terug  begin  verderprepost
[p. 161]

Frasa
De list

Hij zat voorovergebogen met zijn gezicht in zijn handen verborgen, in een hoek bij de letterkasten. In zijn oren dreunden onafgebroken de drukpersen. Hij zat ineengedoken, in een ongemakkelijke houding. Het was pas twee uur 's middags en hij had nog zo'n twee en een half uur verdomd werk. En de wijzers van de grote klok die boven de ijskast hing, schreden zo beroerd langzaam, bijna pesterig over de cijfers. Het was zonnig weer, waarbij het niet om uit te houden was in het bedrijf. De hitte was overal en veroorzaakte zo'n benauwdheid, dat men menigmaal naar de ijskast liep. Toch hadden de heren

[p. 162]

in de binderijafdeling het ietsje beter. Want daar kon je door de grote open shutters die op straat uitkeken toch nog een vergeten briesje opvangen dat het zweet uit de poriën verdreef. Terwijl die daar, zowel in de zetterij als aan de drukpersen, geen schijn van kans hadden. Ze stikten gewoonweg in hun zweet. Hun gesmoord vloeken was dan ook overal te horen en drong zelfs bij de directeur binnen. Menige keren glipten ze de binderij in om ook wat wind te veroveren. Ook de directeur, die anders zo onverstoorbaar was, verliet zijn plaats een poosje en zocht wat verkoeling op.

Kan niemand me dan vragen wat me scheelt?, mijmerde hij. Zien ze dan niet dat ik ziek ben? Verdorie: Op wát wachten ze? Ze moesten mij allang opgemerkt hebben. Of hebben ze mij gezien, maar kan het hun niets schelen? Is er dan geen hoop meer om eerder naar huis te gaan? Het móet! Hij hoorde schuifelende voetstappen die hem telkens bedachtzaam voorbijliepen en waaraan hij zich mateloos ergerde. Kasten klapten dicht, laden werden opengeschoven, letters werden uitgezocht en bijeengebracht. Arbeiders, collega's liepen hem onoplettend, bijna argeloos voorbij. Opzettelijk? Ach, hij kende ze stuk voor stuk. Hypocrieten waren het van de laagste soort. Hij had een gruwelijke hekel aan hypocrieten. Ergens hoorde hij fluisterende stemmen. Gaat het over mij? Hebben ze me nú op-

[p. 163]

gemerkt? Hebben ze iets in de gaten?, vroeg hij zich hoopvol af. Inderdaad, zonder dat hij het zag had de directeur een onderhoud met de bedrijfsleider.

‘Wat scheelt meneer Vanellie, Hans?’, vroeg hij hem. De onderbaas wierp een onderzoekende blik op de roerloze gestalte rechts van hem en antwoordde aarzelend: ‘Ik weet 't niet, meneer David, hij heeft me niets gezegd. Misschien is hij ziek...’

‘Dat geloof ik niet. Vraag wat er aan de hand is. Maar denk erom: we kunnen niemand missen, dus ook hèm niet, begrepen?’ De bedrijfsleider knikte stom, en trad op de voorovergebogen figuur toe. Hij raakte hem licht bij de schouder aan en sprak met stemverheffing: ‘Is er iets, meneer Vanellie? Voelt U zich soms ziek of zo...?’ De ander hief zijn gezicht langzaam, met moeite op en trok grimassen.

‘Ik voel me miserabel. Ik weet echt niet hoe het komt.’

‘Wat heeft U?’

‘Ik.. ik weet 't niet. Maar mijn buik doet pijn.’ Hij liet zijn gezicht terugvallen in zijn met inkt besmeurde handen en kreunde zacht. De bedrijfsleider keek hem een tijdje peinzend aan en haalde toen hulpeloos de schouders op.

‘We kunnen U niet missen, meneer Vanellie. U ziet 't zelf: we hebben het razend druk.’ Rot op met je razende drukte, jij, dacht Vanellie woe-

[p. 164]

dend.

‘Ik voel me niet goed. Ik heb pijn. Kan ik het helpen?’, steunde hij.

‘Wel, vertel dat maar aan de baas. Ik kan U niet zomaar wegsturen. Ik heb mijn orders en die volg ik strikt op.’ Hoor hem daar, die likker, hij heeft orders. Ze moesten hem ophangen, die hypocriet! Vanellie antwoordde niet, maar stond krimpend van pijn op en wankelde naar het kantoortje van de directeur. Deze zat in zijn krant te lezen en veegde zo af en toe zijn gezicht af met een grote zijden zakdoek. Hij merkte Vanellie pas op, toen deze vermoeid begon te spreken.

