terug  begin  verderprepost
[p. 221]

Astrid Roemer
Maar een struisvogel kan hard lopen, mam

Ze durfde nauwelijks op te kijken wanneer het geroezemoes van personen haar weer stoorde. Ver van de deur was ze gaan zitten - het eerste kwartier weggezakt achter een ochtendblad waar ze niets in zag dan haar eigen gedachten. Maar die waren onvermijdelijk geworden. Hoewel ze de kaken met kracht dichthield hoorde ze haar eigen stem herhaaldelijk hetzelfde verhaal opdreunen. Alsof ze de beheersing van haar zinnen was kwijtgeraakt. Alsof ze een tijdbom was.

Daarom zat ze in deze kamer - haar onrust was te groot geworden om thuis op te bergen en te gevaarlijk om zomaar de ruimte te geven.

Ze was benieuwd hoe ze er onder deze omstandigheden uitzag. Met zoveel chaos van binnen lukte het haar gewoon nooit haar buitenkant in ogenschouw te nemen. Dan vermeed ze spiegelende oppervlakken en de ogen van vrienden en naaste familie zoveel mogelijk.

Aan de muren van deze kamers hingen kalenders waarop Aziatisch halfnaakt. Op de onderhouden parketvloer lag een vlak diepgroen kleed. De stoelen waren van gladgewreven hout. De tafeltjes rotan met ontspiegeld glas.

Voorzichtig en ietwat beschaamd liet ze haar blik ook gaan naar de mensen: twee mannen die met elkaar spraken en een vrouw die apart zat. De heren hadden schoenen aan met te hoge blokhakken. Geen sokken. Eén had een reeks onzuivere plooien in zijn grijze broek. De andere barstte bijna uit zijn jeans. Blijkbaar hadden ze geen bijtende gevoelsproblemen want ze aten op hun gemak diverse harde puntbroodjes bakkeljauw op, zonder te knoeien.

De dame glimlachte steeds bemoedigend naar de koutende mannen en samenzweerderig naar haar. Alsof zij er niet zelf zat voor rechtshulp!

Daarom vouwde ze met veel misbaar de krant dicht, stak haar nietig reukorgaan de ruimte in en snoof intens, want moed had zij inderdaad genoeg en vooral van het soort dat haar altijd-altijd weer in zijn armen had gedreven.

 

Op straat gebeurde wat alle dagen onopgemerkt gebeurt: vrouwen, mannen en voertuigen in beweging - ze verdwenen net zo snel uit het zicht als zij er in schoven. Maar het raam gaf weinig uitzicht en de ramen van het huis waar ze tegenaan keek waren gesloten gebleven. Net als haar eigen ramen thuis. Dicht. Potdicht. En hermetisch gesloten zouden ze blijven ook tot ze lucht had gegeven aan haar eigen interieur. Het was een opslagruimte geworden. Ze had er zoveel opgestapeld al die jaren. Er waren zelfs dingen bij die ze totaal was vergeten ook al voelde ze hun gewicht toenemen. Bezwaren hadden haar binnenkant volledig gevuld.

De laatste tijd had ze ademhalingsmoeilijkheden, maagklachten, kuitkramp, buikloop en sinds kort steken in de borst. En zij was niet van plan zich door gekanker te laten overwoekeren - nooit. Daarom bleef ze in deze kamer zitten op dit ontwapenende uur van de donderdag.

[p. 222]

Uitzonderlijk is het niet. Om haar heen kronkelden relaties troosteloos verder en werden er kinderen grootgebracht op stabiele puinhopen. Het echt-paren was met de tijd een serieus spel geworden: schaak, mat - schaak, mat en daartussen het geblokkeerde veld waar vooral de kinderen de hoofdrol in speelden - schaak, mat.

Haar eigen zoons bij voorbeeld. Soms vroeg ze zich verbijsterd af waar ze in 's hemelsnaam vandaan waren gekomen: de oudste, ogend als hij - alwetend en onverschillig en zijn vierjarig broertje dat haar lichaam nog niet was ontgroeid. En de abortus. Eenmaal. Tweemaal. Driemaal. Omdat zij geen zin had in nog meer kroost.

