat van de Broedergemeente en bezocht van daaruit de Graaf von
Zinzendorfschool. In 1934 behaalde hij zijn Mulo-diploma en zijn akte van hulponderwijzer, twee jaar later
de onderwijzersakte. Hij werkte van 1937 tot 1939 als
leerling-verpleger in 's Lands Hospitaal. Na enkele maanden in het
leger, werkte hij van 1941 tot 1953 als hoofdonderwijzer te
Catharina Sophia in het district Saramacca en in Ganzee aan de
Boven-Suriname. In 1953 vertrok hij naar Nederland om tot
bibliothecaris te worden opgeleid. Hij keerde terug en werkte van
1956 tot 1958 als directeur-bibliothecaris van het CCS. Maar hij kon
daar te weinig van zijn cultuuridealen verwezenlijken en werd leraar
op de C.R. Froweinschool, een Ebg-Mulo.
Henny de Ziel maakte deel uit van de redactie van de literaire
tijdschriften Tongoni (1958-59) en Soela (1962-64). In 1965 behaalde hij de akte lo-Nederlands met de scriptie Van
Negerengels tot Sranantongo.564 In 1966 ging hij opnieuw naar
Nederland voor verdere studie, keerde terug met een diploma
Voortgezette Bibliotheekopleiding, maar bleef om gezondheidsredenen
nauwelijks een jaar. In Nederland begon hij te werken aan de uitgave
van de dagboeken van Johannes King (die in 1973 verschenen als Life at Maripaston).
In 1970 werd hij opgenomen in het Academisch Ziekenhuis in Leiden en
herstelde daarna in ‘Zonneduin’ te Bloemendaal.
Met de Zwitserse directrice van dit herstellingsoord, Hulda Walser,
trouwde hij in 1974.565 Hij overleed op 3
februari 1975 in Haarlem, waar hij ook
begraven werd.566
Tijdens zijn jaren in Ganzee, zou hij zijn pseudoniem gevonden
hebben, toen voor een nieuwgeboren meisje als uitkomst van het blind
kiezen van letters de naam Trefossa werd geformeerd. Volgens Jan Voorhoeve echter gaat de naam terug op
Romeinen 16:12 waar Tryfosa voorkomt
als een van de vrouwen ‘die zich moeite gegeven hebben in
de Here’ en die de apostel | | | | Paulus liet
groeten; door te verwijzen naar deze vrouw die geen hoofdrol in de
Bijbel vervult, lijkt Trefossa zijn eigen nederigheid te hebben
willen benadrukken. Zelf heeft Trefossa verklaard dat hij de naam
voor het eerst gebruikte onder een vers in het orgaan van het
Surinaams Onderwijzers Genootschap in 1949, alleen maar omdat hij
die naam ‘leuk vond’.567 Die bescheidenheid kan niet
verhullen, dat hij het pseudoniem welbewust componeerde: hij
veranderde de eerste lettergreep van de Bijbelse naam Tryfosa, zodat
ook het Sranan woord ‘treef’ (of trefu, afgeleid van het Hebreeuws trefah: verboden voedsel) zou meeresoneren.568
Hij begon zijn schrijfactiviteit met gedichten en artikelen voor
onderwijsbladen als Onze Gids en Het
Onderwijs. Poëzie verscheen in Foetoe-boi en De Westindiër,
verhalen in Suriname-Zending (zie bijlage XIII).
In 1957 verscheen zijn bundel Trotji, twee jaar
later kreeg hij het verzoek het Surinaamse volkslied te herschrijven
in het Sranan (zie Close-up: Op weg naar het Surinaamse volkslied).
Postuum, in 1977, verschenen zijn ‘verzamelde
gedichten’ Ala poewema foe
Trefossa.569
In alle bloemlezingen van Surinaamse literatuur was Trefossa's werk
ruim vertegenwoordigd. In het eerste nummer van het tijdschrift Mutyama (1990) werden bijna al zijn gedichten,
verhalen en beschouwingen en een keuze uit zijn dagboeken gebundeld.
Werk.
Trotji
verscheen bij de Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij
te Amsterdam in de wetenschappelijke serie Publications of the
Bureau for Linguistics Research in Surinam (University of
Amsterdam). De bundel werd in deze reeks uitgebracht, omdat Henny de
Ziel medewerker was van het Bureau voor Taalonderzoek, waaraan ook
Jan Voorhoeve was verbonden.570 Voorhoeve zorgde
voor een letterlijke vertaling en toelichting. Zonder dit commentaar
circuleerden de gedichten ook afzonderlijk als overdruk.
Trotji is een begrip uit de kawinamuziek en
betekent: aanhef of voorzang. In de kawina geldt het principe dat
‘wan man e troki, den trawan e piki’:
één zanger heft het thema aan, de andere
zangers herhalen het, en zo ontstaat een wisselzang. In Ala poewema foe Trefossa is de titel omgespeld tot Troki. Deze uitgave van Trefossa's
poëzie is eerst en vooral een leeseditie ten behoeve van
het onderwijs, met enkele commentaren als aanzetten tot een beter
verstaan van de gedichten. Er is dus nog geen teksteditie met
variantenapparaat beschikbaar, wat voor de misschien wel meest
perfectionistische dichter die Suriname ooit heeft voortgebracht,
betreurenswaardig is.
Trotji bevat slechts negentien gedichten, maar dat
was genoeg om een Surinaamse identiteit onder woorden te brengen die
altijd genegeerd en nooit eerder zo alomvattend gedefinieerd was; in
het gedicht ‘Gronmama/Grondmoeder’ (de spelling
is die van 1957):
na ini den dusun titee fu mi stjin.
tot in alle aders van mijn lichaam.
En:
| | | |
zolang je 't niet uitschreeuwt
Natuurlijk was er eerder poëzie geschreven in het
Sranantongo, verspreid in kranten, tijdschriften en bundels, er
waren poëzievertalingen gemaakt en Schouten, Focke,
Kruisland, Marcus en Thijm hadden oorspronkelijke verzen in het
Sranan geschreven, al ging het dan ook bijna altijd om
gelegenheidswerk. Na de Tweede Wereldoorlog was er ernstig werk
verschenen van onder meer Helman, Koenders en Bruma.572 Maar Trefossa bracht
met Trotji een bundel die meer betekenis had dan
al dit werk bij elkaar. Niet enkel omdat het voor het eerst om een
volledige bundel poëzie in het Sranan ging, maar omdat
die poëzie drie kwaliteiten had: er was iemand aan het
woord die de taal van de creolen tot in alle finesses beheerste, de
poëzie was van een diepgang die nog geen enkele andere
dichter vóór hem in deze taal had gerealiseerd
en de oorspronkelijke gedichten toonden onomstotelijk aan dat het
Sranan een volwaardige cultuurtaal was zonder beperkingen aan het
uitdrukkingsbereik ervan. Trefossa zag de ondergeschikte positie van
zijn land in de verhouding tot Nederland als een culturele
problematiek en zijn bundel was een bijdrage aan de geestelijke
onafhankelijkwording van Suriname.573 In
dit opzicht was de bundel een inlossing van wat Koenders in zijn Foetoe-boi altijd had bepleit, een direct
voortbouwen op Koenders' gedachtegoed en tegelijk een absolute
doorbraak in letterkundige zin. Trefossa drukte zijn respect voor
Papa Koenders uit door de bundel aan hem op te dragen.
Bijna alle gedichten uit Trotji en verschillende
uit de afdeling ‘Tra poewema’ (Andere gedichten)
zijn beroemd geworden. Trefossa maakte zijn poëziedebuut
met ‘Bro’ (Rust) in 1949 in het verenigingsblad
Het Onderwijs.574 Het werd als
derde gedicht in Trotji opgenomen en staat in het
hart van Trefossa's poëzie. Met de vertaling van Michel
Berchem luidt het:
no pori mi prakseri nojaso,
no kari mi fu luku no wan pe,
tide mi ati trusu mi fu go
te na wan tiri kritji, farawe.
no tak na lon mi wani lon gowe
fu di mi frede stree èn kree nomo,
ma kondre b'bari lontu mi so te,
san mi mu du? mi brudu wani bro.
| | | |
na kritji-see dren kondre mi sa si,
pe ala sani moro swit lek dja
èn skretji-tori no sa trobi mi.
te m' drai kon baka sonten mi sa tron
wan p'tjinso moro betre libisma,
di sabi lafu, sabi tja fonfon.
| | | |
stoor niet mijn denken op dit ogenblik,
roep mij nu niet om waar dan ook te kijken,
vandaag drijft mij m'n hart te gaan
tot aan een stille beek, ver weg.
zeg niet dat ik wegvluchten wil
uit vrees voor strijd slechts en geween,
maar rondom mij zovéél rumoer,
wat moet ik doen? mijn bloed wil rust.
| | | |
daar bij de kreek zal ik 't droom-land zien,
waar alles zoeter is dan hier
en waar geen schrikverhaal mij hind'ren zal.
als ik teruggekeerd zal zijn, misschien ben 'k dan
een beetje beter, ander mens geworden,
die lachen kan, en slaag kan dragen.
Dit gedicht, dat bij eerste lezing niet duister overkomt, is een
uiterst complexe betekenisconstellatie en bijna elk woord draagt
connotaties die diep Surinaams zijn. Tegelijkertijd laat Trefossa
het ook ontstijgen aan een lokale context. Het sonnet brengt een tot
het uiterste getourmenteerd mens naar voren die bijna wanhopig van
zich afslaat met een reeks imperatieven (stoor niet, roep niet, zeg
niet). Deze ikfiguur bevindt zich in een schrikwekkend heden, ver
van de stille beek waar zijn hart hem naartoe leidt. Met het sextet
zet de beschrijving in van dren kondre, het
droomland waarvan de ikfiguur goed weet dat het nauwelijks binnen
bereik ligt. Het terzet is gesteld in een conditionalis: als die paradijselijke staat van zielenrust zonder
verschrikkingen bereikt zal zijn, al is het maar voor even, dan zal
ik misschien een beter mens geworden zijn. Maar het droombeeld wordt
op geen enkele plaats in het gedicht voorgesteld als een staat die
werkelijk de barre realiteit kan verdrijven.575
Tegen de achtergrond van de Surinaamse geschiedenis verkrijgt
‘Bro’ een intense lading: woorden als trusu (drijven), lon gwe
(wegvluchten), frede (angst), stree (strijd), kree (geween), lontu (omsingeld), trobi (verdrieten) en
fonfon (slaag) dragen de slavernijgeschiedenis
met zich mee. De ikfiguur is geen slaaf, maar wel iemand die van dat
verleden niet los kan komen, iemand die zich er evenmin aan
ontworstelen kan als Michelangelo's slavenfiguren zich kunnen
ontdoen van het marmer waarin de kunstenaar hen in onvoltooide vorm
achterliet. Het sonnet is ondanks de titel geen rustgevend gedicht,
de hoop is nog nét aanwezig in het laatste terzet.
Trefossa moet heel goed beseft hebben dat het gedicht wel een poging
was om zijn condition humaine uit te drukken, maar
dat het perfecte gedicht - met minder nam hij geen genoegen - even
ver weg ligt als het droomland dat hij noemt. In het belangrijke
metapoëtische commentaar dat hij heeft gegeven in zijn
gedicht ‘Wan tru puëma’ [Een echt
gedicht], zegt hij dat zo - opnieuw met een vertaling van Michel
Berchem:
wan tru puëma na wan skretji-sani.
wan tru puëma na wan stree te f' dede.
wan tru puëma na wan tra kondre,
wan tru puëma na den wortu d' e tan abra
te ala trawan n' in' ju libi wasi gwe;
| | | |
fu tatji dji onoosruwan tu wortu
di, te den gro, sa trowe lepi stari,
| | | |
een echt gedicht is iets dat je hevig bevangt.
een echt gedicht is een strijd op leven en dood.
een echt gedicht is een ander land,
als je de dood doorleefd hebt.
een echt gedicht zijn de woorden die overblijven
als alle andere in je leven zijn weggespoeld;
maar een die doet ontspruiten
stort je over mij heen, dan,
| | | |
om te zeggen tot de eenvoudigen enkele woorden
die, als ze volgroeid zijn, gerijpte sterren zullen afwerpen,
Er zijn opmerkelijk veel woorden identiek in
‘Bro’ en in ‘Wan tru
puëma’. Het droomland in
‘Bro’ en het echte gedicht dat een ander land is
in ‘Wan tru puëma’ worden op gelijke
wijze gelokaliseerd; beide zijn onbereikbaar ver weg, al wordt er in
het laatste gedicht aan toegevoegd dat het voorbij de dood zal
liggen. Trefossa geeft in de eerste strofe aan dat het schrijven van
poëzie een schrikwekkende daad is; het dichterschap
impliceert het passeren van alle grenzen, zelfs de uiterste. Wat dan
resulteert, zegt de tweede strofe, is poëzie als het zaad
dat leven geeft. In de derde strofe komt voor het eerst een
ik-persoon voor, die zegt zich over te geven aan de wereld. Net als
in ‘Bro’ is er sprake van een bezwerende
gebiedende wijs: stort je maar over me heen Aroesoebanja - de naam
van een vroegere stroomversnelling in de Surinamerivier die hier
symbool staat voor de zwaarte en de ongrijpbare krachten van het
leven.576
Vorm en inhoud van de poëzie van Trefossa werden bepaald
door drie cruciale factoren: zijn herrnhutter achtergrond, de
creoolse cultuur en zijn verhuizing naar Europa. Henny de Ziel was
een vroom lidmaat van de kerk die zich al zo vroeg het lot van de
negers had aangetrokken: de Evangelische Broedergemeente. Terwijl
deze kerk de negerbevolking in haar taal respecteerde, preekte zij
het christendom en daarmee de sakafasi
(nederigheid) tegenover God en de medemens. Het aardse lot was een
tijdelijke voorbeschikking; opstandigheid en strijd waren
hoogmoedig. In alle getuigenissen over de persoonlijkheid van Henny
de Ziel wordt diens zachtaardigheid en sakafasi
genoemd, maar evengoed zijn onafhankelijk denken en zijn
onverzettelijkheid als het ging om de zaken die hem na aan het hart
lagen; Hugo Pos noemde hem zelfs een
‘absolutist’.577 Beide noties, nederigheid en onafhankelijkheid,
zijn cruciaal voor zijn poëzie. De paradox wil dat de
‘heidense’ marroncultuur haaks stond op de
christelijke cultuur van de Moravische Broeders, maar dat
tegelijkertijd elementen van de afro-Surinaamse marroncultuur
bewaard bleven ook in het leven van de creolen die zich bij de
Broedergemeente hadden aangesloten (velen, niet Trefossa, beleefden
de winti-cultuur even intensief als het christendom). Nog afgezien
van de taal maakt de poëzie van Trefossa in talloze
elementen deel uit van het afro-Surinaamse cultuurgoed.
De West-Europese esthetiek die de herrnhutters vooral met hun
gezangboeken inbrachten in de creoolse cultuur, heeft zijn
poëzie niet minder sterk beïnvloed: Trefossa's
voorkeur voor het sonnet komt er vandaan, het soms plechtstatige,
koraalachtige ritme. (Hij werkte zelf mee aan de herdichting van de
Ebg-liederenbundel Ariaboekoe). Het schrijven van sonnetten was ook een
manifestatie van zijn principiële openheid naar andere
culturen toe, zoals na hem bijvoorbeeld Michaël Slory dat
met zijn sonnetten en kwatrijnen zou doen.
Mogelijk werd de westerse invloed versterkt door zijn verhuizing naar
Nederland. Zeker is dat Trefossa's poëzie er daardoor ook
een migrantenthematiek bijkreeg, maar het gevolg van de migratie was
nog ingrijpender, in de woorden van Hugo Pos: ‘Terwijl
zijn horizon zich verwijdde werd hij zich meer bewust, zoals dat wel
vaker gebeurt, van zijn eigen achtergronden en het is vrij zeker dat
de meeste van zijn gedichten in zijn Hollandse periode zijn
ontstaan.’578 Het is vanwege deze westerse invloed dat Edgar Cairo tot
dit kritische oordeel kwam:
Met Henny de Ziel hebben we de beste Surinaamse dichter
gehad, tot nog toe. Hij heeft in wezen een Hollands (Europees)
konsept gehad van de powesie, met het zogeheten eeuwigheids- | | | | streven, het symbolisme (dat is zo ongeveer het pogen
uit te drukken van het onzegbaar-wezenlijke), en zijn aanbidding van
de strenge versvorm van het sonnet bijvoorbeeld met daarbij behorend
metrum, rijm en wat dies meer zij. Dus is het wezen van
zíjn Surinaamse powesie... niets anders dan een variant
te noemen van de Oudhollandse powesie. [...] als zeer kristelijk
opgevoede neger heeft hij nu eenmaal de orale powesie die zo nauw
samenhangt met de verketterde negerreligie winti
niet in zich gehad.579
Dit oordeel, dat uitgaat van een strak gehanteerde norm van wat
‘negerpoëzie’ zou moeten zijn, valt
overigens onmogelijk vol te houden voor al Trefossa's gedichten,
zoals uit de Close-up nog zal blijken. Bovendien spreekt uit veel
van Trefossa's gedichten, hoeveel deze ook aan de christelijke
motievenwereld heeft ontleend, eerder een humanistische geest dan
een kerkelijk-evangelische, iets wat Henny de Ziel in zijn laatste
levensjaren ook zelf constateerde.580
Na Trotji schreef Trefossa enkele gedichten die hij ongepubliceerd liet, omdat
hij vond dat ze teveel een herhaling waren van wat hij al in Trotji had laten zien, zoals
‘Grasbarki’ (Libelle). Een handvol nieuwe
gedichten verscheen in tijdschriften als Tongoni
en De Gids en hij maakte vertalingen van Guido Gezelle, Heiman
Dullaert, Jacobus Revius,
Albert Verwey, Willem de Mérode en Willem Kloos, waarmee hij, net zoals in de tijd van Foetoe-boi, wilde tonen dat het Sranan alle
potenties bezit om complexe poëtische constructies uit te
drukken.
