Hij was oud en klein, maar door het zwoegen in de houtvelden aan de Coppename was hij erg gespierd. Hij was nog kras voor zijn leeftijd, maar het lopen ging moeilijk omdat hij een lelijke kapwond aan zijn knie had opgelopen. Daarom sleepte hij nu met zijn linkerbeen.
Deze oude man Awanga woonde alleen in zijn hut op een heuvel bij Afobaka. Elke morgen als hij opstond, keek hij naar de machtige stuwdam. Zijn blik dwaalde dan naar het zuiden waar eens zijn geboortedorp Lombe gelegen had. Dan zag Awanga zichzelf, jong en sterk in zijn korjaal. Voorin zat zijn vrouw Yayomai. Hij hield van haar. Hij zag ook zijn woning en de obyahut van zijn vader Mataibo, die aan de voet van een grote kankantri stond. Veel mensen uit Awanga's familie stonden in hoog aanzien omdat ze een goede verstandhouding met de obya hadden. Vooral de diensten van zijn vader als obyaman [medicijnman] werden zeer gezocht door de dorpelingen. Zelfs van andere dorpen en rivieren kwamen mensen bij Mataibo om hulp. Toen deze obyaman stierf nam Awanga zijn taak over. Zijn leven lang was hij hiervoor opgeleid.
De dood van zijn vrouw Yayomai bracht hem van streek. Van vrienden had hij gehoord dat er in een dorp aan de Coppename een vrouw woonde die sprekend op Yayomai leek.
‘Ik ga er naar toe en ik keer niet terug voordat ik haar getrouwd heb’, zei Awanga enthousiast. Hij liet alles in de steek en vertrok hoopvol naar de Coppename. Daar ontmoette hij werkelijk de vrouw die Yayomai's evenbeeld was. Sisa Mulingi zoals ze door jong en oud werd genoemd, was mooi en vriendelijk. Zij had maar één man in haar leven gehad. Na zijn dood had Mulingi gezworen nooit meer een man te nemen. Wat Awanga ook deed, hij kon haar hart niet winnen. Wel kreeg hij toestemming om zich in het dorp te vestigen, omdat hij als medicijnman heel belangrijk was. Awanga bouwde zijn hut en leidde een eenzaam maar vredig bestaan.
Voordat hij zijn geboortedorp verliet was men begonnen met het bouwen van een stuwdam. De mensen uit het gebied kregen te horen dat ze na afloop van de bouw hun dorpen moesten verlaten. Er zou een stuwmeer ontstaan en de dorpen zouden daarin verdwijnen. Maar weinigen hechtten hieraan geloof. Hoe zouden zij het gebied waar ze honderden jaren geleefd hadden, kunnen verlaten? Het gebied met zijn rijkdom aan vis, vogels en wild, hout en vruchten. De blanken wilden hen er zeker uitzetten om er dan zelf te gaan wonen. Nee, ze zouden niet vertrekken.
Maar ze vertrokken, toen de dam was afgebouwd. Het groot-opperhoofd zèlf was bij de sluitingsplechtigheid aanwezig. Het water dat duizenden jaren lang zijn weg vanuit het bergland naar de zee had afgelegd, werd ineens een halt toegeroepen. Het begon te zwellen, kwam buiten de oevers en het eerste dorp werd
zijn slachtoffer. Vele andere volgden. De bewoners moesten vertrekken; velen met onbekende bestemming.
Ook het dorp van Awanga was in gevaar. Hij werd met spoed teruggeroepen om de godheid in veiligheid te brengen. De weg van de Coppename naar de Saamaka zoals de saramakaners hun rivier noemen, was lang. Toen hij het dorp bereikt had, was het al onder water gelopen. Arm en teleurgesteld besloot Awanga zijn verdere leven op Afobaka door te brengen. Een visser die medelijden met hem had schonk hem een hut op een heuveltje. Van daar af had hij een goed uitzicht op het stuwmeer. Elke dag als hij naar het zuiden tuurde, koesterde hij de hoop eens terug te gaan naar Lombe om tot zijn vaderen te praten.