Omdat zij maar geen vat kon krijgen op zijn liefdesleven. De laatste keer had hij haar ronduit bespot omdat ze weer tegen haar zin en ondanks haar spiraaltje zwanger was geworden en hij had er manisch op gestaan zijn nakomeling te houden - desnoods alleen maar om aan wederzijdse vrienden en familie te bewijzen dat er nog vruchtbaar gevrijd wordt tussen ons, had hij gelachen. Zij kon eigenlijk niets anders dan weeklagen zoals vrouwen van Verre Volken doen - bomen omarmen, schreeuwend dansen en kletsnat in het zand neerstorten, terwijl iedereen toekijkt het verdriet vieren. Maar die vrouwen kiezen niet zelf de vent uit die het hart uit hun lijf rukt en langzaam opvreet. Daarom had zij slechts de beslotenheid van haar eigen badkamer en de voorspelbaarheid van de douche.

Vaak had ze zich laten gaan - langdurig en onbeheerst, omdat ze weet dat schoonheid van lijf en leden veel minder tijd kost dan de zuivering van het gemoed en omdat ze wist dat haar tranen samen zouden vloeien met ander soortgelijk vocht. Vooral dat laatste luchtte op: zij is niet de eerste vrouw die om haar man tranen laat - noch de enige - noch de laatste. Wanneer ze dan volkomen ontspannen de slaapkamer betrad om zich in het echtelijk bed met slaap te omwikkelen, liet hij onomwonden merken dat hij wist dat zij in het bad had gemasturbeerd. Die schoft toch - werd hij maar monddood gereden op een blauwe maandag, dan was ze voorgoed van zijn hatelijkheden af. Alsof hij niet wist dat ze masturberen nog erger vindt dan zuipen en tergend vernederend - die schoft toch.

Bijna had ze het uitgegild maar snel genoeg drukte ze een vuist tegen de lippen. Ze kon immers beter stilzwijgend de tijd nemen om het zegel te verbreken. Ze zal spreken - al haar tongen zullen tot bekennen worden gedwongen tot er van haar ervaringen niets meer overblijft dan een zucht.

 

‘Het wordt nog laat voor u’, zei de vrouw. Ze was geschrokken. Ze bleken alleen in de kamer te zijn. En opeens was ze blij met die vrouw en wilde ze die stem weer horen.

‘Pardon?!’

‘Omdat hij de tijd neemt om naar zijn cliënten te luisteren wordt het nog laat voor u’, herhaalde de ander geaffecteerd. Ze schrok weer. Ze schoffelde met de punt van haar pump tegen het vloerkleed.

‘Ik dacht dat het een vrouw was.’

[p. 223]

‘Ze doen het samen. Beurtelings. Op donderdag houdt hij spreekuur. Morgen ook. Op maandag en dinsdag zit zij er.’

‘Is hij nog jong, mevrouw?’

‘Veertig. Daaromtrent.’

‘En zij?’

‘Ook zoiets. Hij is een oud-leerling van me, daarom heb ik hem gekozen. Trouwens, in mijn geval maakt het niet uit. Hoewel ik mij kan voorstellen dat het in andere gevallen anders ligt.’ Ze luisterde schijnbaar apathisch. Vastbesloten geen lucht te geven dan wanneer ze voor de raadsvrouw zat. Bovendien zag deze mens er veel te breekbaar uit - nergens geëtst door het samenleven. En zij had meer tijd nodig om zich af te stellen op de man die zo meteen haar aanklacht tegen zijn soortgenoot zou moeten honoreren met een voorspoedige scheiding van tafel en bed. Ongezouten zou ze klinken zodat de rauwheid van haar kwetsuren door zijn neusgaten naar zijn hoofd zou dringen.