Trefossa zocht lang naar een nieuwe vorm die minder abstract, minder
hermetisch en voor een groter publiek toegankelijk zou zijn.581 Er
ontstonden gedichten met nationaal-historische thema's zoals die
over de marronleiders Joli Coeur en Baron (het gedicht
‘Refensi’ - Wraak) en
‘Afiba’, een gedicht over de yorka (de geest) van de overleden slavin Afiba, waarin
Trefossa een verhaal uit de slaventijd verwerkte: de zelfmoord van
de zwangere Afiba wordt in verband gebracht met een bloedende
boomstam die tegen de stroom van de Saramaccarivier in drijft. Eerst
met een reeks gedichten geschreven rond kerstmis 1973 leek hij een
nieuwe stijl gevonden te hebben. ‘Hoemor in
èksèlsis’ [Humor in excelsis],
‘Jozef ori-tjar Maria’ [Jozef ondersteunt
Maria], ‘bébi-boi’ [babyjongen],
‘skapoeman’ [schaapherder] en ‘pin-pin
Jesus’ [nietige Jezus] zijn, mede door het gebruik van
Saramakaanse woorden, niet gemakkelijk van taal, maar, aldus Jan
Voorhoeve, ‘geschreven vanuit een eenvoudig levensgevoel
en een sterke innerlijke harmonie’.582 Van eerstgenoemd gedicht heeft Albert Helman een vertaling en
interpretatie gegeven583:
humor in' èksèlsis
didibri fir' a fart tak' bigi grani
ben o psa grontapu er-es, mofoyari.
a manp'kin f' Gado, so Tata ben wani,
ben o tron wan libisma. - o gran friyari!
‘m' e por' a prei, m' e blèkout
alasani.’
na so didibri opo mofo bari,
‘m' e kot' den drat a tap' a eri plani,
| | | |
d' e tyar' elektrikpowa gi den stari.’
ma... wruts! syat'sroiti panya brantifaya.
didibri kori en krabyasi, baya!
a bron en langa barba-kakunbe.
èn engel singi: humor in'
èksèlsis!
den lafu kwakwa: libi de pro vobis!
èn beibi Jesus krei a fosi:
yè-è-è.
| | | |
humor in excelsis
De duivel kreeg het in de smiezen
dat - en nog voor het eind van 't jaar -
God's zoon - het was des Vader's wens -
een mens zou worden. Wat verrukking!
‘Dat nooit. Ik wil geen licht meer zien’
snoefde de duivel met zijn grote bek.
‘Ik leg de stroomvoorziening stil
| | | |
van het hele firmament met al zijn sterren.’
Maar... oei! kortsluiting strooide vonken
De duivel keek raar op zijn neus.
Hij schroeide lelijk baard en bakkes.
De engelstemmen zongen ‘Humor in excelsis’.
Ze schaterlachten: Leve zij pro vobis
en baby Jezus slaakte d' eerste kreet.
Trefossa noemt het oude verhaal van Jezus' geboorte een gran friyari, een luisterrijk feest, en heeft die geboorte
naar de moderne tijd verplaatst. Daarvoor gebruikte hij allerlei
nieuwe termen als drat (stroomdraad), elektrikpowa (stroomvoorziening) en syat'sroiti (kortsluiting). Hij combineert die neologismen
met idiomatisch ‘diep’ Sranan als
‘Didibri kori en krabyasi’ (De duivel keek raar
op zijn neus). Voorts wijst Helman op onomatopeeën als
‘wruts!’ voor de kortsluiting,
‘kwa-kwa’ ter versterking van het lachen van de
engelen en het krijsen van Jezus
‘yè-è-è’, die
de levendigheid vergroten en een humoristisch effect sorteren. De
humor speelt zich echter af ‘in excelsis’.
Helman benadrukt dat de onverwacht-prachtige slotregel het geheel
omhoogtrekt in een zuiver-poëtische sfeer, een sfeer van
vertedering ook. Aan deze lezing van het gedicht kan worden
toegevoegd dat het Trefossa overigens minder om nieuwe taalschepping
begonnen was, dan om het opgraven van bijna vergeten, betekenisvolle
woorden in het Sranan. Zo schiep hij ook vanuit twee bestaande
taalelementen, srefi (zelf) en densi (verdedigen), zijn bekendste neologisme: srefidensi, onafhankelijkheid.584
De eerste die Trotji besprak was H. Roose in De West van 6
juni 1957. Hij schreef: ‘Zeker, er zijn meer schrijvers in
Suriname, maar geen is zo nadrukkelijk Surinamer; geen stelt zo
nadrukkelijk: door mij heeft mijn land in mijn taal deel aan de
beschaving van de wereld.’ Roose sprak van gevoelens die
adequaat door Trefossa onder woorden waren gebracht en zijn
‘vreugde om de waardigheid die de dichter met dit werk aan
zijn volk geeft.’ Toch is het de vraag of deze criticus
Trefossa ook maar enigermate doorgrond heeft, want hij vervolgde:
Maar dat betekent alleen dat Trefossa een goed dichter is;
hij is nog geen gróót dichter. Daartoe is zijn
levensinstelling op kardinale punten nog te negatief, zijn
inspiratie vaak nog te zeer afkomstig uit de peripherie van zijn
gemoedsleven. Men mag wensen dat hij in de gelegenheid gesteld wordt
in en vooral buiten Suriname zich te verdiepen, door kennis te nemen
van mensen, mensen...
Maar lang liet de erkenning van Trotji als de
eerste volwaardige poëziebundel in het Sranantongo niet
op zich wachten. Paul Rodenko schreef
begin 1959 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant:
‘Voor Trefossa is dichten dus in de meest letterlijke zin
tevens taalscheppen: is zijn poëzie als poëzie
geslaagd, dan heeft hij daarmee tevens een nieuwe cultuurtaal
geschapen.’585
Trotji was wat Trefossa
zelf onbewust met vooruitziende blik genoemd had wan
koko di kan sproiti nyun libi, een pit die nieuw leven doet
ontspruiten. Zijn poëzie was het lichtspoor waarop
dichters als Rellum, Slory, Schouten-Elsenhout,
Defares en anderen zich zouden
oriënteren. In alle bloemle- | | | | zingen werd hij
ruim vertegenwoordigd.586
De distributie van Trotji ondervond veel
moeilijkheden587, maar niettemin werden de gedichten al direct na
1957 voorgedragen op iedere denkbare culturele avond588 en ze werden verplichte
lectuur op de middelbare scholen. Niettemin stelden Hugo Pos en Jan
Voorhoeve onafhankelijk van elkaar vast dat zijn poëzie
nooit echt populair is geworden en dat de inhoud niet overal werd
begrepen.589
Ongetwijfeld is de reden daarvan, dat Trefossa's poëzie
een intimistische kant heeft, diep graaft, vaak eerder schrijnend
dan verzachtend is en gebruikmaakt van een Sranantongo dat bronnen
aanboort die ver liggen van de alledaagse spreektaal. Hoe welluidend
ook en hoe belangwekkend voor wat erin gezegd wordt over de
Surinaamse identiteit, als voordrachtspoëzie die een
massapubliek aanspreekt is deze poëzie niet geschikt.
Tekenend is dat er slechts één gedicht van
Trefossa terechtkwam in de bloemlezing met strijdbare
poëzie
Tesi f'i (Proef het)
(1975).
Er zijn verschillende vertalingen van Trotji
gemaakt. Jan Voorhoeve leverde een
letterlijke vertaling bij de eerste editie, die werd herdrukt in
Trefossa: na wan njoen kari
(1990); later maakte hij van enkele gedichten nog een
vrijere literaire vertaling.590
Albert Helman vertaalde kort na
verschijning achttien van de negentien gedichten onder de titel
Aanhef
, een vertaling die in een gestencilde vorm beperkt
verspreiding vond, en pas in 1994 in druk verscheen in Helmans Adyosi/Afscheid. Michel Berchem tenslotte vertaalde acht
gedichten uit Trotji en zes uit de andere gedichten voor de
Spiegel van de Surinaamse poëzie
.591
Jan Voorhoeve zei op de begrafenis van Trefossa: ‘Henny de
Ziel heeft gedichten geschreven, die behoren tot het beste en het
mooiste wat er ter wereld is geschreven.’ Maar misschien
is zijn grootste verdienste nog geweest wat Voorhoeve eerder in die
grafrede zei: ‘Zijn lezers heeft hij
vrijgemaakt.’592
Trefossa schreef ook een klein aantal prozastukken. In
‘Maharadji’ legde hij een van zijn ervaringen
als onderwijzer vast. Een klein hindostaans meisje vraagt haar
onderwijzer ten huwelijk: ‘Ik hou van jij’, en
de onderwijzer doet mee aan een
‘huwelijksplechtigheid’. Het is een verhaal van,
zoals de schrijver het zelf uitdrukt, een ‘tedere
verstandhouding.’593 ‘Afbraak’
beschrijft de discussies die losbarsten wanneer Pa Beertie,
hoofddienaar van de kerk, voorstelt om de verrotte en op instorten
staande kerktoren af te breken. Het verhaal kan gelezen worden als
een allegorie voor de vooruitgang, zij het dat die eindigt met de
melancholische overpeinzing van Pa Beertie dat | | | | er
vroeger opgebouwd werd, maar tegenwoordig alleen afgebroken.594 Trefossa's
belangrijkste verhaal, ‘Maanavonden’, verscheen
ook in het Sranan. Het is de bedrieglijk eenvoudige vertelling van
de jonge man Luti die, in paniek geraakt bij de gedachte aan de in
vuurvorm verschijnende god Asema, verdrinkt bij de spookplantage La
Concorde.
| |
Close-up: Traditie en compositie: Trefossa's
‘Kopenhagen’ &
‘Maanavonden’
Kopenhagen
mi gudu-gudu taig' mi dan,
ènhè, mi sab' p' a e tan:
Kopenhagen
Watermoeder zit jij daar op
Watermoeder, ik ken je, ze-
mijn lieve lief zeg 't me dan, mij
Watermoeder jij kijkt naar mij
Uitgaande van de associatief gelegde koppeling tussen het beeld dat
Edvard Eriksen van Andersens zeemeermin maakte in de haven van
Kopenhagen, en de uit de Surinaamse folklore bekende Watermoeder,
half vrouw, half vis, geeft Trefossa hier vorm aan een bekend motief
uit de Surinaamse literatuur: het getrokken worden tussen de
westerse en de Surinaamse wereld, Europa en Sranan. Het is
ongetwijfeld de fijnzinnige vorm die dit gedicht tot
één der beste van de Surinaamse letteren maakt
en het is de verdienste van Jan Voorhoeve geweest dat hij die vorm
geanalyseerd en van stilistisch commentaar voorzien heeft.596 Ook vanuit literatuurhistorisch oogpunt is
‘Kopenhagen’ van groot belang. In dit gedicht
heeft zich alles gekristalliseerd wat uit de jaren '50 van blijvend
belang zou blijken te zijn voor de Surinaamse literatuur.
Trefossa heeft nooit tot de kern van Wie
Eegie Sanie behoord, maar de tijdgeest van de beweging manifesteert
zich wel in zijn poëzie. Niet alleen
doordat hij liet zien hoe het Sranan alles bezit wat een taal tot
een volwassen cultuurtaal maakt, maar ook doordat | | | |
bijvoorbeeld in een gedicht als ‘Kopenhagen’ de
erfenis van eeuwen orale literatuur meezingt. Allereerst zijn daar
natuurlijk de mythische gegevens van de Watramama en de gouden kam
die geluk brengt. Maar het gedicht is nog op andere, veel
fundamenteler wijze een eerbetoon aan de ongeschreven
Surinaams-literaire traditie, doordat het creools-orale en westerse
tradities in elkaar laat schuiven.
Inhoudelijk overheersend is natuurlijk de spiegeling van het beeld in
de haven van Kopenhagen, in de Watramama. Heel langzaam schuift voor
de ikfiguur het beeld van de Watramama over het beeld van Eriksens
zeemeermin. In de eerste twee strofen is er sprake van een
waarneming, de daaraan gekoppelde verwondering en positieve
herkenning; in de laatste twee strofen is er de duiding van het
waargenomene. Impliciet gegeven is hier tevens de vraag naar de
status van het reëel waargenomene: wat er concreet is, is voor de ik van een andere orde dan voor
andere (niet-Surinaamse) waarnemers. Met andere woorden: de
Watramama die hij in het beeld ziet, is voor de ik van een hogere
realiteitsorde dan het beeld van brons. De viermaal herhaalde
aanspreking ‘Watramama’ bevestigt dat.
Daarenboven is er een spiegeling van het aandachtsveld van de
beginregels in de eindregels: dya na mofo se (hier
bij de zee, verwijzend naar Kopenhagen) vindt zijn tegenhanger in
Sranan. Het tussenwerpsel eh-eh uit de tweede regel wordt gespiegeld in de instemmende
klank ènhè uit de
voorlaatste regel. De verwondering heeft plaatsgemaakt voor de
bevestiging. Ook naar de vorm is het vers op allerlei punten
symmetrisch.
De vraag is of Trefossa zich bewust is geweest van deze ordening, of
dat hij die (deels) onbewust in zijn poëzie gelegd
heeft.597 Het is in ieder geval zeker
dat Trefossa/De Ziel een diepgaande belangstelling heeft gehad voor
de wortels van het Sranantongo in West-Afrikaanse talen.598
‘Kopenhagen’ kan dan ook met zijn uitroepen in
de vorm van die typisch Surinaamse klanknabootsingen, een tribuut
aan de eeuwenoude vertellerstraditie van afro-Suriname genoemd
worden.
‘Kopenhagen’ is misschien wel het stilste gedicht
uit Trefossa's oeuvre. De uitroepen zijn eerder fluisteringen van
verbazing. De ik stelt een aantal verwonderde vragen, maar een
antwoord hoeft er niet te komen, want dat ligt al in het zwijgen
besloten. Eigenlijk wordt er niet heel erg veel gezegd in het
gedicht. Het is alsof de klanken het poëtisch heelal
oproepen en woorden daarin slechts kunnen afleiden - een verwant
gedicht in dit opzicht is ‘M'e go, m'e kon’ (Ik
ga, ik kom).599 Naar de vorm komt het gedicht daarmee verrassend dicht
in de buurt van de poésie pure, van dat
andere, beroemde, fluisterende gedicht, de vocalise ‘En
rade’ van Jan Engelman. Of misschien is het nog beter te
wijzen op de verwantschap met sommige gedichten uit Het
eerste boek van Schmoll van Paul van Ostaijen, waarin zich,
net als hier bij Trefossa, de poëzie als vanzelf
voortrolt, zichzelf afwikkelt. Als klankgeheel en als verstilde
poëtische eenheid is het gedicht verwant aan
‘Waran-neti dren’ (Hetenachtsdroom) van Eddy
Bruma. In de bewuste keuze voor poëtisering van een
gegeven uit de Surinaamse verteltraditie (de wrede Suzanna
Duplessis), is Bruma's gedicht even nationaal-Surinaams als
‘Kopenhagen’ met zijn Watramama dat is. Maar
‘Kopenhagen’ voegt daar een nieuw element aan
toe: het conflict van de Surinamer die heen en weer getrokken wordt
tussen Europa en | | | | Suriname. Dat conflict is bezien
vanuit de biografie van Henny de Ziel een zeer persoonlijk facet van
zijn poëzie. Maar het is natuurlijk tegelijkertijd een
boven-persoonlijk gegeven voor Surinamers die dezelfde tweespalt
hebben gekend, zowel de mensen rond Wie Eegie Sanie, als anderen die
naar Nederland vertrokken en in hun verwachtingen teleurgesteld
werden.600
Trefossa zegt in
‘Kopenhagen’ zeer veel met zeer weinig woorden.
In het proza van ‘Maanavonden’ is die
informatiedichtheid al even groot: in slechts enkele pagina's wordt
de stof neergelegd voor wat een hele roman zou kunnen zijn. Er zijn
echter meer lijnen die Trefossa's proza met zijn poëzie
verbinden.
‘Maanavonden’ verscheen in het kwartaalblad van
het Zendingsgenootschap der Evangelische Broedergemeente te Zeist,
Suriname Zending, in oktober 1944. De niet tot
in alle details identieke versie in het Sranantongo onder de titel
‘Oorukuku ben kari’ [De uil riep] stond in 1959
in Tongoni 2.601
Het verhaal valt uiteen in drie gedeelten die door witregels
gescheiden worden. Het gecompliceerdste gedeelte is het eerste,
omdat er hier sprake is van een voortdurende verzakking van de tijd.
Het begin van het verhaal is traditioneel in zoverre er gesuggereerd
wordt dat de situatieschets die hier gegeven wordt het uitgangspunt
vormt voor de rest van het verhaal. Hier wordt een omgeving met
maan, bos en rivier geschetst, wordt aangegeven hoe enkele jongelui
bij elkaar komen om te zingen en wordt de lokroep van de uil als de
lokroep van de dood beschreven. Droefheid en dood hebben
vooruitwijzende kracht.
In dit openingsstuk is er sprake van een verteller die zich niet als
persoon kenbaar maakt, maar die wel degelijk de sfeer van het
verhaal bepaalt. De beschrijving in de eerste zin is allesbehalve
objectief: ‘Wellicht zou de maan niet zo heel treurig
geschenen hebben, als niet vlak ervoor een wolkje geschoven was, dat
het gedempte licht nog droever maakte.’ Deze verteller zit
dus op het tijdsplan van het tori-vertellen, het
letterlijk, mondeling vertellen. Hij maakt die sfeer van waaruit
door de jongelui de tori's verteld gaan worden. Zijn die tori's
geënt op de werkelijkheid, de loop van het verhaal laat
zien dat omgekeerd de tori's de werkelijkheid
beïnvloeden, want Luti zal omkomen doordat hij in paniek
raakt bij de gedachte aan de tori over Asema die hij gehoord heeft.
Men verwacht nu dat het verhaal na deze beginsetting op gang gebracht
wordt, maar dat gebeurt niet. Er volgen verschillende
tijdsverschuivingen met het bekende
‘Droste-doosje’-effect: een verhaal in een
verhaal in een verhaal. Eerst uit een nauwkeurige reconstructie van
de verschillende tijdsniveaus602 blijkt dat een van de jongelui in dat eerste stuk
een tori vertelt over de rivier die de bootlading greep die voor de
geliefde van Luti bedoeld was, op hetzelfde moment dat elders Luti
met zijn vrachtbootje door de rivier gegrepen wordt. Een simultaan
toeval dat voor de schrijver weinig toevalligs gehad zal hebben. Het
verhaal heeft een kader gekregen van een raamvertelling waarbinnen
zich een chronologisch verteld verhaalgebeuren afspeelt, met
daarbinnen nog een ingekaderde vertelling. Inbedding van verhalen
met alle mogelijkheden tot spiegeling, omkering en herhaling die
daardoor worden gecreëerd, horen tot de kern van de orale
systematiek.603 ‘Maanavonden’ is daar een
uitstekende demonstratie van.
