Onder de koffiemamaboom aan de rand van het kleine kerkhof, midden in de suikerrietvelden, stond Tinus, de ogen en oren gespitst op het gewuif en geritsel van het onafzienbare groen. Het was haast middernacht en het maanlicht viel vlekkerig op zijn donkere gestalte, verstard van spanning en angst. Achter hem hoorde hij het hijgend zwoegen van andere slaven die het graf, waarin onder de gloeiende zon van de afgelopen dag zijn moeder was begraven, inmiddels hadden geopend en de zware kist naar boven probeerden te tillen.
Het was nog maar een paar maanden geleden dat de blankofficier van de plantage alle slaven bijeen had geroepen om hun te vertellen dat slaven niet meer 's nachts begraven mochten worden en dat er daarbij ook niet meer gezongen en gedanst mocht worden, ja dat zelfs de traditionele muziek vanaf dat moment verboden was. Hij had uitgelegd dat dit een verbod van de Gouverneur-Generaal was aan de plantage-eigenaren, die bij overtreding een boete van vijfhonderd gulden zouden moeten betalen, waarvan de helft in de Staatskas zou komen en de andere helft onder de arme blanken zou worden verdeeld. De eigenaar had op de achtergrond staan meeluisteren, maar draaide zich bruusk om toen na de bekendmaking een gemompel en gemor onder de slaven uitbrak. De blankofficier trok zijn sabel en wenkte zijn zwarte helpers met de zwepen naderbij, waarop het al gauw stil werd en de slaven zich verspreidden over de velden en de fabriek.
Nu stond Tinus op wacht. Zijn moeder was de eerste dode na die nieuwe inbreuk op hun gewoonten en een groepje minder bang uitgevallen slaven had hem verteld dat zij zijn moeder deze nacht opnieuw zouden begraven met het vereiste eerbetoon aan de dode en haar voorouders. Bevend van angst had Tinus geweigerd om mee te gaan, maar hij had uiteindelijk toch moeten zwichten, hij was immers de enige zoon - aaiee, dacht Tinus, en wat voor een zoon. Hij besefte ineens dat hij zijn moeder had gehaat vanaf het moment dat hij wist wie zijn vader was. Als jong meisje was zijn moeder, een statige pikzwarte negerin, uit Afrika naar Suriname gekomen. Op de slavenveiling was zij gekocht door de eigenaar van de plantage en als huisslavin tewerkgesteld. Dat de eigenaar ook Tinus heette, dat was kleine Tinus, die in het plantagehuis was geboren en opgegroeid, in het begin niet zo opgevallen. Het gebeurde wel meer dat slavenmeesters hun slaven naar zich zelf noemden. Maar toen hij opgroeide en zijn speelmakkers hem begonnen uit te lachen om zijn lichtere kleur, besefte hij geleidelijk dat hij anders was. Hij was niet echt zwart, zijn neus was rechter dan die van de anderen en de typisch lichte handpalmen en voetzolen had hij niet.
De zekerheid kwam toen hij op een dag met de eigenaar mee moest op een ronde over de hele plantage. Tinus moest het geweer en de zak met proviand dragen en liep gewillig achter zijn meester aan. Bij de kreek gekomen die door de plantage liep, kleedde de eigenaar zich uit om te gaan zwemmen. Bescheiden keer-
de Tinus zijn rug naar het water, maar grote Tinus lachte bulderend.
‘Hé, mi boi, niet zo verlegen hoor, draai je maar rustig om, ik ben immers je vader.’ Met een ruk draaide Tinus zich om en keek naar de naakte man, naar het afschuwelijk wit van de billen en het bungelend geslachtsdeel, scherp afstekend tegen de gebruinde benen en het bovenlichaam. Een woeste haat steeg op in de veertienjarige jongen. Een kreet ontsnapte aan zijn longen: ‘Yu sakasaka, jij mijn vader? Yu didibri, de duivel ben je, wit beest.’ Hij smeet het geweer en de zak met een wilde zwaai in de struiken, misselijk van woede, angst en vernedering. En hij vluchtte, weg van die man, weg van de afschuwelijke waarheid, weg van de schaamte. Dwars door de rietvelden, verder en verder. Tinus de bastaard, dreunde het in zijn hoofd, Tinus de bastaard, Tinus de bastaard. Tot hij eindelijk uitgeput wegkroop onder de waranda van het plantagehuis, als een geslagen hond.
Die avond in het slavenhuis maakte hij bekend dat hij vanaf dat moment geen Tinus meer heette, maar zijn dé-nen, zijn dagnaam, zou dragen, Kwamina Abeni, de naam voor op dinsdag geborenen. Hij zag begrip en respect in de ogen van zijn medeslaven.