Maar ze voelde zich zo onstuimig worden. Voortdurend bedreigd door een onverwachte ontlading. Straks barstte ze nog in tranen uit in plaats van in woorden. Daarom kleefde ze haar blik aan het uiterlijk van de dame. Haar onkreukbare jurk. Vooral haar veredelde armen en vingers hadden haar aandacht. Het schitterende bandhorloge. De gouden armbanden. De ringen met opvallende edelstenen.

Ze streelde haar eigen polsen en draaide aan haar trouwring die een symbool was geworden van de strengste kloosterorde. Ze had acuut een katoenen zakdoek nodig. In haar tas kwam ze zijn verkreukte sigaretten tegen. Een ijskoude aansteker. Zijn vulpen. Een bankafschrift waarop zijn naam en haar salaris als creditmutatie. Ze moest de neiging bedwingen juist daarin haar neus leeg te snuiten. Maar hij zou weer schaterlachen als ze het hem ooit vertelde en zij zou dan meteen weer smachten naar zijn tongzoen - genoeg.

Daarom zat ze er nog steeds en handelingen beheersen begint bij gedachten ordenen en dat is pas een feit wanneer ze als schriftelijk zijn geformuleerd en onderkoeld onder woorden zijn gebracht - genoeg.

Koud en formeel, feitelijk en doordacht zou ze puntsgewijs haar bezwaren op tafel leggen tot haar raadsman hoestend naar lucht zou happen - eeuwenoud stof zou er opwaaien.

 

Hij was binnengekomen met het routinegebaartje van altijd: sleutel een halve slag naar rechts, deur openduwen met de vlakke hand en dicht, geluidloos nachtclip vastschuiven. Hij had zijn automatismen uitgevoerd - schoenen loswringen tegelijk broekriem loswerken met de knoopjes vanaf de boord tot zijn navel. Gewoontegetrouw liep hij naar de keuken voor zijn nachtborrel. Hij had zijn hand reeds naar de lichtschakelaar gebracht toen hij mij zag zitten - schrikwekkend ongewoon. Toch zat ik in mijn streepjesnachtpon aan zijn eigen groenhart keukentafel met in het haar dezelfde roze krulspelden bijeengehouden door een ragfijn haarnet.

‘Ben je niet goed?!’ had hij gevraagd omdat hij op dat moment veel te geblokkeerd was om iets zinnigers uit te kramen.

[p. 224]

Ik had geen antwoord gegeven. Ik was star blijven kijken naar zijn wekkerklok die ik bij gelegenheid naast zijn cognacfles had neergezet.

‘Het is bijna vier uur. Allang vrouwenbedtijd’, grapte hij manmoedig en hij deed omslachtig een kast open op zoek naar een meer geschikte slaapmuts. Met rumfles en bierglas kwam hij op me af - schijnbaar klaar voor een luchtig praatje.

‘Doe die kast weer dicht.’ Het was minder dan een gebod. Niet eens hard uitgesproken. Maar mijn woorden schenen de rust die hij wilde vasthouden zo te hebben aangetast dat zelfs het glaswerk aan zijn greep ontsnapte - scherven. En scherven bij de echo van brekend glas vermengd met de geur van alcohol worden dan beangstigend - de nacht in barensnood. Hij moest hyperventileren. Tolde niezend door de keuken. Bleef uiteindelijk met de hik zitten. Ik had mij nog steeds niet verroerd. Ik zag hem staren naar de vlek die de rum in een mum van tijd in zijn parket had gebeten en opspringen.

‘Een dweil?!’ Het was meer opdracht dan verzoek en ik had hooghartig naar de richting van de achterdeur gewenkt. Duidelijk verrast door dit simpele gebaar van medeleven schoot hij gedwee naar buiten. Ik hoorde hem de trap aflopen, de tuin ingaan en begreep dat hij in de roerloosheid van de struiken wat tot zinnen zou proberen te komen. Maar ik wist ook dat zijn auto rijklaar stond - met haar koperen flanken startlustig gericht op de grote weg. En ook dat hij tot alles in staat was als zijn kinderen sliepen - zelfs toeterend ons huwelijk uitrijden. Daarom had ik hem opeens naarstig gevolgd en daarom had ik hem bij de kraag gegrepen en tot staan gedwongen met mijn stem.

