terug  begin  verderprepost
[p. 27]

Rudie van Lier
Fragmenten

Voor Annie

Vroeger woonde ik aan een rivier. Daar moet ik voor het eerst het voorgevoel gehad hebben van de wereld. Ik heb op de brede stenen trap gestaan, die het water inliep; daartegen bruisten de golven. Er waren wijzers op de brug gegrift, die wezen de windrichtingen aan, een groot kompas als fossiel bevroren in steen. Vaak ging ik midden op de brug staan als een levende kern, waarom dit kompas zich moest bewegen en fluisterde de namen der hemelstreken als lievelingsnamen. Mijn gedachte bewoog zich flitsend voorwaarts langs de pijlrichtingen als het licht van een vuurtoren wanneer die zijn lampen ontsteekt, telkens als ik één van deze namen noemde.

De brug lag aan een groot, groen grasveld met witte paden. Op de achtergrond doken hoge huizen op, langs de waterkant stonden bomen, amandelbomen met brede bladeren, die tafelvormig hun takken uitbreidden en palmbomen met hun slanke, nerveuze bladeren die recht in de lucht groeiden. En over dit alles scheen de tropenzon, de zon van het land waar ik ben geboren.

In de middag blies soms een stoomfluit over de stad of loeide schor de sirene. Dan werden boten vlot en dreven langzaam de rivier af, er wapperden witte zakdoeken in de lucht. Daar moet ik voor het eerst begrepen hebben dat mijn leven eens ook op stroom zou geraken en dat ik eens niet meer aan de oever zou staan, een jongen in een wit matrozenpakje, klein op een grote, stenen brug. En daar heb ik ook heel zeker geweten dat ik spoedig vertrekken zou. Vaag, veel vager heb ik ook gevoeld maar nauwelijks begrepen, dat mijn leven voorbijging en dat ik veranderde.

Soms schrikten de boten mij op als ik 's nachts lag te slapen en ik dreef af in mijn bed als in een boot op het donker van de nacht. En als ik moe werd, lag ik duizelig rond te tollen tot ik de kamerwanden weer bleken zag. Ook overdag als ik dacht te waken, schrikte een

[p. 28]

fluit mij soms wakker met dezelfde schok en ik dacht: er zijn vele levens. Als ik 's morgens wakker word, ontwaak ik tot mijn eerste leven en als de fluiten blazen, word ik tot mijn tweede leven gewekt. 's Nachts riepen zij mij regelrecht wakker tot mijn tweede bestaan.

Nu weet ik dat het ons slechts gegeven is bij ogenblikken volkomen wakker te zijn en dat ik volkomen wakker werd als ik de fluiten hoorde boven de stad.

Wakker zijn is helder willen de dingen te kennen en te veroveren. Ik was een kind nog en gaf dus het verlangen zelf een naam. ‘Ik wil naar Holland, ik wil naar Holland,’ zo lag ik soms 's nachts te kermen in mijn bed. Holland leek mij het onbereikbare. Overdag was ik vermoeid van de eigen onrust van de voornacht, te gedrukt om blij te leven.

Nu zit ik hier in een Hollandse stad dicht bij zee en mijn verlangen is hetzelfde gebleven, alleen werd het feller en onbegrensder. Ook heb ik het herkend: het intense verlangen naar een leven dat alles omsluit. Ik zit weer voor studieboeken, andere dan toen, maar met dezelfde onwil voor de taak, en als toen voel ik mijn eigen wil als een zware hand die mij in de nek greep en op de stoel voor mijn boeken neerdrukte, dwingend vasthouden. Als toen verliest deze het ook van een willekeurig geratel in de verte of een sirene-autoclaxon?, fabrieksfluit? - 's middags in de stad. Weer kom ik tot heldere waakzaamheid die mij ongeschikt maakt voor de slaap van anderen, hun leven. Nooit verliet mij de hunkering naar mijn tweede leven, maar nu is het een verlangen, zo rijp geworden, dat de vervulling niet ver af meer kan zijn. Het gevoel van het kind, dat toen tussen twee landen stond, is uitgegroeid tot mijn verlangen dat zich tussen twee werelden beweegt.

Het verlangen naar de wereld is wel reeds een oud verlangen. Het bestond van die dag af dat wij voor het eerst verlangden naar het lichaam van een vrouw, daarna verliet het ons niet meer. Maar het was een ontijdig verlangen, dat opflikkerde en doofde. Maar nu verloor ik de wereld, waarin ik kind was en daardoor rijpte mijn verlangen naar de wereld. Al de vreugden van het kind zijn mij langzamerhand ontgaan. Ik zag die wereld ondergaan en zie voor mijn ogen een nieuwe wereld komen, de wereld van de man. Sinterklaasfeesten, kerstfeest en het geloof, blij zijn met niets en om

[p. 29]

niets, kleine vreugden die moeder ons bereidde, zij gingen voor mij verloren. Ik ben als iemand die in een huis zit te wachten op het uur van zijn vertrek. Reeds zijn de koffers gepakt en reeds heeft hij afscheid genomen van allen met wie hij was de nacht tevoren. Zijn ogen kijken over hen heen als zag hij reeds het land waar hij naar toegaat en hun leven gaat reeds buiten hem om. Hij weet dat zijn stoel de volgende dag leeg zal staan. Ook kent hij de diepte van zijn liefde voor wie hij achterlaat. Hij kent de warmte van zijn eigen hart. Maar over dit alles is reeds beslist. Zijn liefde zal in hem blijven leven en zij zal hem altijd terugvoeren naar deze plaats vanwaaruit hij als laatste haven zijn tocht begon. Maar hij weet ook dat iets in hem reeds zo vervreemd is, dat hij zeker zal moeten heengaan, dat zijn vertrek onafwendbaar is, en hij verlangt ook niets anders dan te gaan naar datgene wat nu vóór hem ligt en dat hij slechts kent in voorgevoel en in gedachten. Vóór hem ligt de wereld, ik zag een andere wereld in mij ondergaan. Zo leef ik in herinnering en voorgevoel.

prepostterug  begin  verder