terug  begin  verderprepost
[p. 262]

Johan van de Walle
De zaaddonor

Hij was zo verschrikkelijk lelijk dat hij vanzelfsprekend als zaaddonor werd afgewezen. De juffrouw die zich met de vermeerdering van de bevolking bezighield trok eenvoudig haar neus op en zei: ‘Ga maar weg. U kunnen we hier niet gebruiken.’

‘Maar’, zei hij, ‘ik barst van het zaad.’

‘Daar hebben we hier’, zei de juffrouw, ‘niks mee te maken. De meest onvruchtbare moeder zal met een kindje van uw slag alleen maar diep ongelukkig worden. Er zijn grenzen en als de wet het niet zou verbieden zou men in uw geval onmiddellijk tot sterilisatie moeten overgaan. In ons ziekenhuis’, ze wachtte even, ‘in ons ziekenhuis kunnen we niet altijd succes garanderen maar in ieder geval proberen we die ongelukkige echtparen aan nette kinderen te helpen en niet aan het gebroed dat uit uw zaad zou voortvloeien.’

De man droop af. Als een geslagen hond. Hij mompelde iets over discriminatie en nam het besluit ze allemaal te laten barsten en als matroos aan te monsteren. Hij bevoer alle wereldzeeën, bleef lang in het Verre Oosten en wierp tenslotte op een Caraïbisch eilandje zijn anker uit. Op dat eilandje waren ze niet zo kieskeurig als bij hem thuis en bovendien lukte 't hem een Oriental Shop te openen die ook nog goed ging lopen.

Hij verdiende geld als water en werd een klant van Mani die, zoals u weet, al jaren goede connecties had met de vrouwtjes van de overkant. Het gekke was dat de mensen van het eiland hem niet eens kwaad aankeken omdat hij zo lelijk was, maar hem graag mochten omdat hij als een echte kerel iedere week een ander meisje bestelde bij Mani. Dan sloot hij de Oriental Shop en verdween met zo'n kind voor een poos naar de zolder waar, op een vracht schitterende tapijten, zijn gastvrij hemelbed stond.

Mani kwam altijd rond een uur of vier. Hij was een grote, gespierde vent die een open hemd droeg zodat de vrouwen zijn diepzwarte prachtige borst konden bewonderen waarop een gouden kruis schitterde.

Daar stond hij dan weer, op donderdagmiddag. Met een stralende schoonheid aan zijn arm die wel beteuterd keek toen ze die monsterlijke Ruby zag, die slordig gekleed was en zich maar eens in de week placht te scheren. Natuurlijk ging ze mee naar de zolder want geld stinkt niet, en Mani had haar getroost met de woorden dat Ruby best zou meevallen.

‘Hij lijkt een monster’, zei Mani, ‘maar voor de meisjes is hij een heer en hij heeft een hart van goud.’

En dan begon het feest van de afgewezen zaaddonor, die nu welkom was in de mooie armen van een aardig meisje. Zo'n jong meisje dat hij, hoe raar het ook moge klinken, als een eigen dochter zag. Een lieve dochter die hij alles wilde geven wat hij maar geven kon. Soms begrepen de meisjes hem niet en waren ze een

[p. 263]

beetje bang. Maar altijd waren het vriendelijke wezentjes, niet te vergelijken met die juffrouw die hem als zaaddonor de deur wees. Ze merkten dat Ruby niet alleen een goeie vent was, maar wilden hem best 'ns extra verwennen in dat gekke hemelbed.

Toen hij ouder werd begon Ruby te drinken. Niet zoals gewone mensen drinken: in een kroeg of stiekem thuis, maar deftig, als lid van een club, op de hoek van een baai waar de schepen langs komen, waar je de lucht ruikt van een andere wereld. Daar ging hij zijn borreltje pikken. Daar stond, behulpzaam, gekleed in zijn witte jas die scherp afstak tegen zijn donkere huid, de knecht Horacio, die voor de gasten glazen whisky schonk, maar voor meneer Ruby een extra glas dat hem steevast werd aangeboden met de kreet: ‘Uw limonade, meneer Ruby.’

Iedereen wist wel beter maar speelde mee met Horacio; en Ruby zag kans zelfs na tien glazen stevig op zijn benen te blijven staan. Hij ergerde zich niet aan een dronken spotvogel die hem vroeg of hij ook zulke monsterlijke kinderen had. Hij trok zijn schouders op, leegde zijn glas en ging terug naar zijn winkeltje.

Ruby werd ziek en stierf in zijn hemelbed. Op zijn verzoek was aan dit sterfgeval een echte notaris te pas gekomen. Toen bleek dat hij honderdduizend dollar op de bank had staan, die moest worden uitgekeerd aan een vrouw, een kennis van Mani, die, naar Ruby beweerde, hem een dochter had geschonken.

De vrouw werd opgespoord. Maar ze had geen dochter van Ruby.

‘Van hem, van die vent’, schreeuwde ze, ‘van hem heb ik geen dochter gehad.’

Toen ze hoorde dat ze de erfgename van honderdduizend dollar had kunnen zijn, kreeg ze tranen in haar ogen en wees naar een meisje, een schat van een kind, met de woorden: ‘Daar staat ze, meneer. Zíjn dochter.’ Maar wat kan zo'n vrouw die met Jan en Alleman naar bed gaat, bewijzen...

prepostterug  begin  verder