Het was, hoewel twee uur in de middag, vrij koel. Mijn ogen deden zeer en ik moest wennen aan het licht dat mij even raadselachtig voorkwam als dat aan de Maagdenstraat, wanneer er geen bussen staan. Wat hier te Peperpot, een javaanse nederzetting, speelde, was, dacht ik, meer de entourage van kidnap.
Het was een oude angst die plotseling naar boven gekomen was en welke ik niet kon los denken van de voorstelling die ik had van mijn grootmoeder en ook mijn moeder op de ochtend dat mijn grootvader op de ‘Sutly’ stapte om van hieruit naar India terug te keren. Mijn moeder, die een jaar of vijf was, zou dus hier aan de weg hebben gestaan met een zwart koord om haar taille, terwijl zij haar gezicht bedekt hield achter een witte doek die besmeurd was met haldi [gele kleurstof].
Naast deze angst om onder andere meegenomen te worden door de Politie, en die sinds de onafhankelijkheid een sterkere rol speelde, was er ook die voor javaanse desperado's. Zij waren voor mij de garantie voor veiligheid maar het jammerlijke was dat ik mij nu ook zorgen maakte over javaanse babies die net zo klein en weerloos waren als de indiaanse poppen tussen het groen.
Goed, er was in het centrum van Paramaribo terwijl ik bezig was met mijn kernproeven aan het Pad van Wanica, een militaire coup gepleegd. Ik zou helaas niet weten hoe en ook niet door wie de manufacturenwinkels aan de Maagden- en de Jodenbreestraat, waren leeggedragen. Of door wie de ruiten waren ingegooid. Maar intussen was ook het Politiebureau aan de Waterkant in brand gestoken en was mijn reactievermogen op valse beschuldigingen, een stuk afgenomen. Maar dat was meer een zeer persoonlijke gedachte. Of javanen er anders over denken weet ik niet. In ieder geval zitten die nooit zomaar te kijken naar een film met roof en zijn - wat daar nauw mee samenhangt - experts in het vaststellen van het uur, en dat op de seconde af. Of men hier, in Peperpot dus, ook wist om hoe laat bovengenoemde coup gepleegd was, is natuurlijk een andere zaak.
Als ik mij nu hield aan kidnap en mijn fantasie daarbij de vrije loop gaf, dan was er op deze nederzetting niet zoveel bijzonders aan de hand behalve dat ik boordevol herinneringen zat uit de filmwereld in het centrum van de stad. Met de schoten die gevallen waren gingen ook de handen van de Amerikaanse cowboys in Beverly Hills. En was het verder logisch dat het licht een raadselachtige uitwerking op mij had. Daar zaten de javanen die graag in de bioscoop zitten ook mooi mee. En was het nog de vraag of zij de oude coden van gastvrijheid nog meester waren. Ik was op weg naar Marie Karsowidjojo. Iets anders. Ik kon er met welk argument ook, niet onderuit dat mensen in nood graag grijpen naar parfums, zeeppoeder en tandpasta. Marie zou... Mijn god, nee. Niet dat ik dat wist. Het was pas op Meerzorg waar men het nog heel even had over sokken, lijfgoed, matrassen en ook bedden die nota bene door militairen zouden zijn weggedragen
omdat zij geen foerage meer hadden en het opeens niet meer zagen.
Twijfel ook maakte zich van mij meester toen ik mij afvroeg of Marie, de oudste dochter van mevrouw ...Kromo, wel thuis was. Ik had voor de tocht naar Cayenne-Kourou waar er voor mij misschien post lag, een briefje van vijf gulden bij mij en verder een presentexemplaar van mijn laatst in Amsterdam verschenen roman. Het wil wel eens lukken iemand tegen het lijf te lopen die graag zo'n boek koopt. Het was een goed geschreven boek maar zoals ik later zou merken niet aantrekkelijk, èn voor het publiek èn voor mezelf. De namen van de figuren die er een rol in speelden, waren islamitisch en die waren vijanden... Te laat voor een vrouw als O'Shariffán?
Het busje waarmee ik de tocht gemaakt had van Meerzorg naar Peperpot reed door en liet een dikke roetwolk achter. De stank van dieselolie. Het was even pijnlijk; de scholieren met wie ik was meegereden, zongen opeens niet meer en wat er op volgde was een aarzelende poging om het moreel van het district hoog te houden. Zij hingen met hun hoofdjes uit het raam en ik veronderstelde dat zij net als het meisje dat ik ooit was, geen honger hadden. Er lag, om het eten dat weer niets was uit de weg te gaan, ergens wel een manja of een awara, een gele steenvrucht.
