terug  begin  verderprepost
[p. 115]

Albert Helman
Ebenhezer ziet de nieuwe mens

Het eerst trok hij mijn aandacht toen ik nog een kleine jongen was, omdat hij een grote teen miste. De jongens noemden hem daarom Kofi Negentien, maar later, toen ik hem zelf sprak, hoorde ik zijn echte naam: Ebenhezer Burlington MacDonald. Ebenhezer was hij gedoopt toen hij lidmaat werd van de Vrije Evangelische Broedergemeente; de beide andere namen waren die van zijn vroegere meesters, want hij had de slavernij nog gekend, en wist zich nog heel goed te herinneren dat hij eigendom geweest was. Hij behield met hun namen ook een heimelijk en blijmoedig ontzag voor zijn vroegere meesters. Toen we goede vrienden werden, ging hij zelfs zo ver te beweren dat ik geparenteerd moest zijn aan de Burlingtons.

De vriendschap tussen ons heeft altijd iets kinderlijks gehad. Hij werkte langs de weg, en ik stond met een vies bundeltje schoolboeken onder de arm in stomme verbazing te kijken naar de afwezigheid van die ene teen. Toen ik opzag, waren Ebenhezers bruin-belopen ogen op mij gevestigd. Nu wordt hij kwaad, dacht ik. Maar zijn lippen krulden uiteen, en lieten de lach van zijn helwitte tanden vrij. Dan stak hij de spade in de grond, ging wijdbeens staan, stak als een danser zijn rechterhand uit met gespreide vingers, en dan zijn linker, terwijl hij zei: ‘Vijf en nog vijf.’ En stampend met zijn rechtervoet en met zijn linker: ‘En vijf en vier... is negentien. Heeft de kleine blanke dat ook op school geleerd?’

Wij lachten samen luidop, tot ik vroeg: ‘Maar hoe komt het van die ene teen?’

Ebenhezer ging zitten op de zandhoop die hij juist gemaakt had, en begon een van zijn duizenden verhalen. Hij was in 't bos op jacht gegaan naar armadillen [gordeldieren] die je roosteren kunt in hun eigen pantser. Het is geen moeilijke jacht, maar elke armadil leeft in zijn hol te zamen met een slang, als man en vrouw. Als je het ene dier gevangen hebt, wordt je achtervolgd door het andere. Hij had niet aan de slang gedacht, had plotseling de dodelijke beet te pakken in zijn grote teen. Hij wist dat slechts één middel hem nog redden kon, en sneed zichzelf die teen af met zijn kapmes.

‘Ik heb hem in mijn zak gestopt en meegenomen’, zei Ebenhezer, ‘en ik heb er een middel van gemaakt tegen slangebeet. Tegenwoordig lopen ze weg als ze mij zien of ruiken.’ Zo begon onze kennismaking.

 

Toen wij elkaar reeds vaak gesproken hadden, ging ik eens met hem mee naar huis. Hij had daar een dikke, goedmoedige vrouw, iets lichter van kleur dan hij; de oudere mensen noemen deze soort ‘rooie negerinnen’. Hij had ook een klein jochie en twee dochters, die iets ouder waren dan ik. ‘Zij zijn al op de catechisatie’, zei hij, ‘en ze leren al de Bijbel lezen.’

Op dat ogenblik interesseerde het mij matig, en was het mij alleen maar om Ebenhezers griezelverhalen te doen. En hij spaarde ze mij niet. Nu eens waren het

[p. 116]

verschrikkelijke jachtavonturen, dan weer drastische scènes uit de martyrologie van al die honderden plantageslaven: losse episoden uit het zwartboek van een arische overheersing.

Maar wat wist ik er destijds van? Ik herinner mij alleen de schittering van zijn ogen, wanneer hij vertelde van de ‘Spaanse bok’ die hij als een jongen van mijn jaren in het Binnenfort kreeg toegediend voor een diefstal die ‘de kleine Heer’, het zoontje van zijn eigenaar, begaan had. Een enkele maal ontstond er interruptie, zoals bij het verhaal van de neger die met een haak aan een van zijn ribben werd opgehangen wegens een brutaliteit.

‘Schei toch uit’, riep zijn vrouw vanuit het keukentje, met een gekreun van walging. ‘Ik weet niet wat voor plezier je erin hebt om witmanskinderen met zulke smeerlapperij lastig te vallen!’

Ebenhezer draaide grappig met zijn ogen, gaf mij een knipoog en zei toen waardig: ‘Ma Cora, zeg geen smeerlapperij. Staan dergelijke verhalen dan niet in het woord Gods?’ Ma Cora antwoordde slechts met een smakgeluid dat het duidelijkste blijk van haar verachting was. Maar Ebenhezer liet niet af, en riep zijn oudste dochter. ‘Zoek het verhaal van Jesabel en Achab, en lees het voor. De slaventijd was kinderspel; maar dit...’ Doch als een tweede Jesabel verscheen Ma Cora nu zelf ten tonele en zei: ‘Hoor toch eens Ebenhezer... De soep is klaar.’ En het heilige boek bleef ongeopend.

