terug  begin  verderprepost
[p. 112]

Rabin Gangadin
De terechtstelling van een soldaat

In de dodencel van de zwaarst bewaakte gevangenis van Paramaribo ligt een soldaat als een nietig wezen. Hij ligt op iets dat aanvoelt als een veldbed, behalve dat het een beetje verder van de grond af is en dat hij op een of andere manier plat op zijn rug ligt vastgebonden, zodat hij zich niet kan bewegen. Op zijn gezicht valt licht dat sterker dan normaal schijnt te zijn.

Als zijn ogen zich openen neemt hij zijn omgeving geleidelijk in zich op. Hij heeft de indruk, alsof hij naar boven is komen zwemmen in deze cel uit een heel andere wereld, een soort van onder-water-wereld die ver beneden ligt.

De stilte die in zijn cel heerst stelt zijn zenuwen op hoge proef. In deze stilte kan zelfs een heel kort briefje, in een verfijnd of zelfs in een abominabel handschrift, je opwinden. Meestal van een buitenstaander die met je meeleeft. De enige brieven die je in zo'n gevangenis kunnen irriteren zijn die van de zogenaamde heldere geesten aan wie je eens een lastig, ingewikkeld probleem ter oplossing hebt voorgelegd, een probleem meestal juridisch of esthetisch van aard. Dit soort mensen is een meester om door al wat nevelig en slijmerig is heen te snijden met een stuk of drie, zelfs vier kromsabelige regels die je altijd precies zo laten als je was vóór je het probleem voorlegde. Zelfs hun handschrift lijkt een armoede aan geest te onthullen. Vanuit een kalligrafisch standpunt bezien lijken ze wel achter hun eigen schaduw neergehurkt te zijn, zich schuilhoudend als een lafbek. Het is ze kennelijk aangeboren niet te voorschijn te komen met wat hun genoopt heeft je te schrijven.

Beurtelings cirkelen de gedachten van de soldaat rond twee polen, het afleggen van een valse bekentenis of het ondergaan van een marteling. Tegen hem bestaat een lange lijst van gepleegde misdaden zoals het lezen van verboden literatuur, het gebruiken van ongeoorloofde taalvormen en uitdrukkingswijzen, het uiten van meningen op een manier die men in Suriname niet gewend is casu quo waar men nog niet aan toe is et cetera. De bekentenis is een formaliteit, hoewel de marteling echt is. Hoe vaak hij geslagen is, hoe lang zij met het slaan zijn doorgegaan, hij kan het zich niet herinneren. Steeds waren er vijf zes mannen in militaire uniformen tegelijk met hem bezig. Soms waren het vuisten, soms waren het knuppels, soms waren het laarzen. Hij herinnert zich die vaag, omdat hij meestal werd gemarteld in zijn slaap of in een toestand van gevoelloosheid als gevolg van de heroïne waarmee men hem injecteerde. Hij kan zich enkel een moment herinneren dat hij over de grond rolde, schaamteloos als een dier, en dat hij met zijn lichaam de ene kant uit kronkelde en de andere in een eindeloze hopeloze poging de trappen te ontwijken. Er waren ogenblikken die hij tegemoet ging met het voornemen niets te bekennen en dat elk woord tussen snikken van pijn door uit hem moest worden geperst en er waren ogenblikken, dat hij zwakjes probeerde te geven en te nemen, door tegen zichzelf te zeggen: ‘Ik zal bekennen, maar nog niet. Ik moet

[p. 113]

het kunnen uithouden zoals Gandhi dat deed.’

Het is elf uur in de voormiddag als ze hem komen halen. Door het plechtige gezicht van de cipier, vermoedt soldaat k. dadelijk waar ze heengaan. Hij loopt achter de cipier aan met de bedaarde nonchalance die altijd over hem komt in ogenblikken van gevaar, als een onverwacht geschenk der barmhartigheid. Een ijzeren deur wordt geopend en knarsend gesloten. Hij heeft het gevoel alsof hij de lucht van deze gang al jarenlang heeft ingeademd, alsof de muffe atmosfeer van alle gevangenissen, die hij gekend heeft, hier is opgeborgen. Ze lopen over een nauw, raamloos binnenplaatsje; het is een blinde schacht, tamelijk donker, maar erboven hangt de open lucht. Aan de andere kant van het binnenplaatsje zijn de gangen helderder.

Soldaat k. wordt in een grote, langwerpige zaal gebracht waar vier wanstaltige mannen achter een tafel zitten en een stapel dossiers doornemen. Ze zijn keurig gekamd en leggen met hun enorme kinnen een zeer gemakkelijke en zeer gladde intelligentie aan de dag en tevens hun trieste verwaandheid van een kind. Als ze spreken, hoor je naar hen te luisteren, als ze zwijgen, hoor je hun zwijgen te eerbiedigen en niemand zal het wagen hen daarin te storen, niet omdat men zoveel respect voor hen heeft, maar omdat men bang is voor hun obscene gedachten.

