terug  begin  verderprepost
[p. 43]

(Warau)
De sage van Haboeri

Heel, heel lang geleden leefden er in een warau kamp twee zussen die veel van elkaar hielden, maar die geen van beiden een man hadden. De zorg voor hun dagelijks voedsel drukte zwaar op hen. Eens op een dag gingen zij er op uit om een Itapalm te vellen, waaruit zij meel wilden bereiden. Het was al laat geworden toen zij de boom eindelijk tegen de grond hadden gekregen, en ze togen vermoeid naar hun hut terug. De volgende dag, toen zij weer naar hun werk terugkeerden, vonden zij het meel al kant en klaar. Hoe dat gebeurd was, konden zij maar niet ontdekken. De daarop volgende dag: precies hetzelfde, het meel lag weer klaar. Omdat ze er het fijne van wilden weten, besloten zij de nacht bij de boom door te brengen en goed op te letten. Toen het middernacht was, konden zij hun ogen niet geloven, toen zij zagen, dat een blad van een dichtbijstaande Palissadepalm zich voorover boog, totdat het de insnijding, die zij in de op de grond liggende Itastam hadden gemaakt, raakte. Nauwelijks hadden de vrouwen de aanraking gezien, of zij stoven naar voren, grepen het zo geheimzinnig doende blad beet en smeekten het vurig, zich in een man te willen veranderen. Eerst weigerde het, maar toen ze aandrongen, kregen ze hun zin. De man die zij vóór zich zagen, zei dat hij Mayara-Koto heette. De oudste zus, die hij tot zich nam, was overgelukkig, want enige tijd daarna schonk zij hem een prachtige jongen: Haboeri.

De beide vrouwen die gewoon waren in de nabijheid van twee zwampen te jagen, vonden in de ene, die hun eigendom was, altijd rijkelijk veel vis. De andere behoorde aan Tijger en daarom waarschuwden zij Mayara-Koto, niet in Tijgers zwamp te gaan vissen. De man luisterde echter niet. ‘In onze zwamp is te weinig vis’, zei hij, ‘in die van Tijger is er een overvloed aan vis. Ik ga zien, wat ik vang.’ Maar nauwelijks was hij begonnen, of Tijger kwam voorbij, greep hem en sloeg hem met één slag tegen de grond.

En wat deed Tijger? Hij vermomde zich als Mayara-Koto, en zo ging hij op weg. Het was al vrij laat en donker geworden, toen hij bij de hut van de beide vrouwen aankwam. Hij bracht niet alleen Mayara-Koto's waiyari [een inderhaast uit palmbladeren gevlochten mand] mee, maar ook de vis die Mayara-Koto van Tijger gestolen had. Zoals gebruikelijk is, zette hij, alvorens de hut binnen te gaan, de mand buiten de hut neer en na goeienavond gezegd te hebben, zei hij, dat hij wat vis had meegebracht. De vrouwen waren hoogst verbaasd de ruwe stem van Mayara-Koto te horen. ‘Ik ben erg vermoeid en zoek direct mijn hangmat op, maar geef me mijn lieve Haboeri, want ik wil hem koesteren.’ Hoewel de stem hun niet beviel, voldeden de vrouwen aan zijn wens. ‘Haal de vis naar binnen en maak 'm klaar. Ik ga nu slapen en stoor mij niet.’

Toen de vrouwen de vis bereid hadden en reeds begonnen waren te eten, was de man in zo'n diepe slaap gevallen en snurkte hij zo hard, dat men het zeker aan de andere rivieroever zou kunnen horen. Verbaasd keken de vrouwen elkaar

[p. 44]

aan, toen zij tussen het snurken door vaders naam, Mayara-Koto, hoorden roepen. ‘Onze man heeft vroeger nooit zo gesnurkt en nooit hebben we hem zijn eigen naam horen noemen’, zei de oudste. Zij begonnen steeds angstiger te worden en konden nauwelijks verder eten, want het was toch onmogelijk, dat het hun man was, die daar in de hangmat lag.

