Bijdragen, mogelijk alle van zijn hand:
DSN 92/8-3-1787
Fragment van eene sentimenteele historie
[Anonieme geschiedenis van twee broers, de ene sentimenteel ‘Hij maakte ook wel vaerzen, waarin hij geduurig zeide, dat hij schreide; maar dat zeide hij dan zoo maar’, de andere niet, terwijl de sentimentele lamenteert, redt de ander een meisje uit een brandend pand.]
DSN 94/22-3-1787, vervolg DSN 95/29-3-1787 en DSN 96/5-4-1787
Over het schryven incognito
[Betoog tegen het ijdele gebruik van auteursnamen en titels: ‘Wat het gebruik van namen betref [sic], ik ben daarvan een groot vriend, maar ik denk, dat de schoonste naam eens schrijvers op het Titelblad van zijn boek geen betere vertoning maakt, dan een schilderij van Rembrand in de Kamer des gemaks.’]
DSN 100/3-5-1787
Aanmerking Wegens de uitdrukking, Fatzoenlyke Lieden
[Relaas van een dame die in de schouwburg slechts enkele fatsoenlijke lieden had gezien, te weten mevrouw... mijnheer..., waarop de schrijver nagaat wie dat waren: ‘Mijn Heer is een aarts woekeraar, die een Millioen in de Waereld heeft, waar van drie vierde part onrechtvaardig verkregen is. [...] Mevrouw is eene volmaakte Coquette, en bezit geen verdiensten dan intrigue om mijn Heer te bedotten; zij houd huis of zij door een half douzijn Duivels bezeten is [...]’ enz.]
DSN 112/26-7-1787
Anecdote De Zeer Gebrekkig Boetvaerdige Schryver
[Over het berouw van een godslasterlijke schrijver die getroost wordt met de opmerking dat zijn geschriften zo slecht zijn dat niemand ze leest.]
DSN 116/23-8-1787
Request van de honden. Aan de XXX &c. &c. &c.
[‘Uit Naam der Cynique Maatschappy’ wordt in een persiflerend-ambtelijke stijl gesteld dat ‘supplianten’ - de honden - ‘in gevalle zy zig door eene natuurlyk aangeboorene, en alhier ook zo hooggeschatte, Zugt tot Vryheid, tragten te onttrekken aan eene onverdiende en drukkende Slaverny niet alleen, maar, ach lacy zelfs aan eene veragtelyke en schandelyke bandhegting;’.]
DSN 129/22-11-1787
Alleenspraak eens Vermaakbeminnaars
[Relaas van iemand die zich ten doel stelt het vermaak tot levensdoel te verheffen en die zelf met bedenkingen komt - wat zal zijn vrouw doen: ‘Ik zal een schoon Figuur maaken, als ik, naar op de Hartenjagt geweest te zyn, met Hoorns t'huis kom!’, dus kan hij beter met zijn vrouw uit rijden gaan en verbeteringen aan de plantages bedenken: ‘my dunkt 'er moet veel Vermaak gelegen weezen in arme Lieden aan werk te helpen!’ - gesigneerd: AD.]