‘Ai en sabi, hij weet het’, hoorde hij fluisteren, ‘hij is een man geworden.’ Vanaf die dag kwam Kwamina niet meer in het huis van de meester. Na een heftige ruzie met zijn moeder, die hem koppig Tinus bleef noemen, ontliep hij haar zo veel mogelijk en deed zijn werk op de velden als een man. Als de eigenaar in zijn buurt kwam, deed die net alsof er niets was gebeurd en ook Kwamina negeerde hem.
‘Ik heb geen vader’, was zijn antwoord als een nieuweling hem vroeg wie zijn pa was, ‘mi no ab' pa, ik ben Kwamina, de zoon van niemand.’
Haast twintig jaar was Kwamina nu, stevig, gehard door het zware werk, voor het oog een modelslaaf, gewillig en gehoorzaam. Maar in zijn hart leefde de haat tegen dit leven. Voor zijn geestesoog verscheen nog steeds dat vernederende beeld van die naakte man die zich zijn vader had genoemd.
‘Hé, Kwamina, un klari, we gaan beginnen’, de fluisterende stem van Kofi, een leeftijdsgenoot, haalde Kwamina uit zijn mijmeringen. Hij hoorde nu ook het gedempte gedreun van de apinti-drum en van de ansoko banya, het teken dat de plechtigheid was begonnen. Kwamina liep naar het open graf. De kist was bedekt met bonte doeken, een vuurtje brandde op enige afstand, waaruit de goede geur van bus'nengrekandra opsteeg om de slechte geesten te verdrijven. De obyaman [medicijnman] prevelde in het Kromanti, de godentaal, zijn gebeden. De slaven en slavinnen stonden in een kring om de kist. Kwamina stapte in de kring terwijl de agidadron inviel in het ritme van de andere drums om aan te geven dat het voorouderritueel kon beginnen. Zachtjes begon men te zingen, het aloude, uit Afrika meegebrachte lied om Anana, de schepper, te vragen om aanwezig te zijn via de god Yaw:
enzovoort, wachtend op een teken dat het gebed zou zijn verhoord. De drums werden indringender, de mensen raakten al zingende in de ban van de drums en hun eigen lied, hun stilstaan werd dansen in een cirkel om de grafkuil.
De obyaman viel in met het lied dat alleen door ingewijden in de geestencultuur te begrijpen is:
Plotseling werd het heilige ritueel verstoord door het geluid van een schot en een donderende stem: ‘Wat moet dat, verdomme nog aan toe, stelletje heidenen, donder op van hier, slaventuig.’ In het licht van het flakkerende vuur verscheen de plantage-eigenaar met de blankofficier en zijn helpers, die er op los begonnen te slaan. In paniek renden de slaven weg, achtervolgd door de zwepen en stokken; gekrijs en getier vermengden zich met het geluid van hun rennende voeten.
Slechts twee bleven er staan, de meester en Kwamina. Tegenover elkaar aan weerszijden van het open graf, naast de met doeken bedekte kist.
‘Jij’, brulde Tinus, ‘jij durft het mij te trotseren. Ik zal je leren, jou bastaard, dit wordt je dood, honderd stokslagen staan hierop en ik zal wel zorgen dat je die niet overleeft, al zal ik zelf...’ Schuimbekkend stond hij daar, Tinus de meester, tegenover zijn zoon, Tinus de slaaf, die een wonderlijke rust over zich voelde komen. Glimlachend sprak hij: ‘Ik ben Kwamina, mijn eigen meester, maar jij, jij bent Tinus de bastaard.’ Langzaam, als in trance, bukte hij, nam een vlijmscherpe houwer, het wapen van de rietkapper, op, kwam met één stap over het graf van zijn moeder en sloeg en hakte in op dat gehate gezicht tot het onherkenbaar was en Tinus levenloos in het gras lag, de bebloede houwer naast hem. Kwamina hief de handen in een smekend gebaar omhoog en schreeuwde het uit: ‘Anana, mi gado, de bastaard is dood, mi no sari, ik heb geen spijt, straf mij hoe u wilt.’
Gewillig liet Kwamina zich boeien door de blankofficier en zijn helpers, die inmiddels terug waren gesneld. Onverschillig liet hij zich meevoeren en opsluiten en even onverschillig hoorde hij enkele weken later door het Hof van Justitie het doodvonnis uitspreken: de dood door de brandstapel.
De volgende ochtend werd Kwamina verbrand bij het Fort Zeelandia te Paramaribo zonder ook nog maar één woord te hebben gezegd. Hij had zijn strijd gestreden, hij was vrij.
Op het kleine kerkhofje tussen de suikerrietvelden liggen naast het graf van Kwamina's moeder nu twee verse graven. Het ene is afgedekt met een granieten plaat, waarop staat gegraveerd: ‘Hier rust Tinus Allendis, die op wrede wijze werd vermoord door zijn slaaf Kwamina.’ Op het andere staat een eenvoudig houten kruis waarop staat geverfd: ‘Hier rust Kwamina Abeni, de slaaf.’