In ‘Maanavonden’ komen orale en geschreven
literatuur op dubbele wijze bij elkaar: het gegeven van Asema wordt
als activerend element in het verhaal opgenomen. Deze Asema is een
figuur uit de folklore, de soucouyan of fire-ball, een oude vrouw die 's | | | |
nachts de gedaante aanneemt van een vampier die rondwaart in een
gloed van licht. Onder een mata (houten vijzel)
bewaart zij haar huid die men met zout en peper moet zien te
bestrooien, zodat haar lichaam pijnlijk gaat branden en zij niet
meer in haar huid kan komen, zodat zij sterft.604 Door deze figuur in het verhaal te incorporeren
geeft Trefossa een direct eerbetoon aan de Surinaamse orale
traditie. Maar het verhaal is bovendien zelf gegoten in de vorm van
een tori die verteld wordt, waarbij de verteller bijval betoond
wordt door de toehoorders. De verteller en de mensen om hem heen
bevinden zich in het raam van de vertelling
‘Maanavonden’; in het telkens teruggrijpen op de
beginsetting van de maanavond zien we de zo kenmerkende
onderbrekingen (kot'tori) van de op traditionele
wijze vertelde tori. Ook in de ruimtelijke setting speelt een
historische notie mee: slaven van verschillende plantages kwamen bij
volle maan samen.
In de traditie is het vertellen van tori's een gebruik dat
voortvloeit uit het geloof dat de yorka, de geest
van de overledene, met verhalen vermaakt moet worden voor hij zijn
verwanten verlaat.605 Van dit
vertellen bij de dodenwake is in ‘Maanavonden’
geen sprake; er wordt verteld op een nacht met volle maan (wat
wèl traditioneel is). Het vertellen in
‘Maanavonden’ is niet het bezweringsritueel dat
na een sterfgeval voltrokken wordt, het is een ritueel dat aan de
dood voorafgaat. Misschien mogen we zelfs zeggen: het vertellen
roept de dood op, want vertellen en handelen (de dood van Luti) zijn
zo nauw met elkaar verweven - ze gebeuren zelfs simultaan -, dat
Luti's verdrinkingsdood zich als een onontkoombaar lot opdringt.
Het verhaal zit daarbij zeer hecht in elkaar, zowel door
herhalingselementen, als door de cyclische structuur van het stille
beginpunt ‘alsof de wereld pas begon’ naar de
stilte van het einde waarin ‘alles scheen te slapen in
koelte van maanlicht.’
Zoals beschreven in het deel over de orale literatuur, zit er in het
tori-vertellen op traditionele wijze een vast stramien.606 Een verteller start
met zijn vertelling en wordt geïnterrumpeerd door de
instemmende geluiden of een andere tori van de toehoorders, en die
kan op zijn beurt weer door een ander onderbroken worden. Deze
laatste maakt zijn tori af, daarna brengt de eerste interrumpeerder
zijn tori tot een einde, en vervolgens komen we weer terug bij de
eerste verteller, waarmee de cirkel rond is. Zowel in
‘Kopenhagen’ als in
‘Maanavonden’ werkt dit stramien door. In beide
grijpt het einde op het begin terug.
‘Maanavonden’ zit natuurlijk het duidelijkst
tegen de traditionele tori aan met zijn telkens ‘verder
wegzakkende’ verhalen, die hun juiste plaats krijgen met
de afsluiting door de laatste zinnen die de raamvertelling
completeren. In verhaal èn gedicht is de cyclische
structuur gebaseerd op overeenkomst in locatie van begin en einde.
Roept de structuur van ‘Maanavonden’ een
verteller op die bijval krijgt van zijn toehoorders, op
vergelijkbare wijze onderbreekt de verteller in
‘Kopenhagen’ zichzelf met geluiden van
verwondering en herkenning. Herhalingselementen spelen in
‘Kopenhagen’ en in
‘Maanavonden’ hun structurerende rol. De
mythische Watramama uit de poëzie vindt haar negatief in
de vuurgod Asema uit Trefossa's proza.
Gedicht en verhaal leggen bovendien naar inhoud èn vorm
een relatie tussen heden en verleden. In
‘Kopenhagen’ werkt Trefossa bewust met
traditionele elementen, maar hij springt ook op moderne wijze met
het enjambement om. Een gegeven als dat van de Watramama weet hij
daarbij subtiel te verbinden met de eigentijdse
emigratieproblematiek. ‘Maanavonden’ is een
verhaal dat zo'n actuele problematiek ontbeert. Het is een ondrofenitori (ervaringsverhaal), met elementen
van zowel yorka- als srafutentori (spook- en slavernijvertelling). Het verhaal
speelt zich af in de 20ste eeuw: er wordt in | | | | het
verhaalheden teruggekeken naar ‘lang geleden, toen er nog
slaven waren’. In een aan de (orale) traditie ontleende
vorm geeft Trefossa een vertelling over de moderne tijd, die echter
moeilijk als zodanig herkend kon worden wanneer die tijdsaanduiding
er niet geweest was. Toch is die link tussen heden en verleden
allesbehalve toevallig. Er werd al op gewezen hoe de tori uit het
verleden ingrijpt op de gebeurtenissen van het (verhaal)heden. Het
lijkt alsof Trefossa ons wil duidelijk maken hoezeer de mens bepaald
wordt door zijn geschiedenis. Open blijft de vraag of de schrijver
dan in de ten onder gaande Luti een allegorische voorstelling heeft
willen geven van de mens die vecht met zijn (slaven)verleden en
wiens krachten ontoereikend zijn om zich daaraan te ontworstelen.
Met het laten ingrijpen van tori op werkelijkheid (binnen het
verhaal) geeft Trefossa vorm aan een oude problematiek in de
literatuur: de vraag naar het wezen der dingen, naar de
realiteitsorde van wat we waarnemen. Dezelfde vraag die de ikfiguur
uit ‘Kopenhagen’ impliciet beantwoordt - de
Watramama is reëler voor hem dan het beeld van de
zeemeermin -, krijgt in ‘Maanavonden’ een andere
dimensie: de fictie grijpt in op de (verhaal)werkelijkheid. Hoe
fictioneel is die fictie dan nog, is de paradox die het verhaal
oproept. De traditie die wij als fictionele vorm (in een tori)
overgeleverd krijgen, blijkt een onvermoede, reële kracht
in zich te bergen. De traditie bepaalt in grote mate het menselijk
denken, het denken van Trefossa en de wijze waarop hij aan dat
denken vorm heeft gegeven: de compositie van het gedicht
‘Kopenhagen’ en het verhaal
‘Maanavonden’.
| |
| | | |
Profiel: Marcel de
Bruin/René de Rooy
Leven. René André de Rooy
werd geboren in Paramaribo op 1 oktober
1917.607 Hij was een echt kind van het
Caraïbisch gebied: zijn moeder Marguerite Grimard stamde
uit een kunstzinnige Haïtiaanse familie; zij overleed
toen hij drie was. Zijn Surinaamse vader werkte als telegrafist op
telkens andere plaatsen in het Caraïbisch gebied.
René werd rooms-katholiek opgevoed. Hij volgde het Mulo op Curaçao en een
onderwijzersopleiding in Suriname. Op zeventienjarige leeftijd ging
hij naar Aruba, een jaar later, in 1935, weer naar
Curaçao waar hij tot 1954 zou blijven. Hij haalde een
hele reeks onderwijzersakten, waaronder mo-Spaans en -Engels, maar
kon zijn mo-Nederlands niet halen, omdat de overheid hem een
reisbeurs weigerde om in Nederland examen te doen. Tijdens de Tweede
Wereldoorlog was hij schutter.
Zijn literaire debuut maakte De Rooy in december 1940 in het
Antilliaanse tijdschrift De Stoep onder de naam
Marcel de Bruin.608 Hij speelde in de jaren
'40 en '50 een zeer actieve rol in het culturele leven op de
Antillen. Samen met zijn vrienden, de dichters Pierre Lauffer en
Jules de Palm, maakte hij vijftien liedjes om de waardering voor het
Papiamentu te stimuleren,
Cancionero Papiamento
(1943), verschenen onder het gezamenlijke pseudoniem Julio
Perrenal en herdrukt in 1979 door De Bezige Bij als: Julio Perrenal: dichters van het Papiamentse lied.609 De Rooy was ook beeldhouwer en
exposeerde in verschillende landen.
In de jaren 1946-1950 droeg De Rooy met regelmaat bij aan
Spectrum
en aan
Eldorado
. Zijn poëzie in het Papiamentu verscheen in het
mede door hem opgerichte
Simadán
(1950-51), in
Antillano
(1953), de
Amigoe di Curaçao
(1961) en
Watapana
(1970).610 In Simadán schreef
hij ook beschouwend proza onder de naam Andrés Grimard.
Verder maakte hij schoolboeken-Spaans. Van zijn toneelstukken
verscheen alleen de Papiamentu tragikomedie
Juancho Picaflor
(1954) in druk. Het stuk in vijf bedrijven is een Don
Juan-bewerking in versvorm en werd bekroond door het Cultureel
Centrum Curaçao. Later schreef hij de Nederlandstalige
stukken
Huis aan de rivier
(1956) en
De liefdesdronk
(z.j.).611
Vooral op instigatie van zijn vrouw wisselde De Rooy nogal eens van
land, altijd en route, zoals het gedicht heette
dat Antoine de Kom aan hem opdroeg.612 Van 1954 tot 1957 verbleef hij weer in
Suriname als leraar aan de Ams en de Kweekschool,
daarna weer tien jaar als leraar op Curaçao. Hij was
mede-oprichter van het tijdschrift Tongoni. Na
zijn pensionering werkte hij op de Nederlandse ambassade in Mexico,
onder meer belast met cultureel werk. In 1969 ging hij opnieuw aan
de slag in Suriname, nu als studieleider van de mo-opleiding Spaans
en onderdirecteur van het Miranda Lyceum. Gedesillusioneerd vertrok
hij in 1973 weer naar Mexico, waar hij als vertaler werkte. Op 17
oktober 1974 overleed hij in Guadalajara aan een hartaanval.613 Postuum | | | | verschenen
Verworpen vaderland
(1979) en het jeugdboek
Francisco en de zwaluw
(1997).
Werk. René de Rooy was
vóór alles Caraïbiër:
hij was evengoed thuis op de Antillen, als in Suriname en Mexico en
schreef met het grootste gemak in het Nederlands, Sranan, Papiamentu
en Spaans. Zijn wereld was groter was dan die van
één land. Het kwatrijn
‘Luchtreis’ uit 1946:
Het veilig land is van de horizon gevaagd
Niets dan het broze toestel, dat ons leven houdt
Straks landen wij, wanneer het God behaagt
Nabij de witte stad, verborgen in het woud. 614
Dat boven-nationale gevoel heeft, in combinatie met zijn grote
sensitiviteit, gemaakt dat hij zeer kritisch kon staan, zeer fel
zelfs tegenover alle morele verloedering. In zijn idealen was De
Rooy een absolutist en zijn ernstige poëzie legt daar al
vanaf zijn vroegste werk op veel plaatsen getuigenis van af. In het
gedicht ‘Het landhuis (Cas Abau)’ uit 1944
schilderde hij in het verval van een plantagehuis de afkalving van
de blanke koloniale autoriteit in het Caraïbisch
gebied.615 ‘Dagorder’, verschenen in het
eerste nummer van Moetete in de hoogtijdagen van
het nationalisme, is een oproep het land niet over te geven.616 De krachtige
slotregels staan menig lezer in het geheugen gegrift:
Kerf uit uw wonden de etter
Misschien kan De Rooy een
‘nationaal-Caraïbiër’
genoemd worden, maar dan een zonder een duidelijke politieke missie,
eerder een individuele zoeker dan iemand met een scherpomlijnd
gedachtegoed. Tekenend is wat hij schrijft over de rol van abstracte
kunst op de Antillen in zijn bijdrage ‘Arte
Moderno’ in het Curaçaose tijdschrift Simadán:
De vraag is of de bloem van de moderne kunst
geënt kan worden op de nog jonge stronk van onze
eilandelijke kunst. Het ziet er naar uit, dat de voorstanders van
abstracte kunst onze stronk geen gelegenheid gunnen om zelfstandig
te ontbotten, te groeien en haar takken tot in de hemel uit te
strekken. In de hoop deze stronk te laten bloeien
vóór haar tijd werpen zij er mest op van een
twijfelachtige kwaliteit - inderdaad van een hoogst twijfelachtige
kwaliteit.617
Vonden schrijvers als Tip Marugg en Luc Tournier dat westerse kunst een
heilzame invloed zou kunnen hebben op de Caraïbische
kunst, De Rooy meende dat literaire experimenten uit het westen
nooit heilzaam zouden kunnen zijn.
Als hij dan later Slory op het spoor van
sonnetten en kwatrijnen zet, kan dit betekend hebben | | | |
dat hij de rigiditeit van zijn opvattingen enigszins afgezwakt had,
maar ook dat hij deze genres niet associeerde met iets specifieks
westers, want het opende voor Slory de wereld van de
Spaans-Amerikaanse dichters die in die genres niet geringe
prestaties hadden geleverd. De Rooy was in ieder geval niet voor het
volgen van platgetreden paden: zelf experimenteerde hij met een
mengtaal van Sranan, Saramakaans en Papiamentu in het gedicht
‘Haika mi sten’ in Tongoni 2
(1959), met een voor de tijd karakteristieke hoopvolle aanhef:
ik draag het fier en opgeheven.
van dit kleine stuk leem.
zal ik zingen en strijden. 618
Een belangrijk motief in zijn poëzie is de trotse beleving
van het neger-zijn. De Rooy/De Bruin stelde een verzamelbundel van
vijftien van zijn gedichten samen onder de titel De
zwarte rebel. Hij noemde zijn verzen ‘raciale
poëzie’ en gaf zijn bundel het motto mee:
‘What is Africa to me’. De bundel zou echter
nooit verschijnen, klaarblijkelijk omdat het, zoals
Arbeiderspers-hoofdredacteur Martin Ros
schreef, om ‘zeer typische activistische
tijdspoëzie’ ging.619
Pas in 1997 zouden de vijftien gedichten verschijnen in kleine
oplage in het tijdschrift Tide Tamara (nr. 17,
januari 1997 en nr. 18, mei 1997). Het bundeltje werd voorafgegaan
door een ‘Opdracht’ aan zijn vrouw, als een
herschrijving van wat wel regels uit het Hooglied lijken:
Bruine vorstin, die ik mij heb verkozen
Onder het sterrenlicht van deze saablen nacht
Bloei, koninklijke Roos, uit Sheba's nageslacht
Met dieper blos onder de bleke rozen.
De Rooy/De Bruin positioneert zich
vervolgens met het openingsgedicht ‘Ik ben de late
echo...’ nadrukkelijk in een traditie van het bezingen van
de zwarte identiteit en het zwarte verzet, zodat al binnen enkele
pagina's de hele dichotomie van westerse en afro-Amerikaanse
historische oriëntatie wordt neergelegd:
Ik ben de late echo van hun klagen
Mijn stem een ver verweer vanuit een zwoele nacht
In het fort is er een slaaf tot bloedens toe geslagen
Op de plantage werd een vrouw verkracht. 620
Dat de postume poging om de verzen gepubliceerd te krijgen, die
‘late echo’ ook nog een conno- | | | | tatie
van late echo van Black Power meegaf, was een onvoorzien effect. Hij
bezingt het onheil dat Afrika is overkomen (wat bij Cairo het
‘negerverdriet’ heet) en met een gedicht,
gericht tot de ‘Zwarte Madonna, Moeder der
negers’, vindt de leraar Spaans die zijn laatste jaren in
Mexico doorbracht, aansluiting bij de katholieke devotionele
poëzie van Midden-Amerika.621 Marcel de Bruin schreef zijn strijdbare poëzie
in traditionele versvormen als sonnet en kwatrijn. Hij gebruikt rijm
en jambische versvoeten en zijn taal is archaïscher dan
die van de meeste dichters van zijn generatie die veelal in vrije
verzen schreven. Wel maken veel metaforen deel uit van het
poëtische reservoir uit de jaren '60 en '70.
De Rooys verhaal ‘De edelstenen van oom Brink’,
verschenen in Tongoni 1622, voert een ikfiguur ten tonele bij wie
zich een Amerikaan aandient die enkele ruwe edelstenen wil opkopen
waarmee hij in één klap uit de
financiële zorgen zal zijn. In een lange flashback
herinnert de ikfiguur zich zijn magere grootvader die door niemand
meer au serieux werd genomen, en die zijn kleinzoon op een kaart
wees waar diep in het binnenland, een schat aan edelstenen te vinden
was. De ikfiguur neemt een besluit:
Neen, ik heb hem de edelstenen - de rommel van Oom Brink -
niet kunnen en willen verkopen. Als een waar Surinamer koester en
vertroetel ik liever nog deze ijle droom - een chimère
wellicht - van verborgen schatten in ons binnenland, maar waarmee ik
opgegroeid ben en die innig verweven zijn met de onuitroeibare
liefde voor de geboortegrond.
Ook hier het onmiskenbare adagium van de patriottistische idealist
die liever kiest voor het behoud van het eigene dan voor de
materiële welstand. De Rooy herpositioneert hier de oude
Eldorado-mythe en vormt die om tot een symboliek van geestelijke
onafhankelijkheid in een verhaal dat fraai de vooroorlogse sfeer van
het Suriname van zijn jeugd tekent.
Dat iemand met de hoge ethische normen van De Rooy bijna noodlottig
naar de desillusie wordt gevoerd, maakt zijn laatste geschrift, het
autobiografische Verworpen vaderland duidelijk. De
auteur had zelf voorzien dat het zou verschijnen onder zijn
schrijversnaam Marcel de Bruin623, maar het werd postuum
gepubliceerd onder de naam René de Rooy door uitgeverij
Meulenhoff die het manuscript vijf jaar eerder had geweigerd.624
Het boek is de wanhoopskreet van iemand die zich verraden voelt,
zoals al op de allereerste pagina staat: ‘Het vaderland
heeft míj verraden: het heeft mijn eerste liefde geroofd
en gedood omdat deze te hoog en onaantastbaar was voor zijn
bezoedeling.’ De verradene is een ontheemde geworden die
in de wereld zijn thuis zoekt: ‘Ik heb ontheemden gezien
die verdwaasd ronddoolden door een dorp in een laag duinenland en ik
zag ontheemden die hun zwaarte, hun hebi mee moesten torsen in de
cirkel die zij niet konden verlaten.’ Alleen een
kosmopolitische opstelling wacht de ontheemde: ‘Zoek dan
het ware vaderland op aarde, je onbetwistbare plek.’ (p.