‘Voor het eerst wil ik precies weten waar je vandaan komt?!’ Hij reageerde niet - althans: hij schoof uit handbereik, keek omzichtig rond alsof hij zich geneerde voor de nacht en liep spoorslags met emmer en dweil de trap op. Ik schaamteloos en bloeddorstig achter hem aan.

‘Waar was je?!’ Ik schrok van mijn eigen stem. Van de vechtlust die in mij golfde omdat ik weigerde nog de waarheid te zien in zijn gezicht, haar bij zijn kleren te ruiken en te voelen aan zijn handen.

‘Waar was je deze nacht en de nachten daarvoor?!’ Mijn stembanden stonden op springen. Ik hamerde door, vooral omdat hij opzettelijk medelijdend naar me keek terwijl hij gespannen de scherven opveegde alsof hij woorden voor mij sprokkelde. Zijn traagheid wakkerde mijn ongeduld nog meer aan.

‘Waar was je, klootzak!?’ barstte ik los. Hij was opgestaan en wreef zijn handpalmen droog aan zijn pantalon.

‘Wil mevrouw echt weten waar meneer zijn nachten doorbrengt?’ Ik staarde naar de vloer die hij klinisch schoon had gedweild. Ik snoof naar de alcohollucht. Ik klappertandde.

Hij was naar onze trouwfoto gelopen - hij had die fluitend opgepakt - hij was wijdbeens voor me komen staan - hij had gegrinnikt - hij had gevonnist met de ogen dicht: ‘In staatsverband sta ik naast je. Eeuwigdurend. Ingelijst. Wat wil mevrouw nog meer van meneer?’ Nog voor hij was uitgesproken had ik de lijst met inhoud naar de muur geslingerd met veel meer spankracht dan het van mij zou

[p. 225]

vergen om hem tegen de Mount Everest te pletter te gooien. En luidop gesnikt heb ik.

En in plaats van de ruimte te geven aan het magma dat mijn hoofd en mijn buik verliet, dus in plaats van de stroom te kanaliseren desnoods omdat hij het is die mijn haard altijd-altijd weer in beroering brengt, in plaats van naar mij toe te komen en zijn armen om mij heen te slaan, in plaats van mij tenminste zijn toeziend oog te gunnen om mij hoe-dan-ook te ontladen, dus in plaats van na maanden van ontkenning mijn bestaan als zijn vrouw te bevestigen, was mijn man kwaad geworden. Mijn God - hij werd kwaad, siste ‘struisvogel’ en liep als een eunuch het huis uit en ik luisterde hoe hij grommend onze straat uitreed. Maar de emmer stond er en de bezem en de scherven en de lijst en de foto. En de achterdeur stond open en de voordeur stond in het nachtslot en het was vier uur negenenvijftig toen mijn machteloosheid zich naar binnen keerde en naar buiten. In een maalstroom naar buiten en naar binnen.

Ik zocht wraak. Ik wilde zelfmoord plegen door in zijn vrieskist te gaan liggen - spiernaakt. Ik wilde zijn huis in vlammen zetten die tot waar hij zich bevond rook verspreidden. Maar de gelaten van mijn kinderen hielpen mij het midden te vinden tussen binnenkant en buitenkant: zijn leren bureaustoel, zijn linnen doeken, zijn plastieken van gips, zijn videobandjes, zijn trombone, zijn vrijetijdskleding en heel onze slaapkamer heb ik in de kleinst mogelijke stukjes gehakt.

 

Van de dame mocht ze voorgaan. Ze weigerde. Ze was erop ingesteld nog een groot uur haar bezwaren helder te krijgen en af te wegen.

Toch maakte het snel veranderende straatgezicht haar onrustig. Vooral de vrouwen die ze in het oog kreeg. Die hadden in de manier waarop ze hun voeten neerzetten iets wat haar oorsuizingen gaf. Misschien hadden ze ooit ook hun spullen samengeraapt en gedumpt bij een ver familielid en een ochtend lang gezocht naar een schuilplaats omdat ze het in de echtelijke woning niet langer uithielden.

