begin  verderprepost
[p. 7]

Ruud Mungroo
Gai

‘Ik moet er altijd weer aan denken en ik weet zeker, als het niet mij was overkomen, ik zou het nooit van mijn leven hebben geloofd!’ Gai bestudeerde de gezichten van de mannen die aan de toonbank in de winkel van Ma Sis stonden, als wilde hij zich overtuigen of iedereen aandacht had voor het laatste verhaal dat hij die avond zou gaan vertellen. Behalve wat hij af en toe over zichzelf losliet, was het enige wat de mannen van Gai, die ze jaren kenden en met wie ze al jaren werkten, afwisten, dat hij van de Engelse kant kwam en dat hij een goed verteller was en allen luisterden graag naar zijn verhalen.

[p. 8]

Ze kwamen eens per week in de winkel bij elkaar, wanneer ze met gedroogde en gebarbakotte vis van de zeemonding, waar ze hun kamp hadden, waren teruggekeerd. De avond was al ver gevorderd, Ma Sis had het licht van de petroleumlamp hoger gedraaid en zette een volle fles Hewin op de toonbank neer. Gai vulde zijn mok, beet een stuk uit een droge vis, waarvan hij er steeds een paar meenam wanneer hij ging sopi drinken en sprak met volle mond: ‘Al vijftig jaar loop ik op Gods aarde rond. Ik heb heel wat meegemaakt in mijn leven. Maar wat ik nu ga vertellen: als het niet mij was overkomen, ik had het nooit van mijn leven geloofd.’ Als Gai had gezegd dat hij achter in de dertig was, zou een ieder dat hebben aangenomen. Aan zijn lichaam was te zien dat hij een man was die gewend was aan hard werken. De mouw van zijn khaki hemd, dat hem net boven de elleboog reikte, spande zich door de druk van zijn grote biceps, telkens wanneer hij de mok naar zijn lippen bracht

‘Zowaar als ik Gai ben, recht uit de grond van mijn hart, ik heb van alle vrouwen met wie ik geleefd heb, en dat zijn er niet weinig, nooit meer één gehad als Meli.’ Gai kreeg een vreemde glans in zijn ogen en plukte dromerig voor zich uitstarend aan zijn sik. Door zijn plotselinge zwijgen was het gesnurk van Mani, die op een bank

[p. 9]

zat, zijn hoofd op de toonbank had gelegd en in slaap was gevallen, het enig geluid. Hij keek een hele poos met een dromerige blik in zijn mok, alsof hij daaruit de rest van het verhaal in zich opnam en herhaalde het ritueel. Hij beet een stuk droge vis af en nam een slok. De mannen stopten een pijp of rolden een sigaret. De mokken werden opnieuw gevuld. Gai sloot de ogen en sprak met een donkere stem: ‘Het is alsof ik het opnieuw beleef.’ Hij zuchtte diep en schudde het hoofd.

‘Ik zat op de rand van de boot te genieten van de opkomende zon boven de parwabossen. De laatste modderslee met vis was aan boord gehesen. Toen ineens kreeg ik het gevoel alsof er op die dag iets vreemds met me zou gebeuren, dat een ommekeer in mijn leven zou brengen- Het was op een maandag, mijn geluksdag; we hadden een goede vangst. Toen we aan wal kwamen vulde ik de handkar met vis en ging de weg op. Ik blies op de schelphoorn en de bewoners kwamen dan langs de weg staan om de vis te kopen.

Voordat ik op Bonsé aankwam had ik op enkele kleine kubies na, alle vis verkocht. Ik had de handkar in de schaduw langs de weg gezet om even uit te rusten toen ik haar zag, nadat ik maanden had gewacht op een gelegenheid om haar alleen te ontmoeten. Ik zei al, ik heb heel wat vrouwen in mijn leven gezien..., maar zo

[p. 10]

een als Meli, zoals ze daar stond met de korf op haar hoofd en haar hand in haar zij ... Ik wilde zoveel tegelijk zeggen, maar ik kreeg geen woord over mijn lippen.’ Gai verontschuldigde zich en liep gevolgd door enkele van de mannen, naar buiten. Langs de kant van de weg gingen ze staan wateren. Mani die door het geschuifel was wakker geworden keek verward om zich heen, zag zijn mok op de toonbank staan. Hij mompelde iets tegen Ma Sis, nam een grote slok en viel met zijn hoofd op de toonbank onmiddellijk weer in slaap.

Niemand sprak toen ze weer binnen waren. Gai ging op de toonbank zitten en schoof de lege fles naar Ma Sis toe. Deze vroeg of hij met het verhaal wilde wachten totdat ze met een volle fles terug was. Gai begon toen Ma Sis terug was: ‘Ze keek me met haar grote bruine ogen aan en er verscheen een spotttende glimlach om haar lippen.

Moet je vis Meli, vroeg ik, ze antwoordde niet, maar kwam dichterbij en keek in de kar. Is dat alles wat je nog over hebt?