11, 12)
De Rooy schetst in het eerste deel, ‘Het begin’,
zijn jeugdjaren, zijn vroegste erotische ervaringen en confrontaties
met een wereld die niet edel of mooi is. Het wegkwijnen van zijn
grote geliefde brengt het eerste eelt op zijn ziel. Hij neemt
afscheid van zijn land, maar nog zonder dat de schellen hem van de
ogen zijn gevallen. In ‘Intermezzo’ beschrijft
hij de jaren rond de oorlog die hij doorbracht op
Curaçao, jaren waarin duizend dromen nog konden worden
waargemaakt. Het koloniale onrecht krast scherp in het bewustzijn,
maar kan de trots niet doen | | | | knakken. Het derde deel is
getiteld ‘Het einde’ en beschrijft de terugkeer
naar het ‘vervloekte land’. Overal om zich heen,
in ziekenhuizen, in winkels, in de scholen, in de persoonlijke
omgang van mensen ontwaart de schrijver de decadentie. Ook sommige
figuren uit het culturele leven van Curaçao en Suriname
moeten het ontgelden: ze komen onder schuilnaam voor in het boek. Zo
kan in B. Arpoes, via de titel Bar puru eenvoudig
R. Dobru worden herkend. In de
vakbondskrant CLO Bulletin van 30 mei 1973 had De
Rooy een - nogal pathetisch getoonzette - afscheidsrede laten
afdrukken waarin hij een klaagzang aanhief voor diegenen die hun
geboorteland verlaten en waarin hij de thuisblijvers had toegevoegd:
‘Huiver over uw schamele waarden en uw verrotting, maar
laat ons gaan.’625 In De Ware
Tijd antwoordde ‘B. Arpoeroe’ met een
gedicht:
Jij, Marcel, de zanger van het ijlende klaaglied
der kleinmoedigen, de weglopers die in zelfbedrog
zich koesteren in de pijn van balling zijn,
Waar U ook henenvlucht, anoniem en spoorloos,
vrij en onbezwaard zult ge nimmermeer
ademhalen, betraande vreemdelingen,
beducht als ge waart voor de schande
van uw zelfgemaakte onvermijdelijke nederlaag.
B. Arpoeroe/Dobru eindigde met De Bruins eigen regels:
Kerf uit Uw wonden de etter
Het laatste deel van Verworpen vaderland is een
woedende zang tegen de ‘harpoen van verraad’ die
hem in de rug werd gedreven en eindigt met de felste tirade die ooit
over Suriname is geschreven, met een enumeratie van scheldtermen:
Vaderland, geboortegrond, ik heb mij van je losgerukt: ik heb je
verworpen en ik zal je
beledigen en beschimpen opdat je mij voor eeuwig zult haten;
nimmer keer ik tot je terug; ik
stel mij nimmermeer bloot aan jouw bezoedeling en besmetting, aan
verminking en deernis, en
aan een voortijdige dood: [...]
schijthuis op een stinkend achtererf
schandvlek op de borst van ons zuidelijk continent
heiligschennende mannelijke hoer
giftige makkaslang [94-95]
Het proza van
Verworpen vaderland
is geschreven in een afwisseling van dagboekstijl en pure
lyriek, sober vertellen en sterk beeldende taal in
poëtische zinnen met echo's van Aimé
Césaire. | | | | Compositie en stijl van het boek
weerspiegelen het temperament van iemand die liever zijn heil zocht
in extremen, dan in het compromis of de relativering. Luc Tournier
vergeleek De Rooy met Federico García Lorca
‘toen hij door New York dwaalde, bitter en vol angst, om
daarna te worden gefusilleerd.’627 De Antilliaan
Jules de Palm noemde hem ‘een echte yu di
Kòrsòw’ [kind van
Curaçao] en Hugo Pos ‘verliefd op Suriname
[...] gestorven in het gevoel van een grote onbeantwoorde
liefde.’628 Frank Martinus Arion schreef over De Rooy:
‘een groot Caribeaan [...] die de waarden van literatuur
zo oprecht en totaal beleefde dat hij eigenlijk zelf literatuur
was.’629
| |
Profiel: Eugène Rellum
Leven. Eugène Willem Eduard Rellum werd
geboren in Paramaribo op 10 februari 1896
als tweede kind in een onderwijzersgezin van drie zonen en een
dochter. Hij werd opgevoed in de geest van de Hervormde Gemeente.
Met het Mulo-diploma op zak, vertrok hij in 1913
uit Suriname met een studiebeurs om in Wageningen (nl) landmeetkunde te
studeren. Omdat de topografische opleiding die het Nederlandse leger
op Java gaf, hem meer geschikt leek voor tropische omstandigheden,
ging hij naar Nederlands-Indië. Na zijn opleiding werkte
hij op Java en Borneo als landmeter en als brigadechef van de
Kalikonto-waterkrachtwerken. Toen de koffiemarkt instortte, was er
voor hem geen werk meer in de landmeetkunde en vond hij emplooi als
dansleraar. Na de Japanse inval werd hij geïnterneerd en
in de oorlogsjaren werkte hij in Japanse havens en in de
zilvermijnen. Van Java keerde hij in 1952 via Nederland naar
Suriname terug, waar hij tot 1962 werkte als staflid in Wageningen
(bij de inpoldering), later als landmeter in overheids- en
particuliere dienst. In 1957 zette hij een dansschool op.
Hoewel hij al in Nederlands-Indië was begonnen met het
schrijven van poëzie, maakte hij zijn debuut pas in 1957
met enkele gedichten in De Ware Tijd630, gevolgd door het gedicht
‘Musudee’ in het tweede nummer van Tongoni dat eerst grondig was bewerkt na commentaar van
Henny de Ziel.631 Het gedicht gaf Rellums
eerste bundel zijn titel: Moesoedé
(1960).632 Later verscheen met
regelmaat werk in Soela. Rellum was lid van de
League of Coloured Peoples en voorzitter van de Raad voor Culturele
Samenwerking. Hij zette in 1962 het weekblad De
Waarheid op, dat echter nog geen half jaar bestond. Na het
financiële debâcle van het blad ging hij in
het najaar van 1962 naar Nederland. In Amsterdam werkte hij nog een
jaar als leraar in de dansschool van zijn zoon John. Daarna bleef
hij actief in culturele verenigingen voor Surinamers. Hij was lid
van het Surinaams Antilliaans Schrijvers Kollektief en verzorgde een
avondcursus Sranantongo. Hij overleed in Amsterdam op 29 juli
1989.633
Werk. Ofschoon naar leeftijd beduidend ouder dan
zijn generatiegenoten, is Rellum een karakte- | | | | ristiek
vertegenwoordiger van de generatie van rond 1960. De verschijning
van Trotji van Trefossa gaf hem zoveel bezieling,
dat ook hij kort daarna zijn debuut maakte met Moesoedé, een bundel met Sranan
poëma [Surinaamse gedichten], uitgegeven door
W.L. Salm. Het was de eerste
poëziebundel in het Sranantongo ooit uitgegeven in
Suriname. In een persbericht afkomstig van uitgever en/of auteur,
werd vermeld dat de dichter zijn debuut zou maken met twee bundels,
ook met een Nederlandstalige, getiteld Opmars,
maar die is nooit verschenen.634
Moesoedé betekent: ochtendkrieken.
Daarmee positioneerde Rellum zich als representant van het
strijdbare vooruitgangsgeloof dat zich uitdrukte in veel boektitels
van die dagen. De allereerste strofe van de bundel is in dit opzicht
programmatisch:
meer aan de donkerte van gisteren;
de angstdroom van gisternacht
Over zijn intenties liet Rellum in een kort voorbericht tot de bundel
geen twijfel bestaan: ‘Mijn innigste wens is, dat deze
bundel mag bijdragen tot verhoging van het gevoel voor nationale
eigenwaarde en het moreel van mijn Volk.’ Het persbericht
had de gedichten eerder gekarakteriseerd als
‘didactisch-nationalistisch’. Het onderwijzende
is manifest in gedichten als
‘Zwartenhovenbrug-strati’ over het moordende
verkeer in de Zwartenhovenbrugstraat en ‘Mi
m'ma’ (Mijn moeder), een vers over de waarden die de
moeder de ikfiguur heeft meegegeven. Maar de vaderlandsliefde
domineert de hele bundel, zelfs de hele poëzie van
Rellum. Er is waarschijnlijk geen dichter die zoveel gedichten heeft
geschreven met ‘Sranan’ in de titel. Met Moesoedé gaf Rellum veel duidelijker
dan Trefossa aan welke de nationalistische motieven van de
schrijvers vóór de onafhankelijkheid zouden
zijn: de liefde voor en vereenzelviging met Suriname; de afrekening
met het slavenverleden en de littekens die dat nalaat (door Rellum
fraai verbeeld als het ebwater dat zich terugtrekt en krabbenputjes
achterlaat636); de herwonnen vrijheid en de
strijdbare waakzaamheid tegen knechting; de glorie van het
Surinaamse land en dan veelvuldig het bos, de bloemen en de
rivieren; en natuurlijk: de schoonheid van de Surinaamse vrouw en de
kracht van het innerlijk (kra of yeye) van de Surinaamse mens.
Opmerkelijk is het voor iemand die veertig jaar lang buiten Suriname
verbleef, dat van die migratie in Rellums poëzie
nauwelijks iets te merken valt. Hij zei daar zelf over:
‘Ik ben Surinamer, in feite heeft het buitenland geen
grote invloed op mij gehad.’637
Het belangrijkste motief in de poëzie van Rellum is nog
niet genoemd: de trots op het negerschap. Een van de bekendste
gedichten over de Surinaamse neger zou
‘Negerschap’ worden:
hoog in de bomen van het bos;
laat de geur niemand los,
| | | |
Met deze thematiek toonde Eugène Rellum zich verwant aan
dichters uit de négritude-beweging en
dan met name met de van Cayenne afkomstige Léon Gontron
Damas.639 In het gedicht
‘Nengre’ schildert Rellum een roeiende neger die
zijn boslandgroet ‘Odi-o’ laat horen:
kijk niet naar mijn gezicht,
Rellum heeft goed geluisterd naar de welluidendheid van zijn verzen
en geschaafd tot het ritme hem beviel. Metrum (meest jambisch) en
eindrijm zijn aan dat ritme veelal ondergeschikt gemaakt. Het
veelvuldig gebruik van accenten verraadt dat hij niet wilde dat er
misverstanden over het ritmisch patroon zouden ontstaan. Waar hij
dan ook nog inspeelt op klanken die binnen de talige werkelijkheid
functioneren zonder vertaalbaar te zijn, zoals
‘odi-o’, ontstaat soms een zuiver muzikaal vers.
Van Moesoedé verscheen een bespreking in
De Ware Tijd, mogelijk van de hand van A.J. Morpurgo, die in deze jaren minister
van onderwijs en volksontwikkeling was en daarom zijn recensie
anoniem liet verschijnen. Het oordeel was geprononceerd:
er zijn gedichten in die boeien, maar er zijn ook uiterst
zwakke maakseltjes bij, vooral die waar Rellum meent om ons
deelgenoot te moeten maken van zijn nationalistische gevoelens.
De criticus haalt het voorwoord van Jan
Voorhoeve aan die vaststelt dat Suriname twintig jaar geleden
het land van de rijmelaars was en dat met Trefossa's
Trotji
in één klap het pleit voor Surinaamse
poëzie gewonnen werd. De Surinaamse poëzie
propagerend komt Voorhoeve, volgens de criticus, tot de dubieuze en
niet nader uitgewerkte bewering dat het oneindig veel moeilijker is
om in het Nederlands te dichten en toch volkomen Surinamer te
blijven.641
Na Rellums debuutbundel publiceerde uitgever W.L.
Salm eind 1961 Kren/Klim
met gedichten in het Sranan met Nederlandse vertaling, en
oorspronkelijk Nederlandstalig werk. Daarna volgden
Oembra foe Sranan
[Schaduw van Suriname] (1972)642 met
eerder gepubliceerde en nieuwe gedichten in het Sranan,
Gedichten
(1973) met poëzie in het Nederlands, Sranan en
Engels (zonder vertalingen) en
Faja lobi
[Vurige liefde] (1975) met poëzie in het
Nederlands en Engels.
In zijn latere bundels laat Rellum zien dat het idioom van de
strijdpoëzie van de jaren '60 hem niet vreemd gebleven
is. In bijvoorbeeld ‘Ef' mi ben ab' wan ambra’
[Als ik een hamer had] uit | | | |
Oembra foe Sranan geeft hij zijn versie van het
vers over de moker die de kettingen uit de slaventijd zal
kapotslaan, een eerder door Dobru en Orlando Emanuels gehanteerde
metafoor. Tegelijkertijd betoont Rellum zich in andere gedichten
realist in een gezelschap van revolutionairen.643 In het gedicht ‘Broko
g'we’ [Wegbreken] uit dezelfde bundel stelt hij dat de as
van het verleden niet thuishoort in het heden en houdt hij de lezer
voor, met beide benen op de grond te blijven staan. In 1972 zei hij
dat er geen etnische groepen meer waren, alleen Surinamers. Maar hij
betoonde zich ook teleurgesteld over het gebrek aan inzet voor het
land.644
In Oembra foe Sranan is Rellum de
door-ervaring-wijs-gewordene, de man van de ondervinding. Hij draagt
vanuit zijn christelijke opvoeding het respect voor het gezag mee,
maar dat respect valt moeilijk te rijmen met het slechten van muren
en de geur van kruitdamp. Wie dan toch de tijdgeest in zijn aderen
voelt, geeft vorm aan het veranderingsbesef middels de christelijke
trits: geloof, hoop en liefde, die in verschillende gedichten te
ontwaren is:
dan komt mijn vurige liefde
Eugène Rellum heeft ook winti in zijn poëzie
een plaats gegeven, nog het meest nadrukkelijk met zijn gedicht
‘Winti-dansi’ uit Oembra foe
Sranan, dat hij in een eigen vrije vertaling in Faja lobi opnam als ‘Geesten-dans’. De
eerste strofe:
wanneer de ‘Nacht’ gekomen is
Kees van Doorne heeft beide versies aan
een vergelijking onderworpen en constateert dat
‘Winti-dansi’ ambivalent en inconsistent is.
Niet geheel duidelijk is over welk soort winti-ritueel Rellum het
heeft; Van Doorne gaat uit van een lakuprei, maar
een lakudron als zodanig bestaat niet.646 Hij meent dat er - met
name in de vertaling - een niet echt positief beeld van het
winti-gebeuren wordt gegeven. ‘Het geheel wekt de indruk,
dat het Sranan de dichter als gegoten past, terwijl het Nederlands
hem, in deze versie, als een te ruime jas zit, met
overbodige koloniale tressen en epauletten. [...] Dat is vooral een
verwijt aan een koloniale maatschappij die zelfs een, ook in het
Nederlands, oorspronkelijk dichter als Eugène Rellum, blijkbaar zo
beïnvloedde dat hij bij het vertalen van een gedicht over
een onderwerp waar in de kolonie, c.q. het rijksdeel een taboe op
rustte [...] bijna automatisch de taal van de planterssoos, de
kansel en de gouvernementsburelen overnam.’647
In de eerder aangehaalde bespreking uit De Ware
Tijd werd vastgesteld dat goede en zwakke | | | |
gedichten elkaar afwisselden in Moesoedé. Men ontkomt niet aan de constatering dat
dat in de bundels van Rellum altijd zo gebleven is. In zijn latere
poëzie experimenteerde Rellum met verzen die zich in hun
vrijere vorm en vrijere zeggingskracht onttrokken aan de schema's
waarmee de nationalistische dichters van het tweede plan plachten te
werken. Zo ontstonden verrassend lichtvoetige gedichten in Faja lobi als ‘Mijn neger’ en
‘De zwarte kikker’:
in de moddersloot blijven;
John Leefmans vond Rellums Sranan
gedichten (in Kren/Klim) van een grotere
oorspronkelijkheid getuigen dan diens Nederlandstalige
poëzie.649
| |
Profiel: Michaël Slory
Leven. Michaël Arnoldus Slory werd op 4
augustus 1935 geboren te Totness,
Coronie.650 Zijn ouders waren
eenvoudige landbouwers die hun kinderen katholiek opvoedden.
Niettemin proefde Slory veel van de echte negercultuur.
Van 1941 tot 1947 zit hij op de rooms-katholieke lagere school, de
Mariaschool. In november 1947 verhuist hij naar Paramaribo, waar hij na een verblijf van een jaar bij
een tante, wordt opgenomen in het internaat van de Fraters van Tilburg. Hij doorloopt het Mulo op de Paulusschool en gaat in 1952 naar de Algemene
Middelbare School. Hij schrijft al poëzie in het
Nederlands, maar begint door toedoen van zijn leraar René de Rooy ook te schrijven in
het Sranan en het Spaans; De Rooy opent voor hem het venster op de
wereldliteratuur (Góngora, Quevedo) en draagt zorg | | | | voor zijn debuut in februari 1958 in het tijdschrift
Tongoni met drie gedichten in het
Nederlands.651
Slory slaagt in 1955 voor de Ams, werkt in enkele
administratieve baantjes en kiest eind 1957 zee om in Nederland
Spaans te gaan studeren. In Amsterdam verkeert hij veel in kringen
van Ons Suriname en Wie Eegie Sanie. Zijn politieke vorming en
historisch-culturele bewustzijn krijgen er geweldige impulsen. Hij
laat een gefotokopieerd bundeltje circuleren met vijftien gedichten
over de bevrijder van Zaïre, Patrice Loemoemba, onder de
titel Wakadron [Marcheertrom].652 Hij zoekt aansluiting bij verschillende facties
binnen communistisch Nederland en in 1961 verschijnt onder het
pseudoniem Asjantenoe Sangodare653 bij de communistische uitgeverij Pegasus zijn
bundel Sarka/Bittere strijd, met een voorwoord van
Theun de Vries. Spoedig distantieert hij zich van het communisme,
omdat Wie Eegie Sanie hem waarschuwde, dat de communistische
ideologie niet verenigbaar was met de nationalistische strijd voor
eenheid in Suriname.654 Toch brengt Pegasus later
nog twee van zijn bundels. Hij draagt in de jaren '60 geregeld bij
aan De Gids, verder aan onder meer Mamjo, Contour, Tirade, het marxistische Kontrast en van 1965 tot 1969 aan de jaarboeken die Ons
Suriname uitbrengt onder de titel Fri.
In 1966 wordt Slory's studiebeurs ingetrokken en vanaf dat moment
moet hij als werkstudent zien rond te komen. Zonder zijn studie te
hebben afgemaakt keert hij in 1970 naar Suriname terug655, vast bereid om zijn land naar de onafhankelijkheid te
helpen. R. Dobru begroet hem als ‘Suriname's grootste en
veelzijdigste dichter’.656 Hij zal zich geheel gaan toeleggen op het
schrijven in het Sranan. Aan de Lerarenopleiding in Paramaribo haalt
hij in 1974 de mo-a-akte Spaans. Hij voorziet in zijn onderhoud als
leraar Spaans, maar zal later grotendeels worden vrijgesteld van het
lesgeven.
