Luisteraars! Het verhaal speelt zich af op een plaatsje dat door de slaven No-Meri-Mi-Kondre genoemd werd (no meri mi - val mij niet lastig). Wel, luister goed wat ik jullie ga vertellen. Enkele jaren na de emancipatie in Suriname kwamen er steeds meer slaven uit de bossen naar de stad. Maar achter Kwatta, dicht bij de kust was een negerdorp No-Meri-Mi genaamd.
Een gezin vertrok per zeilboot vanuit de stad richting Coronie. Even voorbij Braamspunt merkten zij dat de boot lek geslagen was. De boot maakte water en zij lieten de boot vastlopen op een modderbank aan de oever. In de boot waren vier vrouwen, vijf mannen en twee jongens van vijftien en zeventien jaar. Zij zouden de vakantie in Coronie doorbrengen. Met veel moeite kwamen ze met z'n allen uit de boot. Zij namen alles mee wat ze dachten nodig te hebben en gingen aan wal. Zij wisten niet waar ze zich bevonden. Zij liepen wat verder het land in, waar heel wat parwabomen groeiden. Daar hebben zij zonder problemen geslapen tot de volgende dag.
Omstreeks negen uur de volgende dag kwam er een zeilboot voorbij. Het grote vuur dat zij aangelegd hadden werd helaas niet opgemerkt.
Om elf uur riep de kapitein van de boot de mannen samen en zei: ‘Broeders, laten wij de modderbank verkennen. Misschien kunnen wij een betere verblijfplaats ontdekken. Wij weten niet waar wij ons bevinden en wij weten ook niet wanneer wij hier weer weg kunnen komen.’
Na twee uren aan het strand gelopen te hebben, keerden de mannen op hun schreden terug. De kapitein zei: ‘Broeders en zusters, ik weet nu waar wij ons bevinden. Als ik mij niet vergis, zijn wij vlak achter Kwatta. Welke kant van Kwatta, weet ik niet, maar zeker is dat wij ons achter Kwatta bevinden.’ Zij konden niet blijven waar ze waren. Zij hadden een halve ton water om te drinken en te koken. De zon en de zeewind maakten hen dorstig. Nu ze wisten dat ze achter Kwatta waren, besloten ze dat ze door het bos naar de stad zouden lopen. Alles wat nog van enige waarde was, werd uit de boot gehaald. De vrouwen namen de kruiken, kalebassen met water en kleding. De mannen de houwers, bijlen, messen en trommels met het hoognodige: gedroogde en gezouten vis. De beide jongens zorgden voor hangmatten en slaapgerei.
Zij vertrokken om negen uur 's morgens van de kust en kwamen zo tegen twaalf uur aan bij het bos te Kwatta. Een vrouw, de moeder van de kapitein, kreeg een filaria-aanval. Zij zei: ‘Zusters, ik kan niet verder. Ik ben te moe. Mijn zieke been moet rusten.’ De moeder was niet meer in staat verder door het bos te lopen. De kapitein besloot samen met de anderen een bed van takken te maken en legde de zieke vrouw erop. Op die manier droegen zij haar verder door het bos.
Nadat zij ongeveer een uur door het bos gelopen hadden, zei de zieke vrouw: ‘Zusters en broeders, laat mij toch hier achter. Gaan jullie maar naar de
stad om hulp te halen.’ Zij bespraken het voor en tegen en besloten de vrouw toch maar achter te laten met slaapgerei, eten en water voor drie dagen, terwijl zij naar de stad gingen om hulp te halen. De kapitein die de oom was van de beide jongens, wilde dat zij bij hun oma zouden achterblijven. Maar de jongens wilden dat niet. Zij legden de oude vrouw onder een kankantri met alles wat zij nodig had. Toen gingen ze hulp zoeken. Maar voordat zij de moeder verlieten, zeiden ze haar dat wat ze ook mocht zien of horen, zij niet van onder de kankantri mocht weggaan, zodat het makkelijk zou zijn haar weer terug te vinden.
Het was toen één uur 's middags. De moeder spreidde een bedje onder de kankantri en legde zich te rusten. Hoe lang ze wel geslapen had, wist zij niet, maar toen zij wakker werd, drong het tot haar door dat ze niet alleen was. Ze had het gevoel dat vele mensen naar haar stonden te kijken. En het was juist wat ze voelde. Waar ze vandaan kwamen, wist de moeder ook niet. Meer dan tien naakte mannen omringden haar. Zonder één woord te zeggen, legden de negers haar in een hangmat en staken stokken door de lussen. Vier van hen tilden het moedertje op en liepen met haar tot de avondschemering door het bos tot ze in een negerdorp aankwamen.
De volgende dag om tien uur kwamen tien mannen in het bos terug, op de plek waar zij het zieke moedertje hadden achtergelaten. De tien mannen uit de stad vonden haar echter niet. Ze zagen wel onder de kankantri de kalebas met water, wat droge vis, vier cassavebroden en een stukje kabbes [palmkool]. Van de moeder evenwel geen enkel spoor. Niets van 't moedertje werd er gevonden. Ze riepen, bliezen op grote schelpen en klommen in bomen om haar te zoeken. Ze overnachtten met z'n tienen in het Kwattabos. Nergens in de buurt was een waterput. Het moedertje was ook niet door een tijger aangevallen, want niets wees erop dat er een tijger in de buurt was geweest. Het bleef een raadsel waar 't zieke moedertje gebleven was.
