terug  begin  verderprepost
[p. 236]

Carmelita Teixeira
Geesten

Marie Maché was bepaald niet royaal bedeeld door moeder natuur. Haar magere gestalte en perkamentachtige bruine huid gaven haar een spookachtig aanzien. De schaarse haarlokken toonden een grote gelijkenis met veelvuldig gebruikt roestig staalwol en kwamen hier en daar vanonder het oude strohoedje dat zij altijd droeg, te voorschijn. Haar ogen leken op speldeknoppen achter de kleine brilleglazen die omrand werden door een montuur van dun, zilverkleurig metaal. Zij was een vriendin van Moesje en zover als mijn herinnering terug ging, verscheen zij met een zekere regelmaat in ons huis aan de Keizerstraat.

Het gesprek ging meestal over twee onderwerpen: de oude jodin Kinski bij wie zij een zolderkamertje had gehuurd en geestverschijningen. Omdat Marie Maché naar mijn mening zelf veel weg had van een geestverschijning, bleef ik zoveel mogelijk uit de buurt wanneer zij op visite was. Bij flarden ving ik zo nu en dan de jammerklachten op die zij uitte over de moeilijke mevrouw Kinski met wie het onmogelijk leven scheen te zijn. Daardoor kon ik mij enigszins een beeld vormen van de leefomstandigheden van Moesjes vriendin. Wanneer ik het idee had gehad dat zij tot de normale stervelingen behoorde, zou ik medelijden met haar gehad hebben. Ik bedacht echter dat iemand met een dergelijk uiterlijk en zo'n voorliefde voor spookverhalen niet in een huis met mensen thuis hoorde, maar zou moeten zwerven bij een kerkhof, het liefst onzichtbaar, zoals het een geest betaamde. Geen wonder dus dat mevrouw Kinski vervelend tegen haar deed, vond ik. Mijn afkeer werd nog versterkt door de commentaren die Suzan ten beste gaf op de verhalen en het uiterlijk van Marie, wanneer zij ons huis weer verlaten had.

Tijdens een van haar visites kon ik er niet aan ontkomen getuige te zijn van een origineel griezelverhaal. Mijn steun en toeverlaat Suzan was er nog niet, dus was ik verplicht - vanwege mijn angst 's avonds alleen in een ander vertrek te vertoeven - in de voorkamer te blijven zitten bij het bezoek, dichtbij Moesje en oudtante Jul.

Na enkele algemeenheden kwam het gesprek als altijd weer op de geesten die over Paramaribo rondwaarden. Marie vertelde over haar zuster die de gewoonte had 's ochtends reeds om vijf uur op te staan, zoals bij vele ouderen gebruikelijk was. Deze mevrouw Van Dop begon haar huishoudelijke taken steevast met het aanvegen van het stuk trottoir voor het huis met een printabezem [printa: bladnerven van een palmsoort]. Het was dan nog donker en koel. In bukkende houding werkte zij de zandstrook af tot aan de trottoirband. Plotseling realiseerde zij zich dat zij voetstappen hoorde en zij keek op van haar werk. In de verte zag zij een lange gestalte, gekleed in witte broek en jas, die midden op de rijweg met houterige stappen kwam aanlopen. Het vreemd bonzend geluid van de voetstappen wekte haar argwaan en op het moment dat zij opnieuw in de richting keek waar de verschijning vandaan kwam, ging er een rilling door haar heen. Het monotone

[p. 237]

gebons van de voeten in de stille straat klonk nu doordringender en het was alsof de benen steeds langer werden, veel te lang in verhouding tot de rest van het lichaam. In feite was het hoofd nauwelijks nog te zien, alleen het wit van de broekspijpen manifesteerde zich alsmaar nadrukkelijker en dreigender. Mevrouw Van Dop besloot niet weg te lopen, omdat dat volgens haar overtuiging slechte gevolgen voor haar zou kunnen hebben. Zij bukte zich dieper over haar bezem heen en begon te bidden terwijl zij verwoed doorwerkte. Haar gebed werd intenser naarmate de voetstappen dichterbij kwamen. Zij dwong zichzelf niet meer op te kijken, ook niet toen deze geest - want dat was het - achter haar langs liep en zijn weg vervolgde in het duister. Door te bidden had zij de onheilspellende figuur bij zich vandaan weten te houden en was zij gespaard gebleven voor het kwaad. Met klamme handen en knikkende knieën klom zij zo snel mogelijk de stoep van haar huis op en haastte zich naar binnen, aldus Marie Maché.