Ik hief mijn hand op en wuifde het jonge gezelschap in de bus na. Vroeger was het de trein op de draisine door welke literatuur voor jonge mensen wordt uitgemaakt. Nu waren het busjes. Och, het was misschien precies hetzelfde. Onder hindu's en javanen is het altijd heimwee. De auteur die het verhaalt.
Ik draaide mij met mijn tas en met mijn bagage over de rug, om en liep de brede zandweg die toegang verschafte tot de kampong, op. Het was bijna bladstil zodat ik mijn eigen stappen over het witte zand kon horen. Twee joden en een pundit weten wat een bril kost en ik kon mij opnieuw afvragen waarom deze nederzetting eindelijk zo'n belangrijke rol begon te spelen.
Nu, ik had natuurlijk terwijl ik in de bus zat, alsmaar tegen koffie en cacao zitten aankijken en dan kan het gebeuren dat de bestemming van zo'n route je ontgaat. Heb je trouwens ook als je te lang onder javaanse islamieten hebt gezeten. Totdat je je opeens een krijgsgevangene voelt en ijlings naar een hark grijpt: Er komt als ik de bladeren bijeenhark toch wel post? Ik mocht mij er in verdiepen wat ik wilde, de uitkomst was altijd lood om oud ijzer en dat niet eens om nasi goreng. Het was weer mooi groen, licht, koel en de val van een vrucht uit één van de schaduwbomen achter mij even betoverend als het geluid van kogels uit een pistool. Het was weer krontjong terwijl in de fabriek die er stond - maar dat was aan de andere kant van de kampong - koffiebonen werden gedroogd.
‘Het is hier toch wel Peperpot?’ vroeg ik aan de jonge javaanse die met een ketel water van het trapje waar zij net stond naar één van de tafels onder de luifel van gegalvaniseerde platen liep. Zij was gekleed in sarong en klambie.
‘Jawel, mevrouw’, antwoordde zij beleefd en liet de ketel even staan. Het lapje waarmee zij er over heen ging was smoezelig en paste bij het tafereel van de zich
ontluizende vrouwtjes op het trapje van één der vertrekken die op dat moment Peperpot uitmaakten. Je hoeft om hindu te zijn geen hindostaanse naam te dragen, wat ook waar bleek te zijn toen ik mij gegrepen voelde door de macht van die waarneming. Ik voelde mij hier niet zo thuis en liet om te laten merken dat ik het opgegeven adres niet kende, mijn tas op de grond staan. Wat was de volgende nederzetting om aan post te komen? Hier was iets aan de hand dat nog door geen enkele auteur aan de kaak was gesteld. Niet was er iets mis met papier of ik zat weer met mijn geloofsbrieven van het Immigratiekantoor. Geen wonder dat javanen het contact met Hollanders iedere seconde van de dag uit de weg gaan. Maar juist daarom scheen men mij hier te kennen en gaf mij, wat de logica ook voorstelde, een beeld van Indonesiërs in het wild. Zij hadden in ieder geval genoeg voor literatuur en archiefwerk maar het laatste was meer een modewoord waarmee zij opprimeerden als zij geld probeerden los te krijgen van een regering. Waarom voelde ik mij opeens zo down? Misschien waren zij wel voor mij bezig. Ik glimlachte ondanks mezelf. Het ging, als ik het goed had, niet langer over de gepleegde coup in Paramaribo maar om de confrontatie met Peperpot. Waarom niet na het verschijnen van mijn eerste roman? Ik was nu anders rijk geweest.
‘Woont hier Marie? Marie Karsowidjojo? En is zij wel thuis?’ vroeg ik.
‘Getrouwd Karsowidjojo? Jawel’, was het antwoord van de jonge vrouw die nog altijd bij de tafel stond. Zij wachtte even en gaf mij daarna een nichtje mee om met mij mee te lopen naar het huis waar Marie woonde.
‘Dank je wel’, zei ik en tilde mijn bagage van de grond.
‘Is niets, mevrouw’, hoorde ik iemand achter mij zeggen.