Op een morgen verliet de oude man zijn woning met een kalebas in de hand, en daarin een stuk penbadoti [witte pijpaarde] en een flesje dram [sterke drank]. In de korjaal lagen reeds de pagaai, een houwer en de agwalaka, een antiek geweer dat hij van zijn grootvader had geërfd. Het wapen werd niet meer gebruikt om ermee te schieten, maar het had een mysterieuze kracht die de oude man beschermde. Awanga zette de kalebas in de boot en ging achterin zitten. Dan stiet hij het bootje verder het meer op en begon te peddelen. De wind hielp een handje en duwde de korjaal voort. Voor hem lag het brede stuwmeer met een eindeloze massa dode bomen die spookachtig boven het water uitstaken.
Hij voer nu op een boomloos gedeelte van het meer. De wind waaide steviger en de boot ging snel vooruit. Awanga glimlachte. Hij hoefde alleen maar te sturen. Om zijn bestemming vlugger te bereiken vermeed hij de rivier en koos kortere wegen. Vóór de late middag moest hij bij zijn vaderen zijn. Het dorp was er niet meer, maar de machtige stam van de kankantri zou zich nog steeds fier boven de oppervlakte van het water verheffen. De geesten huisden er nog. Awanga verlangde ernaar heel gauw bij de boom te zijn, die zijn enige hoop was. Eigenlijk was hij al tevreden met de snelheid waarmee zijn korjaal voortging.
‘De goden zijn met me’, zei hij tot zichzelf. ‘Het is gek van me om meer te verlangen.’ Als teken van dankbaarheid brak hij een stuk penba en wierp het in het water. Dan zong hij een lied dat hij van zijn vader had geleerd in de tijd dat ze met de korjaal naar de stad reisden. Dit lied dat voor de watergoden bestemd was, was een gebed om het water kalm te houden:
Dit lied had altijd een machtig verlangen opgeroepen bij de ouderen. Een groot heimwee naar een land ver over de oceaan maakte zich van Awanga meester. Tranen welden op in zijn ogen.
De wind was gaan liggen. Het wateroppervlak was spiegelglad. Dit vond Awanga ook goed, al moest hij nu harder pagaaien. Het zou niet goed zijn als de wind heviger zou gaan waaien. Het water zou dan onstuimig kunnen worden en dat zou teveel van de krachten van de oude man vergen. Hij peddelde rustig voort, vol hoop en verwachting om Lombe te bereiken. Bij de plek waar Wakibasu nu onder water lag, stopte hij een paar minuten om een gebed te storten, want zijn vader was van hier afkomstig.
Elk dorp dat nu op de bodem van het meer lag, diep onder het donkere water, deed hem verdriet als hij erover heen pagaaide. Vroeger zou hij vanuit Wakibasu een uur varen om Lombe te bereiken. Nu hij niet zo jong meer was deed hij er langer over.
Tegen de middag passeerde hij de kreek Gran Lombe die hij aan de grote tonkaboom herkende. Gran Lombe was de kreek van zijn jeugd. Hier had hij voor het eerst het vislied gefloten. Hij herinnerde zich hoe hij fluitend de krobya's uit de diepte had gelokt. Op deze plek legde hij de korjaal stil. Hij was ook moe. Zijn ogen vielen dicht. Toen hij ze weer opende zag hij in de verte de kankantri.
‘Pada, pada!’ riep hij zichzelf bemoedigend toe. Van opwinding begon zijn hart sneller te kloppen, met iedere ruk aan de pagaai die hem dichter bij de boom bracht. In geen jaren had zijn oude hart zo snel geklopt. Op dit moment leefde Awanga helemaal naar zijn oude trouwe kankantri toe. Hij ging overeind staan. Zijn zieke been hinderde hem niet eens. Nee, er was geen tijd om aan dat been te denken. Staande ging hij voort. Nog maar vijftig meter was hij verwijderd van de boom van zijn leven.
Vertrouwde vogelsoorten uit Awanga's jeugd die hun nesten in de kankantri hadden, waren er nog steeds, hoewel niet zo veel als vroeger. Ze vlogen even op bij het naderen van de oude man, maar kwamen terug als om hem te verwelkomen. Een leguaan die zich aan de boom had vastgeklampt, sprong verschrikt in het water. Ook hij zwom terug naar de boom en verschool zich tussen de woekerplantjes die zich op het vermolmde hout hadden vastgezet.
‘Wees niet bang’, sprak Awanga die de boom al bereikt had, ‘we zijn lotgenoten, alien slachtoffers van Lindéma.’ Zo noemden de saramakaners ingenieur Lindeman onder wiens supervisie de dam gebouwd was.
