terug  begin  verderprepost
[p. 90]

Cándani
Relaas voor S.

Je kijkt naar de planken muren zonder iets te zien. Je praat zonder je eigen stem te horen. Jij beseft onze realiteit en denkt dat ik niets begrijp. Maar ik begrijp jou, je vraagt naar de man die geen vaderschap over jou verdient. Je wilt veel weten. Vol verwachting kijk je naar mij op alsof ik je een sprookje ga vertellen. Ik wil het wel maar kan het niet. Het valt buiten ons boek.

Het leven gaat langzaam. Ik weet me geen raad in dit kleine huis. Ik heb geen kracht om wat te doen. Het vaatwerk wacht op mij. Mijn boeken en schriften liggen overal. Ik heb geen eetlust; jij dwingt me om te eten. Zèlf wilde je kerrie-ei en ik kan je niets weigeren. Na het eten blijf je op mijn schoot spelen. Na vijf minuten zet ik je in bed. Nu slaap je.

Ik ga terug naar de keuken, zak op een stoel naast de door mij in elkaar gespijkerde tafel. Het vieze, kleine hok staart naar mij. Ik val in slaap, maar na een uur maken mijn vrienden, de muskieten, mij wakker. De ramen staan nog open, de stroom is uitgevallen. Ik kijk naar de overkant, daar brandt wel licht, dus iemand heeft mijn zekering weggehaald. Morgen naar de ebs om voor tien gulden een nieuwe te halen. In het donker tast ik naar de aansteker en probeer het gas aan te maken. Het lukt niet, de gasbom is dus ook verdwenen. Goed, maar laat die dieven niet in mijn huis komen, ik kap ze aan stukken.

Gisteravond voelde ik me beroerd. Telkens schrok ik wakker. Wat heb ik misdaan? Ik ben bang. Alsof de dood mij elk moment wil versieren. Ik wil niet dood. Niet nu. Van jou maak ik een geëmancipeerde, zelfstandige vrouw. Mijn maag was opgezwollen van de zenuwen, maar omdat de bussen staakten kon ik niet direct naar de dokter.

Vanochtend vroeg heb ik je gewassen en gekleed. We zijn samen naar de dokter geweest. Ik wist niet waar ik moest kijken in de kale behandelkamer. Je zeurde en zat overal aan. Er lag een bloeddrukmeter. Hé, dacht ik, ik moet mijn kindertijd inhalen. Ik pakte het apparaat, draaide het stoffen gedeelte om mijn arm en pompte het op. Plotseling kwam de dokter binnen.

‘Hallo meisje', zei hij, wat doe je?’ Hij is heel jong.

‘Dokter’, viel ik met de deur in huis, ‘ik heb altijd 't idee gehad dat u oud was.’ ‘Waarom?’ vroeg hij.

‘Omdat u zo'n groot huis hebt. Vanwaar hebt u het geld gediekt?’

‘O, dat heb ik gestolen’, zei hij en hij lachte. ‘Wat scheelt je?’

Toen ik wegging - de arts schreef me kalmeringstabletten voor - vroeg ik: ‘Dokter, u zei dat ik een man moet nemen, heeft u broers?’

‘Ja’, zei hij.

‘Goed, stuur ze dan maar, ik zal met ze trouwen.’

‘Maar ze zijn allemaal ouder dan ik en ze wonen in Nederland.’ Van ergens dook een assistente op.

[p. 91]

‘De andere patiënten worden ongeduldig’, zei ze. Ik stond direct op en groette. Voorop nam ik de medicijnen.

‘Ga maar gauw weg’, zei de assistente, ‘anders gaan de andere patiënten je nog rammelen.’ We begonnen samen te lachen.

 

*

 

Lieve s., moet je de ellende van gisteravond horen. De buren waren weer 'ns aan de gang met schelden. De oude buurman beschuldigde de jongere van de overkant dat hij in het geheim een relatie heeft met zijn vrouw. Ik was bang en sloot de ramen. Van de zenuwen rookte ik zes sigaretten.