 

Eens werd het zwarte knaapje ziek, en stierf na enkele dagen. Ma Cora in het donkerblauw gekleed, zat nu een avond lang te schreien in een hoek, en de twee dochters, Thisbé en Mariposa, spraken alleen fluisterend met elkaar, of spelden halfluid blad na bladzij, met hun zwarte, bleekgetopte vingers bij het moeilijke woord.

Ebenhezer rookte uit een stenen pijpje en zon op al zijn godsdienst. Halve spreuken ontsnapten hem: ‘Wien de Heer liefheeft...’, en na vijf minuten zwijgen weer een ander: ‘Bewaart uw ziel...’, en dan na een poos: ‘Niet mijn wil, Heer...’ Hij zei dat, zonder acht te slaan op mijn aanwezigheid, en zonder dat een van de anderen opzag of ook maar schijnbaar naar hem luisterde. Tot op een avond Ma Cora uit zichzelf opstond en zei: ‘Een mansneger is toch een onbehouwen iemand. Heb je geen hart, Ebenhezer, om dat witmanskind hier avond aan avond te laten komen, en te doen alsof je sterfhuis houdt?’

‘Ik ken geen verhalen meer’, zei Ebenhezer. Maar de vrouw sprak energiek: ‘Kom tot jezelf, neger.’ En met een hoge stem, die toch even beefde, begon zij het oude lied:

 
Ik toefde lange jaren, totdat de wagen kwam,
 
de zoete wiege-wagen, die allen medenam.
 
Mijn vader en mijn moeder, mijn zuster en mijn kind,
 
mijn broeders en mijn magen, en reeds zo menig vrind.
[p. 117]

Het was een hard en helder lied, waarvan de weemoed uitgesponnen scheen over zoveel intervallen, waarin de stem van bevend-hoge tonen naar een doffe diepte dook, en daar gewiegd werd door het zachtjes op en neer gaan van Ma Cora's hoofd, en door een licht bewegen van Ebenhezers vingers. Hij zong niet mee, maar toen het refrein kwam: ‘Wagen, wagen, zoete wagen’, en ook de beide meisjes het koraal, driestemmig nu, ten einde zongen, bewoog zijn ganse bovenlijf en ook zijn handen; als een vreemde, priesterlijke dans op het trage ritme van zijn moeizaam weggeslikte snikken, was dit bewegen.

En nu eerst werd het mij te machtig, werd ik bang voor sterven en voor mensenleed dat ik nog niet begreep. Op 't stille pad hoorde ik in de verte nog, hoe moeder Cora's scherpe stem een tweede lied begon.

 

‘Wat zal het schoon zijn, wat je allemaal daar zien zult in het blankenland’, sprak Ebenhezer.

‘Nou!’ zei het jongetje van twaalf. ‘Er zijn auto's, grote treinen, vliegmachines. En heel hoge huizen waarin wel honderd mensen kunnen wonen.’

‘Zorg dat je niet verdwaalt’, antwoordde Ebenhezer. ‘Het moet er wel ontzaglijk prachtig zijn. Maar ik zou toch bang zijn om het mee te maken.’

‘Ik ben niet bang, oom Ebenhezer.’

‘Een witmanskind hoeft niet bang te zijn. Al ben je hier geboren, ginder ga je alles leren, en je zal als een grote gentleman terugkomen. Ik hoop het, en misschien zal ik het nog beleven.’

‘Misschien. Ik zal je schrijven hoe het gaat.’

‘Natuurlijk zal je schrijven. En vergeet dan niet mij te vertellen wie je vrienden zijn, en of je daar misschien ook 's avonds bij een oude man gaat zitten om te luisteren naar zijn gepraat. En als dat zo is, zorg dan dat je Ebenhezer niet vergeet. De Heer geleide je op al je wegen, massah!’

Het was de eerste keer dat hij mij ‘massah’ noemde. Een vrije neger noemt een kind geen meester meer; maar op het ogenblik van afscheid voelde hij misschien, hoezeer het kind zijn hart overmeesterd had, en dacht hij mogelijk aan later, als zijn vriendje dandyachtig en vereuropeaniseerd terug zou komen, en op gemelijke toon zou zeggen: Ebenhezer, haal mijn wandelstok.

Een blikken trommel gaf hij mij als afscheidsgift. Er lagen vruchten in en confituren door Ma Cora zelf gekookt; ook een nieuwe katapult, gelijk aan die welke Ebenhezer vroeger al eens voor mij gemaakt had. En op de bodem een papiertje dat hij Thisbé had laten schrijven: ‘Gelijk David overwin den Goliath en alle Philistijnen.’

‘Je mag het briefje eerst lezen als je op de boot bent’, zei de oude neger. Maar toen ik het doorlas, kon ik zijn koninklijke wens nog niet begrijpen.

