terug  begin  verderprepost
[p. 166]

Ken Mangroelal
Discours van een kleinzoon

Van de zomer wordt u negentig. De familie wil dat groots vieren. Uitnodigingskaarten zijn verstuurd naar familieleden in Amerika en Europa. Allen zullen zij gedwee toestromen naar ons plekje in de Caraïbische Zee.

Alleen ik zal niet verschijnen. Dat is zonneklaar.

Wat jullie makkelijk afgaat, daar heb ik de grootste moeite mee. Ik krijg het gewoon niet voor elkaar mijn eenpersoonsvilla in de Bijlmer voor een familiefeest te verlaten. Ik ben goed ter been, niet ziek of lui, ik heb geen pleinvrees, geen fear of flying en ook zit ik niet op zwart zaad, mocht u denken dat mijn absentie het gevolg is van het feit dat ik niet bij de stadskredietbank terecht kan om een paar duizend gulden te lenen. Waar de invitatie mij niet uitnodigt te komen? Waarom jullie feestvreugde mij onbewogen laat? Wat een vragen. En onveranderd stel ik die. Hoe anders had de wereld er niet uitgezien als een dergelijke vraag bij een van jullie ooit was opgekomen.

Om kort te gaan. Als ik niet kom dan ligt dat niet aan jullie. Dat hoef ik natuurlijk niet te zeggen. Dat is voor jullie evident. Alleen een gek als ik bevraag jullie evidenties.

 

Jongen, wat is er toch met jou aan de hand. Je had ook je studie economie moeten afmaken en terug moeten komen. Wie blijft er nou in dat kouwe kikkerland rondhangen. En wie haalt het nou in z'n hoofd economie te laten schieten voor filosofie? Wat heeft die filosofie je gebracht? Het heeft geen hoogleraar van je gemaakt, maar een proletariër. Kijk hoe je rondloopt. In tweedehands kleren. In andermans afgedankte kleren loop je rond. Met al je papieren, met al je hoogwaardige papieren heb je het tot de Bijlmer gebracht waar je natuurlijk stiekem bijstand opstrijkt. Zo ben je niet opgevoed. We hebben je mores geleerd en veel van je verwacht. Maar jongen, wat lijk je toch op je vader. Die man, die had groot kunnen zijn. Maar die filosofie en die drank, dat heeft 'm te pakken gehad. Moet je nagaan, een man van zijn intelligentie. Niemand van ons kon tippen aan zijn intelligentie. En met al zijn geleerdheid, en al z'n eruditie raakte hij van de geplaveide weg af en kwam terecht in de sloot, waar hij dan ook letterlijk in verzoop.

 

‘Join us’, staat er op de invitatiekaart recht boven de kale kruin van een clown op de schommel, die breed naar me lacht als ik de tekst boven hem in gedachte vocaliseer. Dat een clown, een wezen wiens ware gezicht achter het gefingeerde schuil gaat, tussen ons intermedieert, dat moet voor onze onderlinge verstandhouding toch wel tekenend zijn. Of leef ik in de ‘verkehrte Welt’? Ben ik voor jullie de echte clown? Het wezen wiens ware gezicht gefingeerd is?

 

En dan het ‘Join us’, sec. Ja, ik kan wel komen opdagen om jullie suggestieve

[p. 167]

idee dat wij één familie zijn in stand te helpen houden. Daar bedank ik voor. Jullie moeten toch wel onderhand weten dat de gevoelssferen ‘patria’ of ‘familia’ mij sentimenteel koud laten. Een ernstige emotionele tekortkoming van mijn kant. Dat geef ik toe. Maar mijn frigiditeit verklaart tenminste waarom ik jullie ‘Wir-Gefühl’ niet kan meevieren. Ik ben qua geboorte een van jullie, maar niet qua gevoel.

Dat onderscheid dat me net ontviel, dat beroerde me even. Eensklaps zag ik in één zin de continuïteit en de breuk met jullie voor me. Naast onze roots, onze ontaarding. En deze beide feiten, in die ene zin door de komma van elkaar gescheiden en dan weer samengevoegd tot een nieuw feit.

Deze conjunctie behelst een synthese van onze oorspronkelijke nabijheid en daaropvolgende verwijdering. Een samenvoeging van onze verwantschap en verstrooiing. Van onze focus en dispersie. Van onze onschuld en frustratie.

En dan de articulatie, de wens dat wij van de zomer op ons plekje samenkomen, met de negentigjarige als attractie. Wat harteloos moet je zijn om die ouwe baas z'n negentigste niet te gunnen. Ik gun hem dat van harte en zelfs nog vele jaren toe. Alleen herinner ik me al te goed wat hij mij niet gunde.

‘Wat moet je met je afro-kapsel! Je bent toch geen...’ Vooral dat ‘geen’. Dat niet. Die nulliteit die hij mij niet gunde; en als ‘Ersatz’ praatte deze krasse dialecticus mij een ‘Selbstbewußtsein’ aan dat in zijn eigen zelfvervreemding wortelt.

 

Dat deze meester mij het bos in stuurde dat zal een ieder wel duidelijk zijn. Ik moest niet een verbond met hem, die stadsneger, die évolué, sluiten, maar één met dat lichtere bloed in mij. En zo bracht hij zelf ons isolement, ons pervers narcisme teweeg. Hoe meer je je van hem verwijderde, des te meer je in verhevenheid bij hem steeg. Hoe meer je je van hem losmaakte, des te groter de vervreemding werd, de onoverbrugbare kloof tussen een wereld die heil zag in zelfverloochening en één die op zoek is naar zichzelf.

 

Hij heeft altijd over zichzelf gezwegen. Bijna een eeuw aan beleving, bijna de beleving van een eeuw gaat allengs in niets op. Niets uit zijn mond van de tijd waarin hij leefde. Niets van een ervaring van zijn tijd, een beleving van zijn tijd, niets van een expérience vécue, van een petite histoire. Alsof het wezen van zijn tijd een onopgemerkt ontstaan en vergaan van menselijk leven is. Alsof zijn leven in de orde van de tijd onbetekenend en zinloos moet zijn. Onbeduidend klein, een bijna niets. En daarom heeft hij geen verhaal. Of is de afwezigheid van een verhaal zijn verhaal.

Tegenover zijn doodse stilte, doe ik een poging iets uit te spreken. Maar wat een armoe als je niets hebt om door te geven. Als je alleen kan berichten dat er geen verhalen zijn. Dat die verhalen in hem sluimeren, maar nooit over zijn lippen zijn gegaan. Altijd al hebben gezwegen als het graf. Verinnerlijkt leven dat zich inhoudt totdat 't vanzelf ophoudt. Een corps nalaat en er met de geest vandoor gaat.

prepostterug  begin  verder