Vanochtend lag ik nog in bed toen een man van de ebs mij kwam vertellen dat hij de elektriciteit was komen afsluiten.

‘Altijd als ik hier kom moet ik afsluiten, mevrouw’, mopperde hij. Ik zat op mijn bed en sprak door het raam met hem. Ik nam de kennisgeving en beloofde hem direct te gaan betalen.

In de stad voelde ik me zo beroerd dat ik met jou bij Cindy's ging zitten en twee glazen cola bestelde. Ik was buiten mezelf en vroeg de kassierster naar Alcolade, die ze natuurlijk niet had. Ik vroeg om een paar stukken komkommer op azijn waarvan jij meer dan de helft moest hebben. Ik ging naar ebs en betaalde voor twee maanden. Daar kreeg ik wel Alcolade.

M. heeft een brief voor me gestuurd, uit Nederland. Over de gang van zaken rond mijn boek Ghunghru tut gail. Het krijgt een Nederlandse vertaling: De rinkelband is gebroken.

 

*

 

Lieve s., ik heb je de laatste tijd pijn gedaan. Je hebt het zonder mij moeten stellen. Daarom zal ik je nu precies schrijven wat er de afgelopen weken allemaal gebeurd is.

Vandaag twee weken geleden, op maandag dus, stond ik te koken toen ik me plotseling heel beroerd voelde. Ik draaide het gas uit en stopte de half gekookte rijst in de ijskast. Ik pakte jou, sloot het huis en ging naar mijn moeder. Had ik geweten dat ik de hele afstand te voet moest afleggen, dan had ik de kracht niet gehad om van huis te gaan. Ik wilde mijn buurman om de hoek vragen een rit voor mij te maken, maar hij was net weg. Ik hoopte op boiti iemand te ontmoeten om mij te liften. Tenslotte gaf ik de hoop op en begon heel braaf met jou te lopen, de hele Eduard Abrahamsweg af, je weet tussen de Arya Dewaker Mandir en de Wanica Supermarket. Een week lang bleef ik bij mijn moeder.

Mijn situatie werd met de dag erger. Alle vezels van mijn maag scheurden. Ik betaalde me kapot aan taxi's en doktoren. Afgelopen maandag werd ik sito opgenomen in het St. Vincentius ziekenhuis. Je hebt me begeleid. In de auto heb je voortdurend mijn hand vastgehouden.

[p. 92]

Daar ging ik in de rolstoel naar de zaal. Wat was het zalig toen na een uur aan het infuus de pijn verdween. Maar dat zalige gevoel duurde niet lang. In de avond kwamen de pijnen terug. Vier dagen heb ik met de dood gestreden. Acht uur was ik onder narcose. Niemand verwachtte dat ik het zou halen. Jíj hebt me erdoorheen geholpen.

 

*

 

Het leven gaat nu normaler. Vandaag hebben we een vermoeiende dag gehad, met doelloze wandelingen. Vanmorgen stonden we om negen uur op. Een uur later gingen we van huis, naar Cindy's waar jij brood met kaas at. Ik nam olie-sardien. Daarna slenterden we de stad in en wandelden aan de Waterkant.

We stonden op de Platte Brug en keken naar de boten. Een van die boten heette ‘Vinoth’. Die boot trok mij aan en jij wilde er op. Na enig aarzelen stapte ik in. Eerst was ik bang en jij keek ook angstig om je heen. Maar toen wij eenmaal zaten en de boot ging varen voelde ik me gelukkig, midden op de rivier. Op Zonderzorg stapten de passagiers uit. Ik bleef zitten en we keerden direct terug.

Ik weet niet hoe lang we onder de amandelbomen aan de Waterkant hebben gezeten. Maar toen ik thuiskwam was het al laat in de middag. De avond viel snel. Jij sliep uitgestrekt, terwijl ik half-en-half naar de radio luisterde.