‘Wat moeten we met Haboeri doen, hoe moeten we hem uit de armen van die vreemde man bevrijden’, zeiden ze tegelijk. ‘Ik heb een idee’, riep de jongste, ‘we zullen vezels en bastrepen aan elkaar binden en deze onder Haboeri schuiven; daarna zullen we hem voorzichtig wegnemen.’ Zo gezegd, zo gedaan. Met Haboeri en met het hoognodige om vuur te kunnen maken, sloegen de vrouwen op de vlucht.

Toen ze een eind weg waren, hoorden zij Wau-oeta zingen - Wau-oeta was in die dagen een pyjaivrouw [indiaanse priesteres] - en met haar maraka [toverrammelaar, kalebas met pitjes] rammelen. Zij versnelden hun pas, want zij wisten dat zij in Wau-oeta's hut veilig zouden zijn.

Intussen was Tijger wakker geworden, en toen hij zag, dat in plaats van Haboeri, een bundel vezels en bast in zijn armen lag, en merkte dat de twee vrouwen gevlogen waren, werd hij zó woedend, dat hij uit de hangmat sprong, weer de tijgergedaante aannam en de achtervolging begon. Maar de vluchtelingen hadden inmiddels de hut van de pyjaivrouw bereikt.

‘Wau-oeta, doe de deur open’, riepen zij.

‘Wie is daar?’ antwoordde Wau-oeta.

‘Wij zijn het, de twee zussen’, riepen de achtervolgden. Maar Wau-oeta deed niet open. Toen kneep de moeder in Haboeri's oor, zodat het kind heel hard begon te schreeuwen.

‘Wat is dat voor een kind, een jongen of een meisje?’ vroeg Wau-oeta.

‘Het is mijn Haboeri, mijn jongen’, antwoordde zijn moeder, en onmiddellijk deed Wau-oeta open, terwijl ze verheugd uitriep: ‘Kom binnen, kom binnen!’

Nauwelijks waren de drie vluchtelingen in veiligheid, of Tijger kwam aanlopen en hij brulde: ‘Waar zijn die twee vrouwen, waar is de jongen?’ Maar Wau-oeta deed niet open en riep Tijger toe, dat zij ze geen van drieën had gezien.

‘Ik ruik, dat ze er zijn, dus zal ik hier buiten wachten’, antwoordde Tijger.

Dit verontrustte Wau-oeta zodanig, dat ze met bevende stem zei: ‘Steek je hoofd maar naar binnen, en wanneer je ze ziet, mag je ze alle drie opeten.’ Maar de deur was van binnen helemaal bedekt met doornen zodat die onnozele Tijger, toen hij zijn hoofd naar binnen stak, bleef haken en door Wau-oeta gedood werd.

De zussen begonnen verschrikkelijk te jammeren en om hun man te roepen, en toen ze maar niet wilden ophouden, verzocht Wau-oeta hun naar de kostgrond te gaan om wat cassave te halen. Dan zou ze een sterke drank kunnen bereiden. Toen de twee vrouwen wilden vertrekken en de kleine Haboeri wilden meenemen, belette Wau-oeta dit door te zeggen dat zij evengoed op het kind kon passen. Uiteindelijk stemden de zussen toe.

Tijdens hun afwezigheid had Wau-oeta - in de oude tijd konden de pyjai-

[p. 45]

mannen en pyjaivrouwen alles - het kind zo snel laten groeien, dat het zelfs op de yari-yari [bamboefluit] kon blazen en met pijl en boog wist om te gaan.

Toen moeder en tante met de geoogste cassavewortels terugkwamen en het fluitspel hoorden, zeiden ze tegen elkaar: ‘Er was toch geen man in de hut, toen we weggingen. Hoe kan dat? Er moet hier nu een man zijn.’ Enigszins verlegen betraden ze de hut, en toen ze daar een bijna volwassen jongeling zagen, die bezig was de yari-yari te bespelen, namen ze de korven van hun rug en vroegen Wau-oeta naar Haboeri.

‘Zodra jullie vertrokken waren, is hij de hut uitgelopen. Ik leefde in de veronderstelling dat hij in jullie gezelschap verkeerde’, antwoordde Wau-oeta, die er in geslaagd was, Haboeri zo groot te krijgen, dat hij spoedig haar geliefde zou kunnen zijn. ‘Laten we’, zo stelde ze de vrouwen voor, ‘hem in het bos gaan zoeken.’