Wij, het kleine meisje en ik, sloegen af naar rechts. De daken van de huizen aan weerszijden van de zandweg verblindden. Ik was doodmoe en wilde niets liever dan een bed om op te liggen en maar te denken dat ik met vakantie was. Met vakantie? Ik hield mijn ogen open en keek bewust naar de wereld, die mij, zodra ik erover begon, werd afgepakt. Peperpot was de plaats waar mijn grootvader, Chandan Ramdir Hira uit Brits-Indië, voet aan wal had gezet. En te werk was gesteld. Dit wat ik te zien kreeg was natuurlijk een heel klein deel van de nederzetting. Er stonden bij elkaar nog geen twintig woningen en je zou bijna zeggen dat het hele verhaal over Brits-Indiërs gelogen was. Het waren goddank islamitische Indonesiërs die onmiddellijk ingrepen en veeteelt voorop stelden om te voorkomen dat er een sprookje gemaakt werd van de natuur. Hindu's waren vegetariërs en zaten een beetje te knoeien met hun rechterhand. Suriname was onafhankelijk, men had toen meegedaan en was er weer mooi ingestonken. Op het Immigratiekantoor stonden nog altijd dezelfde namen terwijl het grootste deel van de hindu's in Holland zat en varken at. Vroeger kon men hen erop wijzen dat er tussen de hindostaanse namen ook javaanse zaten. Nu niet meer... Er viel veel meer dan vroeger bijna niets te vreten. Ik hoorde geritsel. Kwam uit een armetierige sinaasappelstruik op een open plekje dicht bij een hoek, rechts van de weg. Er stond daar, iets wat mij maar zelden overkomt, een meisje met een plukker en gekleed in een rode jurk met witte noppen. Bij citrus verdwijnt inderdaad het don-
ker weg uit je gezicht en wordt het zoveel lichter. Rechts van de weg. Daar krijgt ook de omgeving een opgewekt lyrisch karakter. Ik was inderdaad uit de somber makende diepte van het kastensysteem. Zodat mijn bestemming op dit moment ook echt Peperpot was. Het meisje en ik glimlachten naar elkaar. Ik had haar eerder gezien thuis bij de Sowikromo's aan het Pad van Wanica, maar wist nooit wie zij was. Zij was een jaar of twaalf, dertien, had een olijfkleurige huid met een gele weerschijn, een brede mond met rechte, goed geslepen tanden. Opvallend voor haar gezicht waren de hoge jukbeenderen. De sproetjes op haar wipneusje. Haar haren hingen los boven haar schouders, iets te veel uit elkaar. Er zaten slagen in die ieder moment konden veranderen. Zij was joods geletterd tussen Hollandse koffiestruiken. Stond haar goed maar intussen zat ik opnieuw met een gezicht waarvan de wangen waren weggeschaafd en met het gevoel dat ik mijn hoedje of pet net kwijt was. Zo ervoer ik dat.
‘U vergeet altijd wie ik ben. Ik ben een nichtje van Marie. Zij slaapt. Mijn ouders zitten op de fabriek en zijn pas vanavond weer thuis.’ Ik heb slaap, dacht ik en zei dat zij lief was. Toen liep ik door. Vóór mij een kanaal dat de huizen van de enorme koffieaanplant scheidde. Ik kon het kleine meisje dat met mij meegelopen was niet genoeg bedanken dat zij mij de geschiedenis over koffie bespaard had. Zij was al weer weg en liet mij achter voor het huisje waar Marie tegenwoordig woonde. Dat was een huisje links van de weg, schuin tegenover de huizenrij met het uitzicht op het kanaal. Er zaten op de galerij om een houten tafel en in houten stoeltjes - hindu's zitten altijd op de vloer - vier javaanse jongemannen. Zij hadden zitten kaarten en dronken nu bier. Het merk sigaretten dat zij rookten was Anchor. Ik dacht dat er twee bij waren die geen overhemd aan hadden en die mij zeer onwaarschijnlijk voorkwamen door het kapsel. Het was een soort afro. Was hun dan toch maar overkomen. Of waren het panters? Zij gedroegen zich alsof zij mij niet zagen. Immers was mijn komst opnieuw controle op wat zij deden. Restte de vraag wie er precies gevolgd werd. Of geschaduwd. Ik deed het deurtje van de galerij van de haak, duwde het zachtjes open en klopte aan. Vreemd genoeg ging de deur als vanzelf open.
Wat een ontmoeting, Marie. Je te zien slapen onder het nog beschreven linnen van blom- en suikerzakken. Ook hier dus Marie, de hocus-pocus van de voetjes waarmee Karsowidjojo op de fabriek gecontroleerd werd. Het was een pijnlijke situatie. Dit was niet wat haar ouders van haar verwachtten. Zij hadden gehoopt dat zij eerst het Mulo zou afmaken en dat zij daarna verder zou studeren. Helaas kwam de onafhankelijkheid ertussen en was zij erin gevlogen. Zij was zeventien toen zij trouwde met een javaanse guerrillastrijder. Het huwelijk was voltrokken volgens javaanse riten en ja... Het was toch de bedoeling geweest te trouwen met een hindostaanse jongeman. Zij sprak toch vloeiend Hindi? In ieder geval had zij niet meegedaan en waren de lakens de eerlijkste die je kunt tegenkomen. Ik bleef bij het bed staan en keek naar het vrij blanke gezicht tegen de kussens aan. De zwarte lokken over het hoofdje van haar dochtertje. Men was er nog niet zo blij mee. Het
was weer zo'n pop om je je hele verdere leven ongerust over te maken. Het was met guerrilla ook de voortdurende angst voor kidnap.