 

*

 

Het is zondag. Vervelend als elke dag. Al drie dagen lang geen gasbom. Ik kookte buiten op twee stenen. Vandaag heeft Sunil een gasbom gehaald voor mij. Sunil, die hopeloze jongen die om de hoek woont, in een Bruynzeelwoning. Laatst is hij naar Belèm geweest waar hij een vriendin heeft leren kennen. Nu komt hij afwezig over, zijn gedachten maken lange wandelingen naar Belèm.

De nacht klimt hoger en hoger in mij. De vijf-bij-zes-meter om mij heen is leeg en bleek. De stilte houdt mij gezelschap. In mij zaagt het alleen-zijn.

 

*

 

Lieve s., Vandaag ben je drie jaar geworden. Jouw vader ken je niet. Die is je nooit komen opzoeken. Toen jij één jaar werd, zei hij dat zijn geld geblokkeerd was. Maar dat zei hij al elf maanden terwijl hij het op een andere rekening had gezet. Een maand later zou hij er met al het geld en met mijn wagen vandoor gaan. Wij leefden van m'n ouders. En van uit het militaire hospitaal gestolen produkten, die hij ook verkocht om de benzine te betalen voor zijn uitjes met de vrouwtjes in mijn wagen. In alle wijken en gaten heeft hij kinderen. Ik heb geen cadeau voor jou. Vandaag heb ik geen rijst gekookt. Vanmorgen hebben we broodvrucht gegeten en 's avonds heb ik vermicelli klaargemaakt. Nu huil je omdat ik je geschreeuwd heb. Ik voel me eenzaam, weet je, ik breng je naar bed.

[p. 93]

De agenten in de stad staken. Het gaat over de ‘kwestie-Gooding’. De politiek gaat mijn verstand te boven. In de Gravenstraat heb ik een massa agenten gezien. Gisteravond is er op de haven geschoten. De bovenverdieping van het kantoor-Nieuwe Haven zit vol kogelgaten.

Ik liep vandaag in de Maagdenstraat. Alweer geen bus om naar huis te komen. Plotseling begonnen de mensen te rennen. Ik weet niet waarom, maar ik begon ook te rennen. Opeens was alles weer gewoon. Iedereen keek om. Niemand zag iets bijzonders, ik ook niet. Deze dinges zijn nu normaal in Suriname. Vijftien jaar terug zou dit ondenkbaar zijn.

Gisteren is er ook geschoten op de politiepost Lelydorp. Enkele gewonden, geen doden. De ambulance raasde op vijftig ketting van m'n vijf-bij-zes-meter voorbij. Alsof ie in mijn oor raasde.

Zo, nu weet je wat er zoal in onze wereld gebeurt en welke misère ons nog te wachten staat. Dat zal de dag van morgen uitwijzen.

 

*

 

Ik kan je niet zeggen hoeveel klachten ik vandaag heb.

Ik heb een brief uit Nederland ontvangen. Daarin staat dat mijn eerste dichtbundel klaar is vóór 1 november. De uitgeverij wil dat ik overkom omdat het de eerste keer is dat er een boek verschijnt in het Sarnami van iemand die in Suriname woont. Gisteren heb ik mijn visum aangevraagd. De heren van de bewakingsdienst zeiden me vandaag om acht uur te komen. Dat heb ik gedaan, maar nu zeiden de waakhonden dat ze mij niet kunnen helpen, omdat ik gisteren mijn naam niet opgegeven heb.

Bij alle reisbureaus ben ik langs geweest, maar nergens accepteren ze op dit moment een visumaanvraag. Ook maken ze geen reserveringen voor Amsterdam. Oververmoeid en natuurlijk woestkwaad ben ik naar j.r. van Cultuur gegaan. Hij was niet binnen. Met zijn secretaresse heb ik een afspraak gemaakt voor morgen.

