‘De dokter krijgt een opdracht’
Gisteren was het nog koud en guur.
Vandaag schijnt de zon. Lente - Lente!
De zon roept om de zomer.
De mensen, de lucht, alles verlangt naar de zomer.
Een reiger met toegetakelde vleugels vliegt langs de toren van het paleis.
Het huis van de vrede.
‘Skran, Skran!’ lacht hij luid.
‘Zou er ooit vrede komen, ik hoop het voor de mensen, er zijn er toch genoeg die vrede willen. Maar hoe dan ook, ik ga met mijn vrouwtje een nest bouwen.’
‘Skran, Skran!’
Witte wolkjes drijven langs de hemel, langs de toren van het paleis.
Een bekoorlijk vogeltje onderzoekt de nog dichte knopjes van de bloemen. De takken van de bomen zingen nu andere muziek dan ze in de winter deden. Een keffend armoedig straathondje zonder staart zit een blauw-zwart gevederde wormzoeker achterna.
De winkelier die maar even een zonnestraaltje in zijn etalage ziet, laat snel het zonnescherm zakken. Hierdoor storten een viertal vroeg gebouwde vogelnestjes in de afgrond!
Jammerende vogeltjes; een zakenman die net langs loopt krijgt takjes, stofjes en het resterende nestje op zijn keurige hoed en jas.
Lente, lente! Niet voor iedereen.
De straten bevuild, beginnen al aardig te zweten.
Honderden bolle auto's en fietsbanden rollen en bollen over de uitwasemende straatstenen.
Dokter Jean Hartman een forse knappe man, achtenvijftig jaar oud en antropoloog.
Hij heeft een puntbaard en een kleine snor en hij draagt een gouden bril.
Van zijn wandeling teruggekeerd staat hij voor de deur van zijn statige herenhuis.
De glad glanzende voordeur ruikt naar verse politoer.
De dokter haalt de sleutel uit zijn rechter broekzak, zijn linkerhand speelt met de honderiem. Zijn hond draait om hem heen en besnuffelt zijn broekspijpen.
Het dure huis van zijn buurman wordt geschilderd.
De schilders lijken op grote spinnen, die langs de gevel kruipen.
Het is lente en alles krijgt een grote beurt.
Binnengekomen in zijn studeerkamer gaat Hartman achter zijn zwaar Amerikaans eikehouten bureau zitten. Er ligt een brief.
‘Eindelijk,’ zegt hij, een reep van de envelop afscheurend; hij haalt de brief eruit en leest:
Waarde dokter Hartman,
Hierbij doen wij u het volgende voorstel.
Indertijd heeft u ons uw verlangen kenbaar gemaakt een onderzoek te willen verrichten naar de overeenkomsten van de Landolphia uit West Soedan met een soort uit die van de Surinaamse bossen.
Wij verzoeken u het onderzoek te doen in het Oppergebied aan de Surinamerivier, daar waar de zijtak van de brede Marowijne, namelijk de Tapanahoni loopt.
Wij verwachten na afloop van de reis een volledig verslag omtrent uw bevindingen.
Wij wensen u succes en betuigen u onze bijzondere hoogachting.
The Professor Williams/Physicist Foundation
New York. u.s.a.
Hartman is blij, met grote stappen loopt hij door de kamer. Hij kijkt naar de prachtige planten voor het raam.
Als hij het raam opendoet, springen de stofdeeltjes op de oudhollandse boekenkast van vreugde op.
Hij loopt naar de wereldkaart aan de muur en kijkt naar de kleine bruine vlek op de kaart: Suriname.
De doorsnee Hollander zal hem wellicht benijden, want hij weet meer dan alleen de geografische ligging van het land.
De meesten immers weten Suriname en de Surinamers niet te vinden. Als ze Suriname zeggen bedoelen zij Curaçao en als zij Curaçao aanwijzen dan bedoelen zij Suriname!
De dokter loopt weer naar zijn bureau en pakt de telefoon en belt zijn zuster.
‘Hallo, ben jij het Louise? Hoe maak je het?’
Hij vertelt haar van zijn reis naar Suriname.
Aan de andere kant van de lijn reageert Louise enthousiast.
‘Je vindt het natuurlijk heerlijk. Wij brengen je naar de boot. Ja, hoor, met z'n allen. Goed, dag Jean.’
Louise Hoogendoorn legt de hoorn neer en op hetzelfde ogenblik komt haar dochter Jane binnen.
Zij is slank en blond en haar ogen zijn zo blauw als de oktoberlucht in Suriname.
Het bericht van oom Jeans vertrek naar Suriname maakt de vrouwen opgewonden.
‘Die oom Jean,’ zegt Jane, ‘hij kan zo mooi over de tropen vertellen.’
‘Wacht maar tot hij terugkomt uit Suriname,’ zegt haar moeder.
Met de zucht van de geopende deur komt een man, een gezette figuur met een dikke buik, hen storen.
Henri Hoogendoorn, tweeënvijftig jaar en intelligent!