‘Slaap je?’ vroeg ik.
‘Niet echt, mevrouw.’ De lucht in de slaapkamer kwam zachtjes in beweging en rook lekker. Maar waar stond nu de douche of de kraan om mij te wassen? Ik was uren onderweg geweest en moest nu maar geloven dat dit mijn bestemming was. Ik was slachtoffer van Mau-Mau en moest mij maar verzoenen met fatsoenlijke adressen. Maar stond er geen doodstraf op deze manier van opdrijven? Dakloos maken? Ik dacht dat de guillotine intussen verplaatst was van Saint Laurent naar Jamaica. Het was de stilte tussen mij en javanen wanneer men ons vertrapte. Marie was bovendien pro archiefwerk.
Ik keek verlegen langs Marie heen, verlegen om wat ik bij mij had. Het boek dat ik zou moeten verkopen. Was misschien beter dan de stilte die aan zekere coup voorafgaat. Ik bedoelde er zoveel mee.
Marie kwam uit bed met haar dochtertje onder de arm. Zij was klein van stuk, zag er bleek uit en nog niet bekomen van de beelden die zij op gang bracht wanneer ze weer uren onder de lakens had gelegen en met haar voetjes het schrift van de marconist had doorgeseind. Wat eraan ontbrak was gewoon de telefoon om haar man, Theo Karsowidjojo, te bellen. Verder was dit wat zij iedere dag opnieuw deed zekere vorm van controle op suiker en bloem. Uit Cuba. Dat laatste was een verschrikking met zoveel teelt aan koffie zo vlakbij huis. Was het contact met anaconda's. Maar dan kwam je nooit meer van je brits af. Toch wel jammer dat het contact met de hindostaanse jongeman op niets was uitgelopen. Hij bezat - ik kende Marie veel langer dan men wel zou vermoeden en wist daarom hoe dol zij was op leuke dingen - geld. Zij had ook een veel te mooie neus om het niet te hebben. Het punt was dat met mij in de buurt onmiddellijk aan veel geld werd gedacht. Het kon om die reden nog jaren duren eer men eroverheen was dat ik niets had en ook helemaal niets kon voorspellen of beloven. Er was gelukkig één ding dat ik nooit deed en dat was gokken. Maar wie was ik om Marie die dat wel deed, te berispen.
Ik kon haar niet altijd even goed volgen en dacht dat het voldoende was dat zij zo af en toe door haar ouders werd teruggeroepen. Was dan weer het einde van de guerrilla op Peperpot en ook dat van het pannetje met water en een paar doorgeweekte soekwa's [zeefkomkommers]. Behoeftig? Welja. Dan maar terug naar de ouderlijke woning waar er nog altijd kokosnoten waren om te worden geraspt. Je kon je vergissen in het gevoel voor kaste onder javanen: Je kunt je toch nog wel voorstellen dat er onder javanen Hoog-Javaans gesproken wordt? ‘En wat het inhoudt geld te verbrassen?’ Marie hield zich stil en gedroeg zich alsof er niets aan de hand was. Het was daarom levensgevaarlijk haar te zien staan bij de lezer waarin rijst die heet voelde maar die niet gaar was. Er zit soms veel geduld in nasi die je uit een warung [javaans eethuisje] haalt. Mijn god, ik had mij overeind gehouden door te denken. Aan geld. Ik was anders dood gevallen. Marie misschien ook. Ik deed mijn ogen even dicht en herinnerde mij Moena, een hindo-
staanse jongen van een jaar of acht. Ik gaf toen les op Livorno en schrok toen ik ontdekte dat hij opdook wanneer het niet ging. Hij had natuurlijk voor niets gevochten dat ik daar kwam wonen met Kunti en met Sheila.
‘Ik kwam hier niet om te wonen. Ik moet alleen maar wat bijkomen. Waar zou ik mij kunnen wassen?’ Marie schoot haar slippers aan. Het waren chinese, de pest van het communisme door het contact met het binnenland. Hoefde ik Marie toch niet nog eens uit te leggen? Er viel een stilte. Marie wist toch niet dat ik haar een half uur geleden beticht had van activiteiten rond de coup die gepleegd was? Het was waar dat er hier ooit britsen stonden met hele mooie lapjes moeselien die ieder moment konden worden geroofd.