‘Meneer David, kan ik U even spreken?’ De directeur liet verrast de krant zakken en staarde verschrikt naar het bleke gelaat van zijn ondergeschikte. Nog voor Vanellie verder kon spreken, viel hij hem streng in de rede: ‘Ik kan U echt niet missen, meneer Vanellie. U ziet de drukte die we op dit ogenblik hebben toch zelf?’ ‘Ja meneer, maar....’

‘Geen maren; als ik U laat gaan, krijgt meneer Shanon dubbelwerk. Dat kan ik heus niet riskeren. Het werk komt dan beslist niet op tijd klaar. Kunt U me volgen?’

‘Maar ik kan heus niet werken, meneer David. Ik krijg hevige buikkrampen.’

‘Probeer toch. Misschien was Uw voeding van twaalf uur niet goed.’ Vanellie lachte een gefor-

[p. 165]

ceerde lach.

‘Nee, nee, dat is 't niet. Bovendien krijg ik braakneigingen.’

‘Ziet U wel? Het is Uw voeding van daarstraks. U zult zelf zien dat het ophoudt.’

‘Nee meneer ik...’

‘Probéér, probéér! Als het toch niet lukt, tref ik wel maatregelen.’ Jo magere lat jij, vervloekte hebzuchtige rat, dacht Vanellie vol walging. Zonder er nog iets aan toe te voegen, verliet hij de kamer.

‘Verrek jij, lelijke os’, gromde hij binnensmonds. ‘Net of hij geen ogen en geen mensenhart heeft, die vervloekte uitbuiter. In plaats van een hart heeft hij een klomp ijzer, die duivel.’ Koppig nam hij zijn oude plaats weer in en wierp zijn gezicht opnieuw in zijn handen.

Tegen kwart voor drie stond de directeur op van zijn plaats, slofte naar de ijskast en bemerkte de ongeschikte Vanellie, die nog steeds gebogen zat op een bank bij de letterkasten. Een poos staarde hij kwaad en vol misnoegen naar de roerloze figuur. Toen schudde hij zijn hoofd, opende de ijskast en haalde een fles soft tevoorschijn. Nadat hij zich weer als een lompe zak op zijn zitplaats had laten vallen, riep hij bedrijfsleider Hans opnieuw naar zich toe.

‘Is er iets?’, vroeg deze onderdanig.

‘Stuur meneer Vanellie naar huis. Ik wil later niet horen dat het mijn schuld was dat hij dood

[p. 166]

neerviel. Laat ‘m maar gaan, die luie kwast. En.. o ja, nog dit...’ De bedrijfsleider die al aanstalten maakte weg te gaan, bleef met een ruk staan en vroeg: ‘Wat?’

‘Voor later neem jij de leiding geheel op je. Ik ga straks weg.’

‘In orde, meneer David.’ De directeur verdiepte zich weer in zijn bezigheden, terwijl de bedrijfsleider Vanellie toestemming gaf naar huis te gaan. Vijf minuten later repte deze zich met grote stappen de werkplaats uit, en niets wees erop, dat deze man nog zo'n enorme buikpijn had. ‘Ai, mi kis’ den. Nu kan ik toch naar dat feest van Bas Kola gaan. Wat een bof! Een ding vraag ik me nog steeds af: Waarom moet die kerel dat feest persé zo vroeg laten beginnen? Kon het niet 's avonds? Dan was ik mooi op tijd. Na half vijf snel naar huis, baden, bus pakken en hup... wegwezen. Ja, het zou veel gemakkelijker zijn geweest. Dan hoefde ik geen toneel te spelen. Ach, het is eenmaal gebeurd en er valt niets meer aan te veranderen.’ Terwijl hij zich zo voorthaastte, maakte hij al plannen hoeveel dyogo's hij zou verslinden, hoeveel porties hij zou verorberen en hoeveel vrouwelijke schoonheid hij zou schuren op de dansvloer op de tonen van een hot kasekostuk. Jeetje, het beloofde fantastisch te worden vanmiddag. Bij die gedachte werd hij al bijna wild.

‘Hendrik! Hendrik!’, hoorde hij opeens iemand

[p. 167]

zijn naam roepen. Hij keek verschrikt op, naar waar het geluid vandaan kwam. In de deuropening van winkel Honsa - die was niet ver verwijderd van Vanellies werkplaats - stond een lange, broodmagere, bebaarde man met een glas in zijn rechterhand driftig naar hem te zwaaien.

‘Hendrik, Hendrik, kom man!’, galmde hij zijn lawaaiige stem. Daar hebben we de grootste zuiplap en rokkenjager van Paramaribo, dacht Vanellie sarcastisch. Hij toverde een verwrongen lachje en zwaaide met een arm.