Ja, zei ik, ik heb bijna alles onderweg verkocht Waarom kom je ook niet bij ons verkopen, Gai?, vroeg ze.

Dat zal ik de volgende week zeker doen, ik dacht dat jullie geen...

Ze onderbrak me en zei verwijtend: Dus alleen

[p. 11]

de andere mensen zijn goed genoeg om jouw vis te kopen.

Ik kon het bijna niet geloven. De vrouw die ik maanden lang geprobeerd had te ontmoeten, stond nu naast me en ik vertelde haar dat ik maanden lang gehoopt had, haar eens alleen te ontmoeten. Ik vroeg haar mijn vrouw te worden. Ik was te verbaasd om wat te kunnen zeggen, toen ze zei, dat ze dat graag wilde. We spraken af dat ik haar een dag na mijn komst op de plantage, dus op dinsdag, bij het krieken van de dag, op Podroedan zou ontmoeten. Dan ging ze wilde postelein plukken, waarmee voer voor de varkens werd bereid. We zouden dan rustig kunnen praten. Toen we afscheid van elkaar hadden genomen bleef ik haar nakijken totdat ze om de bocht verdween.’

Gai bekeek de mannen stuk voor stuk, hij kon aan hun gezichten zien dat ze onder de indruk waren gekomen van hetgeen hij tot nog toe had verteld. Hij beet een stuk droge vis af, vulde zijn mok, nam een slok, zuchtte diep en wierp een blik op Ma Sis.

‘Vanaf dat moment was ik een heel ander mens geworden. Die nacht heb ik geen oog dichtgedaan. Ik lag alsmaar te denken dat ik eindelijk een eigen thuis zou hebben. Ik zou het vissen opgeven, een stukje land op de plantage zoeken en aan de landbouw doen. Met een vrouw als

[p. 12]

Meli naast me, zag ik mij volkomen gelukkig.

We vertrokken pas laat in de middag van de volgende dag. Tegen het vallen van de avond bereikten we de zeemonding. Ik zal die zeewind die me uit de slaap hield nooit vergeten. Ik lag in mijn hangmat en dacht aan Meli. Ik had er alles voor over om de warmte van de dag met haar te mogen delen. Een week die eindeloos leek, was eindelijk ten einde.

Ik had me voorgenomen om in korte tijd genoeg te verdienen, zodat ik in staat zou zijn om, wanneer ik met vissen ophield, genoeg voor Meli en mezelf over te houden om de eerste tijd door te komen. Ik was weer op de plantage waar ik de volgende dag de vrouw van mijn leven zou ontmoeten. Alles leek zo onwerkelijk alsof ik had gedroomd. Bij het krieken van de volgende dag, haastte ik me naar Podroedan waar we hadden afgesproken. Naarmate ik Podroedan naderde begon ik sneller te lopen. Ik kon bijna niet wachten om haar nog eens te zien, haar in mijn armen sluiten en zeggen hoeveel ik haar had gemist, hoe vurig ik naar haar had verlangd. De snerpende kreet die in het schemerdonker opklonk deed me verstijven. Ik zette het op een lopen en bereikte moeizaam door het adrogras heen werkend de dam waar ze op mij zou wachten...’

Gai bekeek de blaka'tei, die hij al pratende

[p. 13]

had gerold, alsof het de eerste keer was, dat hij een sigaret zag. Hij stak hem met kalme bewegingen op, inhaleerde diep en blies de rook uit zijn neus.

‘Het was awaratijd, in de vroege ochtend. Bij het krieken van de dag, gingen aguties onder dé awarabomen op zoek naar gevallen vruchten. Die ochtend lag een tijger onder een awaraboom te loeren op aguties. Meli had hem daarin gestoord en was het slachtoffer geworden. Ik zal die aanblik nooit meer kunnen vergeten.’ Met een gebaar ontrukte hij zich aan de plotselinge herinnering, zijn ogen die somber geworden waren, werden weer helder met een blij licht.

‘Een week na de begrafenis, verliet ik de plantage. Na eindeloze omzwervingen kwam ik hier, waar ik eindelijk hoop een eigen huis thuis te zullen vinden. Dan geef ik het vissen op, zoek op deze plantages een stuk grond en begin aan de landbouw’, besloot Gai met een diepe zucht zijn verhaal.

Hij dronk zijn mok leeg, beet een stuk uit een droge vis en groette. Hij verliet de winkel en verdween in de inktzwarte nacht. De mannen hadden moeite om Mani weg te krijgen, hij had weer eens teveel gedronken. Ma Sis, een vrouw die na de dood van haar man nu enige jaren geleden de winkel beheerde, sloot de vensters en ruimde de toonbank af. In het achterkamertje draaide ze

[p. 14]

het licht van de olielamp lager en haalde de grendel van de deur. Ze verwachtte elk moment de sluipende voetstappen van Gai achter het huis te horen. Ze dacht aan zijn verhaal en glimlachte, ze zou hem straks vragen of het echt was gebeurd. Het oude bed kraakte onder haar gewicht.

prepost  begin  verder