Negen jaar oud is hij nu, en hij zegt dat hij op school is geweest, lang geleden, toen er nog onderwijzers waren en er geen kapuweri [hoog onkruid] in de klaslokalen groeide. Maar niets wijst daarop. Als ik hem potlood en papier geef, dan maakt hij dikke strepen, half op, half dóór het papier, als een kind van drie, en zegt: dugu obodabi, of: dugu godi, of: dugu gobaddo. De scherpe medeklinkers beheerst hij niet. Niet dat hij enig verband ziet tussen zijn krassen en een vliegtuig, een geweer of een guerrillastrijder, maar hij heeft andere kinderen soortgelijke dingen horen zeggen als zij hun tekeningen aan mij toonden. Hij weet dat ik dan oh-wat-mooi zeg. Tekenen is niets voor hem, maar als hij ziet dat ik Tapi of Siano potlood en papier geef, laat hij alles vallen waar hij mee bezig is en moet en zal hij óók tekenen. Als er geen andere kinderen zijn, neemt hij liever de schaar, want daarmee heb ik hem pas leren omgaan, en knipt alle papieren tot kleine snippers. En als ik niet oplet, mijn boeken ook. Dan kijkt hij zo intens verzadigd, als een spinnende huiskat. Dan spijt het mij dat ik niet meer boeken heb om stuk te laten scheuren.
Maar hij kan ook ontzettend boos zijn. Geef eens niet direct respons op zijn eindeloos gewauwel: dugu, djuba, dugu bedebu, dugu, danigi, dugu... Laat merken dat je met iets anders bezig bent, en hij trekt aan je haar, aan je oor, of houdt zijn hand voor je ogen. Net als een huiskat, die altijd gaat liggen op het boek dat je aan het lezen bent. Maar zijn motoriek is niet die van een kat. Vaak wordt het dorp opgeschrikt door zijn uitzinnig gebrul, met in de adempauzes de kijfstem van zijn moeder. Dan heeft hij weer eens wat gebroken. En als hij een houwer vindt, hakt hij in op het dichtstbijzijnde voorwerp - een stuk brandhout, een bankje of een huisdeur, dat maakt allemaal niets uit. Zijn stijl van pagaaien is moordend voor de zijkant van de korjaal en de hardste klappen tegen de rotsen in de stroomversnelling vindt hij het mooist. Als hij op schoot klimt en kopjes geeft, wil ik hem Pusi noemen, maar als ik die lompe bewegingen zie... nee dan noem ik hem maar gewoon Maseh. Hij is het enige kind dat geen bijnaam heeft, waarschijnlijk omdat Dyalusu [jaloers] of Lawlaw [dwaas] zo onaardig klinken.
Zijn voeten zitten vol zweren van de sika's [zandvlooien], die hij er zelf uitpeutert. Als hij een vogeltje heeft gekatapult en dat arme beest is niet direct dood, dan worden één voor één de veertjes uitgetrokken, dan de pootjes en dan de vleugeltjes, tot het niet meer tegenstribbelt. Dan krijgt zijn gezichtje iets engeltjesachtig, boven wat later zal uitgroeien tot een erectie. Negen jaar, oud genoeg om een kamisa [schaamdoek] te dragen. En soms krijgt hij er een. Maar dan gaat hij zwemmen, of in een boom klimmen, of in een mierennest zitten en dan blijft die kamisa vergeten achter.
De dag vult hij met vissen vangen, in bomen klimmen, zwemmen, mensen voor de voeten lopen vooral. Als hij eet, zit hij altijd middenin een zwerm kippen,
want hij morst veel. Dat kan hij zich permitteren, want iedereen geeft hem wat. Zijn tanden zitten vol awaravezels [palmvrucht] en zijn adem stinkt naar vis. Zijn rug zit vol rode striemen, want zijn moeder heeft geen eindeloos geduld.
Die rode striemen deren hem niet. Er is maar één straf die hem raakt: negéren. Eenmaal heb ik hem een hele dag genegeerd. Dat viel niet mee. En in de avond, toen ik dacht eindelijk van hem af te zijn, joeg hij mij de doodsschrik op het lijf door uit een donkere hoek te voorschijn te springen en boe te roepen. Toen heb ik hem maar weer een kwartiertje op schoot laten zitten. Sedertdien is dat een nieuw wapen in zijn arsenaal van aandacht-trekkers: verstoppen, te voorschijn springen en boe roepen. Buidi schrok eens zo van hem, dat ze een pan kokende rijst op haar voet liet vallen.
