Koning Gaan Baa [grote broer] van het dierenrijk was een wreedaard. Hij regeerde zijn volk met ‘ijzeren tanden’. Dat betekende dat hij voor zijn maaltijd dagelijks één van zijn onderdanen verscheurde en verslond. In tijd van hongersnood vielen tientallen dieren hem ten prooi. Koning Gaan Baa vormde dus een bedreiging voor het voortbestaan van zijn eigen onderdanen, voor het hele dierenrijk. Elk dier leefde in grote angst en maakte zich uit de voeten als het Gaan Baa in de verte zag aankomen. Zo kwam koning Gaan Baa bijna geen van zijn onderdanen meer tegen.
Het dierenrijk was dus niet gelukkig met zijn koning. Met de naderende hongersnood maakten de dieren zich zorgen over hun leven en nam de angst toe. Wilden de dieren hun leven redden, dan dienden zij iets tegen hun koning te ondernemen. En dat besloten ze ook te doen. Op een geheime plaats in het bos kwamen de nog in leven zijnde dieren bij elkaar om zich te beraden over de stappen die zij tegen hun wrede koning moesten nemen. Dit beraad werd in het diepste geheim gehouden, want als Gaan Baa het te weten zou komen, zou hij hen allen verscheuren.
Het beraad duurde een hele dag en de dieren zouden weer uit elkaar gegaan zijn zonder resultaat. Maar opeens stond Mati Kuyaku [vriend toekan], een slimmerik uit hun midden, op. Hij was op een idee gekomen. Koning Gaan Baa bezocht wekelijks één van zijn vrouwen in het dorp van Mati Mongii [vriend aap] en hij placht zowel bij zijn komen als gaan dezelfde pasi [pad] te volgen. De dieren zouden in het midden van het pad een diepe kuil graven, die vervolgens bedekken met een dunne plank en daar zand overheen scheppen. Als de koning erover liep, ging hij zeker erin vallen en niemand zou hem eruit mogen halen, niemand zou zelfs in de buurt mogen komen. Gaan Baa zou gevangen zitten en uithongeren. Het voorstel werd aangenomen en het beraad beëindigd.
Er heerste hongersnood in heel het rijk der dieren. Wat de situatie nog moeilijker maakte, was dat de dieren zich niet overal vrij konden begeven om voedsel te verzamelen, hoe een kaal beetje het ook zou zijn. Zij moesten altijd op hun hoede blijven om niet ten prooi te vallen aan koning Gaan Baa. Daarom waren alle dieren zeer ingenomen met het voorstel van Mati Kuyaku om een valkuil voor Gaan Baa te graven om zo van hem af te komen.
Elke diersoort vaardigde een dier af om zoals afgesproken de kuil te helpen graven. Mati Mongii had de leiding bij het graven. Het duurde enige dagen en het wachten was toen op de komst van Gaan Baa. Alle dieren wachtten vol spanning op het moment dat hun bevrijding zou inluiden, het moment dat zij bevrijd zouden worden van hun wrede koning die hen bij tij en ontij wilde verslinden en met uitroeiing bedreigde. Om verraad te voorkomen was afgesproken dat geen enkel dier
het dorp zou verlaten totdat het plan was uitgevoerd. En dat was maar goed ook, want later zou blijken dat er een verrader onder hen zat.
Twee dagen nadat de kuil voltooid was, wandelde koning Gaan Baa zoals gebruikelijk in de vooravond langs het schemerdonkere pad naar zijn vrouw in het dorp. Langs het hele pad sloegen hem de ogen gade van zich achter de bomen schuil houdende dieren.
‘Gbogboloo! Gbilin!’ zo klonk het: Gaan Baa was in de diepe kuil gevallen. De dieren die het vanuit hun schuilplaats gezien hadden, slopen geruisloos weg. Zogenaamd wist niemand dat Gaan Baa in een kuil gevallen was en niet eruit kon komen. De dieren voelden zich vrij en zetten hun leven voort. Vrij van vrees begaven zij zich overal om hun voedsel te zoeken.
Inmiddels zat Gaan Baa al drie weken in die kuil gevangen, zonder eten. Hij zag er mager en verzwakt uit.
Op een dag toen Mati Mongii dacht dat alle andere dieren het dorp uit waren, ging hij stiekem bij de kuil staan. Gaan Baa zag en smeekte Mati Mongii hem eruit te helpen. Maar Mati Mongii weigerde en gaf als excuus dat het een afspraak was dat geen enkel dier Gaan Baa te hulp mocht schieten. Wie die afspraak schond zou door de anderen voor verrader worden uitgemaakt. Maar Gaan Baa bleef maar smeken en bezwoer hem dat dit een les voor hem was geweest en dat hij voortaan nooit meer wreed zou zijn tegen zijn eigen onderdanen en hen niet meer zou verslinden. En zo werd Mati Mongii omgepraat.