Teleurgesteld over de politieke ontwikkelingen in zijn land en over
militairen met bloed aan hun handen, die brallende toespraken houden
in het Sranan, schrijft hij na 1982 nog uitsluitend in het
Nederlands en het Spaans. Poemas contra la
agonía [Gedichten tegen de doodsstrijd/angst]
uit 1988 was de eerste geheel Spaanstalige bundel uit de Surinaamse
literatuurhistorie.657
Vanaf 1987 wordt hij vast medewerker van De Ware
Tijd. Zijn werk werd opgenomen in alle bloemlezingen en
tijdschriftspecials van Surinaamse literatuur en verscheen in o.m.
de Poëziekrant (2001).
Aan literaire erkenning heeft het Slory niet ontbroken. Het Prins
Bernhardfonds onderscheidde hem in 1961 voor zijn gedicht
‘Koroni Kawina’. In 1966 ontving hij de Esso-literatuurprijs (een financiële
tegemoetkoming die de multinational aan veelbelovende schrijvers
toekende). Samen met Shrinivási werd hem in 1974 de
Gouverneur Currie-prijs toegekend. Het jaar daarop kreeg hij de
Sticusa-prijs voor niet-Nederlandstalig Surinaams werk, in 1986 de
Literatuurprijs van | | | | Suriname over de jaren
1983-1985.658 Toen
hem in 1989 het Ridderschap in de Ereorde van de Palm werd
toegekend, was zijn wantrouwen in de autoriteiten inmiddels zo
gegroeid, dat hij niet kwam opdagen bij de decoratieplechtigheid. In
1999 werd door de Rijswijkse stichting Friendship samen met de
stichting Afro-Surinaams Cultureel Centrum ter stimulering van jonge
dichters de Michaël Slory Literatuurprijs ingesteld.659
Schilder René Tosari maakte een reeks aquarellen bij
Slory's werk en Slory schreef poëzie bij Tosari's werk,
zoals hij dat ook bij schilderijen van Rinaldo Klas deed. De
Nederlandse componiste Gerda Geertens toonzette in 1993 enkele van
zijn gedichten tot de compositie Sarka voor
sopraan en piano. John Albert Jansen maakte in 1996 over Slory de
film En nu de droom over is...
Werk. Tot en met 2000 publiceerde
Michaël Slory één tweetalige
dichtbundel, achttien bundels in het Sranantongo, vijf in het
Nederlands en drie in het Spaans. Voorts liet hij verschillende
vouwbladen met poëzie drukken en publiceerde hij tal van
verspreide gedichten. Een grote bloemlezing uit zijn werk verscheen
in 1991 onder de titel
Ik zal zingen om de zon te laten opkomen
, met vertalingen van Michel
Berchem.660 Treurig is het te constateren
heten, hoe weinig van zijn meer dan dertig bundels ooit besproken
zijn en hoe weinig studies er aan zijn werk zijn gewijd. Slory heeft
er herhaaldelijk over geklaagd hoe de nationalisten hem
‘misbruikt en in de steek gelaten hebben’. Hij
bedoelde daarmee dat in kringen van Wie Eegie Sanie en op
partijbijeenkomsten van de PNR zijn gedichten wel werden
voorgedragen en ook op politieke pamfletten werden gedrukt661, maar dat niets
gedaan werd om zijn bundels te publiceren of te recenseren. Men kan
hem moeilijk ongelijk geven: enkele collega-auteurs schreven in de
jaren '60 lovende stukjes over hem, maar tussen 1970 en 1985
verscheen er welgeteld één bespreking van zijn
werk!662 De dichter verzette zich ook tegen
correcties die Hein Eersel, de
taalkundige onder de nationalisten, in zijn poëzie
aanbracht; Slory bracht het argument naar
voren dat het om authentiek Coroniaans Sranan ging, dat de stedeling
Eersel niet kende.663
Toch is het niet allereerst als districtsmens tegenover de stedeling
dat Slory zich een miskend kunstenaar voelt. En waarschijnlijk is
het ook niet om het feit dat het grote publiek in Suriname zijn
optreden te onconventioneel vindt, zijn werk te moeilijk en zijn
Sranan te ‘diep’: met zijn vele neologismen
geldt hij als een groot taalvernieuwer.664 In karakteristieke
bewoordingen heeft hij er herhaaldelijk in interviews op gewezen
‘dat mijn mensen me geen vrouw gegeven hebben’.
In praktisch al zijn bundels staan lyrische gedichten waarin hij de
zwarte vrouw in al haar kwaliteiten bezingt; Nengre-oema [Negervrouw] is ook de titel van een bundel
uit 1971. Absoluut hoogtepunt | | | | was de bundel uit 1985
Efu na Kodyo Efu na Amba Efu na Romeo Efu na Julia
Amir... nanga... [Of het nou Kodyo is Of Amba Of Romeo Of
Julia Liefde... en...] waarmee Slory de schepper van het klassieke
liefdesgedicht in het Sranan werd (zie Close-up). Hij is echter ook
in zijn Nederlandstalige werk zijn eigen vormtaal trouw gebleven,
zoals ‘Zingende vrouw’ uit Een
andere weg (1991) demonstreert:
zoveel ruimtes naar het licht?
ontvangt de morgen de zon
een vlag van groen om de schouders.
In alle opzichten is dit een echt Slory-gedicht, in een vorm die zich
al vrij vroeg heeft ontwikkeld en die nooit wezenlijk veranderd is.
Vanuit de bewondering voor een bepaald facet van de vrouw - hier:
haar stem, maar vaker ook haar fierheid, haar zwarte huid, haar
lichaamsvormen die worden bezongen in metaforen die aan de
Surinaamse leefwereld ontleend zijn - komt de dichter te spreken
over het land. (Slory heeft veel poëzie geschreven waarin
Suriname wordt vergeleken met een vrouw.) Hij roept een beeld op in
snelle, korte streken: de lengte van de versregels is beperkt, de
strofen zijn kort, parallellismen en herhalingen bepalen de
versbouw. Korte vragen en uitroepen maken bijna altijd deel uit van
zijn gedichten, niet zelden ook vinden we regels waarin de
persoonsvorm afwezig is. Door de assonanties komen zijn gedichten
klankrijk over, maar van een vast metrum of eindrijm is zelden of
nooit sprake. In de beeldspraak duikt vaak de personificatie op
(hier de zon en de morgen die als personen worden voorgesteld),
alsook de synesthesie: gemakkelijk combineert de dichter
verschillende zintuiglijke ervaringen, waarbij er altijd veel
aandacht is voor kleuren. Ook de vrijheid die hij zich permitteert
om gedurfd met de betekenis van woorden om te springen (naar het licht snijden) typeert Slory. Verder zit in ‘Wees gegroet’
natuurlijk een duidelijke allusie naar de woorden van het
rooms-katholieke Maria-gebed. Al heeft Slory zich zijn leven lang
betrokken gevoeld bij het afro-Surinaamse cultuurgoed van de
winti-religie, en al stond hij in de jaren '60 aan de zijde van de
communistische beweging, zijn christelijke achtergrond is altijd
belangrijk voor hem gebleven. In zijn werk wemelt het dan ook van de
verwijzingen naar de Bijbel, en niet enkel in de vouwbladen met
kerst- en paasgedichten.
De voor een nationalist zo typerende vaderlandsliefde die we hier
zien, is niet in al zijn werk aanwezig. Met name na de
decembermoorden van 1982 is Slory bijzonder cynisch geworden over de
ontwikkelingen in zijn land. Die gebeurtenis is voor hem de tweede
grote desillusie in zijn | | | | leven geweest. Hoop en
desillusie zijn de leidende beginselen om deze maatschappelijk zo
sterk geëngageerde dichter te doorgronden. Scherp bakenen
zich drie periodes af.
Tot 1970 publiceerde Slory drie bundels: Sarka/Bittere strijd (1961) in het Sranan
met Nederlandse vertaling - het Sranan woord
‘sarka’ komt volgens de dichter enkel in Coronie
voor en betekent ‘heibel’ of
‘twistgesprek’ - en
Brieven aan de guerrilla
(1968) en
Brieven aan Ho Tsji Minh
(1969), beide in het Nederlands. Hij geeft in die bundels
woord aan progressieve ideeën over antikolonialisme en
zelfstandigheid van de naties. In zijn Nederlandse jaren zuigt Slory
als een spons alles in zich op wat kan bijdragen aan zijn culturele
eigenheid.665 Hij is de
erfgenaam van de Sranan-voorvechters Koenders, Trefossa en Bruma.
Black Power heeft zijn sympathie. Het zijn met name de ontluikende
jonge Afrikaanse staten waar Slory zijn politieke helden meent te
vinden: zo is Sarka opgedragen aan Patrice
Loemoemba. Maar praktisch alle linkse vrijheidshelden, van Fidel
Castro tot Ferhat Abbas en van Rudi Dutschke tot Jean-Paul Sartre,
heeft Slory in de jaren '60 eer betoond, evengoed als de belangrijke
figuren uit de geschiedenis van het slavenverzet.666
Theun de Vries noemde de gedichten van Sarka
‘poëzie in een oorspronkelijke, onbedorven
zin’ - waarmee hij een echo gaf van de woorden waarmee
Paul Rodenko enkele jaren eerder Trefossa's Trotji
had begroet. Corly Verlooghen, die de bundel besprak in De Ware Tijd, was minder enthousiast, al meende wel dat de
dichtbundel in het ‘van kommunisme afkerige demokratische
Suriname een bijzonder opmerkelijk verschijnsel’ was. De
bundel heeft ‘een fris aktueel karakter dat doet denken
aan een pamflet, een politiek schotschrift.’ Ongetwijfeld
bezit de dichter ‘gave talenten’, aldus
Verlooghen, en hij is stuurvast in het hanteren van beide talen,
maar ‘zijn verzen zijn goeddeels niet boven het niveau
gekomen van de simpele mededeling. [...] Sarka is,
qua poëtische kwaliteiten een veelbelovend begin, uit een
oogpunt van politieke oppositievoering is zij een voorbeeld van
ongekontroleerde overmoed en niet benijdenswaardig
dilettantisme.’667
Slory schreef in de jaren '60 een aantal gedichten die inmiddels
worden gerekend tot de klassieken van de jonge Surinaamse
letterkunde: het hoopvolle ‘Orfeu negro’ waarin
Slory de kracht bezingt van de dichter die in staat is om met zijn
verzen de zon te doen opkomen, en ‘Koroni
kawina’ over het kokosdistrict Coronie. Slory werd
grootgebracht met een taal die door het langdurige isolement van het
district Coronie nog weinig invloed van andere talen had ondergaan
(Geert Koefoed nam negen Sranan-bundels van Slory door en ontdekte
niet één leenwoord668). Dát is de
grootste invloed van Coronie op zijn taal geweest, al is er in de
woordenschat ook typisch Coroniaans Sranan als brubru voor: brak water, en kortrin voor:
snaar. ‘Koroni kawina’ droeg Slory op aan de
grote kawinazanger Big Jones.669 De kokos wordt als teken van welvaart bezongen:
Kokronto koko, fa yu Losiya Boi b' e froiti!
Mi ben dape, bato, gongote!
Fa den fremusu b' e lusu densrefi saka!
Mi ben dape, bato, gongote!
Plana, gowtu plana tapu a liba!
| | | |
Mi ben dape, bato, gongote!
Den b' e poko, naki kaseko kon na syoro.
Mi ben dape, bato, gongote! 670
In Slory's eigen vertaling:
Kokosbladeren, hoe floten je bosgeesten niet!
Ik was er ook bij, waarachtig wel!
Hoe schoten de vleermuizen naar beneden!
Ik was er ook bij, waarachtig wel!
Golven, golven van goud op de stroom!
Ik was er ook bij, waarachtig wel!
Ze kronkelden zich en heupwiegden naar de oever.
Ik was er ook bij, waarachtig wel!
Dit antifonale lied geeft een afwisseling van rituele exclamaties en
regels die krachtig het districtsleven oproepen, en is zo een geheel
oorspronkelijke variant op het creoolse kawinalied. In de telkens
herhaalde tegenzang ‘Mi ben dape, bato,
gongote!’ combineert Slory twee vaste uitroepen waarmee de
pikiman antwoorden op een verhalenverteller -
‘ik was er bij’ en ‘stop’.
Het woord ‘gongote’ is in deze context bijna
onvertaalbaar: het is de benaming voor zowel een dansvorm als voor
bananenmeel, het dagelijks slavenvoedsel, en is vooral gekozen
vanwege het ritme. Overigens is de antifoon Slory evenzeer vertrouwd
geweest uit de Latijnse hoogmissen van zijn jeugd. Hij schreef zelf
over zijn gedicht: ‘Wanneer dit vers werkelijk goed is
voorbereid en goed wordt voorgedragen dan bereikt het ritme iets
duizelingwekkends, iets dat bedwelmt.’671
Coronie leeft in het werk van Slory. Albert Mungroo, Jozef Slagveer en S.
Sombra schreven mooie verzen over het kokosdistrict, maar
de lyriek van Slory graaft dieper. De negentiende-eeuwse
vrijheidsheld Tata Colin geeft hem de inspiratie om met
strijdbaarheid de wereld tegemoet te treden. ‘Welvaart
voor Coronie,’ schrijft hij op de achterflap van zijn
bundel Bonifoto [Fort van Boni] (1971),
‘betekent zich bezinnen op Tata Kolin, maar ook zich
bezinnen op de zwarte helden die onder leiding van Simon
Bolívar, José de San Martin en O'Higgins
gevochten hebben in Chacabuco, Cancha Rayada en Maipu.’ En
terwijl zijn neef Eddy Bruma in ‘De fuik’ de
ontvolking van het uitdrogende Coronie beschrijft, wijst Slory op de
mogelijkheden van de kokospalm en roept hij uit: ‘Leve
Suriname! Leve het arme Coronie!’ Soms schijnt zijn
poëzie geschreven te zijn door een dichter die nog veel
van zijn tijd in zijn jeugd vertoeft en is niet goed uit te maken of
‘Suriname’ en ‘Coronie’ al
dan niet als synoniemen gehanteerd worden.
Vanaf 1970 legde Slory zich geheel toe op het schrijven in het
Sranantongo, om zo in de taal van zijn volk de trots op het
Surinamerschap uit te dragen. Fraga mi wortoe heet
de bundel met oudere gedichten die in december 1970 verschijnt.
Letterlijk vertaald: Vlag mijn woord, maar Slory vertaalt de titel
met: Laat mijn woorden klinken, of Kondig mijn woorden aan. Trefossa
beschouwde deze bundel als Slory's eerste en Jan Voorhoeve sprak van
‘een mijlpaal in de culturele ontwikkeling van
Suriname’.672
Jan Voorhoeve en Ursy
Lichtveld vermelden in hun Creole
| | | |
Drum (1975) dat de collectie al ten tijde van Sarka totstandkwam, geaccepteerd was voor uitgave
in Suriname, maar dat die uit vrees voor mogelijke politieke
consequenties telkens werd uitgesteld, totdat de uitgever (Wim Salm)
kwam te overlijden.673 Er was echter
nog een praktische reden dat die uitgave niet doorging: ze bestond
toen grotendeels uit werk dat al eerder was verschenen in Sarka.
Slory's werk wordt geschraagd door elementen uit de creoolse cultuur,
mythologie en geschiedenis - die hij altijd direct betrekt op de
actualiteit. Op talloze plaatsen blijkt hoe hij aansluiting zoekt
bij de creoolse tradities. In het gedicht
‘Laitori’ [Raadsel] uit
Lobisingi
[Liefdesliederen] (1972) bouwt hij een gedicht op zoals de
raadsels waarmee creoolse vertellingen vaak openen, een spel van
metaforen met daaropvolgend telkens de
‘oplossing’ van het mysterie. Tegelijkertijd is
het gedicht een aaneenschakeling van karakteristieke, pregnant
neergezette observaties van de werkelijkheid, die vaak eindigen met
een uitroepteken dat de verwondering extra benadrukt. Een gedicht
uit
Bonifoto
(1971) noemt hij ‘Disi a no Anansitori’
[Dit is geen Spinvertelling], bijna als een waarschuwing: dit is
geen Anansitori, verwacht geen schelmenverhaal. Het gedicht verhaalt
van het wegslepen van Afrikanen uit Guinea, hun gruwzame overtocht
in ketenen waarbij velen omkwamen maar hun geest van verzet niet
stierf. Het gedicht eindigt met de beschrijving van hoe hun
heldenlied van vroeger boven de golven zal blijven weerklinken.
Toch is zijn poëzie allesbehalve ‘gesloten
creools’. Geheel in de geest van de eenheidsgedachte die
de schrijvers van die tijd in hun multiraciale samenleving
uitdroegen, gaf Slory er blijk van een open oog voor andere culturen
te hebben: ‘Te Budha lusu ensrefi/ meki Kresi miti en,/
nyun firi sa broko doro.’ Als Boeddha oprijst om Christus
te ontmoeten, zal een nieuw bewustzijn zijn doorbraak vinden.674
Slory voelde zich in dienst staan van het hele Surinaamse volk. Al
kreeg hij de gelegenheid zijn werk bij gevestigde uitgeverijen onder
te verkopen, hij gaf er de voorkeur aan zijn poëzie in
eigen beheer te houden en zelf rechtstreeks aan de lezers te
brengen. In de bundels die hij zo uitbracht, staan veel gedichten
die onder Surinamers bekend werden (voor het overgrote deel nooit
vertaald), al bereikte Slory nooit de populariteit van de veel
oppervlakkiger schrijvende R. Dobru. Slory's nationale engagement
was bepaald niet minder groot dan dat van Dobru. Dat verhinderde
Slory overigens nooit om, vanuit een geweldige belezenheid en een
intense belangstelling voor andere culturen, ook altijd te schrijven
over onderwerpen van ver buiten de landsgrenzen (bijvoorbeeld de
oorlog in Vietnam, de cultuur van China, jazzmuziek, de javaanse
gamelan) en te experimenteren met versvormen als sonnet, kwatrijn,
ballade en haiku. Als bewonderaar van Omar Khayyam heeft hij veel
kwatrijnen geschreven:
Pikin aksi e fala bigi bon
[Klein maar dapper] (1980) telt er maar liefst 96. In
Konten konten fu esrede nanga fu tamara
[Toekomst toekomst van gisteren en van morgen] (1981)
bracht hij 32 sonnetten bijeen en in
Fresko, leri mi den tra odo
[Durf mij de andere spreekwoorden te leren] (1984)
presenteerde hij niet minder dan 138 gedichten als variaties op
Surinaamse spreekwoorden.675
Slory bracht wel een thematische ordening aan in zijn bundels, maar
die is nooit erg strak; zo vinden we in
Kownubri de na en onigodo
[De kolibri is bij zijn honingraat] (1979) tussen gedichten
over de rozenstruik, de fayalobi en de amandelboom een vers over
Simón Bolívar. De lijn van zijn eerste drie
bundels met overwegend internationaal georiënteerde
politieke poëzie werd doorgetrokken met bijvoorbeeld
Wan njoen dé broko
[Een nieuwe dag is aangebroken] (1979). De aandacht voor
Suriname in brede zin - voor de historie, de actualiteit, het
eenheidsverlangen van het | | | | volk - zette zich door in de
drie bundels uit 1975, het jaar waarin Suriname onafhankelijk wordt:
Fri-Kontren-Sma
[Onafhankelijke mensen],
Mi kondre sani
[De dingen van mijn land] en
Wi e pusu a konfri go na fesi
[We stoten de bevrijding voorwaarts]. Overwegend lyrisch
werk over natuur en liefde verscheen in
Lobisingi
(1972).
