terug  begin  verderprepost
[p. 64]

S. Sombra
Fu san-ede den sma fu Koroni nanga den Parasma lobi makandra/ Hoe het komt dat Coronianen en Paranen van elkaar houden

Het is een heel lang verhaal van drie tot vier generaties terug. Het speelt zich af kort na de afschaffing van de slavernij in 1863. De slaven moesten toen nog tien jaren op de plantages blijven werken. Gedurende die tien jaren kregen ze de gelegenheid om een stuk land te kopen. Zo bleven de Paranen en de Coronianen in de landbouw. In Coronie ging men zich toeleggen op de kokoscultuur, terwijl de Paranen zich gingen bezighouden met de cultuur van cassave, napi en tajer.

 

Op een dag kwam een Coroniaan met zijn kotter naar de stad om zijn waar te verkopen. De kotter ging voor anker bij de Platte Brug aan de Surinamerivier (de Waterkant). Nadat de boot was uitgeladen, gaf de eigenaar de matrosi toestemming om een beetje te gaan wandelen in de stad. Een van de jongens ontmoette daar een mooi meisje. Hij groette dat meisje en zij groette beleefd terug. Zonder verder één woord liepen ze elkaar voorbij.

De volgende dag werd weer begonnen met de kotter te laden. Na twee dagen waren ze zo ver dat de terugreis kon beginnen. De reis huiswaarts van Paramaribo naar Coronie duurde vierentwintig uur. Toen de kotter afmeerde in het kanaal van Coronie, waren er veel mensen aanwezig, overal klonken grappen. Iemand merkte op dat Syori helemaal afwezig was. Deze Syori (George) was de jongeman die dat meisje was tegengekomen in de stad; hij was een zoon van Ba Dofi (Adolf) en een neef van Hendri (Hendrik). Het lichaam van deze Syori was wel aanwezig, maar zijn geest niet. Die was gebleven op de plaats waar hij het meisje ontmoet had.

 

Te zelfder tijd speelde er zich iets vreemds af met een meisje in de Para. Ze was met haar ouders naar de stad gegaan om hun produkten te verkopen. Eenmaal teruggekeerd in de Para praatte ze met niemand meer. De hele dag zat ze alleen op het achtererf. Wat er met haar aan de hand was, wist niemand. De familie was radeloos. Toen stelde een familielid voor om met haar naar Oom Adriaan te gaan. Oom Adriaan was een lukuman [ziener] van de plantage. De familie werd bijeengeroepen om een krutu [beraadslaging] te houden. De krutu werd belegd en daar werd eenstemmig het besluit genomen om naar Oom Adriaan te gaan.

Eerst moest er een afspraak gemaakt worden, om precies te weten wanneer Oom Adriaan vrij was. De afspraak werd gemaakt, dag en tijd bepaald.

 

Er waren intussen al twee weken verstreken waarin het meisje zich met niemand bemoeid had. De hele dag zat ze alleen en speelde ze met haar vingers. Tot het moment aanbrak om naar Oom Adriaan te gaan. Toen ze aankwamen, groetten ze heel beleefd: ‘M'pa, da u' doro.’ [Gerespecteerde vader, we zijn er.]

[p. 65]

‘Un' doro no, we dan un' tek' presi, m' e kon.’ [Zijn jullie er, wel nemen jullie plaats, ik kom.] Na een half uur gaf Oom Adriaan hun een wenk om naar binnen te komen. Ze moesten hun schoenen uittrekken. Ze moesten op de vloer gaan zitten; vlak voor Oom Adriaan zat het meisje. Oom Adriaan sloot zijn ogen en vreemde tongen begonnen te spreken.

Na ongeveer een kwartier nam hij een sigaar, stak die aan en begon te roken. Hierna nam hij sopi (dran) [sterke drank] en waste er haar gezicht mee. Toen haalde hij een kleine spiegel te voorschijn. Daaruit begon hij voor te lezen voor de familie.

‘Die kleine vrouw, die nu voor mij zit... hm...’ Hij zette zijn sigaar weer in zijn mond, keek om zich heen en zweeg. Ineens keek hij recht voor zich uit naar de vader van het meisje en wenkte hem dichterbij te komen zitten. Toen vroeg hij de vader, of ze dat meisje mee hadden genomen naar de stad. De vader schudde zijn hoofd van ja. Oom Adriaan zuchtte diep en zei: ‘Wel, luister hier, ik weet het niet, maar hoe ik het hier zie, heeft je dochter haar geest in de stad achtergelaten.’ Oom Adriaan haalde een rode zakdoek uit zijn broekzak en veegde zijn gezicht af. Hij nam de fles met sopi en schonk wat in een kleine kalebas. Hij nam er een slok van en blies die over het meisje. Toen haalde hij zijn spiegeltje te voorschijn en begon weer in vreemde tongen te spreken. Toen hij weer normaal begon te praten, zei hij tegen de familie: ‘Kijk, jullie moeten je klaar houden, want over drie dagen moeten we naar de stad gaan om de geest terug te nemen.’

 

Drie dagen later was ook de familie van Syori op weg naar de stad, om de geest van Syori terug te halen. Op een donderdag, omstreeks vijf uur 's middags meerde de kotter met de familie van Syori aan bij de Platte Brug aan de Waterkant. Ze spraken af om de volgende dag naar de plaats te gaan waar de twee elkaar hadden ontmoet.

Zoals afgesproken waren ze op vrijdag om zes uur 's morgens ter plaatse. En precies op datzelfde tijdstip arriveerde de familie uit de Para. Het meisje rende naar Syori. Ze omhelsden elkaar en begonnen direct met elkaar te praten. De twee families maakten kennis. En vanaf die tijd bestaat er liefde tussen de Coronianen en de Paranen. Om die liefde te bekrachtigen hebben ze toen besloten een koek te bakken waarin de produkten van de Para en van Coronie worden samengevoegd. Zo zijn kasabadokun en kasabadosi [volkskoek en spijssoort gemaakt van cassavemeel/cassave] ontstaan. De liefde tussen Paranen en Coronianen zal nooit meer kunnen verdwijnen.

 

[Vertaald uit het Sranantongo door S. Sombra]

prepostterug  begin  verder