terug  begin  verderprepost
[p. 128]

Ismene Krishnadath
Die Andere Wereld

Er verscheen een grijns op het gezicht van Chandrika toen hij de uitspraak van de rechter hoorde.

Levenslang!

Met een vermoeid gebaar sloot Naritsha haar attachékoffer. Dit was zeker haar meest hopeloze zaak geweest, sinds ze vijf jaar geleden haar loopbaan bij de balie begon.

Chandrika had op een eigen wijze zijn gewelddaden in de rechtszaal openbaar gemaakt, zonder enig teken van schaamte of schuldbewustzijn. Volgens het psychiatrisch rapport week zijn rechtsgevoel af van dat van de vigerende rechtsorde. Hij kwam uit een buurt waar het macho-ideaal nog hoog stond aangeschreven, en als oudste man maakte hij thuis aanspraak op een absolute machtspositie, die hem in staat stelde zonder enige kritiek de meest walgelijke staaltjes uit te halen, wat naar zijn gevoel zijn autoriteit keer op keer weer bevestigd had. Ondanks deze psychiatrische analyse, of misschien wel dankzij, had Chandrika de zwaarste straf gekregen.

‘Yu no du mi noti, mi kisi den moi!’ [Jij hebt mij niets aangedaan, ik heb ze mooi te pakken gehad!] Chandrika vond het nodig dit de rechter nog even voor de voeten te werpen, voordat hij weggeleid werd door de politiebeambten. Zijn reactie was typerend voor de houding die hij gedurende het hele proces had aangenomen. Misschien had hij wel gelijk. Een dak boven je hoofd en drie maal daags een maaltijd voor de rest van je leven, was, in vergelijking met de pinari [armoede] waarin zijn familie leefde, niet eens zo gek. Bovendien had het drama waarin hij de hoofdrol had gespeeld, bewezen dat zijn macht aan het afkalven was.

Naritsha voelde een enorme behoefte aan rust in zich opkomen. Ze wilde weg, weg van de rechtszaal, en ze was blij dat ze twee weken verlof had opgenomen. Ze zou naar Koton gaan, naar het oliepalmdistrict. Niets leek haar op dit moment hemelser dan een wandeling op blote voeten over de hete zanderige paden rond de planterswoning, die als guesthouse dienst deed. Ze was er al vaker geweest en ze had altijd het idee dat de enigen die zich in Koton druk schenen te maken de mieren waren, altijd in beweging, hun groene parasolletje op hun rug meesjouwend.

Stukken opgewekter, nu ze haar vakantie in het vooruitzicht had, pakte ze haar attachékoffer op en verliet de rechtszaal.

 

De weg naar Koton slingerde zich door een bosrijk en heuvelachtig gebied. Naritsha genoot van de aanblik die het ogenschijnlijk onbeweeglijke oerwoud haar bood. Zonnestralen trilden tussen de fel blauwe hemel en het massale groen, dat slechts hier en daar werd opengebroken door de cola-achtige kleur van boskreekjes en gele of paarse toppen van in bloei staande bomen.

[p. 129]

Haar wagen klom tegen de zoveelste heuvel op. De top belemmerde haar uitzicht en ze drukte het gaspedaal wat dieper in. Ze hield van de triomferende momenten waarop het panorama zich in al zijn weidsheid voor haar uitstrekte.

Nog nauwelijks een meter restte haar tot de top toen er een schaduw over de wagen viel. De confrontatie met de schaduw gaf een enorme klap, waarna de wagen ongecontroleerd over het wegvlak schoof om het daarna geheel los te laten. Naritsha zweefde. Haar enige houvast was het stuur, dat ze zo krachtig omklemde dat haar knokkels er wit van zagen. Ik ga dood, schoot het door haar heen en op hetzelfde moment werd ze rustig.

- Eens moet het toch gebeuren. -

Hoewel de auto een duizelingwekkende vaart moet hebben gehad, kwam hij vreemd genoeg zachtjes neer en Naritsha kon zonder enige moeite het portier openen en uitstappen. De bodem was stevig, zelfs een beetje rotsachtig. Niet wetend hoe verder te handelen bleef ze naast de auto staan.

‘Au.’ Een kleine zwarte mier zat op haar voet. Hij had zijn kaken stevig in haar vlees geslagen.

‘Sorry, maar ik sta al een tijdje te schreeuwen. Omdat je niet reageerde moest ik je wel bijten.’ Naritsha realiseerde zich dat het de mier moest zijn die sprak. Geen wonder dat ze hem niet had gehoord. De manier waarop hij sprak hield het midden tussen het gefluit van een vogel en het gesis van een slang. De woorden hadden een eentonig ritme dat als volgt ging: lang-kort-lang-kort-lang-kort-lang-lang-lang-kort-kort-kort. De toonhoogte was precies zo. Hoog-laag-hoog-laag-hoog-laag-hoog-hoog-hoog-laag-laag-laag. Het geluid was zo natuurlijk voor de omgeving, dat ze onder normale omstandigheden nooit woorden uit de klanken had kunnen afleiden. Ze boog zich naar hem toe.