Toen zij een eindje op weg waren, zei Wau-oeta dat ze nog even naar de hut terug moest en dat ze zich weer snel bij hen zou voegen. Van die korte tijd maakte Wau-oeta gebruik om Haboeri te vertellen, dat zij zijn moeder was en hem in te lichten over hoe hij zich tegenover haar moest gedragen.

Haboeri was in die tijd een goede schutter geworden; geen vogel ontsnapte aan zijn pijlen. Wau-oeta die daarmee zeer ingenomen was, gelastte Haboeri, in het vervolg alle grotere vogels die hij zou doden, aan haar te geven, en de kleinere, na ze vooraf ongenietbaar te hebben gemaakt, aan de beide zussen. Zij hoopte op deze manier te bereiken, dat de twee vrouwen er genoeg van zouden krijgen en tenslotte de hut zouden verlaten. Maar zij waren er niet toe te bewegen en gaven hun pogingen om Haboeri te vinden, niet op.

En zo ging het dagen achtereen door. Wau-oeta kreeg de grote vogels, de kleinere bleven voor moeder en tante, tot eens op een dag een pijl van Haboeri zijn doel miste en aan een over een kreek hangende tak bleef haken, op een plek waar zijn ooms, de waterhonden, gewoon waren voedsel te komen zoeken.

Het was een mooie plek in het bos en Haboeri nam het gemakkelijk op, na het achtergelaten vuil van de dieren met bladeren te hebben bedekt. Hij klom in de boom om zijn pijl er uit te halen, toen op hetzelfde moment de otters aan kwamen zwemmen. Nauwelijks aangekomen, snoven ze de lucht op en riepen tegelijk: ‘Wat ruik ik daar? Het is stellig onze neef Haboeri, die hier dichtbij moet zijn.’ Ze keken overal in het rond en ontdekten hem tenslotte op een tak. ‘Kom naar beneden’, riepen ze, ‘en kom hier op deze zandbank zitten.’

Haboeri voldeed aan het verzoek, en de otters legden hem uit, dat hij een slecht leven leidde, want dat de oude vrouw zijn moeder niet was, maar dat de beide jongere vrouwen zijn moeder en zijn tante waren, en dat het dus zeer slecht van hem was, de vogels te verdelen zoals hij deed; dat hij in het vervolg juist de kleinste aan de oude vrouw moest geven. Zij wezen hem erop, dat hij aan zijn echte moeder moest vertellen, dat hij tegenover haar verkeerd gehandeld had, door onwetendheid, en dat hij er spijt van had.

Toen Haboeri die dag thuiskwam, volgde hij de bevelen van de otters op, en zijn echte moeder ontving de grote vogels. Zij van haar kant voelde zich die

[p. 46]

dag vreemd en onzeker; het was moeilijk voor haar om de jongeman zomaar ineens als haar zoon aan te spreken. Maar toen deze haar uitlegde, dat Wau-oeta hem in zo korte tijd tot een man had gemaakt, geloofde zij hem en voelde zij zich helemaal opgebeurd. De oude Wau-oeta, die alles te horen kreeg, wond zich zo verschrikkelijk op, dat zij Haboeri bij zijn nek greep en hem in het gezicht blies. Zij was zo van streek, dat zij de hele dag niet kon eten. Dag en nacht viel zij Haboeri lastig en elk moment riep zij dat hij gek geworden was.

Haboeri, ten einde raad, vatte het plan op de hut te verlaten, en hij haalde zijn moeder over om zo spoedig mogelijk met hem en zijn tante te vluchten. Met dat doel voor ogen, maakte hij een kleine korjaal van bijenwas, en toen hij daarmee klaar was, liet hij hem aan de waterkant. Maar toen hij de andere dag terugkwam, had een zwarte eend het vaartuig weggenomen. Hij maakte een nieuwe korjaal, van klei nu, maar deze werd door een andere eend gestolen. Haboeri kapte toen een groot terrein open en hij deed dat zó snel, dat de vrouwen hem met het planten van cassave haast niet bij konden houden. Zo hadden zij volop cassave voor de voorgenomen reis.

