Het was een zaterdagmiddag in september. Vanuit de haast wolkeloze hemel scheen de zon ongenadig neer op de reizigers die net uit een bus waren gestapt. Marie van Huizen-Abajo, een slanke indiaanse, maakte zich los uit de groep die langzaam over het dakloze station liep. Toen ze een eind van de mensen verwijderd was, konden de meesten het niet laten een opmerking over haar te maken. Ze prezen haar om haar eenvoud en sociaal gevoel. Een dikke, verzuurde vrouw die ook een duit in de zak wilde doen, zei dat Marie er goed uitzag voor een vrouw van vijfenvijftig. Toen haar echtgenoot dat gretig beaamde, werd ze boos en verweet hem zijn hanig gedrag. Het lachsalvo dat dit veroorzaakte, hoorde Marie nog. Ze had het station verlaten en op straat de schaduw van het linkertrottoir opgezocht. Toen ze daar alleen liep, voelde ze zich opgelucht.
De aanwezigheid van de anderen had ze als een knellende band ervaren. Tijdens de reis van Orsana naar Abseba wenste ze dat ze niet in de bus zat, maar afgeschermd van de wereld, op de achterbank van een van de luxueuze auto's van haar echtgenoot.
Ze liet zich echter nooit naar Orsana brengen, hoewel ze het ondanks het geheimzinnig karakter van deze maandelijkse tocht met alle gemak kon doen. De chauffeur die tijdens de jachtweekenden van haar man tot haar beschikking stond, was niet alleen haar neef, maar ook iemand die een bijna maniakale behoefte had zijn baas zo vaak mogelijk een hak te zetten. Maar Marie genoot in de eerste plaats van de busreizen. Ze vond het prettig om op voet van gelijkheid te verkeren met de mensen waarmee ze tot haar huwelijk het dagelijks leven gedeeld had. En hoewel ze zich kon voorstellen dat het hardvochtig optreden van haar man rancuneuze gevoelens opriep, was ze hem tot nog toe nooit afgevallen.
Tot vanmiddag had ze het gevoel dat ze zich wist te handhaven in de wereld van haar man waarin het recht van de sterkste gold. Zij gaf wanneer haar echtgenoot niet wilde geven en daar hij zich niet om het huishouden bekommerde, kon zij naar wie zij wilde een deel van de overschotten lozen. Hun kinderen, die zij voornamelijk had opgevoed, had ze geleerd dat het leven meer eiste dan de bevrediging van hun eigen behoeften. Marie meende dat ze daarin geslaagd was.
Ze was trots op haar kinderen. De vier jongens vermaakten zich weliswaar al jaren op hun vaders kosten in de stad, maar Marie gunde ze die vrijheid. Hun vader had al een paar keer gedreigd dat hij hen niet langer zou onderhouden. Met een rood aangelopen gezicht en een trillende stem zei hij bij die gelegenheden dat hij niet langer wilde zwoegen voor mensen die niet studeerden voor een diploma, maar voor het student-zijn, en hij herinnerde ze aan al hun functies in studentenorganisaties. De jongens maakten zich echter geen zorgen. Ze wisten dat hun vader eronder leed dat hij vanwege geldgebrek niet had kunnen studeren en dat hij er daarom alles voor over had dat zijn zonen dat wel konden doen.
Met zijn enige dochter, die vier jaar geleden in een nacht het ouderlijk huis had verlaten, wilde Albert van Huizen zich niet verzoenen. Hij verbood zelfs de moeder om over haar te praten en met haar om te gaan. Marie, die haar dochter toch bezocht, haatte het geheimzinnig karakter van deze ontmoetingen. Maar ze kon ook haar dochter niet tot een verzoening met de vader bewegen. Als ze slechts zijn naam noemde, werd haar dochter hysterisch: met haar grote amandelvormige ogen keek ze haar moeder verwilderd aan en met overslaande stem vroeg ze haar op een ander onderwerp over te stappen. Marie accepteerde tenslotte dat haar man en haar dochter niet met elkaar wilden omgaan en ze hoopte dat de tijd hun standpunt zou veranderen. In het contact met haar dochter probeerde ze alles te vermijden wat op haar man betrekking had. Maar omdat hun onderwerpen vaak het reilen en zeilen van haar huishouding betroffen, vergiste zij zich weleens. Vandaag leidde het ertoe dat haar dochter verteld had over het seksueel misbruik door haar vader.