Speelgoed van de jongens. Schoon ondergoed. Make-up spullen. De bijbel. Meer niet.

Ze had zich ziek gemeld aan het werk. Ze had haar zoons bij een nicht gedropt. In de vroegste ochtend. Op een herenfiets. Omdat hij toch niet meer was komen opdagen - mijn hemel: ze had zelfs de chaos moeten opruimen omdat de kinderen als zetstukken waren in het spel en niet haar tegenspelers. En hem wilde ze zo hartstochtelijk voor eeuwig en altijd mat zetten. Maar hij had zich mooi aan de spelregels onttrokken en was gewoon niet komen opdagen. En zij maar uitvluchten verzinnen om zijn kroost koest te houden.

Ze begon door de kamer te lopen - pratend alsmaar pratend. Een heleboel vrouwen in haar bleven aan het woord. Zij hoefde alleen maar het hoofd achterover te gooien en aan te horen. Ze was bij een soort overloop gekomen. In gedachten verzonken. Er hing een enorme koperen wandklok. En die liet haar digitaal zien hoe laat het was!

[p. 226]

Ze rende langs het trottoir. Ze was helemaal vergeten dat haar fiets tegen de stoep stond. Langs rijen auto's rende ze en langs menigten mensen. Horden schoolkinderen stormden op haar af. Haar hart bonkte in haar keel.

Zal hij straks toch thuis zijn?! Al acht jaar zit hij er om dertien uur twaalf geheid. Met zijn kroost dat hij van school had gehaald - hongerig en ongeduldig.

Zonder hem zou hun woning leeg zijn. Haar keuken steriel. De hond - zij zou blijven janken. De buren - zij zouden haar blijven nakijken.

Ze kreeg het gevaarlijk benauwd. Ze wenkte naar een busje. Ze had zich naar een zitplaats gewrongen. Ze ravotte mee over de gehavende asfaltering. Ze gaf een bankbiljet. Ze vergat dat ze nog geld terugkreeg. Ze was reeds vol van de tajerbladen en de gerookte vis die ze klaar kon maken - gauw, gauw. Ze staarde voor zich uit. Vlakbij, hoog en vitaal, wachtte haar thuis.

 

Met haar buik stond ze tegen het aanrecht. De hond lag over haar voeten. De jongens zeiden weinig. Ze schurkten tegen haar aan. Ze wisten de stank van twist te onderscheiden ondanks de vertrouwde lucht van haar kooksel en zijn badzeep.

Hij proestte en hoestte heldhaftig in de badkamer. Misschien huilde hij wel op die manier. Misschien lag de wanhoop in zijn kleren. Ze wist dat hij die op de vloer zou laten liggen - zijn kakikleurige uniform - en dat de jongens zijn ondergoed ineens ergens zouden vinden.

‘Ik heb maagpijn!’ baste hij. Heel even schokschouderde ze. Maar tegelijk drukte ze de hoofden van haar kinderen hard tegen haar heupen aan en wrong ze haar voet wat dieper in de vacht van de hond.

Ze kon haar bezwaren op schrift stellen - langzaam maar zeker. Ze kon op maandag en op dinsdag bij de advocaat terecht - week in, week uit. Maar vannacht had ze haar kop helemaal uit het zand getrokken en ze had de zon zien opkomen.

‘Weet je dat een struisvogel niet kan vliegen?’ Ze knikten als Wijzen.

‘Maar een struisvogel kan hard lopen, mam!’ Wis en waarachtig.

Het was de stem van haar eersteling. Hij had zich losgewrikt. Ze glimlachte naar hem. De jongste sloeg zijn armen naar haar uit alsof hij weer gedragen wilde worden.

Toen liep ze veerkrachtig naar de slaapkamer om pijnstillers voor zijn vader te halen.

prepostterug  begin  verder