Vaak, als de vrouwen aan het planten waren, sloop Haboeri weg om een korjaal te maken, telkens van een andere houtsoort en een andere vorm; maar geregeld kwam er een andere eendensoort om hem weg te nemen, tot hij er tenslotte een gemaakt had van het hout van de kankantri [grote katoenboom] en die werd niet gestolen.

Het was dus Haboeri die voor het eerst een boot maakte en die aan de eenden leerde om aan het oppervlak van het water te zwemmen, omdat ze dat met zijn boten klaarspeelden. En inderdaad, wij waraus zeggen, dat elke eendensoort een bepaalde boot heeft.

Maar nog vreemder was dat de laatst gemaakte boot, die niet gestolen werd, de volgende dag veel groter geworden was. Haboeri bracht deze heuglijke tijding onmiddellijk over aan zijn moeder en tante, en hij verzocht hun alle provisie die ze van het land konden halen, voor de lange reis in de boot te brengen. Zelf ging hij naar het veld, om er de cassavestekken te brengen, die de oude Wau-oeta in de klaargemaakte gaten moest poten. En zo gingen ze nog een tijd door met hard werken. Toen alles gereed was voor de reis, begaf Haboeri zich naar de hut, nam pijl en boog en stenen bijl, en keerde met zijn wapens en zijn gereedschap terug naar de waterkant. Maar eerst drukte hij de posten of hutpalen op het hart vooral niets te vertellen - want in vroeger dagen konden deze spreken, zodat een vreemde bezoeker bij afwezigheid van de eigenaar te weten kon komen waar hij was. Maar er was ook een papegaai in de hut, en Haboeri vergat hem in te lichten en het zwijgen op te leggen.

Zo kwam het dat, toen de oude Wau-oeta zich eenzaam en verlaten begon te voelen en merkte dat Haboeri verdwenen was, zij aan de posten vroeg waar hij gebleven was. Deze antwoordden niet, maar de papegaai kon het niet helpen dat hij begon te spreken en haar inlichtte. Onmiddellijk haastte Wau-oeta zich naar de aanlegplaats en zij kwam nog juist op tijd. Haboeri stond op het punt in de korjaal

[p. 47]

te stappen en met zijn moeder en tante af te varen. Zij greep de boot vast en jammerde: ‘Mijn zoon, mijn zoon, je mag me niet verlaten. Ik ben je moeder’ en niettegenstaande Haboeri met zijn pagaai haar vingers bijna stuk sloeg tegen het dolboord, wilde zij niet loslaten. De arme Haboeri zag zich genoodzaakt aan land te gaan, waar hij de oude Wau-oeta bij een holle boom bracht, waarin bijen genesteld waren. Haboeri velde de stam en drong erop aan dat zij er in zou kruipen om de honing, waarvan zij zoveel hield, te verzamelen. Wau-oeta, alsmaar huilend bij de gedachte Haboeri te zullen verliezen, kroop naar binnen, waarna Haboeri onmiddellijk de opening afsloot.

En daar is de Wau-oetakikker, die men alleen in holle bomen kan horen, tot op de dag van vandaag te vinden. Wanneer je het dier goed bekijkt, kun je zien hoe gezwollen de vingers zijn door de vele slagen met de pagaai. En als je luistert, kun je haar nog horen jammeren om het verlies van haar beminde, wanneer ze roept: Wang! Wang! Wang!

Deze geschiedenis van de mythische Haboeri, die een nationale held van de waraus is, geeft onder de vele voorstellingen met betrekking tot het ontstaan van de mensen en het verband tussen mensen en dieren, ook een verklaring voor de bekende vaardigheid van de waraus: om de voortreffelijkste boten te maken.

Later is aan de vertelling van deze mythe nog toegevoegd, dat Haboeri wegvoer, nieuw land ontdekte waar blanken woonden, die hij onderwees in alle vaardigheden van de waraus.

 

[Genoteerd door H. van Cappelle]

prepostterug  begin  verder