De oude man trilde van verlangen om de boom te betasten, maar hij raakte hem nog niet aan. Door zijn afwezigheid tijdens de transmigratie voelde hij zich schuldig. Hij was niet bij het graf van zijn vader geweest om afscheid te nemen. De obyahut was met de godheden onder het water verdwenen. Awanga moest eerst toestemming vragen om tot zijn vaderen en de godheden te praten.
Om zijn rechterbovenarm zat een ijzeren ring die hij al langer dan vijftig jaar gedragen had. Hij deed die alleen af als het hoog nodig was. Nu was het ogenblik aangebroken dat Awanga deze magische ring van zijn bovenarm moest
verwijderen. Op de plaats waar de ring gezeten had bleef een diepe moet in Awanga's arm achter. Omdat er een hele ceremonie zou plaatsvinden, dreef hij een paar meter weg van de kankantri om het touw van de korjaal ergens aan een boomtak te binden. Hij brak een stuk penbadoti en loste het op in water met dram gemengd, in de kalebas. Daarna bond hij de ring aan een stuk touw. De ring werd een tijdje in de kalebas gelegd zodat de kracht van de inhoud erop overging. Dan haalde Awanga hem uit de kalebas en krulde het eind van het touw om de wijsvinger van zijn rechterhand. Hij ging midden in de korjaal zitten en hield de ring vlak boven zijn knieën. De ring hing onbeweeglijk aan het touw. Zelfs de wind bewoog hem niet. Heel zacht alsof het slechts gedachten waren, kwamen de woorden over Awanga's lippen: ‘Obya, ik ben gevallen in de ogen van mijn vader, maar ik ben gekomen in de hoop dat ik vergeven zal worden. Is dat zo; zal ik vergiffenis krijgen?’ De ring hing bewegingloos. Dat deed Awanga een beetje schrikken, maar hij herstelde zich en vroeg kalm: ‘Zullen mijn vader en de goden tot me spreken, obya?’ Nu schommelde de ring rustig heen en weer. Dat gaf Awanga hoop.
‘Kr Zalll! mijnnn vader Mataibo, Afo Kwassi M'kamba met mij willen praten in naam van Kedjama Kedjampo? Zullen ze met hun zoon Wanganaito praten?’ De ring schommelde krachtig. Awanga was zo verheugd dat hij een danklied begon te neuriën. Dank aan zijn vader en aan de goden die zich over hem hadden ontfermd. Hij was zeker van zijn zaak en was ook tevreden.
‘Di andeloe akki fia fia wan’, prevelde hij, naar de ring kijkend. ‘Werkelijk, deze ring is een echte’, herhaalde hij. Hij krulde het touw erom heen. Daarna deed hij hem weer om zijn bovenarm. Hij maakte het touw van de korjaal los en pagaaide nu onbevreesd en vol verlangen naar de kankantri. Daar aangekomen knielde hij in de boot om zijn evenwicht beter te kunnen bewaren. Hij spreidde zijn armen en omhelsde de boom vurig. Kracht stroomde in hem. Hij beefde als een struikje in een waterval. Zijn ogen vonkten. De Kromanti nam bezit van hem.
De ontmoeting met de godheden duurde de hele middag. De Kromanti verliet tenslotte Awanga. Een beetje versuft lag hij in de korjaal die op en neer dobberde. Een koele avondbries woei over het water. Het deed de oude Awanga vergeten dat hij nog een flink aantal uren te varen had. De slaap kreeg voor een uurtje de overhand op hem.
Hij werd pas wakker toen zijn korjaal met een smak tegen een boomstam kwam. Geschrokken kwam hij overeind. Hij schepte water met de kalebas, waste daarmee zijn gezicht en aanvaardde de terugtocht. Deze ging weer tussen de talrijke kale bomen door en omdat Awanga nu tegenwind had, ging het moeilijker. De nacht hinderde hem niet want het maanlicht zette alles in een sprookjesachtige schoonheid. Hij zou zichzelf op een portret willen zien, zo alleen in een korjaal tussen massa's water en eindeloze rijen dode bomen. En in de verte de miljoenen sterren. Het portret zou hij bewaren in zijn koffer. Van tijd tot tijd zou hij het te voorschijn halen om er naar te kijken.
