terug  begin  verderprepost
[p. 69]

Kardi Kartowidjojo
Si jaran/Het paard

Op het eiland Sumatra was het paard de koning der dieren. Alle andere dieren deden voor hem onder en daarom hadden ze hem tot koning gemaakt.

Op een dag hoorde het paard dat er op het eiland Java een wezen was dat Mens heette. Dit wezen zou een geweldige magische kracht bezitten en bijzonder slim zijn. Het paard kon het niet geloven en dacht: Er is hier op Sumatra niemand die zich met mij kan meten. Alle dieren hebben zich aan mij onderworpen en gehoorzamen mij. Hoe kan er een wezen zijn dat mij in magische kracht en slimheid overtreft? Het paard kon dat niet accepteren en zei bij zichzelf: ‘Ik wil wel eens weten waar dat eiland Java is en hoe die zogenaamde Mens eruit ziet. We zullen dan eens zien wie er groter is.’ Daarna sprak het paard tot de dieren: ‘Tijger, wilde stier, olifant en slang, ga met mij mee op zoek naar het eiland Java. Ik heb gehoord dat daar een wezen is dat Mens heet en dat mij in bovennatuurlijke kracht en slimheid overtreft. Ik wil wel eens weten of dat echt waar is.’ De dieren gehoorzaamden en gingen met de koning op weg. Maar toen ze bij de zee gekomen waren, konden ze die niet overzwemmen. Ze werden door de sterke stroom meegesleurd en geen van hen bereikte de overkant. De enige die veilig aan de overkant kwam was de koning zelf, het paard.

 

Lang voordat het paard besloten had om naar Java te gaan, zat er reeds een wijze, die Sahir heette, midden op zijn sawa te bidden. Hij wist dat het paard naar hem toe zou komen, een jaar van tevoren was hij er reeds van op de hoogte. Hij wist zelfs precies het tijdstip waarop het paard zou aankomen. Die kennis had hij niet door gebed maar door boetedoening en meditatie verkregen.

De wijze had in huis al alles klaargezet: een zadel, stijgbeugels, teugel en bit, en een zweep. Hieruit blijkt wel dat de mens een zeer machtig wezen is. Er is alleen één ding dat hij niet kan en dat is iets doods weer levend maken. Zelfs een dokter kan dat niet. De mens kan wel iemand doodmaken, maar iemand weer levend maken kan hij niet. Zo is het toch?

Toen het paard er aan kwam, maakte de geestelijke zich gereed. Hij deed net alsof hij aan het bidden was en hield zijn ogen dicht, ook toen het paard al vlakbij was. Toen hij zogenaamd klaar was met bidden, deed hij zijn ogen open. ‘Hé, wat zullen we nu hebben? Terwijl ik zit te bidden is hier een groot dier gekomen. Wat voor dier ben jij en hoe heet jij?’

Het paard antwoordde: ‘Ik ben de koning der dieren en mijn naam is Paard. Er is in mijn land dat aan de andere kant van de zee ligt, niemand die mij overtreft. Maar nu heb ik gehoord dat er een eiland is dat Java heet. Ik weet niet waar het ligt, of het in het oosten is of in het zuiden of waar dan ook. Ik zou dat eiland graag willen zien. En wat ik ook hoorde was dat er op dat eiland een wezen is dat Mens heet. Men zegt dat dat wezen een geweldige magische kracht bezit en al van

[p. 70]

de dingen op de hoogte is voordat ze gebeurd zijn. Ik ben daarvan geschrokken want ik heb altijd gedacht dat er niemand was die mij kon overtreffen. Daarom ben ik op zoek gegaan naar dat wezen. Ik wil weten of het echt machtiger is dan ik. Als ik u vragen mag, bent u misschien dat wezen? Zo niet, wie bent u dan wel?’

‘Als u mijn naam wilt weten, ik heet Wezen.’

‘Dus u bent niet Mens?’

‘Nee, ik ben Wezen.’

‘O, dus u heet Wezen.’

‘Ja.’

‘Weet u misschien waar het eiland Java ligt, Wezen?’

‘Ik heb wel eens horen praten over het eiland Java en over iemand die Mens heet, maar ik ben er zelf nooit geweest. Als u wilt kan ik u wel helpen met zoeken. Ik kan alleen niet zo ver lopen, zeker niet als het jaren duurt voordat we het eiland Java en het wezen dat Mens heet gevonden hebben. Daarom wil ik u vragen om mij te dragen. Als u mij draagt word ik niet moe, ook al zijn wij jaren onderweg. U moet niet denken dat ik u voor de gek houd, hoor. Wat zegt u ervan, gaat u ermee akkoord?’

‘Ja, Wezen. Als ik u er een plezier mee doe zal ik u dragen.’

‘Maar als ik zomaar op uw rug ga zitten val ik er vanaf. Ik moet wel iets hebben om op te steunen en om me aan vast te houden.’

‘Goed, zorgt u daar dan eerst voor.’

‘Ja, laten we dan even naar mijn huis gaan. Als u dorst hebt kunt u dan wat drinken en als u honger hebt iets eten.’ En zo ging Paard met de wijze Sahir mee naar huis. Daar aangekomen zei de wijze: ‘Wel Paard, dit is mijn huis. Nu weet u meteen waar ik woon. Maar vraag me niet waar Mens woont, want nogmaals dat kan ik u echt niet zeggen.’

‘Ja, dat begrijp ik.’

‘Hebt u dorst, Paard?’

‘Ja, ik zou graag iets willen drinken.’

De wijze zette vervolgens een kopje thee voor hem neer. Het paard dacht hoe zo'n klein kopje thee nou zijn dorst kon lessen en zei: ‘Wezen.’