Zet hem bijvoorbeeld drie flessen wijn zonder etiket voor, hij zal ze herkennen.
Hij proeft en zegt u: Dat is een Bourgogne, dat is een Bordeaux en deze is een Müscatelle.
Hij is één van die kerels die om zo te zeggen altijd naar petroleum ruiken!
Als je ze ziet dan denk je aan olie en als je aan olie denkt, dan denk je aan bronnen.
Zonder dat je het wil, haal je de drie zittende aapjes voor de geest: ‘Horen, Zien en Zwijgen.’ Het moet eigenlijk zijn: ‘Olie, Ellende en Rijkdom.’
Het wordt Jane te warm in de salon en zij gaat naar de grote tuin die rondom het huis ligt.
Er staan grote antieke bomen, de stammen zijn half groen en half grijs.
Rododendrons zijn van verre zichtbaar, hun bloemknoppen staan op springen.
Zij staan te midden van jonge planten wier blaadjes er zo mals en groen uitzien, dat je ervan zou willen smullen.
Het lied van de leeuwerik die op een telefoondraad zit, vervult de lucht en de omtrek met lentevreugde.
De door de buitenlucht al wat gebruinde tuinmannen zijn bezig de tuin te fatsoeneren, zoals men dat hier in Holland noemt.
De natuur mag niet frank en vrij zoals in Suriname groeien.
De tuin moet gekapt, gesnoeid, geschoren worden, onduleren niet te vergeten. Er mag geen tak of blaadje laat staan een boom scheef groeien. Orde en regelmaat moet er zijn.
En toch zijn er planten en bloemen die er maling aan hebben.
Ze lachen de tuinman uit en groeien zoals moeder-natuur ze geleerd heeft. Maar wee hen! Op een goeie dag dan glinstert de scherpe schaar van de tuinman hen tegen en uit is het met de pret.
In één woord alles moet eruitzien zoals een nette heer of dame, die op zaterdagmiddag van de kapper komt.
Arme planten wat zullen zij het vervelend vinden; ze mogen zelfs de ledematen niet uitstrekken en lopen waar ze willen.
Zo zag het eruit bij villa ‘Bos en Zeelucht’ op die lentedag.
De dag van vertrek van Jean Hartman is aangebroken.
Een mooie dag. Blauwe lucht met hier en daar enkele wolkgordijntjes.
Voor het huis van Hartman staat een grijze auto gereed om de familie weg te brengen.
De lampen van de auto lijken op grote uitpuilende vliegenogen.
Enkele uren later stapt de dokter aan boord van een schip aan de Surinamekade in Amsterdam.
De familie Hoogendoorn doet hem uitgeleide en wenst hem een goede reis.
De wind drukt het water tegen de niezende en proestende snuit van het vaartuig. De schoorsteen blaast een dikke rook uit, welke angstig door de snel op en neer zeilende meeuwen wordt vermeden.
De gladde blinkende stenen van de dijken worden gebaad door de zee en gedroogd door de zon.
Op de duintoppen golft de groene helm. Het duingras wuift het schip een vaarwel toe.
Drie weken later ziet de dokter een klein lichtschip dat zich met moeite boven de golven uit weet te houden. De vuurboot van Suriname.
Een dikke, groene krans is om het hoofd van de Surinamerivier gevlochten.
Het strand lijkt roodgekleurd door zwermen langbenige viszoekers.
Zo nu en dan verheft zich een mooi onderhouden directeurswoning tussen het groen aan de rivieroever.
Brede, uitgestrekte rijstvelden lokken de vogels ver vanachter de kust vandaan. Telkens wanneer het oververmoeide schip vooruitschiet, vertoont de dichtbegroeide kust een ander kleurrijk beeld.
Grote zwarte vogels vliegen hoger dan waar de wolken zweven, hun vleugels lijken bijna het blauw van de hemel te raken.
De oceaanstomer vaart de haven van Paramaribo binnen en wordt aan de kade vastgelegd.
Aan de wal is het een drukte van mensen.
Onder de balkons van de hooggestoepte huizen van de kooplieden zitten zwarte vrouwen gekleed in koto's van de meest uiteenlopende kleuren die er in de wereld bestaan.
De sierlijk gebonden hoofddoeken dansen vrolijk en soms uitbundig op de vrouwenhoofden.
Andere fleurige kleuren van doeken en jakken smelten samen met het goud van de zon.
Kinderen in goedkope katoentjes waarvan de kleurstof door het vele wassen allang verdwenen is, warrelwinden om de ouderen heen.
Maar let op, want de zon verstaat de kunst om u te misleiden.
U zou misschien denken dat het daar alleen bloemengeur, vro-
lijkheid en zonneschijn is. Ondanks de gouden stralen is de armoede groot.
Dokter Hartman en twee Europeanen gekleed in witte linnen pakken worden naar één van de herenhuizen in de Herenstraat gebracht.
Drie dagen later begint de dokter aan zijn reis naar het binnenland.