In één van de dwarsstraten die de Gemenelandsweg met de Pontewerfstraat verbinden, lag een hond. Een bruin beest, dat later zou blijken het huisdier van de straat te zijn. In deze straat woonde hij, toen, pas drie weken oud, zijn eigenaar hem aan de gemeenschap, de wijk en de straat had cadeau gemaakt. Zomaar bij het verhuizen achtergelaten als een leeg sardineblik, misschien nog met de gedachte dat iemand zich over het beestje zou ontfermen.
Het noodlot bracht echter niemand op deze goede gedachte en zo groeide de hond naamloos
op temidden van het stof van de straat. Zelfs de hondenkar had zich om zijn bestaan niet bekommerd, al liep hij dag in dag uit penningloos rond, snuffelend in vuilnisbakken of aan het einde van een erfriool, waarin visafval, sponzig brood en andere etensresten werden aangespoeld. Daar lag hij dan die zondagmiddag om tien over zes, toen Charli's tante van een dayfair huiswaarts keerde.
Charli was een jongen van negen jaar, een bruin en mager kereltje met een naam en een tante. We zeggen dit zo, omdat velen in de straat Charli vergelijken met de hond die het huisdier van de wijk en de straat geworden is. Immers, even zo vaak als de hond op straat was, even zo vaak was Charli in de straat. Alleen was er weer een verschil als de avond gevallen was, want dan sliep de hond onder ieder willekeurig huis, terwijl Charli op zolder lag te slapen van het één-voor-het-laatste huisje met de letter d, vér achterop het erf.
Daar nu de straat zo'n goede kennis had aan Charli, werd zijn tante niet anders genoemd dan naar hem, Charli's tante. Een mooie naam, goed klinkend voor een vrouw die in haar woonwijk geen vrienden of vriendinnen had en die al haar onhebbelijkheden verbergt onder een knap gezicht en andere uiterlijkheden, die de vrouw extern sieren. Toch was ze het niet waard haar straatnaam aan die van Charli te verbinden, daar zij de jongen - evenals de vroegere baas van het
hondje - aan straat en verwaarlozing had prijsgegeven.......
Waarom het dier die zondagmiddag zo vals moest doen tegen een medebewoonster van de straat, zal niemand met zekerheid kunnen verklaren. Maar het volgende gebeurde.
Toen Charli's tante voorbij liep, zag ze het beest liggen in één van de vele kuilen in het zand. En zij dacht: Laat mij geen slapende honden wakker maken. Daarom liep ze in een boog het dier voorbij. Misschien dat dit haar noodlot geworden is, want de hond die helemaal niet sliep, had vals en gluiperig de omzichtigheid en de vrees van Charli's tante voor zichzelf verwerkt. En nauwelijks was ze twee stappen doorgelopen, of daar sprong het dier op en beet geducht in de vlezige kuit van de beschermvrouwe van Charli. Het bloed spoot eruit......
Charli's tante, die nog niet wist dat voor een uur terug Charli door een bromfiets was aangereden en met gapende wonden naar 's Lands Hospitaal was vervoerd, gilde van pijn, terwijl de hond likkend vluchtte. Likkend rond zijn snuit omdat hij de smaak van mensenbloed herkende. Mensenbloed, dat hij voor een uur terug geproefd had, toen hij na de aanrijding van Charli op de plaats van het ongeval snuffelend had rondgelopen.
Een buurvrouw, die de aanrijding had meegemaakt en nu dit zag gebeuren zei, minder chris-
telijk, maar ad rem: ‘A dagu kisi en moi!’ En verder in het Surinaams: ‘Want ZIJ had het kind - zoals die straathond - aan de wijk, aan de straat en aan verwaarlozing prijs gegeven.’