 

Bijna twintig was ik, toen ik weer terugkwam uit Europa. Er was veel veranderd in het land, en veel voor Ebenhezer. Ma Cora was gestorven als een vrome ziel, en hijzelf had een kort grijs baardje en liep nu meestal met een stok. De oudste

[p. 118]

dochter, Thisbé, was getrouwd met een plantageneger die rubber tapte in het bos, en die zo nu en dan ook goud zocht, als er weer een nieuwe mijn ontdekt was. De andere, Mariposa, diende bij mijn oom, en was een mooie jonge vrouw geworden.

Toen ik Ebenhezer terugzag, heb ik hem het eerst weer herkend aan zijn ontbrekende grote teen. Hij was zeer vriendelijk, maar spoedig zag ik toch, hoe het vertrouwen was verdwenen dat alleen een kind genieten kan. Geen enkele geschiedenis heeft hij mij meer verteld; hij klaagde slechts over zijn schoonzoon: ‘'t Is een neger zonder maar een cent geloof; hij leeft zoals een wild dier maandenlang in 't bos. En als hij in de stad komt, verkwist hij al zijn geld in twee, drie dagen. Als Thisbé niet uit wassen ging, kon ze niet leven met haar kleine negers.’

Dit huwelijk zat hem dwars. Steeds als ik hem ontmoette, begon hij weer opnieuw daarover. En enkel Mariposa, die 's avonds naar hem toe ging, scheen zijn troost. Van haar vernam ik later, hoe de teen van Ebenhezer niet door een slangebeet verloren ging, maar doordat zijn vroegere heer hem eens ‘per ongeluk’ in haast geraakt had met een scherpgepunte wandelstok.

Hij heeft het niet ontkend toen ik hem naar de waarheid vroeg, maar zei alleen, dat al de jonge negers tegenwoordig niet meer wisten wat ze moesten zeggen en waarover zwijgen. Vroeger, in zijn slaventijd, waren de negers beter gemanierd. En hadden ze meer hart.

‘Maar Ebenhezer’, zei ik, ‘kijk eens naar je dochter. Ze draagt schoenen, draagt op feesten zelfs een hoed; ze leest de Bijbel voor, hoeft op landskantoren niet alleen een kruis te zetten als haar naam. Is dat geen vooruitgang?’

‘Ik tel het voor een niets, mijn massah’, antwoordde de oude man. ‘Hoe kan een geleerde blanke als gij zijt, het tellen? Met de eerste de beste neger gaan ze mee en maken kinderen, en denken niet om godsdienst of om kinderplicht. Hun moeder droeg een doek, heeft nooit een schoen gehad; ge hebt haar zelf gekend als kleine heer... Was ze niet braaf en beter dan het zwarte vrouwvolk van vandaag?’

Een andere maal hoorde ik nog juist de woorden die zijn getrouwde dochter mee naar huis kreeg: ‘Zeg aan die nieuwe neger die je man is, dat hij zich als een blanke kan gedragen zoveel hij wil, hij blijft niets anders dan een slaaf die weggevlucht is in de bossen en die in de grond naar goud wroet als een miereneter en een powies [zwarte hoender]. Zeg hem dat zijn broek en jas en bruine schoenen hem nog niet verschillen laten van een aap, zolang als hij zonder een godsdienst leeft, zijn geld verbrast, en met zijn zatte vrienden door de stad in auto's rijdt.’

Nog stond de oude Ebenhezer met zijn opgeheven handen als een zwarte Jeremias voor zijn zwangerzware dochter - de profeet van een verdwenen ras - toen hij mij zag en boos naar binnen ging.

De schoonzoon ontmoette ik nog diezelfde dag. Hij had twee gouden ringen aan zijn vingers en een ringetje in het oor; hij zwaaide met een wandelstok en dopte sierlijk toen ik bij hem was. Toch liet hij mij weer even aan de oude Ebenhezer denken, toen ik zag dat hij geen sokken droeg. En op mijn vraag hoe 't met de zijnen ging, gaf hij ten antwoord: ‘Thisbé moet bevallen deze week, en de oude man is nog niet dood. Ik heb de vorige maand zesenveertig gram goud gevon-

[p. 119]

den, en weet u reeds dat Mariposa de concubine is van een blanke ambtenaar?’

Ik gaf hem een sigaar, en uit de diepte van zijn linnen vestjeszak werd na de geparfumeerde zakdoek zowaar een gouden sigarettenaansteker voor de dag gehaald.

‘Zo heb je in 't bos tenminste nog wat luxe’, zei ik.

Maar de nieuwe neger lachte om mijn ironie en sprak: ‘Geen auto's en geen bars. Het is een negerland daarginder, sir. Als de regering maar wat meer beleid had...’

Ik denk dat Thisbé's zoon over een jaar of tien zijn vaders advocaat zal zijn; in ieder opzicht. Als de oude Ebenhezer reeds voorgoed vergeten is...

prepostterug  begin  verder