‘Ja, wat is er, Paard?’

‘In Sumatra ben ik gewend om een hele waterbak leeg te drinken en u geeft me maar een theekopje? Dat is toch niet genoeg voor mij?’

‘Drinkt u het nu eerst maar op. Als u dan nog dorst hebt schenk ik u nog een keertje in.’ Het paard dronk de thee op.

‘En? Wilt u nog meer?’

‘Nee, het is genoeg zo, ik heb nu geen dorst meer.’ Wat het paard niet wist was dat de wijze ervoor kon zorgen dat men aan een heel klein beetje al genoeg had. Het was een heel pientere man.

‘Wilt u misschien ook iets eten?’

‘Ja graag, maar...’

[p. 71]

‘U hoeft niet verlegen te zijn. Als u wilt zal ik gras voor u snijden want dat is immers wat paarden eten.’

‘Wezen, ik ben wel een paard maar vergeet niet dat ik koning ben. Ik eet alles wat u mij aanbiedt. Als u rijst eet, eet ik ook rijst en wanneer u brood eet, eet ik ook brood.’

‘Dus u eet alles?’

‘Ja!’ De wijze gaf hem een half bord rijst en een theelepeltje toespijs.

‘Eet dit maar lekker op, ook al is het niet veel. Als het niet genoeg is kunt u altijd bij krijgen.’ Toen het paard klaar was met eten vroeg de wijze: ‘Hebt u genoeg gegeten?’

‘Ja Wezen, ik heb echt mijn bekomst.’

‘Goed zo. Dan leg ik nu iets op uw rug wat me een beetje steun geeft zodat ik er niet afval als u rent.’ De wijze legde een zadel op de rug van het paard en bracht de stijgbeugels aan om zijn voeten in te zetten. Daarna deed hij het bit in zijn mond en maakte de teugels vast.

‘U moet naar mij luisteren, hoor.’

‘Ja, dat zal ik doen.’ De wijze nam toen de zweep.

‘Ik ga op uw rug zitten, hoor. Dan kunnen we nu op zoek gaan naar het eiland Java en naar het wezen dat Mens heet.’

‘Ja.’

Hij klom op het paard, pakte de teugels beet en daar gingen ze, richting grote weg. Maar voordat ze daar goed en wel gekomen waren, hield hij het paard met een ruk aan de teugels in en dwong het terug naar het erf. Dat erf was groot; de wijze had het speciaal gemaakt om het paard af te richten. Als het paard de ene kant op wilde, hield hij de teugels in en dwong het de andere kant op. Na enige tijd was het paard helemaal afgemat. Het schuim stond op zijn mond, want telkens als het opsprong rukte de wijze Sahir aan de teugels. Tenslotte liet het paard zich uitgeput op zijn knieën vallen.

‘Ach Wezen, als het zo nog langer doorgaat, val ik er dood bij neer. Ik kan echt niet meer.’

‘Kun je niet meer?’

‘Nee.’

‘Wil je nog blijven leven of wil je liever dood?’

‘Laat me alstublieft leven. Ik geef me gewonnen en onderwerp me aan u.’

‘Dus je geeft je over?’

‘Ja. Wilt u alstublieft het bit weghalen want mijn mond is helemaal kapot.’

‘Ja, maar als ik dat doe ga jij er vandoor.’

‘Nee, echt niet.’

‘Op je erewoord?’

‘Ja.’

‘Goed, luister dan naar mij. Je hoeft niet meer op zoek te gaan naar het eiland Java en het wezen dat Mens heet. Om je de waarheid te vertellen, ik ben degene die Mens heet, en het eiland Java is hier waar ik woon. En die wezens die je hier

[p. 72]

overal ziet zijn javanen.’

‘O, maar dan is het dus echt waar dat dat wezen dat Mens heet, in magische kracht en slimheid niet te evenaren is. Op Sumatra overtrof ik alle dieren maar hier op Java moet ik het afleggen tegen de mens. Wilt u mij nu losmaken, Mens? Ik zal u eeuwig gehoorzaam zijn en hier voor altijd blijven. Als u mij te eten wilt geven, zal ik u daar heel dankbaar voor zijn. Maar als u dat niet wilt, zal ik dat ook accepteren. Ik wil nu voor altijd bij u zijn.’

‘Ik ben blij dat te horen en zal je nu losmaken.’ De wijze deed het paard de teugels en het bit af en behandelde daarna zijn mond die helemaal kapot was. Hij blies erop en meteen waren de wonden genezen en was alle pijn verdwenen.

‘Als je vertrouwen in me hebt, moet je mij van nu af aan gehoorzamen en je woord houden.’

‘Dat zal ik doen, want ik zie nu in dat u mijn meerdere bent.’

‘Zo mag ik het horen.’

Vervolgens maakte de wijze een plekje voor hem klaar, hij gaf hem een mooie stal.

‘Je kunt zemelen krijgen, maar als je liever rijst eet is het ook goed.’

‘Ik laat het helemaal aan u over.’

‘Als je mij gehoorzaamt, zal ik je goed behandelen.’

‘Dank u wel. Ik zal doen wat u zegt.’

‘Goed zo.’

 

En zo onderwierp de mens het paard. Daarvóór was het zo dat het paard jacht maakte op de mens en hem opat. Maar dankzij de wijze Sahir is het paard nu onderworpen aan de mens.

 

[Verteld in het Surinaams-Javaans op 8 november 1983 te Mungo; geredigeerd en vertaald door Johan Sarmo en Hein Vruggink]

prepostterug  begin  verder