De compositie van Slory's gedichten lijkt nonchalant, maar de dichter
is zeer zorgvuldig in keuze en rangschikking van alle elementen. In
het gedicht ‘Foe memre Guernica foe Pablo
Picasso’ [Ter herinnering aan Guernica van Pablo
Picasso]676
schildert hij een scène met verschillende kleuren: een
ikfiguur (volgens de dichter een bosneger677) in een groene broek, de zwarte
lucht, een rode zakdoek, paarse bloemen. De kleuren constitueren de
symbolische lading en verwijzen zowel naar de slachting van 1933 in
de Spaanse burgeroorlog, als naar het Afrikaanse keizerrijk (de
kleuren die door de Rastafarians zo bekend zijn geworden). Het gaat
tegelijkertijd ook om geuzenkleuren: volgens Slory werden de negers
vroeger uitgelachen als ze rode broeken en groene hemden aan
hadden.678
Na 1982 neemt Slory afstand tot het nationalistische gedachtegoed.
Het ‘zich bedrinken aan de droom’ maakt plaats
voor wantrouwen in ideologieën en politieke systemen. Er
verschijnen nog wel uitgaven met werk van oudere datum, maar in zijn
schrijven heeft hij zich dan al geheel afgewend van het Sranan. Hij
schrijft nog uitsluitend in het Nederlands en het Spaans. Bijzonder
is dat die taalkeuze nauwelijks verschil uitmaakt voor de eigen aard
van de gedichten: naar structuur, stijl, beeldspraak en toon is zijn
poëzie altijd karakteristiek en herkenbaar
‘Slory’ gebleven en merkwaardig genoeg geldt dit
ook voor het weinige proza dat hij aan de openbaarheid prijsgaf.
Zijn proza is zo geconcentreerd geschreven en zo overlopend van
metaforen dat de afstand tot zijn poëzie bijzonder klein
is. Dit geldt voor de korte Nederlandstalige stukken die hij
bijdroeg aan het dagblad De Ware Tijd en aan de
bundels
Hoor die tori!
(1990) en
Mama Sranan
(1999), misschien sterker nog dan voor de zes korte,
impressionistisch aandoende stukken in het Sranan die hij opnam in
Fri-Kontren-Sma
(1975) waarin hij onder meer de geneugten van het gebak boyo beschreef. Slory's proza is verwant aan dat
van weinig andere auteurs, of het zou moeten zijn aan dat van de
schetsen die Jacques Smeulders in zijn Vergeten
grond (1944) gaf.
Michaël Slory heeft de ontwikkelingen in zijn land altijd
op de voet gevolgd en het wekt dan weinig verwondering dat de
gedichten die vanaf 1987 bijna dagelijks in het dagblad De Ware Tijd verschenen, niet zelden nogal onvoldragen en
schools-moralistisch overkomen. Hij meent echter dat het zijn
functie is, zo eenvoudig mogelijk te schrijven voor de man in de
straat. Om een dam op te werpen tegen de verloedering laat hij,
vooral met het oog op het jeugdige publiek dat hij in de scholen
opzoekt, goedkope rijmprenten drukken als
Zang voor iemand die tegen het misbruik van onze
bossen is
(1995)679 en
Ballade van een drugsbaron
(1996).
Zijn beste Nederlandstalige werk van na 1982 werd gebundeld in
Een andere weg
(1991),
En nu voorgoed voor vriendschap
(1996) en de bibliofiel uitgebrachte jubileumbundel bij
zijn 65ste verjaardag
In de straten en in de bladeren
(2000).680 De bundels sluiten
compositorisch aan op | | | | de vroegere collecties. Veel
gedichten getuigen van een nog altijd niet verflauwde
maatschappelijke betrokkenheid. Tegelijkertijd bereikt hij ook soms
een lichtheid van lyriek die doet denken aan de bedrieglijke eenvoud
en speelsheid van de latere poëzie van Paul van Ostaijen, een lichtheid die bij
Slory's landgenoten alleen nog gevonden wordt bij Bernardo Ashetu en hier en daar in de
poëzie van Eugène
Rellum en Corly Verlooghen.
Verwantschap is er voorts met Spaanstalige dichters als Lope de
Vega, Ramón Jiménez en Gerardo Diego en met
Portugeestaligen als Fernando Pessoa en Drummond de Andrade. De
speelsheid van zijn poëzie deed hem ook in 1986 een
bundel uitgeven met gedichten voor de jeugd: A no tru
san mi e si drape? A no tru? [Is het waar wat ik daar zie?
is het waar?].681
Na 1982 is de blik kritischer en de toon somberder geworden, zoals in
‘Het pompgemaal bij de Jodenbreedestraat’:
en ons wel iedere dag bezighoudt.
Wanneer het stof opdwarrelt,
wanneer er een weg naar de moskee is versperd:
Groot is Allah! Hij zij ons genadig!
(O, verroeste tanden van de tijd,
niet zo had ik met jullie willen vitten!) 682
In de sterke concentratie op wat de dichter ziet verdwijnen - of dat
nu een pompgemaal is, een wegdek dat wegspoelt, of de voorkomendheid
van de mensen - roept hij een metafoor op voor de teloorgang van
Suriname. Voor iemand die zich met zijn poëzie zo gewijd
heeft aan zijn land, moet dat een uiterst pijnlijke gewaarwording
zijn, of zoals hij het zegt in de slotstrofe van het gedicht
‘Revolutie’:
als een vliegtocht voorbij:
ik sta met beide benen op de grond
In de jubileumbundel omvatten twee afdelingen,
‘Land’ en ‘Dichter’, een
cyclus van vier gedichten, geschreven bij schilderijen van Rinaldo
Klas. In een concentratie van synesthesieën brengt Slory hulde aan zijn landgenoot. De bekende
thema's komen terug in de twee omsluitende afdelingen die eindigen
met de geresigneerde strofe:
Maar ook dit handvol verzen
| |
| | | |
Close-up: De creatie van een literaire taal:
liefdespoëzie van Slory
Als Trefossa de eerste grote schepper was
van een literair Sranan, dan is Michaël Slory de grote schepper van het
Sranan-vers als klassiek liefdesgedicht geweest.684 Zijn
liefdespoëzie kwam verspreid in bundels terecht en vond
een hoogtepunt in Efu na Kodyo Efu na Amba Efu na Romeo
Efu na Julia Amir... nanga... [Of het nu Kodyo is, Of Amba,
Of Romeo, Of Julia, Liefde... en...] (1985).
Al in Sarka/Bittere strijd (1961) wisselde
Michaël Slory zijn strijdgedichten af met meer lyrische
poëzie. De politiek gekleurde poëzie kreeg
daarna de overhand, maar Slory bleef wel andere gedichten schrijven:
een mijmering over de fayalobi, een verwonderd stilstaan bij de
kolibri. Van die andere gedichten kwamen er weinig naar buiten,
alleen de bundel Kownubri de na en onigodo gaf er
een aantal van. Veel poëzie over flora en fauna, kerst-
en paasgebeuren, hield hij in portefeuille tot na 1985.
Efu na Kodyo... bevat bijna honderd pagina's
liefdesgedichten, vaak meer dan één gedicht op
een pagina. Ver van de politieke werkelijkheid en de niet geringe
dagelijkse beslommeringen van het jaar 1985 nam Slory de lezer mee
om zich een moment te verliezen in de Surinaamse vrouw. Waren
vroegere bundels opgedragen aan politieke leiders, het eerste
gedicht uit Slory's nieuwe bundel gaat over Santa Rosa de Lima, de
eerste indiaanse heilige, en patrones van Amerika.
Slory's nationale gevoelens hebben zijn internationale
oriëntatie nooit in de weg gestaan. Niet alleen in zijn
politieke en sociale belangstelling, ook in de poëtische
vormgeving van die belangstelling heeft hij altijd het raam op de
wereld wijd open gehouden. Met de verwijzing naar Shakespeare's
beroemde liefdespaar, plaatst de titel van zijn bundel de
poëzie al binnen een kader dat nationale grenzen
overstijgt.
In de meeste gedichten uit de bundel gaat het om twee geliefden. Het
is de man die de vrouw beschrijft, vaak ook: die de vrouw
toespreekt. De lezer is getuige van een intieme correspondentie, een
fluistering die eigenlijk alleen bedoeld is voor de oren van de
geliefde. Die geliefde krijgt nooit een naam, wordt altijd aangeduid
met een algemene term: ‘wan umasma’ [een vrouw],
‘mi lobi’ [mijn lief], heel vaak ook
‘yu’ [jij].
Klassiek is dan dat het niet zozeer gaat om het liefhebben zelf, de
liefdesdaad, als wel om de afstand tussen de geliefden en de angst
om de geliefde te verliezen:
bikasi na yu na mi glori. [p. 1]
want jij bent mijn glorie.]
Typerend voor veel gedichten - en evenzeer klassiek - is het
uitroepen of het voor de laatste maal oproepen van een intens
liefdesmoment en de ontgoocheling die daarop volgt: de vaststelling
dat de geliefde niet nader is gekomen, dat de geliefde ver is
gebleven en dat slechts de eenzaamheid en de herinnering
overblijven. In veel gedichten is die verwijdering er letterlijk: de
geliefde loopt weg. Zelfs in een bijna vrolijk gedicht als
‘Dati tyontyon’685,
waarin de ik lyrisch schrijft over een tyontyon
(een vogel die wordt beschreven als de geliefde), staat het einde in
mineur:
| | | | | | | | | | | |
als een droom over het rulle zand
Er is veel in deze bundel waarmee Slory de Surinaamse liefdeslyriek
aansluiting verleent bij de oude traditie van internationale
liefdespoëzie. Traditioneel zijn zinswendingen die te
maken hebben met warmte, als: ‘meki mi/ gi yu
waran’ [laat me/ je warmte geven, p. 20] en ‘A
flambo fu lobi’ [de liefdesfakkel, p. 15], benoemingen van
de geliefde als ‘doifi’ [duif, p. 17] en het
creëren van een entourage van maneschijn en
geheimzinnigheid: vaak gebruikt hij het woord
‘sikrit’ [geheim].
De ikfiguur put zich uit om maar iets over te dragen van zijn
schoonheidsontroering, maar voortdurend is er de twijfel, zowel over
hoe de vrouw zal reageren, als over de vraag of hij wel iets van
zijn ervaring kan overbrengen. De poëzie is bezaaid met
vraagtekens. Veel gedichten geven slechts een even oplichten van een
beeld, alsof een bliksem voor een moment de wereld in haar
kleurenpracht laat zien. De ikfiguur weet zich dan geen raad met wat
hij ziet, hij reageert ontsteld (‘fakafaka’ - p.
52), raakt in verwarring (‘bruya’ - p. 44), weet
ook niet hoe zijn ervaring over te brengen. In een extreem geval
krijgen we dan poëzie die nauwelijks nog iets vaststelt
zoals in het gedicht ‘Den sidon e taki tori’ [Ze
zitten een verhaal te vertellen]; in andere gevallen buitelen de
lyrische kwalificaties over elkaar heen als in ‘Kamalama
srefi’ [Wat een meid!, p. 79], dat met de vertaling van
Michel Berchem luidt:
fu fa yu e meki kamalama,
om hoe jij je mooi maakt,
De eerste strofe beschrijft een antithese: de jij die zo snel loopt
alsof er herten uit haar dijen springen, tegenover de ik die daar
stil van wordt. Dan volgt in de tweede strofe de beschrijving van
hoe haar schoonheid de wereld op zijn kop zet: de lucht die
trompettert, hoe zij zich opdoft (meki kamalama, meki moi) en
beweegt (koti kwenda, koti pangi) voor de jongens die om haar
wedijveren met mooie liedjes. Uiteraard resoneert in deze wedijver
nog de suggestie mee, opgeroepen door de eerste strofe van
hertenbokken die vechten om een ree. De ikfiguur is ook in dit
gedicht toeschouwer, maar tegelijkertijd grijpt hij in door zijn
manier van observeren, door zijn sterk suggestieve beelden (in feite
is het natuurlijk de dichter die dat doet). Anders dan in
‘Den sidon e taki tori’ voltrekt zich hier iets
in de ikfiguur, hij blijft niet in stomme verbazing tegen een
situatie aan zitten kijken. Dit samengaan van de ik als beschrijver
en als belevend subject, vinden we terug in veel gedichten. De
scheidslijn tussen dichter en ikfiguur is flinterdun.
De belangstelling van de ik gaat daarbij bijna altijd uit naar
dezelfde plaatsen in de | | | | verschijning van de geliefde.
De mond neemt in veel beschrijvingen een voorname plaats in, bij
Slory vaak vanwege de functie van
spraakorgaan waar het woord wordt gevormd. Tegelijkertijd is er
onmiskenbaar de (klassieke) erotische dimensie:
nanga a blaka dorosei? [50]
en het zwart van buiten?]
De mond wordt beschreven als een erogene zone met het kleurcontrast
dat door bijvoorbeeld ook Slauerhoff en
Rellum is gebruikt. Daarenboven heeft
de mond natuurlijk nog de traditionele notie: leven-geven, ademen.
In de verwarring zoekt de adem naar de kracht om iets te zeggen.
Woord, adem, leven en liefde staan in nauwe relatie tot elkaar.
heeft hij een weg gevonden
om onomwonden te spreken.]
De ik is voortdurend op zoek naar de liefde en naar het woord om die
liefde te benoemen, de liefde die leven-schenkende kracht is. Het is
niet toevallig dat het de adem van de wind is die het geluk voor de
ik doet aanwaaien (vergelijk p. 61). Ook op de ogen vestigt de ik
zijn aandacht, maar minder vaak dan op de mond die genoemd wordt als
een van de drie essentialia van de vrouw (p. 44).
Een tweede belangstellingsgebied van de observator wordt gevormd door
de benen, de voeten, de manier van lopen. Die belangstelling is heel
wezenlijk en ook heel complex. Ze is er omdat de ik niet durft op te
kijken naar het gezicht (p. 63) - volgens traditioneel creoolse
gedragsnormen ook een manifestatie van beleefdheid en
bescheidenheid. Oude Coronianen, zo deelde Slory mee, oordeelden
mensen naar de stevigheid van hun kuiten en ze leidden daaruit af of
iemand bestand was tegen zwaar werk op het land.686 Verder worden voeten genoemd in verband met de vaak
voorkomende verwijdering tussen ik en geliefde; wat dan rest zijn de
voetafdrukken (p. 40).
Maar er is een nog belangrijker aspect. Voeten en benen vormen het
dragend onderstel, de verbinding met de grond. De geliefde bij Slory
is nooit een zwevende geliefde, zij is van die grond niet los te
zien. Voortdurend komt in de bundel de binding met de grond terug,
enkele malen ook wordt de Gronmama (Grondmoeder) aangeroepen. De
geliefde is onmiskenbaar een negerin: haar lippen, haar profiel,
haar mahoniehout-bruine huid. Heeft de slaventijd ooit sporen in je
nagelaten, vraagt de ik zich af (p. 91). Deze ongerepte geliefde kan
zo uit Afrika komen (p. 91): ‘Afrika,/ blaka./ A santa
doti fu mi bro.’ [Afrika,/ zwart./ De heilige aarde van
mijn levensadem, p. 86]. Ook hier de combinatie
‘doti’ en ‘bro’, aarde en
adem. De geliefde is grensverleggend, verwijdt het perspectief:
‘Nanga a gowtu fu en sten/ mi o suku wan nyun
seilen!’ [Met het goud van haar stem/ zoek ik een nieuwe
horizon, p. 91]. Op twee manieren reageert de ik dus op de aanblik
van de geliefde: hij wordt met verwarring of machteloosheid
geslagen, of nieuwe werelden gaan voor hem open. En beide reacties
zijn even klassiek.
De beeldspraak van Slory brengt aansluiting tussen creoolse en
klassiek-Europese traditionele noties, maar de dichter zoekt ook
naar nieuwe beelden. Schrijft Dobru ‘ik | | | | wil
geen viool zijn/ maar een drum/ om te roffelen/ door de aderen van
mijn volk’687, Slory
heeft oog voor het feit dat de viool het instrument is, dat eeuwen
voor het in Europa werd geïntroduceerd al een
volksinstrument was van Azië en Afrika.
ben musu prei gi mi sowan finyoro,
di poti tu futu sidon? [23]
zou zo'n viool voor me moeten spelen
die twee voeten doet rusten?]
Slory schrijft een gedicht met de titel
‘Finyoropoku’ [Vioolmuziek], omdat de strelende
klanken van de viool de liefdesstemming het beste reliëf
geven. Zo ook roept hij de piano (p. 39) en de harp (p. 42) op, waar
deze de sfeer mee kunnen helpen bepalen. Klassieke westerse muziek -
hem al uit zijn jeugdjaren bij de fraters vertrouwd - maakt geen
deel uit van een wezensvreemd universum.
Poëzie moet mooi zijn en zeker als het gaat om
liefdespoëzie, is de opvatting van Slory. In bundels als
Brieven aan Ho Tsji Minh en Brieven aan de guerrilla waren de gedichten wel eens
grillig, ongeslepen. In Efu na Kodyo... is daarvan
geen sprake. De gedichten zijn welluidend en bijzonder ritmisch. Ook
zonder gebruik te maken van versvormen als sonnet en kwatrijn,
kennen de gedichten door het ritme en de vele assonanties een sterke
eenheid. Het eindrijm voegt zich daar soms ongemerkt bij.
Het werk van Slory is een monument van taal- en cultuurconservering.