‘Ik heb haast Leo, ik...’, schreeuwde hij. ‘Nonsens! Kom even een glaasje met gore oom Leo pakken!’, kaatste deze terug. Hij pakte een halfvolle bierfles van de toonbank en hield die uitdagend in de hoogte, net of hij Vanellie daarmee wilde lokken.

‘Kom man, we maken er een feest van’, lachte oom Leo. Vanellie zuchtte, maar de fles had zijn werk al gedaan. Snel liep hij naar de onverzorgde man toe en schudde hem hartelijk de benige hand.

‘Hoe gaat 't Leo? Weer op de zuiptoer?’

‘Nou niet lullen kerel, anders smijt ik je er zo weer uit. Omoe dyim' wan grasi.’

‘Hé, hé, eentje maar, ik heb vandaag enorme haast. Ik heb een afspraak die ik spoedig moet nakomen.’

‘Ik zei: lul niet! Jij gaat nog nergens heen! Eerst een glaasje met oom Leo drinken. En daarna

[p. 168]

moppen tappen over die wijven destijds, weet je nog?’

‘Dat gaat niet vandaag, ik zei je al dat...’

‘Hier!’ Leo reikte hem een vol glas schuimend bier aan en lachte dreunend.

‘Ik weet dat jij een dipsomanie hebt. Dus drink, hahahaha. Bovendien is het weer drukkend.’

‘Verdomme’, zei Vanellie slechts, terwijl hij het koele bier gretig opdronk. Het bier smaakte voortreffelijk en vroeg naar meer. Met dit weer kon hij drinken als een dorstige os. Voordat het lege glas op de kist die als tafel dienst deed, was neergekomen, had Leo het weer vol geschonken. Het schuim sloeg over de rand en bemorste de kist. Nogmaals bracht Vanellie het glas naar zijn lippen en dronk met gulzige teugen.

‘Dat doet me verdomd goed’, hijgde hij met uitpuilende ogen.

‘Ik zei je, ik zei je: oom Leo is nog lang de kwaaiste niet, wat ik je brom.’

‘By the way, wat doe jij alleen hier, op dit tijdstip? De dokter had je toch verboden te drinken?’, vroeg Vanellie ineens achterdochtig.

‘Is dat belangrijk?’

‘Natuurlijk. Morgen wil ik niet horen, dat ik jou hier naartoe gesleept heb. Dat kost me mijn baantje.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Luku fa y'e teer uit. Dadelijk y'o fadon dede.’

‘Wens je dat smeerlap?’, bromde oom Leo gepi-

[p. 169]

keerd.

‘Natuurlijk niet! Maar zeg eens: wat heeft de dokter gezegd?’

‘Ach, flauwekul. Hij zei dat ik een jaar lang niet mag drinken. Mijn bloed is gestegen en mijn maag is niet best.’

‘Zie je wel, oom Leo. Mag ik je een raad geven?’

‘Nee, hou die maar voor jezelf.’

‘Koppig hè?’

‘Ja.’.

‘Je zal nog in je doodkist belanden.’

‘Doe niet zo kribbig Hendrik. Want jij bent een nog grotere... - Jij moest er nú mee ophouden! Nu heb je de kans nog, je bent jong.’

‘Ik? Nú? Hahahahaha. Wat ben je koddig, oom Leo. Zie ik er jong uit? Bedankt voor het compliment. Je maakt me geestdriftig op mijn 44ste jaar. Trouwens, je mag me geen verwijten maken, want jij riep me hier naartoe.’

‘Dat klopt. Omdat ik alleen ben! Ik kan best gezelschap op prijs stellen. Ik ben toch zo eenzaam...’

‘Eenzaam? Hoe bedoel je man? Je maakt me nieuwsgierig’, zei Vanellie, terwijl hij een slok nam.

‘Ach, laat maar. Dat is ook niet belangrijk.’

‘Oké, vertel me dan waarom je alleen hier zit.’

‘Dat is me een domme vraag. Heb je ogen in je kop?’

‘Wat?’

[p. 170]

‘Ik vroeg of je ogen in je kop hebt.’

‘Dat is toch geen vraag!’

‘Precies. Zo leek jouw vraag mij ook. Goed, als je eventjes naar de overkant kijkt, zie je waarom ik hier zit.’ Vanellies blik flitste even naar de plek die oom Leo doelde, en zag enkele vette, onaantrekkelijke tantes die stonden te kibbelen.

‘Is dat het?’, vroeg hij ongelovig.

‘Kijk die dijen eens, kerel. Kijk nou naar die zwarte dijen.’

