De behoefte aan proza van eigen bodem is beslist groot in Suriname. De produktie ervan is echter altijd sterk achtergebleven bij die van poëzie, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht: schrijvers van goed proza verdwenen naar Nederlandse uitgevershuizen en het in Suriname geproduceerde werk kon het in de verste verte niet halen bij het niveau waarop ShrinivÄsi, Slory en Bhai hun poëzie schreven. Des te verheugender was het om bij de toekenning van de Literatuurprijs 1983-1985 te kunnen constateren dat de prozaschrijvers bij de eindselectie van kandidaten de overhand hadden; Marlee, Rappa en Sapotille zijn ook hier vertegenwoordigd.
Prozaverzamelingen zijn dun gezaaid in de Surinaamse literatuur. In 1972 verschenen twee bloemlezingen. Kri, kra! Proza van Suriname , samengesteld door Thea Doelwijt en uitgebracht door het Bureau Volkslectuur, bundelde vijftien fragmenten uit recent (reeds verschenen) werk. I sa man tra tamara!? , uitgebracht door De Bezige Bij in Amsterdam, bracht acht nieuwe verhalen, ingezonden voor de Van der Rijnprijs. In 1981 verschenen drie verhalen in het boekje Een pantserwagen in de straten als uitgave van het Ministerie van Cultuur, Jeugd en Sport. Het is dus niet teveel gezegd wanneer we stellen dat het wel weer eens tijd werd voor een nieuwe bloemlezing.
Deze bundel is het resultaat van een steeds strengere selectie. Alle verhalen in deze collectie zijn produkten van Surinaamse bodem en geen van hen werd eerder gepubliceerd. Hoewel enkele van wat oudere datum zijn, werd aan alle verhalen in de afgelopen tijd de laatste hand gelegd. We kunnen dus met recht spreken over het jongste proza van Suriname.
Opvallend daarbij is de verhouding tussen de gehanteerde talen. Als prozataal is het Sranan tongo nooit helemaal uit de startblokken gekomen - in ieder geval altijd in de schaduw van het Nederlands gebleven - en dat zal wel zo blijven zolang spellings- en onderwijsperikelen de horizon blijven verduisteren. Des te opmerkelijker
is het wat Ané Doorson en Eddy Pinas hier in het Sranan presteren. Het ter beoordeeling voorgelegde proza in het Sarnami viel bij de selectie uit de boot. Hoe jammer ik dit ook vond, het kon niet aan de criteria voldoen, een feit dat genoeg zegt over de lange weg die het Sarnami als literaire taal nog wacht.
Het samenstellen van deze bundel is een enerverende confrontatie geworden tussen de bedoeling van schrijvers en de inlevende visie van één lezer die dienstbaar wilde zijn èn aan de eigenheid van de schrijver, èn aan de lezer die een boeiend verhaal verwacht. Basisvoorwaarde is altijd, ongeacht de taal of taalvariant die men kiest, dat er aan de taal niets mankeert. Voor fouten in spelling en grammatica bestaat nooit een excuus; er is dan ook hard gewerkt om die in deze bundel te vermijden. Vervolgens moest elk verhaal als stilistisch geheel overtuigen: geen verzwakkingen of verstoringen die niet door de inhoud gemotiveerd worden. Dat mag dan resulteren in de gedragen stijl die zo mooi aansluit bij de vertelling; van Albert Mungroo, in het understatement dat het proza van Ané Doorson en Paul Bandel draagt, of in het aarzelende dat het karakter van Julia in Leonore de Vries' novelle doet uitkomen. Bij sommigen is de stijl zelfs de dragende kracht van het verhaal; dat geldt bijvoorbeeld voor de korte, anekdotische vertelling van Coen Ooft. Wat dan rest om dat vage begrip