Ook Efu na Kodyo... is een pleidooi voor het
bewaren van het esthetische, voor het gebruik van
‘wenke’ in plaats van ‘frow’
[vrouw], het invoeren van ‘kamalama’ naast
‘moi’ [mooi], het tegengaan van taalverarming
door een woord als ‘plana’ [kabbelende golfjes -
p. 2] te hanteren naast ‘skwala’ [deining - p.
39] en door het blijven gebruiken van woorden als
‘koba’ [teilvormige pan - p. 71] en
‘kabugru’ [dat Slory niet enkel gebruikt ter
aanduiding van iemand van gemengd bloed, maar ook voor zware, dikke
vlechten - p. 42]. Er is ook opnieuw veel van Coronie in deze
poëzie terechtgekomen (al meent de dichter zelf dat hij
zich heeft ingehouden uit vrees voor verwijten over zijn taal). Zijn
jeugdjaren zijn hem altijd blijven stimuleren in het zoeken naar een
verwoording van zijn ervaringen:
[Je bent zoeter dan de spijs
In deze taalconserverende en taalvitaliserende functie zoekt hij een
plaats voor het creoolse element in de grote wereldtraditie van de
liefdespoëzie. Een zinsnede als ‘Seisei fu a
prapi...’ [Naast de kom] kan niet los gezien worden van
het oude gebruik om te praten met de prapi, de
grote aarden kom, die de plaats van de aarde inneemt. De driehoekige
anyisa op pagina 14 vinden we elders terug in
het driehoekig profiel van het vrouwengezicht (p. 13). Een gezicht
is zo glad als een donkere kalebas (p. 91), een donkere karaf (p.
50), of ‘Den sekrerostu krofaya/ fu yu tu ai’
[De rustgevende houtskool/ van je twee ogen, p. 80] waarbij in de
vergelijking van de ogen met houtskool de notie van vuur subtiel
meeresoneert. Een synesthetische relatie wordt gelegd in:
‘A tabiki fu yu skin/ a gersi wan switi lafu’
[Het eiland van je lichaam/ is als een heerlijke lach, p. 2] en
‘A switi/ fu yere yu skowru’ [Het is heerlijk/
om je schouders te horen, p. 80]. De dichter duwt zijn metaforen
bijna tot over de grens van de logische verhouding tussen beeld en
object: ‘Yu fes'ede na wan langa lansri’ [Je
gezichtslijn is een lange lans, p. 47]. Zelfs als in het voorhoofd
een afschaduwing van de lichaamslijn gesuggereerd wil zijn, is het
beeld van een lange lans voor het voorhoofdsprofiel voor sommige | | | | lezers moeilijk te accepteren.
Michaël Slory heeft met Efu na Kodyo Efu na
Amba Efu na Romeo Efu na Julia Amir... nanga... aansluiting
gezocht bij de grote traditie van internationale liefdeslyriek. Hij
heeft binnen het Sranantongo de mogelijkheden verkend om te zeggen
wat al eeuwen in allerlei talen gezegd wordt en nog eeuwen gezegd
zal blijven. Hij heeft traditionele beelden vertaald in het
Sranantongo en een eigen plaats in zijn poëzie gegeven.
Hij heeft gezocht naar een Surinaamse beeldvorming voor universeel
geldige emoties. En hij heeft de grenzen verkend van wat nog wel en
wat niet meer aanvaardbaar is.
| |
Titjari
Een auteur die zich niet in de literaire tijdschriften liet zien, was
Titjari. Met Mamanten [Ochtend] gaf hij in april
1962 een bundel met 21 gedichten in het Sranan, alle met Nederlandse
vertaling. Titjari was het van een vogelnaam afgeleide688 pseudoniem van Wilfred Griffith, geb.
te Paramaribo op 24 juni 1930. Hij had
onderwijs genoten bij de fraters, was tot onderwijzer opgeleid en
vervulde verschillende functies in het sociaal-culturele leven en
het vakbondswezen. Titjari's gedichten waren tot aan de jaren '60
met regelmaat te horen op de Avros. Hij schreef
voorts hoorspelen voor Rapar, en toneelschetsen voor de Herman
Sno-club, waarvan hij de eerste voorzitter was. Titjari publiceerde
in 1985 een spraakkunst van het Sranan en een natuurkruidenboek.
Verschillende manuscripten van Griffith bleven ongepubliceerd.
In het voorwoord tot Mamanten meldt de dichter dat
hij wil bijdragen tot ‘het Nationaal Bewustzijn van ons
Surinaamse volk’. Dat doet hij met een bundel van zeer
uiteenlopende verzen: natuurlyriek, religieuze verzen van katholieke
signatuur, moralistische gedichten over vuilpraterij en
huwelijkstrouw en een frivool liedje over de liefde.689
Opmerkelijk is hoe vrij de Nederlandse vertalingen zijn ten opzichte
van het origineel in het Sranan: ze zijn vaak vormvaster met
eindrijm en een regelmatig metrum, per strofe tellen ze meestal meer
versregels en in sommige gevallen voegt Titjari zelfs hele strofen
toe die niet in het Sranan voorkomen. Het begin van
‘Grontapu, opo’ luidt bijvoorbeeld:
Grontapu, opo, en komoto na ini ju sribi,
Mi wiki lek' fa mi ben taki.
Mi kon na grontapu fu ju sondu,
Letterlijk vertaald:
Wereld, sta op, en kom uit je slaap,
Ik ben opgestaan zoals ik gezegd heb.
Ik ben op de wereld gekomen voor jullie zonden,
Nu zijn ze alle weggewassen.
Maar Titjari geeft dan als Nederlandse versie:
| | | |
Ik heb het voorzegd en gedaan.
Het kwaad is verwonnen voortaan.
Pim de la Parra vond in Mamjo dat de vertalingen afbreuk deden aan het Surinaams en
sprak van ‘knutselwerkjes in het nederlands’.
Overigens liet hij daarop ook over de Sranan verzen volgen:
‘Geen van de gedichten heeft iets “das zum
Herzen geht”.’690 Hij stoorde zich ook aan de
muziekcomposities van pater A. de Groot bij twee van de gedichten en
laakte het omslag dat hij een behang van een Kafka-achtige sfeer
noemde. Voor De la Parra zat er geen drukfout in het voorwoord waar
Titjari zei: ‘Deze gedichten willen een verwording zijn van hetgeen er leeft bij velen.’
(cursivering van mij - MvK).
| |
Auteurs rond
Soela
Op 26 februari 1962 verscheen opnieuw een literair tijdschrift: Soela, dat gerealiseerd kon worden dankzij een een
vorstelijke schenking van het Prins Bernhardfonds-Nederland: het
ontving tweemaal sƒ5000,- (ongeveer
nƒ10.000,-).691 De abstracte illustraties voor omslag
en binnenwerk waren aangeleverd door Stuart Robles de Medina; later
zouden ook de beeldend kunstenaars Rudi Getrouw, Nola Hatterman en
Iwan Dilrosun eraan meewerken dat Soela een qua
vormgeving onovertroffen Surinaams tijdschrift werd. Uitgever van de
eerste twee nummers was W.L. Salm; na
diens overlijden werd het Bureau Volkslectuur de uitgeefster.692 Er was een brede redactie geformeerd: Y. Sang A Jang-van Ommeren, M. Lutchman (de dichter
Shrinivási), J.H. Adhin, R.R. Bedacht (dichter Corly Verlooghen),
H. Eersel, H. de
Ziel (Trefossa), W. de Vries
en H. de Miranda. De titel - Sranan voor:
stroomversnelling - verwees, zoals het redactionele voorwoord
duidelijk maakte, naar de op gang gekomen ‘autonome
zelfwerkzaamheid van literair-creatief Suriname’. Het
tijdschrift wilde
als een soela aan het begin staan van die brede stroom die
straks onze letterkundige kultuur zal uitmaken. In de buurt van een
soela is het rumoerig en bruisend. Wij schuwen dit niet omdat wij
weten dat een paar kilometers verder een rustige bedding wacht.
Over de richting van het blad was het voorwoord zeer uitgesproken:
Wat wij nodig hebben is niet zozeer kunst als de
mentaliteit van kunstenaars, voor wie kunst meer is dan spel of
tijdverdrijf. [...] Primair zal dus gelet worden op de
existentiële waarde van het gedicht en niet zozeer op de
literair-aesthetische formulering.
Voor alle talen van Suriname zou er plaats zijn. Bovendien beleed de
redactie de overtuiging ‘dat de ontwikkeling van een
nationale kultuur mede bepaald wordt door internati- | | | | onale componenten’ en ze zou het ‘oog gericht
houden op het Caraibisch gebied, Latijns-Amerika en de gehele
wereld.’
Met uitzondering van Michaël
Slory, René de Rooy en
Trefossa (opmerkelijk genoeg: hij was
zelf redacteur), hebben alle belangrijke auteurs van het begin van
de jaren '60 in Soela gepubliceerd, om te beginnen
drie dichters die al hun debuut hadden gemaakt:
Shrinivási, Eugène Rellum en Corly Verlooghen.
Het tijdschrift zorgde bovendien voor het debuut of althans een zeer
vroege publicatie van een aantal auteurs die hun stempel zouden
drukken op de komende jaren: Bea Vianen,
Johanna Schouten-Elsenhout, Thea Doelwijt, Jozef
Slagveer, Ané
Doorson. Bijna de helft van het totaal aantal auteurs schreef
onder pseudoniem; verschillende zouden later onder die naam bekend
worden, andere onder hun burgernaam. Achter de naam Ernesto
Albín verschool zich Hugo Pos
die pas na 1985 zou doorbreken. Bhai (ps.
van James Ramlall) vestigde zijn naam in 1982 met de bundel
Vindu
. Edmundo (Edmund Braam)
publiceerde in 1962 zijn enige bundel
Boskopoedron
, Jnan Adhin gebruikte de naam
Sad Darshi voor zijn verhalen in Soela, maar zou
als essayist onder zijn burgernaam blijven schrijven. Jo Luma was Max Karg die pas in 1996 een
eerste bundel zou uitbrengen: Uit de kapuweri
geschreven. John Ferdinand zou later als Don Walther en
Walther Donner een hele reeks boeken
publiceren. Cyrano werd bekend als Orlando, de voornaam van Orlando Emanuels. Een aantal auteurs liet
als schrijver niet meer van zich horen.693 Qua
auteurssamenstelling liet Soela ten opzichte van
Tongoni twee opmerkelijke ontwikkelingen zien.
Het hindostaanse bevolkingssegment nam met Shrinivási,
Bea Vianen, Bhai en Jnan Adhin een nadrukkelijke positie in. Voorts
nam het aandeel van vrouwelijke auteurs aanzienlijk toe: was er van
de zestien auteurs in Tongoni slechts
één van het vrouwelijk geslacht, van de 27
auteurs die de kolommen van Soela hebben
volgeschreven, waren er 19 man, 6 vrouw (van 2 auteurs is het
geslacht niet bekend).694
Met de eerste drie nummers waren praktisch alle belangrijke
contribuanten aan het tijdschrift voorgesteld. In een los inlegvel
aan het einde van de eerste jaargang meldde de redactie dat de
eerste drie nummers zonder moeite werden gevuld. Alleen het aantal
abonnees was nog veel te laag: enkele tientallen.695 Vergelijking van de poëzie van
de voornaamste dichters met de versies die zij later in hun eigen
bundels zouden opnemen, leert dat de redactie inderdaad de
‘existentiële waarde van het gedicht’
belangrijker vond dan ‘de literair-aesthetische
formulering.’ Uitgezonderd Johanna Schouten-Elsenhout, die
de eindredactie van haar gedichten niet zelf ter hand nam,
publiceerden bijna alle dichters later varianten van de gedichten
die zij in Soela hadden laten afdrukken, en bijna
altijd bundelden zij slechts een selectie van de eerder afgedrukte
gedichten.
| | | |
Redacteur Corly Verlooghen zag tijdens een lezingentournee langs
Bogotá en Quito nog een andere functie van het
tijdschrift. Nooit terughoudend in zijn woordkeuze, meende hij
dat er zich in de Surinaamse letterkunde een revolutionaire
evolutie voordoet, die geleid wordt door extremistische creoolse
elementen, gelukkig, dat Suriname thans een eigen literair
tijdschrift heeft, dat leiding kan geven aan de bellettristische
ontwikkeling en dat de sociologie van het kunstenaarsbestaan in het
land nu reeds helpt te boek te stellen.696
Met het dubbelnummer waarmee de tweede jaargang begon, werd ook de
belofte van een internationale oriëntatie ingelost: Eva
(Essed)-Fruin opende het nummer met een artikel over
‘Caribische literatuur in wording’, een
bespreking van A house for Mr. Biswas van V.S.
Naipaul. De invitatie tot meertaligheid van het eerste redactioneel
werd eveneens met dit dubbelnummer ingelost: verschenen er in de
eerste drie nummers uitsluitend bijdragen in het Nederlands en het
Sranan, nu werden van Shrinivási ook twee gedichten in
het Hindi geplaatst, overigens met vertaling in het Nederlands, wat
bij het Sranan nooit gebeurde. In nog altijd hetzelfde dubbelnummer
schreef J.H. Adhin een opstel over ‘Beginnend
Surinaams-Hindostaanse literatuur’.
In de drie enkele en twee dubbelnummers die van 1962 tot 1964 werden
uitgebracht, publiceerde Soela een aantal
poëzieteksten die inmiddels als gecanoniseerd gelden
binnen de Surinaamse letteren.697 Voor het Surinaamse proza is
Soela vooral van belang geweest om het vroege
korte proza van Bea Vianen die later als romanschrijfster faam zou
verwerven, en voor een van de mooiste verhalen in het Sranan:
‘Na dede foe Andris Porjon’ van Ané
Doorson. Soela drukte bovendien proza van
hindostaanse herkomst af (zie § 10.1.3).
De scheidslijn tussen de auteurs die letterkundig een belangrijke rol
zouden blijven spelen en diegenen die niet meer van zich lieten
horen, tekent zich in de kwaliteit van het werk duidelijk af in Soela. Toch is er hier en daar een uitzondering op
deze regel. Zo beschreef Heo (Hugo Overman) in het gedicht
‘Den ston foe Sranan liba’ [De stenen van de
Surinaamse rivieren], opgenomen in het tweede nummer, de
steenformaties aan de bovenloop van de rivieren in Suriname en in de
watervallen die daar de doorvaart belemmeren (de sula). Al die rotsen in hun talloze gedaantes roepen
verwarring op voor een ikfiguur, al verlenen ze soms ook rust. De
ikfiguur ondervraagt de steenformaties op hun verleden: hoe is dit
allemaal ontstaan, wat is er de oorzaak van geweest dat eens een
bergmassief is versplinterd tot die verspreide rotsen in de
rivieren? De ik roept op tot een verklaring ter geruststelling,
zodat ‘wi no sa tan na doengroe’ [wij niet in
het duister blijven]. Het beeld is helder: in het tasten naar een
verleden dat gewelddadig geweest moet zijn, wordt gezocht naar een
zingeving voor het heden. De geschiedenis moet doorvorst en
toegeëigend worden, om voor de toekomst te worden
vastgelegd.698
Na zeven nummers verdween Soela, overigens niet
vanwege gebrek aan kopij. De redactie had streng geselecteerd en
zich daarmee de gramschap van verschillende | | | |
jongelingen op de hals gehaald.699 De royale
startsubsidie had een luxueus uitgegeven tijdschrift mogelijk
gemaakt, maar uitgeefster noch redactie had zich wezenlijk bekommerd
om de opbouw van een substantieel abonneebestand, en bovendien gaf
de distributie problemen. Daarmee ontbeerde de onderneming een
zakelijke basis. Geen enkel ander literair tijdschrift in Suriname
zou overigens ooit meer dan zeven nummers tellen.
| |
Profiel: Shrinivási
Leven. Shrinivási werd op 12 december
1926 geboren op de grond Vaderszorg, Kwatta, in het Surinaamse district Beneden-Suriname. Zijn
burgerlijke naam luidde Martinus Haridat Lutchman700; zijn werk zou hij laten
verschijnen onder het pseudoniem Shrinivási, dat een
samentrekking is van de Hindi-elementen śrī (goede, edele), śrīnām (Suriname) en nivāsī (bewoner).701
Shrinivási's overgrootouders waren Telegu-sprekende
Brits-Indiërs die als contractarbeiders vanuit Hyderabad,
de hoofdstad van het huidige Andhra Pradesh, naar Suriname kwamen.
Zijn vader was katechist van beroep en voedde zijn acht kinderen
(met Shrinivási als oudste) op in het rooms-katholieke
geloof. Na de lagere school (St. Thomasschool, Plantage Kroonenburg
in Commewijne) en de Paulusschool (Mulo) ging
Shrinivási werken als onderwijzer in Paramaribo en het
district Nickerie. Op de St. Aloysiusschool vond hij in de jaren
1950-1951 de dichter Corly Verlooghen naast zich als collega. In
1951 verhuisde hij naar Curaçao. Hij begon te schrijven
en legde zijn eerste gedichten voor aan Jan Voorhoeve702 en een nog ongepubliceerde
bundel aan Albert Helman. Met deze bundel, Anjali,
maakte hij in 1963 zijn debuut.
Van 1963 tot 1966 woonde hij in Nederland. Na een jaar op
Curaçao werkzaam te zijn geweest, werd hij op medische
gronden afgekeurd voor het onderwijs en repatrieerde. Hij had in de
jaren buiten Suriname de hoofdakte gehaald (1960), enige jaren
mo-a-Nederlands gestudeerd en reizen gemaakt door het
Caraïbisch gebied, Zuid-Amerika en Europa. In Georgetown
werkte hij korte tijd samen met de Guyana Writers Group. Van 1977
tot 1980 woonde Shrinivási opnieuw in Nederland en hij
zou er geregeld terugkeren.703 Hij bleef veel
reizen, onder meer naar India en Indonesië.
Shrinivási's vroegste publicaties waren een verhaal in het
weekblad De Katholiek704 en journalistieke stukken voor De Surinamer in de jaren 1944-1950. In 1952 maakte hij
onder het pseu- | | | | doniem Fernando zijn
poëziedebuut in Caraïbisch
Venster, een tijdschriftje uitgegeven door de Hollandse
Boekhandel te Willemstad.705 Ook in
andere periodieken op de Antillen in en Suriname verscheen nog wat
werk706, totdat in 1963 zijn
eerste bundel gepubliceerd werd in Suriname. In de jaren 1962-1964
maakte hij deel uit van de redactie van Soela, in
1968 van Moetete. In de jaren '60 had hij zitting
in de Raad voor Culturele Aangelegenheden. Vanaf 1967 wijdde hij
zich geheel aan de letteren, onder meer met lessen op scholen en
talloze optredens. Met zijn herhaaldelijk herdrukte bloemlezing uit
de Surinaamse poëzie Wortoe d'e tan
abra [Woorden die blijven] heeft hij veel Surinaamse dichters
bij het publiek geïntroduceerd. Samen met Thea Doelwijt
stelde hij de Engelstalige bloemlezing Rebirth in
words (1981) samen. Shrinivási heeft praktisch al
zijn werk in Suriname in eigen beheer uitgegeven. Zijn werk
verscheen in alle bloemlezingen en tijdschriftspecials gewijd aan
Suriname. Geert Koefoed stelde de bloemlezing Een
weinig van het Andere (1984) samen.