Marie had na deze onthulling het gevoel dat ze het leven niet begrepen had. Totdat ze vanmiddag bij haar dochter binnenstapte, werd haar leven juist geregeerd door het kalme besef dat er onafwendbaar nare gebeurtenissen in het leven waren. Kwam je ze te boven, dan kon je het leven beter aan. Deze levenshouding ontwikkelde ze, nadat ze haar beide ouders kort na elkaar verloren had. Haar vader was nog maar net begraven, toen haar moeder doodziek op bed lag. Alles wat ze op dat moment kende uit de indiaanse en de christelijke religie om het noodlot af te wenden, probeerde ze uit. Ze vastte, hield een zelfbedachte bedevaart waarvoor ze een kapel bouwde. Drie keer per dag vereerde ze daarnaast alle voorouders door een paar minuten aan ze te denken. Midden in deze vrome bezigheid kwamen familieleden haar halen om afscheid van haar moeder te nemen.
Vanaf dat moment accepteerde Marie de tegenslagen in het leven met de kalmte van iemand die altijd op alles is voorbereid. Ook het weglopen van haar dochter ontnam haar haar kalme optimisme niet. Ze spoorde het meisje op en bezocht haar, ondanks de felle aanvallen die het kind aanvankelijk op haar richtte. Marie liet haar begaan. Ze geloofde dat haar dochter door het lot in eigen handen te nemen haar jarenlange labiele houding kon overwinnen.
Na ongeveer twee jaar gebeurde dat ook. Haar dochter nam een baan en bezocht een avondschool. Marie kon weer met haar dochter lachen. Daarom geloofde ze tot vanmiddag dat het meisje ook de haatgevoelens voor haar vader te boven zou komen.
Marie verweet zichzelf nu haar onnozelheid. Terwijl ze door de stille hete straten van Abseba liep, had ze het gevoel dat ze niets van het leven gemaakt had. Voor het eerst had ze niet een statige tred en ze leek, nu ze alleen was, niet meer jonger dan haar geboorteakte vermeldde. Sommige gebeurtenissen, meende ze op dit moment, waren onoverkomelijk.
Terwijl het zweet gutste langs haar gezicht, waren haar handen en voeten ijskoud. Een vrouw die uit de tegenovergestelde richting kwam, kreeg de glans van hoop op het gezicht toen ze Marie ontdekte. De vrouw lachte en ondanks haar
jeugdige leeftijd ontblootten haar lippen een haast tandeloze mond. Ze zeulde met drie van honger dreinende kinderen. Uren had de vrouw voor een kroeg gewacht op haar man die binnen zijn weekloon zat te verzuipen. Ten einde raad stapte ze de kroeg binnen om hem geld voor het eten te vragen. Onder hilariteit van het publiek sleepte haar man haar aan haar dikke vlecht naar buiten. Maar straks, dacht de vrouw, en ze versnelde haar pas, zouden haar kinderen eten.
Hoopvol stapte ze op Marie af. Marie van Huizen schrok. Ze had de vrouw niet zien of horen aankomen. Toen de vrouw haar aansprak, bleef ze staan, maar het was duidelijk dat ze niet de helft hoorde van wat haar verteld werd. Verstrooid antwoordde ze op het trieste verhaal: ‘Ik weet dat het leven niet een beetje, maar erg moeilijk is.’ Vermoeid liep Marie daarna verder.
De vrouw keek haar teleurgesteld, maar ook verbaasd na. Marie van Huizen was de enige rijke in Abseba die zich het lot van de armen aantrok. Even bleef de vrouw staan in de hoop dat zij zich bedacht en haar en haar kinderen alsnog riep om met haar mee te gaan voor een stevige maaltijd. Maar Marie liep verder. Haar gang leek op die van een stuurloos schip op zee. De vrouw vermoedde dat zij, net als haar eigen echtgenoot, stomdronken was.