De buurman die al een tijd achter me aanzit, is mij gisteren weer eens komen vervelen. Ik heb hem gezegd dat ik niks van hem wil. Ik zìt al zo in de puree. Hij zegt dat er geen geld is voor levensmiddelen en dat ik nodig een man moet nemen die alles voor me doet. Smekende buurman zegt dat hij al die tijd voor mij in Suriname gebleven is. Nu ik hem weiger gaat hij met zijn gezin voorgoed naar Nederland. Alsof ik hem niet eerder weigerde, denk ik bij mezelf. ‘Ik kan niet tegen dit liefdesverdriet’, zei hij, ‘ik ga echt weg.’ Deze minnaar, denk ik, heeft genoeg geld om met zijn gezin te verdwijnen, maar hij heeft geen kopercent voor jou. Ik vroeg hem of hij zijn tv aan mij wilde verkopen.

‘Nee, die heb ik allang aan een vriend beloofd.’ Wat een liefde, denk ik dan.

 

*

 

Lieve s., ik denk dat je een klachtenbureau voor mij wordt. Ik ben alweer twee

[p. 94]

dagen ziek geweest. Vandaag is het zondag. Vrijdagochtend kon ik niet uit bed voor de afspraak met Doctor j.r. Ik bleef tot kwart voor twaalf in bed. Ik was er ernstig aan toe, alsof de tijd zich herhaalde. Gistermiddag ben ik naar de pandit gegaan. Hij zegt dat jouw vader en zijn vader mij behekst hebben. Ik ben niet bijgelovig, maar het is waar.

Die oude buurman die een keer ruzie maakte, is vrijdagavond overleden. Om één uur 's nachts begonnen zijn huisgenoten te huilen. Ik schrok en jij schrok wakker. Ik heb een mes in de zak van mijn slaapjurk gezet en toen zijn we daar gegaan. Binnen een kwartier waren ze uitgehuild. Iedereen zat verder rustig en later werd er gesproken alsof er niets gebeurd was. Vreemd. Maar er gebeuren vreemdere dingen op de wereld, denk ik.

 

*

 

Ik ben naar Cultuur geweest en heb j.r. mijn probleem voorgelegd. Hij zei me een brief aan de directeur van Cultuur te schrijven. Dat heb ik gedaan. Het wachten is nu op visum en vertrekdatum.

Vreemd. Ik sta nu op het punt voor het eerst van mijn leven naar het buitenland te gaan. Nota bene naar Nederland. En ik ben niet blij of verheugd.

Ik had weer maagpijn en ben naar Kharailiweg gegaan, naar een odyhá [natuurgenezer]. Hij gaf me een liter rozewater om te baden.

Op de weg terug prikte de zon in mijn huid. Jij wilt nooit lopen en ik heb niet het hart om jou ertoe te dwingen. Op mijn enige bruine schoen sjouw ik elke dag met je hier op boiti. Terwijl ik dit schrijf knibbel je aan mijn tenen onder de tafel. Ik ben jouw slaaf.

 

*

 

Lieve s., het is zover. Dankzij j.r. heb ik een plaats in het vliegtuig. Hij heeft een reisbureau gebeld en toen kon ik mijn ticket gaan kopen. Ik ben gegaan, maar plotseling had die meneer geen zin om mij te helpen, hij moest zeker steekpenningen hebben. Hij zeurde dat er geen plaats is en dat ik op de wachtlijst zou komen. Maar hij maakte ook geen aanstalten om mij erop te zetten. Ik ging weg en ben daags erna weer naar Cultuur gegaan. Doctor r. belde hem weer op, en o ja, plotseling kon hij mij wel helpen.

Geboekt, en opnieuw terug naar Cultuur om een verklaring voor mijn vrij-van-belasting. Eén loperij in het belastingkantoor bij de Palmentuin.

Ik heb m'n visum. Alleen voor mijzelf. Ik mag jou niet meenemen. De Nederlandse Ambassade heeft duidelijk in mijn paspoort geschreven dat het visum niet voor jou is. Op 31 oktober reis ik naar Nederland. Gaat het tot jou doordringen dat dat een ander land is? We moeten het een poos zonder elkaar stellen. Als ik niet ga, zullen veel wegen krom lopen. Straks moet je naar school. Het is alsof wij beiden op iemand wachten. En dromen lijken nooit gedroomd te zijn.

prepostterug  begin  verder