‘Wat is er, mier?’

‘Ik ben je gids naar Die Andere Wereld’, zei de mier. ‘Zet me op je schouder, dan kan ik overal met je meewandelen. Bovendien ben ik dan dichter bij je oor en hoef ik niet meer zo te schreeuwen.’ Naritsha pakte de mier van haar voet en zette hem op haar rechterschouder.

‘Zullen we gaan?’ vroeg de mier.

‘Er ligt iemand in de auto’, merkte Naritsha op. ‘Moeten we niet even gaan kijken.’

‘Dat is je lijk’, zei de mier. ‘Dat verdwijnt vanzelf wel. Daar zorgen de tijd en de maden wel voor.’

‘Mijn lijk?’ Naritsha keek vragend neer op haar schouder.

‘Ja, je bent toch dood. Neergestort in een ravijn.’

‘Toch moet ik even gaan kijken’, zei Naritsha bezorgd. De mier zuchtte.

‘Als ik geweten had, dat je zo koppig was, had ik er wel twee keer over nagedacht, voordat ik “ja” zei, toen ze me vroegen of ik je gids wilde worden.’

De ruiten van de auto waren aan scherven gegaan. Het portier was flink ingedeukt en ze vroeg zich af hoe ze het zonet zo gemakkelijk had open gekregen. Het hoofd van haar lijk lag schuin op de romp. De nek was gebroken. Uit talloze

[p. 130]

snijwonden druppelde vers bloed. Een lange glassplinter had haar gezicht opengereten en zelfs een stuk van haar oog meegenomen.

‘Kom nou mee’, hoorde ze het fluitstemmetje van de mier weer. ‘Als je te lang kijkt, wil je er straks weer in en dat heeft geen enkele zin.’

‘Wat zielig dat ik zo aan mijn einde moest komen’, merkte Naritsha op. De mier liet een afkeurend gesis horen.

‘Dat is nou echt het denken van een levende. Je bent helemaal niet aan je einde.’ Naritsha voelde zich een beetje schuldig.

‘Sorry’, zei ze, ‘ik moet nog even wennen aan mijn nieuwe status. Welke kant gaan we op?’ De mier haalde zijn voelsprieten op.

‘Dat doet er eigenlijk niet zo veel toe. Kies maar een kant uit die je leuk vindt. We kunnen ook naar onder of naar boven gaan.’ Naritsha besloot de mier uit te dagen.

‘Ik heb altijd gehoord dat er in het leven na de dood een hel is. Kunnen we daar niet eens een kijkje gaan nemen?’ De mier siste weer.

‘Als ik geweten had dat je zo vreemd was...’ Naritsha viel hem snel in de rede. ‘Ach, heel even maar. Ik ben alleen maar nieuwsgierig. Ik wil er natuurlijk niet blijven.’

‘Nou, vooruit dan maar’, floot de mier met lage tonen en met zijn voelsprieten gaf hij de richting aan waarin ze moesten gaan.

Naarmate ze verder liepen nam de begroeiing af en steeg de temperatuur. Toen er geen boom meer te bekennen was en de zon genadeloos op hen losbrandde, zagen ze een oude man zitten. Aan zijn voeten lagen twee half verkoolde lijken. Het gedeelte van de lichamen dat niet verkoold was, was tot ontbinding overgegaan en maden krioelden over wat eens benen en borsten geweest moesten zijn. Het geheel verspreidde een ondragelijke stank. Naritsha werd onpasselijk en kokhalsde. De man die vrij gelaten bij de lijken zat, merkte haar op. Toen Naritsha zijn ogen zag, bekroop haar naast het gevoel van ellende, dat ze altijd kreeg als ze misselijk was, een gevoel van angst. Het was Chandrika. De angst verlamde haar. Ze was niet meer in staat zich te verroeren, noch te gillen. Chandrika was waanzinnig geworden. Althans, dat maakte ze op uit het hysterisch gelach en de woorden die hij tegen haar schreeuwde.

‘Mi kisi den moi! Net goed!’ Zijn woorden repeteerden zich in een steeds luider wordende echo. De mier, van een grote tegenwoordigheid van geest getuigend, rende naar haar gehooringang.

‘Vlucht’, floot hij zo hoog als hij maar kon, pogend het heidens kabaal te overstemmen. Naritsha reageerde. Ze rende zonder te kijken waar naar toe. De richting die ze had gekozen bleek regelrecht naar een huis te leiden. Ze rende naar binnen. Opgelucht leunde ze tegen een triplex-wand aan. Een huis bood tenminste enige bescherming. De mier deelde haar opluchting niet.