In 1974 ontving Shrinivási voor zijn gehele oeuvre de
Gouverneur Currie-prijs, samen met Michaël Slory.707 In 1989 werd hij benoemd tot Officier in de Ere-orde van
de Gouden Palm. Hij ontving de Literatuurprijs van Suriname over de
jaren 1989-1991 voor zijn bundel Sangam.708 In 2002 werd hem de Vedanta-prijs 2001 voor
zijn hele oeuvre uitgereikt. Sinds 1994 is hij lid van de
Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. Ram Soekhoe
maakte over hem de televisiedocumentaire Shrinivási: verlangen niet en eindelijk geen
verdriet (2001).709
Werk. Jarenlang was elke avond op de Surinaamse
televisie een gedicht te horen dat begint met de regel
‘Voor dit land heb ik gekozen’.710 Het is
een van het dozijn gedichten van Shrinivási dat binnen de
Surinaamse letteren al een klassieke status heeft bereikt.
Dagelijkse uitzending op de televisie zegt tevens iets over de aard
van zijn werk: het geeft op veel plaatsen uitdrukking aan het wel en
wee van de natie Suriname, maar het nationalistische sentiment is
veelal wel ingebed in een persoonlijke taal.
Er is nog een reden waarom zijn poëzie als
‘herkenningstune’ voor de Surinaamse televisie
gekozen werd. Toen Hugo Pos de bundel
Pratikshā
(1968) besprak, noemde hij Shrinivási
‘de dichter van de verzoening’.711 De eenwording van
de Surinaamse bevolkingsgroepen is een belangrijk thema in de
poëzie en dat heeft Shrinivási ook in het
hanteren van meer talen tot uitdrukking willen brengen. Het
overgrote deel van zijn gedichten schreef hij in het Nederlands,
maar hij heeft ook geschreven in het Hindi, Sarnami en incidenteel
in het Engels, Sranantongo, | | | | Spaans en Papiamentu.712 Ook in deze zin
is Shrinivási nadrukkelijk een vertegenwoordiger geweest
van wat Geert Koefoed heeft genoemd het
‘grensoverschrijdend nationalisme’.713
Toch is ‘dichter van de verzoening’ een enigszins
misleidend etiket. Nationalisme, vaderlandsliefde en verzoening
vormen slechts één kant van het dichterschap
van Shrinivási. Er is ook een andere zijde, een
kritische, een sarcastische, een gedesillusioneerde. Ook dat aspect
is bijna altijd aanwezig, al wordt in de poëzie van de
achtereenvolgende bundels het zwaartepunt nu eens verlegd naar de
ene, dan weer naar de andere pool.
Anjali, verschenen in augustus 1963, gaf een eerste
exposé van dit dichterschap.714 De
bundel vermeldt als ondertitel: Sarnami kavitaen
(Surinaamse gedichten). De poëzie werd
geschreven op Curaçao - waaraan ook enkele gedichten
worden gewijd - en vervolgens naar Suriname gezonden, waar J.H. Adhin nog net in 1963 de uitgave ervan
bezorgde. Aan de bundel gaat een motto vooraf van de eerste
Caraïbische Nobelprijswinnaar, Saint-John Perse:
‘Voor de dichter is het voldoende het slechte geweten van
zijn tijd te zijn.’ Shrinivási tekent in Anjali de mens die in het heterogene het
verbindende zoekt, zoals dat ook het geval is met Lonnio uit
Ferriers roman
Ātman
(1968) en Henk uit
Proefkonijn
(1985) van Paul Marlee. Maar
anders dan bij beide romanschrijvers krijgt de harmonie bij
Shrinivási een invulling die minder is toegespitst op het
samengaan van raciale, dan op cultureel-religieuze elementen. De
titel Anjali verwijst naar de holte die ontstaat
wanneer de handen bij een offergave tegen elkaar worden gebracht. In
de eerste strofe van het gedicht ‘kathedraal’
komen we dit gebaar tegen:
De hindoeïstische Namaste-groet vloeit hier ineen met de
christelijke groet uit het katholieke ‘Ave
Maria’. Toch domineert het christelijke het
hindoeïstische in Anjali, niet zozeer
doordat er vaker gerefereerd wordt aan de christelijke cultuursfeer,
als wel doordat er herhaaldelijk een directe identificatie
plaatsvindt van de ik uit de gedichten met de figuur van Christus:
‘Dan zal het spotkleed/ vallen/ van mijn verwonde
schouders.’ De ik is ook, zoals de Nazarener, een
vreemdeling onder zijn eigen volk:
| | | |
onder mijn eigen volk. [p. 39]
Overheerst in Anjali het verzoeningsgebaar, het
beeld van het land is niet bepaald idyllisch of idealiserend.716 Het verblijven buiten Suriname, het van een afstand
waarnemen van het vaderland en de terugkeer behoren tot de
levenswandel van veel Surinamers, maar de trits is ook wezenlijk
bepalend geweest voor de bouw van Shrinivási's
poëzie. Deze levenspendel geeft zich bloot in de beweging
van komen en gaan die in veel gedichten beschreven wordt (Als ik mijn land betreed heet een bundeltje uit
1980)717, maar hij heeft ook de wijze waarop de dichter waarneemt essentieel bepaald. Als
christelijk opgevoed hindostaan staat Shrinivási op het
kruispunt van twee culturen; zijn horizon is met het reizen en
elders wonen dan nog ontegenzeggelijk verwijd. Deze distantie in
letterlijke en figuurlijke zin heeft consequenties gehad:
verandering van perspectief brengt bijna onherroepelijk een
herijking van oude waarden met zich mee. De emigré of
ex-emigré dreigt niet een randfiguur te
worden, hij is het, want hij houdt zich altijd
daar op waar de grenzen zijn. Uit het gedicht ‘Nabij het
lichtschip’ uit
Anjali
:
Die staan buiten hun land
maar dagelijks erin dwalen
Met ‘Nabij het lichtschip’ maakte
Shrinivási de ingang van de Surinamerivier - Braamspunt -
tot een topos van de vervreemding, van de grote wereld verder weg,
van de migratie. In anderhalve eeuw slavenhandel was Braamspunt het
oord geweest waar de slavenschepen aanlegden, waar zieke slaven voor
quarantaine van boord werden gehaald en de andere slaven toonbaar
gemaakt werden, aleer op de slavenmarkt van Paramaribo verkocht te
worden.718 Na de
afschaffing van de slavenhandel in 1807 deden alleen marineschepen
Braamspunt nog aan. Maar de naam bleef synoniem voor de aankomst van
schepen die wachtten op gunstig tij om de Surinamerivier op te
varen, èn synoniem voor het punt van afscheid voor
diegenen die de kolonie vaarwel zeiden; vele afscheidsadvertenties
in 19de-eeuwse kranten vermelden ‘Braamspunt’
plus een datum. Shrinivási buigt de topos naar de
werkelijkheid van de autochtone Surinamer toe en incorporeert
Braamspunt in een begripswerkelijkheid van Surinamers die hun
geboortegrond begroeten of vaarwel zeggen. Zo wordt het hele werk
van Shrinivási geschraagd door een sterk besef van de
Surinaamse geschiedenis (en die van de hindostanen in het
bijzonder), maar die historie wordt altijd gerelateerd aan de
actualiteit.
De directe confrontatie met de fenomenen grens en grenswachten heeft
Shrinivási een aantal bijtende gedichten ingegeven.719 De
razzia-achtige wijze waarop op straat ‘Uw paspoort
èn het boek’ worden opgeëist (het
gedicht ‘Kankantriestraat’ uit Pratikshā) is een verzinnebeelding van het
wantrouwen waarop de kosmopolitische dichter in zijn moederland
stuit. Want de thuisblijvers nemen het de dichter niet in dank af,
wanneer hij in zijn poëzie de nationale vuile was buiten
| | | | hangt. Vertwijfeling wordt de dichter die lang
buiten de grenzen van zijn land woont deelachtig. ‘Is
daarom Bel Exil nog onbewoond?’ vraagt
Shrinivási zich af. Want hij heeft goed gezien dat de
leegloop van de stille plantage uit Helmans bekende roman de gang
aangeeft van de kunstenaar wiens verbeeldingswereld geen grenzen
zijn aangemeten.
Slechts het woord biedt soelaas. Shrinivási heeft
verschillende metapoëtische commentaren geschreven. In
het bekendste, het Hindi-gedicht ‘Kavi aur shabd/ De
dichter en het woord’, omschrijft hij het woord in vijf
strofen als achtereenvolgens het vaderland van de dichters, de
troostbrengende mond, een krans van dankbaarheid en het land dat de
grootheid van de dichters uitmaakt. De middelste strofe luidt in
zijn bucolische beeldspraak:
Mánaviya samáj to khet hai
Wat zijn woorden eigenlijk?
De menselijke gemeenschap is de grond.
De dichter de ploeger ervan. 720
Shrinivási's poëzie is een pleidooi voor een
nieuwe generatie, schuldloos en leugenloos in de zuiverheid van haar
woorden. Het woord is zowel heilig als menselijk. Het is heilig in
de bezwering van het onreine, die de dichter ermee wil bereiken:
Het woord is menselijk, terwijl het kwaad in Shrinivási's
optiek tegen de essentie van de mens ingaat, omdat het vijandig is
aan het ware woord.
Anjali geeft een explosie aan talige potenties te
zien, de neerslag van twaalf jaar zoeken in woorden, resulterend in
een collectie waaruit een compleet leerboek voor de beeldspraak en
stilistiek samengesteld kan worden. Soms vraagt men zich af of de
dichter zich niet door het woord laat meeslepen. Een werkelijk
uitgekristalliseerde verwoording zou zich pas later in het oeuvre
manifesteren. Niettemin was A.J. Morpurgo lyrisch in zijn bespreking
van Anjali die hij een overrompelend Surinaamse
bundel noemde:
een zo zuiver en beheerst Nederlands van zo verrukkelijke
eenvoud als weinigen gegeven is. Nederlands dat nergens in zijn
zuiverheid de syntaktische verschillen meedraagt, waardoor
Aziatische herkomst soms zo duidelijk herkenbaar is.722
De eenheidsverwachting die als motief in Anjali al
aanwezig was, wordt in Pratikshā
(Verwachting) uit 1968 hoofdthema. ‘Zelfs op een
afstand spreekt Suriname tot hem, verstaat hij de kunst | | | | de stem van Suriname op te vangen,’ schreef Thea Doelwijt in een recensie.723
En J. van Zanthen riep uit:
‘Dit is een dichter wiens werk men ademloos leest, een
schrijver van allure, een man, die bewijst, dat Suriname op het
ogenblik werkelijk een soort letterkundige renaissance
beleeft.’724 Het gedicht
‘Lokroep’ is Shrinivási's eerste,
lange evocatie van een visioen waarin we de verschillende Surinaamse
bevolkingsgroepen ‘Geboekt zien staan/ op de monsterrol
van het leven/ onder één naam.’ Pratikshā, geschreven op het eiland
Curaçao in 1964, is tegelijkertijd ook een klassiek
voorbeeld van de Surinaamse diaspora-literatuur: de afstand schept
de idealisering. Maar daarmee is alle realisme nog niet verdwenen.
Hij zoekt wel de ‘kust voor de latere
geslachten’, maar dat is de mentale operatie om het
aangevreten hart en de wanhoop te vergeten.
want ik vermoed de drieste gevaren
ik weet waar de angels zijn
de klemmen liggen verborgen
de setigon beloert zijn prooi 725
Het is de positie van door God geroepene die de ikfiguur als
hanteerder van het woord inneemt. Duidelijk komt dat naar voren uit
het gedicht ‘Buláhaṯ/ De roep in de
nacht’, het vroegst bekende gedicht in het Sarnami, door
Shrinivási geschreven op
23 januari 1964.726 De profetische taak van de ik,
van de dichter (want die vallen bij Shrinivási vaak
samen) wordt beschreven in een aan het landleven ontleende
beeldspraak - ploegen, eggen, bemesten, planten, oogsten - die hem
ongetwijfeld is ingegeven door de indrukken van het districtsleven,
zoals opgedaan in zijn jeugdjaren en in de jaren '45-'50 als
onderwijzer aan een school midden in de Nickeriaanse rijstvelden.
Het is niet enkel die ‘agrarische’ beeldspraak
die treft, het zijn ook de sterk beeldende synesthesieën:
‘donkerzachte stilte’ (28) of ‘zoete
schaduw’ (63). Typerend voor zijn poëzie zijn
de opeenstapeling van metaforen (vaak betrekking hebbend op het
Surinaamse landschap, met name op de rivieren), het klankspel van de
medeklinkers, de grote ritmische kracht en de rol die aan de
zintuigen wordt toebedeeld.
Het is een totaal andere dichter die het woord voert in de twee
bundels uit 1970, Dilákár (Teken
van het hart) en 1 minuut stilte.
Geschreven in 1968 en 1969, tijd van eenzaamheid, teleurstelling en
onbegrip na zijn echtscheiding en terugkeer in Suriname, is Dilákár het product van een
harde confrontatie en een herbezinning. Een confrontatie met alles
wat in de eerste twee bundels als gevaar was aangeduid en wat met
woorden bezworen leek te kunnen worden, maar nu monsterlijker dan
ooit de dichter toegrijnst. Een herbezinning op de plaats van de
dichter en de wijze waarop hij zijn woord dient te hanteren:
‘ik schrijf tegendraads het geluk’. De
zelfverzekerdheid van de aantonende wijs uit Pratikshā is de bezwering van de gebiedende
wijs in Dilákár geworden:
| | | |
naar woorden en daden [18]
Nog slechts hier en daar herkent men de dichter van de eerste twee
bundels die in een eruptie van beelden de schoonheid en toekomst van
Suriname bezong. In
Dilákár
staan geen pagina's-lange gedichten meer, de meeste houden
na een regel of zes op. Veel sterker dan
Pratikshā
, is Dilákár een
aftasten van wat de taal nog aan kracht bezit:
Geschreven onder invloed van de rassenrellen in Guyana die aan
honderden mensen het leven kostten, geeft 1 minuut
stilte een apocalyptisch visioen van een ten onder gaand
land met lijken her en der verspreid en rook die van de puinhopen
opkringelt. De zwartgalligheid creëert een funerale sfeer
van een somberte waarin het zelfs al een lichtpunt is wanneer er
wordt opgeroepen tot één minuut stilte:
voor de doden die zullen vallen
Blind is Shrinivási nooit geweest voor de scheuren in het
huis Suriname. Maar de onttakeling neemt in de bundels van 1970 wel
verbijsterende vormen aan. In kleur, kaste en godsdienst geven zich
hypocrisie, discriminatie en sociale controle bloot. Woorden als
‘maskers’ en ‘sluiers’ geven
aan dat de dichter daar moet zijn waar het demasqué
plaatsvindt; de versregels zijn hard, sober en prozaïsch.
Verschenen in 1972 kon
Om de zon
niet anders dan een verrassing zijn, deze volledige omslag
van een grauw toekomstvisioen naar een bruisend celebreren van het
leven. Slechts de wetenschap dat Shrinivási de bundel al
praktisch geheel voltooid had toen hij in Suriname terugkeerde in
1968, lost dit raadsel op. Het boek is een aanslag op het
bevattingsvermogen van de lezer; niet alleen vanwege de volheid van
veel bladzijden of de omvang van de bundel - met 125 pagina's
Shrinivási's omvangrijkste -, maar ook om de intensiteit
van beleven die van alle bladzijden afstraalt. Slechts zelden
vertoont de spanningsboog een inzinking. De woorden zijn bijna
altijd aan | | | | de sfeer van zee, zon, wind, regen, licht
en lucht ontleend en daarmee is Om de zon de meest
Curaçaose bundel geworden. Stammen de woorden uit
dezelfde natuursfeer, ze belichten telkens een andere nuance, ze
dragen een andere sfeer of symboliek.
Sterker dan ooit heeft Shrinivási zich op een
boven-nationaal standpunt gesteld. Het begin van de bundel wekt
overigens niet die verwachting bij de lezer. Het boek opent namelijk
met een prozastuk waarin een tocht beschreven wordt van de Golf van
Bengalen naar een eiland. De Indiase voorouders was als
contractarbeiders voorgehouden dat ze naar een welvarend eiland
zouden gaan. Dat Shrinivási hier de emigratie naar het
Caraïbisch gebied op het oog heeft, is duidelijk. Toch is
dit slechts een sein dat het bewust-worden van de geschiedenis, een
stap is geweest in het proces van zich realiseren wat het algemene
patroon is achter het menselijk handelen. In deze context is de
hindostaanse emigratie tot op zekere hoogte een willekeurig feit.
Nooit voorheen is het hindostaanse element zo weinig geprononceerd
in een bundel van Shrinivási naar buiten gekomen, al
staat er wel wat poëzie in het Hindi in en duikt ook de
figuur van Krishna op. Maar hier is
Shrinivási de dichter van de ontmoeting, zij het in iets
andere dan de gebruikelijke zin. Hier, in Om de
zon, is hij de beschrijver van het samenkomen van culturen,
sterker nog: van het opperste samenkomen, namelijk die in de liefde.
Liefde ontstijgt de grenzen, ontkent niet de universaliteit van welk
geloof ook, maar plaatst haar binnen een nog universeler verband. De
liefde kan ‘een nieuwe staat/ een verduveldschoon
alabama’ bouwen en wanneer die liefde bovendien een
genegenheid voor het land is, en één die
beantwoord wordt, krijgt zij welhaast mystieke kracht: de grenzeloze
liefde is de symbiose van patriottisme en kosmopolitisme.
Nieuw in het dichtwerk van Shrinivási tot dan toe is ook
het beleven van de seizoenen. Dit speelt in de hele vijfde afdeling
van Om de zon, die zijn ervaringen met Nederland
verwoordt. De uit de wereldliteratuur bekende notie van het
ontluiken van het leven in de lente, krijgt zo een plaats in zijn
poëzie. Op de momenten waarop de ultieme liefde haar
beschrijving vindt, is er sprake van een mystiek natuurverband:
‘waarom de zon/
| |