‘Zullen wij dan maar katholiek worden, Marie’, zei ik verontschuldigend. En toen: ‘Ik heb een roman bij mij. Zou ik kunnen verkopen.’
Het meisje keek op. Zij was eindelijk klaar wakker en glimlachte. Haar ogen waren vochtig en op dat moment oprecht.
‘U mag hier altijd logeren. Het gaat om de Bestuursopzichter. Wij moeten het altijd eerst vragen. Ook als mijn moeder er is.’
Een boek verkopen waar je als schrijfster bij bent gaat vaak veel moeizamer dan je zou verwachten. Ik had mij gewassen en zat nu keurig aangekleed in de riante woning van de Bestuursopzichter.
Het was een enorme districtswoning, een beetje op het punt in te storten als je op de trap was. Je had ook een heel goed uitzicht op de flamboyants die het pad markeerden naar de Commewijnerivier. Er stond trouwens daar waar het kanaal een bocht maakte, een andere woning. Maar die was veel groter van opzet en zo jammer in algeheel verval. Godsvogeltjes die daar hun nesten hadden vlogen in en uit en bezorgden mij het gevoel van absolute eenzaamheid. Heb je soms ook als je langer dan een jaar in het district hebt gezeten om les te geven. Het stond op het laatst allemaal zo strak en triest op z'n plaats. Ik keek even rond. De bakstoelen rond de tafels glansden. Op de lage tussenschotten die de woonkamer van de eethoek en de zitkamer scheidden, lag veel koperwerk. Je zag er ook hele lange ivytakken uit de potten van aardewerk. Ze deden het erg goed en waren in ieder geval een onderwerp van gesprek. Verder kon je als dat niet zo lukte beginnen over de inmaakflessen vol birambi en rooie uien. En natuurlijk stond daar een Frigidaire, een zeer indrukwekkende ijskast. Het kwam erop neer dat de gedachte aan het tekort die deze huizen beheerste, mij benauwde. Het kon je bovendien overkomen dat je opeens niet meer wist welke functie je bekleedde en erop uittrok om zoveel sinaasappelen en aardvruchten binnen te halen... Die gaf je dan alvast mee aan mensen die langs kwamen om er het weekend door te brengen: de beste komen uit Commewijne. Surinaamse sinaasappelen zijn overigens de heerlijkste die ik ken. Kennst du das Land wo die Zitronen blühen?
De Bestuursopzichter was een vrij jonge hindostaan, getrouwd met een javaanse die hem vier kinderen had geschonken. De man gedroeg zich nogal stroef terwijl de vrouw veel meer zichzelf was. Zij praatte voorzichtig en drentelde wat
door de keuken om van haar man geld los te krijgen. Zij kon, als het mij lukte het boek te verkopen, iets meer vragen voor de rest van de week. De kinderen zaten op het Atheneum en moesten elke dag op en neer met de bus. Zij stond intussen vóór mij en schonk het glas dat zij op tafel liet staan, vol limonade. Uit een fles van Fernandes. Ik hield mij eigenlijk meer bezig met de man en dacht dat hij zich had teruggetrokken en dat hij bezig was mijn roman door te lichten op erotiek en politiek. Tenslotte was zijn oudste zoon de zeventien al gepasseerd en nogal nieuwsgierig. De jongen zelf was al een paar keer langs gelopen om zijn vader te smeken op te houden met het systeem waarmee door hem contractanten werden gecontroleerd. Op die manier kon hij ook uit de buurt blijven van zijn moeder. En kon ook hij op en neer.
‘Wij zitten eigenlijk een beetje krap. Het is allemaal zo duur geworden’, zei de vrouw opeens en legde het pakje sigaretten dat door haar zoon uit de winkel van de chinees was gehaald, neer.
‘Dank u wel’, zei ik en moest even lachen om de jongen die mij een aansteker voorhield. Ik stak een Anchor op.
‘Alstublieft’, zei de vrouw even later en reikte mij een briefje van vijfentwintig gulden aan.
Ik dronk het glas leeg, kwam uit de stoel en ging langs dezelfde weg terug. Het werd tijd dat ik het briefje van vijf gulden te voorschijn haalde voor broodjes bij de chinees. Hij had z'n winkeltje aan de andere kant van het kanaal staan. Ik had nog genoeg slaappillen en kon in ieder geval de tocht maken naar Cayenne-Kourou. Voor post uit Holland. Cola's, nasi goreng en bami en grote stukken kip thuis bij Marie en haar schoonfamilie? Welja. Als het maar niet hoeft uit eigen zak. Het was laat in de middag toen ik...