Vaag drongen de uitroepen van ontzetting van haar toehoorders tot mij door. Zij analyseerden vervolgens op hun wijze de gebeurtenis en probeerden de herkomst en de bedoeling van een dergelijke geestverschijning te verklaren. Ik was totaal verstijfd van angst, want in plaats van mij te verdiepen in mijn poppenspel en niet naar dit rare verhaal te luisteren, had ik het niet kunnen laten met wijd opengesperde ogen en oren het relaas te volgen. Het noodlottig gevolg was dat ik het bijna in mijn broek deed, en niet durfde opstaan om naar de wc te gaan. De dreigende, houterige gestalte in de witte broek..., ik zag hem al aankomen, de benen steeds langer en het hoofd steeds kleiner wordend, terwijl ik in de verte het doffe dreunen van de voetstappen kon horen. Boem - boem - boem, ging het door mijn hoofd.

Niemand had in de gaten dat ik als een bang vogeltje dichter naast Moesje kroop. De vrouwen waren te druk bezig met hun eigen reacties, zich afvragend hoe zij zich in een dergelijke situatie zouden hebben gedragen. Zij concludeerden dat wat de zus van Marie Maché had gedaan, toch wel het beste was geweest.

Tot mijn grote opluchting stapte op dat ogenblik eindelijk Suzan binnen en ik overviel haar direct met mijn verzoek om mij naar het toilet te vergezellen. Terwijl zij geduldig op mij wachtte toen ik mijn behoefte deed, vertelde ik haar opgewonden wat ik net gehoord had. Suzan die had gemerkt hoeveel indruk dit verhaal op mij had gemaakt, stelde mij gerust en was van mening dat Marie het waarschijnlijk allemaal verzonnen had. Dat geloofde ik op dat moment maar al te graag, maar zij kon daarmee niet voorkomen dat ik dat mens steeds angstaanjagender begon te vinden.

 

Toen Marie een keer kwam binnenvallen terwijl Moesje niet thuis was, probeerde ik haar zo gauw mogelijk af te poeieren. Zij keek mij met een vreemde blik aan en zei zacht: ‘Je houdt niet van me, hè?’ Ik voelde mij betrapt en haastte mij dit te ontkennen.

‘Nee, mevrouw Maché, dat is niet waar’, jokte ik. Zij glimlachte en streek licht over mijn haar. Zij vroeg mij aan Moesje door te geven dat zij geweest was, en

[p. 238]

zij vertrok. Beduusd keek ik haar magere gestalte met de kaarsrechte rug na.

Op een andere dag sprak zij voor de verandering niet over geesten, maar deed namens mevrouw Kinski het verzoek aan Moesje om dagelijks voor de oude vrouw de warme maaltijd te verzorgen. Moesje die heel goed kon koken ging ermee akkoord; zij zou er een kleine bijverdienste aan hebben.

Iedere middag na twaalf uur werd de metalen etensdrager waarin de lunch van mevrouw Kinski zat, bezorgd door Nora, de werkster, of door Moesje persoonlijk. Mijn liefde voor straatwandelingetjes en mijn nieuwsgierigheid maakten dat ik weleens meeliep als het eten werd afgeleverd. Zo kon ik eindelijk de woning van mevrouw Kinski en Marie bekijken. Het oude houten huis stond op palen; over de breedte liep een bescheiden balkon en daarboven was een zolder met dakkapelletjes waar Marie woonde. De ruimte tussen de palen onder het huis was van voren en opzij geheel, en van achteren gedeeltelijk dichtgetimmerd met smalle, dicht tegen elkaar geplaatste verticale latten; aan de straatzijde was een eenvoudig deurtje gemaakt dat toegang gaf tot het donkere onderhuis. Wanneer wij naar het open gedeelte achterin liepen, kwamen wij bij een trap die naar de woonetage van de oude vrouw leidde.