Eens ving ik die blik van verstandhouding op van John. Maseh was toen bezig, luid toonloos ongearticuleerd zingend, deuken te meppen in die nieuwe pot van Johns vrouw. John keek toe, maar greep niet in.
Eens zullen ze weer komen; patrouille. Op zoek naar spionnen, naar wapens.
Eén van de kinderen, misschien Tapi, merkt de korjaal met soldaten het eerst op. ‘Srudati, luku, srudati!’ [Soldaten, kijk, soldaten!] Moeders graaien wasgoed en kleuters bijeen en rennen de kant op.
‘Srudati, srudati kon! Kule! Kule! [groene papegaai].’
Ze leggen aan, bij de steen. Twee blijven bij de korjaal. Machinegeweren in de aanslag, vingers morrelend aan de veiligheidspal, loerend naar de ineens lege landingsplaats. De anderen gaan het pad op, onder de geestenpoort door. Ze lopen in één kluit. Dat is tegen de instructies: zo kan één handgranaat hen allen doden. Maar ze zijn bang. De basis is ver. Indien hier werkelijk Jungle Commando's zouden zijn, zouden ze kansloos zijn.
Vóór het dorp zal de kapitein staan.
Hij zal zijn dienstpet en stok dragen, om zijn protest officiëler te maken. Net als toen het Jungle Commando kwam om Sana op te halen. Er ontstond toen een woordenwisseling. De dorpelingen in een grote kring eromheen. De kapitein is niet bang. Ik wel - commandant b was toen behoorlijk stoned, als een kerstboom opgetuigd met handgranaten, messen en pistooltjes en dreigde het hele dorp plat te branden - en ik ga maar vlak naast die dikke manjaboom staan. Maar die soldaten verstaan natuurlijk kapiteins protest niet en zullen hem on-ceremonieel opzij duwen.
Dan zullen ze de hutten doorzoeken.
‘Wat zit er in die kist. Openmaken.’
Ik aarzel. Dit is gevaarlijk voor die soldaat. Dat weet hij, dus het is gevaar-
lijk voor mij. In die kist zitten boeken. Dat weet ik, maar dat weet die soldaat niet. Indien er in die kist een wapen zou zijn, dan zou ik het direct moeten gebruiken. Hij of ik. Daarom nodig ik hem nit die kist zèlf open te maken. Dan wordt hij achterdochtig, denkt blijkbaar aan booby-traps. Dus maak ik die kist open, heel langzaam, en ik voel jeuk in mijn rug op de plaats waar zijn wapen is gericht.
Het hele dorp zal worden uitgekamd nadat ze bij Peroh dat antieke jachtgeweer en éénentwintig hagelpatronen vinden.
Telkens één soldaat naar binnen, twee anderen achterstevoren naast de deur, benen wijd uiteen, knieën licht gebogen, vinger aan de trekker, loerend naar de kring dorpelingen, naar de kleine kinderen achter de knieën van hun moeders.
Ik zie Maseh niet.
‘Maseh?’
Geen antwoord.
‘Waar is Maseh?’
‘Hou je bek godverdomme’, schreeuwt de soldaat en richt op mijn buik.
Ik weet nu hoe het afloopt. Ik probeer wakker te worden, een eind te maken aan deze droom, maar het lukt niet.
Maseh is boos. Nu hangen die soldaten de pias uit, en dat neemt hij niet. Hij heeft zich verstopt in een hut. Ik weet niet welke. Maar ook die hut zal onderzocht worden. De deur wordt opengegooid, met een klap tegen een bankje dat omvalt. Een straal licht met stof erin valt op de aarden vloer. Dan een schaduw. Dan de punt van een geweer en een bukkend hoofd, kijken, links, rechts. Dan één voet, kijken, links, rechts. Dan de andere voet.
Dan zal Maseh te voorschijn springen en heel hard boe roepen.
[1989]