‘Is dat nou iets om naar te kijken?’

‘Alweer een onlogische vraag. Jongen, heb jij dan geen ogen? Geen gevoel? Kerel, als ik een van die meiden kreeg, kneep ik net zo lang in die dijen, totdat ik een orgasme kreeg. Wat jij...?’

Vanellie lachte daverend. Hij kende Leo's vieze moppen al zo'n beetje, maar nu maakte hij het wel erg gortig. Die gore Leo kon de ganse dag met bloedgeile ogen naar zwarte vrouwendijen kijken. Net een driftige bok die er verlangend naar uitziet, wanneer hij het wijfje kan bespringen. Vuiligheid! Hij kreeg er nooit genoeg van, die Leo. Ze moesten hem een vrouwendij om de hals doen. Dan had hij de hele dag volop bekijks. Vuiligheid!

‘Nou, hoe vind je hen? Zijn ze niet prachtig? Gewoon fantastisch!’

‘Rotzooi, een hoerenkast’, zei Vanellie luchtig.

 

‘Wat? Wat zeg je?’, brulde oom Leo woedend,

[p. 171]

omdat zijn vrouwelijke schoonheid op een pijnlijke wijze beledigd was.

‘Wind je niet op, Leo. Je weet toch wat de dokter je heeft gezegd?’

‘Je hebt gelijk. Ik krijg een hartaanval’, gromde oom Leo kalmerend, terwijl hij zich laafde met een nieuwe fles bier. Ook Vanellies glas werd opnieuw gevuld.

‘Zeg, werk je vandaag niet?’, vroeg oom Leo plotseling.

‘Ik.. ik heb vrijgenomen. Ik moet een afspraak nakomen, dat zei ik je zoëven toch?’

‘O ja, ja.’

‘Wel, dan ga ik nu. A lati k'ba’, zei Vanellie, terwijl hij opstond van een kist.

‘Wacht, wacht even man. Ik smeer 'm ook gelijk. Maar laat me je dan desnoods het geval van gisteren vertellen.’

‘Wat voor geval? Ik begrijp je niet.’ Vanellie liet zich zuchtend zakken op de kist.

‘Luister, doe niet debiel.’ Nogmaals nam Leo een slok van zijn gekoelde bier, trok een vies gezicht en vervolgde: ‘Gisteren kreeg ik een geval van bijna 100 kg voor m'n deur.’

‘Wat? Hahaha, ai opa Leo, i versier wan baka?’

‘Smoel dicht en luisteren! Verdomd!’, beet Leo hem toe. Vanellie grinnikte geamuseerd.

‘Ze was vet en stonk aldoor naar zweet. Enfin, zover je me kent, ben ik niet op mijn mondje gevallen. Gelukkig was mijn concubine niet thuis.

[p. 172]

Ik liet haar dus stiekem binnen en verheugde me op het ogenblik in bed. Wel mi boi, als je die dijen zag. Zwaar geval! Zwaar geval, zeg ik je. En als ik op haar lig... verdomd, wie komt daar net nou aan? Mijn concubine. Ik kon wel huilen. Vooral waar ik op het punt stond... nou ja, je begrijpt me wel hè? In elk geval nam dat wijf van me een dikke bout, maar alvorens ze me ermee kon timmeren, was ik al het huis uit. Nu hebben we heftige ruzie. Ik kan niet naar huis en troost me met de drank...’

‘Hahahahaha... arme, zotte oom Leo. Ik zou je wel willen hel...’ Vanellies adem stokte. Hij verstarde eensklaps. Zijn ogen puilden uit zijn kassen en een ogenblik meende hij dat zijn hart het zou begeven. Hij hapte vertwijfeld naar adem. De directeur stond pal voor hem en keek hem laaiend aan. Plotseling zag Vanellie het bier als urine. Hij begon te beven; bijna viel hij omver. Oom Leo, nu echt laveloos, lette niet op de nieuw binnengekomene, maar ging ongestoord verder met vertellen. Vanellie hoorde hem niet eens meer.

‘Zo, daar zit je, hè? En je buikkramp is al verdwenen hè’, sprak de directeur vlijmend. ‘Morgenvroeg aanmelden bij MIJ!’ En zonder hem nog een blik waardig te keuren, verliet directeur David de winkel. Vanellie zat als vastgelijmd op de kist. Zijn hersenen weigerden te geloven wat hij zoëven had gezien. Alles, alles raakte nu bij

[p. 173]

hem in verval. Met loodzware stappen verliet hij de winkel. Oom Leo zat nog steeds te vertellen. Aan niemand in het bijzonder. Af en toe lachte hij.

prepostterug  begin  verder