Om vijf uur in de middag verlieten de tien mannen het Kwattabos en te middernacht bereikten ze zonder 't moedertje de stad. Na twee dagen gingen alle mannelijke familieleden van de moeder, vijfenveertig in getal, op zoek naar haar. Deze mannen bleven twee dagen en drie nachten in het bos en keerden ook zonder de zieke moeder terug. De derde keer gingen er vijftien mannen naar het bos. Ze bleven er twee weken. Ook zij kwamen zonder de moeder terug. Drie maanden later was de familie er zeker van dat de moeder in het bos was omgekomen. Maar waar was het lijk? Waar was de dode moeder? De familie stak zich in rouwkleding.
Een jaar later kwam de familie uit de rouw. Vijf jaren daarna dachten ze soms nog aan de moeder. Ze waren haast vergeten wat er gebeurd was met hun grootmoeder in het Kwattabos.
Zes jaren nadat de moeder spoorloos verdwenen was, ging er iemand een offer brengen op het erf waar de verdwenen moeder gewoond had. Toen ze klaar was met offeren, kwamen een zusje en een tante van de verdwenen moeder naar bui-
ten. De drie vrouwen die elkaar langer dan een jaar niet ontmoet hadden, bespraken de dingen van alledag. Toen de vrouw die was gaan offeren plotseling het woord ‘Kwatta’ noemde, zei een van de vrouwen: ‘Zuster, je praat over Kwatta! Dan moet ik denken aan wat er gebeurde in het Kwattabos met een familielid. Nooit hebben wij geweten waar ze naar toe is gegaan, of ze omgekomen is, of dat ze nog in leven is.’ De vrouw keek de anderen verbaasd aan en zei: ‘Zusters, ik val je in de rede, omdat het verhaal dat je mij vertelt niet juist is. Ik denk dat ik de moeder waarover je vertelt, met mijn eigen ogen gezien heb. Ik was toentertijd in No-Meri-Mi-Kondre. Ik heb met de moeder gegeten, gedronken en geslapen, en wel in hetzelfde kamp. Of die zuster die ik in No-Meri-Mi-Kondre gezien heb nog in leven is, weet ik niet.’
De zuster en de tante van de verdwenen moeder keken de vrouw onthutst aan. Zou deze vrouw die moeder echt gezien hebben? Toen deze zag hoe verbaasd de anderen haar aankeken, zei ze: ‘Ik merk dat jullie mij niet geloven. Hoewel ik weinig tijd heb, zal ik het een en ander wat ik weet aan jullie doorgeven.’
Ze vertelde: ‘Ik was gaan offeren. Ik was niet speciaal naar No-Meri-Mi-Kondre gegaan, maar ik werd erheen gebracht. Ze hadden mij geblinddoekt. Ik geloof dat wij drie dagen gelopen hadden voor wij in No-Meri-Mi-Kondre aankwamen. Het dorp is vreesaanjagend, huiveringwekkend. Overal, aan alle kanten witte doodskoppen; geen grote, maar kleine doodskoppen, van babies misschien.’
De vrouw sprak verder: ‘Nadat ik was gaan offeren in een aukaans dorp, bleek dat ik daar geen hulp kon vinden. Ze namen mij mee naar een ander dorp waar men mij zou helpen. Maar ik werd geblinddoekt. Ze wikkelden mij in een kleed opdat ik niet zou weten waar ze mij naar toe brachten. Zo kwam ik terecht in het andere dorp, dat No-Meri-Mi-Kondre heette. Als ik op een andere manier erheen was gegaan, zou ik nooit meer terug hebben kunnen keren, zoals de moeder waarover het gaat. Zij werd door hen gevonden. Ze denken dat hun god de moeder naar hen gezonden had. Het is zo dat niemand uit No-Meri-Mi-Kondre kan terugkeren.
In het kamp waar ik drie weken bleef was ook een vrouw uit de stad. Dat verbaasde mij. Er werd verteld over een zieke vrouw die in het Kwattabos woonde en ik hoorde dat de vrouw gestorven was in het bos. Ik heb een week doorgebracht met de zieke vrouw in een kamp. Ik kon haar vragen hoe ze in het dorp gekomen was.
De moeder vertelde mij dat zij, nadat haar familie haar achtergelaten had onder de kankantri, in slaap gevallen was. Toen ze wakker werd stonden naakte negers om haar heen. De moeder zei verder: ‘Ik was niet in staat iets te zeggen. Ik had hevige koorts. Toen ik weer bij kwam lag ik in een hangmat in een kamp. Een oude vrouw zat vlakbij. Ik stond op uit de hangmat en vroeg om water. De oude vrouw gaf mij kokosmelk. Nadat ik gedronken had en mij weer goed voelde, vroeg ik haar waar ik was. Ze zei: ‘Zuster, je bent nu in No-Meri-Mi-Kondre. Wie hier komt gaat nooit meer terug. Ze hebben je onder onze moederboom gevonden. Jij hoort bij ons.’’
Dit, zusters, is het verhaal dat de zuster van wie jullie denken dat ze in het Kwattabos is omgekomen, mij verteld heeft.’
De vrouw ging weg, de anderen met open mond achterlatend.
[Vertaald uit het Sranantongo door Ch. Fernald]