‘Ik zal mijn staart naar je toewerpen en daar moet je je aan vastklampen, dan ga ik je naar boven trekken. Maar je moet eerst beloven dat zodra ik je boven de grond krijg, je je snel uit de voeten maakt, opdat de anderen er niet achter komen dat ik, Mongii, je eruit gehaald heb’, richtte Mati Mongii zich tot Gaan Baa. En Gaan Baa beloofde het plechtig. Mati Mongii wierp hem zijn staart toe en Gaan Baa greep die vast, maar hij begon te lachen.
‘Waarom lach je, Gaan Baa?’ vroeg Mati Mongii.
‘Wel’, zei Gaan Baa, ‘ik zit al drie weken hier gevangen zonder iets te eten te hebben gehad, je begrijpt dat ik geen kracht genoeg heb om mij aan jou goed vast te klampen zodat je mij naar boven kunt trekken. Mag ik een stukje van jouw staart opeten opdat ik weer op krachten kom?’
‘Je meent het niet, Gaan Baa!’ riep Mati Mongii. Maar Gaan Baa drukte zijn klauwen dieper in de staart en Mati Mongii besefte gauw dat het Gaan Baa menens was. Toen schoot Mati Mongii iets te binnen waarvan hij dacht dat dat wel zou kunnen helpen. Hij stelde Gaan Baa voor om hem eerst boven de grond te halen en dan zou hij hem een stukje van zijn staart geven. En om Gaan Baa het gevoel te geven dat hij het meende, eiste hij van Gaan Baa hem te beloven dat het maar om dat ene stukje ging. Gaan Baa beloofde dat. Mati Mongii trok Gaan Baa uit de kuil, niet wetende dat hij vanaf het eerste moment gadegeslagen was door Mati Todo [vriend kikker]. Razendsnel verspreidde Mati Todo het nieuws dat Mati Mongii de zaak verraden had en de moordenaar had bevrijd.
Mati Mongii had zich in de nesten gewerkt. Toen Gaan Baa eenmaal bevrijd was, bleef hij de staart van Mati Mongii stevig vasthouden en eiste tegen zijn belofte in, een groter stuk van de staart op. Alle smeken van Mati Mongii om hem los te laten zodat hij niet door de anderen betrapt zou worden, leverde niets op.
Intussen waren enkele van de dieren eromheen komen staan en Mati Mongii werd door schaamte overmand. Hij liep met Gaan Baa langs alle dieren en smeekte hun hem te helpen. Maar bijna elk dier keerde hem de rug toe en spoorde Gaan Baa aan Mati Mongii te doden. Zo kwamen ze bij Mati Todo, bijgenaamd Tyaté. Tyaté deed alsof hij bereid was te bemiddelen, maar in zijn achterhoofd had hij het plan om Mati Mongii te bevrijden. Tyaté pakte een houwer om daarmee de staart van Mati Mongii voor Gaan Baa af te snijden. Toen Gaan Baa het gevoel kreeg dat hij op medewerking van Tyaté kon rekenen, zei hij tot Tyaté: ‘Y’ á mu ya, ma y' mu ya' [niet hier maar daar]. Hij wees Tyaté met zijn poot aan dat hij niet meer zo'n klein stuk, maar (vanaf waar de staart begint) een groter stuk moest afsnijden. Tyaté knikte, maar fluisterde Mati Mongii toe: ‘Te mi o kwonnn, da y' mu tyala da mi o tyulu’ [als de houwer valt, dan moet je in de boom springen en ik spring in het water]. Tyaté had dus met Mati Mongii afgesproken dat als die zijn staart op een boomstam plaatste, hij de houwer wel zou opheffen maar op een verkeerde plaats zou doen neerkomen. Maar Gaan Baa had dat niet door en beaamde: ‘Eeehe, te y' donnnn da a dala da y' dubu’ [juist, als jij houwt, springt hij en duik jij]. En zo hief Tyaté de houwer op, maar liet die op de verkeerde plaats vallen. Mati Mongii sprong in de boom en Mati Tyaté in het water.
Mongii was bevrijd, maar was genoodzaakt om voortaan in de bomen te leven en Tyaté die hem te hulp was geschoten, moest verder zijn leven slijten in de sloten. Mati Mongii heeft de andere dieren verraden en Gaan Baa uit zijn gevangenschap bevrijd, Tyaté heeft ook verraad gepleegd door de verrader Mongii te hulp te schieten. Beiden zijn dus verraders, gongosaman, en beiden hebben ze hun loon gekregen: Gongosaman kisi en paiman. Boontje komt om zijn loontje. De verrader komt voor de val. Daarom is het nooit goed om verraad te plegen.
[Vertaald uit het Aukaans door André Pakosie]