Ik stond de eerste keren netjes onderaan de trap te wachten, terwijl Nora of Moesje naar boven ging om de etensdrager af te geven aan Marie die dan meestal te hulp snelde. Ik keek altijd belangstellend omhoog en soms ving ik een glimp op van mevrouw Kinski. Zij was een stokoud, ineengeschrompeld vrouwtje met een bijna melkwitte huid en sluik grijs haar dat strak naar achteren was gekamd in een knotje. Zij had een scherpe, lichtgebogen neus en haar grijze ogen keken steeds spiedend in het rond. Zij verplaatste zich met schuifelende voeten en wanneer zij sprak bracht zij een monotoon, krakend geluid voort. Doordat zij zo oud was vond ik haar echter minder beangstigend dan Marie; integendeel leek dit vrouwtje in mijn ogen een broos wezentje, bijna misplaatst in deze omgeving, dat bescherming nodig had.

Na verloop van tijd durfde ik achter Nora aan de trap op te lopen en een blik in het huisje te werpen. Het was er net zo donker als beneden: er was nauwelijks iets te onderscheiden doordat bijna alle ramen gesloten waren. Slechts de schuifelende witte gestalte van de oude vrouw was goed herkenbaar. Misschien moest zij een beetje opgevrolijkt worden, bedacht ik, want met Marie als enig gezelschap was er ook niet veel plezier te beleven.

‘Dag mevrouw Kinski’, riep ik die dag enthousiast. Zij hief verschrikt het hoofd en keek achterdochtig om zich heen, maar antwoordde niet.

‘Dat kind groet je’, zei Marie op luide toon.

‘Wie is dat?’ kraakte de stem.

‘De kleindochter van Louise’, antwoordde haar huisgenote.

‘Ooh... dag’, klonk het kort. Ach, zij was half blind dus kon ik haar haar stugge houding niet kwalijk nemen. Zij wist immers nauwelijks wie ik was. Ik besloot voortaan niet zomaar te groeten, maar te wachten tot zij op de hoogte was van mijn aanwezigheid; zij zou dan niet zo schrikken, beredeneerde ik.

[p. 239]

Een onverwachte gebeurtenis veranderde echter mijn mening over haar. Bij wijze van uitzondering had mevrouw Kinski zelf de etensdrager in ontvangst genomen. Met haar blauwgeaderde handen haalde zij het deksel van het bovenste bakje af en terwijl zij direct daarop haar neus bijna in het voedsel drukte riep zij verontwaardigd: ‘Zo weinig toespijs! Ik moet betalen en dan stuurt Louise dit beetje eten! Ik word bestolen!’ Ik kon mijn oren niet geloven; iemand die mijn goudeerlijke grootmoeder op die manier beschuldigde! En ik had nota bene geloofd dat die vrouw blind was, maar nu zag zij opeens goed genoeg om te klagen over wat er in de etensbak zat. Ik was zo verontwaardigd over deze onterechte beschuldiging dat ik op slag een hekel had aan dit ontevreden mens. Al was zij nog zo oud, zij had niet het recht Moesje te beledigen, vond ik. Marie Maché merkte wat er gaande was en zei vergoelijkend tegen mij: ‘Let niet op haar, zo is ze altijd. Zij doet alsof ze niets ziet en hoort, maar dat is komedie. Het is een lastige vrouw.’ Ik begon opeens begrip te krijgen voor de klachten van Marie en nu zij zo vriendelijk tegen mij gesproken had voelde ik zelfs enige sympathie voor haar. Na dit voorval echter was voor mij de aardigheid eraf om 's middags mee te lopen naar mevrouw Kinski's huis. Moesje had er niet lang daarna ook genoeg van om er zo een ontevreden klant op na te houden en stopte spoedig met haar maaltijdservice.