Marie zou, als men het haar gevraagd had, niet eens meer weten dat ze met iemand gepraat had. Het enige wat ze wilde, was zo gauw mogelijk zijn in de beslotenheid van haar huis. Toen ze haar grote woning binnenstapte, had ze het gevoel dat ze een marathon had afgelegd. Ze hoopte dat ze niemand van het huishoudelijk personeel tegenkwam. Het geluk was aan haar kant. De twee dienstmeisjes hielden nog siësta in de waskamer achter in de tuin. Marie ging de echtelijke kamer binnen en gedroeg zich als een dief tijdens een haastige overval. Ze rukte alle kastdeuren open, nam uit de kasten wat haar toebehoorde en smeet het op een hoop. Een indiaanse draagmand, die als kunststuk aan de muur hing, haalde ze van de haak en daarmee verhuisde ze haar eigendommen naar de kamer die ooit aan haar dochter had toebehoord.
De kerkklokken luidden. Gewoontegetrouw liet Marie alles staan waarmee ze bezig was om de zaterdagmiddagdienst te bezoeken.
Zij kwam de kerk binnen met een knalrood wielrennerspetje waaronder ze haar haar slordig had weggestopt. Dominee Roestink, een dikke zestiger, die over zijn gemeenteleden hoedde als een moeder over haar kinderen, zag Marie en bedacht bliksemsnel een nieuw aanvangsgebed. Hij vroeg de Heer de hulp voor de verslaafden en vooral voor diegenen die zelfs het respect voor het huis van de Vader verloren hadden.
Ondanks de schoolmeesterachtige manier waarop dominee Roestink de kerkdienst leidde, kwam Marie niet uit het labyrint van opdrachten. Ze pakte de bijbel in plaats van het gezangenboek, ze stond, wanneer ze moest zitten, ze deed niets in de collecteschaal, maar vroeg de collectant naar zijn gezondheid. De man, een puistige arbeider van in de twintig, die Marie niet kende, schrok van de vraag en liet bijna de schaal vallen. Nadat de collecte geteld was en dominee Roestink wist hoeveel er was opgehaald, vroeg hij zich af hoe hij de kosten van zijn parochie
moest betalen. De geestelijke zocht vanaf de kansel naar iemand die hem begreep, maar hij keek neer op een gemeente die geen aandacht voor hem had. Hij keek naar ruggen en hij hoorde de dames Kooistram boven het geroezemoes duidelijk lachen. De dominee besloot de kerkdienst te beëindigen. Hij vroeg zijn gemeenteleden op te staan. Na het ‘Onze Vader’ strekte hij zijn armen uit en zei: ‘Ik smeek de Almachtige de zegen voor de armen en dat is, als ik naar de opbrengst van de collecte kijk, een ieder die in dit huis is. Maar dat oordeel laat ik aan de Heer over. Amen.’
De buren van Marie keken haar na deze woorden gniffelend aan. Marie begreep niet waarover zij zich amuseerden. Gehaast ging ze naar huis, gaf alle personeel vrijaf voor de rest van het weekend voordat zij zich in haar nieuwe slaapkamer terugtrok. Ze verlangde naar volstrekte eenzaamheid. Ze kwam, ondanks het lege huis, de slaapkamer slechts uit om een glas melk of een pakje sigaretten te halen.
Marie die alleen rookte als haar familie op bezoek was, maakte in een dag vijf pakjes sigaretten op. Voor die zondagmiddag had haar manier van roken ook niets meer van de onzekerheid van een gelegenheidsroker, zoals dat bij haar tot nog toe het geval was wanneer ze een paar keer per jaar op haar hurken naar de verhalen uit haar geboortedorp luisterde. Ze inhaleerde nu de rook als een bootsman aan dek tijdens een stormachtige nacht. Of ze zat op de rand van het eenpersoonsbed of ze liep op en neer in de kamer, terwijl ze verwoed aan een sigaret zoog.