Enkele gevangenen staan reeds opeengepakt aan de andere kant van de zaal en soldaat k. moet het hele vertrek doorlopen om zich bij hen aan te sluiten. Er zijn er een paar bij die hij kent en een paar anderen zijn waarschijnlijk Guyanezen. Het wachten duurt ongeveer drie uur terwijl de ondervragers voortvarend bezig zijn het onmogelijke uit een gevangene te rukken met allerlei kleinzielige vragen. Hij voelt zich afgestompt en leeg. Zijn hemd is kletsnat van het zweet en plakt op zijn huid: al minstens een uur loopt het water in straaltjes langs zijn lichaam en hij heeft er lange tijd niets van gemerkt. Hij vergenoegt zich ermee zijn hals met een zakdoek af te vegen, want nu voelt hij het zweet uit zijn haar in zijn nek lopen, en dat is een onaangenaam gevoel.

De bewakers brengen de gevangenen één voor één naar de tafel. De vier mannen vragen dan naar hun naam, hun beroep, hun leeftijd en hun anti-revolutionaire activiteiten. Naar de antwoorden luisteren ze niet eens, of tenminste zo lijkt het. Ze zwijgen alleen een ogenblik en kijken strak voor zich uit, daarna beginnen ze te schrijven.

Als soldaat k. aan de beurt is wordt hij ervan beschuldigd staatsgevaarlijke literatuur te lezen, dat hij tegen een affiche van de Grote Leider zou hebben gezeikt en dat hij linkse mensen dezelfde karaktereigenschappen toedicht als die van pissebedden, die alleen onder de bloempotten vandaan durven te kruipen als zij hun lege koppen met een sprankje zonlicht willen overgieten, anders blijven ze er lekker vadsig en goor onder. Soldaat k. wordt ter plekke gekarakteriseerd als een fervente en onverbiddelijke anti-revolutionair en wordt de doodstraf aangezegd. De soldaat vindt dit zo'n belachelijke uitspraak dat hij erom moet lachen, hoewel hij beseft dat de situatie hiervoor eigenlijk te ernstig is. Het is voor hem inspannend met deze onontwikkelde mannen te praten; hij heeft weinig kracht vanwege

[p. 114]

zijn slechte gezondheid en de ontoereikende voeding. Tijdens ieder verhoor heeft hij doorlopend ontzettende pijn in zijn gewrichten. Hij is al uitgeput, en voelt zich ook zo zwak. Maar hij moet blijven praten om te proberen zichzelf te zuiveren van blaam, ook al heeft hij er geen idee van hoe ze om te beginnen aan hun belachelijke uitspraak zijn gekomen.

Omdat de tegenargumenten niets hebben opgeleverd wordt soldaat k. naar het vuurpeloton meegesleurd. Ze trekken hem weg met een houterige, ingestudeerde greep zodat ze zo'n eenheid vormen, dat ze allen op de grond zouden komen te liggen als je een van hen zou willen neerslaan. Het is een eenheid die bijna alleen door levenloze stof gevormd kan worden.

De leider van het vuurpeloton leest hem voor dat hij door zijn eigen handelwijze hier is beland. Hij zegt: ‘Je hebt geweigerd je nederig te gedragen voor je meerderen, je hebt je willen tonen als een éénpersoonsmeerderheid, een gedisciplineerde geest. Je denkt dat je in dit land het recht hebt je eigen werkelijkheid zelf te maken en dat de meerderen, die boven je gesitueerd zijn niets te zeggen hebben over wat je mag denken, over wat je zelf leuk mag vinden et cetera. Oe-wwij zijn hier geen Europeanen die denken dat elk individu een op zichzelf staand wezen is, of zoals die gekke Fransman, hoe heet die weer, enfin, die zei dat het individu een entiteit is, een zekerheid. Weg met die flauwekul en ik hoop dat je in je volgend bestaan als een normaal en weldenkend iemand in het leger terug zult komen.’ Hij maakt rechtsomkeert, wendt zich tot het peloton en geeft het commando te vuren. Het bevel eindigt met een snik van pijn voor de soldaat. Over zijn hele lichaam is het zweet uitgebroken. De lucht dringt met geweld zijn longen binnen en stroomt weer naar buiten in een diep gekreun, dat hij zelfs door zijn tanden opeen te klemmen niet kan doen ophouden.

Er klinkt één harmonisch geklak zonder dat er geschoten is. Soldaat k. blijft als een hoopje schaduwrest op zijn plek staan. Hij heeft elke seconde als een levensteken gevoeld waar hij als een verdoemde ziel naar graaide, naar zijn laatste beetje genot. Als hij merkt dat zijn organen nog functioneren en dat hij alles nog kan zien lijkt voor hem het ogenblik aangebroken dat zijn bewustzijn plotseling is opgehouden en na een leemte in de tijd weer gaat beginnen. Maar of die tussenpozen dagen zullen duren, weken of enige seconden, daar kan hij niet achter komen.

prepostterug  begin  verder