‘Ik heb er genoeg van’, siste hij. ‘Ik wil weg hier.’ Naritsha knikte gedwee. Het overmoedige gevoel, waarmee ze had voorgesteld naar de hel te gaan, had haar volkomen verlaten. Ze keek zoekend rond. Vanuit een ander deel van het huis

[p. 131]

klonken stemmen. Voorzichtig bewoog Naritsha zich in de richting ervan. Het bleek te komen uit de kamer waar de deur rechts van haar toegang toe verschafte.

Chandrika, die ze zoëven nog bij de lijken hadden zien zitten, stond nu in een van de zijkamers met een meisje van een jaar of elf tegen zich aan geklemd. ‘Kom nou, beti [meisje]. Wees lief voor ájá [opa].’ Naritsha merkte dat hij lalde. Het meisje probeerde zich los te rukken. Toen dat niet lukte spuwde ze in zijn gezicht.

‘Zuiplap’, zei ze minachtend. Woedend wierp Chandrika haar van zich af, zodat ze met haar rug tegen de rand van het bed dat in de kamer stond, viel. Ze gilde het uit. De man sloeg er geen acht op. Integendeel, hij trapte tegen haar onderbuik.

‘Chandrika hou op’, gilde Naritsha en ze rende naar voren met de bedoeling hem van het meisje, van wie ze wist dat het zijn kleindochter was, weg te trekken, maar toen ze zijn hemd wilde vastpakken, merkte ze dat haar hand dwars door het lichaam van Chandrika schoot. Ze probeerde het nog eens, maar weer greep ze alleen maar lucht. Chandrika's kleindochter was veranderd in een kreunend hoopje ellende.

‘Vuile hoer’, beschimpte hij haar. Hij maakte zich gereed voor de seksuele overmeestering, maar de binnenkomst van een ander meisje hield hem tegen. Op haar gezicht was haat, angst, afkeer en wanhoop te lezen. Haar hand omklemde een houwer. Chandrika keerde zich van zijn eerste slachtoffer af en kwam nu dreigend op het andere meisje af. Ze hief de houwer op en sloeg van zich af. Ze schramde zijn arm. De pijn vermenigvuldigde de duivelse woede, die reeds bezit van hem had genomen toen zijn kleindochter hem in het gezicht had gespuwd. Hij ontweek een nieuwe houwerslag en sloeg met zijn volle vuist in het nog kinderlijke meisjesgezicht.

‘Je bent geen haar beter dan je zuster’, gilde hij. ‘Twee sletten. Jullie willen niet meer, hè. Ik zal jullie leren.’ Hij rukte de houwer uit de trillende handen van zijn jongste kleindochter en begon op de twee in te hakken. Een regen van de smerigste termen vermengde zich met het gegil van de meisjes. Naritsha en de mier keken ontzet.

Toen het gegil van de meisjes verstomde en ze in een bloederige hoop armen en benen veranderd waren, gooide Chandrika de houwer van zich af. Hij keerde zich om en keek Naritsha recht in de ogen. Ze wachtte dit keer niet op instructies van de mier. Ze vluchtte het huis uit. Waanzinnige lachsalvo's achtervolgden haar en een plotselinge hittewalm sloeg tegen haar rug aan.

‘Harder’, floot de mier, die haast hysterisch van angst was. ‘Hij heeft het huis in brand gestoken.’ Doodsangst - of was het helleangst - gaf Naritsha vleugels.

Langzaam werd de hittewalm minder en kwamen de eerste tekenen van vegetatie in zicht. Toen de schaduw van een boom op haar viel, durfde Naritsha haar vaart wat af te remmen, maar echt veilig voelde ze zich pas met de humusrijke aarde van een bospad onder haar voeten.

Hijgend boog ze zich voorover om op adem te komen, maar de twee ren-

[p. 132]

nende figuurtjes die ze in de verte ontwaarde toen ze tussen haar benen door naar achteren keek, deden haar zich weer snel oprichten.

‘Het zijn die meisjes’, zei ze tegen de mier. De mier knikte.

‘Ze gaan er ook naar toe.’

‘Waar naar toe?’ vroeg Naritsha onnozel. De mier gaf geen antwoord, want de meisjes waren intussen bij hen gestopt. Er klonken twee korte fluitstoten. Naritsha zag dat elk meisje een kleine zwarte mier op de schouder had. Haar mier beantwoordde hun groet met een enthousiaste hoog-laag-hoog-klank. Naritsha wachtte niet meer op zijn antwoord.

‘Laten we gaan’, zei ze tegen de meisjes, ‘naar Die Andere Wereld.’

prepostterug  begin  verder