Zoals hij soms het portret waarop hij en Yayomai stonden, uit zijn koffer haalde en er heel lang naar keek. Hij moest toen vijfentwintig jaar oud geweest zijn en zijn vrouw achttien. De foto was gemaakt door een Amerikaan, die het paar leuk vond. Awanga was gestoken in een korte kakibroek en een witte borstrok met korte mouwen. Vlak onder zijn knieën droeg hij de fraaie beenbanden die Yayomai voor hem had gebreid. Yayomai droeg een pangi [omslagdoek], het bovenlijf bloot. Toen had ze nog geen kinderen gehad en haar borsten waren heel mooi. Awanga zou zichzelf en zijn vrouw daarna nooit meer laten fotograferen, omdat hij gehoord had dat de Amerikanen de portretten verkochten.
De korjaal gleed snel en handig tussen de bomen door. De gedachten aan vroeger hadden de oude man goed gedaan. Hij was nu dicht bij Afobaka. In de hutjes en het winkeltje op de heuvel brandde licht. Zijn hutje zag hij niet zo duidelijk. Het stond halfverborgen achter het hoog opgeschoten onkruid. Awanga had even naar de dam gekeken, maar wendde zijn blik weer gauw af. Dat monsterachtige ding gaf hem een gevoel van machteloosheid en woede. Hij pagaaide nu sneller. Hij wilde vlug thuis komen om naar het portret te kijken, vooral naar het gezicht van Yayomai. De herinneringen aan haar hadden iets in hem opgewekt.
Hij pagaaide als in een van de korjaalwedstrijden, lang terug, toen hij een zilveren halsketting en een spiegel voor zijn Yayomai won. De korjaal schuurde
en klom tegen de oever op. Awanga stond op en maakte aan het boottouw een lus. Met moeite schoof hij er een zware steen op. Nu kon de boot niet wegdrijven. De oude man nam ter plaatse haastig een bad. Het water was warm en hij voelde zich heerlijk.
Hij kwam uit de rivier de oever op. De natte kamisa [lendendoek] was aan zijn heupen en dijen geplakt. Vlug pakte hij de agwalaka in de ene hand, de houwer en de pagaai in de andere. Hij klom het heuveltje op. Met de pagaai schoof hij de oude hangmat die als deur dienst deed, opzij. Toen hij binnen was zette hij de pagaai, de houwer en het geweer tegen de muur. Hij maakte zijn oude agwagidiwaya, een koffer van blik, open en haalde er een schone kamisa en een jas uit. Nadat hij de kleren had aangetrokken pakte hij uit de agwagidiwaya een netjes gevouwen kamisa, waarin hij het portret bewaarde. Hij ontvouwde de kamisa en nam het portret eruit. Omdat hij geen lucifers en geen petroleum had, kon hij de tamundu niet aansteken. Toen liep hij naar buiten met het portret in de hand om het in het licht van de maan te bewonderen. Hij kon Yayomai's gezicht niet zo goed zien, omdat het maanlicht niet helder genoeg was en Awanga's ogen niet meer zo scherp konden zien. Maar hij zag het toch een beetje en wat hij niet zo duidelijk zag, verbeeldde hij zich.
‘Eens als ik bij haar kom, zal ik haar gezicht helder en duidelijk zien’, zuchtte hij en hij ging weer naar binnen. Hij stak het portret in de kamisa die hij weer netjes opvouwde. Toen ging hij liggen. Hij had de kamisa nog in zijn hand, maar toen hij zich slaperig voelde, legde hij die onder zijn hoofd als een kussen.
Half in slaap mompelde hij over de gebeurtenis die hij achter de rug had: ‘Het is goed als je in je vaderen gelooft, het is erg goed.’ Hij zocht naar woorden om zijn dank te uiten, maar de woorden waren zoek. ‘Wat moet ik zeggen? God van mijn rivier, u heeft me veilig geleid, bedankt ervoor. Maan, je vrouw, je kinderen, bedankt voor het licht.’ (Met vrouw bedoelde hij de planeet Venus en de sterren waren de kinderen van de maan.) ‘Ja het is goed te geloven. Ja Lindéma, je bent ook maar een mens.’
Onsamenhangende woorden mompelend viel hij in slaap. Het licht van de maan dat door de vele gaatjes naar binnen kwam, streek over hem. Zijn gezicht met de gesloten ogen was dat van een heilige, die in een diep en eindeloos gebed was verzonken.
Enkele uren later verbleekte de maan. De zonnestralen vielen naar binnen en verlichtten Awanga's gezicht. Maar hij bleef zoals hij daar lag, hij verroerde zich niet, de ogen gesloten en op het gezicht een vage glimlach van tevredenheid, verstild.