Toch kwam ik enige tijd later geheel onverwacht weer in dit ongezellige onderkomen terecht. Samen met Moesje was ik op een avond op weg naar huis; de weg vanaf de bushalte waar wij waren uitgestapt leidde ons langs de pikdonkere woning van de oude jodin. Het huisje zag er bij avond nog ontoegankelijker uit. Plotseling riep iemand Moesje bij de naam; het was haar vriendin Marie die uit het raam had zitten kijken. Zij nodigde ons uit naar boven te komen voor een babbeltje, wat Moesje graag deed. Ik volgde schoorvoetend. Marie pakte bedrijvig twee stoelen uit de kamer van mevrouw Kinski en deelde haar en passant mee dat zij even gebruik zou maken van het balkonnetje. Voor mij werd er een laag houten bankje aangeschoven. Mevrouw Kinski opperde op de van haar bekende toon dat zij gauw naar bed wilde gaan; zij had duidelijk geen zin in bezoek.

In het huis was geen elektriciteit, begreep ik nu. Bij het zwakke licht van een olielamp die binnen brandde kon ik de kleine, ineengeschrompelde gestalte enigszins onderscheiden. De krakende stem prevelde met korte tussenpozen onverstaanbare woorden, maar niemand besteedde er aandacht aan. Het was zo goed als donker op het balkon; slechts de straatlantaarns maakten het mogelijk dat wij elkaars silhouet zagen, terwijl af en toe - dankzij de oplichtende lampen van enkele passerende voertuigen - de spookachtige sfeer van het huis wat minder nadrukkelijk was. Marie was die avond ook weer vriendelijk tegen mij en ik begon haar best aardig te vinden. Het was echter onvermijdelijk dat het gesprek na enige tijd op geesten kwam en Moesje herinnerde zich daarbij een gebeurtenis uit haar jonge jaren toen zij met haar hele familie in een groot huis aan de Maagdenstraat woonde. De huizen hadden allemaal een houten wc die achter op het erf stond. Overdag werd normaal gebruik gemaakt van deze voorziening, maar als het

[p. 240]

donker werd deed men het liever met een po of nachtemmer in huis. Men vond het niet raadzaam 's avonds en nog minder 's nachts over de donkere erven te lopen, daar de kans aanwezig was om allerlei ongewenste verschijningen tegen te komen en door hen geplaagd te worden. Oudtante Lot, een van Moesjes oudere zusters, een kordate vrouw die nergens bang voor was, had het op een late avond gewaagd de wc buiten op te zoeken. Toen zij lang weg bleef, was de familie naar haar op zoek gegaan. Zij vonden haar voorover liggend op de stenen vloer van het privaathuisje, buiten kennis! De dokter werd erbij gehaald en nadat de arme Lot weer bij bewustzijn was, kon zij met moeite vertellen wat haar in het donker overkomen was. Terwijl zij op de wc had gezeten, had haar het gevoel bekropen dat er iets of iemand achter haar stond; zij had een flinke duw in de rug gekregen en was voorover gevallen. Daar was zij bewusteloos blijven liggen tot zij naderhand gevonden werd. De conclusie van de familie was dat een der rondwarende boze geesten deze kwalijke daad had verricht. Tante Lot werd nooit meer de oude; zij verzwakte sterk en stierf zonder ooit weer op de been te zijn geweest. Ik keek na dit verhaal schichtig om mij heen in de duisternis, bevreesd dat er stiekem ook zo'n boze geest achter mij was komen staan om mij voorover te duwen, regelrecht de dood in. De druk van de koele, benige hand op mijn bovenarm was eerder geruststellend dan dreigend; Marie Maché boog zich over mij heen en zei met zachte stem: ‘Hier is een glaasje suikerwater.’

prepostterug  begin  verder