Om zes uur toen de ergste hitte voorbij was, hoorde ze door de openstaande ramen een jeep de tuin inrijden. Even beving haar een paniekerige stemming: ze haastte zich om de deur van de slaapkamer op slot te doen. Toen dat gebeurd was, beving haar na bijna vierentwintig uur de rust van iemand die wist wat haar te doen stond. Ze haalde een handdoek uit haar eigendommen die naast het bed op een hoop lagen en ze ging naar de badkamer van de kinderen. Terug in de slaapkamer kleedde zij zich aan, liep daarna naar de keuken, waar ze een slagersmes en een vleesplank pakte. Aan het hoofd van de grote eettafel legde ze de plank neer met het mes erop. Hierna ging ze op de eerste stoel rechts van de deur zitten. Terwijl ze daar met haar handen op de eettafel rustend zat, werd ze steeds meer deel van de wereld. Haar lichaam dat sinds de vorige dag geregeerd was door aanvallen van hevige kou en warmte reageerde nu op de temperatuur van de omgeving. Ze voelde de koele bries die door de hoge openstaande ramen naar binnenkwam. Ze keerde zich om, keek naar buiten, over de eindeloze vlakte, en zag aan de horizon het spel tussen de kleuren van de dag en de nacht.
Een bariton en een wolk van parfum maakten dat zij zich omkeerde. Albert van Huizen was binnengekomen. Hij ging zitten aan de eettafel op de plek waar de vleesplank en het slagersmes lagen.
Marie bekeek hem alsof het een vreemde betrof. Ze zag zijn koperkleurige mulattenhuid, zijn Germaanse neus en zijn dikke negroïde lippen. Ze hoorde hem vertellen hoe hij een bosvarken had doodgeschoten, ondanks de stommiteiten van
zijn jachtgenoten. Hij zei dat zij, Marie, straks onder het bloed zou zitten wanneer ze het varken, dat nu nog op het achterterras lag, zou omtoveren tot hamlappen. Want ze wist, vervolgde hij lacherig, dat hij niemand anders die taak toevertrouwde dan zijn vrouw die tussen deze beesten was opgegroeid. Daarom had hij, een liefhebber van wild, ook een wilde getrouwd. Hij schaterlachte op de manier waarop men lacht na een goeie mop.
Marie die deze zin vanaf haar verbintenis met hem gehoord had, lachte voor het eerst niet mee. Albert keek haar, sinds hij binnengekomen was, voor het eerst met aandacht aan: ze had dezelfde kalme uitstraling als gewoonlijk. Ze zou hem wel niet gehoord hebben. Hij herhaalde de zin en begon weer hardop te lachen. Marie deed nog niet mee en hij eindigde zijn lach in een onzeker gehinnik.
Hij werd zich ervan bewust dat er een heleboel mis was. Er stond geen eten op tafel. Hij wilde zijn vrouw vragen wat er aan de hand was: was er ingebroken (en hij dacht aan de chaos in hun slaapkamer), waren de dienstmeisjes weggelopen of was zijn zonen iets overkomen. Maar hij hoorde zichzelf vragen om het eten.
Marie keek hem aan, stootte haar stoel naar achteren en ging staan. Toen boog ze zich licht voorover en pakte het slagersmes van de plank. Intuïtief duwde Albert zijn bovenlichaam naar achteren, terwijl hij zijn armen voor zijn gezicht kruiste. Even bleef hij, voorzichtig glurend naar zijn vrouw, in die houding zitten. Het mes hield ze geklemd voor haar borsten. Ze was sereen zoals ze daar stond.
Albert van Huizen wist niet wat hij van zijn vrouw moest denken. Ook wist hij geen antwoord op de situatie. En dat was hem niet meer overkomen sinds hij als knecht zijn baas met de woorden in de mond had laten staan en weg was gegaan met het voornemen zich nooit meer door wie dan ook de les te laten lezen. Zij zouden doen wat hij wilde.
Toen Albert zich dit weer realiseerde, liet hij zijn armen langs zijn lichaam vallen. Met een stem die een eind wilde maken aan een dwaze situatie gebood hij zijn vrouw het eten te halen. Toen boog Marie zich weer licht voorover, keek hem strak in de ogen, terwijl ze hem het mes aanreikte. Albert schrok van haar resolute gebaar en buiten zijn wil om nam hij het mes aan.
‘Snijd het lichaamsdeel af waarmee jij je dochter hebt beschadigd en eet dat maar’, zei ze luid en duidelijk.
Terwijl de woorden nog zwierven in de ruimte liep Marie zonder haast met haar draagmand het huis uit. Ze was op weg naar de horizon om het spel tussen de kleuren van de dag en de nacht beter te kunnen aanschouwen.