‘kwaliteit’ te bereiken, is zo veelvormig als elke literatuur veelvormig is. Het kan in de belangwekkendheid van een gegeven liggen, zoals in de novelle van Leonore de Vries waar een vrouw voor het probleem geplaatst wordt: maken de omstandigheden het doden van een mens aanvaardbaar? Bij andere verhalen ligt het in de vorm, zoals in het verhaal-in-het-verhaal van Ruud Mungroo en Albert Mungroo, waarin de wetten van het orale vertellen de opbouw van de vertelling bepaald hebben. Of in het fijnzinnige verhaal van Orlando Emanuels dat als een klassiek muziekstuk zo afgewogen is opgebouwd. Het is jammer dat een schrijver van zijn kwaliteit zo weinig van zich heeft laten horen. Het ene verhaal stelt meer eisen aan de lezer dan het andere. We miskennen het wezen van Paul Marlees verhaal als we achter het erotische gebeuren niet de bewogenheid van de hoofdfiguur zien. Bij Rappa en Mani Sapotille lopen realisme en surrealisme in elkaar over; bij Rappa rond de maatschappelijke problematiek van de onvruchtbaarheid van een man, bij Sapotille rond de verbeeldingskracht van de hoofdpersoon Herman, een verbeeldingskracht die zo groot is dat hij volledig geïsoleerd wordt. Dan zijn er de vertellers-pur-sang: Ané Doorson, Frasa en Ruud Mungroo, drie schrijvers die met het (schijnbaar) grootste gemak de lezer de suggestie geven dat hij zelf bij de gebeurtenissen aanwezig is. De
eigen stijl waarin Eddy Pinas zijn vertelling heeft gegoten, maakt duidelijk dat ook hij één van degenen is van wie we ten onrechte weinig horen.
Pinas is een van degenen uit deze bundel die bewijzen dat er geen concurrentie in de literatuur bestaat. Immers: het literaire werk is evengoed een kunstwerk als een standbeeld of een schilderij, want het is even uniek. Wie een uniek werk maakt, een oorspronkelijk werk, kan het zich permitteren zijn werk ter discussie te stellen. Hij heeft niets te vrezen, want hij weet dat het oordeel van anderen zijn werk alleen maar beter kan maken. Het was een rijke ervaring in deze zin met de auteurs te discussiëren en hun schrijverschap in hun creativiteit bevestigd te zien.
Dat betekent intussen nog niet dat we er zijn met deze verzameling. In elk land met een literatuur-in-ontwikkeling is de balans tussen traditie en progressie per definitie precair. De schrijver is beperkt in zijn mogelijkheden, wil hij zijn lezerspubliek niet voorbijschieten. Het is de taak van de schijver om de traditie van zijn volk te kennen, maar meer nog is het zijn taak die traditie met iets nieuws te verrijken. Slechts die schrijvers zijn kunstenaars die de lezers meevoeren naar niet geziene werelden. De schrijver moet de lezer altijd één stap voor zijn, daarin is de oorspronkelijkheid en de verrassing van zijn werk gelegen.
In dit verband wil ik kort wijzen op twee verschijnselen: het vormexperiment, indertijd zo nadrukkelijk aanwezig in I sa man tra tamara!?, ontbreekt praktisch geheel in deze collectie (alleen Dorothee Wong Loi Sing experimenteert duidelijk met de vorm), en de actualiteit, drijvende kracht achter Een pantserwagen in de straten, voedt momenteel blijkbaar niet de schrijfdrang. Voor beide verschijnselen zijn verklaringen te geven en ik wil niet beweren dat vormexperiment of actualiteit-van-onderwerp noodzakelijk zijn in elk verhaal of per definitie een goed verhaal opleveren. Maar deze vaststellingen kunnen de schrijvers wel meenemen in hun bezinning op de weg die het Surinaamse proza heeft te gaan om de balans van traditie en progressie in evenwicht te houden.
Rest mij de personen te danken zonder wie deze bundel nooit geworden was, wat hij nu is. Allereerst wil ik alle schrijvers bedanken voor het vertrouwen dat ze in mij gesteld hebben. Vervolgens bedank ik Michel Berchem die de Sranan tongo-teksten zorgvuldig heeft nagezien op de schrijfwijze volgens de nieuwe, officiële spelling. Bijzonder veel werk is er verzet door Gina Koornaar die alle verhalen heeft uitgetikt. Er is getracht om alle verhalen consequent typografisch te verzorgen volgens gangbare opvattingen: alinea-indeling, dialogen op nieuwe regels, zorgvuldige volgorde van leestekens. Zonder
Gina was dat nooit gelukt en ik dank haar daarvoor bijzonder hartelijk.
De samensteller